pianospelen en zingen

onderwijzen en aanleren

hoe vorm je je een oordeel over muzikale vertolkingen?


door friedrich wieck

[1]

HOOFDSTUK 1

ELEMENTAIR PIANO-ONDERRICHT

Beste vriend, je vraagt me om wat specifieke informatie over mijn pianomethode en daarvan in het bijzonder mijn elementair piano-onderricht, dat wezenlijk afwijkt van methodes die algemeen in gebruik zijn.

Ik geef je hier de belangrijkste punten. Wanneer je vertrouwen stelt in mijn veertigjarige onderwijservaring en wanneer je die details wilt aanvullen die ik niet heb aangeroerd, zul je door eigen ervaring in staat zijn mijn theorie te begrijpen. In de volgende dialoog gaat onder de naam Dominique mijn persoontje schuil. Hij praat tegen de kleine Trinette.

DominIQUE. Mijn beste vriend, hoe heb je het voor elkaar gekregen voor de kleine Susie pianospelen zo vreselijk tegen te maken? Hoe komt het dat jouw onderricht van de afgelopen drie jaar hoegenaamd niets heeft opgeleverd?

VRIEND : Goed, dat zal ik je vertellen. Eerst leerde ik haar de namen van de toetsen, een vervelend werkje voor haar. Toen leerde ik haar de noten van de discant, ook lastig, en daarna die van de bas, nog lastiger. Toen wilde ik haar een leuk klein stukje aanleren om haar ouders mee te plezieren. Natuurlijk haalde ze telkens discant en bas door elkaar, ze kon geen maat houden, gebruikte steeds weer de verkeerde vingers en kreeg het stukje er niet in. Toen schold ik haar uit, tranen met tuiten, ik probeerde het met haar wat te vleien, nog meer gekrijs. Uiteindelijk stopte ik maar met die pianolessen en ze smeekte me er nooit weer mee te beginnen. Dat is het hele verhaal.

Dom. Je had zeker wat bedachtzamer kunnen beginnen. Hoe kan een kind nu een ladder opklimmen, wanneer niet alleen de onderste sporten maar nog veel andere bovendien ontbreken. De natuur maakt geen sprongen, al helemaal niet met kinderen.

VRIEND : begon ze dan niet de ladder van beneden af op te klimmen?

Dom. Absoluut niet. Ze kon gewoon nooit de top van de ladder bereiken. Ik zou eerder zeggen, dat ze er direct hals overkop vanaf kukelde. Om me maar mild uit te drukken : ze begon in het midden te klimmen en ook toen nog probeerde je haar naar boven te jagen in plaats van haar toe te staan om rustig en voorzichtih stap vppr stap naar boven te klimmen. Breng je jongste dochter, Trinette, maar bij me en ik zal je laten zien hoe je een eerste muziekles moet geven.

***

Dom. Trinette, kun je me de volgende letters nazeggen? C, d, e, f.

Trinette : C, d, e f

Dom. : ga maar verder : g, a, b, c

Trinette : g,a,b,c

Dom. : Nog een keer : eerst de eerste vier, daarna de laatste. Prima. Nu alle acht achter elkaar : c, d, e, f, g, a, b, c.

Trin. : c, d, e, f, g, a, b, c

Dom. ( na dit enkele keren te hebben herhaald ) : goed zo, je ziet dat je al wat hebt geleerd. Dat is het muziekalfabet en dat zijn de namen van de witte toetsen op de piano. Je gaat ze nu ontdekken en de toetsen hun namen geven. Maar eerst moet je erop letten ( ik sla de toetsen aan vanaf de midden-c tot de hoogste toon) dat de klanken achtereenvolgens steeds hoger en scherper worden. Wanneer ik de toetsen van de midden-c aansla tot en met de laagste worden de klanken lager en dieper. De bovenste helft noemen we discant, het lagere stuk is de baskant. Voel je het verschil tussen de hoge scherpe klanken en de lage diepe? Nu gaan we een stapje verder : wat je hier ziet en waarop je zo dadelijk gaat spelen, is het toetsenbord dat bestaat uit witte en zwarte toetsen. Je zult zo dadelijk leren de juiste namen te geven aan de witte en de zwarte toetsen. Je ziet steeds twee en dan weer drie zwarte toetsen, over het hele toetsenbord. Zet je wijsvinger van je rechterhand op de laagste van elk van de twee zwarte toetsen die bij elkaar horen en laat hem naar beneden glijden naar de witte toets die er vlak onder ligt. Nu heb je de c-toets gevonden. Wat is de naam van de volgende toets er boven? Zeg het hele muziek-alfabet maar op.

Trin. c, d, e, f, g, a, b, c.

Dom. O.K. die toets heet dus d.

Trin. : en dan is dit de e.

Dom. Dan komt nu de f. Je kunt de f op het toetsenbord even gemakkelijk vinden wanneer je je vinger op de laagste van de drie zwarte bij elkaar horende toetsen legt en hem dan naar beneden laat glijden op de witte toets er vlak onder. Wanneer je je de plaats van de f en de c kunt herinneren, zowel in de discant als op de baskant, kun je gemakkelijk de namen van alle andere toetsen ontdekken. Wat is de volgende toets boven de f?

Trin. : g, en dan a,b,c,

DOM. : nu gaan we nog een paar keer de namen van de toetsen noemen, naar boven en naar beneden. Daarna leren we ze te vinden wanneer we de toetsen in een willekeurige volgorde aanslaan. Aan het eind van deze les zullen we dat nog eens proberen en bij het begin van de volgende les ken je de namen van alle witte toetsen. Je moet ze zelf inoefenen. Dat kan niet mis gaan, wanneer je maar goed denkt aan de plaats van de c en de f. Ik vertelde je al dat de klanken op deze manier ( ik sla de toetsen in opwaartse richting aan) steeds hoger worden en zo ( ik sla ze in neerwaartse richting aan ) steeds lager. Zoals je ziet is geen enkele toon aan een andere gelijk : ze zijn ofwel hoger ofwel lager dan de andere. Hoor je het verschil? Draai je maar om zodat je de toetsen niet kunt zien. Ik sla twee toetsen aan, de een na de andere. Welke is de hoogste, de eerste of de tweede? ( op deze manier ga ik verder en sla toetsen aan die steeds dichter bij elkaar liggen. Soms sla ik om haar te verrassen en een beetje in de war te brengen, de lagere toon zachtjes aan en de hogere sterker en ga steeds lager aan de baskant, zolang als het meisje ze kan onderscheiden). Volgens mij vind je het nogal vermoeiend om zo nauwkeurig te luisteren, maar een gespitst oor is noodzakelijk bij pianospelen. Het wordt steeds makkelijker. Maar nu iets anders : kun je tot drie tellen? 1, 2, 3?

Trin. Ja en nog verder ook.

Dom. : Wacht daar maar even mee. Tel maar 1, 2, 3, 1, 2, 3 zo regelmatig als je kunt. ( Ik leer haar gelijkmatig te tellen en sla tegelijker tijd een akkoord aan in drie gelijke kwartnoten). Nu gaan we eens kijken of je ook zelf regelmatig kunt tellen (Ik tel 1 van het akkoord samen met haar en laat haar 2 en 3 tellen. Of ik tel de 2 en laat haar 1 en 3 tellen. Daarna sla ik het akkoord heel precies in achtsten aan en laat haar 1,2, 3 tellen. Om kort te gaan, ik laat haar het akkoord op verschillende manieren horen om haar zekerheid bij het tellen aan te leren en haar aandacht te blijven trekken. Op de zelfde manier leer ik haar 1,2, 1,2 tellen of 1,2,3,4,5,6. Ik leg haar uit dat muziek soms in drieën wordt geteld en soms in 2/4 of 4/4. ) Zo, Trinette, nu heb je goed leren tellen en je kent ook het verschil tussen de tonen. Niet elk kind leert dat al in de eerste les. Als je goed volhoudt, leer je echt goed spelen.

Trin. : ik vind dit leuk en ga mijn best doen precies te luisteren.

Dom. : Wanneer een paar tonen tegelijk worden aangeslagen en ze samen goed klinken, spreken we van een akkoord. Er zijn majeur- en mineur-akkoorden. Het majeur-akkoord klinkt opgewekt, vrolijk. Het mineur – akkoord klinkt verdrietig, het eerste lacht, het tweede huilt. Kijk maar eens of ik gelijk heb. (Ik sla eerst een C majeur-akkoord aan en daarna, na een korte pauze, een c mineur-akkoord en probeer haar door middel van een lichtere en zwaardere aanslag eerst naar het majeur-akkoord te laten luisteren en dan naar het mineur-akkoord. Wanneer ze deze goed onderscheidt, stop ik hiermee. Teveel uitleggen en praten is niet goed. ) Het verschil in klank tussen deze akkoorden ligt in de derde toon, gerekend naar boven vanaf de lagere noot c. Het hangt ervan af of je deze toon een halve noot hoger of lager neemt, dus een e of een es. Ik leg dit nog uitgebreider uit wanneer je leert over de tonica, de terts, de kwint of dominant, het octaaf, etc. (Het is psychologisch handig om punten die later uitgebreider worden behandeld alvast eerder aan te stippen. De gebruikelijke technische termen worden vooraf al genoemd met een korte uitleg erbij). Zo, je weet er nu al aardig wat van. Nu lopen we nog eens de namen van de toetsen door en dan stoppen we voor vandaag. Moet je kijken hoeveel we vandaag alleen al hebben geleerd!

Trin. : Dat was best leuk.

Dom. : Ik hoop dat je het leuk zult blijven vinden.

Trin. : Wanneer heb ik weer les?

Dom. : Overmorgen. Voorlopig krijg je drie lessen per week.

Trin. : Wat ga ik de volgende les leren?

Dom. : Ik ga alles wat ik je vandaag geleerd heb herhalen, maar het meeste daarvan steeds op een andere manier. Zo blijf je het leuk vinden. Ook gaan we de volgende les beginnen met spelen, eerst op de tafel en dan op de piano. Je leert je vingers losjes en licht te bewegen, volkomen onafhankelijk van je arm, hoewel je vingers in het begin nog ongetraind zullen zijn. Je zult ook leren ze correct op te tillen en te laten vallen. Met een paar oefeningen zullen we je pols los leren maken met het oog op een mooie aanslag en een zo mooi mogelijke klank. Je leert goed aan de piano te zitten en je handen een goede positie te geven. Je leert de zwarte toetsen en de toonladder van C met de halve toon tussen 3 (e) en 4 (f) en 7 (b) en 8 (c). De laatste heet leid-toon, want hij leidt naar de C. (Voor mijn methode is dit heel belangrijk want zo kunnen de verschillende toonsoorten gemakkelijk worden toegelicht) Ik leer je het C-akkoord in de baskant en de discant te vinden en het met beide handen tegelijk aan te slaan. Tijdens de derde of vierde les leer ik je een muziekstuk dat je mooi zult vinden. Dan ben je al een beetje een pianist.

VRIEND : Van wie heb je dit allemaal geleerd? Het gaat echt als een sneltrein.

Dom. : Heel veel mensen kunnen leren wat aangeleerd moet worden, maar de kwestie is, hoe leer je het iemand aan? Dat heb ik ontdekt door me volledig te wijden aan de ontwikkeling van mijn leerlingen, muzikaal, maar ook in het algemeen. Ze maken snel vorderingen , juist omdat het proces stap voor stap gaat. Het ene onderdeel wordt gebaseerd op het andere. De leerlingen leren in alle rust, met concentratie, zonder uitweidingen, obstakels en fouten die later weer moeten worden afgeleerd. Daarbij probeer ik steeds te anticiperen op en de basis te leggen voor andere zaken die later moeten worden geleerd. Ik vind het enorm belangrijk om niet te proberen het geheugen van mijn leerling vol te stampen met schoolwijsheden, wat maar al te vaak, vaak ook nog op een hardhandige wijze, gebeurt. Ik probeer mijn leerling geïnteresseerd te maken en laat hem zichzelf ontwikkelen om te voorkomen dat hij degradeert tot een machine. Ik wijs de praktijk af van het tijdverspillende en geestdodende jengelen op de piano. Bij mijn persoonlijke methode staat het individu en de geleidelijke ontwikkeling daarvan centraal. Later ga ik nog verder en houd ik me bezig met de algemene culturele vorming van mijn leerling. Ik buit elke gelegenheid uit om zijn gevoel voor schoonheid te ontwikkelen en bij te dragen aan zijn intellectuele ontwikkeling.

Vriend : En de noten, waar zijn die al die tijd gebleven?

Dom. Eerst moeten we nog heel wat doen dat interessant en boeiend is. Ik houd voortdurend oog op de vorming van een goede techniek, maar maak pianospelen voor mijn leerling niet tegen door een nutteloze en zinloze mechanische ‘training’op te leggen. Misschien leer ik de noten van de discant pas na zes maanden aan of na zestig of tachtig lessen. Ik doe dat op mijn eigen manier om mijn leerling alert te houden. Bij mijn eigen dochters leerde ik de hoge noten pas aan op het einde van het eerste jaar les. De basnoten kwamen enkele maanden later.

Vriend : maar wat deed je dan in de tussentijd?

Dom. Eigenlijk zou je, nu je mijn eerste les hebt gehoord, die vraag zelf moeten kunnen beantwoorden. Ik cultiveer een muzikale smaak bij mijn leerlingen en leer ze goede pianisten te worden zonder dat ze ook maar één noot kennen. Ik leer ze een correcte, lichte aanslag van de toetsen vanuit de vingers en een goede akkoordaanslag vanuit de pols. Ik voeg dan toonladders in alle toonsoorten toe, maar in eerste instantie niet met beide handen tegelijk. De leerling leert zich de gewoonte om ze met beide handen in te studeren geleidelijk later aan. Er te vroeg mee beginnen is niet aan te raden, want door de toonladders met beide handen samen te spelen blijft de geringe kracht van de vierde vinger onopgemerkt. De aandacht wordt van de zwakke tonen afgeleid wat leidt tot een onevenwichtige toonladder. Tegelijkertijd ontwikkel ik op elke mogelijke manier het maatgevoel en leer ze de maatindeling. Ik help mijn leelringen kleine kadensen met dominant en subdominant te bedenken en zelfs ook kleine oefenstukjes. Dat vinden ze heel leuk en ze leren er veel van. Ook leg ik veel nadruk op een correcte vingerzetting. Je ziet dat ik me ter voorbereiding op de praktijk met theorie bezighoud. Ik leer bijvoorbeeld mijn leerlingen om de drieklank te ontdekken en het dominant-septiemakkoord, met transponeringen in alle toonsoorten. Die laat ik hen nauwkeurig oefenen en gebruiken in alle mogelijke soorten van nieuwe muzikale figuren en passages. Dat doe ik zonder enige haast en zonder dat ik mijn leerling te veel met één zaak vermoei en verveel, waardoor hij zijn interesse, het allerbelangrijkste, zou kunnen verliezen. Daarna laat ik ze rond de vijftig kleine stukjes studeren die ik voor dit doel heb geschreven. Die zijn kort, in een evenwichtig ritme, ze liggen goed in het gehoor en zijn bedoeld voor de ontwikkeling van het technische niveau. Ik laat ze die stukjes uit het hoofd leren en transponeren naar andere toonsoorten. Op die manier wordt het geheugen dat voor pianospel een absolute vereiste is, onbewust grondig getraind. Ze moeten perfect ingestudeerd en gespeeld worden, afhankelijk natuurlijk van het niveau van de leerling, precies in de maat (het is zelden nodig hardop mee te tellen) , zonder horten en stoten, eerst langzaam, dan steeds sneller en dan weer langzaam, staccato, legato, piano, forte, crescendo, diminuendo, etc. Deze methode blijkt steeds weer succesvol te zijn, maar ik span de kar niet voor de wagen en zonder voorafgaande technische instructie begin ik mijn lessen met het uiterst lastige aanleren van de hoge en lage noten. Als denker en psycholoog streef ik naar een veelzijdige aanpak. Ook besteed ik daarbij veel aandacht aan zingen, een noodzakelijke basis voor goed pianospel. Dit aspect heeft mijn enthousiasme en interesse. Ik blijf nooit op hetzelfde niveau, iedere dag leer ik tijdens mijn lessen ook zelf. Ik probeer altijd mezelf te professionaliseren door altijd met nieuwe en uiteenlopende dingen aan te komen, in elke les en bij elke leerling. Ik neem altijd een opgewekte, sympathieke en stimulerende houding aan, die meestal op mijn leerlingen overslaat, omdat het recht uit mijn hart komt. Ik ben geen man van routine, wil geen pedant zijn en daardoor vasthouden aan vastgeroeste standpunten. Ik ga met de ontwikkelingen van mijn tijd mee, en probeer mijn tijd te begrijpen en erop te anticiperen. Alles wat op muzikaal gebied belangwekkend is, heb ik gehoord. Met mijn leerlingen is dat net zo. Alle vooroordelen en kwalijke ontwikkelingen van deze tijd wijs ik zonder meer af. Ongeduldige ouders hoeven mij beslist niet over mijn lessen te adviseren. Bij mijn lessen gebruik ik een goed en goed-gestemd instrument. Ik probeer het vertrouwen van mijn leerlingen en hun ouders te verdienen. Ik wijd me kortom volledig aan mijn roeping en ben een leraar pur sang, met mijn oog altijd gericht op waarheid, schoonheid en ware kunst. Op deze manier kan ik mijn leerlingen van dienst zijn.

Vriend : Maar hoe vind je dan ouders die het eens zijn met jouw ideeën en grote ambities?

Dom. Mijn ervaring is dat bijna alle ouders mijn standpunten zijn gaan delen, misschien niet onmiddellijk, maar wel nadat ze een paar lessen hebben meegemaakt. Waar ouders er geen begrip voor konden hebben, ben ik met de lessen gestopt, wat voor mijn totale lespraktijk overigens helemaal niet nadelig is geweest. Denk je niet, dat dit soort standpunten kunnen bijdragen aan de training van jonge en onervaren leraren die uit zijn op verbetering en dat ze ook nuttig kunnen zijn voor diegenen die al een algemene ontwikkeling bezitten en verknocht zijn aan hun roeping? Van elke exclusieve methode zie ik af. Die zou er alleen maar toe leiden dat ik mijn intenties zou moeten wijzigen en daarmee afbreuk doen aan mijn persoonlijke methode. Diegenen die me niet begrijpen of ervoor kiezen me op de verkeerde manier te begrijpen, dat zijn de ergsten! Vooral diegenen met een slechte imborst, de zogenaamde klassieke lieden die veel bombarie veroorzaken over muziek, volkomen tegen de noten ingaan en geen geduld kunnen opbrengen totdat ze belanden bij Beethoven, die zonder enig benul onzin verkopen over mijn onklassieke manier van doen, maar eigenlijk alleen maar hun eigen onkunde willen verbergen, hun gebrek aan cultuur en hun gebrek aan interesse. Luie mensen zonder talent ga ik zeker niet inspireren, onderwijzen en vormen.

Bijna vanzelf geeft dit hoofdstuk aan onbevooroordeelde lezers een indicatie over het vervolg van mijn lessen en het laat zien in welke zin ik mijn eigen dochters tot het hoogste niveau van muziekcultuur heb begeleid, zonder ook maar in het minst streng te zijn. Dat zal heel wat ongenoegen opleveren bij negatieve types in de zogenaamde fatsoenlijke wereld die de artistieke positie van mijn dochters herleiden tot tirannie van mijn kant, ongehoord extreme oefensessies en daarmee gepaard gaande martelprakijken. Ze aarzelen niet om de meest absurde zelf verzonnen verhalen de wereld in te sturen in plaats van te onderzoeken wat ik al over muziekdidactiek heb gepubliceerd en dat te vergelijken met de lessen die bij hun eigen kinderen hebben geleid tot een volstrekt zinloze praktijk.

[17]

HOOFDSTUK 2

EEN VERMAKELIJK AVONDJE BIJ DE HEER ZACH

DRAMATIS PERSONÆ.

De heer zach , vroeger fluitist, niet erg rijk

Madame, zijn vrouw, uit de familie Tz., nogal heetgebakerd

Stock, haar zoon, 17 jaar, een serieuze pianostudent

De heer Belmonte, muziekleraar van de familie

Dominique, pianoleraar

Cecilia, zijn dochter, een verlegen meisje van 13 jaar

***

Zach (tegen Dominique). Het spijt me dat ik gisteren niet bij het concert aanwezig kon zijn. Ik heb een muzikale achtergrond en heb fluit gespeeld. Volgens mij speelt uw dochter behoorlijk goed.

Dom. Dat klopt! Misschien nog wel meer dan dat. We doen serieus aan muziek.

Mad. (jaloers omdat Cecilia gisteren applaus oogstte terwijl de heer Belmonte niet in de gelegenheid was Stock te presenteren) . Wanneer is uw dochter begonnen met spelen en hoe oud is ze nu? Vindt ze musiceren leuk? Ze zeggen dat u enorm streng bent en uw dochters aan de pianokruk vastbindt. Hoe veel uur laat u ze dagelijks oefenen? Raakt ze niet uitgeput van de stress? Heeft ze talent? Is ze wel helemaal gezond?

Dom. mevrouw, ze ziet er toch gezond uit, lang en krachtig voor haar jaren?

Mad. Ja, maar misschien zou ze wat vrolijker kunnen kijken wanneer ze niet gedwongen werd zoveel piano te spelen.

Dom. (met een buiging). Ik zou het u niet zo precies kunnen zeggen.

Zach : (onderbreekt hem plotseling en grijpt hem bij zijn revers) Ze zeggen dat u uw dochters vreselijk mishandelt en martelt, dat de oudste verplicht was dag en nacht te oefenen. Wacht maar, tot u vanavond mijn zoon Stock hoort spelen die ooit, als God het wil, de plaats van Thalberg zal innemen. Geef maar vrijuit uw mening ( ik zou natuurlijk alleen maar complimentjes geven) : we zouden heel graag willen horen wat u van zijn spel vindt, ook al is de heer Belmonte het niet met u eens.

(de heer Belmonte inspecteert de muziekkast en haalt er al de etudes uit, die Dominique verplicht moet uitluisteren om te mogen mee-eten. )

Dom. (gelaten en met het vooruitzicht dat hij zich zeker zal gaan vervelen) Ik heb heel wat gehoord over de inzet van uw zoon. Wat heb je nu op de lessenaar, Stock?

Stock ( overtuigd van zichzelf) : ik speel zes uur per dag, twee uur toonladers met twee handen tegelijk en vier uur etudes. Het eerste boek van Clementi en vier boeken van Cramer heb ik al doorgewerkt. Nu ben ik bezig met de Gradus ad Parnassum. Ik heb de vingerzettingen daarvan al bestudeerd.

Domi. Inderdaad, je pakt de zaken wel serieus aan en dat siert je en ook de heer Belmonte. Maar wat voor stukken speel je daarnaast nog meer, Hummel, Mendelssohn, Chopin of Schumann?

Stock (vol dedain) : de heer Belmonte heeft niets met Chopin en Schumann. Hij speelde kort geleden de ‘Kinderszenen’ van Schumann door, waar mensen zo de mond van vol hebben. Mammie, die ook muzikaal is, en meestal zong terwijl pappie fluit speelde, zei : “Wat voor belachelijke stukjes zijn dit nou? Zijn het walsjes voor kinderen? En dan die kinderachtige titels! Laat hij die dingen maar voor zijn vrouw spelen, maar niet voor ons!”

Dom. Ho, ho, deze “Kinderszenen”zijn merkwaardige kleinodieën voor grote mannenhanden. Je moeder heeft gelijk : ze zijn eigenlijk te kort en er zouden er meer van moeten zijn. Maar walsjes zijn het zeker niet!

Stock : ik mag helemaal geen walsen spelen, daar is mijn leraar erg principieel in. Ik moet eerst de hele Gradus ad Parnassum doorspitten en daarna gaat hij een concert van Beethoven met me instuderen waarbij hij dan de juiste vingerzetting schrijft. Dat stuk speel ik straks voor publiek en dan zal ik, zoals hij en mijn tante plegen te zeggen,de schrik zijn van jullie allemaal.

De heer Belmonte (die alles gehoord heeft) : mijn beste Dominique , wat vindt u eigenlijk van mijn methode? Misschien heeft u een andere? Geeft niets, dat staat onze goede vriendscbhp zeker niet in de weg. Wanneer men tegenwoordig iets wil klaar spelen , moet men absoluut aan het werk blijven, zo denk ik erover. Stock hier heeft een ongelooflijk geduld en doorzettingsvermogen. Zonder morren heeft hij alle 96 etudes van Cramer door gewerkt. Uiteindelijk was hij er helemaal door uit het lood geslagen, maar zijn vader heeft een paard voor hem gekocht en zo kon hij elke dag zijn rondje rijden, zodat hij in de frisse lucht kon opknappen.

(De heer is in de kamer ernaast aan het kaarten met zijn vrouw en oude tante)

Dom. Maar waarom combineert u niet de studie van echt pianorepertoire met het instuderen van etudes? Op die manier gaat de ontwikkeling van de smaak hand in hand met technische vorderingen.

Belmonte : u bent wel erg bekrompen. Bovendien vergist u zich. Smaak komt vanzelf, van veel spelen en met de jaren. Uw dochter Cecilia speelde de twee nieuwe walsen en de nocturne van Chopin en het trio van Beethoven heel mooi, maar het was er allemaal bij haar ingestampt, dat hoorden we er direct aan af, Stock en ik.

Dom. Klonk het u onnatuurlijk in de oren, gemaakt? Vond u het saai, droog, vlak?

Belomonte : dat nou niet bepaald, maar het probleem is ,dat het bestudeerd klonk. Het publiek applaudisseerde , dat is waar, maar die mensen weten van niets. Stock en ik denken –

Dom. Denkt u ook niet dat de smaak voor een mooie interpretatie in een vroeg stadium kan worden gewekt, zonder streng met de leerling om te gaan? Is het niet essentieel om zelfs in de jonge jaren het muzikaal gevoel te ontwikkelen, althans tot op zekere hoogte? Het verwaarlozen van juist dit aspect is er de oorzaak van dat we verplicht zijn naar heel veel pianisten te luisteren die zich technisch dood hebben geoefend en het musiceren hebben laten verworden tot een zuiver technische machinerie, pure vingervlugheid.

Belmonte : allemaal onzin! Mijn devies is : leer ze toonladders omhoog en omlaag, Gradus ad Parnassum is het helemaal! Klassiek, klassiek! Gisteren liet u uw dochter de triller-etude van Carl Meyer spelen. Mooie klankjes die het oor kietelen, vooral wanneer het stuk op zo’n bestudeerde manier wordt gespeeld. Wij houden zelf vast aan Clementi en Cramer en de pianoschool van Hummel, die goede, oude pianoschool. Met uw oudste dochter heeft u de plank volledig mis geslagen.

Dom. De wereld schijnt het overigens niet met u eens te zijn.

Madame (heeft meegeluisterd, staat vlug op en zegt met een gemene ondertoon) : u zult het met me eens zijn, dat ze zeker beter zou hebben gespeeld als u haar tien jaar met Cramer en Clementi had bezig gehouden. We hebben niets met die voorliefde voor Chopin en Schumann. Maar laat ik maar stoppen met praten. Je moet voorzichtig zijn met wat je zegt tegen de vader van zo’n dochter! Bij ons ligt de zaak totaal anders. Belmonte is door geen enkele band van sympathie met onze Stock verbonden. Hij bereikt zijn doel zonder aarzeling of ijdelheid en kijkt noch naar links noch naar rechts, maar recht voor zich uit.

Dom. Mijn excuses, mevrouw, u kunt best gelijk hebben vanuit uw standpunt gezien. We moeten maar een beetje toegevend zijn naar gevoelige mensen toe. Maar wil uw zoon niet wat spelen?

(Stock speelt twee etudes van Clementi, drie van Cramer en vier uit de Gradus, en dat alles zonder enige inspanning; het paard dat zijn vader hem heeft gegeven heeft hem heel sterk gemaakt)

Beste lezer, u zult zich misschien afvragen hoe Stock eigenlijk speelde. Ja hoe? Ik wil hier geen essay schrijven, maar alleen wat hints en suggesties geven. Ik schrijf hier niet in het belang van Stock, Belmonte & Co.

Daarna gingen we dineren. De oesters waren best goed, maar de wijn liet een beetje scherpe nasmaak achter. Mijn verlegen dochter houdt niet van oesters, maar at een beetje salade. Ze sprak weinig aan tafel, maar luisterde des te meer.

Er werd aan tafel nog wat nagepraat over paarden, sport en honden en ook Stocks toekomst. Bij het afscheid zei madame neerbuigend tegen Cecilia : “Ga zo door, liefje, binnenkort speel je echt wel mooi”.

[24]

HOOFDSTUK 3

          VEEL PIANOSTUDENTEN EN WEINIG PIANISTEN.

(een brief gericht aan de vader van een pianoleerling)

Het is jammer dat u geen zonen heeft, want die bezorgen hun vaders veel plezier. Maar ik ben het met u eens, wanneer u zegt dat u, wanneer u een zoon had, liever zou willen dat hij stratenmaker werd dan zou pingelen op de piano. U zegt, dat u veel vrienden heeft die zich de zegeningen van het vaderschap met genoegen laten welgevallen en wier zoons, groot en klein, slim en dom, drie jaar of nog langer piano hebben leren spelen en er nog niks van maken. U heeft ongetwijfeld gelijk. Ze zullen er nooit iets bij leren. U vraagt zich af : wat voor nut het heeft voor een man of een jongen om in staat te zijn de een af andere wals af te raffelen, of een polonaise of mazurka, met stijve armen, slappe vingers, een stompzinnig gezicht en een futloze houding? Wat wordt de kunst daar wijzer van? U zegt het zelf : tijd is goud waard en we krijgen lood. Die arme leraren beulen zichzelf en hun leerlingen af, ze misbruiken de kunst en de piano. Aan het eind van de avond mishandelen ze in wanhoop hun eigen vrouw na een lange dag van schelden en klagen, zonder enige troost of succes. U heeft het bij het rechte eind, ik had precies dezelfde ervaring,maar niet zo extreem: ik bracht voor mijn vrouw geen lamlendig gezicht naar huis, maar wel een geweldige honger. Ik gaf mezelf niet over aan gelamenteer over mijn lessen, maar vatte moed en werkte me op. Ik dacht na, reflecteerde en studeerde. Omdat ik geen succes bij de jongens had, probeerde ik het beter te doen en dat lukte. Ik sloeg een heel andere weg in die meer strookte met de natuur dan met de gebruikelijke praktijk op de muziekschool. Als belangrijkste principe hanteerde ik de noodzaak om een mooie aanslag te ontwikkelen, precies zoals zangleraren een mooie toon tot stand willen brengen om hun leerlingen goed te leren zingen. Ik probeerde zonder noten de noodzakelijke oefeningen zo interessant te maken dat de aandacht van mijn leerlingen telkens toenam en dat ze na korte tijd veel plezier hadden aan hun gezonde, gevoelige , volle zangstem. Helaas bezitten veel virtuozen zo’n stem niet. Op die manier konden we aan het begin al een opening maken, niet in het midden. We spanden het paard voor de wagen.

Mijn leerling kreeg vaste voet onder de grond en had iets dat hem plezier verschafte, zonder elke les te worden gekweld met droge leerstof, waarvan hij het voordeel niet kende evenmin als het einddoel. Zolang een correcte aanslag nog ver weg is, is het zinloos over een mooie zangerige klank te praten. Hoe kunnen we verwachten interesse te wekken door een kleurloos getingeltangel met stijve krampachtige vingers die met de noten in gevecht zijn? De leerling constateert zijn eigen onvermogen om ook maar iets goed te doen en krijgt van zijn leraar alleen maar kritiek. Daarbij moet hij aan zoveel tegelijk denken, in de maat blijven spelen en de goede vingerzetting te gebruiken. Arme, zielige kinderen! Na de noten te hebben aangeleerd kwam ik niet in de valkuil terecht om stukken uit te zoeken die ofwel te moeilijk waren of, hoe muzikaal ook van opzet, niet goed bij de piano pasten. Ik koos korte, gemakkelijke stukjes zonder opvallende aandachtspunten. Mijn leerling zou er genoegen aan beleven wanneer hij deze muziek correct zou kunnen spelen. Ze werden langzaam en zorgvuldig ingestudeerd en wekten interesse, heel belangrijk. De leerling verkneukelde zich al in het vooruitzicht van succes. Het geworstel met afzonderlijk moeilijke passages doet elk plezier te niet, verspilt talent, veroorzaakt walging en , erger nog, dreigt het consolideren van een vaardigheid die al gedeeltelijk is verworven, op losse schroeven te zetten. Die vaardigheid houdt in : een mooie legato toonvorming, tot stand gebracht door losse en soepele vingers en een flexibele pols zonder hulp van de arm.

U veronderstelt dat het vooral aan talent ontbreekt en niet alleen aan goede docenten, want anders zouden we met het ijverige stimuleren van het pianospel in Saksen honderden mensen afleveren die op zijn minst correct en vaardig zouden kunnen spelen, misschien zelfs mooi. Hier vergist u zich echter : we hebben juist heel veel muzikaal talent. Zelfs in de provinciesteden zijn er leraren die niet alleen muzikaal zijn maar zoveel animo en talent hebben voor lesgeven dat hun leerlingen echt aardig goed spelen. Ik voeg hier nog aan toe, dat de muzikale smaak de laatste tijd veel meer gecultiveerd en verbeterd is door de aanwezigheid van zangverenigingen en openbare en privé concerten, ook in kleinere plaatsen. Ook hebben we betere lesboeken, etudes en geschikte pianoliteratuur. Toch worden we overal geconfronteerd met gejengel en gehengst op de piano, zoals u het formuleert, en geen echt pianospel. Laten we hier wat dieper op ingaan. Om te beginnen ontbreekt het aan een goede basis voor een degelijke structuur. Kennis van noten verschaft geen voldoende basis tenzij voor zover het in dienst staat voor de uitvoering van een stuk. Wat heeft een zanger aan noten, wanneer hij geen goede stemtechniek heeft en niet door heeft hoe hij met zijn stem moet omgaan? Wat heeft een pianoleerling aan noten als hij geen goede aanslag heeft, geen goede toon? Krijg je die door de noten te spelen? Maar hoe dan kan die worden geleerd?

Nog één ding. Vanwege een al te grote aandacht voor de educatie van kinderen worden die zeven tot tien uur per dag op school gehouden en dan verwacht men van ze dat ze in hun vrije tijd huiswerk maken en leerstof in hun hoofd stampen terwijl ze eigenlijk buiten van de frisse lucht zouden moeten genieten. Wanneer hebben ze eigenlijk tijd voor pianoles? Nadat ze uit de school zijn gevlucht en dus uitgeput zijn en weinig alert. Wat wreed is dat eigenlijk! Pianoles in plaats van boterhammen en frisse lucht! Pianospelen vergt 100 % energie en concentratie, anders heeft het geen enkele zin. Daarnaast levert veel schrijven stijve vingers op. Maar waar haalt een kind de tijd vandaan die voor studeren noodzakelijk is? ‘s Avonds na tienen, wanneer papa en mama in bed liggen! Wanneer de schooldag ten einde is, en ze (gelukkig maar) hun rode wangen hebben behouden, leggen allerlei activiteiten beslag op hun tijd. Van meisjes verwacht men immers dat ze zich bekwamen in borduurwerk, naaien, breien, kleren maken, huiselijk werk, thee-partijtjes en – helaas! – ook voor balspelletjes. Bovendien dienen zich nu ook minnaars aan. Je denkt toch niet dat de vingers van een zestienjarige de pianotechniek even gemakkelijk aanleren als die van een kind van negen? Om ook maar enigszins te voldoen aan de gestelde eisen moet die techniek er bij zestien jaar al volledig in zitten. Gegeven al deze omstandigheden zien we dat de beste leraren ontmoedigd raken en in een duffe routine terechtkomen die tot geen enkel succes kan leiden.

Ten slotte vraag ik u de pianoleraar van uw enige dochter, Rosalie, mij een bezoek te komen brengen zodat ik hem richtlijnen kan geven voor een geleidelijke ontwikkeling van het pianospel tot aan de sonate op. 109 van Beethoven of het concert in f van Chopin. Maar hij zal wel teveel vastzitten aan zijn eigen theorieën, zijn eigen vaste dogma’s. Hij is vast te weinig praktisch ingesteld om een goede leraar te zijn en veel invloed te kunnen uitoefenen. Hij heeft immers zelf een geforceerde, onrustige en plompe aanslag die de helft van de gebruikte energie verspilt. Hij spreekt wel mooi van etudes, toonladders etc. maar de vraag is hoe deze worden aangeleerd. Het zogenaamde studeren van etudes zonder eerst gezorgd te hebben voor een aandachtig en deskundig aanleren van een mooie aanslag, is niet veel nuttiger dan het zomaar doorspelen van stukken. Maar ik hoor hem al antwoorden : “Muziek, muziek! Klassiek, klassiek! Inhoud! Uitdrukking! Bach, Beethoven, Mendelssohn!” Dat is nu net het probleem. Kijk naar zijn leerlingen, zijn pianisten! Kijk hoe zijn kinderen muzikaal verstarren en hoor zijn dochter de klassieke aria’s zingen die door hemzelf zijn gecomponeerd! Ja hoor, het is allemaal muziek! Vaarwel!

[31]

HOOFDSTUK 4

EEN GESPREK MET MEVROUW DEGELIJK EN VIER LESSEN AAN HAAR DOCHTER

Mevrouw Degelijk : ik zou er graag eens achter komen hoe het komt dat uw dochters zoveel stukken kunnen spelen die ik hen foutloos en met begrip heb horen vertolken, zonder horten en stoten, en met zoveel uitdrukking en nuance, kortom, zo meesterlijk! Vanaf mijn prille jeugd heb ik redelijk goed les gehad. Lange tijd heb ik toonladders en etudes gespeeld en met veel plezier heel wat stukken van Kalkbrenner en Hummel ingestudeerd, met henzelf als docent. Ik werd als een getalenteerd pianiste beschouwd, maar toch heb ik nooit het genoegen gehad om een klassiek werk tot mijn eigen tevredenheid en die van anderen te vertolken. Ik vrees dat het met mijn dochter Emilie net zo gaat uitpakken.

Dom.: Om u een bevredigend antwoord te kunnen geven, licht ik eerst enkele van mijn principes toe met betrekking tot muziekeducatie, met name waar het pianospelen betreft. Hoogopgeleide dames van nu hebben meer pretenties en stellen hogere eisen aan muziek en muzikale vorming. Hun eigen uitvoeringen staan meestel niet op één lijn met de min of meer gecultiveerde zin voor schoonheid, die ze aan hun eigen algemene ontwikkeling te danken hebben. Zo zijn ze zich er bewust van dat ze niet in staat zijn een bevredigende vertolking te bieden aan zichzelf of anderen. Hieruit komt een gebrek aan een dergelijk vertrouwen voort in hun eigen kunnen, dat bijna gelijk staat aan een besef van onfeilbaarheid, om een uitvoering op niveau te geven. Dit zelfvertrouwen heeft zijn basis in een stevige, volle, heldere aanslag, waaraan nog steeds vaak te weinig aandacht wordt gegeven. Alleen op die basis berust een correcte techniek en verdere muzikale ontwikkeling. Een goede aanslag is van des te meer belang, omdat onze piano’s van zacht leer zijn voorzien. Ze zijn dus veel moeilijker te bespelen dan de ouderwetse instrumenten van vroeger. Het is een misverstand te denken, dat een correcte aanslag die garant staat voor een fraaie vertolking, vanzelf ontstaat door etudes en toonladders te studeren. Zelfs bij de huidige virtuozen kom je zelden een gezonde en evenwichtige aanslag tegen zoals die van Field, Moscheles, Thalberg, Chopin, Mendelssohn en Henselt.

Dan ga ik het nu hebben over het repertoire. De dames van nu zijn er niet tevreden mee alleen maar simpele muziek te spelen met weing moeilijkheden en minimum aan vingerzettingen. Als gevorderden kunnen ze moeilijker stukken aan. Daarom zetten ze onmiddellijk grote composities op de lessenaar zoals van Beethoven, Weber, Mendelssohn, Chopin en anderen. Voor de variatie kiezen ze daarnaast ook nog de bravourstukken uit van Liszt, Henselt etc. Hoe kunnen ze nu verwachten die stukken volledig te beheersen wanneer hun vroegere muzikale vorming onvoldoende blijkt om te voldoen aan onze opgeschroefde eisen qua techniek ? Daar komt nog bij, dat het vervolgtraject bij hen ook gebrekkig is geweest en een goede methode mist. Wanneer u me zou vragen tot op zekere hoogte uw tekortkomingen te corrigeren, voordat ik me richt op de verdere educatie van uw dochter, begin ik niet de wijsheden van onze vriend Belmonte te volgen : “Madame, u moet elke dag de majeur en mineur toonladders oefenen, in alle toonsoorten, met beide handen tegelijk, ook in tertsen en sexten. Verder moet u drie of vier uur dagelijks werken aan de etudes van Clementi, Cramer en Moscheles. Anders wordt het helemaal niets”. Dit soort adviezen wordt tot op de dag van vandaag gegeven, maar wij maken daar nu korte metten mee. Om te beginnen zal ik uw aanslag verbeteren die nu nog te dun, zwak en onnauwkeurig is. U maakt teveel onnodige bewegingen en probeert de toon uit de lucht te plukken in plaats van die uit de toetsen te trekken. Dat hoeft niet lang te duren want ik werk bij u met jonge handen en getrainde vingers die in goede conditie zijn. Daarvoor gebruik ik enkele van de korte etudes die ik in hoofdstuk 1 heb genoemd. Ik laat u die transponeren in verschillende toonsoorten en verder ook zonder noten spelen, zodat u al uw aandacht aan handen en vingers kunt geven. Vooral wil ik u laten merken hoe ik probeer aan de piano de mooist mogelijke toon te ontlokken, met een rustige beweging van de vingers en een    goede houding van de hand, zonder ongemakkelijk getrek met de arm, met gemak, souplesse, lichtheid en zekerheid. Natuurlijk zijn toonladders zeker ook bij mij belangrijk. Het is noodzakelijk veel aandacht te besteden aan het rustig onderplaatsen van de duim en een correcte, ontspannen houding van de arm. Ik ben tevreden met een kwartier toonladders oefenen per dag, afwisselend staccato, legato, snel, langzaam, forte, piano, met één hand, met beide handen etc. Dat kwartier is voldoende tenzij het gaat om stijve of ongeoefende vingers of een bedorven handhouding. Heel jonge beginners met zwakke vingers moeten alleen maar zachtjes spelen, totdat de vingers aan kracht hebben gewonnen. Die praktijk houd ik twee weken vol, maar elke dag anders. Korte tijd daarna combineer ik hiermee het inoefenen van twee of drie stukken die op passende wijze voor de piano zijn gearrangeerd, bijvoorbeeld Mozarts Menuet in Es in de bewerking van Schulhoff, zijn drinkaria etc. Voorlopig laten we Beethoven liggen. Misschien bent u bang dat dit gaat vervelen, maar men heeft mijn lessen nog nooit vervelend gevonden.   Voorlopig moet u alleen maar studeren wanneer ik erbij ben totdat uw aanslag voldoende is verbeterd. Met uw eerdere stukken moet u voorlopig stoppen, omdat u daarmee het risico loopt te vervallen in uw vorige fouten. Binnenkort zal ik ook een van mijn stokpaardjes in de praktijk brengen : al mijn leerlingen moeten dagelijks een geschikt stuk spelen dat ze uiteindelijk perfect beheersen wat bijdraagt aan een ongeschokt zelfvertrouwen. Dit stuk moeten ze beschouwen als hun vriend, hun maatje. Voordat u een nieuw stuk instudeert wil ik dat u dit stuk twee of drie keer speelt, ook al is het heel mechanisch, eerst langzaam, dan sneller. Zonder vaardige, soepele vingers zijn mijn lessen waardeloos.

Mevrouw Degelijk : Wat voor soort stukken zijn dat dan?

Dom.: Voor beginners misschien een van Hünten’s Études Mélodiques, wat later een van Czerny’s uitgekiende etudes uit zijn opus 740 en voor de meer gevorderden die hun vingers al beter kunnen strekken, zijn Toccata op. 92, een stuk dat mijn drie dochters standaard op repertoire hebben, ook al spelen ze die niet elke dag. Ze spelen deze stukken als een remedie tegen technische tekortkomingen en ze wisselen die elke drie, vier maanden af. Bij mijn keuze heb ik een voorkeur voor stukken met tertsen, trillers, oktaven, toonladders en passages waarmee juist de ringvinger wordt getraind. Ik kies ze ook met het oog op de stukken, zoals sonates, variaties en concerten die ze op dit ogenblik instuderen. Bij de keuze daarvan volg ik een andere lijn dan mijn bovengenoemde collega’s. Ik hoop maar dat ik daarin niet pedant ben, maar me laat leiden door overwegingen van artistieke en psychologische aard. Je ziet maar al te vaak dat veel docenten in hun onafgebroken lespraktijk zelfs met de beste bedoelingen in een routineuze handelwijze terechtkomen, vooral bij leerlingen zonder talent. Vaak zijn ze ongeduldig en onsympathiek, vooral bij het aanleren van hun eigen composities. Hun eenzijdigheid en grilligheid leidt ertoe dat ze zich richten op details van weinig belang en daarmee de intellectuele horizon van hun leerlingen beperken en hun interesse dwarsbomen.

Mevrouw Degelijk : ik vind uw zorgvuldige aanpak erg interessant en overtuigend, maar sta me toe een reactie te vragen op verschillende tegenwerpingen en overwegingen die met name door andere leraren naar voren worden gebracht.

Dom. : Daaraan ben ik al helemaal gewend geraakt. Het goede en schone worden nooit zonder strijd erkend. Niemand heeft ooit een nieuwe verbetering voorgesteld of onbevreesd de waarheid gesproken zonder dat hij is aangevallen, beledigd en volledig misverstaan. Onze tijd kan daar legio voorbeelden van geven. Denk bijvoorbeeld aan zaken als homeopatie en magnetisme. Clara Wieck werd pas in Leipzig gewaardeerd nadat ze in Parijs furore had gemaakt. Ook Marie Wieck wordt niet geapprecieerd omdat ze anders speelt dan haar zuster Clara. Hetzelfde geldt voor het boek dat ik nu aan het schrijven ben. Zonder ophouden hekelt het de ongelofelijke domheid en de beklagenswaardige fouten van deze tijd. Ik ben op die kritiek volledig voorbereid.

Mevrouw Degelijk : Misschien zijn er wel andere leraren die zich heel wat moeite hebben getroost en heel bijzonder zijn, maar niet het geluk hadden om dochters als leerlingen te hebben zoals die van u.

Dom. Zich heel wat moeite hebben getroost? Wat bedoelt u daarmee? Wanneer ze dat niet op de juiste manier hebben gedaan, of op de juiste tijd en plaats, ja, dan is al hun inspanning zinloos. Wat heeft onprofessionele, domme ijver voor zin? Wanneer een leraar om een geforceerd gebruik van de vingers en de pols en een niet-correcte aanslag te verhelpen aan zijn leerling een magnifieke etude aanbiedt of een stuk met veel oktaven en arpeggio’s voor de linkerhand en daar al zijn zorg in steekt, dan is dat een bewijs van overbodige moeite. Dat alles maakt de onvolmaakte voordracht des te pijnlijker.

En nu wat mijn dochters betreft: het is hun geluk geweest mij als vader en leraar te hebben. Ze hebben absoluut talent en ik ben erin geslaagd dat op te kweken en te begeleiden. Afgunst, jaloezie, trots en gekwetst egoïsme hebben dit zolang mogelijk ter discussie willen stellen, maar uiteindelijk heeft men deze pogingen maar opgegeven. Er wordt wel gezegd dat er geen artistieke vaardigheden voor nodig zijn om zulk talent te vormen, dat het ‘bijna vanzelf komt’. Deze bewering is even onjuist en staat even haaks op de ervaring, als ze gebruikelijk is, zelfs bij bedachtzame en hoogopgeleide lieden die tot geen coterie behoren. Lichtenburg zegt ergens : “Juist zaken waarover iedereen het eens is, zouden aan een grondig onderzoek moeten worden onderworpen”.   Goed, ik heb deze aantijgingen met betrekking tot mijn drie dochters en al mijn andere getalenteerde leerlingen, deels toekomstige ver gevorderde amateurs, deels professionals.   grondig onderzocht. Hun grote aantal zegt al genoeg om mij te rechtvaardigen. Ik moet hieraan toevoegen dat juist de grootste talenten in het kader van het zang- of piano-onderwijs de beste leiding behoeven met alle bedachtzaamheid en zorgzaamheid vandien. Kijk rond en zie het enorme aantal mislukte talenten! Getakenteerde leerlingen zijn juist diegenen die een onweerstaanbare drang hebben om aan hun eigen visie te worden overgelaten. Ze hechten meer waarde aan zelfdestructie dan aan een reddingsoperatie door anderen.

Mevrouw Degelijk: Toch zegt men dat u alleen uw eigen drie dochters tot concerterende pianisten heeft weten op te leiden.

Dom. : Mevrouw, hier kan ik u toch niet serieus nemen. Wanneer ik een lijst als die van Leporello zou opdreunen, dan zou u dat terecht als een overdrijving kunnen afdoen. Wanneer ik u bij wijze van antwoord zou verwijzen naar datgene wat ik over dit onderwerp geschreven heb, of uw dochter Emilie na drie of vier jaar aan u zou presenteren als een toppianiste, dan zoudt u mijn ijdelheid over mijn prestaties wel willen excuseren. Ik ben niet in het bezit van een toverstokje waarover ijdelheid en domheid mij zouden kunnen aanvallen. Ik heb, tenzij de omstandigheden me erg tegenwerkten, in korte tijd mijn leerlingen met succes een goede, of ten minste een betere, aanslag kunnen aanleren en zo een goede basis gelegd, waar andere leraren het met hun methode of het gebrek daaraan hebben laten afweten. Maar heeft u misschien iets anders op het oog?

Mevrouw Degelijk : U bent me voor. Ik kreeg mijn opleiding in Berlijn en in die intellectuele hoofdstad overheerst de neiging tot oppositie en bittere kritiek. Hoe kunt u nu kunstenaars en virtuozen vormen terwijl u zelf zo weinig van een virtuoos heeft? U wijdt zich zelfs niet aan het componeren of het beoefenen van het geleerde contrapunt. Een muziekleraar krijgt veel meer respect wanneer hij zelf concerten speelt en aardige stukjes componeert en wanneer hij zijn talenten kan botvieren op dubbel- en tripelfuga’s en canons in inversie- of retrograde vorm. U kunt uw leerlingen zelfs niet begeleiden op de viool of de fluit, wat zeker handig zou kunnen zijn.

Dom. Een egoïst is zelden in staat effectieve lessen te geven, dat ligt nu eenmaal in de aard der dingen. Zelfs een kind heeft al gauw door of de leraar op het belang van hem is gericht, of dat hij persoonlijke belangen najaagt. In het eerste geval dragen zijn lessen goede vrucht, in het tweede is het resultaat heel twijfelachtig. Ik zeg verder maar niets over het standpunt van deze egoïstische types die allereerst zelf op de voorgrond willen treden en tegelijkertijd misschien wel rondreizende pianisten en componisten blijken te zijn. Wellicht zijn ze hoofdzakelijk bezig met dubbele en drievoudige fuga’s (hoe meer omkeringen, des te meer geleerdheid) en ze beschouwen deze kennis als de enige ware muzikale basis. Tegelijkertijd hebben ze vaak een trek meegekregen als die van uw broer, die ik in hoofdstuk 3 noemde. Ze zijn volstrekt verstoken van gevoel en smaak. Ze beschouwen hun vruchteloze lessen, die volkomen vreemd zijn aan hun gewoonlijke gedachtengang, alleen maar als een melkkoe. Ze kloppen de naieve ouders het geld uit de zak en verspillen de tijd van hun leerlingen. U zou zelf dergelijke fraaie figuren eens moeten meemaken: ik kan geen grotere straf bedenken.

Nu ga ik het hebben over de viool en de fluit. Ik heb me nooit met dergelijke middelen bezig gehouden en ben er ook niet in opgeleid. Ik vertel tot lering en vermaak een paar merkwaardige incidenten waarvan ik in een niet onbelangrijke stad getuige was toen ik op reis was met mijn dochters. De leraar met de fluit was een aardige, rustige en milde musicus. Hij kon uitstekend met zijn leerling overweg en had geen behoefte aan woordenwisselingen. Alles verliep gladjes en in de maat. Om de verjaardag van een oude tante te vieren die nogal hardhorig was, speelden ze een sonate van Kuhlau die ze allebei goed beheersten. De oude tante die maar weinig van het zachte fluit- en pianospel kon opvangen vroeg steeds aan mij : ‘Is dat niet verrukkelijk? Wat denkt u ervan?’. Ik knikte instemmend en gaf een complimentje want de muziek was eenvoudig en zonder pretenties.

Nu stap ik over naar de viool. De bezitter ervan was een vulgaire kerel, vol valse pretenties. Hij wist heel goed hoe hij indruk op zijn leerlingen en hun ouders moest maken door het air aan te nemen van een echte virtuoos. Hij genoot dan ook een zekere reputatie. Hij was bovendien best wel een goed musicus en kon op zijn viool in de sonates op. 17 en 24 van Beethoven heel redelijk de piano begeleiden. Dit portret moge dienen als specimen van de violist als pianoleraar. Hij had natuurlijk totaal geen verstand van pianospelen en moest dan ook niets hebben van Wiecks gebazel over een mooie toonvorming. Hij gaf alleen om Beethoven. Hier en daar probeerde hij wat suggesties voor een vingerzetting te geven maar die hadden weinig effect. Ook zijn leerlingen bezaten de bijzondere gave om in de maat te spelen, wanneer ze tenminste niet bleven steken in de moeilijker passages. Op die momenten werd hij altijd heel grof in de mond en sprak streng over ‘precisie’ wat hem toch ook weer respect opleverde. Zijn leerlingen waren niet echt aan het hengsten op hun instrument, maar ze hadden een merkwaardig korte, plompe aanslag. Ze gingen heen en weer over de toetsen met een soort van ongenaakbaarheid en met trekkende ellebogen. Een mooie toon hadden ze zeker niet en daarom kon men de viool des te beter horen. Na elke uitvoering hadden we kunnen horen : ‘Ben ik niet de beste leraar in Europa?’

Mevrouw Degelijk : u hebt nu wel twee heel belachelijke types beschreven.

Dom. : Klopt. Maar ik laat het aan een ieder over zich belachelijk te maken.

Mevrouw Degelijk : ik ben erg blij dat u me heeft geholpen aan de uitingen van kritiek die ik nodig had. Ik zou anders het risico lopen u bij de volgende soirée van een voorbeeld te voorzien, misschien wel thuis bij bankier Gold. Benieuwd naar uw reactie zal ik goed luisteren en aan u doorgeven wat in bepaalde maar weinig talrijke kringen wordt gezegd door mensen die zich verzetten tegen u en uw methode.

Dom. : Deze lieden zouden er verstandiger aan doen mijn boeken te bestuderen waarin ik nog correcties   en eventuele aanvullingen ga aanbrengen ten gunste van de waarheid en de schoonheid.

***

Beste Emilie, je bent al aardig ver gevorderd. Vind je het goed wanneer ik je in een paar lessen laat zien hoe je deze variaties van Herz (Les Trois Graces. No 1 op een thema uit ‘De Piraten’) moet instuderen? Ze zijn niet bepaald gemakkelijk; ik zal ze helpen instuderen op een voor jou prettige manier, zodat je ze interessant zult blijven vinden. Ik heb deze variaties bewust gekozen omdat ze muzikaal gesproken van weinig belang zijn. Hun waarde ligt in de manier waarop ze worden uitgevoerd. Bovendien hebben ze voor de leraar het nadeel dat ze van een ongelijke moeilijkheidsgraad zijn. Dat vereist van hem des te meer kundigheid om dit te compenseren.

Eerste les. Kijk Emilie, dit zijn heel transparante en sierlijke variaties die een uiterst delicate uitvoering vereisen en met name een volledige technische beheersing van hun verschillende moeilijkheden.   Hoewel ze bij jou misschien als redelijk gemakkelijk overkomen, heb ik me bij de keuze ervan laten leiden door het standpunt dat datgene wat men goed wil laten leren spelen onder de technische mogelijkheden van de leerling moet liggen. Het thema van het Italiaanse lied, dat aan de basis van deze variaties ligt, is heel goed gekozen. Je moet je met alle krachten inspannen om het zo mooi mogelijk uit te voeren en je moet daarvoor op de piano een zangerig effect zien te bereiken.

Nadat je dit stuk grondig hebt ingestudeerd kun je met goed pedaalgebruik proberen een zangstem te imiteren. Het thema zelf biedt geen grote technische moeilijkheden, maar veronderstelt wel een losse, brede, volle en toch tedere aanslag, een goed portamento en een transparante weergave. Houd er maar aan vast dat de kwaliteit van een leerling blijkt uit de weergave van een eenvoudig thema.

Emilie : Maar u begint niet bij het begin van het stuk; er gaat een introductie aan vooraf.

Dom. : Misschien doen we die pas het laatst; ik weet nog niet precies wanneer. Bij de opzet van mijn lessen zul je nog heel wat zaken misplaatst vinden. Hopelijk heb ik succes met het eindresultaat.

Emilie : geeft u altijd zo’n beschrijvende inleiding voordat u het stuk met uw leerling echt begint?

Dom : Ja, dat doe ik graag, omdat ik vooraf al interesse wil wekken voor het stuk en daarbij ook mijn principes en standpunten over muziek en pianospel kan uiteenzetten. Nu gaan we het thema proberen, eerst heel langzaam. Daarna doen we de eerste gemakkelijke variatie waarvan de laatste maten het thema nogmaals introduceren, dat alles heel zacht en licht. Dan nemen we van de introductie alleen de rechterhand om de meest geschikte vingerzetting aan te leren. Die schrijf ik nooit helemaal uit, maar wel geef hier en daar wat hints. Ik wil de spontaneïteit van de pianist niet om zeep helpen. Daarna nemen we wat passages voor de linker hand uit de finale. Dat doen we zo nauwkeurig mogelijk, want een slordige baspartij is fnuikend voor een geslaagde bovenstem. Nu loopt mijn les ten einde. We hebben eerst heel wat tijd gewijd aanhet spelen van toonladders met het correct onder plaatsen van de duim, verschillende soorten van aanslag en geschikte etudes om daarbij te helpen. Ik wil liever niet dat je de eerste variatie al met beide handen samen speelt, want je speelt de bas nog niet evenwichtig en precies genoeg. Anders loop je het risico op onnauwkeurigheden, wanneer je zoals meestal het gebruik van je linkerhand verwaarloost zodat die in snelheid en finesse achterloopt bij je rechterhand, wat hinderlijk is bij het studeren. Het gaat niet zozeer om veel oefenen maar om precies oefenen. Speel daarom deze passages eerst maar langzaam, dan pas sneller en pas op het laatst erg snel. Dan weer langzaam, soms staccato, somd legato, piano en ook mezzoforte. Maar doe dat nooit wanneer je handen moe zijn en daarom ook nooit te lang achtereen. Speel liever vaker per dag en steeds met nieuwe energie. Voorlopig hoef je niet fortissimo te spelen of met pedaal, want op die manier zou je kunnen worden verleid tot een zware manier van spelen, met een zwakke, geforceerde aanslag met rechte vingers; daar houd ik helemaal niet van. Bij ons onderzoek naar waarheid en schoonheid behandelen we de piano heel anders. We streven naar een onopgesmukte en gezonde uitvoering, zonder daarbij te forceren.

Tweede les. Transpositie van de drieklanken en het dominant akkoord in hun drie posities en met gebruik van verschillende maatsoorten. Dit instuderen met aandacht voor een correcte aanslag en losse pols. Kadensen op de dominant en subdominant. Studeren van de springende bas in het thema en in de eerste en derde variatie. Het oefenen van het aanslaan en opheffen van het akkoord en daarbij precies op de notenwaarden letten. Ze moeten niet te krachtig of te zwak worden aangeslagen. Let vooral op de ringvinger en de pink omdat die van nature niet zo’n volle klank teweeg brengen als de andere vingers. Pas dan spelen we het thema met beide handen en letten daarbij op de goede uitdrukking, een goede verhouding tussen forte en piano en crescendo en diminuendo. Dan gaan we kijken naar de eerste gemakkelijke variatie die je al helemaal in de vingers hebt. We spelen die precies a tempo en met een staccato in de basakkoorden die delikaat en licht moeten klinken.   Misschien is het goed toch eerst de basprtij alleen te spelen om na te gaan of alle akkoorden echt gelijkmatig klinken. Nu zal de eerste variatie best lukken met beide handen tegelijk. Let daarbij op de nuanceringen in de rechterhand. Speel me daarna, als je rechterhand daartoe nog in staat is, een paar keer de passages uit de inleiding die ik je heb opgegeven, eerst langzaam en dan sneller. Wanneer je rechterhand aan rust toe is, neem dan een deel uit de finale voor de linkerhand. Ook kun je het adagio nog eens overdoen, maar speciaal voor jou is de rechterhandpartij van de derde variatie aan te bevelen. Probeer het niet te snel te doen en let op de aangegeven vingerzetting. Nu zal ik je eens het thema voorspelen op de manier waarop ik het de beroemde tenor Rubini heb horen zingen. Je ziet dat ik mijn vingers zachtjes op de toetsen houd en ze niet al te hoog optil om de tonen zo mooi mogelijk te binden. Aan het eind van de les speel je me het thema nog eens voor. Ik zie namelijk dat je het nog te geremd speelt, niet vrij genoeg. Na twee dagen gaat het ongetwijfeld beter wanneer je het in die tijd vaak langzaam doorspeelt om er helemaal aan te wennen. Blijf trouwens alles maar studeren, speciaal ook de eerste variatie. Zorg ervoor dat je altijd speelt met interesse en nooit uit sleur. Speel ook de kleine etudes uit het hoofd door voor je aanslag en voor je ringvinger en pink. Doe dat ook met de kadensen.

Derde les. Andere kleine etudes, trillers, toonladders met nuances voor één hand en later met beide handen, de springende bassen etc. Vandaag beginnen we met de baspartij van de tweede variatie. Zoals je ziet staan er achtsten in de bovenpartij en achtste triolen in de bas. Om die goed te spelen met een bijna mechanische precisie is het nodig in de linkerhand voor een volkomen vrije en onafhankelijke beweging te zorgen en de bas heel gemakkelijk te laten klinken. Let daarbij speciaal op zwakke noten en wen jezelf er aan het laatste triool in elke maat, en de laatste noot van dit triool, niet te gehaast, te afgemeten te spelen of met te weinig toon. Je zult merken hoe lastig het is voor de rechterhand om bij de triolen in de linkerhand in gelijke achtsten verder te spelen. Speel jij maar de linkerhand, dan neem ik de rechter. Je moet zo weinig mogelijk naar mij luisteren en zoveel mogelijk onafhankelijk spelen. Uiteindelijk moet je natuurlijk deze variatie met beide handen samen leren spelen, maar haast je niet en geef het alle tijd. Haasten en jachten leidt alleen maar tot onnauwkeurigheid. Voor vandaag is het genoeg geweest. Speel straks de andere variaties maar door tot en met de hele finale. Stop daarbij niet bij de moeilijke passages die je al hebt geleerd.

Vierde les. Nieuwe etudes voor het aanslaan van oktaven en het strekken van de hand en de vingers. Dit moet voorzichtig gedaan worden om de perfecte klank die altijd van het grootste belang is, niet in gevaar te laten komen. We repeteren de oefeningen uit de voorafgaande lessen, maar dan genuanceerd en subtiel gespeeld. We beginnen vandaag bij het begin, bij de introductie. Mijn excuses voor de onregelmatige volgorde, maar ik laat je zo zien dat ik kan beginnen bij het begin, maar alles op zijn tijd. Vandaag gaan we bij de stukken die je beheerst onze aandacht richten op de uitdrukking en het juiste gebruik van het pedaal. Wanneer mijn ideeën niet helemaal overeenkomen met die van jou, dan moet je me direct jouw afwijkende mening geven en mij naar mijn argumenten vragen. Misschien wil je dit stuk niet crescendo maar juist diminuendo spelen. Prima, speel het maar mooi op jee eigen manier. Ook dan klinkt het heel goed. Ik stelde hier een crescendo voor omdat het gevoel intenser wordt, misschien ben je het de volgende les met me eens. Deze passage zou ik iets langzamer spelen, maar zonder opvallend ritardando. Hier dan weer wat sneller. Wat vind je, crescendo of diminuendo? In deze variatie moeten we proberen kleine tafereeltjes te schilderen met de nodige nuances. Hier zou je met meer energie en zekerheid kunnen spelen. Deze passage moet je alleen maar met een correcte technische precisie spelen, zonder speciale uitdrukking. We hebben namelijk schaduw nodig om het volgende idee dat het thema weer suggereert, des te schitterender te laten uitkomen. Over het algemeen moet het geheel natuurlijk klinken, zonder muzikale pretenties, als een ingeving van het moment. Geforceerd of gemaakt spel geeft alleen maar een karikatuur van het stuk. Elk stuk dat ik met je doorneem geeft me de gelegenheid je heel veel te vertellen over de juiste uitdrukking en de ontelbare schoonheden, nuanceringen en finesses ervan. Ik blijf voortdurend aandacht vragen voor een fraaie zangerige toon. Het volgende stuk is de Nocturne in Es van Chopin. Met de volle aanslag die je nu bezit kun je dit stuk beslist aan.

Dit is nou de tirannie die dommen en dwazen mij hebben aangerekend ten aanzien van mijn dochters. “Uitdrukking moet vanzelf komen!” Hoe goedkoop klinkt deze lamlendige uitvlucht van de geroutineerde en ongetalenteerde leraren! We horen en zien heel veel virtuozen, oud en jong, met en zonder talent, bekend en onbekend. Ze spelen ofwel op een volstrekt mechanische manier en met een armzalige aanslag of ze spreiden een ondraaglijke aanstellerij ten toon en brengen niets dan muzikale wangedrochten voort. Om dit alles te maskeren, werpen ze zich op de twee pedalen en maken zich schuldig aan onvoorstelbare perversiteiten.

Goed, we gaan verder met je les. Je speelt je stuk   al met begrip en enthousiasme, zonder ook maar één van die moderne, loze maniertjes. Wanneer je bij de fermates in het tweede deel een interessante passage invalt die leidt naar de dominant, probeer die dan uit en combineer die met wat er geschreven staat. Je kunt twee trillers maken op de vier laatste zestienden, maar doe dat dan wel helder en precies en doe de laatste zwakker dan de eerste om een delikaat resultaat te verkrijgen , zoals zangers dat doen. Met dit soort lichte variaties mag je best verschillende versieringen invoegen, als dat maar gebeurt met goede smaak. De zaak ligt totaal anders bij composities van Beethoven, Mozart, Weber en anderen waar respect voor de componist een striktere interpretatie vereist, maar wel zonder daarin te overdrijven of pedant te zijn.

Probeer nu de eerste variatie nog eens. Dat is al beter : je speelt de springende bas al met meer precisie, gelijkmatig en spits. We beginnen in de bas de juiste toon te treffen en in de bovenstem een zekere finesse en vrijheid. In de tweede variatie die de moeilijkste is hoef je niet beide handen tegelijk te gebruuiken, dat doen we pas de volgende les. Vandaag speel je alleen de bas, terwijl ik de bovenhand speel. Daarna wisselen we van partijen. Maar we gaan vandaag niet verder dan de vierde variatie. Over dit stuk heb ik nu niet veel meer te zeggen. Straks beginnen we met een mooie etude van Moscheles die ik je zeer kan aanbevelen met het oog op de ontwikkeling van de ringvinger en de pink. De komende twee of drie weken zal dit stuk je steeds vergezellen.

Mevrouw Degelijk : U geeft Emilie zoveel aandacht tijdens de les dat ze deze variaties volledig gaat beheersen en mooi zal vertolken, daar ben ik zeker van.

Dom. Binnen twee weken kan ze dit stuk met begrip en zelfvertrouwen spelen tot haar eigen genoegen en dat van anderen. Ten onrechte wordt wel gezegd dat kinderen hun plezier in een stuk verliezen wanneer ze gedwongen worden het te studeren totdat ze het goed kennen. Denken mensen dan, dat het plezieriger werkt, wanneer een leraar op een onhandige en stupide manier zijn leerlingen verschillende stukken tegelijk laat afraffelen terwijl hij voortdurend fouten moet recht zetten, dan wanneer de leerling een paar welluidende etudes volkomen vrij en correct speelt en geniet van zijn succes? Hij is zich er dan namelijk van bewust dat hij één stuk mooi zonder haperen kan spelen, op een rustige en aangename manier.

Mevrouw Degelijk : Volgt u dezelfde methode bij langere en moeilijker stukken?

Dom.: Precies, via hetzelfde principe.

Mevrouw Degelijk : Wanneer u zo uitweidt over elk stuk en altijd zoveel moeite doet om de aanslag te verbeteren, duurt het wel heel lang voordat Emilie in staat zal zijn verschillende langere stukken uit te voeren en er daarnaast nog nieuwe bij in te studeren.

Dom.: Wilt u dan liever dat uw dochter zo maar een beetje pingelt op de piano om zo muzikaal te worden? Of wordt ze dat eerder door juist heel mooi te leren spelen? Dat laatste wenst u evengoed als ik, anders zou u wel tevreden zijn met een gewone leraar. U kunt ervan uitgaan, dat ze na in het begin één stuk grondig en intens geleerd te hebben de volgende stukken sneller zal instuderen. Want ze heeft dan al de nodige vaardigheid ontwikkeld. Dat kunt u bij uzelf en bij anderen constateren. Wanneer iemand vijftig stukken slordig kan afraffelen kun je niet verwachten dat het een en vijftigste stuk beter of gemakkelijker zal worden gespeeld. Het beheersen van vier of vijf stukken is een solide basis voor de rest. Op deze manier, en door technische oefeningen, zoals ik Emilie heb laten studeren, gaat ze geweldig gemakkelijk van het blad lezen, iets wat al mijn leerlingen laten blijken, wanneer ze lang genoeg les van mij hebben gekregen, kijkt u maar naar mijn eigen dochters. Maar hiervoor is het nodig stukken afzonderlijk in te oefenen, met grote precisie maar zeker ook met gevoel voor kunst. Want anders leidt de praktijk van het van het blad lezen, die vaak een ware passie wordt, heel vaak tot oppervlakkig en mechanisch pianospel.

Mevrouw Degelijk : Ik raak er steeds meer van overtuigd dat een onlogische lesopbouw en een oppervlakkige en inconsistente aanpak nooit tot een goed resultaat kunnen leiden, ook niet wanneer de leerling veel talent heeft. Toch kunnen we in voorbeelden van eccentriek en karikaturaal pianospel, kenmerk van het huidige deplorabele niveau, het gevolg zien van een dergelijk gebrek aan methode.

[59]

                                 HOOFDSTUK 5

OVER HET PEDAAL.

Ik kom net terug van een concert en ik ben uitgeput en lamgeslagen door het gebeuk op de piano. De pianist liet de piano in twee bravourapassages losdonderen met het pedaal voortdurend ingedrukt. Daarop volgde een zacht voortkabbelend fragment waarin de dertien dreunende basnoten van het fortissimo nog steeds te horen waren. Het was dat ik mijn programmaboekje bij me had, anders zou ik er niet achter zijn gekomen dat deze kakofonie een weergave betekende van twee stukken van Döhler en Thalberg.

Het was echt een noodlottige dag waarop het pedaal werd uitgevonden! Ik bedoel dan het rechterpedaal, dat de dempers van de snaren opheft. Inderdaad een aanwinst voor de moderne tijd! Hemeltjelief! De pianisten van nu zijn hun fijne gehoor totaal kwijtgeraakt! Wat een gegrom en gehuil is dat! Het is helaas het gehuil van een gemartelde piano waarop een van de moderne virtuozen met hun lange baard en indrukwekkende lokken na hun echte goede gehoor kwijt geraakt te zijn de blits maakt met een bravourastuk, met het pedaal voortdurend ingedrukt – zelfvoldaan en vol eigenwaan! Natuurlijk ontwikkelt zich mettertijd veel wat verre van fraai is. Denkt deze revolutionair op de piano echt dat het een mooi effect geeft om in elke maat het pedaal te gebruiken? Arme stakker! Maar genoeg grappen – maar wel serieuze grappen – gemaakt!

Hummel heeft het pedaal nooit gebruikt. Hij was daarin een extremist : zijn sierlijke, heldere, maar niet indrukwekkende spel miste de finesses die door een juist gebruik van het rechterpedaal mogelijk zouden zijn geworden, met name op de instrumenten van Stein, Broadmann en Conrad Graf die meestal bescheiden van leer waren voorzien en een dunne, scherpe toon hadden. Het nauwkeurig gebruik van het pedaal had vooral zin bij de hoge tot zeer hoge tonen waar de harmonie zich niet erg vaak wijzigde. De klank van deze instrumenten was wel zoet en aangenaam, maar had niet veel diepte en het mechaniek was bovendien weinig krachtig en soepel. Onze instrumenten zijn vaak te zacht beleerd. Ze hebben een volle klank en klinken zo sterk en doordringend, zeker in de bas, dat men het gevaar loopt zijn gehoor bloot te stellen aan een oorverdovend, zinloos en belachelijk gebruik van het pedaal, vaak nog in combinatie met een harde en stijve aanslag en een foute techniek. Van een fraaie vertolking kan dan hoegenaamd geen sprake zijn. Je kunt dat geen kunst noemen, zelfs geen vorm van ambcht, het is pure waanzin! Een paar woorden aan het adres van de betere spelers:

Het rechterpedaal tilt de dempers op en laat de tonen zo doorklinken en zingen. Zo voorkomt het de kale en droge klank waarom piano’s – zeker de oudere exemplaren – bekend staan. Dit voordeel is bepaald niet gering : hoe meer de klank van de piano weg heeft van zingen, hoe mooier die toon is. Maar om de helderheid van de vertolking niet in de weg te staan is een uiterst kundig en voorzichtig gebruik van het pedaal noodzakelijk, waar de harmonie op talrjke momenten wisselt, vooral in het midden- en lage register van het instrument. U gebruikt allemaal het pedaal te veel en te vaak, vooral bij de enorme concertvleugels van het nieuwste type, die met hun zwaardere besnaring op zich al een vollere, meer vibrerende toon hebben. Daarom moet je het pedaal vaak genoeg weer op laten komen, en heel precies. Je moet luisteren naar wat je speelt. Je speelt niet voor jezelf alleen. Vaak speel je voor luisteraars die dit stuk voor het eerst horen. Probeer een paar passages zonder pedaal, vooral die waarin de harmonische veranderingen elkaar snel opvolgen, ook in de hoogste tonen, en constateer wat voor een rust, wat voor een sereen genoegen en wat voor een frisheid van toon mogelijk worden,   wat een finesses je kunt realiseren. Ook kun je naar het pedaalgebruik in het spel van anderen luisteren. Je bent soms al zozeer aan het pedaal gewend, dat je je vaak niet eens meer realiseert hoevaak je het gebruikt. Chopin kan hier voor jou als voorbeeld dienen. Zijn brede harmonieën met de meest gedurfde voorhoudingen, waar de baslijn essentieel is, vereisen een veelvuldig pedaalgebruik voor een mooi harmonisch effect. Wanneer je de kritische aanwijzingen bij zijn stukken bestudeert kun je daaruit een complete leerschool destilleren voor het correcte gebruik van het pedaal.

Laten we ter afwisseling van dit sombere verhaal eens een mooie avondwandeling door de straten maken. Wat horen we vanuit bijna ieder huis? We horen pianospel, maar wat voor een pianospel! Meestal stelt het niet meer voor dan een voortdurende opeenhoping van verschillende akkoorden, zonder pauze, zonder einde, oppervlakkig passagewerk met veel pedaal, dat de holle, kale en weke aanslag wat meer gewicht moet geven. Gauw de volgende straat in! Nee maar, wat een gebeuk! En dat op een piano, die nog vreselijk ontstemd is ook! Het is ongetwijfeld een lange, zware etude met gecompliceerd passagewerk en in een opvallende stijl, waarschijnlijk met de titel ‘Op de oceaan’, ‘In de Hades’, of ‘Fantasieën uit het Gekkenhuis’. Een donderstorm van noten met ingedrukt pedaal met opzienbarende veranderingen in de harmonie. Dan breekt er een snaar, het pedaal kraakt en : einde verhaal. Een c, een cis een d en een dis klinken nog samen in een paar uitstervende maten en verdwijnen in de zachte zomerlucht. Algemeen applaus uit de open ramen ! Maar wie is de overspannen musicus die zo zijn woede uit op deze arme piano? Is het een Parijzenaar of een andere rondreizende componist die onlangs gearriveerd is met een brief van aanbeveling in zijn zak, die zoëven wat gerepeteerd heeft van muziek die we binnenkort zullen horen in het ‘Hôtel de Schmerz’?

[65]

HOOFDSTUK 6

EEN GEVOEL VOOR HET LINKER-PEDAAL

“Wat? Gevoel voor het zachte pedaal? Een gevoel hoe dan ook in deze tijden? Een muzikaal gevoel nog wel? Zoiets heb ik in lange tijd niet in de concertzaal gehoord”.

Wanneer het linkerpedaal wordt ingedrukt verschuift het toetsenbord naar rechts, zodat de hamers nog maar twee van de drie snaren raken, bij sommige piano’s nog maar één snaar. Op die manier wordt de klank zwakker, dunner, zongeriger en geraffineerder. Wat is het gevolg? Veel concertpianisten worden gegrepen door razernij, spelen een groot bravourastuk, beulen zich vreselijk af , ratelen zeven oktaven loopjes op en neer af, met het rechterpedaal constant ingedrukt, hebben de beste piano al binnen de eerste twintig maten ontstemd, breken snaren en hamertjes, schuiven zwetend het haar uit hun ogen, staren het publiek aan en zijn verliefd op zichzelf. Plotseling worden ze overvallen door een gevoel, een echt gevoel! Ze komen bij een piano of pianissimo passage en , niet langer tevreden met één pedaal, drukken ze ook het linkerpedaal in terwijl het rechter nog is ingedrukt. Wat een sensatie! Wat een zacht gekabbel en zoet getinkel van klokjes! Wat een tederheid van gevoel! Wat een echt linker pedaal-gevoel! De dames breken in tranen uit, in trance door de bleke, langharige pianist voor hen.

Ik geef hier een beschrijving van de pianogekte die juist zijn hoogtepunt voor bij is. Deze periode moet men hebben doorgemaakt om überhaupt in dit soort idioterie te geloven. Toen rond 1800 de piano zo in kwaliteit en krachtige toon vooruitging, kon een toenemende technische vooruitgang gewoonweg niet uitblijven. Een paar jaar later al trad degeneratie op. Alles kwam neer op een harteloze en zinloze vingervaardigheid die tot absurde extremen werd opgevoerd en uiteindelijk eindigde in een intellectuele dood. In plaats van te streven naar een mooie toon op deze welluidende instrumenten die een finesse en nuancering mogelijk maken die voor een ideale uitvoering essentieel zijn , was het enige doel technische vaardigheden te vergroten en bijna uitsluitend toe te werken naar een krachtige en onnatuurlijke aanslag en bovendien een vingerzetting tot dat niveau te brengen dat men passages, roulades, gestrekte akkoorden en andere vingergymnastiek zonder enig probleem de baas kon, elementen die men eerder niet voor mogelijk had gehouden. Uit deze tijd stamt ook de introductie van virtuoze concerten met hun glitterende opsmuk en hun gebrek aan muzikale inhoud. Toen werden op kunstgebied absurde extremen opgezocht , gepaard gaande met een onvoorstelbare ijdelheid en zelfoverschatting. Het is de tijd van de ‘vingersuperhelden’. Voor iedereen die nog bij zijn verstand is, is het een melancholieke gedachte, dat deze charlatannerie het uitsluitende doel is voor talloze pianisten zonder enige smaak. Daarin worden ze nota bene gesteund door het applaus van even minderwaardige leraren en componisten. Het is droevig om te zien hoe pianisten verdwalen in een kunstmatig formalisme en zinloze techniek en daarbij tevens een mooie toonvorming en fraaie vertolking uit het oog verloren zijn. Maar weinig docenten proberen hierin verbetering te brengen bij zichzelf en hun leerlingen. Anders zouden ze inzien dat het op een goede piano, zoals we die bijna overal aantreffen, mogelijk is om , gesteund door een goede methode, zonder hulp van buiten af een mooi forte, fortissimo en piano, pianissimo te realiseren. Dat alles met een maximum aan nuance en een meer dan gemiddelde uitdrukking. Deze manier van spelen met de vereiste technische vaardigheden klinkt veel natuurlijker en geeft veel meer bevrediging dan wanneer een gevoel wordt gesuggereerd met een ondeskundig en grof gebruik van de pedalen, vooral het linker pedaal. Deze suggestie van gevoel is een blijk te meer van het ongezonde, stompzinnige en kindse niveau waarop onze concerten worden gevuld.   Een goedgeluimd publiek dat wordt opgetrommeld en bij elkaar geharkt door dringende aanbevelingen en geduldige mond-op-mond reclame waarover virtuozen in overvloed beschikken ( anders kunnen de getroffen steden die ze hebben bezocht niet van hen afkomen) woont deze nep-concerten bij en luistert naar dozijnen van zulke would-be pianisten. De één speelt exact als de ander, met min of meer dezelfde fouten. Niet één van hen is, ondanks het neermeppen en strelen van de toetsen, in staat aan het instrument een brede, volle en mooie toon te ontlokken, met delikate nuances, duidelijk tot het zachtste pianissimo. In plaats hiervan lopen ze in de fuik van het pedaal-gevoel, ze spelen met uitwendige pretentie en inwendige leegte.

Jullie onwaardige concertpianisten, ik doe een beroep op jullie. Jullie hebben het kunstzinnige publiek zo bedorven, dat het niet meer wil luisteren naar fijngevoelige en intelligente kunstenaars wier waardigheid hen er verre van houdt om in de concertzaal te spelen en publiek van de straat naar een concert te lokken. Jullie onwaardige stervelingen die deze mooie kunst te grabbel hebben gegooid, ik roep jullie op jullie strijdperk, het concertpodium te verlaten. Laat de piano alsjeblieft even bijkomen. Ook bij de spoorwegen of in de fabriek is voor jullie best werk te vinden. Daar kunnen jullie je nuttig maken. Houd op met jullie lessen – want na over de hele wereld gereisd te hebben komt het meestal toch op lesgeven neer – die onze jeugd alleen maar verpesten, de jeugd die veelbelovend en talentvol is maar alleen maar pseudo-pianisten zal voort brengen, niet echte kunstenaars.

Nog één ding moet ik jullie in het oor fluisteren. Ik zeg helemaal niets over simpele oprechtheid, tederheid en eerlijkheid van gevoel, ook niets over finesse, poëzie, inspiratie of echt gepassioneerd pianospel. Maar wanneer jullie oren nog niet helemaal bedorven zijn, zouden jullie toch waarachtig in staat moeten zijn om op elk instrument binnen een paar minuten te ontdekken hoe ver je kunt gaan met een piano en een pianissimo en daarbij toch de toon kunt houden binnen de grenzen van schoonheid en eenvoud. Zo zul je in staat zijn een stuk met tenminste oppervlakkige accuratesse uit te voeren, zonder een gecultiveerd oor dodelijke verwondingen toe te brengen door overdrijvingen en het mishandelen van het instrument en zijn twee pedalen.

Deze stijl van spelen heeft overigens niettemin in onze eeuw die alles mogelijk heeft gemaakt, veel verdedigers en bewonderaars gevonden. Deze gevoelloze onderwerping van de piano is aangepraat als een echte rage, een fraaie uitdrukking waarmee onze muziekkritici dwaas erop los gaan en het koesteren van het linker-pedaal kan worden goedgepraat.

In hoeverre datgene wat hier ter sprake komt ook van toepassing is op het moderne zingen en de daarbij gepaard gaande foute methode, mogen mijn lezers zelf beoordelen. In volgende hoofdstukken licht ik ook dit toe.

Ik keer terug naar mijn onderwerp : ik heb verstandige pianisten nog één ding te zeggen. Zelfs zij gebruiken het linker pedaal te veel en te vaak, bovendien op de onjuiste plaatsen. Dat doen ze bijvoorbeeld in het midden van een stuk, zonder enige voorafgaande voorbereiding, in melodieën die een lichte uitvoering vereisen of bij snelle passages die piano moeten worden gespeeld. Dit nemen we met name waar bij pianisten die gedwongen zijn instrumenten te bespelen met een krachtige toon en een stijf, zwaar mechaniek waarop nuances qua forte en piano moeilijk te realiseren zijn. Een verstandige leraar die het schone nastreeft moet vooral zorgen voor een elastische aanslag en een goed gefundeerde stijl van spelen. Ik zou liefst willen dat het linkerpedaal zelden wordt gebruikt en bij gebruik van het rechter pedaal met nog meer subtiliteit. Het linker pedaal kan worden gebruikt als een echo, maar dan voorafgegaan door een kleine pauze. Het moet dan gedurende die hele passage ingedrukt blijven omdat het oor geleidelijk aan gewent aan deze tedere, maagdelijke en gevoelige toon. Ook bij de overgang naar de meer masculiene toon met de drie snaren, moet er een kleine pauze zijn. Bovendien is het linkerpedaal het meest effectief in langzame delen met volle akkoorden. Er is dan tijd nodig om de zangerige toon te realiseren, het voordeel van de hamerslag op slechts twee van de drie snaren.

[72]

HOOFDSTUK 8

EEN MUZIKAAL THEEKRANSJE TEN HUIZE VAN JOHANN ALTERTÜMLICH

Ik nodig mijn lezers hierbij uit mee te gaan naar een muzikaal theekransje. Het is de bedoeling,dat ik op een beknopte en amusante manier heel gewone vooroordelen uit de wereld help, foute ideeën corrigeer, gemakzuchtige routine aan de kaak stel, me verzet tegen kwaadwillig gevit op de gezonde opvattingen van een ervaren docent, dogmatische benepenheid aan de orde stel en op deze wijze de voordelen van mijn methode verduidelijk.

DRAMATIS PERSONÆ.

Johann Altertümlich, een joviale maar bekrompen kerel, lid van een oude muzikale familie

Mevrouw Altertümlich, een gestresste en jaloerse dame met kwaad in de zin

Letitia, haar dochter, dertien jaar oud, een sexy, open meid

De heer Tüchtich, haar piano-leraar, erg druk bezig

Dominique, een strenge pianoleraar

Emma, zijn dochter, een bescheiden pianiste vol muzikaliteit

***

Mevrouw Altertümlich : dus dit is uw dochter die morgen een concert gaat geven? Men beweert, dat ze minder talent heeft dan uw oudste dochter, bij wie, zeggen ze tenminste, niets enige moeite kost.

Dom. : dat moet u mijn oudste dochter zelf maar eens vragen. Tot nu toe houd ik het erop, dat beiden correct, muzikaal, soms ook echt prachtig spelen, maar alle twee verschillend. Dat houdt de triomf van muzikale educatie in. Maar met deze goedkope vergelijking is eigenlijk al teveel gezegd. Anders nog iets van uw dienst?

Mevrouw Altertümlich : heeft u uw jongste dochter al naar school gestuurd? Ze zeggen dat uw oudste nog niet eens kon lezen en schrijven toen ze veertien jaar was.

Dom.: Mijn dochters hebben thuis altijd een privé-leraar tot hun beschikking. Daarmee in lijn geef ik hen aanwijzingen op muzikaal terrein zodat hun literaire ontwikkeling mnder tijd kost en ze tijd overhouden om in de open lucht hun lichaam te trainen, terwijl andere kinderen tot wel negen uur lang op school doorbrengen en uitgeput raken en daarvoor boeten met het verlies van hun gezondheid en hun vreugde in het leven.

Mevrouw Altertümlich : iedereen weet toch zeker, dat uw dochters gedwongen worden de hele dag te spelen.

Dom. : O ja, en ’s nachts dan? Dat is misschien voor u de verklaring van hun opvallende prestaties. Het zou me verbazen wanneer u dat ook niet al gehoord zou hebben. U heeft kennelijk al heel wat schokkende verhalen over mij en mijn dochters opgevangen.

Mevrouw Altertümlich (gaat op een ander onderwerp over en vraagt zomaar) : hoe oud is uw dochter Emma nu precies?

Dom. : Ze is precies zestien jaar en zeven weken.

Maverouw Altertümlich : spreek ze eigenlijk wel Frans?

Dom. : Oui, elle parle Français, maar ook muzikaal gesproken, een taal die over heel de wereld wordt negrepen.

Mevrouw Altertümlich : maar ze zit er zo stilletjes bij! Houdt ze eigenlijk wel van pianospelen?

Dom. : U heeft haar nog helemaal geen permissie gegeven om te spreken, maar opdringerig is ze zeker niet. De afgelopen twee jaar heeft ze met veel plezier piano gespeeld.

Mevrouw Altertümlich : O, maar daarmee geeft u dus toe dat u haar er vroeger toe heeft moeten dwingen.

Dom. : in de vroegere periode van haar natuurlijke ontwikkeling speelde ze vrij van ijdelheid maar wel heel serieus, uit gewoonte en ook uit gehoorzaamheid. Doet uw dochter van dertien altijd haar toonladders zonder dat het haar wordt gevraagd? Gaat ze elke dag wel zo graag naar school? Gaat ze altijd naaien en breien zonder dat u het zegt?

Mevrouw Altertümlich (onderbreekt hem en zegt) : O, ik zie wel dat u helemaal verzot bent op uw dochters! Maar ze zeggen, dat u uw kinderen enorm streng en gedisciplineerd les geeft, in feite altijd.

Dom. Denkt u echt dat ik dit uit genegenheid doe? Of suggereert u dit maar omdat ze echte kunstenaars zijn geworden, omdat ze er zo aantrekkelijk en krachtig uitzien, omdat ze zulke mooie brieven schrijven of omdat ze zich niet over borduurwerk hoeven buigen, omdat ze zo onschuldig zijn, zo open, zo bescheiden, of…

Mevrouw Altertümlich (zegt geïrriteerd) : laten we het maar over iets anders hebebn. Maar ik geef u wel één goed advies : laat uw dochter niet al te veel van zich vergen, zoals u bij uw oudste dochter heeft gedaan.

Dom. : Als dat zo is, mevrouw Altertümlich, dan lijkt het uitstekend bij haar te passen.

Mevrouw Altertümlich : maar ze zou zeker beter af zijn geweest als –

Dom.: als ze helemala niet gespeeld zou hebben? Zoals ik gisteren al zei , daar heb ik geen idee van. Goed, bent u dan nu gerustgesteld over Emma’s gezondheid?

Mevrouw Altertümlich : het heeft gewoon geen zin om u goede raad te geven.

Dom. Ik heb me totaal gewijd aan mijn roeping als leraar en ben dagelijks bij mezelf te rade gegaan omtrent de opvoeding van mijn dochters en van de andere leerlingen die ik als kunstenaar heb gevormd. En , laat het wel gezegd zijn, ik ben daar aardig in geslaagd.

Mevrouw Altertümlich (geeft hem geen aandacht meer, maar richt zich tot Emma) : krijg je niet vreselijke pijn aan je vingers wanneer je zo moeilijke muziek moet spelen?

Dom. : alleen wanneer haar leraar haar op haar knokkels slaat en dat doe ik nooit.

(Emma kijkt naar de papagaai die in de eetkamer hangt en streelt de grote bull-dog)

Johann Altertümlich (komt binnen met zijn dochter Letitia) : Dominique, wilt u zo goed zijn naar het spel van mijn dochter Letitia te luisteren en ons van advies te dienen? Moeten we op dezelfde weg verder gaan of niet? Muziek zit in feite in de genen van deze familie. Ook mijn vrouw speelde een beetje, in haar jeugd, en ikzelf speelde ooit viool, maar mijn leraar zei me dat ik er geen talent voor had, geen oor en geen maatgevoel en dat ik teveel kraste.

Dominique : Wat vreemd! Hij moet zich echt vergist hebben.

J.A. Maar ik ben altijd dol geweest op muziek. Op ons landgoed speelden mijn vader en grootvader vaak in plaats van de kerkorganist en dat was lachen. Het personeel wist al op afstand, dat wij het waren die speelden. Dat verhaal vertelde mijn vader vaak aan tafel. Ja, echt leuk was dat!

Dom. Heel merwaardig!

J.A. Goed, om terug te komen op mijn viool. Na een jaar heb ik het allemaal maar opgegeven omdat ik het ook alleen maar gekras vond.

Dom. Allemaal heel vreemd! Waarschijnlijk hebben uw oor en uw smaak zich onder tussen wel ontwikkeld.

J.A. Later, toen ik een vaste functie had gekregen, zei mijn vrouw tegen me : “Lieverd, wat jammer nou van je viool”. Ik liet hem daarom opnieuw besnaren en nam een leraar. Ik herinner het me als de dag van gisteren.

Dom. (slaat zijn ogen neer, een bediende brengt ijs). Wat vreemd, wat vreemd!

J.A. Ja, Ja, de hoornist van het ministerie denkt dat hij niet goed genoeg is om duo’s met mij te doen.

Dom. Wat gek! Dus u bent gedwongen om alleen maar solo te spelen? Maar dan nu over uw dochter. Letitia, zou je me iets willen voorspelen?

Mevrouw Altertümlich ( zachtjes fluisterend) : ze ziet er een beetje tegen op om in bijzijn van Emma te spelen.

Emma : Dat hoeft echt niet, hoor.

M.A. Letitia, kom maar. Waar zijn ‘Les Graces’ van Herz en ‘Tremolo’van Rosellen?

Letitia : O, mama, nou ben ik net dat stuk vergeten mee te nemen en de ‘Tremolo’heb ik nog niet erg goed gestudeerd. Zo gaat het met mij nou altijd. Meneer Tüchtich zegt, dat ik me kan troosten met de gedachte, dat het met zijn andere leerlingen net zo gaat. Hij zegt, dat ik uiteindelijk mijn weg wel zal vinden. Maar hij is zo vreselijk streng. Bent U ook streng, meneer Dominique?

Mevrouw A. Ik heb dat al eerder gezegd, Letitia. De heer Dominique is het toppunt van strengheid maar hij wil het niet erkennen.

Dom. Er is één ding dat u me moet toegeven, mevrouw Altertümlich, mijn leerlingen hebben altijd plezier in de les. Dat komt omdat ze evident vooruitgang boeken en dat op een plezierige en natuurlijke manier.

M.A. Daar gaan we dan ook maar niet over twisten. Maar hoe kunnen uw dochters dan en plein public zoveel stukken spelen, uit het hoofd nog wel? Ze moeten dan toch wel gedwongen zijn de hele dag alsmaar te oefenen onder uw wrede regime? Mijn Letitia speelt helemaal niets zonder haperen.

Dom. Sta mij de opmerking toe, mevrouw, maar het moet de fout zijn van de heer Tüch….

M.A. Neemt u me niet kwalijk, maar dat soort opmerkingen over de heer Tüchtich is voor ons taboe, hij is een heel speciale en onvermoeibare docent.

Dom. Het hangt niet alleen daarvan af,, maar…

Johann Altertümlich : Op mijn erewoord, het is geweldig om te zien hoe leerlingen met talent altijd op u afkomen. Dat is makkelijk lesgeven! Maar denk eraan : mijn grootvader speelde orgel! Goed, Letitia ga zitten en speel wat.

(Letitia kiest een cavatina met variaties uit ‘De Piraten’. De inleiding begint met een es in unisono. Letitia speelt een e in unisono, ook in de bas, en zegt : ‘Zei ik het niet, mama, ik ben het even kwijt’. De heer Tüchtich komt binnen en zet haar vinger op de es).

Tüchtich : Excuus, mijnheer Dominique, ik breng haar even op weg. Het maakt haar wat confuus om voor zultke kenners te spelen. Ze ziet dan niet zo goed meer. Kijk, Letitia, er staan drie mollen als voortekens.

Johann : Moed houden! O, maar kijk nou : Letitia kan niet bij het pedaal omdat de bulldog erop ligt. Tüchtich, haal hem weg.

(na het verwijderen van de bulldog speelt Letitia tot en met maat vier, slaat een cis aan in plaats van een c en stopt).

Mevrouw A. : Geeft niets hoor, dat hoort de heer Dominique graag, hij heeft dit met al zijn kinderen doorgemaakt.

(Letitia speelt weer vanaf het begin en komt tot aan maat acht, waar ze vast blijft zitten).

Tüchtich : maak me niet te schande, Letitia, begin nog maar eens, vorige week nog ging het best wel aardig.

(Letitia begint nog maar eens en worstelt zich door het stuk heen tot aan maat achttien. Dan heeft ze het helemaal gehad en staat op).

Dom.: Laat de inleiding maar zitten, die is te moeilijk, begin maar gelijk met het thema.

Johann : (tegen zijn vrouw) Wij gaan even weg en laten de heren alleen. Straks, heren, praten we verder bij een kopje thee.

(Letitia vertikt het om verder te spelen)

Dom.: Mijnheer Tüchtich, ,laat Letitia eens een paar toonladders of akkoorden spelen, of anders een paar etudes of een makkelijk dansmuziekje, uit het hoofd.

T. Ze heeft zoiets niet paraat. Ziet u, ik neem altijd het ene stuk na het andere en ik heb elk daarvan zo goed gespeeld als ik kon. Zij herhaalt de moeilijke passages, ik schrijf er de juiste vingerzetting boven en let erop dat ze geen foute vingers gebruikt. Dat kostte me erg veel moeite en ik heb me enorm uitgesloofd. Letitia doet dat ook en oefent wel twee uur per dag, maar…

(Letitia gaat weg met Emma)

Dom., Beste meneer Tüchtich, ook al spant u zich nog zo in, u zult zo nooit uw doel bereieken. Ook al blijft Letitia bij gebrek aan talent alleen maar op amateurniveau spelen, toch moet u vooraf wat aandacht geven aan een correcte toonvorming en ervoor zorgen dat ze deze leve-de-leeuwerik-aanslag kwijt raakt. U moet met toonladders en etudes haar handen en vingers zo sterk maken, zo precies, zo vaardig, dat ze haar stukken gaat beheersen, tenminste met een duidelijke toon en een redelijke aanslag. U zit helemaal fout bij de keuze van uw stukken want die zijn gewoon veel te moeilijk. Veel leraren lopen in die fuik, ook bij hun beste leerlingen. Kies stukken uit die onder hun technische niveau liggen. Anders gaat uw leerling tevergeefs de strijd aan met de technische problemen, verliest zijn zelfvertrouwen en gaat hortend en stotend spelen. De techniek kan worden ontwikkeld door etudes liever dan door echte pianoliteratuur die niet echt op de piano is afgestemd, waar de muziek belangrijker is dan de pianist. Dat geldt zelfs voor Beethoven, met name in zijn latere werk. Daarmee loopt de pianist veel risico. U krijgt een goed resultaat, zonder stress bij ouders en leerlingen, zonder verveling bij het spelen, wanneer u eerst een zekere technische basis legt en pas daarna verder gaat met gemakkelijke stukken van Hünten en Burgmüller. Blijft u toch repertoire-stukken gebruiken, dan verspilt u veel tijd, tenzij u echt verstandige keuzes maakt. Letitia zal dan eerder haar hoop vestigen op een toekomstig echtgenoot dan op mooi pianospel. Succes is alleen bereikbaar door een geleidelijke ontwikkeling, een vastomlijnd plan, door bedachtzaam te werk te gaan.

(Tüchtich luistert aandachtig en er lijkt hem een lichtje op te gaan. Beide heren gaan thee drinken)

Mevrouw A. Wel heren, wat is uw conclusie? Letitia is een goede leerling, toch? Hoe moe ze ook is, twee uur studeren per dag is verplicht. Meneer Dominique , denkt u dat we op dezelfde voet verder moeten gaan?

Tüchtich : De heer Dominique heeft me attent gemaakt op enkele aandachtspunten waar ik profijt van heb.

Dom. : Alleen maar wat details, hoor.

De heer Altertümlich : speelt Emma nog wat voor ons na de thee?

Emma : Op deze piano? Hij is ontstemd, sommige toetsen blijven vastzitten, het mechaniek is te licht. Het is gewoon geen instrument om met succes op te spelen.

J.A. O nee? Met alle respect hoor, maar toen we het instrument zestien jaar geleden kochten, vond iedereen het een prima instrument. Het was toen een koopje want we konden hem van een buurman overnemen die de conditie aanzienlijk had verbeterd door er heel veel op te spelen. De heer Tüchtich kan dat bevestigen.

(Emma kijkt nadenkend voor zich uit en kijkt dan onderzoekend de heer Tüchtich aan)

J.A. Mijn viool is de laatste twintig jaar ook veel beter geworden. Op mijn erewoord, als Letitia nou een jongen was geweest dan had ze viool moeten spelen om het in de familie te houden, haha!

Dom. : Dat zou me wat zijn, zeg!

(Dom. wil met zijn dochter afscheid nemen)

Mevrouw A. : Ik hoop, dat u ons spoedig nog eens zult bezoeken. Dan speelt Letitia ‘Tremolo’en Emma moet dan ook wat spelen.

Dom. : Heel vriendelijk van u!

[85]

HOOFDSTUK 8

OVER ZINGEN EN ZANGLERAREN

(Een brief aan een jonge zangeres)

Lieve mevrouw!

U heeft een bewonderenswaardig talent voor zingen en uw aangename , maar niet erg krachtige stem bezit levendigheid en charme en bovendien een mooi timbre. Ook heeft ook de gave, muziek mooi uit te voeren. Toch deelt u het lot van bijna al uw collega’s, of dat nu in Wenen, Parijs of in Italië is, die alleen maar zangdocenten kunnen vinden die snel de opera in Europa om zeep helpen en de eenvoudige , subtiele, ware zangkunst te niet doen. De huidige moderne, onnatuurlijke manier van zingen is alleen maar uit op oppervlakkige effecten en bestaat bijna alleen maar uit maniertjes die de stem in een mum van tijd bederven, nog voordat die zijn hoogste perfectie heeft bereikt. Ook u bent van deze manier al het slachtoffer geworden. Het is bijna niet meer mogelijk uw talent te redden, tenzij u beseft dat u slecht les hebt gehad, voor een tijd stopt met zingen en uw stem enkele maanden tot rust laat komen. Daarna moet u zingen zien als een echte kunst. U moet uw stem niet meer forceren, veel zachter zingen, de aanzet van de klank verbeteren door veel minder adem te nemen en klank op een correcte wijze tot stand te laten komen. U moet ook meer gebruik maken van het midden register, de kopstem veelzijdiger gebruiken en heel zorgvuldig solfège-oefeningen te doen. U moet de onnatuurlijk uitgerekte registers weer tot hun juiste proporties terugbrengen. Dan blijven nog de volgende aandachtspunten over. Heeft u niet gemerkt dat het veelvuldig vibrato, het onmatig uitbreiden van de tessituur, waarbij borstregister en kopstem elkaar in de weg zitten, het geaffecteerde nasale pianissimo, het zinloze rekken van afzonderlijke tonen en in het algemeen deze tekort schietende zangpraktijk een voortdurende aanval doen op het gehoor van een onbevooroordeelde luisteraar, zangleraar of componist? Wat moet het effect op een stem in het middenregister wel niet zijn wanneer zijn uiterste grenzen op zo’n roekeloze manier worden geforceerd en wanneer men evenveel adem neemt voor een paar liedregels als een voortreffelijk zanger zou gebruiken voor een hele aria? Hoe lang zal het nog duren voordat een geforceerde en verzwakte stem zal verworden tot een holle, vlakke keelklank en zelfs die klankuitbarstingen teweeg brengt die de voorbode zijn van onherstelbare schade? Moet uw mooie stem en uw talent dan als een meteoor verdwijnen, wat bij anderen vaak gebeurd is? Hoopt u soms dat de zachte lucht van Italië op tijd een stem zal repareren die ooit eerder al bedorven is? Ik word razend van woede wanneer ik denk aan al die prachtige stemmen die de afgelopen veertig jaar te gronde zijn gericht en weggekwijnd zijn zonder een spoor achter te laten. Ik uit mijn grote onrust in een kort bericht aan de taltijke zangleraren wier opkomst en invloed ik de afgelopen twintig jaar heb meegemaakt. Die zogenaamde zangdocenten die we zelfs in grote steden en bij belangrijke muziekinstellingen aantreffen, zal ik niet met mijn kritiek confronteren want ze zouden mijn standpunten niet eens kunnen begrijpen. Ze laten sopranen toonladders zingen met al de vijf klinkers tegelijk, te beginnen met de c in plaats van met de f’ . Ze laten bovendien de tonen lang aanhouden ter ontwikkeling van de stem, zoals ze beweren. Dat doen ze totdat de zangeres in zwijm valt. Ze spreken allen van een mooi borstregister dat gevormd moet worden en willen niets van doen hebben met de kopstem waar ze helemaal niet naar luisteren en die ze helemaal niet leren onderkennen. Hun belangrijkste standpunt is : “Verdorie! We willen niets van doen hebben met die rommel van Teschner, Miksch en Wieck Zing op je eigen simpele manier. Wat heeft het voor zin zo binnensmonds te mompelen zonder adem? Waarvoor heb je eigenlijk longen als je die voor niets gebruikt? Kom, probeer deze aria eens ; ‘Grâce, grâce!’ en werk aan een maximaal effect! Vooruit, op je knieën”. Anderen schreeuwen weer : “Hoe meer, hoe beter”. Ze willen kracht en uitdrukking in de stem brengen en die stem geschikt maken voor openbare concerten. Ze bevelen wel solfège aan en babbelen wat over de gelijkheid van de tonen, maar tegelijkertijd laten ze hun leerling intens oefenen op het zingen van de a, bes en b tweegestreept, een terrein waarop Moeder Natuur de stem niet bepaald in eerste instantie p[laatst. Ze heeft de voorkeur gegeven aan een geleidelijke ontwikkeling hiervan. Bij het onfortuinlijke middenregister dat nog minder meegaand is en na hevig zuchten in de keel alleen nog maar kan spreken, stellen de heren docenten e.e.a uit voor de toekomst. “Nu gaan we van het blad zingen! Raak de goede tonen! Fijn, klassieke muziek!’. Hier kan ik niet over uit.

De zangdocenten die de stem willen africhten op ‘de opera van de toekomst’ kunnen onmogelijk het onderwerp van mijn uiteenzettingen worden. Om te beginnen weet ik helemaal niets over ‘de toekomst’, het embryonale, en ik heb bovendien meer dan genoeg te doen met het heden.

Dan beland ik nu bij diegenen die oprecht wensen beter les te geven en die in zekere zin al goed op weg zijn. Maar ook zij zijn erg pedant met hun vooroordelen en eenzijdige studiedoelen. Zonder naar links of rechts te kijken en zonder dagelijks zelf te leren, te reflecteren en hun best te doen, blijven ze altijd maar in dezelfde groef steken, berijden altijd maar hun eigen stokpaardje, snijden alls maar uit één mal en verknoeien hun tijd met onzinnige details. Voor een goede toonvorming moet je geen minuut verliezen, zeker niet bij zangeressen die niet robuust zijn en niet frekwenter dan twintig dagen per maand kunnen zingen en die tijd ten volle moeten benutten. Dit soort docenten is het moeilijkst te begrijpen. Hoewel ze maar van zeven tonen gebruik maken duiken ze in ondoordringbare mysteriën, in onbegrijpelijke kennis waaruit niets aan het licht kan worden gebracht. Volgens hen valt henzelf niets te verwijten, ook niet hun stokpaardjes, maar, zoals ze zeggen, ‘de hogere machten’. Voorlopig nemen we maar aan dat drie kwart van hun zangmethodiek goed en correct is (net als bij pianodocenten). Het resterende kwart is meer dan genoeg om de stem te ruïneren of de goede ontwikkeling ervan te voorkomen. Er zijn dan ook weer andere leraren die niet verder komen dan toonvorming en blijven steken in een hang naar perfectie , dat ‘aardse tranendal’, een mooi gebied inderdaad maar alleen in het paradijs te vinden!

Dan zijn er weer anderen die niet denken ‘vandaag wil ik het eens proberen beter te doen dan anderen’, maar het arme stemmateriaal zo kwellen in hun streven naar perfecte gelijkheid en schoonheid van toon, dat alles ongelijk en verre van fraai gaat klinken. Sommige leraren laten hun leerlingen zo stressen dat ze èn erg letten op toonvorming, èn een goede adem, èn de juiste uitspraak en uiteindelijk hun liederen erg houterig en gekunsteld zingen, wat dan weer tot tranen leidt. Terwijl het juist bij zingen essentieel is vol vertrouwen in eigen kunnen te zijn. Anderen maken zich aan het tegengestelde schuldig en begaan de grofste fouten, zonder enige maatstaf voor schoonheid. Ze verspillen hun tijd met gedachtenwisselingen met hun leerlingen met veel geheimzinnig ‘als nou eens..’ en ‘ja, maar …’ erin. Ze lijken erg positief,maar dan alleen binnen de eigen kring van hun eigen ideeën. Ze vorderen niet op de middenweg. Sommigen laten hun leerlingen alleen stccato oefenen, anderen juist legato, zonder enig duidelijk doel. Sommigen dwingen hen te luid te zingen, anderen te bescheiden. Sommigen filosoferen naar hartelust over de schoonheid van de stem, anderen mopperen juist over de beperktheid ervan. Sommigen zijn enthousiast over buitengewoon talent, anderen zeuren over het gebrek eraan. Sommigen hebben de neiging sopranen alt te laten zingen en omgekeerd. Sommigen verkiezen een omfloerste stem, anderen een heldere. Allemaal baseren ze hun opinies op de autoriteit van een beroemde ‘zangspecialist’ die een methode heeft geschreven. Op die manier cultiveren sommigen de ontwikkeling van de lage tonen vanwege het ‘speciale effect’. Het is immers heel bijzonder wanneer sopranen opeens als mannen gaan zingen, of liever gaan grommen en omdat het in Parijs de mode is. Anderen gaan er prat op de kopstem te ontwikkelen. Maar het middenregister krijgt gewoon te weinig aandacht. Dat gebied is te gevaarlijk en te delicaat. Problemen liggen daar voor de hand.