***











 

www.resantiquae.nl

Wackenroder

WILHELM HEINRICH WACKENRODER

http://nl.wikipedia.org/wiki/Wilhelm_Heinrich_Wackenroder


Als enige zoon van een Berlijns jurist was Wackenroder (1773-1798) voorbestemd voor een juridische loopbaan. Naast het daarvoor noodzakelijke onderwijs op het gymnasium volgde hij muziekonderwijs en was hij bekend met de componist en muziekcriticus Johann Friedrich Reichardt. Nog tijdens zijn schooltijd sloot hij vriendschap met Ludwig Tieck en luisterde hij naar colleges van Karl Philipp Moritz aan de universiteit van Berlijn.  Wilhelm bereidde zich in 1792 thuis bijna een jaar lang voor op zijn rechtenstudie om zijn vader een plezier te doen.  In deze tijd begon hij een briefwisseling met Tieck waarin beiden gedachten uitwisselden over literatuur en muziek.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Ludwig_Tieck




Tieck begeleidde Wackenroder bij zijn studie aan de universiteit van Erlangen. Gedurende het ene semester daar ondernamen ze verschillende uitstapjes in de omgeving die ze in brieven documenteerden.  Het contact met de natuur en de middeleeuwse sfeer in Bamberg en Neurenberg bracht hen op formuleringen die hun specifieke kunstprogramma  vorm gaven. Nog eens twee semesters studeerden beiden in Göttingen waarbij naast rechten ook oudere literatuur en kunstgeschiedenis hun belangstelling hadden. Uiteindelijk ging Wackenroder in Berlijn als jurist aan het werk, maar wisselde de jaren daarop meermalen van positie. Hij  hield  zich van nu af aan intensiever met muziek bezig, mede dankzij zijn vriendschap met de componist Karl Friedrich Zelter en de literair-muzikale kring rondom Tieck. In 1796 publiceerde deze anoniem Wackenroders essays over kunst onder de titel Herzensergiessungen eines kunstliebenden Klosterbruders. Een fictieve raamvertelling verbindt  verschillende opstellen, waarin een fictieve kloosterbroeder als auteur wordt opgevoerd. Deze vertelt in een novelle over het mislukte leven van de al even fictieve Joseph Berglinger, een amateur-musicus. Hij zou dan de schrijver zijn van Das eingentümliche innere Wesen der Tonkunst.  In het fictieve kader gaat het daarbij om een van zijn ‘muzikale opstellen’ die in 1799 als tweede deel van de Phantasien über die Kunst, für Freunde der Kunst verschenen.  Wackenroder was al in 1798 gestorven, zodat Tieck de Phantasien uitgaf met enkele eigen teksten daaraan toegevoegd. Het staat overigens vast, dat Das eigentümliche innere Wesen der Tonkunst door Wackenroder is geschreven.

 

Hoewel de tekst aan de fictieve auteur Berglinger wordt toegeschreven, laat hij zich net als de andere teksten van dit boek als onderdeel van de muziekesthetiek van Wackenroder lezen. Daarin wordt gerealiseerd, wat Friedrich Schlegel van de esthetiek had gevraagd : “ Een oordeel over kunst  dat zelf niet een kunstwerk is, heeft totaal geen burgerrecht in het rijk van de kunst”.  In zoverre is deze tekst zowel als literatuur, als fictioneel betoog van een fictieve figuur, maar ook als esthetische tekst zonder meer te lezen.  Het gaat daarbij niet om een introductie in de compositietheorie en ook niet om een in zichzelf afgesloten kunstsysteem. Veel meer behandelen de essays op excentrieke manier het effect van muziek op de luisteraar die moet worden ontroerd zonder daarbij intellectueel wijzer te worden, maar “ luchtige fantasieën te beleven die de tonen als wisselende schaduwen door onze verbeelding jagen”.

Over het ontstaan van deze muziek wordt in quasi-mystieke termen gesproken. Ze wordt door componisten geschreven die beschikken over een ‘droog wetenschappelijk getalsysteem’ en dit gebruiken als de ‘vreemde, magische bezweringsformules van een oude angstaanjagende tovenaar’.  De door deze muziek opgewekte gevoelens  worden tot ‘totaal nieuwe,  betoverende geesten van het gevoel’.  De instrumentale muziek spreekt in haar woordeloze tonentaal het duidelijkst tot de gevoelens. ‘Toonkunst is een vruchtbare en vormende machine om menselijke gevoelens af te  schilderen’. Daarbij hoort een religieus aspect dat haar in staat stelt de enthousiaste toehoorder ‘uit dit smartelijke aardse streven naar woorden te bevrijden’.  Deze essays wijzen daarmee aan de romantische muziek de weg naar de kunstreligie. Deze wordt onder andere in de teksten van E.T.A. Hoffmann en in het denken van Hanslick verder ontwikkeld.

***

DAS EIGENTÜMLICHE  INNERE WESEN DER TONKUNST UND DIE SEELENLEHRE DER HEUTIGEN INSTRUMENTALMUZIEK

Klank en toon waren oorspronkelijk een ruw materiaal waarin de wilde volkeren hun gevoelens die geen  vaste contouren hadden,  wilden uitdrukken. Wanneer hun binnenste geschokt was, brachten ze de hen omgevende lucht aan het trillen met schreeuwen en slaan op trommels. Het leek erop, dat ze hiermee de wereld van buiten in evenwicht wilden brengen met hun innerlijke gemoedsbewegingen. Nadat evenwel de onophoudelijk scheppende natuur de oorspronkelijk samengebalde krachten van de menselijke ziel in een proces van vele eeuwen uiteengedreven had tot een uitgebreid weefsel van telkens fijnere twijgen, zo is in de recente tijd ook uit tonen een  kunstig systeem gevormd en zo is ook op dit terrein, net als bij de kunsten van vormen en kleuren,  een zintuigelijk waarneembare weergave  van de fraaie verfijning en harmonische volmaaktheid van de huidige menselijke geest tot stand gebracht.  De eenkleurige lichtstraal van de klank is in een bundel fonkelend vuurwerk uiteengespat waarin alle kleuren van de regenboog oplichten. Dit kon niet anders gebeuren dan dat eerder verschillende wijze mannen  neerdaalden in de orakelgrotten van de meest verborgen wetenschap, waar de alvoedende natuur zelf hun de oerwetten van de toon onthulde.  Uit deze geheimzinnige diepten brachten ze de nieuwe leer tevoorschijn, geschreven met diepzinnige tekens, en brachten daarna een diepdoordachte ordening van   een veelvoud van afzonderlijke tonen tot stand die de rijke bron vormt waaruit de meesters de vele toonsoorten schiepen.

De kracht die de toon van oorsprong af aan op onze zintuigen uitoefent, is door dit geleerde systeem ontwikkeld tot een rijkgeschakeerde diversiteit. Het duistere en onbeschrijfelijke dat in de werking van de toon verborgen ligt en bij geen andere kunst is te vinden, heeft door het systeem een wonderlijke betekenis gekregen.  Er heeft zich tussen de afzonderlijke mathematische toonverhoudingen en de afzonderlijke vezels van het menselijke hart een onverklaarbare sympathie geopenbaard, waardoor de toonkunst is geworden tot een vruchtbare machine om menselijke gevoelens te schilderen. Zo heeft zich de bijzondere aard  van de huidige muziek ontwikkeld  die in haar actuele volmaaktheid de jongste onder alle kunsten vormt. Geen andere kunst kan deze eigenschappen van diepzinnigheid, van zintuigelijke kracht en duistere, fantastische welsprekendheid op een zo raadselachtige manier versmelten.   Deze merkwaardige nauwe verbinding van schijnbaar zo tegengestelde eigenschappen maakt het totaal uit van haar voortreffelijkheid hoewel die ook veel bizarre verwarring in de uitoefening van deze kunst en het genieten daarvan heeft veroorzaakt en een dwaze strijd onder mensen die elkaar nooit zullen begrijpen.

De wetenschappelijke diepzinnigheden van de muziek hebben heel wat van die speculatieve geesten aangetrokken die in al hun daden streng en scherp zijn en schoonheid niet uit oprechte, zuivere liefde om zichzelf opzoeken, maar het alleen maar vanwege het toeval waarderen dat men daaraan bijzondere en zeldzame krachten kan ontwikkelen. In plaats van schoonheid op alle wegen waar zij zich vol vriendelijkheid aan ons manifesteert, als een vriend welkom te heten, beschouwen ze hun kunst veeleer als een gevaarlijke vijand en proberen haar te midden van de grootste gevaren te bestrijden en triomferen dan over hun eigen kracht. Door deze geleerde mannen is de inwendige machinerie van de muziek als een ingenieus weefgetouw voor bewerkelijke producten tot een verbazingwekkende volmaaktheid gebracht. Haar afzonderlijke kunstwerken zijn vaak als niets anders te beoordelen dan voortreffelijke anatomische studies en moeilijke academische houdingen  in de schilderkunst.

Het biedt een treurige aanblik, wanneer dit vruchtbare talent zomaar terecht komt in een onbeholpen en gevoelsarm gemoed. In een vreemde borst smachten dan fantasie en gevoel, die zich niet in tonen kunnen uiten,  naar vereniging – terwijl de schepping die alles wil uitputten, met zulke  pijnlijke spelingen van de natuur niet ongaarne weemoedig stemmende pogingen schijnt te wagen.

Geen andere kunst heeft een grondstof die op zich al bezwangerd is van een zo hemelse geest, als de muziek. Haar klinkende stof komt met zijn geordende rijkdom van akkoorden de vormende handen tegemoet en spreekt al mooie gevoelens uit, ook wanneer we hem op lichte en oppervlakkige wijze aanraken. Zo komt het, dat heel wat composities waarvan de tonen door hun meesters zijn bijeengeplaatst als getallen bij een berekening of steentjes bij een mozaiek, volgens de regels, maar wel zinrijk en op een gelukkig ogenblik - , wanneer ze op instrumenten worden uitgevoerd een heerlijke gevoelvolle poëzie uitspreken hoewel de meester er weinig aan gedacht heeft, dat in zijn geleerde arbeid het in het tonenrijk betoverde genie zo heerlijk zijn vleugels zou uitslaan voor ingewijde harten.

Daartegenover  gaan andere geesten, niet zonder kennis, maar onder een ongelukkig gesternte geboren en inwendig hard en onbeweeglijk,  bruut met de tonen om, trekken ze weg  uit hun specifieke plaatsen zodat men in hun werken alleen maar kreten ontwaren kan, waarmee het gemartelde genie zijn smartelijke klachten uitstoot.

Wanneer echter de natuur de gescheiden kunstzielen in één omhulsel verenigt, wanneer het gevoel van de toehoorder nog gloeiender in het hart van de hooggeleerde kunstmeester oplaait en hij de diepzinnige wetenschap in deze vlammen  doet smelten, dan komt een onnoemelijk kostbaar werk tevoorschijn,  waarin gevoel en wetenschap zo vast en onscheidbaar met elkaar verbonden zijn, als in een stuk emailleerwerk steen en kleuren zijn vermengd. Er valt niet te praten over diegenen die de muziek en alle andere kunsten slechts als instanties beschouwen om aan hun nuchtere en grove organen de nodige zintuigelijke voeding te verschaffen – omdat  toch de zintuigelijkheid als de krachtigste, indringendste en meest menselijke taal te beschouwen is waarin het edele, voorname en schone tot ons kan spreken, - er valt niet te praten over deze onvruchtbare zielen. Ze zouden, als ze dat konden, de diepgewortelde, onveranderlijke heiligheid die deze kunst boven alle andere eigen is, moeten vereren, zodat  in haar werken de onaantastbare orakelwet van het systeem, de oorspronkelijke glans van de drieklank, ook niet door de meest verwerpelijke handen kan worden verdelgd en bevlekt. Zo heeft ze helemaal niet het vermogen het verwerpelijke, alledaagse en onedele van het menselijk gemoed uit te drukken, maar kan zelf niet meer dan ruwe en schelle melodieën voortbrengen waaraan de zich vasthechtende aardse gedachten pas het alledaagse moeten verlenen.

Wanneer de intellectuelen zich afvragen, waar eigenlijk het middelpunt van deze kunst valt te ontdekken, waar haar eigenlijke zin en ziel verborgen ligt die al haar uiteenlopende verschijningen bijeenhoudt, - dan kan ik het hun niet uitleggen of bewijzen.  Wie datgene wat zich alleen maar van binnen uit laat voelen, met de wichelroede van het onderzoekende verstand wil ontdekken, die zal tot in eeuwigheid alleen maar gedachten over gevoel ontdekken en niet het gevoel zelf. Er ligt een eeuwige en onoverwinnelijke kloof tussen het voelende hart en de onderzoekingen van de geleerde. Dat voelende hart is een zelfstandig, geïsoleerd goddelijk wezen, dat door het verstand niet kan worden blootgelegd en geanalyseerd. Zoals elk afzonderlijke kunstwerk slechts door hetzelfde gevoel kan worden begrepen waarmee het voortgebracht is, zo kan ook het gevoel als zodanig alleen maar door gevoel worden begrepen, precies zoals volgens de schilderstheorie elke afzonderlijke kleur haar ware wezen alleen maar te kennen geeft wanneer ze door een  gelijkkleurig licht wordt beschenen.

Wie de mooiste en goddelijkste dingen in het rijk van de geest met zijn waarom en zijn eeuwig onderzoek naar doel en oorzaak ondergraaft, die bekommert zich eigenlijk niet om de schoonheid en de goddelijkheid van de dingen zelf, maar om de begrippen als de grenzen en  omhulsels van de dingen waarmee hij zijn algebra invult. Wie echter, om het scherp te stellen, van kindsheid af aan door de neiging van zijn hart lijnrecht door de zee van gedachten als een onverschrokkken zwemmer afschiet  op het toverkasteel van de kunst, die slaat de gedachten als storende golven moedig van zijn borst en dringt binnen in het binnenste heiligdom, zich overweldigend bewust van de geheimenissen die op hem afstormen. Zo verstout ik me vanuit mijn binnenste de ware zin van de toonkunst uit te spreken, en zeg :

Wanneer al de innerlijke trillingen van ons hart, de sidderende van de vreugde, de stormachtige van de verbijstering, de versnelde pols van verterende aanbidding, - wanneer zij allemaal de taal van de woorden als het graf van de innerlijke hartestrijd met één kreet opblazen, dan treden  ze in geopenbaarde schoonheid onder vreemde hemel in de trillingen van edele harpsnaren tevoorschijn als in een leven aan gene zijde en als engelen vieren ze hun opstanding.

Uit honderden composities spreekt vrolijkheid en plezier maar in elk ervan zingt een ander genie en van iedere melodie trillen weer andere deeltjes ons hart tegemoet. Wat willen zij, de slome en twijfelende  intellectuelen die verlangen,  dat elk van die honderden composities in woorden wordt verklaard en zich er niet in kunnen vinden dat niet elke compositie een uitgesproken betekenis heeft zoals een schilderij? Doen ze hun best om de rijkere taal af te meten naar de armere en in woorden datgene op te lossen dat woorden veracht? Of hebben ze nooit zonder woorden gevoelens gehad? Hebben ze hun holle hart alleen maar met beschrijvingen van gevoelens gevuld? Hebben ze in hun binnenste nooit het stomme zingen waargenomen, de maskerdans van de onzichtbare geesten? Of geloven ze niet aan sprookjes? –

Een voortstromende rivier moet me als beeld dienen. Geen menselijke kunst kan het stromen van een wijdvertakte rivier met al die duizend afzonderlijke gladde en gebogen, neerstortende en schuimende golven met woorden  schetsen voor het oog. Taal kan de veranderingen maar heel gebrekkig tellen en benoemen, maar niet de onderlinge verbonden veranderingen van de druppels zichtbaar maken.  Zo staat het ook met de geheimzinnige stroom in de diepte van het menselijk  gemoed. Taal telt en benoemt en beschrijft zijn veranderingen in vreemde stof.  De toonkunst stroomt hem voor ons voor. Ze grijpt hartstochtelijk  in de mysterieuze harp en slaat in een bepaalde volgorde  in de duistere wereld bepaalde donkere wondertekens aan, - en de snaren van ons hart komen tot klinken, we verstaan haar klank.

In de spiegel van de tonen  leert het menselijke hart zichzelf kennen, zij zijn het waardoor we het gevoel leren voelen, ze geven vele in verborgen hoeken van het gemoed dromende geesten een levend  bewustzijn en verrijken met totaal nieuwe betoverende geesten  ons inwendig gevoel.

Al die klinkende affecten worden door het droge wetenschappelijke tekensysteem gestuurd als door vreemde betoverende bezweringsformules van een oude vreeswekkende tovenaar. Het systeem brengt op merkwaardige wijze veel wonderlijk nieuwe veranderingen in gevoelens tot stand, waarbij de geest verbaasd is over zijn eigen wezen, - zoals de taal van de woorden soms vanaf de uitdrukkingen en tekens van de gedachten nieuwe gedachten terug straalt en de dans van het verstand in haar bewegingen stuurt en beheerst. Geen kunst schildert op zo’n kunstige, gedurfde, zo’n dichterlijke en juist daarom voor kille geesten zo geforceerde manier. Het verdichten van de in het werkelijke leven doelloos ronddwalende gevoelens in een diversiteit van vaste massa’s, is het wezen van alle literatuur; ze ontleedt een eenheid, en maakt het afzonderlijke tot één,   en hogere, onstuimiger golven slaan binnen de nauwere, scherpere grenzen. Waar zijn de grenzen  scherper en waar gaan de golven hoger dan in de toonkunst?       

In deze golven stroomt echter eigenlijk alleen maar het zuivere, ongevormde wezen,  richting en kleur  en voornamelijk ook de duizendvoudige overgang van de gevoelens;    de transcendente, zuivere kunst  weet in haar onschuld noch van de oorsprong noch van het doel van haar streven , en heeft geen besef van de samenhang van haar gevoelens met de werkelijke wereld.

Toch prikkelt ze bij al haar onschuld door de machtige toverkracht op de zintuigen alle wonderlijke,  krioelende massa’s van de fantasie     die de tonen met magische beelden bevolken en het ongevormde streven veranderen in bepaalde gestalten van menselijke affecten die als tuimelende beelden van een kaleidoscoop aan onze  zintuigen voorbij trekken.

Daar zien we de huppelende, dansende, kortademige vrolijkheid die elke kleine druppel van haar bestaan tot een geheel van vreugde vormt.

De zachte, rotsvaste tevredenheid die haar gehele bestaan afleidt uit een harmonische, beperkte blik op  de wereld en haar vrome overtuigingen op alle situaties van het leven aanwendt, nooit een beweging verandert en alle ruwheid gladschuurt en bij alle overgangen de kleur verdrijft.

De mannelijke, juichende vreugde die nu eens  het gehele labyrint van de tonen  in vele richtingen doorloopt en als het pulserende bloed warm en snel door de aderen stroomt, dan weer zich met edele trots in vliegende vaart  als in triomf tot hemelse hoogten opstijgt.

Het zoete, hartstochtelijke smachten van de liefde , het eeuwig wisselende aanzwellen en afnemen van de hartstocht , waar de ziel  zachtjes door naburige tonen sluipt en  plotseling met zachte moed opstijgt en weer    neerzinkt, - uit een onbevredigd streven zich met wellustige bitterheid met een ander verbindt en graag op zacht-smartelijke akkoorden uitrust, eeuwig naar haar einde  streeft en uiteindelijk dan ook in tranen oplost.     

De diepe smart die zich nu eens in ketenen voortsleept, dan weer met horten en stoten zuchten slaakt, zich uitstort in lange klachten, rond doolt in alle vormen van smart, zijn eigen leed vol eigenliefde etaleert en in de duistere wolken slechts zelden een zwak schijnsel van hoop ontwaart.

De moedwillige, ongebonden, vrolijke stemming die als een draaikolk is,  die alle serieuze gevoelens te niet doet en  in een vrolijke werveling met haar brokstukken speelt – of als een groteske demon die alle menselijke voornaamheid en alle menselijke smart door komische imitatie belachelijk maakt en rondbuitelend zichzelf naäapt – of als een onvast zwevende  luchtige geest die alle planten uit hun vaste aardse bodem rukt en in de oneindige lucht rondstrooit en de gehele aardbol zou willen laten vervluchtigen.

Maar wie kan ze allemaal tellen en benoemen, die luchtige fantasieën die de tonen als wisselende schaduwen door onze verbeelding jagen?

Ik kan het niet laten nog de laatste hoogste triomf van de instrumenten te prijzen. Ik bedoel die goddelijke grote symfonieën, door geïnspireerde geesten voortgebracht waarin niet één enkel afzonderlijk gevoel wordt geschilderd, maar een hele wereld, een heel drama van menselijke affecten uitgestroomd is. Ik wil in algemene woorden vertellen wat me voor ogen staat.

Met lichte speelse vreugde komt de klinkende ziel uit haar orakelgrot te voorschijn – als de onschuld van de kindheid die een dolle voordans des levens oefent, die zonder het te weten over de gehele wereld wegschertst en alleen maar teruglacht naar haar eigen innerlijke vrolijkheid. – Maar spoedig krijgen de beelden om haar heen een vaster bestand, ze toetst haar kracht op een sterker

gevoel, ze durft zich plotseling midden in de schuimende wateren te storten, glijdt  voort door alle hoogten  en diepten en rolt alle gevoelens met driest hart op en af. Maar o wee! Ze dringt brutaal door in wildere labyrinten, ze zoekt in onvoorstelbare overmoed de huiveringen van de waanzin op, de bittere folter van pijn, om de dorst van haar levenskracht te lessen, en met een klaroenstoot breken alle angsten van de wereld alle heerscharen van het ongeluk van alle kanten machtig als een wolkbreuk naar binnen en storten zich in vervormde gestalten  angstaanjagend machtig als een levend gebergte over elkaar heen.  Te midden van de maalstroom van de vertwijfeling wil de ziel zich moedig verheffen in trotse zaligheid – en wordt telkens door de vreselijke legers overweldigd. – Opeens breekt de doldrieste kracht, de schrikwekkende gestalten zijn verdwenen, de vroege, verre onschuld treedt in smartelijke herinnering als een gesluierd kind weemoedig huppelend naar voren en roept tevergeefs terug, de fantasie mengt veel beelden, verknipt als in een koortsdroom, door elkaar, - een paar zachte zuchten en dan springt de gehele luidtonende, vitale wereld als een schitterend luchtverschijnsel uiteen in het onzegbare niets.

Wanneer ik in duistere stilte nog lang met gespitste oren blijf zitten, dan is het me, alsof ik een droomgezicht had gehad van alle mogelijke menselijke affecten zoals ze zonder gedaante voor  eigen plezier een vreemde, bijna waanzinnige pantomimische dans uitvoeren, zoals ze met een benauwende  willekeur als de onbekende raadselachtige tovergodinnen van het lot schalks en ongehoorzaam door elkaar dansen.

Die waanzinnige willekeur waarmee in de ziel van de mens vreugde en smart, natuur en geforceerdheid,  onschuld en wildheid, scherts en huivering vrienden worden en elkaar de hand bieden: - welke kunst voert op haar toneel die zielemysteriën op met hun zo donkere, geheimzinnige en aangrijpende betekenis?

Ieder ogenblik wankelt ons hart bij dezelfde tonen in onzekerheid of  de klinkende ziel  onverstoorbaar alle ijdelheden van de wereld veracht en  met edele trots hemelwaarts streeft of dat  ze alle goden en de hemel veracht en in alle vrijmoedigheid alleen haar eigen aardse zaligheid nastreeft.   Deze misdadige onschuld, deze beklemmende tweeduidige donkerheid als van een orakel maakt de toonkunst eigenlijk tot een godheid voor menselijke harten. - -

Maar wat doe ik, dwaas, mijn best om woorden tot tonen om te smelten? Het is nog altijd niet, zoals ik het voel. Kom, gij tonen, kom hierheen en red me uit dit smartelijke aardse streven naar woorden, omwikkel me met jullie duizendvoudige stralen in jullie glanzende wolken en hef me op in de oude omarming van de alomvattende liefde van de hemel!