DEBUSSY

BEAU SOIR

MOOIE AVOND

Wanneer de zon in het rood overgaat

En de rivieren roze kleuren

En de wind uit het noorden

De graanvelden doet ruisen…

Het is nog maar een korte tijd

Dat we kunnen pretenderen gelukkig te zijn

Terwijl we de berg van verdriet in ons hart beklimmen

Probeer alle wonderen in je op te nemen

Terwijl we ons nog één kunnen voelen met schoonheid

Terwijl we nog moed hebben en nog jong zijn

Zo kunnen we ons onverzettelijk tonen,

Als de stroom die voortgaat,

Hij naar de zee,

Wij naar het graf.


***














DEBUSSY TROIS CHANSONS DE BILITIS

I LA FLÛTE DE PAN

Op de dag van de Hyacinthia heeft hij me

Een fluit gegeven van goed gesneden riet,

Bijeengehouden door witte was

Die zacht is aan mijn lippen als honing.

Hij leert me erop te spelen,

Zittend op zijn knieën,

Maar ik volg hem een beetje onzeker.

Na mij speelt hij er ook op,

Zo zachtjes dat ik het nauwelijks hoor.

We hebben elkaar niets te zeggen,

Zo dicht zijn we bij elkaar.

Maar onze liederen willen een antwoord,

En om beurten verenigen onze monden zich op de fluit.

Het is al laat.

Hoor, het geluid van de groene kikkers

Bij het intreden van de nacht.

Mijn moeder zal nooit geloven

Dat ik zo lang ben weggebleven

om mijn verloren ceintuur te zoeken.

***

II LA CHEVELURE : HET HAAR

Hij zei me :

Deze nacht heb ik gedroomd:

Ik had jouw vlechten om mijn hals

Ik had jouw haar als een zwart snoer

Om mijn nek en op mijn borst,

Ik streelde ze en het waren de mijne,

En zo waren we voor altijd verbonden

Door hetzelfde haar, mond op mond.

Zoals twee laurierbomen maar één wortel hebben.

Geleidelijk aan leek het me

Dat onze lichamen zo verbonden waren,

Dat ik met jou samenviel

Of dat je bij mij binnenging als een droom”.

Toen hij klaar was met vertellen,

Legde hij zachtjes zijn handen op mijn schouders

En keek hij me aan met zoveel tederheid,

Dat ik zijn ogen kuste met een lichte huiver.

***



III HET GRAF VAN DE NAJADEN

Ik wandelde het bos door, bedekt met rijp.

De haren voor mijn mond bloeiden met kleine ijskristallen,

En mijn sandalen waren zwaar van de sneeuw,

Een diepe, modderige laag.

Hij zei me : “Wat zoek je?”

Ik volg het spoor van de satyr.

Zijn kleine pasjes wisselen elkaar paarsgewijs af.

Als gaten in een witte mantel.

Hij zei me :

‘De satyrs zijn dood en de nimfen ook.

In dertig jaar is er niet zo’n vreselijke winter geweest.

Het spoor dat je ziet is dat van een bok,

Laten we hier blijven waar hun graf is”

En met het ijzer van zijn hoef,

Sloeg hij het ijs stuk van de bron

Waar ooit de najaden lachten.

Hij nam grote stukken ijs op

En hield die omhoog naar de bleke hemel,

Hij keek er doorheen.

***









DEBUSSY

FLEURS DES BLÉS

VELDBLOEMEN


Hier in het veld dat een licht windje

Doet golven en heel prettig in rep en roer brengt,

Hier neem ik mijn kans waar

Om een boeket voor jou te plukken.

Leg het lichtjes op je borst,

Het is naar jouw beeld gemaakt

En tegelijk ook voor jou…

Je pink heeft je volgens mij

Al ingefluisterd waarom.

Deze gouden blaadjes

Zijn de golven van je blonde haar,

Helemaal van goud en zonlicht.

Deze buitelende klaproos

Dat is je mond met zilverachtig rood

En deze korenbloemen, mooi mysterie!

Puntjes van azuur dat niets verandert,

Dat zijn je ogen, zo blauw,

Dat je zou zeggen dat het twee lichtjes waren

Vanuit de hemel op de aarde gevallen

***










DEBUSSY

NUIT D ‘ ÉTOILES Théodore Faullin de Banville (1823-1891) ‘la dernière pensée de Weber’ 1845

STERRENNACHT

Sterrennacht, onder jouw sluiers,

Onder jouw briesje, onder jouw geur,

Trieste lier die zucht,

Ik droom van voorbije liefdes.

Een serene melancholie bloeit op

Diep in mijn hart

En ik hoor de ziel van mijn liefste

Sidderend in het dromenbos.

In de schaduwen van het gebladerte

Waar ik heel alleen zacht zucht

Keer jij terug, arme opgeroepen ziel,

Helemaal blank in je doodskleed.

Bij onze fontein zie ik weer

Je blauwe ogen, als de hemel,

Deze roos, dat is je adem,

En deze sterren zijn je ogen.

***














DUPARC

AU PAYS

NAAR HET LAND WAAR HET OORLOG IS

THÉOPHILE GAUTIER

Naar het land waar het oorlog is,

Is mijn lieve vriend gegaan.

Het lijkt me in mijn eenzaamheid

Dat alleen ik nog op aarde over ben.

Bij het weggaan, bij zijn afscheidskus,

Heeft hij mijn ziel gegrepen

Door mijn mond, die hem zo lang vasthoudt.

Mijn God? Daar is de ondergaande zon,

En ik, helemaal alleen in mijn toren,

Ik wacht nog steeds op zijn terugkeer.

De duiven op het dak koeren verliefd,

Een droevig en toch lieflijk geluid,

Het water onder de grote wilgen stroomt maar voort,

Ik voel dat ik bijna moet huilen en

Mijn hart ontvouwt zich als een volle lelie.

Ik durf niets meer te hopen.

kijk de blanke maan eens schijnen

en ik, helemaal alleen in mijn toren,

ik wacht nog steeds op zijn terugkeer.

Wacht, iemand klimt met grote stappen

Het bolwerk op.

Zou hij het zijn, mijn lieve minnaar?

Het is hem niet, maar alleen mijn kleine page

Met mijn lamp.

Avondwinden, vlieg hiervandaan

Om hem te zeggen dat hij voor mij

Mijn enige gedachte en mijn droom is.

Heel mijn vreugde en mijn verdriet,

Kijk, de dageraad breekt aan,

En ik ben hier, helemaal alleen in mijn toren,

Ik wacht nog steeds op zijn terugkeer.

***












DUPARC    CHANSON TRISTE

In jouw hart sluimert een maanlicht,

Een zacht zomers maanlicht.

Om aan de ellende van het leven te ontsnappen

Zal ik verdrinken in jouw schijnsel.

De voorbije smarten zal ik vergeten,

Mijn liefde, wanneer jij mijn gedachten en mijn

Droevig hart zal wiegen,

In de liefhebbende kalmte van je armen!

O, je zult soms mijn zieke hoofd op

Je knieën nemen en er een ballade aan vertellen,

Die over ons zal lijken te gaan,

En uit je ogen vol droefheid zal ik

Zoveel kussen en tederheid drinken,

Dat ik misschien zal genezen…


DUPARC

ELEGIE

Prozavertaling van een gedicht van Thomas Moore op de dood van Robert Emmet.

O, mompel niet zijn naam!

Laat hem slapen in de schaduw, waar

Zijn stoffelijke resten liggen,   koud en eerloos.

Stom, droevig , koud als ijs,

Vallen onze tranen neer,

Als de dauw van de nacht.

Die op zijn hoofd de aarde bevochtigt.

Maar de nachtelijke dauw,

Ook al weent ze,

Weent ze in stilte,

Toch zal ze het groen op de vlakte doen schitteren,

En onze tranen die in het geheim worden gestort,

Zullen zijn herinnering fris en groen in onze harten bewaren.

***













DUPARC  

EXTASE     op tekst van Jean Lahor

Mijn hart slaapt op een blanke lelie

Een slaap zoet als de dood,

Een exquise dood met de geur

Van de zucht van de geliefde.

Mijn hart slaapt op je blanke borst

Een slaap zoet als de dood.

***









DUPARC

L’INVITATION

UITNODIGING VOOR EEN REIS

op tekst van Charles Baudelaire

Mijn kind, mijn zuster, droom over het geluk

Om daar samen te leven,

In alle rust te beminnen,

Te beminnen en te sterven

In het land dat op je lijkt!

De vochtige zon van deze onrustige hemel

Heeft voor mijn hart de zo

Geheimzinnige charme van je

Verraderlijke ogen.

Stralend door hun tranen heen.

Daar is alles orde en schoonheid,

luxe, kalmte en genot.

Kijk deze schuiten slapen op dit water

Met het karakter van een vagebond.

Om het kleinste verlangen van jou

Te stillen komen ze van het einde van de wereld.

De ondergaande zon bekleedt de velden,

Het water en de gehele stad met

Hyacinth en goud.

De wereld slaapt in met een warm licht.

Daar is alles orde en schoonheid,

Luxe, kalmte en genot.

***





DUPARC

LAMENTO   op tekst van Théophile Gautier

Kent u de witte tombe

Waarop met een klaaglijk geluid

De schaduw van een taxus zweeft?

Op de boom zingt een bleke duif

Triest en alleen

bij de ondergaande zon

Zijn lied.

Men zou wel zeggen, dat de ziel ontwaakt,

En weent onder de aarde,

Gelijk opgaand met het lied,

Over het ongeluk om vergeten te zijn

Klaagt ze zachtjes koerend.

O, nooit meer zal ik bij die tombe komen,

Wanneer de avond onder gaat in zijn zwarte mantel.

Nooit meer luisteren naar de bleke duif,

Zingend op de tak van een taxus

Haar klaaglijk lied!

***












DUPARC

LE MANOIR DE ROSAMONDE op tekst van Robert de Bonnières

HET KASTEEL VAN ROSAMONDE

Met zijn onverwachte en roofzuchtige tanden

Heeft de liefde me als een hond gebeten,

Volgend het spoor van mijn bloedvlek

’Ga, je zult mijn spoor kunnen volgen…

Neem een paard van goed ras,

Vertrek en volg mijn steile weg

Door moeras of verdwenen paadjes.

Als de koers je maar niet belemmert!

Wanneer je voorbijgaat aan waar ik voorbijging

Zul je zien dat ik, verlaten en gewond,

Deze trieste wereld heb doorkruist

En dat ik moest sterven, heel, heel ver weg

Zonder het blauwe kasteel van

Rosamonde te ontdekken.


***












DUPARC

PHIDYLÉ   op tekst van Leconte de l’ Isle (1818-1894)

Zacht is het gras voor de slaap onder jonge populieren

Op de glooiingen van de sprankelende bronnen

Die zich op de bloemenvelden met duizenden planten

verliezen onder de zwarte struiken.


Rust uit, o Phidyle! De middagzon

Schijnt op het gebladerte

En nodigt je uit tot slaap.

Tussen klaver en tijm zingen, alleen,

in het volle zonlicht, de bezige bijen.

Een warme geur omringt de paden

De rode veldbloem buigt voorover,

En de vogels, met hun vleugels net over de heuvels scherend,

Zoeken de schaduw van de wilde rozen.

Het kreupelhout zwijgt; het hert, op een open plek

Voor de kudde vol onrust,

Springt niet meer.

Diana zit in de diepte van het woud

En polijst haar dodelijke pijlen.

Slaap in vrede, mooi kind met je naïeve lach,

Sprekend gelijkend op de nimfen van het land!

Van jouw mond met honing zal ik de bij wegjagen,

Ik zal letten op je blote voeten.


Laat je volle haar vallen op de goddelijke vormen

Van je schouder, als vloeibaar en licht goud,

Onder mijn verliefd zuchten.


Zonder je rust te verstoren zal ik op je blanke voorhoofd

Vrij van soepele linten,

Hyacinten mengen met bleke viooltjes

En rozen met geurige mirte.

Mooi als Erycine in de tuinen van Sicilië,

En verleidelijker voor mijn verliefd hart,

Rust ! Met de zachtste adem zal ik de fluit,

Gewend aan mijn lippen, vullen.

Ik zal de bossen betoveren, o Phidyle,

Met een intiem loflied.

En de nimfen, op de drempel van hun grotten vol klimop,

Zullen verbleken met droefheid in hun hart.


Maar wanneer de zon draaiend op haar schitterende baan,

Zal zien hoe de hitte afneemt,

Laten dan jouw mooiste glimlach en je hartstochtelijkste kus

Mijn wachten belonen!

***










DUPARC

SÉRÉNADE FLORENTINE

Op tekst van H. Cazalis

O ster waarvan de schoonheid schittert

Als een diamant in de nacht

Kijk naar mijn lieveling

Met haar ogen gesloten

En laat op haar ogen

De zegen van de hemelen neerdalen.

Ze valt in slaap,

Dring door het raam haar zalige kamer binnen

En kom dan om je tot de volgende morgen

te plaatsen op haar blanke huid, als een kus

Laat jouw hart dan dromen van een

Liefdesster die zich verheft!

***
















DUPARC

SERENADE 1896 op tekst van Gabriel Marc

O lieve schat, wanneer ik een zoet geurend briesje was

Om je lachende mond te strelen,

Dan zou ik komen, een beetje bang, maar ook verliefd.

Als ik een bezig bijtje was of een verleidelijke vlinder,

Dan zou jij met al je lichtzinnigheid

Mij jou niet zien verlaten voor een andere bloem.

Als ik een bevallige roos was

Die mijn hand op je hart zou plaatsen,

Zo dicht bij jou, een en al siddering,

Dan zou ik bezwijken aan geluk.

Maar tevergeefs probeer ik je te behagen,

Ik heb mooi steunen en zuchten,

Ik ben een man en wat kan ik doen?

Je beminnen, je dat zeggen en huilen!

***














DUPARC

SOUPIR op tekst van Sully Prudhomme

Haar nooit meer zien of horen,

Haar nooit meer hardop noemen,

Maar altijd trouw op haar wachten,

haar altijd beminnen.

Mijn armen spreiden en, moe van het wachten,

Ze ook weer sluiten om het niets,

Maar ze dan nog steeds weer naar haar uitstrekken,

Haar altijd beminnen,

O, ze niet naar haar te kunnen uitstrekken

En om te komen in tranen,

Maar toch deze tranen altijd vergieten,

Haar altijd beminnen.

Haar nooit meer zien of horen,

Haar nooit meer hardop noemen,

Maar altijd trouw op haar wachten,

haar altijd beminnen.

***














DUPARC

TESTAMENT op tekst van A. Silvestre

Opdat de wind ze je overbrengt

Op de zwarte vleugel van wroeging,

Zal ik op het dode blad de kwellingen schrijven van mijn dode hart!

Al mijn levenssap is verdampt in het

Heldere middaglicht van jouw schoonheid.

En als bij een verwelkt blad,

Is er voor mij niets levends over gebleven.

Je ogen hebben me tot diep in mijn ziel verbrand,

Als een zon zonder genade!

Als een blad dat in de diepte is opgegaan

Zal de zuidenwind mij ook meevoeren.

Maar eerst, opdat de wind ze je overbrengt

Op de zwarte vleugel van wroeging,

Zal ik op het dode blad de kwellingen schrijven van mijn dode hart!

***













DUPARC

LA VAGUE ET LA CLOCHE op tekst van François Coppée

Eens droomde ik, gevloerd door een krachtig brouwsel,

Dat ik te midden van de golven en het geraas van de zee,

De nacht in voer, zonder baken,

Trieste roeier, zonder zicht op land.

De oceaan spuwde zijn schuim op mijn gezicht,

En de wind verkleumde me tot op het bot

De golven stortten neer als muren,

In een traag ritme, slechts door stilte onderbroken.

Opeens veranderde alles : de zee en zijn zwarte gewoel

Zonken weg. Onder mijn voeten

bezweek het plankier van de schuit.

En… ik was alleen in een oude klokkentoren,

Woest rijdend op een slingerende klok.

Koppig omvatte ik de beierende klok

Krampachtig sloot ik mijn ogen bij het zwoegen.

Het gebeier deed de oude stenen trillen,

Zozeer verhevigde ik de zware schommeling.

Waarom heb je niet gezegd, o droom,

Waarheen God ons leidt?

Waarom heb je nooit gezegd of ze ooit zouden ophouden,

Het nutteloze zwoegen en het eeuwige geraas,

Waaruit, helaas het leven, het menselijke leven, bestaat?

***

DUPARC   LA VIE ANTÉRIEURE   op tekst van Charles Baudelaire (1821-1867)

HET VROEGERE LEVEN

Lang woonde ik onder weidse galerijen

Door de zeezon beschilderd met duizenden vuren

En met hun pilaren, recht en statig,

’s avonds lijkend op grotten van basalt.

De woeste golven deden de hemelse vormen schokken

En mengden op een plechtige en mystieke manier

De almachtige akkoorden van hun rijke muziek,

Vol kleur zoals de zonsondergang in mijn blik weerspiegelde.

Daar, daar was het dat ik in behaaglijke rust leefde

Te midden van het azuur, de goven en de wonderen.

En naakte slaven, doordrongen van een heerlijke geur,

Verfristen mijn voorhoofd met palmbladeren. Het was hun enige zorg

Ten diepste het smartelijke geheim dat me deed lijden, te doorgronden.

***











MOZART

NEHMT MEINEN DANK

Aanvaard mijn dank, mijn gulle vrienden!

Zo hartelijk als mijn hart die voelt,

Luidkeels te betuigen, dat kunnen mannen,

Maar ik, een vrouw, kan dat niet.

Maar weet zeker : ik zal uw steun mijn leven lang niet vergeten.

Bleef ik, dan zou ik ernaar streven

Die te verdienen, heb geduld!


Van meet af aan is eeuwig zwerven

Het lot van muzen en van kunstenaars.

Mij vergaat het zo als alle anderen,

Weg uit de schoot van het vaderland

Zie ik me door het noodlot leiden.

Geloof me maar, in elk rijk,

Waarheen ik ook ga, te allen tijde,

Blijft altijd door mijn hart bij u.

***

NISSEWAARD


Woensdag 25 juli 2018