CHAMBER MUSIC

By James Joyce






KAMERMUZIEK

JAMES JOYCE


                                    

I

     Snaren in hemel en op aarde

     Maken muziek zoet.

     Snaren bij de rivier waar

     De wilgen hebben vaste voet.

     Er is muziek langs de rivier

     Want Liefde wandelt daar

     Lichte bloemen op zijn mantel

     Donkere bladeren in zijn haar.

   Iedereen speelt zachtjes

   Met het hoofd naar de muziek

   Alle vingers strelen snaren

   Vol vervoering de mimiek.




II

     De schemer gaat van amethist

     Naar diep en dieper blauw,

     Een bleek-groen schijnsel vormt een mist

     De bomen krijgen dauw.

   

     De oude piano zingt een lied,

     Vol rust en vredigheid,

     Ze buigt over het geel ivoor,

     Haar hoofd heel licht geneigd.

     Verlegenheid, een blik vol ernst

     En handen luisterend

     De schemer wordt een donker blauw

     Met glans van amethist.




III

     Op dat uur wanneer alles tot rust komt,

     O, eenzame hemelwachter,

     Hoor je dan de nachtelijke wind

     En het zuchten van harpen voor Liefde,

     Dat ze de bleke dageraad open legt?

    Waar alles rust, ontwaak jij dan

    Bij harpmuziek voor Liefde op zijn weg?

    De nacht antwoordt in wisselzang

    Tot de duisternis verdwijnt.

   

    

    Speel door voor Liefde, harpen ongezien,

    Zijn hemels pad licht op,

    Wanneer zacht licht verschijnt en gaat,

    Zachte, zoete muziek in de hemel hoog

    En op aarde hier bij ons.

  




IV

     Wanneer de tedere ster zijn pad vervolgt,

     Als een meisje zonder troost,

     Dan hoor je zelfs in je diepe slaap

     Iemand zingen aan je deur.

     Zijn lied is zachter dan de dauw.

     Hij komt bij je op bezoek.

     O, keer niet terug naar je dromen

     Wanneer hij je bij avond roept.

     Denk niet : wie kan deze zanger zijn

     Wiens lied mijn hart ontroert?

                               Weet van dit lied vol liefde:

                               Ik ben wie jou bezoekt.




V

    Leun uit het raam,

    jij met je gouden haar,

    Ik hoor je zingen

    Een vrolijk lied.

  

   

Dicht was mijn boek,

Ik las niet meer

Maar zag een dans van vuur

Op de vloer.

Mijn boek liet ik achter

Liet achter mijn huis

Want ik hoorde jou zingen

Door de somberheid heen.

Zing maar en zing maar,

Dat vrolijke lied

Leun uit het raam

Met je gouden haar.




VI

Ik wilde me wel vleien aan die borst

   (hoe zoet en zacht is die)

   Waar de stormwind me niet vindt.

Om al die wrange droefheid

   Wilde ik me wel vleien aan die borst.

Ik wilde me wel vleien aan dat hart

   (hoe zacht klop ik met mijn wens)

   Waar ik alleen maar vrede vind.

   Alle droefheid zou verzoet worden,

   Kon ik me maar vleien aan dat hart.




VII

    Mijn lief gaat in een licht gewaad

    tussen de appelbomen,

    Waar de dolle winden het liefst

    Hun gezelschap zoeken.

    Daar, waar de dolle winden

    De jonge blaadjes het hof maken,

    Gaat mijn lief langzaam en buigt zich

    Naar haar schaduw op het gras.

    Daar, waar de hemel is als een blauwe kom

    Over het lachend land,

    Gaat mijn lief lichtvoetig en houdt

    Bevallig haar kleed op.



VIII

     Wie gaat daar door het groene woud

     Om haar met lentetijd te tooien?

     Wie gaat door het vrolijke groene woud

     Om het nog vrolijker te maken?

      Wie gaat daar in het zonlicht

      Over paden die haar lichte tred kennen?

      Wie gaat daar in het zoete zonlicht

      Met maagdelijke blik?

      De paden van het woud glanzen

      Met een zacht gouden vuur.

      Voor wie heeft het zonnige woud zich

      Zo heerlijk uitgedost?

      O, het is voor mijn ware geliefde,

      Daarom dragen de wouden hun

      Schitterende tooi.

      O, het is voor mijn ware geliefde,

      Die o jong is en zo mooi.

IX

     Meiwinden, jullie die dansen op zee,

     En zingend een rondedans maken,

     Van golf naar golf, terwijl

     Boven jullie het schuim opvliegt

     In zilveren bogen, overspannend de lucht,

     Hebben jullie mijn geliefde ergens gezien?

     Jammer maar helaas

     Voor de Meiwinden!

     Liefde is ongelukkig waar liefde ontbreekt.


X

Met stralende kap en linten

Zingt hij daar beneden

Kom, volg me, kom, volg me,

Allen die verliefd zijn.

Laat de dromers hun dromen

Met fladderende linten

Zingt hij des te luider

Vlakbij zijn schouder

Zoemen bijen in koor.

De tijd van dromen dromen is voorbij –

Als lief tot lief : lieveling, ik kom.




XI

Zeg adieu, adieu, adieu

Zeg je meisjesdagen vaarwel

Liefde vol geluk komt je verleiden

Met je meisjesdingen.

De gordel die je zo goed staat

Het lint door je blonde haar.

Wanneer zijn naam weerklinkt

Uit de trompetten van de cherubim

Begin dan maar zachtjes je borstjes

Voor hem te ontkleden

En verwijder zacht het lint

Het teken van je maagdelijkheid.




XII

     Wat voor gedachte heeft de beloken maan

     In je hart gelegd, mijn bange meisje,

     Van liefde in de volle maan van ooit

     Glorie en sterren onder zijn voeten –

     Een sage die volop verwant is

     Met Capuccino, die komiek?

     Geloof me maar dat ik wijselijk

     Het goddelijke minacht.

     Een glans straalt in die ogen

     trillend tot het licht van de sterren.

     Van mij, O, van mij!

     Geen tranen meer in maan of mist

     Voor jou, zoete sentimentalist.




XIII

Ga erop uit om haar hoofs te zoeken

En zeg dat ik kom,

Wind van kruiden die altijd een

Epithalamium zingt.

O haast je over het donkere land

En rep je over de zee

Want zeeën en landen zullen ons niet scheiden,

Mijn lief en mij.

Ga nu, o wind en doe mij wel,

Ik vraag je nu te gaan.

Ga dan haar kleine tuin binnen

En zing bij haar raam.

Dat zingen is als een opbollende bruidssluier

Liefde bereikt haar top.

En straks zal je ware liefde bij je zijn,

Straks, ja, straks.

    

XIV

Mijn duifje, mijn schoonheid,

Sta op, sta op!

De nachtdauw ligt

Op mijn lippen en ogen.

De geurige winden weven

een muziek van zuchten.

Sta op, mijn duifje, sta op, mijn schoonheid.

Ik wacht bij de cederboom,

Mijn zuster, mijn lief,

Blanke duivenborst,

Mijn borst zal je bed zijn.

Bleek ligt de dauw als een

Sluier over mijn hoofd.

o. lieveling, o, schat,

sta op, sta op!

Sta op, sta op!

,

    



XV

Sta op, mijn ziel, uit dromen van dauw

                         Uit de diepe sluimering van liefde en van dood,

Want, kijk, de bomen zijn vol van zuchten

Waarvan de bladeren de morgen aankondigen.

Heel zachtjes dringt de dageraad door

Waar vuur oplicht met zachte schittering

Zodat al die sluiers van grijs en goud

In siddering tot leven komen.

En zoetjes, zachtjes, onverhoeds

Worden de ochtendklokken

                          in de bloemen tot klinken gebracht.

                          En feeënkoren laten zich horen

                          Hun wijze stemmen zonder tal.




XVI

     O, daar in het koele dal

     Laten we , mijn lief, daarheen gaan,

     Want menig koor zingt er,

     Waar ooit Liefde vertoefde.

     Hoor je niet het ruisen dat ons

     Van hier weg roept?

     Daar in het koele dal, zullen we

     Blijven, vol van geluk.




XVII

     Omdat jouw stem aan mijn zijde was

     Deed ik hem pijn.

     Omdat ik in mijn hand

     De jouwe hield.

     Er is geen enkel woord, geen enkel teken

     Dat het goed kan maken.

     Hij die mijn vriend was,

     Is nu een vreemdeling voor me.



XVIII

     O, lieveling, hoor naar

     De woorden van je minnaar.

     Een man krijgt verdriet

     Wanneer vrienden hem afvallen.

     Dan zal hij beseffen

     De ontrouw van zijn vrienden

     Een beetje as

     Daar komen hun woorden op neer.

     Maar één zal zachtjes, zachtjes,

     Hem naderen en verleiden

     Tot de tuin der liefde.

    Zijn hand ligt onder haar

    Zachte ronde borst.

    Na zijn verdriet komt hij tot rust.

                              


XIX

Wees niet verdrietig omdat alle mannen

Jou luidkeels willen beliegen:

Lieveling, keer weer terug naar vrede,

Kunnen zij jou onteren?

Ze zijn droever dan alle tranen

Hun levens gaan op als een zucht zonder eind.

Beantwoord trots hun tranen

Wanneer ze ontkennen, ontkennen.




XX

                         In het donkere pijnboomwoud

Zou ik met jou willen liggen

Diep verscholen onder koele schaduw

Midden op de dag.

Wat heerlijk daar te liggen

Wat heerlijk daar te kussen

Waar het grote pijnboomwoud

Ons omringt.

    

Jouw kus daalt op me neer

Vol zoetheid

met een zacht tumult van jouw haar.   

O, lieveling, kom met me

Naar het pijnboomwoud

Midden op de dag.

Kom met me mee.




XXI

                          Hij die zijn glorie is kwijtgeraakt

En geen ziel als metgezel heeft gevonden

Hij die te midden van vijandelijke wrok

Vast houdt aan oude adeldom

Die hoge vriendeloze ene,

Zijn liefde is zijn metgezel.




XXII

Om die zo zoete gevangenschap

Is mijn ziel, liefste, verblijd.

Zachte armen vol verleiding

Laten me toegeven en afhouden.

Ach, konden ze me daar maar vasthouden,

Wat een gelukkige gevangene zou ik zijn!

Mijn liefste, door ineengestrengelde armen

Door liefde tot siddering gebracht

Die nacht trekt me aan waar

Geen alarm ons stoort.

Laat slaap opgaan in dieper slaap

Waar ziel aan ziel gevangen ligt.




XXIII

                         Dit hart dat fladdert bij mijn hart

Is mijn hoop en al mijn rijkdom,

Ongelukkig wanneer we gescheiden zijn

En gelukkig tussen kus en kus:

Mijn hoop en al mijn rijkdom, ja!

Al mijn geluk.

Want daar legde ik, zoals winterkoninkjes met

In hun bemoste nest een keur aan schatten,

Daar legde ik die schatten, mijn bezit,

Voordat mijn ogen hadden leren huilen.

Waarom niet even wijs te zijn als zij

Ook al duurt hun liefde maar één dag?




XXIV

Stilletjes kamt zij, kamt zij

Haar lange haar

Stilletjes en bevallig

Zij met haar lieve trekjes.

De zon is in de wilgenbladeren

En op het gespikkelde gras,

En nog steeds kamt zij haar lange haar

Voor het spiegelend glas.

Dit vraag ik je, houd op met kammen

Met uitkammen van je lange haren,

Want ik hoorde van hekserij

Onder een dekmantel van charme.

Of hij nu blijft of van hier gaat,

Dit maakt de minnaar niet uit

Vol schoonheid met veel aardige trekjes

En heel wat ongedwongenheid.




XXV

    Kom en ga, licht,op je tenen

    Ook al voorvoelt je hart iets,

    Diepe dalen en een vale zon.

    Bergnimf, laat je lach schallen

    Tot de brutale bergwind

    Al je haarlokken doet trillen.

   

                          Licht, nog lichter – steeds maar weer

Wolken die de diepe dalen inpakken

Op het uur van de avondster

Zijn getuigen van het laagste allooi.

Liefde en lach verknocht aan zang

Wanneer het hart het het zwaarst heeft.




XXVI

                         Lieve vrouwe, u leende aan de schelp

                          van de nacht een oor vol voorgevoel,

                          in die zachte stemmen van genot.

                          Welk geluid heeft uw hart beangstigd?

Leek het op rivieren, stromend

Uit de grijze vlakten van het noorden?

Die gedachten van u zijn die van hem

Wanneer u die goed in u opneemt

Die ons een verhaal vol waanzin opdist

Op het uur van geesten, vol bezwering.

En voor een vreemde naam

Las hij in Purchas of in Holinshed.




XXVII

   Hoewel ik je Mithridates was

   Uitgerust om de giftige pijl te trotseren,

   toch moet je me onverhoeds opsluiten

                              om de vervoering van je hart te ervaren,

                              mij rest   slechts overgave en het

getuigen van de ondeugd van jouw tederheid.

                          Voor een elegante en antieke frase,

Lieveling, maak ik mijn al te wijze lippen vochtig.

Ik heb nooit een liefde gekend waarover

Onze dichters plechtig de loftrompet steken.   

Noch een liefde waar ooit zo weinig

Onoprechtheid gespeeld heeft.

   




XXVIII

     O geliefde, zing geen trieste liederen

     Over het einde van de liefde,

     Maar leg droefheid terzijde

     En bezing hoe voorbijgaande

     liefde voldoende is.

Zing over de lange diepe slaap

Van minnaars die dood zijn, en hoe

In het graf elke liefde slapen zal.

Liefde is nu het leven moe.



XXIX

   Lief hart, waarom bejegen je me zo?

   Lieve ogen die me zachtjes verwijten maken,

   Toch ben je mooi – maar o,

   Hoe is je schoonheid ingekleed!

,

     Door de heldere spiegel van je ogen

     Door de zachte zucht van kus tot kus,

     Verlaten winden vallen krijsend

     De beschaduwde tuin aan

     Waar liefde is.

En spoedig is de liefde voorbij,

Wanneer over ons de wilde winden blazen

Maar jij, mijn liefste, zo lief voor mij,

Helaas, waarom bejegen je me zo?




XXX

                         In ver vervlogen tijd kwam de liefde tot ons,

Toen de één verlegen speelde in de schemering

En de ander in angst erbij stond –

Want liefde is eerst louter angst.

We waren serieuze minnaars, de liefde is voorbij

Die heel wat zoete uren behelsde,

Welkom bij ons nu op het laatst

De wegen die we moeten gaan.




XXXI

O, het was buiten bij Donnycamey

Toen een vleermuis vloog van boom naar boom.

Mijn lieveling en ik wandelden samen

En zoet waren de woorden die ze tot me zei.

Samen met ons ging de zomerwind

Ruisend verder – o, wat een geluk! –

Maar zachter dan de zomerbries

Was de kus die ze me gaf.



XXXII

Er is regen gevallen, de hele dag,

O, kom tussen de beladen bomen,

De bladeren liggen dik op de

Weg van de herinneringen.

Even wachten bij de weg

Van de herinneringen, dan vertrekken we.

Kom, geliefde, waar ik tot je hart

Kan spreken.




XXXIII

                         Nu, ja nu, in dit bruine land

Waar Liefde zo zoete muziek maakte

Zullen wij tweeën dwalen, hand in hand,

Verdraagzaam om onze oude vriendschap,

Geen wrok omdat onze liefde fijn was

Die nu op deze manier is geëindigd.

Een schurk in rood en geel

Klopt, klopt aan de boom.

En rondom onze eenzaamheid

Fluit de wind een vrolijk wijsje.

De bladeren – zij slaken geen zucht

Wanneer het jaar ze meesleurt in zijn val.

Nu, juist nu horen we niet meer

De villanelle en de rondedans!

Toch zullen we elkaar kussen, lieveling,

Voor we verdrietig afscheid nemen in de avond.

Treur niet, mijn lieveling om iets

Dat het jaar, het jaar verzamelt.




XXXIV

Slaap nu maar, slaap maar

Jij onrustig hart!

Een stem met de kreet ‘Slaap maar’,

Is gehoord in mijn hart.

De stem van de winter

Wordt gehoord aan de deur.

O slaap, de winter schreeuwt het uit :

‘slaap niet meer’.

Mijn kus geeft nu vrede

En rust in je hart –

Slaap nu in vrede,

Jij ongerust hart!




XXXV

Voortdurend hoor ik het geluid

Van water dat kreunt.

Bedroefd als de zeevogel die er

Alleen op uit gaat,

Hij hoort de kreet van de winden

over het water, monotoon.

De grijze, winden, de koude winden,

Blazen waar ik maar ga.

Ik hoor het geluid van vele wateren

Ver weg.

Dag en nacht hoor ik ze voorbij zweven,

                          Heen en weer.


XXXVI

                         Ik hoor een leger in de aanval op het land,

En de donder van paarden met

Schuim om de knieën.

Arrogant, in zwarte wapenrusting, achter hen

Staan de wagenmenners, zonder teugels,

Met trillende zweep,

Ze schreeuwen hun strijdkreet de nacht in.

Ik mijn slaap kreun ik wanneer ik

In de verte hun rondrazend gelach hoor.

Ze klieven de mist van de dromen,

Een verblindende vlam,

Beukend, beukend op het hart

als op een aambeeld.

Daar komen ze, hun lang groene haren

Schuddend in triomf

    

Ze komen uit zee en rennen schreeuwend

Over de kust. Mijn hart, heb je geen wijsheid

Om zo in wanhoop te raken?

Mijn lieveling, mijn liefde, mijn schat,

Waarom heb je me alleen gelaten?

Nissewaard, 23 juli 2018