***


















www.resantiquae.nl

ONTDEKKINGEN

ESSAYS DOOR

WILLIAM BUTLER YEATS.






DUN EMER PRESS
DUNDRUM
MCMVII





DE MUSICUS EN DE REDENAAR

Walter Pater zegt, dat de muziek het voorbeeld is voor alle kunsten, maar iemand anders, ik weet niet meer wie, zegt dat dat geldt voor de welsprekendheid. Men zal zich bij een van deze standpunten aansluiten al naar de aard van zijn persoon. In mijn huidige stemming ben ik helemaal voor de man die, met een gemiddeld publiek voor zich, alle mogelijke middelen gebruikt om te overtuigen : verhalen, humor, tragiek, en zoveel muziek als hij kan ontdekken op de vleugels van het woord. De gedachtenwisseling tussen muziekliefhebbers zou ik links laten liggen. Die zouden ons binnen voeren in het onpersoonlijke land van klank en kleur en zouden niemand laten schrijven met een sonate in gedachten. We spreken zelfs een beetje kwaad van musici, maar geven wel toe, dat zij, voordat wij dat doen, die melodieuze kroon zien. We zullen hen er aan herinneren, dat de hulp in huis geen respect heeft voor de pianostemmer, maar wel voor de loodgieter, en dat ze onder alle dichters vijandschap veroorzaakt. Muziek is de meest onpersoonlijke van alle werelden en woorden de meest persoonlijke. Daarom houden musici niet van woorden. Ze herkauwen ze voor lange tijd uit angst niet in staat te zijn ze fatsoenlijk te verteren en wanneer de woorden zo gekneusd en zacht geworden zijn en vermengd zijn met speeksel, dat het helemaal geen woorden meer zijn, pas dan slikken ze ze in.



EEN MEISJE OP DE BANJO

Een meisje speelt op de banjo. Ze is lief en als ik niet naar haar zou luisteren, zou ik naar haar kijken en als ik niet zou kijken zou ik geluisterd hebben. Haar stem, de bewegingen van haar lichaam, de uitdrukking van haar gezicht zeggen allemaal hetzelfde. Een speler met een ander temperament en lichaam zou iets heel anders tot stand brengen en zou weer op een andere manier fijn zijn om mee te maken. Een beweging, niet alleen van muziek maar ook van leven, bereikt hier de volmaaktheid. Ik ben verrukt en weet niet waarom, totdat ik me realiseer : “Dit is de manier waarop mijn mensen, de mensen die ik zie in het oog van de geest, muziek spelen en ik houd ervan omdat het allemaal persoonlijk overkomt, even persoonlijk als de poëzie van Villon”.

Het instrumentje is maar heel licht en de bespeler ervan kan vrij bewegen en een vreugde tot uitdrukking brengen, die niet zo zeer toebehoort aan de vingers of de geest, maar aan het gehele wezen. En ondertussen dringen haar bewegingen zich op aan de geest, zo rechtop en natuurlijk als ze daar zit, wat het mooist is in haar dagelijkse leven. Bijna alle oude instrumenten hadden die eigenschap, zelfs het orgel was ooit een klein instrument en toen het groter werd gaven onze wijze voorvaderen het aan God in de kathedralen waar het Hem toekomt alles te zijn. Maar als je aan de piano zit, is het een piano. Het mechanisme, dat is daar het belangrijkste en niets van jou heeft dan iets te betekenen behalve je vingers en je intellect.




                                DE SPIEGEL

Zojuist sprak ik met een meisje met een schelle eentonige stem en schonkige bewegingen. Ze komt net van school waar ze haar geschiedenis en aardrijkskunde hebben geleerd ‘om de menselijke ziel op het spoor te komen’ maar wat is de waarde van een vorming of op langere termijn van een wetenschap die niet start met de persoonlijkheid, het eigen zelf, en alles daaraan illustreert? Iemand zou haar hebben moeten leren om grotendeels te spreken op een toon waar haar stem de meeste muzikaliteit laat zien en die harde klanken te verzachten door te spreken, niet te zingen, bij een snaarinstrument, en noot na noot te nemen en als het ware haar woorden een beetje te strelen alsof ze de klank ervan waardeerde. Ze zouden haar hierna een mooie pantomime-dans hebben moeten aanleren, totdat er een houding was ontstaan om te leven voor oog en oor. Een wijs theater zou het tot gewoonte moeten maken mensen te trainen in een sterk en mooi leven, en daarbij vooral de heroische discipline aanleren van de spiegel. Immers, is niet schoonheid, net als blijvende liefde , een van de moeilijkste van alle kunsten?










WAAROM IN DE OUDHEID EEN BLINDE TOT DICHTER WERD GEMAAKT

Een persoonsbeschrijving in de Ilias of Odyssee is, anders dan in de Aeneis of bij moderne schrijvers, de snelle en natuurlijke observatie van een man zoals die door het leven is gevormd. Het is een verfijning van de primaire honger en heeft nagenoeg niets van wat zuiver wetenschappelijk of uitzonderlijk is. Het is bovenal nooit te dwangmatig, te professioneel en wanneer we het boek hebben gesloten zijn onze harten er rijker van geworden, want we hebben er midden in gezeten. We hebben nooit iets gezien dat Odysseus niet gezien kon hebben omdat zijn gedachten bij de Cycloop waren, of Achilles toen Briseis verlangen in hem opwekte. In de kunst van de grootste periodes is iets zorgeloos en onverwachts in alle gewoonlijke stemmingen, maar niet in hun uitdrukking, omdat deze stemmingen een samenbundeling zijn van alle energie van het actieve leven. In tijden van weleer werd een blinde een zanger zoals hij in onze dorpen een vedelaar wordt. Hij moest verdreven worden van alle activiteiten waar zijn natuur naar hunkerde, voordat hij tevreden kon worden gesteld met het loflied op het leven. En vaak is het een Villon of Verlaine, met beperkingen die voor iedereen duidelijk zijn, die met de oude eenvoud over het leven zingt. Dichters van de toekomst zullen, wanneer het weer mogelijk zal zijn te schrijven zoals in die bloeiperioden, zullen erkennen dat hun offer zal zijn af te zien van datgene wat blindheid en een slechte naam, of gevangenschap bij het begin van hun leven, aan mensen ontzegden die daarbij ook nog de prikkel misten van een weloverwogen weigering.   De dichters van de zilveren tijd hebben geen ontkenning van het leven nodig, de koepel van veelkleurig glas is al versplinterd terwijl ze leven. Weloverwogen kijken ze naar het leven, als het ware buiten het leven staand, en de grootsten onder hen hoeven niet meer te ondergaan dan de droefheid die de heiligen hebben ervaren. Dit is hun doel en hun poging is geen hartstochtelijke activiteit, maar de erkenning van hun collega’s die alleen maar in overvloed tot hen komt, wanneer ze behagen scheppen in algemene gedachten die een gecultiveerde midden-klasse bijeenhouden , waar onverantwoordelijk gedrag qua status en armoede, ontbreekt; de dingen die meer aan het licht treden onder mensen met hoge opleiding en politieke ambities.

Augustus Cæsar’s minzaamheid, al die onpersoonlijke intellectuele productiviteit, die de individuele hartstochten ondersneeuwt. Ben Jonson zegt in zijn Poetaster dat zelfs de besten onder de mensen zonder het vuur van Prometheus gelijk staan aan een hol vat, en een serieus man zal meestal na zo’n veertig winters vergeten dat zeker weten het vuur van Prometheus iemands vingers kan verbranden.

Het kan gebeuren dat dichters vaker worden gevormd door hun ondeugden dan door hun deugden, want algemene lof is niet bepaald positief, zoals men in de dorpen weet, en niet alleen zoals ik het me voorstel – want ik ben in dit soort zaken nogal bijgelovig – omdat de waardering van allen op een gelijke na tot slaaf maakt en met elk compliment een pond toevoegt aan de bal aan de enkel.

Alle energie die voortkomt uit heel de mens is even onregelmatig als de bliksem want het overdraagbare, het voorspelbare en vindbare is slechts een deel, een hongerig kuiken onder de borst van de pelikaan, en het criterium bij poëzie ligt niet in de ratio, maar in een heerlijke emotie die niet verschilt van het gevoel dat iemand bekruipt wanneer voor het eerst zijn hart door liefde wordt bevangen. Ik heb een oude man gekend die zijn hele leven had doorgebracht met het snoeien van hazelaars en olijfstruiken bij de paden en die zeventig jaar lang weinig had meegemaakt maar die wel een rijke fantasie had. Hij had nog nooit een natuurkenner gezien, nooit de dingen gezien zoals ze zijn, want zijn gebruikelijke houding was die van een man die opgaat in zijn bezigheden. Shakespeare en Tintoretto, hoewel die periode ten einde liep toen Tintoretto schilderde, bijna alle grote kunstenaars van de Renaissance, keken naar de wereld met ogen als die van hem. Hun harten waren altijd onrustig, nooit om zo te zeggen in een stemming voor wetenschappelijke observaties, altijd in vervoering, nooit – om met bekende woorden te spreken – gebaseerd op het uitschakelen van de persoonlijke factor. Hun aandacht en de aandacht van diegenen voor wie ze werkten, was voortdurend gericht op datgene wat aanwezig is in een hart in vervoering. Ik ben teveel een mens van deze tijd (ca 1900) om volledig te kunnen genieten van Tintoretto’s Schepping van de Melkweg, ik kan mijn gedachten niet genoeg vastpinnen op dat gloeiende en levende vlees om het te vergeten, zoals ik dat wel kan met de schijnwereld van het sprookje, die zware draperie die van een wolk afhangt, hoewel ik voel dat mijn waardering voor King Lear toeneemt door de schijnsituatie die over ons allen komt wanneer de dwaas zegt : “Deze profetie zal Merlijn doen, want ik leef vóór zijn tijd”. Ik vind het altijd heel natuurlijk hoe weinig logica in het concrete geval ertoe doet in de mooiste kunst, dat de tenten van Richard en Richmond naast elkaar zouden moeten staan. Ik keek met plezier naar De Ridder van de brandende vijzel die M. Carr nieuw leven inblies en vond het positief omdat de leerling het hele stuk handelde uit de impuls van het moment, zonder een regel in zich op te nemen. Toen Ben Bronson in zijn Epicoene een eeuw humor samenvatte in een traject van twee uur, constateerde ik tot mijn verbazing dat bijna iedere journalist logica op zijn stoel had neergelegd, waar vrouwe verbeelding die onterechte en gunstige uitspraak deed die haar vrouwenhart voortdurend bedenkt en zich genoodzaakt voelde om alleen maar redelijke sympathieën te koesteren en de pesterijen van die groteske grijsaard af te wijzen. Ik heb een boek bestudeerd met etsen die in de 18e eeuw gemaakt zijn naar muurschilderingen in Herculaneum en Pompeii. Het waren, zo leek het, tekeningen van reizigers die een kopie maakten van de mooiere fresco’s, want de compositie is steeds te goed in verhouding tot de uitvoering.

Op talrijke momenten constateer ik een onverschilligheid ten opzichte van vanzelfsprekende logica, van alles wat het oog op gewone momenten ziet. Perseus toont Andromeda de dood waar ze vlakbij was in een vijver en hoewel de minnaars zorgvuldig getekend zijn staat de afspiegeling op zijn kop, zodat we beter kunnen zien. Er is nauwelijks een oude meester die ons er niet van doordrongen heeft hoe weinig hij geeft om wat elke dwaas kan zien en elke boerenpummel kan waarderen. Degenen die kunst schiepen waren niet minder bijgelovig qua religie. Ze begrepen de spirituele relatioes, maar niet de mechanische, en vonden niets dat tot stemverheffing zou moeten leiden bij de waterhozen van Noach en Deukalion en de maan van Jozua bij Askalon.