***











 

www.resantiquae.nl

W. A. Mozart


 







 






WOLFGANG AMADEUS MOZART (1756-1791)

 

BRIEVEN OVER MUZIEK  1770-1791

 

 

 

 

 

***

 

Aan zijn zuster Nannerl

 

Bologna 24 maart 1770

 

O, jij vlijtig Liesje! (Nannerl had voor Mozart kopieën gemaakt van enkele menuetten van Michael Haydn)


Omdat ik er lange tijd de kantjes van af liep, dacht ik, dat het niet slecht zou zijn, wanneer ik weer voor korte tijd  alle zeilen zou bijzetten. Op alle dagen waarop de Duitse brieven arriveren, smaakt het eten en drinken me veel beter. Ik vraag je me te schrijven wie er bij de oratoria (de regelmatige oratoria-uitvoeringen in Salzburg)  zingen en ook vraag ik je hierbij naar de titel van die oratoria.  Schrijf me ook hoe de menuetten van Haydn zijn bevallen. […]  Binnenkort stuur ik je een menuet dat de heer Prick op het toneel heeft gedanst en dat iedereen tijdens de feste di ballo in Milaan heeft gedanst. Je kunt eraan aflezen, hoe langzaam de mensen hier  dansen. Het menuet op zich is heel mooi. Het komt natuurlijk uit Wenen, en is vast van Teller  (~Florian Johann Deller, 1729-1773) of van Starzer (~Joseph Starzer (1726-1787)) .  Het heeft veel noten. Waarom? Omdat het een theatraal menuet is dat nu eenmaal langzamer gaat. De menuetten van Milaan en in het algemeen uit Italië hebben veel noten,  een langzaam tempo en veel maten. Het eerste deel heeft bijvoorbeeld 16 maten, het tweede 20 of 24.

 

In Parma leerden we een zangeres kennen die heel mooi zong in haar eigen woning, namelijk de beroemde Bastardella (~Lucrezia Agujari, 1743-1783) , die een mooie stem en  een galante keel heeft en een ongelofelijke hoogte kan halen.

 

***

Mozart aan zijn moeder

 

À madame Marie Anne Mozart à Salzbourg

 

Munchen  14 januari 1775

 

Godlof! Mijn opera (~ La Finta Gardiniera KV 196  http://www.youtube.com/watch?v=XAXYCp84Qno ) is gisteren de 13e  in première gegaan en daarbij  zo positief ontvangen, dat ik mama onmogelijk een indruk kan geven van het kabaal.  Om te beginnen was het hele thater zo afgeladen vol, dat veel mensen onverrichter zake naar huis moesten terugkeren. Na iedere aria  werd er  geapplaudisseerd,  een enorm  kabaal gemaakt en Viva Maestro ! geroepen. Hare Doorluchtige Hoogheid de Keurvorstin (~ Maria Anne Sophie)  en de weduwe (~Maria Antonia Walpurgis) die tegenover me zaten, zeiden eveneens bravo! Toen de opera was afgelopen heeft men in de tijd dat het stil wordt totdat het ballet  (~La nymphe parjure protégée par l ‘amour)begint,  niets dan geapplaudisseerd  en bravo geroepen.  Het hield dan eventjes  op, maar even later begon het weer. Ik ben met papa een kamer binnen gegaan waar de Keurvorst ( ~Maximilian III) en het hele hof door moeten, en ik heb de  Keurvorst en Keurvorstin en de andere hoogheden de hand gekust. […]  Komende vrijdag wordt de opera nogmaals gegeven en ik moet absoluut bij de Production aanwezig zijn, anders zou men ze niet meer kennen. Dat is hier wel vreemd.

 

[…]

 

***

 

Mozart aan zijn vader

 

München,  2 oktober 1777

 

Morgen eet ik bij moeder en dochter De Branca (waarschijnlijk vrouw en dochter van dr Johann Karl von Branca, lijfarts van de keurvorst)  die nu een halve scolarin van mij is. Siegl (een lokale pianoleraar) komt zelden en Beeché (~ Johann Baptist Becke (1743-1817), fluitist aan de hofkapel in München)  die  haar anders  met de fluit helpt, is hier niet. Bij graaf Salern speelde ik de afgelopen drie dagen veel uit mijn hoofd, , dan de twee Casationen voor de gravin (~ de zogenaamde Lodronische Nachtmusiken KV 247 en 287, voor gravin Antonia Lodron , 1776 en 1777) en de FinalMusique met het Rondeau  op het laatst (misschien de Haffnerserenade KV 250) , ook uit het hoofd. U kunt zich niet voorstellen, wat voor genoegen Graaf Salern er aan beleefde. Hij heeft gevoel voor deze muziek en zegt steeds ‘bravo’ waar andere Cavaliers op dat moment  een snuifje tabak nemen, hun  neus snuiten, hun keel schrapen of een discurs beginnen. Ik zei hem, dat ik wel zou wensen, dat de Keurvorst er bij zou zijn, dan kon hij er ook wat van horen. Hij weet nog niets over mij.  Hij weet niet wat ik kan.  De heren laten zich maar wat aanpraten zonder zelf op onderzoek te willen uitgaan. Dat is nu eenmaal altijd zo. Ik laat het op een test aankomen. Hij zou alle componisten van München bij elkaar moeten laten komen, hij kan ook enkele componisten van Italië, Frankrijk, Duitsland en Engeland beschrijven. Ik ben zelfverzekerd genoeg om met ieder van hen te schrijven. Ik vertelde hem over wat me in Italië ten deel gevallen is en ik vroeg hem om, wanneer er over mij werd gesproken, deze zaken aan de orde te stellen. Hij antwoordde me : “ Voor zover ik kan – maar zo erg veel invloed heb ik niet  - zal ik dat heel graag doen”.

 

Ik zou het contract met graaf Seau (~ Joseph Anton graf Seeau, sinda 1753 intendant van het Residenztheater) , alles op advies van mijn goede vrienden, zo opstellen :

Elk jaar vier Duitse opera’s , deels buffe deels serie. Van elk ervan had ik dan een sera of opbrengst voor mezelf; dat is daar zo gebruik. Dat alleen zou me al 500 fl in het laadje brengen, dat zou met mijn honorarium erbij  al minstens 800 fl zijn. De comediant Reiner  (~Felix Reiner (1732-1783) ving in zijn sera al 200 fl. Ik ben hier erg populair en hoe populair zou ik kunnen worden wanneer ik het Duitse nationale theater in de muziek  op een hoger niveau bracht? Dat zou door mij zeker kunnen gebeuren.  Toen ik het Duitse Singspiel hoorde, was ik enthousiast om te gaan componeren. De eerste zangeres heet Keiser (~Margarethe Keiser )  en is dochter van een kok van een  graaf hier. Een heel lief meisje en bevallig op het toneel. Ik heb haar nog niet van dichtbij gezien. Ze is hier geboren. Ik hoorde, dat het pas de derde keer was, dat ze als actrice optrad. Ze heeft een mooie stem, niet krachtig, maar ook niet zwak. Haar intonatie is uitmuntend, zeer zuiver. Haar leraar is Valesi (~Johann Baptist Wallishauser, 1735-1811) . Aan haar manier van zingen herkent men haar leraar, die even goed kan zingen als er les in kan geven. Wanneer ze een toon van een paar maten lengte zingt, valt het me op, hoe mooi ze het crescendo en decrescendo maakt. De trillers voert ze langzaam uit. Dat doet me veel plezier, want een triller wordt bij haar alleen maar zuiverder en helderder wanneer ze het tempo gaat verhogen. Snel gaan trillers trouwens gemakkelijker. De mensen hier beleven veel plezier aan haar, en ik met hen. Mama was in de parterre, ze ging al om half vijf om een goede plaats te krijgen. Ik ging pas om half zeven. Dan kan ik overal de loges binnen gaan.  Ik ben bekend genoeg. Ik was in de loge van de familie Branca. Ik tuurde met mijn toneelkijker naar het meisje Keiserin  en ik plengde meermalen een traan van ontroering en zei in mezelf : brava, bravissima. Ik dacht er steeds weer aan, dat ze pas voor de derde keer op de planken stond.  Het stuk heette Das Fischermädchen, op muziek van Piccini en in zeer  goede vertaling. Originele (Duitse) stukken hebben ze nog niet op repertoire. Men zou ook graag een Duitse Opera Seria willen geven, en men zou wensen dat ik die componeerde.  Ook  professor Huber  ( ~Klemens Huber,  acteur en dramaturg)  koestert die wens.

 

[…]

 

***

 

Vervolg  3 oktober 1777                                                                             


[…] 

Hierna at ik ten huize van de familie Branca. Geheimrat Von Branca was uitgenodigd bij de Franse gezant en dus niet thuis.  De vrouw is een Française en spreekt bijna geen Duits. Met haar heb ik voortdurend Frans gesproken en dat deed ik helemaal niet gek.  Ze zei me, dat ik helemaal niet slecht Frans  sprak en dat ik de goede gewoonte had on langzaam te spreken waardoor ik heel goed te verstaan was. Ze is een goede, oprechte vrouw, geneigd om het leven uit te buiten. De freulle speelt aardig, alleen ontbreekt het haar nog aan tempo. Eerst geloofde ik, dat het aan haarzelf  of aan haar gehoor lag, maar ik kan uiteindelijk alleen maar haar leraar de schuld geven. Hij is te toegeeflijk en al gauw tevreden.  Ik heb zojuist met haar gerepeteerd. Ik wil erom wedden, dat ze na twee maanden les bij mij goed en accurat speelt.

Om 4 uur ging ik naar madame Von Tosson  , waar mama ook al was, en ook madame Von Hepp. Daar speelde ik tot 8 uur. Toen gingen we naar huis. Rond half tien  vond een kleine musique plaats van vijf personen, twee klarinetten, twee hoorns en één fagot. Albert, wiens naam dag het morgen is liet deze muziek voor mij en hem spelen. Het samenspel was helemaal niet slecht. Het waren dezelfde mensen die bij Albert in de zaal optreden. Men kan wel horen, dat ze door Fiala zijn afgericht. Ze bliezen muziek van hem en ik moet zeggen dat het heel aardige stukken zijnm hij heeft heel goede ingevingen. Morgen geven we een kleine slakademie op de ellendige piano. O wee, o wee, o wee!

[…]

***

Mozart aan zijn vader

 

Munchen 6 oktober 1777

 

Mon trés chér Pére.


Mama kan niet beginnen; om te beginnen staat haar hoofd er niet naar en ten tweede heeft ze hoofdpijn.  Straks ga ik samen met de professor op bezoek bij mademoiselle Keiserin. Gisteren was er bij ons in huis een kerkelijke bruiloft oftewel altum tempus Eclesiasticum. Er werd gedanst, maar na vier menuetten hield ik het al voor gezien en om elf uur was ik  terug op mijn kamer. Onder  de vijftig dames was er maar een enkele die in de maat danste en dat was mademoiselle Käser, een zuster van  de secretaris  van graaf Perusa die in Salzburg is geweest.

 

[…]

 

De professor is zo goed geweest ervoor te zorgen, dat ik niet bij mademoiselle Keiserin terecht gekomen ben, omdat ik haar adres niet weet. Eergisteren, zaterdag de 4e ,  was er op de hoogheilige naamdag van Zijne Koninklijke Hoogheid de aartshertog Albert (~ Franz Joseph Albert [1728-1789], waard van Zum schwarzen Adler) een kleine academie bij ons. Die begon om half vier en was om acht uur afgelopen.  Monsieur Dubreill (Charles Albert Dupreille [1728-1796] die papa zich nog wel zal herinneren, was er ook. Hij is een leerling van Tartini (~Giuseppe Tartini [1692-1770]). In de ochtend gaf hij de jongste zoon,  Carl (~Karl Franz Xaver Albert [1764-1806])  vioolles, juist toen ik binnenkwam.  Ik stelde me niet zo erg veel van hem voor, maar zag dat hij heel enthousiast les gaf. Toen we te spreken kwamen over vioolspelen als solist en in het orkest, had hij heel goede ideeën en was hij het altijd met me eens. Daarom stelde ik mijn mening over hem bij en was ervan overtuigd, dat hij een goede en accurate orkestviolist zou zijn. Ik vroeg hem dan ook, of hij ’s middags naar onze kleine academie wilde komen. Eerst speelden we daar de twee kwintetten van (Michael) Haydn. Het speet me wel, maar hij was nauwelijks te horen. Hij was niet in staat vier maten zonder fouten te spelen, hij kwam niet op de juiste applicatur en met de sospirs (korte pauze) was hij ook niet erg vertrouwd. Het beste was nog, dat hij erg voorkomend is geweest en de kwintetten uitgebreid heeft geprezen. Ik zei helemaal niets tegen hem, maar hijzelf zei alsmaar : “ Mijn excuses, ik ben al weer weg!”. Ik zei, dat het niets te betekenen had, dat we maar onder ons waren.  Toen speelde ik de concerten in C, in Bes en Es (KV 246, 238, 271) en dan mijn trio (KV 254) . Dat werd mooi begeleid. In het adagio heb ik zes maten lang zijn partij moeten spelen. Last but not least speelde ik de laatste casation van mij, die in Bes  (KV 287). Dat maakte veel indruk. Ik speelde alsof ik de beste violist van heel Europa was.

 

[…]

 

NB Ik stuur hierbij voor mijn zuster de 6 Duetti à Clavicembalo e Violino van  (Joseph) Schuster ( 1748-1812, kapelmeester in Dresden, componist van  KV Anh. 210-213) mee. Ik heb ze hier al vaak gespeeld en ze zijn helemaal niet slecht. Wanneer ik hier blijf componeer ik er in dezelfde stijl ook zes ( KV, 301, 302, 303, 304, 305 en 306, opgedragen aan keurvorstin Maria Elisabeth) , want ze zijn hier erg populair.

 

[…]

 

***

 

Munchen 11 oktober 1777

 

Mon trés cher Pére!

 

Waarom ik tot op heden niets over Misliwececk (~  Joseph Myslivecek, 1737-1781) heb geschreven? Omdat ik blij was, wanneer ik niet aan hem hoefde te denken. Want zo vaak er over hem werd gesproken, moest ik horen, hoe hij me geprezen heeft en wat voor goede en oprechte vriend hij voor mij is! En tegelijk het treurige medelijden.  Men beschreef hem voor me; ik was mezelf niet meer. Ik zou weten dat Misliwetceck mijn goede vriend in een stad was, ja zelfs  in een uithoek van de wereld, en ik zou hem niet gaan opzoeken? Dat is onmogelijk! Daarom resolveerde ik me om naar hem toe te gaan.  Een dag eerder ging ik naar de opzichter van het Herzogspital en vroeg hem , of hij er niet voor zou kunnen zorgen dat ik in de tuin met Misliwececk kon  spreken, want ik wilde, hoewel iedereen en ook de heren medici gezegd hebben, dat er geen enkel besmettingsgevaar was,  niet in zijn kamer komen omdat die erg klein is en het daar nogal sterk ruikt. Hij gaf me volkomen gelijk en zei me, dat hij gewoonlijk zo tussen 11 en 12 uur  in de tuin ging wandelen. Wanneer ik hem daar niet zou vinden, hoefde ik hem maar naar beneden te laten komen. De volgende dag ging ik dus met de heer Von Ham, secretaris van de Orde,  over wie ik nog wel te spreken kom, en ook met mama naar het Herzogspital. Mama ging naar de kerk, en wij gingen de tuin in. Hij was er niet. Daarom lieten we hem roepen. Ik zag hem al schuin op ons afkomen  en herkende hem dadelijk al in de gang. Hier moet ik opmerken, dat hij me al via de heer Heller, cellist, een compliment had laten maken  en had gevraagd of ik hem voor mijn vertrek nog een keertje wilde opzoeken.  Toen hij bij me was, namen we elkaar vriendschappelijk bij de hand. “Zo zie je”, zei hij.  “hoe ongelukkig ik ben!” . Deze woorden en ook zijn verschijning, die papa van horen zeggen al wel kent, gingen me zo aan het hart, dat ik in tranen niets anders kon zeggen dan : “Ik heb heel erg met u te doen”.  “Mijn beste vriend!” . Hij merkte dat ik emotioneel was en begon gelijk heel opgewekt te spreken.  “Maar zeg me toch, wat doe je op dit moment? Men heeft me gezegd, dat je hier bent. Ik kon het nauwelijks geloven. Hoe is het mogelijk, dat  Mozart hier is, en me niet al lang bezocht heeft. Neem het me niet kwalijk, ik heb het zo druk gehad en heb hier zoveel goede vrienden. Ik ben ervan overtuigd, dat ook jij hier heel goede vrienden hebt, maar een zo goede vriend als ik heb je zeker niet”.  Hij vroeg me of ik van papa geen bericht had gekregen over een brief. Ik zei alleen maar, dat hij me schreef, zo confuus was ik. Ik trilde over mijn hele lichaam, zodat ik nauwelijks kon spreken. Dat hij me dus schreef, maar niet uitgebreid. Toen zei hij me, dat Signor Gaetano Santoro, impresario te Napels, gedwongen was uit impegni en Protectione voor dit carnaval de rechten voor de carnavalsopera te geven aan een  zekere maestro Valentini. Maar voor het komende jaar heeft hij er drie vrij, waarvan er één voor mij beschikbaar is. Omdat ik al zes maal naar Napels geschreven heb, maak ik er geen punt van de minder geschikte over te nemen  en aan jou de betere, namelijk die van carnaval , over te laten. God weet, of ik kan reizen, zo niet, dan stuur ik de Scritture gewoon terug. De compagnie voor het komende jaar is goed. Alleen maar mensen die ik heb aanbevolen. Zie je, ik heb in Napels zo veel crediet, dat wanneer ik zeg : “neem deze” , ze hem dan inderdaad nemen. Marquesi (Ludovica Marquesi, 1755-1829, castraat)  is de Primo uomo, over wie hij zeer te spreken is, net als heel München trouwens.  Marchani (~ Giuseppa Maccherini-Ansani)  is een goede Prima Donna. Dan nog een tenor, die ik nu niet kan noemen, maar die, zoals hij zegt, de beste in Italië is (bedoeld is Giuseppe Ansani) . Ik adviseer je naar Italië te gaan; daar wordt men gerespecteerd en hooggeacht”.  Hij heeft werkelijk gelijk. Wanneer ik er goed over nadenk, is mij in geen enkel land zo veel eer ten deel gevallen en word ik nergens zo gerespecteerd als in Italië. Men heeft gewoon krediet, wanneer men in Italië opera’s  geschreven heeft, vooral in Napels. Hij heeft me gezegd, dat hij de brief voor Santoro voor mij wil opstellen. Ik  moest morgen bij hem komen en hem overschrijven. Ik kon mezelf er echter niet toe zetten, hem op zijn kamer op te zoeken en wanneer ik wilde schrijven zou dat toch daar moeten omdat ik in de tuin niet zou kunnen schrijven. Ik beloofde hem dus zeker te komen. De volgende dag echter schreef ik een Italiaanse brief voor hem, heel natuurlijk. Ik schreef, dat ik hem onmogelijk zou kunnen bezoeken. Dat ik bijna niets had kunnen eten en maar drie uurtjes had kunnen slapen. Ik was als iemand die zijn verstand had verloren.  Zijn aanblik stond op mijn netvlies etc.  Louter zaken die zo waar zijn als de zon klaar is. Hij gaf me het volgende antwoord :

 lei é troppo sensibile al mio male. io la ringrazio del suo buon Cuore. se parte per Praga gli
farò una lettra p il Conte Pachta. non si pigli tanto à Cuore la mia  disgrazia. il Principio fù d'una ribaltata di Calesse, poi sono capitato nelle mani dei Dottori ignoranti, pazienza. ci sarà quel che Dio  vorrà.

Hij zond me ook nog de schets voor een brief aan Santoro :


La brama ch'ebbi già da tanto tempo di servir V: S: Ill: e cotesto rispettabilissimo Publico di Napoli colle mie debollezze di produrmi in cotesto Real Teatro, é il mottivo ch'io |: non riguardando il lungo e dispendioso viaggio :| condiscendo e mi contento di scriver l'anno venturoin cotesto Regio Teatro un opera per 100 gigς: pregandola però se possibil fosse che mi fosse Confesta l'ultima, cioè, quella del Carnevale, perché i miei interessi non mi permetterano di poter accetar un opera prima di quel tempo. già tanto spero dalla sua grazia; ed avendo l'approvazione Reale per me,  prego di mandar la scrittura al Maestro Misliwececk, che cos mi sarà sicuramente ricapitata. frà tanto anzioso d'imparar à Conoscer Persona di tanto merito mi dò l'onore di protestarmi  per sempre Eccel:

Hij heeft me ook bij hem brieven laten zien, waarin ik vaak mijn naam las. Men zei me, dat Misliwececk er erg verbaasd over was, wanneer men hier over Beeché en soortgelijke  clavieristen sprak. Hij zei steeds weer : “Niemand moet zich wat inbeelden, want niemand speelt als Mozart. In Italië waar de grrotste componisten leven, speekt men over niets dan Mozart. Wanneer men deze noemt, wordt het stil”.  Ik kan nu de brief naar Napels schrijven wanneer ik wil. Hoe eerder, hoe beter.  Ik zou nog eerder de mening van de allerknapste hofkapelmeesters willen horen over Mozart. Ik heb bovendien een onstilbaar verlangen weer een opera te schrijven. De weg is nog lang, dat is waar.  We zijn echter ook nog ver verwijderd van de tijd dat ik deze opera moest schrijven.  Tot die tijd kan er nog veel veranderen. Ik zou de opdracht in elk geval kunnen aannemen.  Krijg ik in de tussentijd geen aanstelling, eh bien,, dan heb ik toch nog de resource in Italië . Ik houd aan het Carnaval toch nog mijn 100 ducaten over.  Wanneer ik eenmaal in Napels heb gecomponeerd, zal men mij overal zoeken. Zoals papa wel weet, wordt er in de lente, zomer en herfst hier en daar ook een opera buffa gebracht die men ter oefening en tegen de verveling kan schrijven. Het is waar, men krijgt er niet veel voor, maar het is wat. Men wint daardoor meer aan eer en krediet dan wanneer men 100 concerten in Duitsland geeft. Ik heb het gewoon meer naar mijn zin, wanneer ik iets te componeren heb. Het is mijn enige vreugde en passie.  Welnu, krijg ik ergens een  aanstelling, of kan ik op een aanstelling hopen, dan recommandeert de scrittura mij in hoge mate. Die zal veel opzien baren en daardoor nog waardevoller zijn. Maar ik praat teveel. Ik praat zoals mijn hart me ingeeft. Wanneer papa me met argumenten zal bewijzen dat ik ongelijk heb, dan zal ik, hoewel tegen mijn zin, toegeven. Want ik hoef maar over een opera te horen spreken, ik hoef maar in het theater te zijn, en daar stemmen te horen, dan ben ik mezelf gewoon niet meer. Morgen zullen mama en ik in de tuin van Misliwececk afscheid nemen. Want hij zei me pas nog, hoe hij van mij gehoord had, dat ik mijn moeder bij de kerk moest afhalen. “Wanneer ik niet zo spectaculos was, zou het me zeer aangenaam zijn de moeder te zien die een zo groot virtuoos het licht heeft doen zien”. Allerliefste papa, ik vraag het je dringend, stuur Misliwececk een antwoord, schrijf hem zo vaak als u tijd heeft, u kunt hem geen grotere vreugde bereiden, want de man leeft volkomen geïsoleerd. De hele week komt vaak niemand bij hem op bezoek.  Hij zei me nog : het komt me heel vreemd voor, dat zo weinig mensen bij mij op bezoek komen. In Italië had ik alle dag gezelschap. Afgezien van zijn gezicht, is hij nog steeds dezelfde, vol vuur, spirit en levendigheid. Een beetje vermagerd, natuurlijk, maar afgezien daarvan dezelfde goede en opgewekte kerel.  Heel München praat over zijn oratorio Abramo e Isaco, die hij hier heeft geschreven. Hij heeft nu, op  enkele  aria’s na, een cantate  of serenade klaar voor de vastentijd. Toen zijn ziekte het ernstigst was, schreef hij een opera voor Padua. Het heeft geen enkele zin gehad, men zegt het hier ook zelf, dat de doctoren en chirurgen hem hier hebben behandeld, met alle ellende van dien. Het is botkanker, de chirurg Caco, de ezel, heeft hem zijn neus eraf gebrand. Moet je je de pijn eens voorstellen!

[...]

 

München, 11 oktober, om kwart voor twaalf  schrijf ik het volgende. 

 

Ik ben naar de derde uitvoering van de komedie geweest, alleen maar om het ballet te zien, dat trouwens eerder een pantomime was, zoals ik die  nog nooit gezien had. Het had als titel : “Het door de fee girigaricanarimanarischaribari vervaardigde ei”.  Het was leuk en cool.

Voor mijn zuster stuur ik vier Breambele (~ praeambula, praeludia) mee. Ze ziet en hoort wel, in wat voor toonsoort ze staan. Ik hoop, dat u de duetten van Schuster in goede orde heeft ontvangen.  Hartelijke groeten aan alle vrienden en vriendinnen, met name aan de jonge graaf Arco (~ Leopold ferdinand III graaf Arco, waarschijnlijk leerling van Leopold Mozart) , mademoiselle Sallerl en mijn beste vriend de heer Bullinger (~Franz Bullinger, [1744-1810], vooranstaand huisleraar in Salzburg) die ik wil vragen of hij zo goed wil zijn namens mij een auctoritätische  toespraak te houden en alle leden van de Academie de groeten te doen en ze tot de nodige ijver op te roepen, anders word ik vandaag of morgen tot een leugenaar, want ik heb deze academie overal aangeprezen.

 

***

Augsburg, 17 oktober 1777

 

Mon trés cher Pére!                                         


Nu moet ik gelijk maar beginnen over de pianoforte van Stein. Voordat ik wat van Steins instrumenten had gezien, waren me de pianofortes van Späth (~Franz Jakob Spaeth [1712-1786])  me het liefst. Nu moet ik wel de voorkeur geven aan die van Stein, want hun dempers doen het veel beter dan die van de Regensburger.  Wanneer ik krachtig aansla, of ik mijn vinger nu laat liggen of optil, dan is de toon op hetzelfde ogenblik voorbij, dat ik hem liet horen. Hoe ik de toetsen ook aansla, de toon blijft altijd gelijkvormig. Hij gaat niet zwabberen, hij wordt niet sterker of zwakker, hij valt ook niet weg. Met één woord: alles blijft gelijkmatig. Het is waar, een dergelijke pianoforte vindt je niet onder de 300 fl.  Maar de moeite en de vlijt die hij aanwendt, zijn niet te betalen.  Zijn instrumenten hebben vooral datgene op andere voor, dat ze met een auslösung (échappement-) mechaniek zijn voorzien. Zonder dat mechaniek is het gewoonweg niet mogelijk, dat een pianoforte niet ongelijkmatig klinkt of naklinkt.  Zijn hamertjes vallen, wanneer men de toetsen aanslaat, op het ogenblik dat ze omhoogspringen naar de snaren toe, weer terug naar beneden, of men de toetsen nu ingedrukt houdt of niet.  Wanneer hij zo’n piano klaar heeft, gaat hij, zoals hij me zelf vertelde, eerst het instrument uit proberen met allerlei passages, loopjes en sprongen. Hij schaaft en sleutelt zo lang tot het klavier alles doet wat hij wil. Hij doet alles tot nut van de muziek, niets alleen maar voor zijn eigen nut. Dan zou hij namelijk gauw klaar zijn. Hij zegt vaak : “wanneer ik niet zelf een zo gepassioneerd muziekliefhebber was, en niet ook zelf iets op het klavier kon spelen, dan had ik bij mijn werk al lang alle geduld verloren.  Ik ben gewoon een liefhebber van instrumenten die de bespeler niet in de problemen brengen en die duurzaam zijn. Zijn pianofortes zijn ook inderdaad duurzaam. Hij staat er absoluut voor in, dat de resonansbodem niet breekt of springt. Wanneer hij een klankbodem voor een piano klaar heeft, stelt hij hem bloot aan lucht, regen, sneeuw, zonnehitte en allerlei andere beproevingen. De bedoeling is, dat de klankbodem springt. Hij legt er dan hout in dat hij vastlijmt, opdat de klankbodem vast en stevig wordt. Hij is in een prima stemming wanneer hij inderdaad springt. Men is er vanaf dat moment verzekerd van, dat er niets meer mee kan gebeuren. Vaak snijdt hij er zelf in en lijmt hem dan weer dicht. Hij heeft drie van zulke piano’s klaar staan. Ik heb er nu weer eens op gespeeld.

[…]

Mama en ik gingen na het eten naar de heer Stein. Om vier uur kwam de heer Kapellmeister en de heer Schmittbauer, organist van de St. Ulrichkirche, een oude, brave man. Daar speelde ik juist een sonate  van Becché (~Ignaz von Beecke [1733-1803], pianist en hofmuziekintendant).  van het blad  die behoorlijk lastig was, miserable al solito (uiteraard ironisch bedoeld)  ; wat de heer Kapelmeester en de organist lieten horen was niet te beschrijven zo slecht.  Ik heb hier en in München al mijn zes sonates (KV 279, 280, 281, 282, 283 en 284)  behoorlijk vaak uit het hoofd gespeeld.  De vijfde in g heb ik in de voorname Bauernstube Academie gespeeld. De laatste in D komt op de pianoforte van Stein uitstekend tot zijn recht.  Het mechaniek  waar men met zijn knie tegen drukt werkt bij hem beter dan bij de anderen.  Ik raak het nauwelijks aan en het werkt al.  Zodra men zijn knie maar een beetje opzij schuift, hoort men niet de minste naklank. Welnu, morgen kom ik misschien op zijn orgels, dat wil zeggen ik kom erover te schrijven. Toen ik de heer Stein zei dat ik graag op zijn orgels wilde spelen, omdat het orgel mijn eigenlijke passie is, verbaasde hem dat enorm en zei : “Wat, zo’n man als u, zo’n grote pianist wil op een instrument spelen waar geen douceur op te vinden is, geen expressie, geen piano, geen forte, maar dat altijd op dezelfde manier blijft klinken? “. “Dat alles is niet van belang,  het orgel is mijn ogen en oren de koning van alle instrumenten”.  “Nu, wat mij betreft goed”. We gingen samen op weg. Ik kon uit zijn woorden al opmaken, dat hij ervan uitging, dat ik op het orgel niet veel zou klaarspelen. Ik zou bijvoorbeeld volkomen pianistisch spelen. Hij vertelde me, dat hij ook Chobert (waarschijnlijk  Christian Friedrich Daniel Schubart [1739-1791]) op zijn verzoek naar het orgel had toe gebracht. Ik kreeg het al benauwd, zei hij, want Chobert zei het tegen iedereen en de kerk was tamelijk vol. Ik dacht, dat die kerel vol geest, vuur en snelheid zou zijn en dat past nu eenmaal niet op een orgel. Maar toen hij begon, veranderde ik onmiddellijk van mening.  Ik zei niets dan dit : wat denkt u, meneer Stein, zal ik wat omtrekkende bewegingen op het orgel maken?  Ach, met u is het heel wat anders. We kwamen op het koor. Toen ik begon te preluderen, begon hij al te lachen. Daarna speelde ik een fuga. Ik wil graag geloven, zei hij, dat u graag orgel speelt. Wanneer men zo kan spelen!  In het begin was het pedaal me een beetje vreemd, omdat het niet gebroken was. Het begon bij c, dan d en e, achterelkaar. Bij ons is D en E boven, zoals hier Es en Fis. Ik had het allemaal gauw door. Ik heb ook in de St. Ulrich op het oude orgel gespeeld. De trap naar boven is afschuwelijk. Ik vroeg of iemand me wat op her orgel wilde voorspelen, dan kon ik naar beneden en luisteren, want boven is de akoestiek niet best. Maar het maakte allemaal niets uit, want de Regens Chori, een geestelijke (~ F. Nidgar Fichtl [1748-1817]), speelde wat loopjes op het orgel waar je geen touw aan kon vastknopen en wanneer hij harmonieën wilde spelen, waren het alleen maar disharmonieën. Het klonk allemaal niet echt. Daarna moesten we een gastverblijf in waar mama, mijn nichtje Base en de heer Stein bijeen zaten. Een zekere pater Emilian (~pater Aemilian Angermayr [1735-1803], was o.a. hoogleraar in de dogmatiek en de theologie en componeerde ook] ) , een ezel met hofallures en een eenvoudig representant van zijn professie, was heel hartelijk. Hij wilde steeds mijn nichtje voor de gek houden, maar steeds gebeurde het omgekeerde.  Toen hij al gauw boven zijn theewater was, begon hij over muziek. Hij zong een canon en zei dat hij in zijn hele leven niets mooiers gehoord had. Ik zei, dat het me speet, maar dat ik niet kon meezingen omdat ik van nature niet goed kan intoneren. “Maakt niet uit”, zei hij en hij begon. Ik was nummer drie, maar zong op een heel andere tekst. Pater Emilan: “ O, jij, staart, lik me in mijn aars”. Ik zong sotto voce :”  bij mijn nichtje….”.  Dat was lachen, wel een half uur. Hij zei me nog, dat we, wanneer we langer bijeen zouden kunnen zijn,  samen zouden kunnen discurieren over het componeren. “Dan zijn we gauw uitgediscuriert”, zei ik.

***

 

Augsburg 23-25 oktober 1777

 

Mon trés cher Pére!

[…]

 

Afgelopen zondag  ging ik om tien uur naar de heer Stein. Dat was de 19e. We repeteerden een paar symfonieën voor het concert. Daarna at ik bij mijn verwant (~Franz Alois Mozart)  bij het klooster van het Heilig Kruis. Onder het eten werd er muziek gemaakt. Er werd ongelooflijk slecht gespeeld, dan is me de muziek in het klooster nog liever dan het orkest van Augsburg. Ik speelde een symfonie, daarna het vioolconcert in Bes van Valhall (niet bewaard gebleven) , met algemene bijval. De heer Dechant (bedoeld wordt de functie van Stiftsdechant)  is een brave, opgewekte kerel, hij is een neef van Eberlin en heet Zeschinger (~Ludwig Zöschinger [1731-1806]). Hij kent papa goed. ’s Nachts bij het souper speelde ik het Straatsburger concert (KV 218) . Het liep allemaal gesmeerd. Iedereen was te spreken over de mooie, zuivere toon.  Hierna droeg men een klein clavichord naar binnen. Ik preludeerde, speelde een sonate en de variaties van Fischer (KV 179) . Toen fluisterden de anderen de heer Deschant in het oor, dat hij me eerst orgel moest laten spelen. Ik zei, dat hij dan maar een thema moest opgeven. Dat wilde hij niet, maar één van de geestelijken gaf me er één op. Ik bewandelde wat omwegen en midden in mijn spel – de fuga stond in g klein – begon ik ik majeur te spelen, iets heel humoristisch, maar in het zelfde tempo. Toen kwam ik weer op het oorspronkelijke thema terug, maar dan van achteren naar voren. Tenslotte viel me de gedachte in, of ik het humoristische stukje niet kon gebruiken bij het fugathema. Dat vroeg ik me niet lang af, maar deed het gewoon. Het ging zo accuraat en paste allemaal zo goed als of Daser  (~ Johann Georg Daser, kleermaker in Salzburg)  er de hand in had gehad. Mijnheer de Dechant was buiten zichzelf:   “ ik heb me niet kunnen voorstellen, wat ik zojuist gehoord heb. U bent een geweldenaar. Mijn prelaat had me trouwens al gezegd, dat hij van zijn levensdagen  niemand zo bondig  en serieus had horen orgelspelen”.  Tenslotte bracht hij me een sonate in fugavorm. Ik moest die spelen.  Ik zei : “ Mijne heren, dat is gewoon te veel. Ik moet bekennen, dat ik deze sonate niet zo maar kan spelen”. “Dat denk ik ook”,  zei  de heer Dechant met veel overtuiging , want hij stond helemaal achter me. “Dat is inderdaad te veel en er is niemand die dat zou kunnen”. “Maar”, zei ik, “laat me het toch maar proberen”. Ik hoorde de Dechant steeds achter me zeggen : “ O, jij, schoft, jij vlegel, jij, jij….!”.  Ik speelde tot elf uur en werd met louter fugathema’s gebombardeerd en belegerd. Onlangs moest ik bij Stein een sonate van Becché spelen, maar dat heb ik geloof ik al geschreven. Appropós, wat zijn dochter  (~Nanette Stein, een gerespecteerd pianiste die later als hoofd pianoconstructie  het bedrijf van haar vader voortzette) betreft : wie haar hoort en ziet spelen, kan,  tenzij hij van steen is als haar vader, zijn lachen niet inhouden. Ze zit helemaal aan de discantzijde, helemaal niet in het midden, om meer gelegenheid te hebben bewegingen en grimassen te maken. Ze draait met haar ogen en maakt er een potje van. Wanneer een thema voor de tweede keer langs komt, speelt ze die langzamer, komt het thema voor de derde maal, dan speelt ze gewoon nog langzamer. Ze houdt haar armen hoog. Wanneer ze een passage doet en die wil markeren doet ze dat met haar arm, niet met haar vingers. Moeilijk doen, waar het makkelijk kan. Het fraaiste is, dat ze, wanneer in een passage die moet voortglijden als olie, noodzakelijkerwijs de vingers gewisseld moeten worden, daar niet op let, maar ze gewoon stopt ,  haar hand optilt  en opnieuw begint. Juist zo is de kans groot dat men een foute noot opmerkt en dat geeft vaak een curieus effect. Ik schrijf dit alleen maar om papa een idee te geven van pianospelen en lesgeven. Hij kan daar dan zijn voordeel mee doen. De heer Stein is  gek op zijn dochter. Ze is acht en een half jaar oud, leert nog alles uit het hoofd. Ze heeft toekomst, ze heeft genie, maar op deze manier wordt het helemaal niets. Ze zal nooit veel vingervlugheid  leren, omdat ze alle energie inzet op het zwaar maken van haar hand. Ze zal het noodzakelijkste en moeilijkste, namelijk het tempo, het belangrijkste bij muziek maken, nooit te pakken krijgen, omdat ze zich van jongs af aan erop toegelegd heeft juist niet in de maat te spelen. De heer Stein en ik hebben hier zeker twee uur over gesproken en ik heb hem al een beetje op andere gedachten gebracht. Hij vraagt me nu over alle aangelegenheden om advies. Hij was helemaal weg van Becché. Nu hoort en ziet hij, dat ik meer speel dan hij. Dat ik geen grimassen maak en toch zo expessief speel, dat niemand volgens zijn eigen getuigenis zijn pianofortes zo goed heeft weten te tractieren. Dat ik zo goed in de maat blijf, daarover verbaast iedereen zich. Ze hebben geen besef van het tempo rubato in een adagio, waarbij de linkerhand onverstoorbaar door speelt.  Bij hen past de linkerhand zich aan. Graf Wolfeck en anderen die heel gepassioneerd aan de kant van Becché staan, zeiden onlangs bij het concert in alle openlijkheid, dat ik  Becché helemaal inmaak. Graf Wolfeck liep steeds de zaal rond en zei : “Zoiets heb ik bij mijn levensdagen nog nooit gehoord. Ik zal het je vader vertellen zodra ik weer naar Salzburg kom”.  Wat denkt papa, dat het eerste stuk was na de symfonie? Het concert voor drie piano’s (KV 242) . De heer Demler (~ Johann Michael Demmler (1748-1785, sedert 1774  organist van het domstift en componist. Schubart noemt hem ‘ ein musikalischer Luftpassagier’, maar ook een getalenteerd componist ) speelde de eerste piano, ikzelf de tweede en de heer Stein de derde. Toen speelde ik mijn laatste sonate voor Dürnitz (Thaddäus Freiherr von Dürnitz, overleden 1803, een muzikale majoor) (KV 284) alleen, daarna mijn concert in Bes (KV 238) , dan weer als op een orgel een fuga in c en tenslotte een prachtige sonate in C (vermoedelijk een voorloper van KV 309) , zo uit het hoofd met een rondeau op het laatst. Dat was me een geschreeuw en kabaal! De heer Stein maakte van louter verbazing allerlei grimassen  en de heer Demler moest voortdurend lachen. Dat is zo’n vreemde vent, die vreselijk moet lachen wanneer hem iets heel erg bevalt. Bij mij begon hij zelfs te vloeken.

 

 

***

 

Mannheim,  4 november 1777

 

Monsieur mon trés cher Pére.

[…]

Ik ben iedere dag bij Cannabich. Vandaag is ook mama meegegaan. Hij is een totaal ander iemand geworden dan voorheen. Dat zegt ook het hele orkest. Hij is erg voor me ingenomen. Hij heeft een dochter (Rosina Theresia Petronella, geboren 1764) die heel aardig pianospeelt. Om hem tot een echte vriend te maken werk ik nu aan een sonate (vermoedelijk KV 309)  voor zijn dochter, die klaar is op het rondeau na. Toen ik het eerste allegro en het andante beëindigd had, heb ik het toegevoegd en gespeeld. Papa kan zich niet voorstellen wat voor een bijval die sonate  opleverde. Er waren ook wat musici, de jonge Danner, een waldhoornist Lang, en een hoboïst wiens naam ik niet meer weet (~Friedrich Ramm [1744- na 1808], absolute tophoboïst, al op veertienarige leeftijd in de hofkapel opgenomen) , maar die heel goed blaast en een mooie toon heeft. Ik heb hem een hoboconcert (waarschijnlijk KV 314)  cadeau gegeven. Het wordt momenteel gekopiëerd in de kamer van Cannabich. De man is buiten zichzelf van blijdschap. Ik heb hem het concert bij Cannabich op piano voorgespeeld en hoewel men wist, dat het van mij was, vond men het erg mooi. Niemand zei, dat het niet goed gecomponeerd was. Vandaag heb ik al mijn zes sonates (KV 279 t/m 284)  bij Cannabich gespeeld.  Kapelmeester Holzbauer heeft me vandaag zelf bij de intendant, graaf Savioli (Louis Aurel graaf Savioli, overleden 1788, hofintendant) , gebracht. Cannabich was er toevallig ook. De heer Holzbauer zei in het Italiaans tegen de graaf, dat ik graag in staat gesteld zou worden me te laten horen bij Zijne Keurvorstelijke Doorluchtigheid (~Karl Theodor [1724-1799]). Dat ik hier al vijftien jaar geleden was. Ik was toen zeven jaar, maar nu ben ik ouder en groter geworden, ook op muzikaal gebied. “Aha”, zei de graaf, “  dat is die….” .  Weet ik, wat hij van me vond. Toen nam direct daarop Cannabich het woord, maar ik deed alsof ik het niet hoorde, alsof ik met anderen in gesprek was. Ik merkte wel, dat hij met ernstig gezicht over mij sprak. De graaf zei tegen me : “Wel, ik hoor dat u zo passable piano speelt? “. Ik maakte een buiging. Nu moet ik het met u hebben over de muziek hier.  Ik was zaterdag op Allerheiligen in de kapel bij de hoogmis. Het orchestre is heel goed en sterk bezet.  Aan elke kant tien tot elf violen, vier altviolen, twee hobo’s , twee fluiten en twee klarinetten, twee hoorns, vier cello’s, vier fagotten , vier contrabassen en trompetten en pauken. Hier laat zich mooi muziek maken. Toch denk ik er niet aan hier een mis te componeren. Waarom?  Vanwege de geringe lengte? Nee, hier moet ook alles kort zijn.  Vanwege de kerkstijl?  Helemaal niet. De reden is, dat men vanwege de hier heersende omstandigheden voor de istromenti moet schrijven. Men kan zich niets slechters indenken dan de vocalisten hier, zes sopranen, zes alten, zes tenoren en zes bassen, gecombineerd met twintig violen en 12 bassen.  Dat verhoudt zich als 0 : 1, niet waar, meneer Bullinger? (deze zin wordt als aanwijzing opgevat dat Bullinger van tijd tot tijd als muziekleraar in huize Mozart optrad)  Dat komt door dat de Italianen hier slecht aangeschreven staan. Ze hebben hier twee castraten, maar die zijn al oud. Men laat ze gewoon uitsterven. De sopranist zou liever een altpartij willen zingen. Hij kan de hoge tonen niet meer halen.  De jongens die ze nog hebben zijn niet veel waard. De tenor en bas zijn als de doodszangers bij ons.  Kapelmeester Vogler die onlangs de mis deed, is een muzikale grappenmaker, iemand die zich veel verbeeldt en niet veel kan. Het hele orkest is tegen hem. Ik heb vandaag een mis van Holzbauer gehoord, die al 26 jaar oud is, maar nog steeds heel goed is. Hij schrijft heel goed, een goede kerkstijl, met een goede zetting voor de vocalisten en instrumentalisten. Ook schrijft hij goede fuga’s.  Ze hebben hier twee organisten voor wie het al de moeite waard zou zijn naar Mannheim te reizen. Ik heb ruimte gelegenheid gehad ze te beluisteren, want het is hier niet gebruikelijk één Benedictus te spelen, maar de organist moet daar altijd spelen. De eerste keer hoorde ik de tweede organist, de tweede maal de eerste.  Ik vind de tweede organist nog beter dan de eerste. Toen ik naar hem luisterde, vroeg ik  : “Wie is degene die nu orgelspeelt?” ;  onze tweede organist. Hij speelde miserabel. Toen ik de ander hoorde, vroeg ik, wie dat was, en men zei : onze eerste organist. Die speelde nog miserabeler.  Wanneer men ze samenvoegde, zou er volgens mij nog iets slechters uit tevoorschijn komen. Je lacht je dood, wanneer je deze heren bezig ziet. De tweede organist is bij het orgel als een kind met poep. Je kunt zijn kunst al van zijn gezicht aflezen. De eerste heeft dan nog een bril op. Ik ben bij het orgel gaan staan om te kijken of ik nog iets van hem kon leren. Hij tilt zijn beide handen bij elke noot in de hoogte. Zijn force is zesstemmig te spelen, meestal echter in kwinten en octaven.  Hij laat ook vaak voor de grap zijn rechterhand rusten en speelt alleen met zijn linkerhand verder. Kortom : hij krijgt voor elkaar wat hij maar wil, hij is zijn instrument volledig meester.

[…]

 

 

***

 

Mannheim,   13 november 1777

 

Mon trés cher Pére!

[…]

 

Nu wil papa weten hoe ik door Beché ben ontvangen? Heel goed en heel beleefd. Hij vroeg waar ik heen ging. Ik zei :  vermoedelijk naar Parijs. Hij was daar ook pas nog geweest en kon me veel adviezen geven.  Met lesgeven kun je veel verdienen.  Want de piano heeft in Parijs veel status. Hij maakte direct aanstalten mij te laten meenemen naar de officierstafel.  Hij zorgde ervoor dat ik met de vorst (Kraft Ernst von  Öttingen-Wakkerstein, 1748-1802) kon spreken. Het speet hem heel erg, dat hij juist keelpijn had, wat ook werkelijk zo was,  en niet zelf kon uitgaan om me laten amuseren.  Hij vond het ook jammer, dat hij ter ere van mij geen muziek kon laten maken, omdat de meeste musici juist vandaag  voor hun plezier zijn gaan wandelen . Ik moest op zijn verzoek zijn clavichord uitproberen, dat inderdaad heel goed is. Hij zei vaak bravo. Ik fantaseerde en speelde de sonates in Bes en in D (KV 281 en 284). Kortom, hij was erg hoffelijk en ik ook, en daarbij nog volkomen serieus. We hadden er het onder andere over, dat de keizer in Wenen een groot muziekliefhebber is.  Hij zei :  “Dat klopt, hij is op de hoogte van de compositieleer, maar van niets anders. Ik weet me nog te herinneren, en hij streek zich daarbij over het voorhoofd, dat ik voor hem moest spelen. Ik wist totaal niet wat ik zou moeten spelen en daarom begon ik maar met fuga’s en meer kinderachtigs. Hij moest er zelf van lachen. Ik dacht dat ik me niet meer kon inhouden en moest hem zeggen : mijn heer, ik geef toe dat u erover gelachen heeft, maar toch niet zo erg, als ik gelachen zou hebben wanneer ik het gehoord had. Verder zei hij, wat ook waar is, dat bij de keizer in zijn kabinet muziek gemaakt wordt,  waarbij de honden zouden weglopen. Toen zei ik, dat ik altijd, wanneer ik me niet onmiddellijk uit de voeten gemaakt zou hebben, bij dergelijke muziek hoofdpijn krijg.  O, nee, dat maakt me niets uit. Slechte muziek werkt me niet op mijn zenuwen.  Maar mooie muziek wel, daar krijg ik echt hoofdpijn van. Toen dacht ik nog, ja, een slappe kop als jij krijgt natuurlijk gelijk hoofdpijn, wanneer hij iets hoort wat hij niet kan begrijpen. Nu iets van hier. Gisteren moest ik met Cannabich naar intendant graaf Savioli om mijn present af te halen. Het was precies wat ik dacht. Niets in geld, maar een mooi gouden horloge. Mij waren tien Carolin liever geweest dan het horloge dat men met ketting en tekst op twintig Carolin schat. Op reis heeft men geld nodig. Nu heb ik met permissie vijf horloges. Ik ben dan ook van plan aan elke broek nog een extra horlogezakje te laten maken. Wanneer ik dan bij de grote heren kom  wil ik beide horloges dragen, zoals toch al in de mode is, opdat niemand op de gedachte komt me met een horloge te vereren. Ik maak uit papa’s brief op, dat u Voglers boek (over compositie) nog niet gelezen hebt. Ik heb het wel gelezen want ik kon het van Cannabich lenen. Zijn geschiedenis komt op het volgende neer : de start was miserabel, hij liet zich op de piano horen en maakte een ballet. Men had medelijden, de keurvorst  stuurde hem naar Italië. Toen de keurvorst naar Bologna kwam, vroeg hij Padre Valoti naar Vogler. O altezza. questo è un grand uomo! Hij vroeg ook Padre Martini:   Altezza; é buono; ma à poco à poco. quando sarà  un poco più vecchio, più sodo. si farà, si farà. ma bisogna che si Cangi  molto. Toen Vogler terug kwam werd hij geestelijke en tegelijk hofkapelaan. Hij produceerde  een Miserere dat, zoals men zegt, niet om aan te horen is, want alles ging daar fout. Hij hoorde, dat men het niet erg waardeerde. Daarom ging hij naar de Keurvorst  en beklaagde zich, dat het orkest ondanks zijn leiding slecht speelde, met één woord, hij wist de zaak helemaal om te keren.  Ook wilde hij op kleine schaal vrouwen lastig vallen. Zo werd hij vice-kapelmeester. Hij is een nar, die zich inbeeldt, dat er niets beters en volmaakters is dan hij. Het hele orkest van hoog tot laag mag hem niet.  Zijn boek dient meer om te leren rekenen dan om te leren componeren. Hij zegt dat hij iemand in drie weken tot componist kan maken, in zes maanden tot zanger.  Dat heeft men echter nog niet zien gebeuren. Hij heeft minachting voor de grootste meesters, zelfs voor Bach. Bach (Johann Christian)  heeft hier twee opera’s geschreven, waarvan de eerste meer succes had dan de tweede. De tweede was Lucio Silla, waarvan ik het libretto ook voor Milaan heb gebruikt. Daarom wilde ik de opera eens inzien. Ik wist van Holzbauer, dat Vogler de opera in zijn bezit had. Ik vroeg Vogler erom. Volgaarne, ik zal u de opera morgen  opsturen. Erg veel kwaliteit zult u er niet in aantreffen. Toen hij me enkele dagen daarna tegen kwam, zei hij heel ironisch tegen me : “Welnu, u heeft wat moois leren kennen, heeft u er wat van kunnen leren? Eén aria is best wel mooi; hoe is de tekst ook al weer, vroeg hij aan iemand die naast hem stond. Wat voor een aria?  Nou, die afschuwelijke aria van Bach, dat rotstuk, ja, Pupille amate. Die heeft hij zeker geschreven voordat hij zijn roes heeft uitgeslapen. Ik was in de stemming hem  een schop voor zijn kont te geven. (Mozarts versie van deze aria staat in KV 135, nr 21)  Ik deed echter alsof ik niets had gehoord en ging weg. Bij de Keurvorst heeft hij ook niets meer te zoeken. Nu is de sonate voor mademoiselle Cannabich ook klaar (KV 309). Afgelopen zondag speelde ik voor de aardigheid op het orgel in de kapel. Ik kwam onder het kyrie binnen en speelde het einde daarvan. Nadat de priester het gloria had aangeheven, maakte ik een cadens. Omdat die zo verschilde van wat hier gebruikelijk is, keek iedereen om, vooral Holzbauer. Hij zei tegen me : “Wanneer ik dat geweten had, dan zou ik een andere mis gekozen hebben”.  Ja”, zei ik, “dan had je me ermee dwars kunnen zitten!”. De oude Toeschi (Carlo Giuseppe Toeschi , overleden 1788; sinds 1752 violist van het hoforkest) en Wendling stonden naast me. De mensen hadden genoeg te lachen. Er stond hier en daar pizzicato. Ik maakte daar op de toetsen een farce van. Ik was in een echte humoristische stemming. In plaats van het Benedictus moet men hier altijd maar doorspelen. Ik nam dus het thema van het Sanctus om dat fugatisch uit te werken. Daar stonden ze allemaal gezichten te trekken. Op het laatst, na het ite missa est, speelde ik nog een fuga. Het pedaal is anders dan bij ons. Dat maakte me in het begin in de war, maar ik wende er gauw aan.

Van de kwaliteit van de sonates (waarschijnlijk  dezelfde als de in 1777 in Londen verschenen  Six easy divertimentos for the harpsichord or pianoforte) van Misliwetceck weet ik. Ik heb ze immers in München zelf gespeeld. Ze zijn heel gemakkelijk en liggen goed in het gehoor. Mijn advies zou zijn, lieve zuster, ze met veel expressie , smaak en vuur te spelen en ze uit het hoofd te leren. Want dat zijn sonates die iedereen moeten bevallen, gemakkelijk uit het hoofd te leren zijn en opzien baren wanneer men ze met de vereiste precisie speelt.

 

***

 Mannheim den 20ten Novbre 1777
                                                                                              
 Mon trés cher Pére.

Vandaag moet ik het heel kort houden, omdat ik geen papier meer in huis heb.  Gisteren, woensdag de 20e, begon het gala weer (naar aanleiding van de festiviteiten bij de naamdag van keurvorstin Elisabeth) . Ik was bij de mis die spiksplinternieuw door Vogler was gecomponeerd. Eergisteren was ik al bij de repetitie, maar ging na het kyrie onmiddellijk weg, want ik heb van mijn levensdagen nog nooit zoiets gehoord.  Het klopt vaak helemaal niet. Hij bedient zich van dergelijke tonen, dat men gelooft dat hij er iemand aan zijn haren wil bijslepen. Niet dat het de moeite waard was, op een bijzondere manier, helemaal niet, maar plomp en niet anders. Van de uitvoering van de Ideén wil ik helemaal niets zeggen. Ik zeg alleen maar, dat het onmogelijk is, dat een mis van Vogler een componist die de naam componist ook werkelijk verdient, een genoegen kan doen. Maar wacht, nu hoor ik toch een gedachte die niet slecht is….ja, alleen blijft hij niet lang niet slecht en zal spoedig….mooi? ….God verhoede!... slecht en bar slecht worden. En dat op twee of drie manieren. Zo is nauwelijke de ene gedachte opgestart, of er komt gelijk iets anders overheen dat alles bederft.  Of hij sluit de gedachte niet zo natuurlijk af, dat hij goed zou kunnen blijven. Of hij staat niet op de goede plaats. Of hij is door de instrumentatie bedorven. Dat is nou de muziek van Vogler. Cannabich componeert tegenwoordig veel beter dan toen we hem in Parijs zagen. Wat ik samen met mama aan de symfonieën hier heb opgemerkt, is dat ze allemaal beginnen met een langzaam en unisono fragment.



 

***

 

Mannheim,  22 november 1777

 


                                                                            ’s avonds of eerder nog  Nocte
                                                            temporis Puncto en accuraat op slag van 10 uur

Mon Trés chere (laatste e doorgestreept) Pére!                         
                                 

Ik was bijna in het  fœmininum terecht gekomen!

Vandaag op 21 november ’s morgens hebben we uw brief van de 17e ontvangen. Ik was niet thuis, maar bij Cannabich, waar de heer Wendling een concert gerepeteerd heeft, dat ik voor hem heb geïnstrumenteerd. Vandaag om zes uur was de gala-academie. Ik had het genoegen de heer Fränzl (Ignaz Fränzl , 1736-1811, sedert 1774 concertmeester van de hofkapel ) op de viool een concert te horen spelen. Zijn spel bevalt me heel goed. U weet, dat ik geen groot liefhebber van moeilijke muziek  ben. Maar hij speelt moeilijke stukken zo, dat men niet in de gaten heeft, dat het moeilijk is. Je gelooft, dat het het zo kunt nadoen en dat is je ware.  Hij heeft ook een heel mooie ronde toon. Geen nootje ontbreekt, alles is te horen, alles wordt gemarkeerd. Hij heeft een mooi staccato, in één streek, zowel omhoog als omlaag. Een dubbeltriller heb ik nog nooit zo mooi gehoord als die van hem. Een duivelskunstenaar is hij volgens mij niet, maar wel een zeer solide violist.

[…]

Ik heb u hopelijk al geschreven, dat de grote opera van Holzbauer in het Duits is! Anders schrijf ik het u nu.  De titel luidt Günther von Schwarzburg en niet De weledele heer Günther, raadsheer van Salzburg. Het komende carnaval wordt Rosamunde gegeven, een nieuw gecomponeerd libretto van de heer Wieland met nieuwe daarbij gecomponeerde muziek van de heer Schweizer. Beiden komen hierheen. Ik heb al wat van de opera gezien en op de piano gespeeld, maar ik zeg er nog niets over.

***

 

Mannheim,  3 december 1777


Monsieùr   mon trés cher Pére.

[…]

 

De gouvernante liet de comtessa (~Karoline Louise)  gelijk aan de piano plaatsnemen, ik ging naast haar zitten en gaf haar pianoles. Zo zag de Keurvorst (Karl Theodor) ons toen hij binnenkwam. We stonden op, maar hij  zei, dat we moesten verder spelen. Toen ze klaar was met spelen, nam de gouvernante het woord en zei, dat ik een heel mooi rondeau (KV 284 f, verloren of in één van de pianosonates terechtgekomen) had geschreven.  Ik speelde het en het beviel hem heel erg. Tenslotte vroeg hij, of ze het wel zou kunnen leren spelen. O, ja, zei ik, ik zou wel wensen, dat ik het geluk had het haar te leren. Hij moest lachen en zei, dat hij dat ook erg fijn zou vinden. Maar zou ze er geen nadeel van hebben twee leraren te hebben?  “O nee, uwe doorluchtigheid, het komt er alleen wel op aan, of ze een goede of een slechte leraar krijgt. Ik hoop, dat Uedele niet zult twijfelen --- en vertrouwen in me zult hebben”. “O, dat zeker”, zei hij. Toen zei de gouvernante : “Hier heeft de heer Mozart ook variaties over het menuet van Fischer geschreven, voor de jonge graaf”. Ik speelde ze en ook die waren een groot succes.  Nu stak hij de draak met de comtessa. Ik bedankte voor het cadeau en hij zei, dat hij erover zou nadenken. Hoe lang wilde ik hier blijven?  Antwoord : “ Zolang als Uwe Doorluchtigheid het me beveelt; ik heb geen contract, ik kan zo lang blijven als Uedele het me beveelt”. Dat was alles. Ik was vanmorgen weer daar en men zei me, dat de keurvorst gisteren herhaaldelijk heeft gezegd : “Mozart blijft deze winter hier”. Nu is het afwachten. Voor de vierde maal heb ik bij Wendling gegeten. Voor het eten kwam graaf Savioli met kapelmeester Schweitzer binnen die hier gisteravond is aangekomen. Savioli zei me : “Ik heb gisteren nog eens met de Keurvorst gesproken, maar hij heeft nog geen besluit genomen”. Ik zei tegen hem : “Ik moet nog een paar woorden met u spreken”, We gingen naar het raam toe. Ik sprak over de twijfel van de Keurvorst en beklaagde me erover, dat het allemaal zo lang duurde, en dat ik hier al zoveel had uitgegeven. Ik vroeg hem of hij er voor wilde zorgen dat de Keurvorst me in een vaste betrekking aannam. Ik was er namelijk bang voor, dat hij me in de wintertijd zo weinig zou geven, dat ik hier niet langer kon blijven. Hij zou me gewoon werk moeten geven, ik werk nu eenmaal graag. Hij zei me, dat hij het hem absoluut zo zou voorleggen, maar niet vanavond nog, omdat hij vandaag niet naar het Hof komt, maar morgen belooft hij me het definitieve antwoord. We kijken wel wat het wordt.  Houdt hij me niet, dan dring ik aan op een reisgeld. Het rondeau een de variaties schenk ik hem niet.  Ik verzeker u , dat ik me bij deze zaak zou rustig houd omdat ik weet dat het alleen maar goed kan gaan, wat er ook gebeurt.  Ik heb me volledig overgegeven aan Gods wil.  Ik hoop, dat u het allegro en andante van de sonate (KV 309)  ontvangen heeft. Hier volgt het rondeau. Kapelmeester Schweizer is een brave en eerlijke kerel. Hij is nuchter en glad als onze (Michael) Haydn, alleen is zijn taalgebruik fijner. In de toekomstige opera staat heel mooie zaken en ik twijfel er niet aan dat ze zal aansl aan. De Alceste (muziek van Anton Schweitzer [1735-1787] , libretto van Christoph Martin Wieland [1733-1813]) is zeer goed ontvangen en is nog niet half zo mooi als de Rosamunde. Dat het het eerste Duitse Singspiel was, heeft daar veel aan bijgedragen.  Nu maakt het op de mensen die alleen maar door het nieuwe worden aangetrokken,  lang zo veel indruk niet meer. De heer Wieland, die het libretto heeft gemaakt,  komt komende winter hierheen. Dan kan ik hem leren kennen, wie weet! Misschien…, wanneer papa dit leest, is alles voorbij, met Gods wil.

Wanneer ik hier blijf, ga ik in de vastentijd in gezelschap van Wendling, Raam, de hoboïst die zo mooi speelt, en balletmeester  (Etienne) Lauchery naar Parijs. Wendling verzekert me, dat ik er geen spijt van zal hebben. Hij was al twee keer in Parijs en is pas terug. Hij zegt, dat het nog de enige plaats is, waar men aan reputatie en geld kan komen,  jij bent een man die tot alles in staat is. Ik zal je wel de goede weg wijzen. Je moet een opera seria, een komisch stuk en een oratorium schrijven, want wie in Parijs een paar opera’s heeft gecomponeerd, krijgt per jaar een zeker bedrag.  Bovendien zijn er dan ook nog het Concert Spirituel (in 1725 door Anne Danican-Philidor gestart) de Academie des Amateurs (in 1769 opgericht door belastingpachter-generaal De la Haye) waar men voor een symfonie vijf louisd’or krijgt. Wanneer je pianoles gaat geven, is het daar gebruikelijk voor twaalf lessen drie louisd’or te geven. In Parijs verkoopt men gedrukte exemplaren van sonates, trio’s  en kwartetten via subscription. Cannabich en Toeschi sturen veel van hun muziek op naar Parijs. Wendling is een man die weet wat reizen is. Ik vraag u  mij uw mening daarover te geven. Mijzelf lijkt het een verstandig en nuttig idee.  Ik reis met een man die het huidige Parijs door en door kent. Er is daar veel veranderd.

Verder geef ik weinig uit, ik geloof dat ik niet half zoveel kwijt ben, omdat ik alleen voor mezelf hoef te betalen omdat mama hier blijft, waarschijnlijk bij Wendling thuis. Op 12 december gaat de heer Ritter (Georg Wenzel Ritter [1748-1808]), die heel mooi fagot speelt,  naar Parijs. Als ik alleen was geweest, zou ik een buitenkans hebben gehad. Hij heeft me er zelf over aangesproken. De hoboïst Ram is een eerlijke en opgewekte kerel van rond de 35 jaar die al veel gereisd heeft en dus ook al de nodige ervaring heeft. De eersterangs musici hier behandelen me met veel sympathie en respect. Men noemt mij gewoon kapelmeester. Ik kan zeggen, dat het me heel erg spijt, dat ik hier geen enkele mis in kopie bij me heb. Ik zou er toch tenminste  één geproduceerd moeten hebben. Ik heb onlangs een mis van Holzbauer gehoord, die ook bij ons in de smaak valt. Had ik in elk geval het Misericordias (het oratorium Misericordias Domini KV 222) maar gekopieerd.  Het is nu eenmaal zo, ik kan er nu niets aan veranderen. Ik zou hebben kunnen besluiten een mis te laten kopiëren, maar dat kost hier veel te veel geld. Misschien zou ik niet eens zoveel voor de mis hebben gekregen als ik voor de kopieerkosten zou moeten betalen, want men is hier niet zo vrijgevig.

 

[…]

 

***

 

Mannheim,  6 december 1777

 

mon trés cher Pére!             

 

Ik kan al weer niets schrijven! Nu gaat me deze grap echt te lang duren. Ik ben nog wel nieuwsgierig hoe het gaat aflopen.  Graf Savioli heeft al drie maal met de Keurvorst gesproken en het antwoord was steeds een schouderophalen en “ ik zal nog wel antwoorden, maar ik ben er nog niet uit”.  Mijn goede vrienden zijn het helemaal met me eens, dat deze weigering en terughoudendheid meer een goed dan een slecht teken is.  Want wanneer de Keurvorst helemaal niet van plan geweest zou zijn mij in dienst te nemen, zou hij dat zeker gelijk gezegd hebben. Volgens mij wordt deze terughoudendheid alleen maar veroorzaakt door ….denari, siamo un poco scrocone. (Mozart bedoelt waarschijnlijk spilorcione, gierigaard) Ik ben er overigens van overtuigd,  dat de keurvorst me goed gezind is.  À bon conto moeten we maar afwachten. Het zou me een lief ding zijn, wanneer deze zaak goed afliep, want het zou me spijten wanneer ik hier voor niets zo lang gezeten heb en zoveel geld heb uitgegeven. Het mag gaan zoals het gaat en het kan alleen maar goed gaan wanneer het naar Gods wil gaat.  Daar bid ik dagelijks om.  Papa heeft denk ik de belangrijkste oorzaak, de vriendschap met Cannabich, wel geraden. Die kan me nog voor een kleinigheid gebruiken, hij moet namelijk van al zijn balletten een klein receuil uitbrengen, maar dan voor piano alléén. Nu kan hijzelf onmogelijk de muziek zo schrijven, dat het goed klinkt en toch makkelijk is.  Hiervoor ben ik hem, zoals ik dat ook al met een contredans was, zeer welkom. Hij is al acht dagen op jacht en komt pas komende dinsdag terug. Zulke zaken dragen  veel aan een goede vriendschap bij, maar ook afgezien daarvan is hij me, geloof ik, goed gezind. Want hij is erg veranderd. Wanneer men op een zekerer leeftijd komt en zijn kinderen ziet opgroeien…gaat men toch ook een beetje anders denken. Zijn dochter die vijftien jaar is, maar zijn oudste kind, is een heel mooi , aardig meisje. Ze is voor haar leeftijd heel verstandig en evenwichtig. Ze is serieus, praat weinig, maar wat ze zegt…gebeurrt met charme en vriendelijkheid. Gisteren heeft ze me weer een onbeschrijfelijk genoegen gedaan : ze heeft mijn sonate  (KV 309) voortreffelijk gespeeld. Het andante, dat niet snel genomen moet worden,  speelt ze met alle mogelijke gevoel en ze speelt het ook erg graag. U weet dat ik op de tweede dag dat ik hier was, al het eerste allegro klaar had en daarna mademoiselle voor de eerste keer zag. Toen vroeg me Danner junior (~Christian Danner,  [1757-1813] , violist in het hoforkest)  hoe ik van plan was het andante te componeren. “Ik wil het helemaal schrijven naar het karakter van mademoiselle Rose”. Toen ik het speelde, beviel het buitengewoon. Danner vertelde dat later. Het is ook zo : zoals het andante, is ook zij. Ik hoop, dat u de sonate in goed orde heeft ontvangen.

 

[…]

 

Naschrift : ik kom nu net van Wendling terug, zodra ik deze brief naar de post heb gebracht, ga ik er weer vandoor. Men gaat in de Camera Caritatis de opera repeteren. Om half zeven ga ik dan naar Cannabich voor de gebruikelijke pianoles. Ik moet wat rechtzetten : ik heb gisteren geschreven, dat mademoiselle Cannabich 15 jaar  oud is, maar ze is pas 13 en wordt binnenkort 14.

 

[…]

 

***

 

Mannheim, 10 december 1777


Mon Trés cher Pére!    

Met de Keurvorst ben ik tot op heden niets opgeschoten. Eergisteren was ik bij het academieconcert aan het Hof om een antwoord te krijgen. Graaf Savioli ging me behendig uit de weg. Ik ging echter op hem af en toen hij me zag haalde hij zijn schouders op. “Wat?”,  zei ik,  “nog steeds geen antwoord? “ “Mijn excuses”, zei hij, “maar het wordt niets”.  “Eh bien” , zei ik, “dat zou me de Keurvorst eerder hebben kunnen zeggen”.  “Ja”,, zei hij, “ hij had nog geen besluit genomen  wanneer ik hem daartoe niet had aangespoord en had duidelijk gemaakt, dat u hier al zo lang zit en in de herberg uw geld opmaakt”.  “Dat spijt me nog het meest” , antwoordde ik, “dat is helemaal niet zo mooi. Overigens ben ik u,  mijnheer de graaf (want men noemt hem niet excellentie), zeer erkenteijk, dat u zich zo ijverig voor mij heeft ingezet en ik vraag u de Keurvorst namens mij te bedanken voor het weliswaar late, maar toch genadige antwoord”. Ik verzekerde hem, dat het hem zeker nooit zou hebben berouwd wanneer hij mij had aangenomen.  “O, daarvan ben ik meer verzekerd, dan u zult geloven”,  zei hij. Hierna  bracht ik het besluit van de Keurvorst aan de heer Wendling over, die helemaal rood werd  en opgewonden zei : “Dan moeten we gauw een oplossing bedenken.  U moet hier blijven, zeker nog twee maanden, tot we met elkaar naar Parijs kunnen gaan. Morgen komt Cannabich van de jacht terug, dan kunnen we het er verder over hebben”.  Ik verliet de academie onmiddellijk en ging direct naar madame Cannabich. De heer Schatzmeister (de heer Gres) ging met me mee. Hij is een aardige kerel en een goede vriend van mij. Ik heb het hem onderweg verteld. U kunt zich niet voorstellen, hoe kwaad hij zich erover heeft gemaakt. Toen we de kamer binnengingen, nam hij gelijk het woord en zei : “ zo, daar is weer iemand die zoals gewoonlijk wat moois meemaakt aan het hof”.  “Wat?” , zei madame, “het is dus niets geworden?”. Ik vertelde hun alles. Zij vertelden me over allerlei dergelijke voorvallen die hier gepasseerd zijn. Toen mademoiselle Rose die drie kamers verder bezig was en juist met de was klaar was, kwam ze binnen en zei me : “Komt het u nu goed uit?”. Wanr het was tijd voor de pianoles.  “Tor uw dienst”, zei ik. “Dan zullen we vandaag heel wat vorderingen maken”. “Dat denk ik ook”, antwoordde ik, “ want het duurt niet meer zo lang”. “Hoe dat zo? Hoe dat zo? En waarom? “. Ze ging naar haar moeder toe en die vertelde het haar. “Wat?”, zei ze, “is dat echt waar? Dat geloof ik niet”. “Ja, ja, zeker”, zei ik. Daarop speelde ze mijn sonate  (KV 309) heel serieus. Moet u horen, ik kon mijn tranen niet bedwingen. Ook bij moeder, dochter en de heer Schatzmeister sprongen de tranen in de ogen. Want ze speelde juist de sonate die de favoriet was van het hele huis.  “Luister maar”,  zei  Schatzmeister, “wanneer de kapelmeester  (hier noemt men mij niet anders) weg gaat, maakt hij ons allemaal aan het huilen. Ik moet zeggen, dat ik hier heel goede vrienden heb, want in zulke omstandigheden leert men ze kennen. Want ze zijn het niet alleen in woorden, maar ook in daden. De volgende dag  ging ik weer bij Wendling eten.  Hij zei me : “Onze Indiaan, (de Westindiër Willem van Britten  Dejong)dat is een Hollander die van zijn eigen middelen  leeft, een liefhebber van alle wetenschappen en een groot vriend en vereerder van mij, is toch wel een typische man : hij geeft u 200 fl wanneer u voor hem drie kleine, gemakkelijke en korte  concerten (KV 313 en 314 zijn ook inderdaad gecomponeerd) componeert en een paar fluitkwartetten  (KV 285, KV 285 a,  KV 285 b ). Via Cannabich  krijgt u op zijn minst twee leerlingen die goed betalen.  Componeer hier duetten voor piano en viool en laat die per suscription drukken. Zowel ’s middags als ’s avonds eet u bij ons. U verblijft bij de Hofkammerrath (~ Serrarius) . Dat kost u allemaal niets.  Voor uw moeder zullen we voor de twee maanden totdat u dit alles naar huis geschreven zult hebben, een prima verblijf regelen.  Daarna reist uw moeder naar huis en wij gaan naar Parijs. Mama gaat ermee akkoord. Het komt nu op uw toestemming aan, waarvan ik zo zeker ben, dat ik, wanneer het al tijd was om naar Parijs te gaan,  dadelijk vertrok, want van iemand die  die zo verstandig is en zoveel om zijn kinderen geeft, kan men niets anders verwachten.

[…]

Nu moet ik naar bed. Ik zal komende twee maanden genoeg te componeren hebben : drie concerten, twee kwartetten, vier of zes duetten voor piano. Ik ben ook van plan, een nieuwe grote mis (waarvan het Kyrie KV 322 ook inderdaad gecomponeerd is) te componeren en die te presenteren aan de Keurvorst.

***                                 

Mannheim, 14 december 1777

 

(Naschrift bij een brief van moeder Mozart aan haar man en dochter)

 

Ik kan maar een paar woordjes schrijven. Pas om vier uur ben ik thuis gekomen om mademoiselle hier thuis les te geven. Het is nu al half zes en tijd om de brief te beëindigen.  Ik wil mijn moeder zeggen, dat ze steeds enkele dagen vooruit schrijft, zodat niet alles samen komt. De weinige tijd die ik heb, moet ik aan componeren besteden.  Er ligt me nog heel wat werk te wachten.  Vanwege de reis naar Parijs verzoek ik u me snel te antwoorden. Ik heb Wendling mijn Concertone (KV 190) op de piano laten horen. Volgens hem is het echt iets voor Parijs en zou Baron Bach (Karl Ernst Freiherr von Bagge) helemaal buiten zichzelf zijn wanneer ik het hem zou laten horen.

 

***

Mannheim, 18 december 1777

 

(Naschrift bij brief van moeder Mozart aan haar man)

 

Het orgel dat vandaag in de Lutherse kerk is getest, is voortreffelijk, zowel in het plenum als in de afzonderlijke registers. Vogler heeft erop gespeeld. Hij is om zo te zeggen alles behalve een duivelskunstenaar. Zodra hij iets  majesteitelijks wil spelen, vervalt hij in een droge stijl en men is blij dat hem de tijd al gauw te lang wordt en het niet lang meer duurt. Maar wat volgt daarop?  Een onbegrijpelijke kluwen. Vanuit de verte luisterde ik ernaar. Daarna begon hij met een fuga waarvan zes noten op één toon waren, en presto.  Ik ging naar boven , naar hem toe. Ik wil hem inderdaad liever zien dan horen. Er waren heel wat mensen daar, ook van de musici, Holzbauer, Cannabich en anderen.. Een kwartet voor de Indiaanse Hollander, voor de ware mensenvriend , is ook al klaar.

 

***

 

Mannheim, 20 december 1777

 

(Naschrift bij een brief van moeder Mozart aan haar man)

Ik schrijf dit nu om 11 uur ’s avonds, omdat ik anders geen tijd heb. Vóór acht uur kunnen we niet opstaan, want in onze kamer die begane gronds is, wordt het pas om half negen licht. Dan kleed ik me vlug aan. Om tien uur ga ik componeren tot twaalf uur of half twaalf, dan ga ik naar Wendling, daar componeer ik nog een beetje tot half twee, dan gaan we eten. Ondertussen is het drie uur. Dan moet ik naar de herberg Het Hof van Mainz naar een Hollandse officier (~ Ferdinand Guillaume Duval de la Pottrie uit Lausanne)  om hem in gallanterie en generale bas les te geven, waarvoor ik, als ik me niet vergis, 4 ducaten voor twaalf lessen ontvang. Om vier uur moet ik naar huis om de dochter les te geven. We beginnen dan nooit voor half vijf, omdat we wachten tot de kaarsen aangaan.  Om zes uur ga ik naar Cannabich en geef daar mademoiselle Rose les. Daar blijf ik ’s avonds eten. Dan wordt er gediscuriert, of soms ook gespeeld. Dan neem ik altijd een boek om te lezen, zoals ik het in Salzburg ook gewoon was te doen.

***

 

Mannheim,  4 februari 1778

 

Monsieur mon trés cher Pére!                       

 

[…]

Op maandag, dinsdag en woensdag was er weer muziek. Mademoiselle Weber zong dertien maal en speelde twee maal piano. Ze speelt helemaal niet slecht. Wat me het meest verbaast, is dat ze zo goed van het blad leest. Stelt u zich eens voor , ze heeft mijn moeilijke sonates  ( KV 279-284) langzaam, maar zonder één noot te missen prima vista gespeeld. Op  mijn woord, ik hoor mijn sonates liever door haar gespeeld worden dan door Vogler. Ik heb in totaal twaalf maal gespeeld en eenmaal op verzoek in de Lutherse kerk op het orgel gespeeld. Verder heb ik de vorstin (prinses Caroline von Nassau-Weilburg)  met vier symfonieën  een plezier kunnen doen en niet meer dan zeven louisd’ or in zilvergeld gekregen. Mijn lieve mademoiselle Weber kreeg er vijf. Dat had ik me waarachtig niet zo voorgesteld. Ik heb nooit op veel geld gehoopt, maar op zijn minst toch wel op acht louisd’or.

[…]

(Mozart ziet af van een reis naar Parijs met Wendling en Ramm vanwege hun libertijnse gedachtengoed)

[…]

Ik maak hier helemaal op mijn gemak de muziek af voor De Jean. Dan krijg ik mijn 200 fl. Ik kan hier blijven zolang ik wil, noch kost noch verblijf kost me iets. Ondertussen zal de heer Weber zijn best doen zich op concerten met mij te engageren. Dan gaan we met elkaar op reis. Wanneer ik met hem reis is het alsof ik met u reis. Daarom waardeer ik hem ook zo, omdat hij, afgezien van zijn uiterlijk, zo volkomen op u lijkt en helemaal uw karakter en denktrant heeft.  Wanneer mijn moeder niet te lui was om te schrijven, zou ze u hetzelfde geschreven hebben.  Ik moet bekennen dat ik heel graag met hen op pad ging. We waren opgeruimd en vrolijk. Ik hoorde een man spreken als u. Ik hoefde me om niets druk te maken. Wat stuk was vond ik hersteld, kortom, ik werd als een vorst bediend. Ik heb deze bescheiden familie zo lief, dat ik alleen maar wens haar gelukkig te kunnen maken. Misschien lukt me dat ook. Mijn advies is, dat ze naar Italië vertrekken. Daarom zou ik u willen vragen dat u hoe eerder hoe liever aan onze goed vriend Lugiati schrijft en informeert hoeveel men maximaal aan een Prima Donna in Verona geeft.  Hoe meer hoe beter, naar omlaag kan altijd nog. Misschien kan men zelfs in aanmerking komen voor de Ascenza (het hoogseizoen in de theaters rond Hemelvaartsdag)  in Venetië. Voor haar zang kan ik met mijn hele persoon in staan. Ik hoef me voor haar bepaald niet te schamen.  De afgelopen korte tijd heeft ze al veel van me geprofiteerd en dat zal in de toekomst net zo zijn. Ook wat haar acteertalent betreft maak ik me geen zorgen. Wanneer dat gebeurt, zullen wij, de heer Weber, zijn twee dochters en ik de eer hebben mijn lieve papa en mijn lieve zuster tijdens de doorreis over veertien dagen te bezoeken. Mijn zuster zal in mademoiselle Weber een vriendin en kameraad vinden. Ze geniet hier een goede reputatie, zoals mijn zuster in Salzburg vanwege de kwaliteit van haar uitvoeringen. Haar vader geniet die zoals ik,  de gehele familie Weber zoals de familie Mozart. Net als bij ons zal er ook daar jaloezie en afgunst zijn, maar wanneer dat gaat spelen, moet u ons gewoon de waarheid zeggen. Eerlijk duurt het langst. Ik verheug me erop, wanneer ik met hen naar Salzburg kan komen. Dan kunt u zelf horen hoe voortreffelijk ze mijn aria’s voor (Anna Lucia)  De Amicis, zingt, zowel de bravour-aria als Parto, m’affretto, en dalla sponda tenebrosa. Ik vraag u uw uiterste best te doen, dat we naar Italië kunnen komen. Mijn grootste verlangen is opera’s te schrijven. Voor Verona schrijf ik graag een opera voor vijftig zecchini. Alleen maar om haar roem te laten verwerven. Wanneer ik die niet componeer ben ik bang, dat ze opgeofferd wordt.

***

Mannheim,  13 februari 1778

 

Naschrift  bij een brief van moeder Mozart aan haar man

 

[…]

 

De heer De Jean die morgen naar Parijs reist, heeft me, omdat ik niet meer dan twee concerten (KV 313 en 314) en drie fluitkwartetten (KV 285)  heb afgekregen, slechts 96 fl gegeven, op 4 fl de helft dus van wat afgesproken was. Hij moet me echter alles betalen want ik heb met Wendling afgesproken dat ik hem de rest alsnog opstuur. Dat ik het niet heb af kunnen krijgen, is te begrijpen. Ik heb hier geen rustig moment. Ik kan alleen maar ’s nachts schrijven. Ik kan ook niet vroeg opstaan.  Men is ook niet altijd in de stemming om te componeren. Aanrommelen zou ik de hele dag kunnen, maar een dergelijke compositie komt naar buiten en gaat de wereld in.  Ik wil me er niet over hoeven schamen wanneer mijn naam erop staat. Zoals u weet sla ik altijd dicht wanneer ik voor een instrument moet schrijven dat ik niet kan uitstaan. Voor de afwisseling heb ik daarom wat andere dingen gecomponeerd zoals de duetten voor piano en viool en de mis. Nu ben ik heel serieus met de pianoduetten  (KV 301, 302, 303 en 305) bezig om ze te laten drukken. (de sonates verschenen in november 1778 bij Jean Georges Sieber in Parijs)

 

[…]

 

Ik vraag u  me de gevraagde aria’s te sturen samen met de cadensen (KV 293 e) .  Vooral een Aria Cantabile in heel karakteristieke stijl. Dat stuk vooral, want het zal voor mademoiselle Weber een exercitium zijn. Eergisteren heb ik haar een Andantino Cantabile van Bach geleerd. Gisteren vond bij Cannabich een academieconcert plaats. Op een symfonie van Cannabich na waren alle andere stukken van mijn hand. Rose heeft mijn concert in Bes gespeeld (KV 238) , de heer Ramm heeft voor de afwisseling voor de vijfde maal mijn hoboconcert  (KV 314,  KV 285 d) voor Ferlendi  (~Giuseppe Ferlendi, 1755, na 1802, als hoboist werkzaam in de hofkapel van Salzburg)gespeeld, dat hier enorm veel succes heeft en het stokpaardje van de heer Ramm geworden is.  Daarna zong mademoiselle Weber de Aria di Bravura  ( ~ ‘Ah, se il crudel’ uit Lucio Silla) , geschreven voor  De Amicis voortreffelijk. Toen speelde ik mijn concert in D KV 175)  dat hier ook grote bijval krijgt. Ik vervolgde het concert met een improvisatie van een half uur, waarna mademoiselle Weber de aria Parto, m’affretto (aria nr 16 uit Lucio Silla) van De Amicis heeft gezongen, met veel applaus nadien. Tot slot werd mijn symfonia (~ouverture)  uit Re Pastore gespeeld.  Ik vraag u bovenal, draag zorg voor mademoiselle Weber!

 

[…]

 

***

 

Mannheim,  28 februari 1778

 

Monsieur mon trés cher Pére!

 

Gisteren was ik bij Raff en bracht voor hem een aria mee die ik dezer dagen voor hem heb geschreven. De tekst luidt : se al labro mio non credi, belle nemica mia  (KV 295)  etc. Ik geloof niet, dat de tekst van Metastasio is. Raff was zeer ingenomen met deze aria. Zo’n man heeft een heel bijzondere gebruiksaanwijzing. Ik heb uitdrukkelijk deze tekst gekozen omdat ik wist dat hij al een aria op deze woorden heeft. Zo zal hij de nieuwe aria gemakkelijker en ook met meer plezier zingen. Ik heb hem gezegd, dat hij me eerlijk moet zeggen, wanneer de aria hem niet bevalt. Ik wil voor hem de aria veranderen zoals hij wil, of een andere componeren.  “ Bij God, nee! “, zei hij, “de aria moet blijven zoals ze is, want ze is erg mooi, alleen vraag ik u om een kleinigheid. Kunt u de aria voor me inkorten, want ik ben tegenwoordig niet meer zo goed in het soutenieren”.  “Volgaarne, zo veel als u wilt”, antwoordde ik. Ik heb hem met opzet juist wat langer gemaakt, want coupures maken kan altijd nog. Toevoegen is heel wat moeilijker. Nadat hij het tweede deel had gezongen, deed hij zijn bril af, keek me met grote ogen aan, en zei : “Mooi, mooi! Dat is een mooie seconda parte!”.  En hij zong het driemaal achtereen.  Toen ik weg ging, bedankte hij me heel hartelijk.  Ik verzekerde hem, dat ik de aria zo voor hem zou arrangeren, dat hij ze zeker graag zou zingen.  Want ik houd ervan, dat een aria zo goed bij een zanger past als  een maatpak. Ik heb ook bij wijze van oefening de aria non sò d’onde viene etc. die zo mooi door Bach is gecomponeerd, opnieuw gecomponeerd (KV 294) omdat ik die van Bach zo goed ken, zo mooi vind en altijd in mijn oren heb. Ik heb willen proberen of ik niet in staat zou zijn naast die aria van Bach  een aria te componeren die er helemaal niet op lijkt. Deze aria had ik aanvankelijk aan Raff toegedacht, maar gelijk al het begin leek me voor Raff te hoog en ik vond hem te mooi om zo maar te veranderen. Ook vanwege de instrumentatie scheen hij mij geschikter toe voor een sopraan. Daarom besloot ik deze aria in te  richten voor mademoiselle Weber. Ik legde ze terzijde en nam de woorden se al labro etc voor Raff voor me. Tevergeefse moeite! Ik kon ze onmogelijk componeren, want steeds weer stond me de eerste aria voor de geest. Toch componeerde ik ze en nam me voor ze speciaal voor mademoiselle Weber te componeren. Het is een Andante sostenuto met een klein recitatief vooraf. In het midden het andere deel, nel seno à destarmi, dan weer het sostenuto. Toen ik ze klaar had , zei ik tegen mademoiselle Weber : “Leer de aria op eigen kracht en zing haar naar uw eigen smaak. Laat haar dan aan me horen, dan zal ik u eerlijk zeggen, wat me eraan bevalt en wat niet”. Na twee dagen kwam ik terug, ze zong me de aria voor en begeleidde zichzelf.  Ik moet eerlijk bekennen, dat ze de aria zo accuraat heeft gezongen als ik het had gewenst en het haar had willen aanleren. Het is nu de beste aria die ze heeft. Ze zal er overal eer mee inleggen., waar ze ook maar komt.  Gisteren heb ik bij Wendling thuis een schets gemaakt van de aria die ik haar had beloofd, met een kort recitatief. Ze koos zelf de woorden uit, uit de Didone : ah non lasciarmi nò. (KV 486a) Zij en haar dochter zijn helemaal gek op deze aria. De dochter heb ik nog een paar Franse ariettes beloofd. Met één ervan ben ik al begonnen (KV 308) . Wanneer ze klaar zijn zal ik ze net als de eerste op klein papier sturen. Van de zes pianosonates moet ik er nog twee componeren (KV 304 en 306) , maar ik heb er geen haast bij, want ik kan ze hier toch niet laten drukken. De subscriptiemethode werkt hier van geen kant, het is smeken en soebatten. De graveur wil ze niet op zijn kosten laten graveren. Hij wil de helft van de opbrengst. Dan laat ik ze liever in Parijs drukken. Daar zijn de graveurs blij wanneer ze wat nieuws krijgen en ze betalen stipt. Ook met subscriptie valt daar meer te doen.  Ik zou al lang voor u de sonates stuk voor stuk hebben laten kopiëren en hebben opgestuurd. Ik stuur ze liever wanneer ze gedrukt zijn. Ik verheug me enorm op het Concert Spirituel waarvoor ik waarschijnlijk wel muziek moet schrijven. Het orkest daar moet goed en sterk bezet zijn.  Koormuziek, mijn absolute favoriet, kan men daar goed uitvoeren.  Ik ben erg blij, dat de Fransen er zoveel waarde aan hechten. Dat was ook de enige kritiek op Piccini’s nieuwe opera Roland, dat namelijk de koren te kaal en te zwak zijn en de muziek een beetje te eenvormig. Verder heeft ze alle bijval gevonden.  In Parijs was men gewend aan de koren van Gluck.  Vertrouw mij maar : ik zal al mijn krachten gebruiken om de naam Mozart van een eervolle reputatie te voorzien.

 

[…]

 

***

 

Parijs,   24 maart 1778

 

Mon trés cher Pére

 

[…]

 

Morgen vroeg ga ik  naar de keurpfalzelijke minister de heer Von Sückingen (~ Karl Heinrich Joseph  Graf Sickingen zu Sickingen, keurpfalzelijk gezant in Parijs) die een groot kenner en gepassioneerd liefhebber van muziek is en voor wie ik twee brieven heb van de heer Von Gemmingen (~Otto Freiherr von Gemmingen-Hornberg, diplomaat in Mannheim)  en monsieur Cannabich. Voor mijn vertrek naar Mannheim heb ik voor de heer Von Gemmingen een paar kopieën laten maken, ten eerste van het kwartet (KV 80)  dat ik ’s avonds in de herberg te Lodi  heb geschreven,  verder van  het kwintet (KV 174) en ook nog van  de variaties van Fischer (KV  179).  Hij schreef me een hoffelijk bedankje en sprak  daarin zijn  genoegen  uit over het aandenken  dat ik voor hem achterliet. Ook gaf hij me een brief mee aan zijn goede vriend, de heer Von Sückingen, met de woorden :  ik ben ervan overtuigd, dat u  meer een aanbeveling voor de brief zult zijn, dan hij voor u kan zijn. Om me schadeloos te stellen voor de kosten van het kopiëren gaf hij me drie louisd’or. Hij verzekerde me van zijn vriendschap en vroeg om de mijne.  Ik moet zeggen, dat iedereen hier heel verdrietig was om mijn vertrek. Zaterdag de 14e vertrokken we en de donderdag daaraan voorafgaande was er een academie-middag  bij Cannabich waar mijn concert voor drie piano’s  (KV 242) werd gespeeld. Mademoiselle Rosl Cannabich speelde de eerste piano, mademoiselle Weber de tweede   en mademoiselle Piérron Serarius, onze huisnimf, de derde.  Na drie repetities gedaan te hebben ging het heel goed. Ook heeft mademoiselle Weber twee aria’s van mij gezongen, de Aer tranquillo uit Rè Pastore (KV 208) en de nieuwe, non sò d’onde viene (KV 294) . Met deze laatste heeft mijn liefste  mademoiselle Weber ongelooflijk veel succes gehad.  Iedereen  zei nog nooit door een aria zo geroerd te zijn als door deze.  Ze heeft haar trouwens ook gezongen zoals men haar moet zingen.  Cannabich  schreeuwde, zodra de aria afgelopen was : bravo, bravissimo, maestro, veramente scritta da maestro. Ik heb haar hier voor het eerst met instrumentale begeleiding gehoord.  Ik zou wensen, dat u erbij was geweest.   Zo prachtig als ze daar werd gespeeld  en gezongen, met deze accuratesse in gusto, piano en forte!  Wie weet, misschien hoort u ze toch nog eens.  Ik hoop het maar, want de orkestleden hielden maar niet op de aria te prijzen en erover te spreken.

 

Madame en Monsieur Cannabich hebben geen woord tegen me gezegd, geen enkel woordje van dank, terwijl ik toch  zo veel tijd aan hun dochter (Rosa) heb besteed. Ze kan zich nu zeker overal laten horen. Voor een meisje van veertien en voor een  dilettante speelt ze erg goed. Dat heeft ze aan mij te danken, dat weet heel Mannheim. Ze heeft nu gusto, beheerst trillers, tempo en vingerzetting die ze voordien niet had. De komende drie maanden zullen ze me erg missen, want ik  ben bang dat ze weer achteruit zal gaan, door eigen of andermans schuld.  Wanneer ze niet altijd een  meester die  verstand van zaken heeft, om zich heen heeft, is het allemaal voor niets geweest. Ze is nog te kinderlijk en oppervlakkig om alleen serieus te studeren.

 

[…]

 

***

 

Parijs,  1 mei 1778

 

Mon trés cher pére!

 

[…]

 

De heer Grimm gaf me een bief voor madame La Duchesse de Chabot. Ik ging naar haar toe. De inhoud van de brief was hoofdzakelijk mij bij de Duchesse de Bourbon, die toen in het klooster was, aan te bevelen en me opnieuw met haar in contact en onder haar aandacht te brengen. Er gingen acht dagen voorbij zonder de minste reactie. Ze had me voor acht dagen erna uitgenodigd, ik hield me aan mijn woord en was bij haar. Ik moest een half uur  in een grote,  ijskoude, onverwarmde  kamer  zonder haard blijven wachten. Eindelijk kwam daar de duchesse met de grootste voorkomendheid en vroeg  me de piano maar voor lief te nemen, omdat geen van haar instrumenten in goede conditie was.  Ik zou het kunnen proberen.  Ik antwoordde, dat ik dolgraag iets wilde spelen, maar dat dat nu onmogelijk was, omdat ik vanwege de kou helemaal geen gevoel meer in mij vingers had. Ik vroeg haar, of ze me naar een kamer wilde brengen waar toch op zijn minst een brandende kachel stond.  O, oui, monsieur, vous avez raison, dat was haar enige antwoord. Toen ging ze zitten en begon een uur lang te tekenen in gezelschap van andere heren,  die allemaal in een cirkel rond een grote tafel zaten. Toen had ik de eer een heel uur te wachten. Ramen en deuren stonden open. Niet alleen in mijn handen, maar ook in mijn lijf en mijn voeten verging ik van de kou.   Ook kreeg ik gelijk koppijn. Altum silentium heerste alom.  Ik wist niet wat te beginnen vanwege de kou, de hoofdpijn en de verveling. Vaak dacht ik : wanneer het me niet om de heer Grimm ging,  stapte ik onmiddellijk op. Uiteindelijk speelde ik op die ellendige piano, maar het ergste was, dat de madame  en alle heren geen ogenblik ophielden met tekenen, maar steeds maar verder gingen, zodat ik voor de stoelen, de tafel en de muren zat te spelen.  Door deze afschuwelijke toestand was mijn geduld op. Ik begon met de variaties van Fischer (KV 179) , speelde de helft en stond op.  Toen klonken er overal eloges. Ik zei echter wat er te zeggen was, namelijk dat ik met deze piano geen eer kon inleggen en dat het mee een lief ding zou zijn, een andere dag te kiezen, waarop een betere piano beschikbaar zou zijn. Ze gaf echter niet toe, ik moest nog een half uur wachten, tot dat mijnheer er was. Die ging bij me zitten en luisterde met alle aandacht. En ik, ik  vergat alle kou, hoofdpijn en speelde op die rotpiano zo, zoals ik speel wanneer ik in een goed humeur ben. Geef me maar de beste piano van Europa,  wanneer de toehoorders er niets van begrijpen of begrijpen willen, en  niet met me meevoelen wat ik wil spelen, dan is het plezier er voor mij helemaal af. Ik heb de heer Grim naderhand alles verteld. U schrijft me dat ik braaf visites moeten maken om contacten te leggen en de oude contacten te vernieuwen.  Dat is echter niet mogelijk. Te voet gaan is geen optie : de afstanden zijn te groot en bovendien is Parijs een onbeschrijfelijke mesthoop. Een wagen nemen? Dan heeft men de eer dagelijks vier tot vijf livres te betalen, en allemaal voor niets. Want de mensen hier geven graag complimenten en dan is het over. Ze bestellen me op die en die dag. Dan speel ik  totdat  o, c’est un prodige, c’est inconcevable, c’est étonnant in mijn oren klinkt. En dan addieu.  Ik heb hier in het begin al  geld genoeg uitgegeven, en vaak voor niets, omdat ik de mensen niet thuis trof.  Wie niet hier is, heeft er geen idee van hoe rampzalig dat is. Overigens is Parijs behoorlijk veranderd. De Fransen hebben lang zoveel politesse niet meer als vijftien jaar geleden. Hun gedrag grenst aan pure grofheid. Qua omgangsvormen zijn ze ronduit afschuwelijk.

 

Nu moet ik u een beschrijving gven van een Concert Spirituel, maar ik meld terloops ook maar, dat mijn koorwerken tevergeefs gecomponeerd zijn, want het Miserere van Holzbauer is toch al lang en was geen succes. Daardoor zijn er van mij in plaats van vier maar twee koorwerken uitgevoerd. Het beste heeft men laten liggen, maar dat zegt niet veel, want veel mensen hebben niets eens geweten dat er wat van mij bij zat, en veel mensen kennen me niet eens. Overigens was bij de repetitie de bijval groot. Nu kan me de waardering van de Parijzenaars niet schelen :  ik ben zelf echt tevreden met mijn koorwerken.  Nu is er weer gedoe over mijn Sinfonie Concertante, (KV 297 B) waar volgens mij weer wat anders achter steekt. Ook hier heb ik weer mijn vijanden. Waar heb ik die niet gehad? Maar dat is eigenlijk ook een goed teken. Ik heb de synfonie moeten componeren, in de grootste haast, ik heb enorm mijn best gedaan en de vier uitvoerenden waren en zijn er helemaal weg van. Le Gros heeft ze vier dagen onder zijn hoede om ze te laten kopiëren. Toch merk ik dat ze nog altijd op dezelfde plaats liggen.  Eergisteren tref ik ze niet meer aan en zoek ze onder de musicalia. Ik zie, dat ze daar tussen liggen, wat ik zelf nooit zo doe. Ik vraag Le Gros : apropós, heeft u de Sinfonie Concertante al laten kopiëren? Nee, ik ben het vergeten. Omdat ik hem natuurlijk geen bevel kan geven om ze te laten kopiëren, zei ik niets.  Ik ging de tweede dag dat ze uitgevoerd had moeten worden, naar het concert. In de grootste opwinding kwamen Ram en Punto op me af en vroegen me waarom mijn Sinfonie Concertante niet werd gespeeld. Dat weet ik niet. Dit hoor ik voor het eerst. Ik weet van niets. Ram is uit zijn vel gesprongen en heeft in het Frans in de muziekkamer over Le Gros gescholden, dat het niet fraai van hem was etc. Wat me bij dat alles het meest irriteert, is, dat Le Gros er met geen woord met me over gesproken heeft. Ik had er niets van mogen weten.  Als hij nou nog zijn excuses had gemaakt, dat hij te weinig tijd had gehad of iets dergelijks, maar helemaal niets.  Volgens mij zit Cambini, een Italiaanse maestro hier achter, want die heb ik zonder opzet de ogen uitgestoken tijdens een eerste bijeenkomst bij Le Gros.  Hij heeft kwartetten gecomponeerd waarvan ik er één in Mannheim gehoord heb. Ze zijn heel aardig en daarom liet ik me positief over die stukken uit.  Ik speelde hem het begin voor. Ritter, Ram en Punto waren erbij en drongen er bij mij op aan, verder te spelen en ik weet niet wat er zelf aan toe te voegen. Dat deed ik dus en Cambini was buiten zichzelf , kon zich niet beheersen en zei : questa è una gran Testa! Goed, dat zal hem helemaal niet hebben bevallen.  Wanneer het hier een plaats was, waar mensen oren zouden hebben, een hart om mee te voelen, en iets, al was het maar weinig, van muziek zouden begrijpen en gusto zouden hebben, dan zou ik samekelijk om dit soort dingen kunnen lachen, maar wat muziek betreft, ben ik terecht gekomen onder louter beesten. Hoe kan dat ook anders, zij zijn in al hun handelingen, hartstochten en passies nu eenmaal zo.

 

[…]

 

***

 

Parijs,  14 mei 1778

 

Naschrift van Mozart bij een brief van moeder Mozart aan haar man

 

Ik heb op dit moment heel veel te doen. Hoe zal het gaan wanneer het winter is? Ik geloof dat ik u al in mijn laatste brief geschreven heb, dat de Duc de Guines, wiens dochter mijn compositieleerlinge is, onvergelijkelijk mooi fluit speelt en dat zij  een magnifiek harpiste is.  Ze heeft erg veel talent en genie, in het bijzonder een uitzonderlijk geheugen. Ze speelt alle tweehonderd stukken die ze op repertoire heeft, uit het hoofd. Ze twijfelt er echter sterk aan of ze ook talent heeft voor componeren, vooral vanwege gebrek aan gedachten, ideeën. Haar vader, die onder ons gezegd,  een beetje al te gek op zijn dochter is, zegt, dat ze absoluut ideeën heeft. Het zou alleen maar verlegenheid zijn, ze zou te weinig zelfvertrouwen hebben.  We moeten maar zien.  Wanneer ze geen ideeën of gedachten krijgt is alles voor niets, want tot op heden heeft ze werkelijk geen enkel idee gehad.  Ik kan haar er, God weet dat, zelf niet geven.   Het is niet de bedoeling van haar vader een groot componiste van haar te maken, ze hoeft, zegt hij, geen opera’s, geen aria’s, geen concerten, geen symfonieën, maar alleen maar grote sonates voor haar instrument en het mijne, de fluit, te schrijven.  Vandaag heeft ze van mij haar vierde les gekregen,  en wat betreft de compositieregels en het componeren zelf, ben ik redelijk over haar tevreden. Ze heeft een heel goede bas geschreven bij het eerste menuet dat ik haar had voorgelegd. Nu begint ze driestemmig te schrijven. Het gaat, maar tegelijkertijd verveelt ze zich. Ik kan haar echter niet helpen.  Ik kan onmogelijk verder gaan. Dat is te vroeg,  ook wanneer er werkelijk van talent sprake zou zijn, wat helaas niet het geval is. Ik zal alles  volgens de regels moeten doen.  Ze heeft totaal geen gedachten en daarom komt er niets van terecht. Ik heb het op alle mogelijke manieren met haar geprobeerd. Ik kwam onder andere op het idee, een heel eenvoudig menuet voor haar op te schrijven waarbij zij dan een variatie zou kunnen schrijven. Ook dat was vergeefse moeite. Welnu, dacht ik, ze weet totaal niet hoe en waarmee ze moet beginnen. Daarom begon ik zelf de eerste maat te variëren en vroeg haar zo verder te gaan op dezelfde manier. Dat ging uiteindelijk redelijk. Toen ze dat klaar had ,  stelde ik haar voor ook met iets van haarzelf te komen, alleen de eerste stem, de melodie. Na een kwartier nadenken : helemaal niets. Toen schreef ik vier maten van een menuet en zei tegen haar : je ziet wat voor een ezel ik ben. Ik begin met een menuet en kan niet eens het eerste deel afmaken. Wees zo goed om het stukje voor mij af te schrijven. Volgens haar zou ze dat onmogelijk kunnen.  Met veel moeite kwam er iets op papier te staan.  Ik was er blij om, dat er toch nog iets kwam en liet haar het menuet helemaal afmaken.  Dat wil zeggen, alleen de eerste stem. Über haus  heb ik haar niet anders aanbevolen dan mijn vier maten te veranderen en iets van haarzelf erbij te schrijven, een ander begin te vinden, waarbij de harmonie dezelfde blijft, alleen de melodie anders. Morgen zie ik wel, wat daarvan weer terecht komt.

 

Binnenkort  hoop ik het libretto  voor mijn opera in twee actes te krijgen. Dat moet ik eerst aan directeur De Huime voorleggen en afwachten of hij het accepteert. Daaraan valt overigens niet te twijfelen, want Noverre heeft het libretto gesuggereerd en De Huime heeft zijn positie aan Noverre te danken. Noverre zal binnenkort ook (het libretto voor) een nieuw ballet maken waarbij ik dan de muziek componeer.

 

***

 

Parijs, 3 juli 1778
                                     

Monsieur  mon trés cher Pére!

[…]

 

Ik heb een symfonie (KV 297) moeten componeren om het Concert Spirituel te openen. Het stuk is op Frohnleichnamstag (feest van de lichamelijke aanwezigheid van Christus in de eucharistie, 60 dagen na Paaszondag) met veel bijval uitgevoerd. Naar ik gehoord heb, is er in de Couriere de L ‘Europe melding van gemaakt.(dat is inderdaad het geval: in de Londense editie van 26 juni 1778) . Ze heeft dus bijzonder veel indruk gemaakt. Bij de repetitie sloeg de angst me om het hart, want ik heb van mijn levensdagen niets slechters gehoord. U kunt zich niet voorstellen hoe de symfonie twee maal achter elkaar werd afgeraffeld. Ik was werkelijk in paniek.  Ik zou ze graag nog eens gerepeteerd hebben, maar omdat men altijd zo veel zaken repeteert, was er nu geen tijd meer voor. Ik moest dus met angst in mijn hart en in een ontevreden en boze stemming naar bed. De volgende dag had ik me vast voorgenomen helemaal niet naar het concert te gaan, maar toen het ’s avonds mooi weer werd, besloot ik toch te gaan met de gedachte , dat, wanneer het zo slecht zou gaan als bij de repetitie,  ik zeker op het orkest zou afgaan en de eerste violist,  de heer Lahousè,  de viool uit handen zou nemen en zelf zou dirigeren. Ik bad God om de genade dat het goed zou gaan, omdat toch alles tot zijn grootste eer en glorie gedaan wordt, en ecce, de symfonie begon,  Raff stond naast me en direct al midden in het allegro was een passage die volgens mij wel moest aanslaan. Inderdaad werden alle toehoorders  erdoor meegesleept en er klonk een groot applaudissement. Omdat ik wist,  op welke manier  ik ze schreef en wat dat voor effect zou hebben, bracht ik die passage  op het laatst nog een keer aan. Daar ging het Da Capo. Het andante beviel ook wel, maar vooral het laatste allegro. Omdat ik gehoord had,  dat hier alle laatste allegro’s net als de eerste met alle instrumenten tegelijk unisono beginnen, begon ik acht maten piano met de tweede violen alleen. Direct daarop volgde een forte. Net zoals ik verwachtte, deed het publiek bij het pianogedeelte “st, st”. Direct daarop kwam inderdaad het forte , ze hadden het nog niet gehoord, of ze begonnen al in hun handen te klappen. Na de symfonie ging ik opgelucht naar het Palais Royale, nam een lekkere portie  ijs, bad de rozenkrans die ik beloofd had en ging naar huis.  Ik ben  altijd maar het liefst thuis en dat zal ook later zo zijn. Of anders bij een redelijke en oprechte Duitser die als vrijgezel als een goed Christen goed leeft of als echtgenoot van zijn vrouw houdt en zijn kinderen goed opvoedt.

 

[…]

 

Met de opera staat het tegenwoordig zo, dat men heel moeilijk een goed libretto kan vinden. De oude, die de beste zijn, zijn niet aangepast aan de smaak van nu en de nieuwe zijn allemaal niets waard. Want de poëzie, het enige waarop de Fransen trots kunnen zijn, wordt met de dag slechter, en juist de poëzie is het enige dat hier goed moet zijn, omdat ze de muziek niet begrijpen . Er zijn maar twee opera’s in aria die ik  zou kunnen componeren, de ene endeuxacts, de andere en trois. Die en deuxis Alexandre et Roxeane. De librettist is nog in de Campagne. Die en trois is Demofont van Metastasio, in vertaling en met een mix van koren en dansen en helemaal afgestemd op het Franse Theatre. Hiervan heb ik ook nog niets kunnen zien. Kunt u me schrijven of u de concerten  van Schrötter in Salzburg heeft?  De sonates van Hüllmandel? Ik wilde ze kopen en aan u toesturen. Beide oeuvres zijn heel mooi. Het was me nooit om Versailles te doen. Ik heb ook het advies van Baron Grim en andere goede vrienden daarover gehoord. Ze dachten er precies hetzelfde over als ik. Het is weinig geld. Men moet zes maanden in een plaats  versmachten waar verder niets te verdienen is, en zijn talent begraven. Want wie in koninklijke dienst is, die wordt in Parijs vergeten. En dan organist! Een goede betrekking zou me heel lief zijn, maar niet anders dan als kapelmeester en tegen goede betaling.

 

[…]

 

***

 

 


Parijs, 9 juli 1778


Monsieur   mon Trés cher Pére!

[…]

 

Om het dronkemansoptreden van [Michael] Haydn heb ik me slapgelachen.  Wanneer ik erbij was geweest, zou ik hem  gelijk stilletjes in zijn oor hebben gefluisterd : Adlgasser. (Anton Cajetan Adlgasser was degene die in 1777 door Mozart werd opgevolgd als organist  aan de kathedraal van  Salzburg; hij overleed in het zelfde jaar toen hij het orgel bespeelde).  Het is toch een schande wanneer een zo capabel iemand  door eigen schuld niet meer in staat is aan zijn verplichtingen te voldoen, en dat nog wel in een functie die God tot eer moet strekken, waar de aartsbisschop en het hele hof aanwezig zijn en de hele kerk vol mensen is. Dat is afschuwelijk. Dit is ook een van de belangrijkste redenen,  waarom ik Salzburg zo haat, de grove, onbehouwen en liederlijke hofmuziek. Een honnette man die levenskunst bezit, moet zich daarmee niet inlaten.  In plaats van hun gezelschap te zoeken zou hij zich eerder moeten schamen! Misschien ook daarom  is muziek bij ons niet populair en staat ze niet in  hoog aanzien. Ja, was de muziek maar zo georganiseerd als in Mannheim!  De subordination die in dat orkest heerst! De autoriteit die Cannabich heeft!  Alles wordt daar serieus gedaan. Cannabich, de beste Director die ik ooit heb gezien, geniet de liefde en het respect van zijn ondergeschikten.  Ze presenteren zich ook anders, hebben savoir vivre, zijn goed gekleed,  gaan niet zuipen in de herbergen. Bij u is dat niet het geval en dat kan ook niet, tenzij de vorst zijn vertrouwen stelt in u of mij en ons alle autoriteit geeft die altijd noodzakelijk is voor muziek. Anders heeft het geen zin, want in Salzburg heeft  iedereen met muziek te schaften, of eigenlijk ook niemand.Wanneer ik hier een betrekking zou moeten aannemen, dan zou ik wel mijn eigen gang moeten kunnen gaan. De opperhofmeester moet helemaal niets te zeggen hebben over zaken die de muziek betreffen. Want een cavalier kan geen kapelmeester worden, maar een kapelmeester kan wel doorgaan voor een cavalier. Apropos: de Keurvorst is weer in Mannheim. Madame Cannabich en hij, wij zijn in Corespondance. Wanneer niet datgene gebeurt waar ik bang voor ben en dat eeuwig jammer zou zijn, dat namelijk de omvang van het prkest sterk verkleind zou worden, blijf ik nog altijd optimistisch. U weet, dat ik niets meer wens dan een goede betrekking, goed in Caractére en goed in geld, het maakt niet uit waar, als het maar wel in een katholieke plaats is.

 

[…]

Dat de prelaat van het Heilig Kruis gestorven is, wist ik nog niet. Ik betreur zijn dood zeer, want hij was een rechtschapen en eerlijke man. Had u niet het idee, dat Dechant Zeschinger prelaat zou worden?  Op mijn erewoord, ik heb nooit anders gedacht.  Ik zou werkelijk niet weten wie anders het zou moeten worden! Ja, inderdaad, een goede prelaat  als het om muziek gaat!  Was de dagelijkse wandeling van de genadige freule met haar trouwe laquai niet vruchteloos? Ze waren vlijtig genoeg en spanden zich echt in. Verveling leidt alleen maar tot ellende.  Ik denk,  dat de gravin  (Maria  Antonia) Von Lodron niet meer gediend is van dergelijke muziek.  Morgen zal mijn vriend Raaf van hier vertrekken ; hij gaat over Brussel naar Aix la Chapelle en Spa, en dan naar Mannheim. Hij zal me zijn aankomst direct melden, zodat we met elkaar kunnen corresponderen. Hij doet de groeten aan u en mijn zuster. U schrijft, dat u al lang niets meer hoort van mijn compositieleerlinge. Dat klopt; wat moet ik over haar schrijven?   Dit is niet iemand om te gaan componeren. Alle moeite is tevergeefs. Ten eerste is ze oerstom en ten tweede aartslui. Wat betreft de opera heb ik u al geantwoord. Over het Ballet des noverre heb ik nooit iets anders geschreven dan dat hij misschien een nieuw zal maken. (~ Les Petits Riens, KV 299b) . Hij heeft net een half  ballet  gebruikt en daar componeerde ik de muziek bij, dat wil zeggen, er zullen zes stukken van anderen in staan, die bestaan uit louter oude , miserabele, Franse aria’s, de symfonie en de Contredans,  twaalf stukken in totaal zal ik erbij gecomponeerd hebben.  Dit ballet is al vier maal met de grootste bijval opgevoerd. Ik wil nu absoulement niets componeren wanneer ik niet vooraf weet, wat ik ervoor krijg. Maar dit was een cadeau voor Noverre. Sinds 31 mei is Wendling weg van hier. Wanneer ik baron Bach (~Karl Ernst Freiherr von Bagge) zou willen zien, zou ik erg goede ogen moeten hebben, want hij is niet hier, maar in Londen. Hoe is het mogelijk, dat ik u dit niet heb geschreven?  U zult zien dat ik vanaf nu al uw brieven  accurat zal beantwoorden. Men zegt dat baron Bach gauw weer terug komt. Dat zou me zeer aangenaam zijn , om vele redenen, maar vooral omdat er bij hem gelegenheid is iets naar behoren te repeteren. Kapelmeester Bach (~Johann Christian Bach)  zal hier ook gauw zijn. Ik denk dat hij een opera (~ Amadis des Gaules) zal schrijven. De Fransen zijn en blijven ezels, ze kunnen niets en moeten hun toevlucht tot vreemde componisten nemen. In het Concert Spirituel heb ik met Piccini  gesproken. We gedragen ons beleefd tegenover elkaar, wanneer we elkaar treffen. Noch hem, noch andere componisten wil ik nader leren kennen. Ik versta mijn vak, en zij ook. Dat is genoeg. Dat mijn symfonie  (KV 297) bij het Concert Spirituel zo onvergelijkelijk goed is uitgevallen , heb ik al geschreven. Wanneer ik een opera moet schrijven, zal me dat heel wat zorgen baren, maar daar let ik maar niet op : ik ben er al aan gewend. Als die vervloekte Franse taal maar niet zo hondsmoeilijk op muziek te zetten was! Dat is zo iets ergs! Het Duits is er nog goddelijk bij. En dan die zangers en zangeressen! Zo moet men ze eigenlijk helemaal niet noemen, want ze zingen niet, maar ze schreeuwen, huilen, en wel uit volle borst, uit hun neus en keel. Voor de komende vasten zal  ik een Frans oratorium voor het Concert Spirituel moeten componeren. Directeur Le Gros is erg op mijn hand. U moet weten, dat ik, hoewel ik anders dagelijks bij hem was, sinds Pasen niet bij hem ben geweest, uit ongenoegen omdat hij mijn Symfonie Concertante niet heeft uitgevoerd. Ik kwam meermalen in dat huis om Raaf te bezoeken en moest steeds langs hun kamers lopen. De bedienden en dienstmeisjes zagen me altijd en ik liet hen steeds de groeten doen. Het is wel jammer, dat hij het stuk nooit heeft uitgevoerd, want het zou heel wat aan inkomsten hebben gebracht. Nu heeft hij de gelegenheid niet meer, want waar zijn altijd vier van zulke musici bij elkaar?  Toen ik op een dag Raaff wilde bezoeken, was hij niet thuis en men verzekerde, me dat hij spoedig zou komen. Toen ik stond te wachtem, kwam Le Gros de kamer binnen . “Dat is nog eens een mirakel, dat ik weer eens het genoegen heb u te zien”. “Ja, ik heb ook erg veel te doen”.  “U blijft toch vandaag bij ons eten?”. “Het spijt me, maar ik ben al bezet”. “Mijnheer Mozart, we moeten elkaar weer eens ontmoeten, dat zou me een waar genoegen zijn”.  Lange pauze. Eindelijk : “ Apropós, wilt u niet voor mij een grote symfonie voor Frohnleichnam componeren?”.  “Waarom niet?”.  “Kan ik er echt van op aan?”.  “O ja, als ik er maar van op aan kan, dat ze ook geproduceerd wordt en dat het niet zo zal gaan als met mijn Symfonie Concertante”.  Hij stond bedremmeld te kijken en verontschuldigde zich zo goed als hij kon, maar wist eigenlijk niet veel te zeggen. Kort en goed, de symfonie kreeg alle bijval. Le Gros is er zo tevreden mee, dat hij zegt, dat dit zijn beste symfonie is. Het andante heeft niet het geluk mogen smaken hem tevreden te stellen. Volgens hem staan er te veel modulaties in. Ook zou het te lang zijn. Dat kwam daardoor dat het publiek vergeten was even luid en aanhoudend te applaudisseren als bij deel één en drie.  Voor mij is het andante juist favoriet, net als voor alle kenners en liefhebbers en de meeste toehoorders überhaupt.  Het is precies contraire aan wat Le Gros beweert. Het is heel natuurlijk en kort. Om hem en, naar hij zegt meerdere anderen tevreden te stellen heb ik een ander deel gecomponeerd. Elk stuk is naar zijn aard goed, want elk heeft zijn eigen Caractére. Het laatste bevalt me het best. Ik zal u de symfonie met   uw Vioolschool, pianostukken en Voglers boek Toonwetenschap en Compositieleer bij de eerstkomende gelegenheid sturen en dan wil ik ook uw oordeel erover horen.  Op 15 augustus, de Hemelvaart van Maria zal de symfonie met het nieuwe andante voor de tweede keer worden uitgevoerd. De symfonie is in Re en het andante in Sol,  men mag hier niet zeggen in D of in G.  Nu is Le Gros helemaal mijn man.

[…]

 

Ik geloof niet dat ik zo nodig een aanbevelingsbrief voor de heer Bähr moet sturen.   Tot op heden ken ik hem niet, ik weet alleen maar , dat hij een competente klarinettist is, maar ook een liederlijke socius. Ik ga met dergelijke lieden niet graag om, omdat het mijn reputatie niet ten goede zou komen.  Een Recomandationsbrief zou ik hem sowieso niet willen geven. Ik zou me werkelijk kapot  schamen. Wanneer hij uiteindelijk iets voor elkaar kon krijgen!  Maar zo staat hij totaal niet in aanzien. Veel mensen kennen hem helemaal niet. Van de twee gebroeders Stamitz is de jongste hier. De oudste, de ware Hafeneder-componist (Joseph Hafeneder was een ondermaats componist en  violist in Salzburg) is in Londen. Dat zijn twee miserabele Notenschmierer, waardeloze muzikanten , zuiplappen  en hoerenlopers. Dat zijn geen types voor mij. Degene die hier is heeft nauwelijks een fatsoenlijk pak aan. Apropós, wanneer het ooit afloopt met Brunetti dan beveel ik de aartsbisschop graag een goede vriend van mij aan als eerste violist ,  een brave, eerlijke kerel. Hij is een gezet persoon, ik houd hem voor een veertiger, een weduwnaar. Hij heet Rothfischer  (~Paul Rothfischer, 1746-1785) en is momenteel concertmeester bij de prinses van Nassau-Weilburg in Kirchheim-Poland. Hij is, onder ons gezegd, ontevreden, want de vorst mag hem niet, dat wil zeggen, houdt niet van zijn muziek.  Hij heeft zich bij mij van harte aanbevolen en het is voor mij een genoegen hem te kunnen dienen, want hij is de beste man.

 

***

               

Parijs, 31 juli 1778


Monsieur mon trés cher Pére!

                    

[…]

Vanwege de langdurige ziekte van mijn  moeder kon ik nergens heen en twee van mijn leerlingen zijn in de Campagne en de derde, de dochter van de Duc de Guignes gaat trouwen en zal niet verder gaan, iets waarom ik helemaal niet rouwig ben. Ik verlies niets aan haar, want wat de Duc mij betaalt, betaalt iedereen hier. Stelt u zich eens voor, de Duc de Guines waar ik elke dag kom en twee uur moet blijven, liet me 24 lessen geven.Waar men altijd na de twaalfde betaalt, ging hij naar de Campagne en kwam binnen tien dagen terug zonder me iets te zeggen. Wanneer ik er uit een soort voorgevoel niet zelf naar gevraagd had, zou ik niet eens weten, dat ze hier zijn. Eindelijk trok de gouvernante een geldbuidel tevoorschijn en zei me : “ Neemt u me niet kwalijk, dat ik u voor deze keer slechts voor twaalf lessen betaal, want ik heb geen geld genoeg” Dat is nog eens nobel!  Ze telde de drie louisd’or uit en voegde daaraan toe : “Ik hoop, dat u tevreden bent, zo niet, dan verzoek ik u me dat te zeggen”. Ze zal gedacht hebben : “Dat is nog maar een jong baasje en ook nog een domme Duitser” , zoals alle Fransen zeggen die over Duitsers spreken, “ Hij zal er best wel blij mee zijn”. Maar de domme Duitser was er helemaal niet blij mee en accepteerde het niet. Hij wilde me van  elke twee uur maar één uur betalen, en dit uit égard omdat hij al vier maanden een concert voor fluit en harp van me heeft, dat hij me nog niet heeft betaald. Ik wacht totdat de bruiloft voorbij is en dan ga ik naar de gouvernante om mijn geld op te eisen. Wat me het meest ergert is, dat de domme Fransen denken dat ik nog maar zeven jaar oud ben, omdat ze me ooit op  die leeftijd hebben gezien, dat is zeker waar. Madame d’Epinai heeft het me in alle ernst gezegd : men behandelt me  hier als een beginneling, uitgezonderd de musici, die denken anders. Na dit discours met Grim ging ik direct de volgende dag naar graaf Sückingen. Die was het volkomen met me eens, namelijk, dat ik nog geduld moet hebben en moet afwachten tot Raaff gearriveerd is,  die alles voor me zal doen, alles wat mogelijk is. Wanneer dat niet gaat,  heeft graaf Sückingen zelf aangeboden  mij een positie in Mainz te verschaffen. Dit is mijn vooruitzicht. Nu doe ik mijn uiterste best mezelf met lesgeven verder te helpen en zo veel mogelijk geld te verdienen.  Dat doe ik in de zoete hoop,  dat er spoedig een verandering zal plaatsvinden, want ik moet u wel bekennen, dat ik blij zal zijn, wanneer ik hiervan verlost word,  want lesgeven is hier geen lolletje. Veel lesgeven werkt afmattend. En wanneer men niet veel leerlingen aanneemt,v erdient men ook niet veel geld. U moet niet denken, dat het luiheid is. Nee! Maar het druist  helemaal in tegen mijn genie, tegen mijn manier van leven. U weet, dat ik om zo te zeggen in muziek opga , dat ik er de hele dag mee omga, dat ik graag speculeer, studeer en overleg. Mijn manier van leven hier verhindert dat. Ik heb wel een paar uur vrij, alleen heb ik die paar uur meer nodig om uit te rusten dan om te werken. Over de opera heb ik al in mijn vorige brief geschreven. Ik moet een grote opera componeren, of anders helemaal geen. Dat kan niet anders.  Wanneer ik een kleine opera schrijf, verdien ik te weinig, want hier wordt alles getaxeerd. Heeft ze dan nog het ongeluk de Fransen niet te bevallen, dan is alles verloren.  Ik krijg geen kans er nog één te schrijven, ik houd er weinig aan over en mijn reputatie heeft eronder geleden. Wanneer ik daarentegen een grote opera schrijf, is de betaling beter en  houd ik me met mijn eigenlijke vak bezig, wat me genoegen doet. Bovendien heb ik meer hoop op bijval, omdat men met een groot werk zijn reputatie kan verbeteren. Ik verzeker u, dat ik totaal niet in paniek raak, wanneer ik een opera moet componeren. De taal is door de duivel verzonnen, dat is waar. Ik ben me volledig bewust van de  problemen die alle componisten zijn tegengekomen, maar desondanks voel ik me in staat dit probleem zo goed als alle andere op te lossen. O contraire, wanneer ik het gevoel heb, dat het goed gaat met mijn opera, dan voel ik een vuur door heel mijn lijf trekken. Mijn handen en voeten trillen van verlangen om de Fransen steeds meer de Duitsers te laten kennen, ze te respecteren en te vrezen. Waarom geeft men de opdracht voor een grote opera niet aan een  Fransman?  Waarom moeten het vreemde componisten zijn?  De zangers zouden voor mij nog het meest onuitstaanbaar zijn. Welnu, ik ben bereid, maar ik ben niet degene die begint. Daagt men mij echter uit, dan zal ik me weten te verdedigen. Maar het is me liever, wanneer het zonder duel afloopt. Ik laat me niet graag met dwergen in.  God geve dat er spoedig een verandering optreedt! Ondertussen zal het me niet ontbreken aan vlijt, moeite en arbeid. Ik ben optimistisch over de komende winter, wanneer iedereen van het land terug komt.

[…]

***

Parijs, 7 augustus 1778


Aan mijn beste vriend, abbé Bullinger, hofmeester in het huis van graaf Arco in Salzburg

[…]

U moet weten, dat Salzburg geen plaats voor mijn talent is. Ten eerste genieten de musici totaal geen aanzien en ten tweede hoort men niets. Er is geen theater, geen opera! Wanneer men een opera zou willen opvoeren, wie zou dan moeten zingen?  De afgelopen zes jaar was Salzburg rijk aan onnutte en nodeloze zaken, maar zeer arm aan het noodzakelijke en volkomen beroofd van het onontbeerlijkste! Zo staat het er nu werkelijk voor.  Die ellendige Fransen zijn er de oorzaak van dat de musici geen kapelmeester hebben. Men verzekert me, dat er nu orde en rust heersen bij de muziek. Ja, zo gaat het wanneer men geen maatregelen neemt. Men moet altijd een half dozijn kapelmeesters klaar hebben staan, zodat men er bij een vacature dadelijk één kan in zetten. Waar haalt men die nu vandaan, nu het urgent is?  Men kan bij muziek nu eenmaal niet orde, rust en een goede sfeer op zijn beloop laten.  Anders zet het kwaad steeds verder door, zodat er op het laatst niets meer aan te doen is. Is er dan geen enkele ezelsorenpruik, geen enkele luizekop meer, die de hinkende zaak weer een beetje op gang kan brengen?  Ik zal er wat mij betreft al het mogelijke aan doen. Morgen neem ik voor de hele dag een remise en ga naar alle hospitaals en ziekenhuizen om te zien of ik geen kapelmeester kan opduiken. Waarom was men zo onnadenkend om Misliwetchek zo maar te laten gaan?  Dat zou een geschikte persoon geweest zijn. Zo iemand krijgt men niet gauw nog eens, die zojuist fris uit het Herzog-Clementische conservatorium tevoorschijn komt! (Hier is Mozart ironisch : hij doelt op het Clementische hospitaal in München, waar Misliwetschek voor geslachtsziekte werd behandeld) .  Dat zou een man geweest zijn die de gehele hofmuziek door zijn aanwezigheid alleen al aan het schrikken gebracht zou hebben.  Welnu, zo bang hoef ik ook weer niet te zijn. Waar geld is, krijgt men gegadigden genoeg! Ik ben alleen van mening, dat men het niet te lang moet aanzien, in de dwaze veronderstelling dat men er geen kan krijgen. Ik weet maar al te goed, dat al deze heren er zo verlangend en hoopvol naar uitkijken als de Joden naar hun Messias. De huidige situatie is echt onhoudbaar en het zou dus noodzakelijker en nuttiger zijn, dat men zou omzien naar een kapelmeester, die nu echt gemist wordt, dan dat men, zoals men mij schrijft, overal naartoe schrijft om een goede zangeres te krijgen. Dat kan ik  helemaal niet geloven : een zangeres! En we hebben er al zo veel, en allemaal goede! Ik zou nog eerder een tenor voorstellen, hoewel we die ook niet echt nodig hebben. Maar een zangeres, een prima donna! Terwijl we nu een castraat hebben.  Het is waar, madame Haydn is ziekelijk. Ze heeft haar strenge levenswijze erg  overdreven, zo zijn er maar weinig. Het verbaast me, dat ze door haar voortdurende geseling en pijniging, het cilicia-dragen, het bovennatuurlijk vasten en het nachtelijke bidden haar stem niet allang kwijt geraakt is!  Ze zal haar stem nog lang behouden en ze zal in plaats van slechter, steeds beter worden.  Mocht God haar te zijner tijd toevoegen ana het getal van zijn heiligen, dan hebben we er altijd nog vijf, waar bij iedereen de ander de loef kan afsteken. Zo ziet u, hoe overbodig dat is. Ik trek het even tot in het extreme door. Stel, dat we na de wenende Magdalena niemand meer zouden hebben (wat niet het geval is) . Stel dat de één een kind zou moeten baren, een ander in het tuchthuis terecht zou komen, , nummer drie afgeranseld en nummer vier onthoofd zou worden en nummer vijf door de duivel zou worden gehaald, wat zou er dan gebeuren? Helemaal niets!  We hebben immers nog een castraat. Weet u wat dat voor een dier is?  Iemand die hoog kan zingen en voortreffelijk een vrouwenrol kan vervullen Het kapittel zou er weliswaar vóór gaan liggen en ervoor liggen is nog altijd beter dan erop liggen. Men zou deze mijnheer niet een bijzondere behandeling geven.  Laat ondertussen de heer Ceccarelli  nu eens vrouwen- en dan weer mannenrollen vervullen.   Omdat ik weet, dat men bij ons houdt van afwisseling, variatie en vernieuwing, zie ik een breed terrein voor me waarvan de uitvoering epoche kan maken. Mijn zuster en ik hebben daar als kind al een beetje aan gewerkt, wat zullen volwassenen dan niet kunnen presteren?  O,wanneer men genereux is, kan men alles hebben.  Ik ben er helemaal niet bang voor en zou ervoor kunnen zorgen, dat men Metastasio uit Wenn laat komen of hem voorstelt  enkele dozijnen opera’s te vervaardigen waarin de Prima Donna en de Primo Uomo nooit samen op het toneel staan.  Op die manier  kan de castraat zowel de rol van de minnaar als van de beminde vervullen. Het stuk wordt daardoor interessanter, omdat men de deugdzaamheid  van de beide gelieven bewondert, die zo ver gaat, dat ze hoe danook de gelegenheid vermijden elkaar in het openbaar te spreken. Ziedaar de mening van een echte patriot!

 

[…]

St. Germain, 27 augustus 1778

Mon trés cher Pére!

             

In de grootste haast schrijf ik deze brief. U ziet, dat ik niet in Parijs ben. De heer Bac (Johann Christian) h uit Londen is hier al veertien dagen. Hij wil  een Franse opera  schrijven (~ Amadis des  Gaules) . Hij is alleen maar hier om de zangers te beluisteren, dan gaat hij naar Londen, schrijft de opera en komt dan terug om haar in scena te zetten. U kunt zich gemakkelijk zijn vreugde en die van mij voorstellen, toen we elkaar zagen. Misschien is zijn vreugde niet zo oprecht; toch moet men toegeven, dat hij een eerlijk man is en de mensen rechtvaardig behandelt. Zoals u weet, ben ik heel erg op hem gesteld. Ik heb heel veel waardering voor hem. Hij heeft me onder vier ogen, maar ook waar anderen bij waren, geprezen, niet overdreven, maar heel serieus.

[…]

Wilt u echt het portret van Rothfischer hebben?  Hij is een opmerkzame, enthousiaste Director, maar heeft weinig talent. Toch ben ik zeer over hem te spreken geweest. Hij is een prima kerel die men allerlei zaken kan laten doen, vanzelfsprekend op een goede manier. Om te dirigeren is hij capabeler dan Brunetti, maar solo spelen, nee, dat zit er niet in. Hij heeft meer execution en speelt op zijn eigen manier die wat weg heeft van de traditionele speelwijze van Tartini.  Hij speelt best goed, maar de stijl van Brunetti klinkt aangenamer. De concerten die hij voor zichzelf schrijft, zijn best aardig om zo nu en dan te spelen. Ze zijn altijd wel prettig om naar te luisteren. Wie weet, of hij niet bevalt? Hij speelt in elk geval 10000000 maal beter dan Pintzger (~Andrä Pinsker , 1742-1817, componist van funeraire muziek) . Wat ik al zei, hij is heel goed in dirigeren en enthousiast bij het doen van zijn werk. Ik recomandeer hem van ganser harte, want hij is de beste candidaat.

[…]

 

***  

Parijs, 11 september 1778

 

Mon Trés cher Pére!

                   
[…]

 

Het is waar, u zult het zelf willen beamen, dat ik daar [in Salzburg] geen echt fortuinlijke positie bekleed, maar wanneer ik me voorstel, dat ik u, lieve vader, en mijn lieve zuster uitbundig kan kussen, ken ik geen enkel ander geluk. Dit is ook werkelijk het enige dat mij bij de mensen hier, die me in mijn oren toeteren, dat ik moet blijven, verontschuldigt. Want ik zeg hun altijd, wat wilt u dan?  Ik ben tevreden en dat is het eigenlijk. Ik heb een plaats waar ik zeggen kan : ik ben thuis. Ik leef in vrede en rust met mijn beste vader en zuster  , ik kan doen wat ik wil, want buiten dienst ben ik mijn eigen baas, ik eet mijn dagelijks brood, ik kan weg wanneer ik wil, ik kan elke twee jaar een reis maken, wat wil ik nog meer? Het enige, ik zeg het u maar zoals ik het voel, het enige wat me in Salzburg tegenstaat is, dat men met de mensen daar  geen goede relatie hebben kan en dat de muziek in zo weinig aanzien staat en dat de aartsbisschop ervaren mensen die gereisd hebben, niet serieus neemt. Ik verzeker u, dat mensen van kunst en wetenschap  zonder reiservaring armzalige schepsels zijn. Wanneer de aartsbisschop mij niet toestaat elke twee jaar een reis te maken, kan ik het engagement onmogelijk accepteren. Iemand van middelmatig talent blijft altijd middelmatig, of hij nu reist of niet. Maar iemand van superieur talent, zoals ik, zonder goddeloos te zijn, mezelf beschouw, wordt er niet beter van wanneer hij altijd maar op dezelfde plaats blijft. Wanneer de aartsbisschop mij zou willen vertrouwen, dan zou ik ongetwijfeld zijn musique al gauw beroemd kunnen maken. Ik verzeker u, dat voor mij deze reis erg nuttig is geweest, dat wil zeggen wat het componeren betreft. Pianospelen doe ik zo goed als ik kan. In Salzburg stel ik één voorwaarde, namelijk dat ik niet zoals tot nu toe, violist word. De functie van violist is niets meer voor mij. Ik wil dirigeren bij de piano en de aria’s  begeleiden. Het zou gewoon goed geweest zijn wanneer ik een schriftelijke verklaring had kunnen krijgen die me toegang zou geven tot de functie van kapelmeester. Anders heb ik de eer dubbele diensten te verrichten voor één salaris. Op het laatst staat er weer een vreemde in mijn plaats. Lieve vader, ik moet u bekennen dat ik, afgezien van het genoegen  jullie beide terug te zien, waarachtig niet de stap zou kunnen nemen om van Parijs, dat ik niet kan uitstaan, weg te komen. Mijn situatie begon nu net  te verbeteren en ik  twijfel er niet aan, dat ik, wanneer ik zou besluiten hier nog  wat jaren te blijven, mijn positie absoluut zou kunnen versterken. Ik raak hier nu al aardig bekend bij de mensen ook al ken ik zelf de mensen nog niet goed.  Ik heb veel bekendheid gekregen door mijn twee symfonieën waarvan de laatste nog op de 8e jongstleden is uitgevoerd. Juist nu, nu ik gezegd heb dat ik weer op reis ga, zou ik werkelijk een opera moeten componeren. Ik heb alleen wel tegen Noverre gezegd : wanneer u me kunt garanderen, dat ze, zodra ze klaar is, wordt opgevoerd en men mij precies zegt, wat ik ervoor krijg, blijf ik nog drie maanden hier om haar te schrijven. Ik heb het niet onmiddellijk kunnen afwijzen, anders zou men hebben gedacht dat ik geen zelfvertrouwen heb. Het is zover niet gekomen en ik wist al van tevoren dat zoiets hier niet mogelijk is omdat het hier nu eenmaal geen gebruik is. Zoals u misschien weet, is het hier zo, dat men een opera repeteert zodra ze klaar is. Wanneer die domme Fransen haar  niet goed vinden, dan wordt ze gewoon niet uitgevoerd en de compositeur heeft voor niets gecomponeerd. Wanneer men haar wel goed vindt, zet men haar in scena. Het honorarium hangt af van de mate van succes. Niets is zeker. Over dit soort zaken spreek ik u nog wel. Toch zeg ik u in alle eerlijkheid, dat mijn situatie net verbeterde. Men moet niets overhaasten : chi và piano, và sano. Met mijn Complaisance heb ik vriendschappen en protectie verworven.

[…]

Ik kan pas op zijn vroegst eind deze maand vertrekken, want ik moet nog drie trio’s schrijven waarvoor ik goed betaald krijg (deze pianotrio’s zijn niet gecomponeerd) . Ook krijg ik nog geld van Le Gros en de Duc de Guines. Omdat het hof eind deze maand naar München gaat, wilde ik mijn sonates aan de Keurvorstin zelf presenteren, wat me misschien een praesent oplevert. […] Ik zal voor de drie concerten, dat voor Jenomy, Litzau en het concert in Bes, (~KV 271, KV 246 en KV 238)   de graveur die voor mij de sonates heeft gedrukt, um pares geld geven. Dat doe ik ook met mijn zes moeilijke sonates, wanneer dat mogelijk is. Ook al levert het niet veel op, het is beter dan niets. Op reis heeft men geld nodig. Wat betreft de symfonieën, de meeste voldoen niet aan de smaak hier. Wanneer ik tijd heb, arrangeer ik nog enkele vioolconcerten door ze korter te maken. Bij ons in Duitsland bestaat een voorkeur voor langere stukken.

***

 

 

 

 

 

Nancy, 3 oktober 1778


Mon Trés cher Pére!

             

[…]

Ik heb nog één verzoek aan u : kunt u ervoor zorgen dat ik een goede, grote kast op mijn kamer krijg? Daar kan ik dan al mijn zaken bij de hand hebben. Wanneer ik de kleine piano die Fischetti (~Domenico Fischietti) en Rust ( Jakob Rust, kapelmeester) hadden, kan gebruiken, dan graag , omdat ik dat een  prettiger instrument vind dan de kleine piano van Stein. Ik breng niet veel nieuwe muziek mee, want ik heb niet veel gecomponeerd. De drie kwartetten en het fluitconcert voor de heer De Jean heb ik niet, want hij heeft de muziek toen hij naar Parijs ging in de foute koffer gedaan. De stukken zijn dus in Mannheim achter gebleven. Hij heeft me beloofd,  dat hij ze me opstuurt zodra hij naar Mannheim komt. Ik zal Wendling Comission geven. Als enige voltooide composities neem ik mijn sonates mee. De twee ouvertures (de symfonieën KV 297 en 311 A) en de Symfonie Concertante (KV 297 B, verloren gegaan)  heeft Le Gros van me gekocht. Hij denkt, dat hij de enige bezitter is, maar daarin vergist hij zich. Ik heb de stukken nog vers in mijn geheugen staan en zal ze zodra ik thuis ben opnieuw opschrijven.

***

Straatsburg, 15 oktober 1778

Mon trés cher Pére!


[…]

Lieve vader, alleen U kunt voor mij de ellendige situatie in Salzburg dragelijk maken. U zult dat ook doen, daar ben ik zeker van. Toch moet ik U bekennen dat ik minder benauwd naar Salzburg zou terugkeren , wanneer ik niet zou weten, dat ik daar in dienst ben. Deze gedachte alleen al is me onverdragelijk! Kijk nu zelf en verplaats me eens in mijn persoon. In Salzburg weet ik gewoon niet wie ik ben. Ik ben alles, maar soms ook niets. Ik verlang helemaal niet zoveel, maar toch ook weer niet zo weinig, gewoon íets. Wanneer ik maar íets ben, op elke andere plek, weet ik waar. Iedereen die violist is, of pianist, blijft bij zijn stek. Maar alles zal goed komen. Ik hoop, dat alles zich zal ontwikkelen tot mijn geluk en tevredenheid. Ik vertrouw me volledig aan U toe. Hier gaat het heel pauvre toe. Overmorgen, zaterdag de 17e , wil ik in mijn eentje, om onkosten te vermijden,  een paar goede vrienden en liefhebbers een plezier doen door per Subscription een concert tegeven. Want wanneer er ik Musique bij zou hebben zou het me samen met de Illumination 3 louisd’or kosten. Wie weet of we zoveel aan entree binnenhalen. Ik ben U zeer erkentelijk dat U zo ruim heeft voorzien in mijn reiskosten. Ik denk, dat ik er geen gebruik van hoef te maken, ook wanneer ik geen concert geef. Toch zal ik hier of in Augsburg uit voorzorg wat louisd’or opnemen omdat men niet kan weten wat er gebeurt. Het ga U goed! Ik mijn volgende brief schrijf ik meer. Mijn Sonates zijn, denk ik, nog niet gegraveerd, hoe wel ze me vóór einde september waren beloofd. Zo gaat dat, wanneer je er zelf niet bij kunt zijn. Ook de eigenwijze Grimm is er schuld aan. Ze zullen wel vol fouten verschijnen omdat ik ze niet zelf heb kunnen corrigeren, maar  de Comission aan een ander heb moeten geven. Waarschijnlijk arriveer ik in München zonder die sonates.  Zoiets, dat er klein uitziet, kan vaak geluk, eer en geld brengen, maar ook schande.  Nu adieu.

[…]

***

Straatsburg, 26 oktober 1778

Mon Trés cher Pére!

Ik ben nog hier, zoals U ziet, en wel op advies van de heer Franck en andere Straatsburgse notabelen. Morgen vertrek ik. In mijn laatste brief aan U schreef ik, dat ik op zaterdag 17 een bescheiden concert zou geven, omdat het hier met concerten organiseren nog beroerder gaat dan in Salzburg. Dat is nu natuurlijk voorbij. Ik heb helemaal alleen gespeeld en er geen Musique bij genomen, om geen verliezen te maken. Ik heb toch maar drie louisd’or kunnen incasseren, het meeste echter bestond uit bravo’s en bravissimo’s die me van alle kanten kwamen aanvliegen. Ook prins Max von Zweybrücken (Maximilian Joseph von Pfalz- Zweibrücken-Birkenfeld, opvolger van Karl Theodor als Keurvorst, had in 1781 ingetekend op de Idomeneo)  vereerde de zaal met zijn aanwezigheid.  Dat iedereen tevreden was, hoef ik U niet te zeggen. Toen wilde ik eigenlijk onmiddellijk vertrekken, maar men heeft mij geadviseerd nog te blijven tot de zaterdag daarop en een groot concert in het theater geven. Daar waren de inkomsten dezelfde, tot verbazing en nijd en schande van alle Straatsburgers. Directeur Villeneuve foeterde over de inwoners van deze werkelijk afschuwelijke stad, dat het een aard had. Eigenlijk heb ik meer binnengekregen, maar de onkosten van de Musique, die heel slecht is, maar zich goed laat betalen, de Illumination, bewaking, drukken van boekjes en de grote menigte mensen bij de ingangen etc. leverden een grote onkostenpost op. Toch moet ik U zeggen, dat mijn oren zo’n pijn deden van het geroep en geklap als wanneer het hele theater vol was geweest. Alles wat daar binnen was,  heeft openlijk en luidkeels kritiek geleverd op de medestraatsburgers. Ik heb tegen iedereen gezegd, dat ik, wanneer ik me met gezond verstand had kunnen voorstellen, dat zo weinig mensen het concert zouden bezoeken, het concert heel graag gratis zou hebben gegeven, alleen om het genoegen te smaken het theater vol te zien. Dat zou me inderdaad liever geweest zijn, want, met de hand op mijn hart, er is toch waarachtig niets treurigers  dan een grote T tafel met 80 couverts en maar drie disgenoten. Bovendien was het ijskoud! Ik had me goed warm gemaakt en om de Straatsburgers te laten zien dat het me niets kon schelen, heb ik voor mijn eigen plezier heel veel gespeeld. Ik heb een concert meer gespeeld, dan ik beloofd had. Uiteindelijk ook uit mijn hoofd. Dat is nu voorbij. Ik heb tenminste eer en roem gemaakt.

[…]

Ik wil geen kwaad woord zeggen over de heer Grimm, maar kan er toch niet omheen op te merken, dat hij er door zijn onnadenkendheid om zo overhaast te vertrekken, de oorzaak van is, dat mijn sonates (de vioolsonates KV 301 t/m 306) nog niet gegraveerd zijn, dat wil zeggen nog niet aan het licht gekomen zijn, of in elk geval dat ik ze nog steeds niet heb en, wanneer ik ze dan zal krijgen, ze vol fouten zal vinden. Wanneer ik nog drie dagen langer in Parijs gebleven zou zijn, had ik ze zelf kunnen corrigeren en kunnen meenemen! De graveur was desperaat toen ik hem zei, dat ik ze niet zelf kon corrigeren, maar deze taak aan iemand anders moest toevertrouwen. Waarom? Omdat de heer **** (~  Grimm)  , toen ik hem zei dat ik, omdat ik niet nog drie dagen langer in zijn huis kon verblijven, vanwege de sonates bij Graaf von Sückingen  (Karl Heinrich Joseph Graf Sickingen zi Sickingen, van 1777 tot 1791  gezant van de Kurpfalz in Parijs) wilde logeren, mij met woede in zijn ogen  antwoordde : “ Luister jij eens even goed : wanneer je uit mijn huis vertrekt zonder Parijs te verlaten, dan wil  ik je zolang ik leef niet meer zien, je hoeft me dan niet meer onder ogen te komen, dan ben ik je grootste vijand”. Ja, toen was meegaandheid noodzakelijk, omdat ik niet buiten U, die over deze hele zaak niets wist, om wilde handelen. Anders zou ik zeker gezegd hebben : “Goed dan, wees dan maar mijn vijand. U bent dat eigenlijk al. Anders zou U me niet verhinderen mijn zaken hier in orde te maken, me aan al mijn beloftes te houden en hiermee mijn eer en reputatie in stand te houden, geld te verdienen en misschien ook succes te krijgen. Want wanneer ik naar München kom om daar persoonlijk mijn sonates aan hare keurvorstelijke hoogheid te presenteren , dan houd ik mij aan mijn woord, krijg een present en werk ik aan mijn succes. Nu kan ik alleen maar een buiging maken en weg gaan zonder verder een woord te zeggen.

Voordat ik vertrok,  heb ik het hem gezegd, maar hij antwoordde me als een mens zonder verstand of een kwaad iemand die soms geen verstand heeft . Ik heb al twee keer aan de heer Heina (François Heina, waldhoornist en trompettist, steunde Mozart toen diens moeder overleed)  geschreven en nog geen antwoord gekregen. Eind september hadden ze moeten verschijnen en de heer Grimm had mij de beloofde exemplaren gelijk moeten nasturen. Ik ging ervan uit, dat ik alles in Straatsburg in goede orde zou aantreffen.  De heer Grimm schrijft me, dat hij er niets van ziet of hoort. Zodra hij ze krijgt, zal hij ze me sturen. Ik hoop, dat dat heel gauw gebeurt!  Straatsburg kan bijna niet zonder me! U kunt zich niet voorstellen hoe hoog ik hier aangeschreven sta en hoe geliefd ik ben! De mensen zeggen, dat bij mij alles er zo voornaam aan toe gaat. Ik ben zo correct en beleefd en voer muziek zo voortreffelijk uit. Iedereen kent me hier. Zodra ze mijn naam hoorden, zijn de twee heren Silbermann (Johann Andreas en Johann Heinrich, zonen van Andreas Silbermann die het orgel in de Münsterkerk van Straatsburg vernieuwde)  en  (Sixtus) Hepp, organist, bij me gekomen, en ook kapelmeester Richter (Franz Xaver , behorend tot de [oudere] Mannheimse School)  die zich ondertussen heel erg beperkt heeft : in plaats van 40 liter wijn zuipt hij er dagelijks nog maar 20. Ik heb hier de twee beste orgels van Silbermann in het openbaar bespeeld  in de Lutheraanse kerken, de Neukirche en de Thomaskirche.  Wanneer de kardinaal (Louis Constantin de Rohan, vanaf 1756  bisschop van Straatsburg, sinds 1761 kardinaal ) die doodziek was toen ik aankwam, gestorven was, dan had ik een goede positie gekregen. De heer Richter is nu 78 jaar oud.

[…]

 

***

Mannheim,  12 november  1778

 

Mon trés cher Pére!

 

Nu komt er iets! Ik kan hier misschien wel 40 louisd’or verdienen! Dan moet ik hier wel zes weken, misschien wel twee maanden blijven. Het toneelgezelschap Seiler (genoemd naar Abel Seyler, speelde  o.a. in Weimar, Mainz, Mannheim en Gotha)  is hier  per renommé waarschijnlijk wel bekend. De heer Dallberg (Wolfgang Heribert Reichsfreiherr von Dalberg, diplomaat uit Baden, intendant van het Nationaltheater van Mannheim ) is er de directeur van. Deze laat me niet met rust, totdat ik voor hem een duodrama heb gecomponeerd. Daar hoefde ik niet lang over na te denken, want een dergelijk soort van drama te schrijven was altijd al mijn wens. (het betreft de [onvolledige]  muziek bij het melodrama Semiramis van Otto Freiherr von Gemmingen, KV Anh. 11/315 e, de muziek is verloren) Ik weet het niet zeker, maar heb ik u al niet, toen ik hier voor het eerst was, over dergelijke stukken geschreven? Destijds heb ik hier met het grootste plezier zo’n stuk twee maal zien opvoeren. Inderdaad, nog nooit heeft iets me zo verrast! Ik dacht altijd, dat iets dergelijks geen effect zou sorteren. U weet wel, dat daarbij niet gezongen maar gedeclameerd wordt. De muziek is als een obligaat recitatief. Soms wordt er ook tijdens de muziek gesproken, wat een heel bijzonder effect geeft. Wat ik toen gezien heb, was de Medea [monodrama, première 1775 Leipzig] van (Georg ) Benda; hij heeft er nog één gemaakt, Ariadne auf Naxos, (duodrama , première 1775 in Gotha, waar Benda kapelmeester was), beide zonder meer voortreffelijk. U weet dat onder de lutheraanse kapelmeesters  Benda altijd mijn favoriet was. Ik houd zo van deze twee stukken,  dat ik ze steeds bij me heb.  U kunt zich mijn vreugde voorstellen,  dat ik nu ten uitvoer kan brengen  wat ik altijd zo lang gewenst heb! Weet U wat ik vind? Men moet de meeste recitatieven in opera’s ook op die manier behandelen en maar een enkele keer , juist wanneer de woorden goed in muziek zijn uit te drukken, het recitatief zingen.

Men richt hier ook een accademie des amateurs op, zoals in Parijs, waarbij de heer Fränzel (Ignaz Fränzl ,vanaf 1747 violist bij de hofkapel van Mannheim, vanaf 1774 concertmeester, vanaf 1778 ook directeur van het Hoftheater), met zijn viool dirigeert. Ik ben juist bezig een concert voor piano en viool (KV Anh. 56, 315 f, is fragment gebleven) te schrijven.

[…]

Lieve vader, ik vraag U hierbij deze zaak in Salzburg te gebruiken en met indringende woorden zo aan de aartsbisschop voor te leggen, dat hij zal denken, dat ik misschien helemaal niet meer terug zal komen en tot de conclusie komt, dat hij mij een hoger salaris behoort te geven. Geloof me, ik verlies mijn geduld wanneer ik er aan denk. De aartsbisschop kan me nooit genoeg betalen  voor de slavernij in Salzburg! Met groot genoegen zou ik u weer eens willen bezoeken, maar met louter nijd en angst zie ik me weer in dat bedel-hof staan! De aartsbisschop zal me toch heus met minder autoriteit tegemoet moeten treden dan hij tot nu toe gewoon was. Het is niet onmogelijk, dat ik een lange neus tegen hem maak! Makkelijk zat. Ik ben er zeker van dat ook u er plezier aan zult beleven.

[…]

***

Mannheim, 3 december 1778

Mon trés cher Pére!

Komende woensdag de 9e vertrek ik, eerder kan niet. Omdat ik hier nog een paar maanden dacht te blijven nam ik enkele scolaren aan en ik wilde ook mijn 12 lectionen afronden. U kunt zich niet voorstellen, wat voor goede en oprechte vrienden ik hier heb. Mettertijd zal dat ook zeker blijken. Waarom ik kort moet zijn? Omdat ik momenteel mijn handen vol heb. Ik schrijf voor de heer Von Gemingen, maar natuurlijk ook voor mijn eigen genoegen de eerste acte van een gedeclameerde opera die ik al lang had moeten schrijven. Tevergeefs. Ik neem hem mee en maak hem thuis af. (daar is het uiteindelijk niet van gekomen)  Ziet u, ik heb een bijzonder grote voorkeur voor dit soort composities.  De heer Von Gemingen is de librettist, zoals vanzelf spreekt. Het duodrama heet Semiramis.

[…]

 

Speelt de heer Feiner ook Engelse hoorn?  Ach, hadden we ook maar klarinetten! U kunt zich niet voorstellen wat  voor bijzonder effect een symfonie met fluiten, hobo’s en klarinetten oplevert! Ik zal de aartsbisschop tijdens mijn eerste audiëntie veel nieuws kunnen melden en misschen ook een paar suggesties doen. Ach, de muziek zou bij ons veel mooier en beter kunnen zijn, wanneer de aartsbisschop maar wilde meewerken. De hoofdoorzaak daarvan is dat er gewoon te veel Musiquen zijn. Tegen de cabinetsmuziek heb ik niets in te brengen; wel tegen de massale muziek.

 

Apropos, u schrijft niets over de koffer die u zonder twijfel zult hebben ontvangen.  Zo niet, dan is de heer Grimm ervoor verantwoordelijk.  Daarin zult u de aria’s hebben aangetroffen die ik voor mademoiselle Weber heb geschreven. U kunt zich niet voorstellen wat voor effect deze aria ( ~Non sò, d’onde viene, KV 294)  samen met instrumenten teweeg brengt. Ook al is het haar niet direct aan te zien, toch moet een echte Weber zo’n aria zingen. Ik smeek u, geef die aria aan niemand naders. Dat zou de grootste onbillijkheid inhouden die men zou kunnen begaan, omdat ze helemaal voor haar geschreven is en als maatkleding bij haar past.

 

[…]

 

***


Kaÿsersheim, 18 december 1778

 

Mon trés cher Pére!

 
[…]  

 

Wat betreft het monodrama of duodrama is een zangstem helemaal niet noodzakelijk omdat daarin geen enkele noot wordt gezongen, er wordt alleen maar gesproken. In één woord : het is een recitatief met instrumenten. De acteur spreekt zijn tekst en zingt niet. Wanneer u het bij de piano zult horen, zal het u al bevallen. Hoort u het echt uitvoeren, dan zult u verbijsterd zijn, daar sta ik voor in. Er is alleen een goede acteur of actrice vereist.

Nu schaam ik me inderdaad dat ik naar München kom zonder mijn sonates. Ik begrijp het allemaal niet. Dat was een domme zet van Grimm, ik heb het hem ook geschreven. Musschien ziet hij nu in, dat het wel een beetje overhaast is gebeurd.  Niets heeft me zo geërgerd als dit. U kunt zich dat wel voorstellen. Ik weet, dat mijn sonates sinds begin november uitgekomen zijn. En ik als Author heb ze niet eens en kan ze de keurvorstin aan wie ze zijn opgedragen niet eens overhandigen. Ik heb trouwens al maatregelen genomen, dat ik ze zeker zal hebben. Ik hoop, dat mijn Baase ze in Augsburg al heeft ontvangen of dat ze bij Joseph Killian aldaar liggen. Ik heb ze al geschreven dat ze me de stukken onmiddellijk door sturen.

 

[…]

 

Nu wordt in München het treurspel Alceste van Schweizer opgevoerd! Het beste, behalve enige beginstukken, middenpassages en coda’s van enkele aria’s, is het begin van het recitatief O Jugendzeit! Dat heeft Raaff heel goed gecomponeerd. Hij heeft het voor Hartig (Franz Christian Hartig, 1750-1819, tenor, leerling van Raaff, sinds 1774 lid van de Hofmuziek in Mannheim) die de rol van Admetus vertolkt, gepunteerd, en daarmee voor een waarachtige expressie gezorgd.  Het minst gelukt is de ouverture,  terwijl de opera verder heel geslaagd is.

 

***

 

Munchen 8 november 1780

 

Mon trés chér Pére!

(in 1780 kreeg Mozart van Keurvorst Karl Theodor de opdracht de Idomeneo te componeren voor het carnaval van 1781in München)  

Hier en daar moet nog een kleine verandering worden aangebracht. Zo moet het recitatief wat worden ingekort. Toch zal alles straks zwart op wit gedrukt staan. Ik heb een verzoek aan de heer Abate (~ hofkapelaan Giambattista Varesco, die het oudere libretto moest bewerken)  De aria van Ilia in acte 2 scène 2 (nr 11) zou ik graag met het oog op het praktische gebruik ervan, willen wijzigen. Se il Padre perdei in te lo rotrovo : deze strofe kan niet beter. Nu komt er echter iets dat me altijd al, vooral in een aria, onnatuurlijk scheen, namelijk het à parte spreken. In een dialoog zijn deze zaken heel natuurlijk, men spreekt  vlug een paar woorden terzijde. Maar in een aria waarin men de woorden moet herhalen, werkt het averechts en ook als dat niet het geval zou zijn, zou ik me daar een aria wensen – het begin kan blijven wanneer hij ermee akkoord gaat, want dat is charmant, een heel natuurlijk voortvloeiende aria, waar ik niet zo zeer aan de woorden gebonden ben en heel gemakkelijk verder kan schrijven. We hebben afgesproken hier een aria andantino aan te brengen met vier concerterende blaasinstrumenten, namelijk een fluit, een hoorn, een hobo en een fagot. Nu een schandaal : ik heb weliswaar niet de eer de persoon Del Prato (Vicenzo del Prato, 1756-1828, castraat)  te kennen, maar uit de beschrijvingen van zijn optreden is Ceccarelli ( Francesco Ceccarelli, 1752-1814, castraat)  eigenlijk nog beter. Midden in een aria is hij al buiten adem. En nota bene: hij heeft nog nooit op de planken gestaan!  Bovendien is Raaf een Statue. Moet je je de scène in de eerste acte eens voorstellen!

Nu weer wat positiefs : madame Dorothea Wendling (die de rol van Ilia op zich neemt)  is met haar scène (waarschijnlijk solitudini amiche ) arcicontentissima. Ze heeft hem drie maal achtereen willen horen.

[…]

Gisteren is de Gross Deutschmeister (Maximilian Franz)  aangekomen. De uitvoering vond plaats in het Keurvorstelijk hoftheater Esex, samen met een magnifiek Ballet.  Het theater was geheel verlicht. Als begin klonk een ouverture van Cannabich, die ik, omdat het een van zijn laatste is, niet kende. Ik verzeker u : wanneer je hem hoort, zul je even zo onder de indruk zijn als ik. Als je het niet van tevoren zou weten, zou je niet geloofd hebben dat hij van Cannabich is. Kom toch gauw luisteren!

***

Munchen, 15 november 1780

Mon trés cher Pére!                                                        

[…]

De aria ( de door Varesco omgewerkte aria van Ilia in acte 2)  is voortreffelijk zo. Er is nog wel een verandering aan te brengen waaraan Raaff schuld is. Hij heeft gelijk en ook al was dat niet zo, dan zou men nog rekening moeten houden met zijn grijze haren. Gisteren was hij bij me. Ik heb hem zijn eerste aria voorgedaan en hij was er erg mee tevreden. Nu, de man is oud. In een aria als die in de tweede acte Fuor del mar hò un mare in seno etc. kan hij zich niet meer bewijzen. Omdat hij in de derde acte anders geen aria zou krijgen, wenste hij ,  omdat zijn aria in de eerste acte vanwege de uitdrukking van de woorden niet cantabile genoeg kan zijn, na zijn laatste woorden  Ò Creta Fortinata! Ò me Felice etc. in plaats van het kwartet een vrolijke aria te zingen. Op deze manier valt ook hier een onnodig stuk weg en de derde acte zal in deze vorm een veel betere indruk maken. Welnu, in de laatste scène in de tweede acte heeft Idomeneo tussen de koren in een aria of liever een soort van cavatina. Hier zal het beter zijn,  een gewoon recitatief te plaatsen waarbij de instrumenten goed kunnen begeleiden. Immers, in deze scène die vanwege de handeling en de diverse groepen, zoals we onlangs met Le Grand hebben afgesproken, de mooiste van de hele opera zal zijn, zal er op het toneel zoveel lawaai en verwarring zijn, dat een aria op deze plaats helemaal niet zou passen en bovendien is het noodweer – houdt dat niet op bij de aria van Raaff? -  en het effect van een recitatief tussen de koren veel beter. Lisel Wendling heeft haar twee aria’s ook al wel een half dozijn keer door gezongen; ze is uiterst tevreden. Ik heb het uit derde hand, dat de dames Wendling zeer goed over hun aria’s te spreken waren. Raaff is hoe dan ook mijn beste vriend!

Mijn  Molto amato Castrato del Prato moet ik echter de hele opera aanleren. Hij is niet in staat in een aria een begin te maken dat wat voorstelt. En bovendien een ongelijke stem! Hij is maar voor één jaar geëngageerd. Komende september loopt zijn contract af. Dan kan Graaf Seeau een ander nemen. Ceccarelli zou dan eens zijn geluk kunnen beproeven.

[…]

***

Munchen, 22 november 1780

Mon trés cher Pére!                                                                    

Hier volgt dan eindelijk de al zo lang geleden beloofde aria (KV Anhang 11a [365a]) voor de heer Schikaneder (Emanuel Schikaneder, 1751-1812, acteur en theaterdirecteur ) . De eerste acht dagen kwam ik er vanwege al mijn andere bezigheden, niet aan toe. Pas geleden nog was Le Grand de balletmeester, een gruwelijke kletskous en seccatore, bij me, en zorgde er met zijn geklets voor, dat ik de postwagen miste.

[…]

Gisterenmorgen kreeg ik bezoek van de heer Raaff. Ik maakte hem ook namens u mijn complimenten, wat hem ongemeen plezier deed. Hij doet u de hartelijke groeten. Wat een waardig en goudeerlijk man is dat toch!

Eergisteren heeft Del Prato in de Accademie gezongen. Wat een schande! Ik wil wedden,  dat die kerel niet eens de repetities, laat staan de opera zelf, doorkomt. Die vent is inwendig niet gezond.

[…]

Wanneer de castraat ( ~Del Prato) arriveert, moet ik met hem zingen, want hij moet zijn hele rol als een kind leren. Hij bezit nog voor geen stuiver methode.

[…]

***

Munchen, 24 november 1780

Mon trés cher Pére!

[…]

Ik kan het het beste weten, omdat ik er zelf bij was (op 8 november) en bij de hele affaire toekeek en toehoorde. Toen de eerste symfonie afgelopen was, was het aan madame Mara (Gertrud Elisabeth Mara-Schmehling, 1749-1833, was samen met haar man na voortdurende conflicten het hof van Friedrich II ontvlucht ) de beurt om te zingen. Daar zag ik haar man (Johann Baptist Mara, 1744-1808, cellist) achter haar aankomen met een cello in zijn hand. Ik dacht, dat het zou gaan om een aria met obligate cello. De oude Danzi (Innocenz Danzi, gestorven 1798) , een heel goed accompagnateur, is hier eerste cellist. Opeens zegt de oude Toeski (Carlo Giuseppe Toeschi), ook directeur, maar dan één die op het moment dat Cannabich aanwezig is, niets te bevelen heeft, tegen Danzi, nota bene zijn schoonzoon : “Sta op en laat Mara op jouw plaats zitten”. Wanneer Cannabich dit hoort en ziet, schreeuwt hij : “Danzi, blijf zitten! De Keurvorst ziet graag door wie  zijn mensen worden begeleid”.

Toen begon de aria. Giovanni Mara  stond als een arme zondaar met zijn cello’tje in zijn hand achter zijn vrouw. Toen ze de zaal binnenkwamen , kon ik ze alletwee al niet uitstaan. Zo iets brutaals had men nog nooit meegemaakt.  Daarvan zult u door wat volgt overtuigd zijn. De aria had een tweede deel. Madame Mara vond het niet nodig het orkest vooraf te aviseren, maar ging met de haar aangeboren air d’effronterie tijdens het laatste ritornello af om de hoge heren haar compliment te maken. Ondertussen ging haar man zich met Cannabich verstaan – ik kan niet alles opschrijven anders wordt het te lang -  met één woord, hij schold het orkest uit en had opmerkingen over het karakter van Cannabich. Die werd natuurlijk boos, nam hem bij de arm en zei : “Het is hier niet de plaats om u te antwoorden”. Mara wilde nog wat zeggen, maar Cannabich dreigde hem, als hij niet zou zwijgen, naar buiten te laten brengen. Iedereen was verontwaardigd over de impertinentie van Mara. Ondertussen speelde men een concert van Ram. Toen gingen de twee beminnelijke  echtelieden klagen bij Graaf Seeau. Ook bij hem, zoals bij iedereen, kregen ze te horen, dat ze ongelijk hadden.  Tenslotte beging madame Mara de stommiteit om naar beneden te gaan naar de Keurvorst. Haar man zei ondertussen vol trots “ Mijn vrouw beklaagt zich nu bij de Keurvorst. Dat zal Cannabich berouwen”. Het spijt me wel, maar hij werd daarom hartelijk uitgelachen. De Keurvorst antwoordde op de klacht van madame Mara : “Madame, u heeft als een engel gezongen, hoewel uw man u niet heeft begeleid”. Toen ze haar klacht wilde doordrukken, zei hij : “ Dat gaat mij verder niets aan, maar u moet bij graaf Seeau zijn”. Toen ze zagen dat daar niets te halen viel, gingen ze gewoon weg , hoewel ze nog twee aria’s moest zingen. Dat wil op zijn Duits zeggen : de Keurvorst affronteren. Ik weet absoluut zeker, dat men, wanneer de aartsbisschop en andere mensen van buiten niet hier aanwezig waren geweest, heel anders tegen hen opgetreden zou zijn.  Maar nu was Graaf Seeau schijtebang en liet hen roepen. Ze kwamen weer terug. Ze zong haar twee aria’s zonder begeleiding van haar man. Bij de laatste aria misten drie maten, maar alleen in de kopie van Cannabich. Volgens mij had Mara hier de hand in . Toen deze passage aan de beurt was, hield Mara Cannabich bij zijn arm vast. Deze herstelde zich onmiddellijk, maar sloeg wel met zijn strijkstok op de lessenaar en schreeuwde :”Hier klopt echt helemaal niets van!”. Toen de aria uit was, zei hij tegen Mara : “Ik wil u een goede raad geven. Knoop het volgende maar in uw oren : houd  geen directeur van een orkest vast bij zijn arm, want anders kunt u rekenen op een half dozijn oorvijgen”. Nu zong Mara een toontje lager. Hij vroeg om vergiffenis en verontschuldigde zich zo goed hij kon. Het schandelijkste bij die hele affaire was, dat Mara, een miserabel  cellist, zoals ook hier blijkt, zich helemaal niet bij het hof had kunnen laten horen, wanneer Cannabich er niet geweest was om daar moeite voor te doen. Bij het eerste academieconcert, toen ik hier nog niet was, speelde hij een concert en begeleidde zijn vrouw en ging zonder iets tegen Danzi of iemand anders te zeggen op Danzi’s plaats zitten. Dat liet men toen over zijn kant gaan. De Keurvorst was niet bijster tevreden over zijn begeleiding en zei, dat hij liever zag dat zijn eigen mensen voor de begeleiding zouden zorgen. Cannabich wist dat en zei het tegen de graaf voordat het academieconcert begon. Hij, Mara, mocht wel aan de andere kant meespelen, maar Danzi moest in elk geval spelen.  Toen Mara verscheen, zei hij het tegen hem. En toch beging hij die impertinentie. Bij deze twee figuren staat de trots, grofheid en echte effronterie al in hun gezicht te lezen.

[…]

***

(München,  29 november 1780)

De  toegestuurde [tekst voor de]  aria voor Raaff bevalt mij en hem totaal niet. Over het metrum   wil ik helemaal niets zeggen, want dat zit er bij een dergelijke aria vaak naast. Metastasio heeft het soms ook, maar heel zelden en die aria’s zijn ook niet zijn beste.  En waarom is het nodig? Bovendien is ze ook helemaal niet zo als we hebben gewenst. Ze zou alleen maar blijk moeten geven van rust en tevredenheid. Dat laat ze ook zien, maar pas in het tweede deel. Het ongeluk waaraan hij ten prooi is gevallen, hebben we de hele opera door genoeg gezien, gehoord en gevoeld.  Maar over zijn nieuwe situatie kan hij wel spreken. We hebben ook helemaal geen tweede deel nodig, des te beter dus. In de opera Achille in Sciro van Metastasio staat een dergelijk soort aria van het type dat Raaff zou willen hebben.


                     Or che mio figlio sei,
                     O fido il destin nemico
                     Sento degl' anni miei
                     Il Peso a leggierir.


Zeg me eerlijk, vindt u ook niet dat de tekst  van de onderaardse stem te lang is?  Denk er goed over na. Stelt u zich het theater voor, de stem moet angst aanjagen, moet indringend zijn, men moet geloven dat er een echte stem klinkt. Hoe kan dat gebeuren wanneer de tekst te lang is, iets waardoor de toehoorders steeds meer van de nietzeggendheid ervan overtuigd raken? Wanneer in Hamlet de woorden van de geest niet zo lang zouden zijn, zouden die nog meer effect hebben. De tekst  hier is ook heel gemakkelijk in te korten. Ze wint er meer door dan ze verliest.

Verder heb ik voor de mars in de tweede acte, die men uit de verte hoort, een bepaald soort sordines voor trompetten en hoorns nodig, dat men hier niet voor handen heeft. Zou U me van elke soort één met de eerstkomende postwagen kunnen sturen om er hier een kopie van te laten maken?


***

München, 1 december 1780

Mon trés chér Pére!                                                                    

De repetitie is buitengewoon goed gegaan. Er waren slechts zes violen, maar wel alle vereiste blaasinstrumenten. Toehoorders werden niet toegelaten behalve de gezusters Von Seeau en de jonge Graaf Sensheim. Binnen acht dagen doen we een tweede repetitie. Dan zullen we voor de eerste acte die ondertussen wordt gekopieerd, twaalf violisten hebben en dan zal de tweede, zoals de vorige keer de eerste, meegenomen worden. U kunt zich niet voorstellen, hoe verbaasd en verheugd iedereen was. Ik had dat trouwens wel gedacht,  daarom ging ik vol vertrouwen naar deze repetitie alsof ik bij iemand een hapje ging eten. Graaf Sensheim zei tegen me: “Ik verzeker u, dat ik heel hoge verwachtingen van u had, maar dit had ik echt niet verwacht”. Het huis van Cannabich en allen die het frequenteren zijn echte vrienden van me.  Toen ik na de repetitie met Cannabich – we hadden nog veel met de graaf te bespreken – thuis kwam, kwam madame  Cannabich me al tegemoet en omarmde me hartelijk omdat de repetitie zo geslaagd was.  Hijzelf, samen met Ram en Lang, kwamen dolenthousiast naar huis. De goede vrouw, een echte vriendin van mij, had ondertussen, terwijl ze met haar zieke Rose alleen thuis was, duizend zorgen om mij. Ram zei het me nog :” wanneer u deze man leert kennen, zult u zeggen : dat is nog eens een echte Duitser. Hij zegt alles zo in je gezicht wat hij denkt. Dat kan ik wel zeggen, dat geen Musique zo’n indruk op me heeft gemaakt en ik verzeker u, dat ik wel vijftig keer aan uw vader heb moeten denken. Wat voor vreugde moet deze man voelen, wanneer hij deze opera hoort”. Genoeg daarover.

Mijn carthar is bij deze repetitie wat – erger geworden.  Men raakt toch wel verhit wanneer het om eer en roem gaat,  ook al is men in het begin nog zo koelbloedig. Ik heb alles ingenomen wat u me voorschreef. Het gaat wel langzaam en dat komt me juist nu slecht uit, want het schrijven maakt aan mijn carthar geen eind, en toch moet er geschreven worden. Ik ben vandaag begonnen  met het innemen van vijgesap en amandelolie en ik merk al verlichting. Ik ben twee dagen thuis gebleven. Gisterenmorgen was de heer Raaff weer bij me om de aria van de tweede acte te beluisteren. De man is zo verliefd op zijn aria als een jongen maar op zijn liefste verliefd kan zijn. Hij zingt ze ’s nachts voordat hij gaat slapen en ‘s morgens zodra hij wakker is. Uit zekere bron weet ik, nu ook van hemzelf, dat hij tegen de heren Von Vierreck, opperstalmeester, en Von  Castel heeft gezegd : “Ik was anders altijd gewoon  in de rollen te groeien, zowel bij recitatief als aria. Maar daar is alles gebleven zoals het was. Ik zou geen noot weten die niet bij me zou passen”. Enfin, hij is tevreden als een koning. De opgestuurde aria wilde hij wel, net zoals ik, een beetje veranderd  hebben. Ook met het metrum is hij het niet eens. En dan : we zouden hier graag een rustige, tevreden  aria willen hebben. Wanneer het een eendelige aria zou zijn, des te beter. In de Achile in Sciro is een dergelijke aria te vinden:


                      Or che mio figlio Sei,
                      sfido il destin nemico
                        sento degl' ani miei
                          il Peso à legierir.


***

München, 5 december 1780

Mon trés cher Pére!                                                                   

Het overlijden van  de keizerin (Maria Theresia overleed op 29 november) is niet in het minst nadelig voor mijn opera. Er is namelijk geen theater dicht gegaan en de komedies worden net als voorheen gewoon opgevoerd. Bovendien zal de rouwperiode niet langer dan zes weken duren en de opera gaat voor de 20e januari niet in première. Nu vraag ik u mijn zwarte pak grondig uit te borstelen en af te kloppen,  zo goed mogelijk te laten herstellen en met de postwagen te verzenden. Want volgende week doet iedereen rouwkleding aan en ik die van hot naar haar vliegt, moet ook meehuilen.

In uw laatste brief lees ik geen woord over een zekere heer Sieger die met de laatste postwagen naar Salzburg is gereisd en ook niet over een brief  voor u die ik aan hem heb meegegeven. Ik had toen een carthar de me twee dagen aan huis bond. Sieger kon wegens zaken niet naar mij toe komen. De brief lag klaar. Ik was niet van plan om uit te gaan en had me ook niet aangekleed. Ik stuurde de brief op de post waar de wagen wegrijdt  samen met een briefje waar de naam Sieger op geschreven stond.  Wanneer één van de medereizigers Sieger heet, moet men hem deze brief geven. Ik denk dat deze man, die verschillende adressen in Salzburg heeft, nog geen gelegenheid heeft gevonden naar u toe te komen. Dat vind ik heel vervelend, omdat ik u  juist in deze brief om iets dringends voor de opera heb gevraagd, namelijk een trompetsordine zoals we die in Wenen hebben laten maken en een soortgelijke voor de waldhoorn . Die heb ik nodig voor de mars in de tweede acte (nr 14) . Ik heb ook over de ultima aria van Raaff geschreven, dat we alle twee nog iets aangenamers in zoetere bewoordingen zouden wensen. Het metrum  is geforceerd, het begin is goed, maar  gelida massa is weer hard. Met één woord :  in een aangename aria passen geen gezochte of ongewone woorden.

Dan zou ik ook willen dat in de aria rust en tevredenheid doorklinken. Wanneer ze  uit één deel zou bestaan, zou me dat nog liever zijn.

Ook heb ik u geschreven over Panzachi (Domenico de’ Panzachi, 1733-1805, zong de rol van Arbace)  . Men moet deze eerlijke, oude man toch ook enigszins ter wille zijn. Hij zou het op prijs stellen wanneer zijn recitatief in de derde acte met enkele verzen  zou worden verlengd. (Het betreft het recitatief van Arbace Sventurata Sidon!) Dat zal vanwege het chiaro e scuro en omdat hij een goed acteur is, een goed effect geven. Zo kan bij voorbeeld na de strofe sei la città del pianto, e questa Reggia quella del Duol, een klein vermoeden  van hoop – en dan! -  ik waanzinnige! -  waartoe verleidt me mijn smart! – ah Creta tutta io vedo Etc.
Vanwege deze zaken hoeft Abbate Varesco niet de hele acte opnieuw  over te schrijven. Men kan de aanvullingen er zo tussen schrijven.

Ik heb ook geschreven dat aan mij en anderen de onderaardse scène te lang lijkt om het maximale effect te hebben. Wilt u daar ook over nadenken?

[…]

 

***

 

Salzburg 19 december 1780

Mon trés  Cher   Pére!                                                                            

ik heb de laatste acte voor Raaff, die U de groeten laat doen, ontvangen, samen met de twee trompetsordines en uw laatste brief van de 15e en het paar kousen in goede orde ontvangen. De laatste repetitie is net als de eerst goed gelukt. Tot hun verrassing en genoegen hebben zowel de orkestleden als de toehoorders ervaren dat de tweede acte in uitdrukking en moderniteit nog sterker werkt dan de eerste. Komende zaterdag worden de twee actes samen gerepeteerd, maar dan in een grote zaal  aan het hof waar we al langer naar uitkeken; immers bij graaf Seeau is het gewoon te klein.  De Keurvorst zal incognito in een zijkamer meeluisteren. Cannabich zei tegen me dat er op leven en dood geoefend zal moeten worden. Bij de laatste repetitie was hij drijfnat van het zweet.

[…]

Dat ik gezond ben en goed in mijn vel zit, zult U uit mijn eerdere brieven al hebben kunnen opmaken. Men is opgelucht, wanneer men van een zo groot project met alle bijbehorende inspanningen is bevrijd, en dat nog wel met groot succes! Ik ben bijna zover, want er ontbreken nog drie aria’s en het laatste koor van de derde acte, de ouverture, het ballet en de afscheidsscène. Van de aria’s voor Heckmann die geen tekst hebben, zijn er maar twee die u niet kent, de andere zijn van mij, één uit de Ascanio van Alba, of zelfs twee, die voor mevrouw Duscheck, die kunt u me zonder tekst sturen omdat ik die er zelf kan bijschrijven; ik heb de tekst hier. Eén van Anfossi en Salieri met hobo-solo, die beide van de hand van mevrouw Haydn (de echtgenote van Michael Haydn) zijn. Ik heb vergeten de tekst van te voren over te schrijven omdat ik niet dacht zo vlug te vertrekken. Ik ken hem niet uit het hoofd. Apropos : nu het noodzakelijkste, want ik heb haast. Met de eerstkomende postwagen hoop ik op zijn minst de eerste acte samen met de vertaling te ontvangen. De scène tussen vader en zoon in de eerste acte en de eerste scène in de tweede acte tussen Idomeneo en Arbace, zijn beide te lang en in deze vorm vervelend. Te meer omdat in de eerste beide acteurs slecht zijn en in de tweede één ook niet best. Verder komt de inhoud gewoonweg neer op het navertellen van datgene wat de toeschouwers al  met eigen ogen hebben gezien. De scènes worden gedrukt zoals ze nu zijn. Nu zou ik graag willen, dat de heer Abbate me zou aangeven hoe de inkorting moet plaatsvinden, liefst zo kort mogelijk, want anders moet ik het zelf doen. Want zo kunnen de twee scènes natuurlijk niet blijven, in de muziek wel te verstaan.

***

München, 27 december 1780

Mon trés cher pére,

Ik heb de gehele opera, de brief van Schachtner, uw briefje en de pillen in goede orde ontvangen. Wat betreft de twee scènes die ingekort moeten worden, dat is niet mijn voorstel, alleen mijn consentement. Waarom ik direct al die mening was toegedaan is, omdat Raaff en Del Prato het recitatief zonder enig enthousiasme, volstrekt monotoon, zingen. De miserabelste acteurs die ooit op het toneel hebben gestaan, zijn, - vanwege de onnatuurlijkheid en bijna onmogelijkheid zaken weg te laten heb ik pas nog een vervloekte ruzie gehad met Seeau. Genoeg, wanneer alles gedrukt is. Dat had hij absolument niet willen toegeven, maar uiteindelijk toch wel, nadat ik hem behoorlijk grof had aangepakt. De laatste repetitie was een heerlijke ervaring. Ze vond in een grote zaal aan het hof plaats in aanwezigheid van de Keurvorst. Ditmaal deed het hele orkest, dat in het Operahuis zijn vaste plaats heeft, mee. Na de eerste acte riep de Keurvorst luid en duidelijk : Bravo! Toen ik hem de hand ging kussen, zei hij : “Deze opera zal absoluut een succes worden”. Omdat hij niet wist, of hij zo lang kon blijven, moest men voor hem de concertaria en de scène met het noodweer bij het begin van de tweede acte spelen.  Daarna betuigde hij me weer allervriendelijkst zijn bijval en zei lachend : “Je zou niet denken, dat er in zo’n klein hoofd zoveel groots verborgen ligt”.  Ook de volgende dag prees hij  bij de Cercle mijn opera uitbundig. De volgende repetitie zal vermoedelijk in het theater plaatsvinden. Apropos: Beckè noemde me de dagen  dat hij u na de voorlaatste repetitie geschreven had en onder andere, dat de aria van Raaff in acte 2 haaks op de tekst is gecomponeerd. Dat heeft men mij tenminste gezegd, zei hij, ik versta te weinig Italiaans, is het waar? Hadden ze me maar eerder de vraag gesteld en pas daarna geschreven. Ik moet u zeggen, dat diegene die u zoiets gezegd heeft,  te weinig Italiaans kent. De muziek van de aria past voortreffelijk bij de woorden. Men hoort het mare en het mare funesto en de passages zijn aangebracht op minacciar. Ze drukken dat minacciar, het dreigen, volledig uit. Het is trouwens zonder meer de allermooiste aria in de hele opera en ze heeft ook veel bijval geoogst.

Is het waar, dat de keizer ziek is? Is het waar, dat de aartsbisschop naar München komt? Luister: Raaff is de eerlijkste man van de wereld, maar gedraagt zich zo als een oude lapzwans , dat men er bloed van zou gaan zweten.  Daarom ook is het zo moeilijk iets voor hem te componeren, of, zo u wilt, ook weer erg gemakkelijk, wanneer men zo elke dag aria’s wil maken. Zoals par exemple de eerste aria Vedròmi intorno, (nr 6) etc. Wanneer u ze hoort, is ze geslaagd en mooi, maar wanneer ik haar voor Zonca had geschreven, zou ze nog beter op de tekst zijn afgestemd.  Hij houdt veel te erg van gesneden noedels (~aanstellerij) en heeft geen aandacht voor expressie. Met het kwartet heb ik nu problemen wat hem betreft.  Hoe vaker ik me het kwartet op het toneel voorstel, des te meer indruk maakt het op me. Iedereen die het bij de piano alleen heeft gehoord, was enthousiast. Raaf als enige is van mening, dat het geen effect zal sorteren. Hij zei het me onder vier ogen. – non c'è da spianar la voce – het is te beperkt – alsof men in een kwartet niet veel meer zou moeten spreken dan zingen. Dergelijke zaken begrijpt hij totaal niet.  Ik zei alleen maar : “Mijn beste vriend! Wanneer ik in dit kwartet ook maar één noot zou kunnen aanwijzen die veranderd zou moeten worden, dan zou ik dat onmiddellijk doen. Maar ik ben met niets in deze opera zo tevreden geweest als juist met dit kwartet. Wanneer je het eenmaal samen hoort, zul je ongetwijfeld anders praten. Ik heb me bij jouw twee aria’s alle moeite gegeven je naar behoren te bedienen. Dat wil ik ook bij de derde aria doen en ik hoop, dat dat lukt. Maar wat terzetten en kwartetten betreft, moet je een componist gewoon maar zijn gang laten gaan”. Daarop toonde hij zich tevreden. Hij was wel  uiterst ongelukkig met een woord in zijn laatste aria, rinvigorir en ringiovenir, met name de combinatie vienmi à rinvigorir, vijfmaal i, dat klopt. Aan het slot van een aria is dat zeer onaangenaam.

[…]

***

München, 30 december 1780

Mon trés cher Pére!                                                                         

Gelukkig Nieuwjaar! Vergeeft u me, dat ik u zo weinig schrijf. Ik zit tot over mijn oren in het werk, want ik ben nog niet helemaal klaar met de derde acte. Omdat er geen extra ballet is maar wel een bij de opera horend divertissement, heb ik ook de eer de muziek daarbij te schrijven (KV 367) . Dat doe ik trouwens heel graag, want zo is de muziek tenminste van een meester afkomstig. De derde acte zal minstens even goed uitvallen als de beide eerste, volgens mij zelfs oneindigmaal beter. Men zal met recht kunnen zeggen : Finis Coronat Opus. De Keurvorst was bij de repetitie onlangs zo tevreden, dat hij, zoals ik u al schreef, mijn opera bij zijn Cercle uitbundig prees en dan ’s avonds bij de Cour weer. Verder weet ik uit zeer betrouwbare bron,  dat hij dezelfde avond na de repetitie tegen  iedereen die bij hem verschenen is, over mijn muziek gesproken heeft, en wel met de volgende uitdrukking : “Ik was volkomen suprenirt. Nog nooit heeft muziek zo’n indruk op me gemaakt, dat is gewoonweg magnifique musick.”. Eergisteren hebben we bij Wendling een recitatief-repetitie gedaan en samen het kwartet ingeoefend. We hebben het zes maal over gedaan. Nu gaat het eindelijk goed. De steens des aanstoots was telkens Del Prato. Die knul kan helemaal niets. Zijn stem zou helemaal nog niet zo slecht zijn, wanneer hij die niet vanuit hals en keel liet klinken. Overigens heeft hij ook helemaal geen intonatie, geen methode, geen gevoel, maar hij zingt als de beste van die jongens die zich laten horen om in een  kapel te worden opgenomen. Raaff heeft zijn ongelijk ingezien en twijfelt nu ook niet meer aan het effect. Nu heb ik betreffende Raaffs laatste aria een probleem dat u moet helpen oplossen. Het rinvogorir en ringiovenir stuit Raaff tegen de borst. Vanwege deze twee woorden staat de hele aria hem tegen. Het is waar, het mostrami en vienmi zijn ook niet goed, maar het slechtste zijn inderdaad de twee woorden aan het einde. Bij het eerste rinvigorir moest ik een triller op de i zien te vermijden en bracht die aan op de o. Nu heeft Raaff ik geloof in Natal di Giove(~Il Natale del Giove, tekst Metastasio, muziek van Giuseppe Bonno, première 1740) dat volstrekt onbekend is, een hierbij passende aria gevonden. Ik geloof dat het de licenz aria daarvan is (~een afzonderlijke aria voor een feestelijke gelegenheid, in dit geval de geboortedag van keizer Karl VI) .



                         Bell' Alme al Ciel dilette
                         Si Ah! respirate ormai,
                         già palpitaste assai
                             è tempo di Goder.
                         Creta non oda intorno
                         non vegga in si Bel Giorno
                         che accenti di Contento,
                             che oggetti di piacer.


deze aria moet ik voor hem op muziek zetten. Ze is onbekend, zegt hij, en we zeggen niets. Hij weet, dat we de heer Abate niet nog een derde maal kunnen vragen de aria te veranderen. Zoals ze er nu staat, wil hij haar niet zingen. Ik vraag om een spoedige reactie. Woensdag hoop ik op een antwoord van u. Dan schrijf ik juist aan zijn aria. Nu moet ik afsluiten, want ik moet hals over kop schrijven. Gecomponeerd is alles al, maar nog niet opgeschreven.

[…]

***

Salzburg (moet zijn : München) 3 januari 1781

Mon trés cher Pére!

Mijn hoofd en handen zijn zo vol van der derde acte, dat het geen wonder zou zijn, wanneer ik zelf een derde acte zou worden. Die acte kostte me meer moeite dan de gehele opera. Er is bijna geen scène in of hij is bijzonder interessant. De begeleiding bij de Onderaardse Stem (~de orakelscène Ha vinto amore) bestaat uit niets meer dan vijf stemmen, namelijk 3 trombones en 2 waldhoorns. Zij zijn op dezelfde plek geplaatst waar de stem vandaan komt.  Het hele orkest zwijgt op deze plaats. De generale is hoogst waarschijnlijk op de 20e. de eerste productie vindt plaats op de 22e.

[…]

We zullen nog veel zaken in de derde acte de revue moeten laten passeren. Zoals  bij voorbeeld de 6e scène, waar de aria van Arbace staat.

Idomeneo, Arbace Etc: hoe kan hij weer gelijk terug zijn? Gelukkig kan hij ook helemaal wegblijven. Om op safe te spelen heb ik een wat langere Introduzion gemaakt voor het recitatief van de hogepriester. Na  de treurmuziek van het koor gaat de koning, samen met het gehele volk weg. In de volgende scène staat Idomeneo in ginochione nel tempio – dat kan onmogelijk zo zijn. Hij moet met zijn gehele gevolg komen. Daar moet echt een mars komen. Ik heb een heel simpele mars gemaakt met twee violen, altviool, bas en twee hobo’s, die à mezza voce worden gespeeld. Tijdens deze muziek komt de koning terwijl de priesters de bij het offer benodigde voorbereidingen doen.  Dan knielt de koning en begint zijn gebed. In het recitatief van Elettra na de onderaardse stem moet ook staan partono. Ik ben vergeten om in het voor de druk geschreven afschrift te kijken of het er staat en hoe het er staat. Het komt me nogal onbenullig voor dat ze er met een vaartje vandoor gaan, alleen maar om madame Elettra alleen te laten.

Net op dit ogenblik ontdek ik uw vijf regels van 1 januari. Toen ik de brief had opengemaakt lag hij zo in mijn hand, dat ik alleen maar leeg papier zag. Eindelijk viel me de tekst op. Ik ben erg blij, dat ik de aria voor Raaff in handen heb. Hij heeft absolument zijn gegeven aria willen opnemen. Met iemand als nota bene een Raaff had ik niets anders kunnen doen dan Varesco’s aria te laten afdrukken en die van Raaff te laten zingen.

[…]

***

München. 16 januari 1778

Mon trés cher Pére!                                                                         

Ik heb uw brief van de 11e en de 13e via de heer Fiala in goede orde ontvangen. Vergeeft u me wanneer ik u heel weinig terug schrijf, want ik moet zo dadelijk, het is bijna 10 uur, - ’s ochtends natuurlijk - naar de repetitie. Het is de eerste recitatief-repetitie in het theater. Ik heb niet meer kunnen … omdat ik nog altijd bezig was met die vervloekte dansen. Laus Deo. Nu ben ik er. Verder het meest urgente : de repetitie met de derde akte  is absoluut geslaagd geweest. Men kwam tot de conclusie dat de derde acte nog veel beter is dan de eerste twee. Alleen is het libretto daar  veel te lang en de muziek dus ook. Ik heb dat altijd al gezegd. Daarom blijft de aria van Idamante, Nò, la morte io non pavento, weg, een aria die toch al ongeschikt is. De mensen die haar met muziek hebben gehoord zijn er niet bepaald enthousiast over. Over de laatste aria van Raaf zucht men nog meer. Maar men moet wel van de  nood een deugd zien te maken. De orakelspreuk is ook nog veel te lang. Ik heb hem al  ingekort. Varesco hoeft over dit alles niets te weten, want wat hij geschreven heeft , wordt gewoon afgedrukt. Het honorarium voor hem en Schachtner zal mevrouw Von Robinig meenemen. De heer Geschwendner zei me, dat hij geen geld kon meenemen. Zeg namens mij tegen Varesco dat hij van graaf Seeau geen stuiver meer krijgt dan geaccordirt is, want de veranderingen heeft hij niet voor hem, maar voor mij gemaakt. Hij mag me nog wel dankbaar zijn omdat het vanwege zijn eigen reputatie is gebeurd. Er zou nog heel wat te veranderen zijn. Ik verzeker u, dat hij het met geen componist zo goed heeft getroffen als met mij. Ik heb genoeg moeite gedaan hem te verontschuldigen.


[…]

***

Wenen, 24 maart 1781


Mon Trés Cher Pére!

[…]

 

Het is hier  mijn bedoeling mij op een fatsoenlijke wijze bij de keizer te vervoegen, want ik wil absoluut dat hij met mij kennis maakt. Met plezier zou ik met hem mijn opera doorjassen en dan braaf fuga’s spelen, want dat is helemaal zijn ding.  Had ik maar geweten, dat de vastentijd  naar Wenen zou komen, dan zou ik een klein oratorium hebben geschreven en voor mijn eigen profijt in het theater hebben uitgevoerd, zoals iedereen dat hier doet. Ik had de stemmen vooraf kunnen schrijven omdat ik ze allemaal ken.  Wat zou ik graag een officieel concert willen geven, zoals hier gebruik is. Maar het wordt me niet toegestaan, dat weet ik zeker, want, stelt u zich eens voor, u weet dat hier een sociëteit is die ten bate van weduwen van musici accademies organiseert. Alles wat maar muziek heet, speelt voor niets, helemaal gratis. Het orkest bestaat uit 180 personen. Geen virtuoos die ook maar een beetje liefde voor zijn naaste heeft, slaat het af om daarin te spelen wanneer hij door de sociëteit daarom wordt gevraagd.  Op die manier maakt men zich namelijk zowel bij de keizer als bij het publiek geliefd. Starzer had de opdracht me daarom te vragen en ik zegde hem gelijk toe, maar moest  eerst informeren, of mijn vorst het er wel mee eens ou zijn. Ik had daarover geen twijfel , omdat het een religieuze activiteit betreft   en het zonder honorering alleen maar om een goede daad te doen is. Hij gaf me geen toestemming. De hele elite hier heeft hem dat kwalijk genomen. Ik vind het jammer om de volgende reden : ik zou dan wel geen echt concert hebben, maar terwijl  de keizer in de Proscen Loge is, helemaal alleen, - gravin Thun zou me  haar mooie Pianforte van Steiner hebben geleend, hebben gepreludeerd, een fuga gespeeld en dan de variaties op “Je suis Lindor”  (KV 354) hebben vertolkt. Telkens wanneer ik dat zo in het openbaar deed, heb ik daarbij de grootste bijval gekregen, omdat het zo goed tegen elkaar afsteekt en omdat iedereen wel aan zijn trekken komt. Maar Pazienza. Fiala staat nu 1000 maal hoger bij mij aangeschreven omdat hij niet onder een ducaat speelt.  Is mijn zus nog niet gevraagd? Ze zal hopelijk voor twee concerten kiezen. Het zou me niet naar mijn zin zijn, wanneer wij die ons in alle opzichten zozeer van de gehele hofmuziek onderscheiden,  dat ook niet in dit geval zouden doen. Immers, willen ze niet, dan moeten ze het erbij laten zitten. Willen ze wel, laten ze dan in godsnaam ook betalen.

 

[…]

Mara is hier. Ze heeft afgelopen dinsdag in het theater een accademie gegeven. Haar man heeft zich niet durven laten zien, anders zou het orkest niet begeleid hebben. Hij had namelijk in de kranten laten afdrukken, dat niemand in heel Wenen in staat zou zijn hem te begeleiden.

[…]

***

Wenen  8 april 1781

Mon trés cher Pére!                  

[…]

Over het applaus in het theater heb ik u geschreven. Ik moet er alleen nog bij zeggen, dat datgene wat me het meest plezier heeft gedaan  en ook verbaasd heeft, het verbazingwekkende silentium was. En dan ook midden tussen het spel in ‘bravo!’ schreeuwen. Voor Wenen waar zoveel en zoveel goede pianisten zijn, betekent iets dergelijks toch wel een hele eer. Vandaag hadden we – ik schrijf nu om 11 uur ’s nachts – accademie. Daar werden drie nieuwe stukken van mij uitgevoerd: een rondo (KV 373)  bij een concert voor Brunetti, een sonate met vioolbegeleiding voor mezelf, die ik gisternacht van 11 tot 12 heb gecomponeerd (KV 379) Om het allemaal af te krijgen heb ik alleen maar de begeleidende stemmen voor Brunetti geschreven. Mijn eigen partij stond in mijn geheugen opgeslagen. Dan ook nog een rondo (recitatief en aria voor sopraan, a questo seni deh vieni, Or che il cielo a me ti rende KV 374)  voor Ceccarelli, dat hij heeft moeten repeteren.

[…]

***

Wenen 16 mei 1781


Mon trés cher Pére!                                                                        

U heeft volkomen gelijk, zoals ik ook volkomen gelijk heb, lieve vader! Ik weet en ken al mijn tekortkomingen, maar kan een mens niet aan verbetering werken? Kan hij zich niet al werkelijke verbeterd hebben? Wanneer ik de zaak vanuit mijn eigen standpunt  overdenk, dan zie ik, dat ik mezelf en u en bovendien mijn lieve zus het beste in alle opzichten kan helpen, wanneer ik in Wenen blijf. Ik verbeeld me, dat het geluk me hier goed gezind is. Het is voor mij eigenlijk een noodzaak hier te blijven. Dat was al zo toen ik uit München vertrok. Ik verheugde me heel erg op Wenen en wist niet waarom. U moet nog een beetje geduld hebben, dan zal ik u kunnen laten zien, van hoeveel nut Wenen voor ons allemaal is. Wees ervan overtuigd, dat ik volkomen veranderd ben. Afgezien  van mijn gezondheid vind ik niets belangrijker dan geld. Toch ben ik zeker niet gierig. Het zou voor mij heel moeilijk zijn een gierigaard te worden en toch denken de mensen hier eerder, dat ik meer oppot dan uitgeef.  Dat is om te beginnen altijd genoeg.

 

Wat leerlingen betreft, ik kan er zoveel hebben als ik zou willen. Maar ik wil er helemaal niet zo veel. Ik wil wel beter betaald worden dan de anderen. Daarom heb ik er liever minder. Gelijk bij het begin moet men zich laten gelden, anders heeft men voor altijd verloren en moet men steeds met de anderen de gebaande wegen gaan. Wat betreft de subscriptie is dat een goede zaak. En ook wat de opera betreft zou ik niet weten waarom ik terughoudend zou moeten zijn. Graaf Rosenberg heeft me de twee keer dat ik bij hem op bezoek kwam, allerhartelijkst ontvangen en heeft bij Gravin Thun met Van Suiten (~Van Swieten)  en de heer Von Sonenfels mijn opera gehoord. Omdat Stephanie mijn goede vriend is, loopt alles op rolletjes. Wees ervan overtuigd dat ik niet van luieren houd, maar juist van hard werken. In Salzburg – ja, dat is waar, daar heeft het me moeite gekost en kon ik me er bijna niet toe brengen. Waarom? Omdat ik het er niet naar mijn zin had. U zult toch moeten toegeven dat er in Salzburg voor mij tenminste niets te beleven was. Met veel mensen wil ik niet eens omgaan en voor de meeste anderen deug ik niet. Geen enkele stimulans voor mijn talent! Wanneer ik speel of één van mijn composities wordt uitgevoerd, is het alsof  alleen maar tafel en stoelen het publiek vormen. Was er daar maar een theater dat wat voorstelde. Dat is hier mijn lust en mijn leven. In München, dat is ook waar, heb ik me tegen mijn zin voor u in een kwaad daglicht gesteld, daar heb ik me teveel laten vermaken. Toch zweer ik U met de hand op mijn hart, dat ik,  voordat de opera werd opgevoerd, in geen enkel theater ben binnengegaan en nergens thuis ben geweest behalve bij de familie Cannabich. Dat ik het meeste en belangrijkste op het laatste nippertje doe, is juist. Maar dat doe ik niet uit luiheid of nalatigheid. Toch schrijf ik al veertien dagen geen noot meer, ik kan het gewoonweg niet. Ik heb wel wat geschreven, maar niet in het net. Zo is er inderdaad veel tijd verloren gegaan. Toch heb ik er geen spijt van. Dat ik hierna te uitgelaten was, dat gebeurde uit jeugdige domheid. Ik dacht bij mezelf : waar ga je naar toe? Naar Salzburg! Het staat vast dat ik in Salzburg snak naar 100 gelegenheden om  me te amuseren, en hier : naar geen enkele. Want alleen al in Wenen zijn, is al plezier genoeg. U kunt nu echt op mij vertrouwen. Ik ben geen nar meer. Dat ik een goddeloze, ondankbare zoon zou zijn, dat zult u nog veel minder denken.  Stel al uw  vertrouwen op mijn hoofd en goede hart. U zult daar zeker geen spijt van hebben. Waar had ik het geld naar waarde kunnen schatten? Ik heb het nog te weinig in handen gehad. Ik weet nog wel, dat ik me al rijk voelde toen ik ooit 20 ducaten bezat.  Alleen nood leert iemand om geld te waarderen.

 

[…]

 

***




Wenen 13 juni 1781          

Mon Trés Cher Pére!

Beste van alle vaders! Hoe vreselijk graag zou ik niet verder nog mijn beste jaren op een plek opofferen, waar men slecht wordt betaald. Wanneer dit het enige manco was, het zij zo. Maar slecht betaald worden en bovendien bespottelijk worden gemaakt, veracht worden en gekoeioneerd worden, dat gaat toch waarachtig te ver. Ik heb voor de accademie van de aartsbisschop hier een sonate voor mezelf geschreven en voor Brunetto en Ceccarelli een rondo. Ik heb bij elke accademie twee maal gespeeld. De laatste keer heb ik, toen alles uit was, nog een heel uur variaties gespeeld waarvoor de aartsbisschop mij het thema opgaf. De bijval was zo groot, dat de aartsbisschop, als hij maar een greintje menselijkheid zou bezitten, vreugde zou moeten voelen. In plaats van mij tenminste van zijn tevredenheid of wat mij betreft van helemaal niets blijk te geven, maakt hij me uit voor een straatjongen. Hij zegt me gewoon in mijn gezicht, dat ik moest maken dat ik wegkwam. Hij zou er honderd kunnen krijgen die hem beter van dienst zouden zijn dan ik. En waarom?

Omdat ik niet juist op die dag kon vertrekken die hij zich had voorgesteld. Ik moet van huis weg, moet van mijn eigen geld leven. Ik moet niet de vrijheid hebben pas te vertrekken wanneer mijn  portemonnee het toelaat. Ik was in Salzburg helemaal niet nodig en het hele verschil bedroeg maar twee dagen. De aartsbisschop heeft mij tot tweemaal toe de grootste impertinenties toegevoegd en ik heb geen woord gezegd. Sterker nog, bij hem heb ik met dezelfde ijver en vlijt gespeeld als wanneer er niets aan de hand was. In plaats van dat hij mijn dienstijver en mijn streven het hem naar de zin te maken, wilde erkennen, gaat hij, juist op het tijdstip dat ik me eerder wat anders in het vooruitzicht kon stellen, voor de derde maal op de meest afschuwelijke manier met me om. Omdat ik niets heb misdaan, maar mij altijd goed gedraag, is het alsof men mij met geweld weg wil hebben. Goed, wanneer men mij niet wil hebben, het is gewoon ook mijn eigen wens. In plaats van dat graaf Arco mijn brief zou hebben aangenomen of mij audiëntie zou hebben verschaft, of me aangeraden had de brief zelf te bezorgen of me zou hebben aangepraat de zaak nog maar even zo te laten of beter te overleggen, afin, wat hij ook maar gewild had – maar nee, daar gooit hij me de deur uit en geeft me een schop in mijn achterste. Dat betekent dus op zijn Duits, dat Salzburg niet meer voor me is. Misschien doet zich nog wel een gelegenheid voor de graaf op een zelfde manier een schop tegen zijn achterste te geven, ook al zou het ook midden op straat gebeuren. Ik hoef van de aartsbisschop helemaal geen Satisfaction, want hij zou niet eens in staat zijn mij genoegdoening te geven zoals ik die voor mezelf moet nemen. Ik zal de graaf binnenkort schrijven wat hij van mij kan verwachten, zodra het geluk wil, dat ik hem tegenkom, waar dan ook, alleen niet daar waar ik respect moet hebben.

Wees niet bezorgd om mijn zieleheil, mijn beste vader! Ik ben een jongmens met fouten, zoals alle anderen en ik kan me tot mijn troost wensen dat iedereen  zo weinig fouten had als ik. U denkt  misschien dingen van mij die niet zo zijn. Het voornaamste probleem met mij is, dat ik me schijnbaar niet altijd zo gedraag als ik me zou moeten gedragen. Dat ik er mee te koop zou hebben gelopen dat ik alle vastendagen vlees eet, dat is gewoon niet waar. Maar ik  heb wel gezegd, dat het voor mij niets uitmaakt en het niet als een zonde beschouw. Vasten betekent voor mij : zich afbreken, minder eten dan anders. Elke zon- en feestdag ga ik naar de mis en als het kan ook op werkdagen, dat weet u zelf ook, vader.  Mijn hele omgang met die  persoon van slechte reputatie bleef beperkt tot een dansavond. Ik kende haar al lang voordat ik wist dat ze een slechte reputatie had. Het was alleen maar daarom, dat ik kon rekenen op mijn contradanseres. Zonder haar de reden te zeggen kon ik niet zomaar afbreken. Wie zal iemand zoiets zomaar midden in  haar gezicht zeggen? Heb ik haar op het laatst niet meermalen aan de kant gezet en met andere meisjes gedanst?  Ik was in dit geval blij dat de vastentijd ten einde liep. Overigens kan geen mens zeggen dat ik haar ergens anders nog eens heb gezien, of in haar huis geweest ben, zonder voor een leugenaar door te gaan.  Wees er verder van overtuigd dat ik Religion heb. Zou ik ooit het ongeluk hebben – wat God verhoede! – op het verkeerde pad te raken, dan spreek ik u, mijn beste vader,  van alle schuld vrij. Want alleen ik zou dan de schurk zijn. Aan U heb ik mijn welzijn te danken, zowel nu als straks.

[…]

 

***

 

Wenen, 16 juni 1781

Mon trés cher Pére!

[…]

Nu kan ik u eindelijk eens wat schrijven over Wenen. Tot nu toe moest ik mijn brieven telkens met die rotaffaire vullen. God dank dat dat voorbij is! Het huidige seizoen is bijzonder slecht voor iemand die geld wil verdienen. Dat weet u zonder twijfel. De voornaamste huizen zijn op het platteland. Er is dus eigenlijk niets anders te doen dan zich op de winter voor te bereiden, dat tijd dat men het toch drukker heeft. Zodra de sonates  (KV 296, 376, 377, 378, 379, 380) klaar zijn zal ik [de tekst van] een kleine Italiaanse cantate (misschien hoort de oorspronkelijke versie van KV 119 daarbij) zoeken om daar een compositie op te maken. Die kan dan in de adventstijd in het theater worden uitgevoerd,  ten bate van mezelf natuurlijk. Ik heb een klein slimmigheidje bedacht : op deze manier kan ik haar tweemaal met hetzelfde voordeel uitvoeren, omdat ik bij de tweede uitvoering ook iets op een Pianoforte kan spelen.

Op dit ogenblik heb ik maar één leerlinge, gravin Von Rumbeck (~Marie Karoline Gräfin Thiennes de Rumbeke) . Ik zou er meer kunnen hebben, wanneer ik in prijs omlaag ging, maar zodra men dat doet verliest men zijn krediet. Mijn prijs is 6 ducaten voor 12 lessen en ik zeg erbij dat het een vriendenprijs is. Ik wil liever drie instructionen hebben die me goed betalen dan zes die me slecht betalen. Met het lesgeld van deze enige leerlinge kan ik rond komen en dat is me tot nu toe voldoende.

[…]

Nu over het theater. Ik heb u geloof ik onlangs geschreven dat graaf Rosenberg bij zijn vertrek aan Schröder Comission heeft gegeven voor mij een libretto op te duiken. Er is reeds een libretto beschikbaar en Stephani de Jongere heeft het als Inspiciënt over de Opera in handen. Bergopzoomer heeft er  als ware, goede vriend van Schröder en van mij gelijk een boekje van gemaakt. Ik ben dadelijk naar hem toegegaan en forme de visite. We dachten eerst nog dat hij misschien uit partialiteit vanwege het rumoer om mijn persoon met kwade bedoelingen zou handelen, maar die verdenking was ongegrond. Ik hoorde namelijk naderhand, dat hij iemand Comission heeft gegeven om me te zeggen dat ik bij hem zou komen omdat hij iets met me wilde bespreken. Dadelijk toen ik binnenkwam zei hij: O, U komt als geroepen. De opera heeft vier actes en zoals hij zegt is de eerste buitengewoon, maar dan neemt de kwaliteit sterk af. Wanneer Schröder het goed vindt, dat men het bewerkt zoals men wil, kan er nog een goed libretto uit voortkomen. Hij mag het in dit stadium niet overhandigen aan de directie voordat hij er met hem over heeft gesproken, omdat hij al op voorhand weet dat het teruggegeven zou worden. Dat kunnen die twee dan met elkaar uitmaken. Met het oog op datgene wat Stephani er mij over had gezegd, wilde ik het helemaal niet lezen, want als het me niet bevalt, moet ik het toch zeggen,  anders zou ik de dupe zijn. Schröder wil ik graag te vriend houden, omdat hij mij alle respect betoont. Zo kan ik me altijd verontschuldigen : sorry, ik heb het niet gelezen. Nu moet ik u uitleggen waarom we van Stephani ( Johann Gottlieb Stephanie, 1741-1800, lid van het Burgtheater, acteur en tekstschrijver) zo’n lage dunk hadden.  Deze man heeft, wat ik erg jammer vind, in heel Wenen een beroerde reputatie. Hij zou een onbehouwen, gemene, leugenachtige gast zijn, die de mensen  de grootste onrechtvaardigheden aandoet. Ik meng me er in elk geval niet in. Het kan waar zijn omdat iedereen erover roddelt. Overigens heeft hij bij de keizer het hoogste aanzien en tegen mij was hij al de eerste keer erg vriendelijk en zei, we zijn al oude vrienden. Het zou me goed doen hem indien mogelijk, met iets van dienst te zijn. Ik geloof en wens dat ook, dat hij zelf voor mij een opera zal schrijven. Of hij nu zijn blijspelen alleen of met hulp van anderen heeft gemaakt, of hij nu zaken overgenomen heeft of zelf verzonnen, het maakt niet uit, hij weet wat theater is en zijn blijspelen hebben altijd succes. Ik heb net twee stukken van hem gezien die zonder meer voortreffelijk zijn. Het ene heet Het gat in de deur, het tweede, De commandant en de soldaten. Ondertussen ga ik aan de cantate schrijven, want wanneer ik werkelijk al een libretto zou hebben, dan zou ik nog geen pen op papier zetten, omdat graaf Rosenberg niet hier is. Wanneer die uiteindelijk het libretto niet goed zou vinden, dan zou ik de eer hebben gehad voor niets te schrijven en daar bedank ik voor. Om incontriren (bijval krijgen) maak ik me geen zorgen, als het libretto maar goed is. Denkt u dat ik een opera comique net zo zal schrijven als een opera seria?  Zo weinig vermakelijks er in een opera seria moet zijn, en zo veel geleerds en doordachts, zo weinig geleerds moet er in een opera buffa aan de orde komen en des te meer vermakelijks en amusants. Dat men in een opera seria ook komische muziek verwacht, begrijp ik niet. Hier onderscheidt men trouwens heel goed in deze zaak. Ik vind dat in de muziek de hansworst nog niet uitgeroeid is en in dit geval hebben de Fransen gelijk.

[…]

***

Wenen, 27 juni 1781


Mon trés cher Pére!                                                                                                    

[…]

Ik kom zojuist van de heer Von Hippe, geheime secretaire van vorst Kaunitz, een heel beminnelijk mens en een goede vriend van mij. Hij bracht mij een eerste bezoek en ik speelde  voor hem. We hebben  in mijn woning twee vleugels, één voor het spelen van galanterieën, het tweede een machine die doorlopend met het lage octaaf is gestemd, zoals bij het instrument dat we in Londen hadden, net als bij een orgel. Daarop heb ik capriccio’s en fuga’s gespeeld.  Ik ben bijna dagelijks na de maaltijd bij de heer von Auerhamer. De freule is een ramp! (~Josepha Auernhammer)  Maar ze speelt goddelijk. Alleen mist ze de ware subtiele smaak bij het cantabile. Ze moffelt alles weg. Ze heeft me haar plan als een echt geheim verklapt. Ze wil nog 2 of 3 jaar serieus studeren en dan naar Parijs gaan en er daar haar metier van te maken. Want ze zegt : “Ik ben niet bepaald mooi, in tegendeel ronduit lelijk. Met een bobo op de kanselarij met drie of vierhonderd gulden kan ik toch niet trouwen en een ander krijg ik niet. Daarom blijf ik liever alleen en wil van mijn talent leven”. Gelijk heeft ze! Ze vroeg me haar bij te staan om haar plan ten uitvoer te kunnen brengen. Maar ze wilde het aan niemand verklappen. De opera  zal ik u zo vlug mogelijk sturen. Gravin Thun heeft ze nog en die is nu de stad uit.

Ik wilde graag de sonate à 4 mains in Bes (KV 358)  en de twee concerten voor twee piano’s (KV 365 en 242) kopiëren. Kunt u me de stukken zo vlug mogelijk sturen? Ik stel het ook erg op prijs wanneer ik mettertijd mijn missen (KV 275, 317, 337) terugkrijg.

Gluck (~ Christoph Wilibald Gluck, 1714-1787) heeft een hartaanval gekregen en het gaat naar men zegt niet goed met hem.

[…]

Bernasconi (Antonia Bernasconi)  is hier en ze krijgt 500 ducaten honorarium omdat ze alle aria’s een komma hoger zingt. Dat is wel een kunst, maar ze blijft goed op toon. Ze heeft nu beloofd een kwart toon hoger te zingen.

***


Wenen, 1 augustus 1781

Mon trés cher Pére

De sonate voor vier handen (KV 358)  heb ik gelijk afgehaald, want mademoiselle Von Schmidt woont juis thier  tegenover in  het Aug-gottes. Wanneer madame Duscheck al in Salzburg is, doe haar dan de hartelijkste groeten en vraag haar of er niet vóór haar vertrek uit Praag een man naar haar toegekomen is die haar van mij een brief heeft overhandigd. Zo niet, dan zal ik dadelijk aan dezelfde persoon schrijven dat hij hem naar Salzburg stuurt. Dit is de heer Rossi uit München. Hij heeft me gevraagd hem te helpen met een aanbevelingsbrief. Hij heeft van hier uit een paar van dergelijke brieven naar Praag meegenomen. Wanneer mijn brief alleen maar een aanbeveling zou betreffen, dat zou ik het aan zijn disposition overlaten. Maar ik heb ook madame Duscheck daarin gevraagd mij te helpen bij mijn Subscriptions voor 6 sonates.  Ik heb Rossi dit plezier gedaan omdat hij voor mij een cantatetekst heeft vervaardigd die ik op muziek zet en in de adventsperiode  voor mijn Benefice wil uitvoeren. Eergisteren heeft de jonge Stephani mij een libretto gegeven. Ik moet  bekennen, dat ik, zo negatief als  hij tegen andere mensen kan zijn, niet anders weet of hij is mijn goede vriend. Het libretto is heel goed. Het onderwerp is Turks en de titel luidt : Bellmont und Konstanze, oder die Verführung aus dem Serail. (KV 384)  De symfonie, het koor in de eerste acte en het koor in de finale zal ik met Turkse muziek inrichten. Mad:selle Cavalieri, Mad:selle Teÿber, M:r Fischer, M:r Adamberger, M:r Dauer en M:r Walter zullen erbij zingen. Ik heb er zoveel plezier in het libretto op muziek te zetten, dat de eerste aria van Cavalieri, de aria van Adamberger en het terzet aan het einde van de eerste acte al klaar zijn.  Ik heb maar weinig tijd, dat is waar. Want half september moet het stuk al uitgevoerd worden. Dat geeft niet : de omstandigheden waaronder het stuk in première zal gaan,  maken me zo vrolijk dat ik me met het grootste enthousiasme naar mijn schrijftafel spoed en daar met het grootste genoegen blijf zitten.  De Grootvorst van Rusland komt hier naar toe en Stephani vroeg me, of ik, indien mgelijk, de opera in deze korte tijd zou kunnen schrijven. De keizer en graaf Rosenberg zullen gauw komen en dan zal gevraagd worden of er nog iets nieuws in voorbereiding is. Hij zal dan tot zijn genoegen kunnen zeggen dat zijn opera na lange tijd klaar zal zijn en dat ik een extra opera zal schrijven. Hij zal het beslist als mijn verdienste zien, dat ik om deze reden de taak op me genomen heb de opera in zo korte tijd te schrijven. Niemand weet hiervan behalve Adamberger en Fischer. Stephani vroeg ons niets te zggen, omdat graaf Rosenberg er nog niet is, en er ontelbare praatjes zouden kunnen ontstaan. Stephani wil de indruk wekken, dat hij dit alles niet zozeer doet uit vriendschp voor mij, maar eerder omdat graaf Rosenberg het zo hebben wil, die hem trouwens ook inderdaad bij zijn vertrek bevolen heeft voor mij naar een libretto uit te kijken.

Mijn nieuwe kamer is al klaar. Nu ga ik op zoek naar een piano, want pas wanneer die in de kamer staat, kan ik daarin wonen, te meer omdat ik veel te schrijven heb, en geen minuut verloren mag gaan. Veel comoditeiten zal ik in mijn nieuwe logement missen, vooral wat de maaltijden betreft. Wanneer ik absoluut wilde doorschrijven, wachtte men zo lang met het eten als ik wilde en ik kon onaangekleed verder schrijven en dan via de andere deur gaan eten, zowel ’s avonds als ’s middags. Maar nu, wanneer ik geen geld wil uitgeven en me niet het eten in mijn kamer wil laten brengen, verlies ik minstens een uur met aankleden, wat ik anders  ’s middags mijn bezigheid was. Ik moet uitgaan, vooral ’s avonds. U weet, dat ik meestal schrijf,  totdat ik trek krijg. De goede vrienden  waar ik zou kunnen souperen, eten al om acht uur of anders om half negen. Wij gaan niet voor tienen aan tafel. Adieu dan, ik moet afsluiten, want ik moet naar een piano omzien.

***

Wenen, 12 september 1781

Mon trés cher Pére!

[…]

Mademoiselle Von Auerhamer zit me enorm op de huid vanwege het dubbelconcert (KV 365) . De repetities in het theater volgen elkaar in snel tempo op.

[…]

 

Ik heb u geloof ik onlangs geschreven, dat Glucks Iphigenia in het Duits wordt gebracht en zijn Alceste in het Italiaans. Wanneer de opera’s afzonderlijk worden uitgevoerd zou ik daar geen probleem mee hebben. Maar alle twee achter elkaar, dat is voor mij een crime. Ik wil u vertellen wat daar achter zit. Degene die de Iphigenia in het Duits heeft vertaald, is een voortreffelijke dichter en ik zou hem heel graag mijn opera van München ter vertaling hebben gegeven. De rol van Idomeneo zou ik totaal veranderd hebben en voor Fischer in de basstem hebben geschreven. Ik zou nog meer veranderingen hebben aangebracht en de opera meer op Franse leest hebben geschoeid.

Bernasconi, Adamberger en Fischer hebben, zegt men, met het grootste genoegen gezongen. Omdat ze nu twee opera’s moeten instuderen, en nog zulke moeilijke ook, moet ik hen verontschuldigen. Een derde opera zou werkelijk te veel zijn.

P. S.  ik stuur u hierbij een kleine Praegusto van de opera omdat ik niets nieuws en urgents te schrijven heb. De personen zijn :


     Bassa Selim    –    de heer  Jautz / Een acteur die  niets te zingen heeft
     Kostanze. geliefde van  Belmont. Mad.me Cavalieri.
     Blonde. Meisje van Konstanze Mad.lle Teiber.
     Belmont.                               -        de heer Adamberger
     Pedrillo. Bediende van Belmont     de heer  Dauer
           en opzichter over de tuin van Bassa
     Osmin.  Opzichter over het landhuis van Bassa,  de heer Fischer. Een norse kerel. Bas  
                                       

***

Wenen, 26 september 1781


Mon trés cher Pére!                                                                               

Omdat ik niets urgents te schrijven heb, wil ik u graag een plezier doen met een kleine idèe van de opera  (Die Entführung aus den Serail) . De opera begint met een monoloog. Ik heb Stephani gevraagd er een kleine ariette van te maken. Na het liedje van Osmin zijn de twee samen aan het kletsen. Ik heb Stephani gevraagd er een duet van te maken. We hebben de rol van Osmin aan de heer Fischer toegedacht die een voortreffelijke basstem heeft, hoewel de aartsbisschop tegen mij heeft gezegd, dat hij te laag voor een bas zingt. Ik heb hem verzekerd dat hij binnenkort hoger gaat zingen. Zo moet men van zo’n man gebruik maken vooral omdat hij bij het publiek hier heel populair is. Deze Osmin heeft echter in het originele libretto maar één liedje te zingen en anders niet,  behalve dan in het terzet en de finale. Daarom krijgt hij er in acte 1 een aria bij en ook in acte 2. Om die aria heb ik Stephani gevraagd. Het merendeel van de muziek erbij was al klaar, voordat Stephani er een woord van wist. U heeft alleen maar het begin en het einde dat een bijzonder effect moet hebben. De woede van Osmin wordt in het komische getrokken door de Turkse muziek die er bij klinkt. Bij de uitwerking van de aria heb ik zijn mooie lage tonen laten doorklinken, ondanks de kritiek van de Salzburger Midas. De passage drum beÿm Barte des Propheten is in hetzelfde tempo, maar met vluggere noten. Omdat zijn woede steeds maar groeit, moet – men denkt dat de aria al ten einde is – het allegro assai, in een heel andere maat en toonsoort, het beste effect sorteren.  Want iemand die zo vreselijk boos is, overschrijdt alle grenzen van maat, ordening en doel.  Hij is zichzelf niet meer en ook de muziek moet zichzelf niet meer zijn. Overigens moeten hartstochten, heftig of niet, nooit in lelijke muziek worden vertaald . Ook in de meest afschuwelijke situatie mag de muziek het oor nooit beledigen, maar moet het oor juist gestreeld worden. Muziek moet altijd muziek blijven. Zo heb ik als toonsoort bij de aria niet de minder verwante toon F gekozen, maar een meer verwante, niet d klein, de meest verwante, maar a klein. De aria van Belmonte staat in D groot : O, wie ängstlich, o wie feurig, u weet hoe dat is uitgedrukt. Ook het klopfende liebevolle herz wordt met de twee violen in oktaven aangegeven. Dit is de lievelingsaria van iedereen die de opera gehoord heeft, ook van mij trouwens. Ze is helemaal afgestemd op de stem van Adamberger. Men ervaart het sidderen,  wankelen, en hoe zich de opzwellende borst verheft dat door een crescendo wordt uitgedrukt. Men hoort het stamelen en zuchten, dat door de eerste violen met sordines en een fluit in unisono wordt begeleid. Het Janitscharenkoor is alles wat men van een Janitscharenkoor kan verlangen, kort en uitbundig en helemaal op de Weners afgestemd. De aria van Konstanze heb ik een beetje opgeofferd aan de virtuoze keel van mademoiselle Cavallieri. Trennung was mein banges loos und nun schwimmt mein aug in Thränen heb ik, zoveel als een Italiaanse bravouraria dat toelaat, proberen uit te drukken. Het hui heb ik in schnell veranderd, dus : doch wie schnell schwand meine freude. Ik weet niet wat onze Duitse dichters voor ideeën hebben, maar wat de opera betreft,  hebben ze niet zoveel verstand van toneel. Ze moeten toch op zijn minst mensen niet laten praten alsof er varkens voor hun neus stonden : hui, varken!  Nu het terzet, namelijk het slot van de eerste acte. Pedrillo heeft zijn meester voor een bouwmeester uitgegeven, om de kans te krijgen dat hij met zijn Konstanze in de tuin een rendez-vous kan hebben. De Bassa heeft hem in dienst genomen. Osmin is opzichter, weet absoluut niets, is een grote vlegel en aartsvijand van alle vreemdelingen. Hij is impertinent en wil ze niet in de tuin.  Het eerste wat aangegeven wordt, is erg kort. Omdat de tekst daartoe aanleiding gaf, heb ik het met redelijk succes driestemmig geschreven, dan begint echter direct het pianissimo, dat uiterst snel moet gaan. Het slot zal vreselijk veel kabaal veroorzaken. Het bevat alles wat een finale van een acte toekomt. Hoe meer lawaai, des te beter.  Hoe korter, des te beter. Zo blijft het publiek bij het applaus goed op temperatuur. Van de ouverture heeft u maar 14 maten. Ze is heel kort en steeds wisselt daar forte met piano af. Bij het forte valt telkens de Turkse muziek in. Telkens vinden modulaties plaats. Bij dat stuk val je volgens mij niet in slaap, ook al heb je de vorige nacht geen oog dicht gedaan. Nu zit ik als de haas in de peper, nu, na drie weken is de eerste acte al klaar, net als een aria in de tweede acte en het dronkemansduet per li Sig:ri vienesi, dat ook weer uit Turkse Janitscharenmuziek bestaat. Ik kan momenteel niet verder, omdat de hele plot wordt omgegooid, en wel op mijn verzoek. Bij het begin van de derde acte staat een charmant  kwintet of eerder een soort van finale. Dat zou ik liever gebruiken aan het einde van de tweede acte. Om dat voor elkaar te krijgen, moet de zaak ingrijpend worden gewijzigd, ja, er moet zelfs een nieuwe intrige worden bedacht. Stephani zit dus tot over zijn oren  in het werk. We moeten dus gewoon nog wat geduld hebben. Iedereen heeft kritiek op Stephani. Het kan zijn, dat hij zich tegenover mij ook alleen maar onder vier ogen vriendelijk opstelt. Maar hij arrangeert toch maar voor mij het hele libretto, zo veel ik maar wil. Dat doet hij tot in detail en meer vraag ik bij God ook niet van hem. Er wordt veel over de opera gekletst, maar dat is nu eenmaal niet anders.

Ik vraag u mij de mars te sturen die ik onlangs heb genoemd. Gylowsky zagt, dat Daubrawaick gauw komt. Mademoiselle Auerhamer en ik kijken met spanning uit naar de twee  dubbelconcerten.

[…]

***

Wenen,  6 oktober 1781
     

Mon trés cher Pére!                                                                       

[…]

Ik verlies nu wel bijna mijn geduld, nu ik nog steeds niet verder kan schrijven aan mijn opera. Ondertussen componeer ik wel andere muziek, de drang is er nu eenmaal. Datgene waarvoor ik anders veertien dagen nodig zou hebben, doe ik nu in vier dagen. De aria in A van Adamberger, de aria in Bes voor Cavallieri en het terzet heb ik in één dag gecomponeerd en in anderhalve dag opgeschreven. Het zou trouwens geen enkel nut hebben wanneer de hele opera al klaar zou zijn want ze zou toch moeten blijven liggen, totdat Gluck zijn twee opera’s heeft gebracht. Bovendien moet er nog heel serieus worden gerepeteerd. Hij moet ook wachten met zijn voltooide opera, waar hij een jaar over heeft gedaan. Nu moet u niet denken dat hij daarom ook geslaagd is. Onder ons gezegd, ik zou deze opera hebben aangezien voor  werk van 14 tot 15 dagen, vooral omdat die man zoveel opera’s uit het hoofd geleerd moet hebben! Hij hoefde alleen maar te gaan zitten en hij heeft het zeker zo gedaan, je kunt het gewoon horen! U moet weten, dat hij me op de allerhoffelijkste manier bij zich heeft geïnviteerd, dat wil zeggen op zíjn manier. Hij wilde me zijn opera graag laten horen, met de toevoeging : “U zult het niet de moeite waard vinden haar te horen”.  Ik ben nog niet zo ver. Ik componeer gewoon zo goed als ik kan. Naderhand hoorde ik, dat hij zou hebben gezegd : “Dat is wel zeker, Mozart heeft de duivel in zijn hoofd, zijn lijf en zijn vingers. Hij heeft voor mij mijn opera gespeeld, die zo miserabel is opgeschreven, dat ik het zelf bijna niet kan lezen. Alsof hij het stuk zelf gecomponeerd had!”.

[…]

***

Wenen , 13 oktober 1781

Mon trés cher Pére!                                                                                         

[…]

Wat betreft de tekst van de opera: wat u zegt over het werk van Stephani, daarin hebt u gelijk. Toch is de poëzie helemaal afgestemd op het karakter van de domme, onbehouwen en boosaardige Osmin. Ik weet wel, dat het metrum daarin niet optimaal is, maar het  past zo bij mijn muzikale gedachten die al eerder in mijn hoofd rondspookten, dat het me wel moest bevallen. Ik wil wedden, dat men bij de uitvoering ervan niets tekort komt. Wat de andere poëzie in het libretto betreft : ik kan er alleen maar waardering voor hebben. De aria van Belmonte o wie ängstlich zou voor de muziek niet beter geschreven kunnen zijn. Afgezien van het hui en  kumer ruht in meinem schoos – want verdriet kan niet rusten – is de aria ook niet slecht, zeker het eerste deel niet. Volgens mij moet bij een opera overigens de poëzie alleen maar de volgzame dochter van de muziek zijn. Ga maar na : waarom is iedereen enthousiast over de komische opera’s in het Italiaans?  Met alle ellende wat de libretti betreft! Zelfs in Parijs, ik was daar zelf getuige van. Omdat daar de muziek de absolute hoofdrol speelt en men verder alles daarbij vergeet. Verder heeft een opera des te meer succes wanneer de plot geslaagd is. De woorden echter zijn alleen maar voor de muziek geschreven en hoeven niet hier en daar in een armzalig rijmschema te passen. Ze dragen, bij God, hoe dan ook helemaal niets bij aan de waarde van een voorstelling op het toneel, ze brengen nog eerder schade toe. Zo rijgt men woorden aaneen, of zelfs hele strofen die het hele idee van de componist om zeep helpen. Verzen zijn voor de muziek absoluut onontbeerlijk, maar rijmen om het rijmen is het schadelijkste wat er is. De heren die zo pedant te werk gaan, zullen samen met de muziek te gronde gaan.. Het gaat daar het best, wanneer  een goede componist die verstand heeft van toneel, en zelfs wat suggesties voor het libretto kan doen, en een ervaren poëet, als een ware Phoenix, samen komen. Dan hoeft men ook niet bang te zijn voor de bijval van leken. De dichters komen me bijna voor als  trompetters met hun drukdoenerij! Wanneer wij, componisten, ons altijd zo trouw aan onze regeltjes, die destijds, toen men niets beters kende, heel goed waren, wilden vast houden,  zouden wij, componisten,  even onmogelijke muziek componeren, als zij waardeloze libretti.

[…]

 

***

Wenen,  3 november 1781    


Mon trés cher Pére!                                                                        

Ik vraag u om excuses dat ik afgelopen postdag niet de ontvangst van de cadensen (voor KV 365) heb gemeld.

Hartelijk dank daarvoor!  Het was juist mijn naamdag. Vanmorgen vroeg ging ik naar de mis. Juist toen ik wilde gaan schrijven werd ik door een hele menigte Gratulanten besprongen. Om 12 uur reed ik in de Leopold-stad  naar baron Walstädten    bij wie ik mijn naamdag heb doorgebracht. Om 11 uur ’s nachts kreeg ik een serenade aangeboden die ik zelf had geschreven (KV 375)  .   Er speelden twee klarinetten, twee hoorns en twee fagotten mee. Deze muziek had ik gecomponeerd  op Theresiadag voor de zus van mevrouw Von Hickl   of de schoonzuster van de heer Von Hickel, hofschilder. Bij die gelegenheid is het stuk voor de eerste keer gespeeld.    De zes heren die zulke stukken exequireren zijn arme sloebers, die overigens heel aardig kunnen blazen, vooral de eerste klarinettist en de twee waldhoornisten.    De belangrijkste reden om het stuk te schrijven was om de heer Von Strack die daar dagelijks komt, iets van mij te laten horen. Daarom heb ik ze ook een beetje interessant geschreven . Ze kregen ook alle mogelijke bijval.   Men heeft ze in de Theresianacht   op drie verschillende plaatsen gespeeld. Zodra ze ergens klaar waren werden ze weer ergens anders heen gestuurd en betaald. De heren hebben hun huisdeuren laten open zetten,   en nadat ze zich midden op de binnenplaats hadden gearrangeerd, hebben ze mij, net toen ik mij wilde uitkleden, met het eerste akkoord op uiterst aangename wijze verrast. De tweede pianopartij zal ik van cadensen voorzien en weer aan u terugsturen.     Het zou goed zijn wanneer mijn opera nu klaar was. Umlauf kan de zijne nu niet laten uitvoeren omdat madame Weiss en mademoiselle Schindler ziek zijn. Ik moet direct naar Stephani omdat hij me eindelijk heeft laten weten, dat er een stukje klaar is.     

                               
[…]

***

Wenen, 24 november 1781

 Mon trés cher Pére!                                                            

Gisteren was ik bij de accademie van Auernhamer , […] waar ook gravin Thun aanwezig was op mijn uitnodiging. Ook baron Van Swieten, Baron Godenus, de rijke gedoopte Jood Wetzler, graaf Firmian en de heer Von Daubrawaick en zijn zoon waren er. We hebben het concert voor twee piano’s (KV 365) gespeeld en een sonate, eveneens voor twee piano’s (KV 448) , die ik expres voor deze gelegenheid heb gecomponeerd. We hadden met deze stukken een enorm succes. De sonate laat ik u via de heer Daubrawaick toekomen, die me gezegd heeft, dat hij er trots op zal zijn het stuk in zijn koffer te hebben liggen. Dat zei zijn zoon tegen me, nota bene iemand uit Salzburg!   Zijn vader zei me bij zijn vertrek luid en duidelijk : “Ik ben er trots op uw stadsgenoot te zijn, u bewijst Salzburg een grote eer. Ik hoop dat de tijden  zo zullen veranderen, dat men u weer bij zich kan hebben. En dan laten we u zeker niet gaan”. Ik zei daarop : “Mijn vaderland kan altijd als eerste aanspraak op mij maken”.

[…]

Morgen wordt de Alceste uitgevoerd in Schönbrunn, in het Italiaans. Daarna is wordt er een voor iedereen toegankelijk bal georganiseerd.  Ik ben op zoek geweest naar populaire Russische liederen om daarop variaties te kunnen spelen. Nu zijn mijn sonates verschenen die ik u bij de eerstvolgende gelegenheid zal sturen. Ceccarelli zal ongetwijfeld samen met mij een accademie willen geven, maar dat gaat niets worden, want ik ben geen voorstander van het delen van dit soort zaken.   Alles wat ik kan doen, is, dat ik in de vastentijd een accademie geef waarin ik hem laat zingen en dan in die van hem gratis speel!

[…]

***

Wenen, 12 januari 1782


Mon trés cher Pére!                                                              

Ik ben begonnen aan een antwoord op uw laatste brief van 7 januari, maar ik kan mijn brief nu onmogelijk afmaken, omdat er zojuist een bediende van gravin Rombeck langsgekomen is met het verzoek naar haar toe  te komen voor een klein optreden. Nu moet ik me eerst laten friseren en van top tot teen anders aankleden. Omdat ik u niet zonder bericht van mij kon laten zitten, schrijf ik nu, maar niet veel.

Clementi (~Muzio Clementi 1752-1832) , speelt goed, wanneer het aankomt op het spel met de rechterhand. Zijn specialiteit zijn loopjes met tertsen. Overigens heeft hij voor geen cent gevoel of smaak. Ik één woord : hij is alleen maar een techneut. Daar is de kapper, ik moet afronden.

[…]

***

Wenen, 16 januari 1782


Mon trés cher Pére!                                                                         

[…]

Nu over Clementi. Hij is een brave klavecinist, en daarmee is ook alles gezegd. Hij heeft een heel goede rechterhandtechniek en zijn specialiteit zijn de tertsen. Overigens heeft hij voor geen cent smaak of gevoel, hij is een pure mechanicus. Nadat we over en weer genoeg complimenten hadden gemaakt, stelde de keizer voor dat hij, Clementi, moest beginnen. La santa chiesa Catholica , zei hij, omdat Clementi uit Rome komt. Hij preludeerde en speelde een sonate. Toen zei de keizer tegen mij :”Allons, vooruit!”. Ik preludeerde ook en speelde variaties. Toen gaf de grootvorstin mij sonates van Paisiello, in een miserabel handschrift geschreven. Daaruit moest ik het allegro en hij het andante en rondo spelen. Toen namen we er een thema uit, dat we op twee piano’s uitvoerden. Merkwaardig is daarbij,dat ik de pianoforte van gravin Thun kon lenen, waarop ik mijn solostukken kon uitvoeren, omdat de keizer het zo wilde. Het andere was nota bene ontstemd en drie toetsen bleven steken. “Maakt niet uit”, zei de keizer.  Ik zie het maar positief, dat de keizer mijn kunst en wetenschap in de muziek al kent en alleen de vreemdeling eens goed wilde uittesten.  Overigens weet ik uit zeer betrouwbare bron, dat hij heel tevreden over mij was. Hij was heel vriendelijk tegen me, en heeft me in vertrouwen genomen om veel te bespreken. Ook over mijn huwelijk heeft hij gesproken. Wie weet? Misschien… Wat denkt u?  Proberen kan altijd.

[…]

***

Vienne ce 23 de Janvier1782
       

Mon trés cher Pére!                                                                    

Er is niets zo onaangenaam als leven in onzekerheid over wat gebeuren gaat. Dat is nu met mij het geval betreffende mijn accademie en die van iedereen die er een wil geven. De keizer was het afgelopen jaar al van plan de uitvoeringen in het theater gedurende de gehele vastentijd te laten doorgaan. Misschien kan het nu gebeuren. Basta. In elk geval staat voor mij de dag vast waarop niet gespeeld wordt, namelijk de derde zondag in de vastentijd.  Wanneer ik het veertien dagen van tevoren weet, ben ik tevreden. Anders gaat het met mijn hele concept mis. Dan moet ik voor niets onkosten maken.  Gravin Thun, Adamberger en andere goede vrienden raden me aan, uit mijn opera van München de beste zaken   eruit te halen en in het theater te laten uitvoeren en dan verder alleen nog maar een concert en tenslotte een Phantasie te spelen. Ik ben dat ook al van plan geweest en nu ben ik vastbesloten, ook omdat Clementi ook een accademie zal geven. Ik heb dus wel een klein voordeel op hem, vooral omdat ik de accademie misschien ook wel twee keer kan geven.

[…]  O, wat zou ik graag met mijn lieve, trouwe meisje willen trouwen! Ik heb nu drie leerlinges. Zo kom ik per maand op 18 ducaten. Ik reken namelijk niet meer per 12 lectionen, maar per maand.

Ik heb tot mijn schade ervaren, dat ze vaak hele weken  de lessen onderbreken. Maar goed, of ze nu studeren of niet, ieder moet me 6 ducaten geven. Op deze manier zal ik er nog meer krijgen. Toch heb ik nog maar één leerling extra nodig, met vier heb ik er genoeg. Dat maakt samen 24 ducaten, dat zijn 102 fl. en 24 kr. Hiermee kan men samen met een echtgenote stil en rustig leven zoals we dat wensen.  Wanneer ik echter ziek word, dan kunnen we nog geen stuiver  verdienen.  Ik kan bovendien per jaar tenminste één opera schrijven, ik kan elk jaar een accademie geven, ik kan composities in druk laten verschijnen en zaken op subscription uitgeven. Er zijn ook andere betaalde accademies vooral wanneer men lang op één plaats is en al krediet heeft. Zulke zaken wilde ik eigenlijk altijd als accidentia beschouwen en niet als noodzakelijkheden.

[…]

*** 

Wenen, 30 januari 1782

trés cher Pére! –                                         

[…]

Ik vraag u of u met uw eerstvolgende brief  een operalibretto van de Idomeneo wilt mee sturen, met de Duitse vertaling erbij, of desnoods zonder vertaling. Ik heb een exemplaar aan gravin Thun uitgeleend, maar die is nu de stad uit en kan het niet vinden, vermoedelijk is ze  het kwijt. Mademoiselle Auerhamer heeft het andere gehad, ze heeft ernaar gezocht, maar het nog niet gveonden. Misschien kan ze het vinden, of ze vindt het niet. Maar ik heb het gewoon nodig, er is haast bij. Om op safe te spelen, vraag ik u, mij het onmiddellijk toe te sturen, wat dat ook gaat kosten. Ik heb het nu nodig om mijn accademie goed te kunnen voorbereiden. Die vindt al plaats op de derde zondag van de vastenperiode. Ik vraag u dus het me dadelijk te sturen.  De sonates zal ik aan de volgende postwagen meegeven.  De opera slaapt niet, maar is vanwege de grote opera’s van Gluck en vanwege veel noodzakelijke veranderingen in het libretto blijven liggen. Direct na Pasen wordt ze opgevoerd.

[…]

***

Wenen, 13 februari 1782


Ma trés chére soeur!

Ik dank je voor het verstuurde libretto (van Idomeneo)  dat ik inderdaad met de grootste spanning verwachtte! Ik hoop, dat je, omdat je deze brief hebt ontvangen, onze lieve, beste vader al weer bij je hebt.  Je mag uit het feit dat ik je niet antwoord, niet afleiden, dat je me met je brieven lastig valt. Ik zal het altijd waarderen van jou, lieve zuster, een brief te ontvangen. Wanneer mijn voor mijn levensonderhoud noodzakelijke activiteiten het zouden toelaten, dan weet God, of ik je niet zou antwoorden! Heb ik je dan nooit antwoord gegeven? Vergeten of nalatigheid kan het niet zijn. Het is niets anders dan iets dat er tussen komt. Het is me dan gewoon onmogelijk! Schreef ik mijn vader ook niet erg weinig? Weinig  genoeg, zul je zeggen! Maar in godsnaam, jullie kennen Wenen toch alle twee! Heeft iemand zonder een stuiver vast inkomen in een dergelijke stad niet genoeg redenen om dag en nacht na te denken en te werken? Wanneer onze vader zijn kerkelijke dienst erop heeft zitten en jij jouw paar leerlingen hebt weg gestuurd, dan kunnen jullie beide de hele dag doen wat je wilt en brieven schrijven die hele litanieën bevatten. Maar ik dus niet. Kortgeleden heb ik aan mijn vader mijn dagindeling doorgegeven en ik wil hem voor jou wel herhalen.  Om zes uur ’s morgens ben ik al gefriseerd. Om zeven uur helemaal aangekleed. Dan componeer ik tot 9 uur. Van 9 tot 1 uur ’s middags geef ik les. Dan eet ik, wanneer ik niet door iemand ben uitgenodigd, waar men om 2 of 3 uur eet, zoals vandaag en morgen bij gravin Zizi en gravin Thun. Vóór 5 of  6 uur ’s middags kan ik niet werken en vaak ook ben ik door een accademie verhinderd. Zo niet, dan schrijf ik door tot 9 uur. Dan ga ik naar mijn lieve Konstanze, waar ons echter het genoegen elkaar te zien wordt vergald  door het gezeur van haar moeder. Ik leg dat wel uit in de volgende brief aan vader.  Vandaar ook mijn wens haar zo vlug mogelijk te bevrijden en te redden. On half elf of 11 uur kom ik thuis, afhankelijk van de tirade van haar moeder of van mijn geduld die te verdragen. Omdat ik niet kan dichtvaren op het componeren in de avonduren, vanwege eventuele accademies en ook de onzekerheid of ik niet hier- of daarheen geroepen word, ben ik gewoon , vooral wanneer ik wat vroeger thuis ben, nog vóór het slapen wat te componeren. Dan schrijf ik vaak genoeg door tot 1 uur. En dan om 6 uur weer op.  Lieve zus, wanneer je gelooft,  dat ik ooit mijn liefste,  beste vader en jou kon vergeten, dan – maar stil, God weet alles en dat stelt me voldoende gerust.

***

Wenen, 23 maart 1782


Mon trés cher Pére!   

                                           
Het spijt me heel erg, dat ik pas gisteren hoorde, dat een zoon van Leitgeb met de postwagen naar Salzburg gaat en ik dus een uitgelezen kans had u veel te sturen zonder onkosten.  Binnen deze twee dagen was het gewoon onmogelijk de variaties nog te kopiëren.  Ik heb alleen maar de twee exemplaren van mijn sonates kunnen meegeven. Tevens stuur ik u het laatste wat ik bij het concert in D  (het nieuwe rondo in D KV 382 bij het concert in D KV 175)  heb gecomponeerd en dat hier voor zoveel ophef zorgt. Ik vraag u het als een kleinood te bewaren en het niemand, ook Marchand en zijn zuster niet, in  handen te geven om eruit te spelen. Ik heb het speciaal voor mezelf geschreven. Niemand behalve mijn lieve zuster mag het me naspelen.

[…]


Wenen, 10 april 1782

Mon trés cher Pére!                                                                       

[…]

Wat u schrijft over praatjes als zou ik absoluut zeker in dienst van de keizer komen, ik heb u niets daarover geschreven, omdat ik helemaal niets weet, geen woord. Zeker is, dat de hele stad er hier vol van is en dat me al heel wat mensen hebben gefeliciteerd. Dat er bij de keizer ook over gesproken is en hij plannen in die richting heeft, wil ik graag geloven. Maat tot nu toe weet ik niets zeker. Het is al zover gekomen, dat de keizer het van plan is zonder dat ik ook maar één stap in die richting heb gedaan. Ik ben een paar keer naar de heer Von Strack gegaan, een heel goede vriend van mij, om me te laten zien en omdat ik graag met hem omga, maar niet te vaak, om hem niet lastig te vallen en de indruk te wekken, dat ik er bepaalde bedoelingen bij had. Wanneer hij de waarheid wil zeggen, moet hij erkennen dat hij niet één woord  van mij heeft gehoord, dat hem aanleiding zou kunnen geven te denken dat ik hier zou willen blijven, laat staan me bij de keizer te vervoegen. We hebben alleen maar over muziek gesproken. Wanneer hij zich tegenover de keizer zo positief over mij uit, doet hij dat uit eigen beweging en zonder eigen belang.  Zonder mijn toedoen is het al zo ver gekomen en zo kan het ook op niets uitlopen. Want wanneer men zich roert, krijgt men gelijk minder salaris. De keizer is sowieso een rare knakker. Wanneer de keizer mij wil hebben, moet hij me betalen. Want alleen de eer, in dienst van de keizer te staan, is me niet genoeg. Wanneer de keizer me 1000 fl geeft, en een graaf 2000, dan maak ik de keizer mijn compliment en ga naar de graaf. Vast en zeker. Apropos, ik wilde u vragen om me samen met het rondo ook de 6 fuga’s van Handel en de toccata’s en fuga’s van Eberlin te sturen. Elke zondag om 12 uur ga ik naar Baron Van Swieten en daar wordt niets anders gespeeld dan Bach en Handel. Ik verzamel momenteel fuga’s, zowel van Johann Sebastian als van Wilhelm Friedemann. Ik zou de Baron graag de stukken van Eberlin willen laten horen. Weet u al dat Johann Christian Bach in Engeland is gestorven?  Jammer voor de muzikale wereld!

*** 

Wenen, 20 april 1782

Allerliefste zuster                    

[…]

Hierbij stuur ik je een praeludium en een driestemmige fuga (KV 394) . Dat is ook de oorzaak waarom ik je niet eerder antwoordde: ik kreeg het kopiëren nier eerder af. De noten waren heel klein geschreven en lastig te lezen.  Het praeludium hoort aan het begin te staan, de fuga volgt erop. Ik had de fuga al gecomponeerd en uitgeschreven, terwijl ik ondertussen het praeludium uitdacht. Ik hoop maar,dat je het kunt lezen, omdat het zo erg klein geschreven is en dat het je bevalt. Een andere keer stuur ik je wat beters voor de piano. Dat deze fuga ter wereld gekomen is , is aan mijn lieve Konstanze te danken. Baron Van Swieten die ik elke zondag bezoek, heeft me alle werken van Handel en Sebastian Bach meegegeven, nadat ik ze had doorgespeeld. Toen Konstanze de fuga’s hoorde, was ze  er dadelijk verliefd op. Ze wil niets anders dan fuga’s horen, niets dan die van Bach en Handel. Omdat ze me meermalen fuga’s uit het hoofd had horen spelen, vroeg ze me of ik er nog geen genoteerd had. Toen ik nee zei, bleef ze maar aan mijn hoofd zeuren, dat ik het mooiste en meest kunstige in de muziek niet wilde opschrijven.  Ze bleef maar aandringen, totdat ik een fuga voor haar schreef, en zo is het ervan gekomen. Ik heb er ijverig andante maestoso boven geschreven, dan wordt ze niet te snel gespeeld. Want wanneer een fuga niet langzaam wordt gespeeld, kan men het intredende subject niet goed genoeg onderscheiden, waardoor het effect verdwijnt. Bij gelegenheid zal ik er nog vijf schrijven en ze dan aan Baron Van Swieten geven. Die heeft een weliswaar kleine collectie van  muziek, die echter van zeer grote waarde is. Juist daarom vraag ik je niet terug te komen op je belofte en ze aan geen mens te laten zien. Leer ze uit het hoofd en speel ze. Een fuga speelt men niet zo gemakkelijk na. Wanneer papa de werken van Eberlin nog niet heeft laten kopiëren, komt dat heel goed uit. Ik heb ze namelijk in handen gekregen en ik heb, ik kon ze me namelijk niet meer herinneren, gezien, dat ze weinig voorstellen en zeker niet een plaats verdienen tussen de composities van Bach en Handel.  Met alle respect voor zijn vierstemmigheid, maar zijn klavierfuga’s zijn alleen maar uitgesponnen versettl.


***

Wenen, 8 mei 1782


Mon trés cher Pére!

[…]

Wilt u me schrijven hoe Salieri’s (Antonio Salieri, 1750-1825)  opera (Semiramide, op tekst van Metastasio)  in München is ontvangen? Ik denk, dat u de opera zelf al heeft gehoord, in elk geval moet u volgens mij weten wat voor succes ze heeft gehad. . Ik ben twee maal bij graaf Daun geweest, maar hij was niet thuis. Ik heb de muziek daarom maar laten afhalen. Hij is alleen maar ’s ochtends thuis, maar dan ga ik nooit uit, ik kleed me helemaal niet aan, omdat ik nog veel te componeren heb. Ik probeer het de komende zondagen nog wel eens. Misschien kan hij samen met de Variaties ook de opera van München (~Idomeneo)  meenemen. Gisteren was ik bij gravin Thun en heb haar mijn tweede acte voorgespeeld, waar ze even tevreden over is als over de eerste. Voor Raaff heb ik zijn aria laten kopiëren en aan Fischer gegeven, die de comission van hem had. U heeft ooit geschreven, dat u de muziek van Robinig heel mooi vond (~ Divertimento KV 334  met de mars KV 445, waarschijnlijk in opdracht van Georg Sigmund Robinig von Rottenfeld geschreven) .  Wie heeft die? Ik heb ze niet. Volgens mij heeft Eck ze aan u terug gegeven. In mijn brieven heb ik u er al eerder om gevraagd, samen met [de  divertimenti  ] in F en in Bes (KV 247, 287)  . Wilt u me binnenkort ook de scène voor Baumgarten (KV 369)  sturen? 

In de Augarten is er deze zomer op alle zondagen muziek. Een zekere Martin heeft deze winter een reeks Dilettanten Concerten georganiseerd die elke vrijdag in de Mehlgrube zijn uitgevoerd.  U weet wel,  dat er hier een menigte dilettanten te vinden is, en nog wel heel goede ook, zowel dames als heren.  Wat mij betreft loopt het nog niet zo. Deze Martin heeft door een decreet van de keizer met veel begeleidende complimenten toestemming gekregen in de Augarten twaalf concerten te geven en daarbij nog vier grote nachtmuzieken op de mooiste plaatsen in de stad. Een abonnement voor de hele zomer kost twee ducaten.  U kunt zich gemakkelijk indenken, dat we genoeg subscribenten zullen krijgen, te meer omdat ik meedoe en ermee geassocieerd ben. Ook bij slechts honderd abonnees heeft toch iedereen 300 fl winst, ook wanneer de onkosten 200 fl zouden bedragen, wat onmogelijk het geval kan zijn. Baron Van Swieten en gravin Thun spannen zich er enorm voor in. Afgezien van de fagotten, trompetten en pauken bestaat het orkest uit alleen maar dilettanten. Ik hoor, dat Clementi morgen weer vertrekt, heeft u zijn sonates al gezien?

*** 

Wenen, 25 mei 1782

                                                                                                  
Mon trés cher Pére!


Morgen hebben we ons eerste concert in de Augarten. Om half negen komt Martin met een koets. Dan moet ik nog zes visites maken. Om elf uur moet ik daarmee klaar zijn omdat ik ook nog naar Rombeck moet. Dan eet ik bij gravin Thun, nota bene in haar tuin. ’s Avonds is dan de repetitie. We brengen een symfonie van Van Swieten en een van mij (KV 338) .  Mademoiselle Berger, ook een dilettante, zal zingen. Een jonge man, Türk genaamd, zal een vioolconcert spelen en mademoiselle Von Auerhamer en ik spelen het dubbelconcert in Es ( KV 365)

***.

Wenen, 20 juli 1782

Mon trés cher Pére!                                                                             

Ik hoop, dat u mijn laatste brief waarin ik u schreef over de positieve ontvangst van mijn opera (Die Entführung) , in goede orde heeft ontvangen. Gisteren is ze voor de tweede maal opgevoerd. Kunt u zich voorstellen, dat er gisteren nog meer kabaal was dan op de eerste avond? De hele eerste acte werd uitgefloten, maar het luide bravogeroep tijdens de aria’s konden ze niet verhinderen. Mijn hoop was gevestigd op het slotterzet. Het ongeluk wilde echter, dat Fischer ontbrak, evenals Dauer in de rol van Pedrillo. Adamberger  kon in zijn eentje niet alles vervangen en zo ging het hele effect verloren en er werd voor deze keer niet herhaald. Ik was, net als Adamberger, buiten mezelf van woede en zei al gelijk, dat ik de opera niet meer uitvoer zonder een kleine repetitie van de zangers vooraf. In de tweede acte werden de beide duetten net als bij de eerste keer herhaald, evenals het rondo van Belmonte wenn der Freude Thränen fliessen. Het theater was nog voller dan de eerste maal. De dag ervoor kon men geen plaatsen meer reserveren op de noble parterre, ook niet op de derde etage en ook niet in de loge. De opera heeft in twee dagen 1200 fl opgebracht.  Ik stuur u het origineel hierbij op met twee libretti. U zult er veel in vinden dat doorgestreept is. Dat is omdat ik wist dat hier de partituur gelijk al gekopieerd wordt. Ik liet mijn gedachten de vrije loop en voordat ik het uit handen gaf om te kopiëren, maakte ik eerst hier en daar mijn veranderingen en afkortingen. Zoals u ze ontvangt, zo is ze ook uitgevoerd. Hier en daar ontbreken trompetten, pauken, fluiten, klarinetten en  Turkse muziek, omdat ik geen muziekpapier met zoveel lijntje kon krijgen. Die partijen heb ik op een extra blad geschreven. De kopiïst is ze vermoedelijk kwijt geraakt, want hij kon ze niet meer vinden. De eerste akte is ongelukkig genoeg, toen ik hem ergens heen wilde laten brengen, in de modder gevallen, daarom is hij zo vies.

Momenteel kom ik om in het werk. Vóór zondag over een week moet mijn opera in een versie voor blazers klaar zijn (Mozart heeft dit voornemen niet uitgevoerd) , anders is iemand me nog vóór en gaat er in plaats van mijn persoon met de winst vandoor. Ik moet ook nog een nieuwe symfonie schrijven (KV 385) ! Hoe moet dat gaan lukken? U kunt zich niet voorstellen, hoe moeilijk het is een dergelijk stuk voor blazers te arrangeren! De eigen aard van de blaasinstrumenten moet worden gerespecteerd , maar er mag niets van de werking verloren gaan. Ik moet straks de nacht er maar bij nemen, anders gaat het echt niet lukken.

[…]

***

Wenen, 5 oktober 1782
Mon trés cher Pére!                                                                                  

Ik kan u alleen maar betreffende de hoofdzaak antwoorden, omdat ik pas nu uw brief heb ontvangen waaruit me helaas het tegendeel bleek van wat ik had gehoopt.  Ik was zelf bij baron Von  Ried-Esel (met opzet zo gespeld) , die een charmant man is, en ik beloofde hem, in het volste vertrouwen, dat de opera ondertussen al gekopieerd werd, haar eind deze maand of op zijn laatst begin november te leveren.  Ik vraag u er wel voor te zorgen dat ik ze voor die tijd in mijn bezit heb. […] Ik stel het erg op prijs dat de baron de opera van mij wil hebben en niet van kopiïsten van wie hij ze op elk moment voor baar geld had kunnen kopen. Het zou toch wel erg jammer zijn, wanneer mijn talent in één keer betaald zou kunnen worden, en dat nog wel met honderd ducaten! Wanneer ik een opera schrijf wil ik niet meemaken dat ik met honderd dukaten moet toezien dat het theater in veertien dagen viermaal zoveel verdient. Ik voer liever een opera op eigen kosten op en kan dan met drie uitvoeringen minstens 1200 fl verdienen – en dan kan de directie ze voor vijftig ducaten hebben.  Ik hoop, dat u in mij nog nooit een schurk hebt kunnen ontwaren, maar een domkop wil ik ook niet zijn, iemand, die andere mensen van zijn arbeid, die hem studium en moeite genoeg heeft gekost, profijt laat trekken en alle verdere aanspraken opgeeft.

***

Wenen , 21 december 1782

 

 


Mon trés cher Pére!                                                                                     

[…]

Ik zou graag een Italiaanse opera willen schrijven en heb al comission gegeven om uit Italië de nieuwste libretti voor opera buffa’s te laten halen om uit te kiezen, maar ik heb nog niets ontvangen. Met Pasen komen Italiaanse zangers en zangeressen hierheen.  Kort geleden is een nieuwe opera of eerder een comedie met arietta’s van Umlauff ( ~Ignaz Umlauff, 1746-1796), operacomponist) opgevoerd met als titel Wat is de beste natie?  Een waardeloos stuk,  dat ik had moeten schrijven, maar dat ik niet aangeomen heb met het argument, dat degene die er muziek op schrijft gevaar loopt uitgefloten te worden wanneer hij het script niet volledig wijzigt.  Als het niet Umlauff was geweest, zou hij zeker uitgefloten zijn, nu werd er alleen maar gesist. Geen wonder, want ook met de mooiste muziek erbij zou men het niet hebben kunnen uithouden. Daar komt nog bij, dat de muziek zo slecht is dat ik niet weet of de librettist of de componist de prijs voor de slechtste opera krijgt. Het stuk is zelfs nog een tweede keer opgevoerd, schande!

***

Wenen, 28 december 1782

Mon trés cher Pére!

Ik moet in grote haast schrijven omdat het al half  zes is en ik om zes uur mensen krijg om een kleine  musique te maken. Ik heb sowieso zo veel te doen dat ik mijn hoofd er soms niet bij kan houden. De hele ochtend tot twee uur gaat met lectionen voorbij. Dan eten we. Na het eten moet ik toch mijn arme maag een klein uur gunnen voor de digestion. Dan is alleen nog de avond over, dat ik wat kan componeren en zelfs dat is nog niet zeker omdat ik meermalen word gevraagd voor academieconcerten. Aan de subscriptionsconcerten ontbreken er nog twee. De concerten (KV 413, 414, 415)  houden het midden tussen te moeilijk en te gemakkelijk. Ze klinken zeer briljant en aangenaam in de oren, natuurlijk zonder oppervlakkig te zijn. Hier en daar zullen alleen de kenners tevreden worden gesteld, maar dan zo, dat ook de niet-kenners het mooi vinden, ook al weten ze niet waarom. Ik deel toegangskaarten uit tegen 6 ducaten contant. Nu leg ik ook de laatste hand aan het piano-uittreksel van mijn opera (Die Entführung) die binnenkort in druk zal uitkomen en tegelijkertijd werk ik aan een stuk dat moeilijk te schrijven is, namelijk aan een bardenlied van Denis over Gibraltar (~ Johann Nepomuk Michael Denis 1729-1800, keizerlijk raadsheer). Dat is trouwens nog een geheim, want een Hongaarse dame wil Denis deze eer bewijzen. (fragment O Calpe! Dir donnerts am Fusse, KV Anhang 25/386d)  De ode is verheven, mooi, alles wat u maar wilt, alleen wel overdreven bombastisch voor mijn fijnbesnaarde oren. Maar wat wilt u! Voor het juiste midden, voor het ware op elk terrein heeft men tegenwoordig geen waardering. Om bijval te oogsten moet men stukken schrijven die zo begrijpelijk zijn dat men ze in een fiaker zou kunnen nazingen, of zo onbegrijpelijk , dat het hun , omdat geen verstandig mens het kan begrijpen, juist daarom bevalt. Maar het is niet hierover dat ik het met u wilde hebben. Ik heb namelijk zin om een boek te schrijven, een kleine muzikale kritiek met voorbeelden, maar dan, nota bene, niet onder mijn eigen naam.

[…]

 

***

Wenen, 5 februari 1783

 

Mon Trés cher Pére!                                                       


                                                                                                                  
Ik heb u in mijn laatste brief gevraagd er bij Gatti op aan te dringen dat hij me de Italiaanse libretti stuurt, en dat doe ik nu weer. Nu moet ik u mijn Idèe uitspreken : ik geloof niet dat de Italiaanse opera lang zal soutenieren en ik heb geen moeite met Duitse opera’s.  Ook al kost het me meer moeite, zo is het me toch liever.  Iedere natie heeft haar opera. Waarom zouden wij, Duitsers, er geen hebben?  Valt er niet even goed in het Duits te zingen als in het Frans of het Engels? Valt er niet beter in het Duits te zingen dan in het Russisch?  Goed, ik schrijf nu voor mezelf aan een Duitse opera. Ik heb de comedie van Goldoni, Il servitore di Due Padroni daarvoor uitgekozen en de eerste acte is al helemaal vertaald door Baron Binder. Maar het is allemaal nog geheim tot alles klaar is. Wel, wat vindt u daarvan?

[…]

***

Wenen, 15 februari 1783


Mon trés cher Père!                                                                            

Hartelijk  dank voor de aan mij toegestuurde muziek! Ik vind het heel jammer, dat ik de muziek bij Thamos (KV 345) niet zal kunnen gebruiken! Dit stuk is hier, omdat het niet aansloeg, onder de afgewezen stukken terecht gekomen, stukken die niet meer uitgevoerd worden. Het zou alleen maar vanwege de muziek wél kunnen, maar dat is moeilijk voorstelbaar. Jammer is het wel! Hierbij stuur ik u voor mijn zuster de drie cadensen op voor het concert in D en de twee Eingänge bij het concert in Bes (KV 175 en 271) . Stuur me alsjeblieft gelijk het hoboconcert van Ram (KV 314)  of eerder nog van Ferlendi : de hoboist van vorst Esterhazi geeft me er drie dukaten voor en geeft me er zes wanneer ik voor hem een nieuw concert schrijf.

De nieuwe Haffner symfonie  (KV 385)  heeft me totaal verrast, want ik wist er geen woord meer van. Ze zal ongetwijfeld veel succes hebben.

[…]

***

Wenen, 12 maart 1783


Mon trés cher Pére!                                                        

Gisteren heeft mijn  schoonzus Lange (~Aloisia Lange)  haar academie in het theater  (het Burgtheater) gehouden, waar ook ik een concert (KV 175)  heb gespeeld. Het theater was bijna uitverkocht.  Ik werd door het publiek hier zo welwillend ontvangen dat het me echt plezier deed. Ik was al weg, maar men hield maar niet op te applaudisseren en ik moest het rondeau (KV 382) herhalen. Het was een ware golf van applaus. Dat voorspelt veel goeds voor mijn academie voor komende zondag 23 maart.  Ik voerde ook mijn symfonie van het Concert Spirituel uit.  Mijn schoonzus zong de aria Non sò d'onde viene  (KV 294) .

Gluck zat in de loge naast die van de familie Lange waar zich ook mijn vrouw bevond. Hij was vol bewondering voor de symfonie en de aria en nodigde ons alle vier uit om te eten. Dat de Duitse opera nog blijft, is mogelijk, maar men weet er het zekere niet van. Dat is wel zeker, dat Fischer over acht dagen naar Parijs gaat. Ik vraag u dringend om het hoboconcert van Ram. Bij die gelegenheid kunt u me misschien ook het volgende meesturen : mijn missen in partituur (KV 275, 317, 327) , mijn twee Vespers in partituur (KV 321, 339) . Die stukken wil ik baron Van Swieten graag laten horen. Hij zingt de discant, ik de alt (ik doe ook de begeleiding) , Starzer de tenor en de jonge Teyber uit Italië de bas. Stuur me ook het Tres sunt van  Michael Haydn en wat u me van hem verder kunt sturen. Ook het Lauda Sion (eveneens een  compositie van Michael Haydn) wilde ik graag laten horen. Het Tres sunt moet door mijn hand in partituur geschreven zijn. De fuga in te Domine speravi heeft veel bijval gekregen, net als het Ave Maria en het Tenebrae (van Johann Ernst Eberlin) . Ik hoop, dat u onze muzikale zondagen met het een en ander kunt opvrolijken.  Op vastenmaandag hebben we onze Compagnie masquerade op de Redoute opgevoerd. Ze bestond uit een Pantomime van wel een half uur. Mijn schoonzus was Colombine, ik de Harlequin, mijn zwager Pierro, Merk, een oude dansmeester, was Pantalone en een schilder (Grassi) was de Dottore. Tekst en muziek bij de Pantomime waren van mij. Dansmeester Merk was zo vriendelijk om ons af te richten. En eerlijk gezegd, we deden het heel goed.

***

Wenen, 29 maart 1783
     

Mon Trés cher Pére!                                                               

Ik denk dat het niet nodig is u veel te schrijven over het succes van mijn  academie. U zult het allemaal wel gehoord hebben. Het theater had onmogelijk nog voller kunnen zijn en alle loges waren bezet. Het allerfijnst vond ik dat Zijne Majesteit de Keizer ook aanwezig was. Wat had hij het naar zijn zin en wat voor een luide bijval kreeg ik van hem!  Meestal stuurt hij het geld naar de kassa voordat hij naar het theater komt, anders had ik me met alle recht een nog hoger bedrag kunnen voorstellen, hij heeft 25 ducaten gestuurd. Er werden de volgende stukken gespeeld :

1.      De nieuwe Haffnersymfonie  (KV 385)

2.      De aria seil padre perdei (KV 366, nr 11) uit mijn Münchener opera (Idomeneo)  door madame Lange

3.      Het derde van mijn Souscriptionsconcerten (KV 415) , door mijzelf uitgevoerd

4.      De scène  voor  Baumgarten (KV 369)door Adamberger

5.      De kleine concertante symfonie uit mijn laatste Final Musique (KV 320)

6.      Het hier geliefde concert in D met het Variazion Rondeau (KV 175, KV 382)

7.      De scène parto, m’affretto (KV 135)  uit mijn laatste opera uit Milaan (~Lucio Silla)  door mademoiselle Täuber (Therese Teyber)

8.      Een aantal solostukken van mijzelf : een kleine fuga, omdat de keizer aanwezig was, variaties op een aria uit de Philosophen (variaties op Salve tu, Domine, KV 398) en variaties op unser dummer Pöbel meint (KV 455) uit de Pelgrim van Mekka, een opera van Gluck .

9.      Het nieuwe Rondeau van mij door madame Lange (recitatief en rondo KV 416)

10.  Het laatste stuk van de eerste symfonie (KV 385)

Morgen geeft Mademoisell Täuber een academie waarin ik ook speel. Komende donderdag zullen de heren von Daubrawaick en Gilowsy naar Salzburg reizen die de Münchener opera, de  twee exemplaren van mijn sonates en enige variaties voor mijn zuster meenemen samen met het geld voor de opera copiatur.  Het pakket muziekstukken heb ik in goede orde ontvangen.  Ik dank u daarvoor.  Vergeet alstublieft het Lauda Sion niet.  Wat we verder nog graag zouden willen hebben, liefste vader, zijn enkele van uw eigen kerkelijke stukken.  Want we houden ervan ons bezig te houden met alle mogelijke meesters, oude en moderne.

[…]

*** 

Wenen, 3 april 1783


Mon trés cher Pére!

Hierbij stuur ik u de Münchener opera (Idomeneo)  en de twee exemplaren van mijn sonates (KV 296, 376, 377, 378, 379, 380) . De beloofde variaties (KV 352, 359, 360) doe ik u bij een volgende gelegenheid toekomen, want de kopiïst kon ze niet op tijd afkrijgen. Hierboven heeft u een leugen gelezen, namelijk over de twee exemplaren van mijn sonates, het is alleen niet mijn schuld. Toen ik ze wilde kopen zeiden ze me dat ze uitverkocht waren, maar dat ik ze morgen of overmorgen kon hebben. Dat is dus voor deze keer te laat, dus zal ik ze met de variaties meesturen.

[…]

***

Wenen 12 april 1783

Mon trés cher Pére!                                                                             

ik heb uw laatste brief van de 8ste vanmorgen vroeg ontvangen en daaruit opgemaakt, dat u alles in goede orde van de heer von Daubrawaick heeft ontvangen. Ik vind het jammer, dat de postwagen pas over acht dagen gaat en ik u dus de twee exemplaren van mijn sonates met de rest niet  eerder kan sturen. Ik zal bij die gelegenheid ook de gevarieerde zangstem bij de aria non sò d'onde viene sturen. Wanneer u me binnenkort weer wat kunt sturen dan wilde ik u vragen om het rondeau voor de altstem dat ik voor de castraat  die met het Italiaanse gezelschap in Salzburg was, en het rondeau (KV 374) dat ik voor Ceccarelli in Wenen heb gemaakt met de post mee te laten lopen.  Ik wilde u ook vragen om, als het wat warmer wordt, onder het dak te zoeken en ons iets van uw kerkmuziek te sturen.  U hoeft zich daarvoor helemaal niet te schamen, want baron Van Swieten en Starzer weten evengoed als u en ik, dat de gusto, de smaak steeds weer verandert en dat de verandering van smaak zich helaas zelfs tot aan de kerkmuziek heeft uitgestrekt. Dat zou niet zo moeten zijn. Zo komt het dan, dat men de ware kerkmuziek onder uw dak, bijna door de wormen opgegeten, aantreft.

[…]

In mijn laatste brief zult u gelezen hebben dat ik in nog een academie moest spelen, namelijk in die van mademoiselle Teÿber. Ook de keizer was daarbij aanwezig. Ik speelde het eerste concert (KV 415) dat ik ook bij mijn eerste academie heb gespeeld. Ik moest het rondeau herhalen. Ik ging dus weer zitten en in plaats van het rondeau te herhalen, liet ik de lessenaar wegdoen om alleen te spelen. U had moeten horen hoe deze kleine suprise het publiek plezier deed. Er werd niet alleen geklapt, maar ook bravo en bravissimo geroepen. De keizer bleef tot het einde luisteren. Pas toen ik van de piano wegging, verdween hij uit de loge. Het ging hem er dus om mij alleen nog te horen.

[…]

 

***

Mozart aan Jean Georges Sieber (1734-1816), hoornist en muziekuitgever

Wenen,  26 april 1783


Monsieur!                                                                        

Sinds twee jaar ben ik nu in Wenen. U zult wel weten van mijn sonates voor piano met vioolbegeleiding die ik hier bij Artaria & Compagnie heb laten drukken. Omdat ik over de kwaliteit van die uitgaven niet erg tevreden ben en omdat ik, ook al was dat wel zo, mijn landgenoten in Parijs ook wel iets wilde gunnen, laat ik u hierbij weten dat ik drie pianoconcerten klaar heb die met vol orkest, met hoorns en hobo’s, maar ook à quattro uitgevoerd kunnen worden (KV 413, 414, 415) . Artaria wil ze graveren, maar u, mijn vriend, heeft de eerste kans. Ik wil u, om alle wijdlopigheid te vermijden, de laagste prijs noemen. U geeft me er 30 Louisd’or voor en daarmee zijn dan de zaken gedaan. Verder schrijf ik nu aan zes kwartetten voor twee violen, altviool en cello. Wanneer u ook deze wilt drukken, dan geef ik die ook aan u. Met deze ben ik echter niet zo schappelijk.  Deze zes kwartetten (later aan Haydn opgedragen, KV 387, 421, 428, 458, 464, 465)  kan ik u niet onder de 50 Louisd’or aanbieden. Wanneer u denkt zaken met mij te kunnen doen, dan behoeft u me maar te antwoorden. Ik zal u dan in Parijs een adres noemen waar u tegen betaling mijn muziek zult ontvangen.

***

Wenen, 7 juni 1783

Mon trés cher Pére!                                             

[…]

Nu moet ik met het oog op  mijn zuster een paar woorden wijden aan de sonates van Clementi. Dat de compositie daarvan niets voorstelt, dat merkt iedereen die ze speelt of hoort spelen. Merkwaardige of opvallende passages staan er niet in , afgezien die in sexten en octaven. Hierbij vraag ik mijn zuster er niet al te veel energie in te stoppen om te voorkomen dat ze haar rustige, evenwichtige hand bederft en haar hand niet de natuurlijk lichtheid, souplesse en vloeiende snelheid verliest. Want wat heeft men daar uiteindelijk aan? Ze zou de sexten en octaven supersnel moeten spelen, wat geen mens voor elkaar krijgt, zelfs Clementi niet. Zo zal ze een vreselijk gebonk op de piano voortbrengen en verder helemaal niets! Clementi is een chalatan zoals alle Italianen. Boven een sonate schrijft hij rustig presto, ook wel prestissimo en alla breve, maar hij speelt ze allegro in 4/4 maat. Ik kan het weten, want ik heb hem zelf gehoord. Wat hij wel heel goed doet zijn tertsenpassages, waarop hij in Londen dag en nacht heeft zitten zweten. Afgezien hiervan heeft hij niets, helemaal niets, niet de geringste voordracht, noch smaak, nog veel minder gevoel.

***

Wenen, 21 juni 1783


 Mon três cher Pêre!

Weer een klein briefje! Omdat ik vandaag naar een academie toe moet, heb ik schrijfwerk tot zaterdag willen uitstellen, maar omdat ik iets zeer urgents moet schrijven moet ik echt tijd stelen om alleen maar dit te schrijven. De bewuste muziek heb ik tot op heden nog niet ontvangen. Ik weet niet wat er mee aan de hand kan zijn. Hier is ondertussen weer de Italiaanse opera buffa begonnen, en wel met groot succes.  De Buffo is bijzonder goed; hij heet Benuci. Ik heb wel meer dan honderd libretti doorgenomen, maar bijna geen enkele gevonden waarover ik tevreden kn zijn.  Op zijn minst zou hier en daar heel veel veranderd moeten worden. Wanneer een dichter zich hiervoor zou willen opofferen, kan hij misschien beter een heel nieuw libretto maken. We hebben hier een zekere Abate da Ponte als librettist. Deze heeft het momenteel razend druk met de correctur in het theater. Zo moet hij per obligo een heel nieuw libretto voor Salieri maken. Dat zal binnen twee maanden niet gaan lukken. Daarna heeft hij mij beloofd een nieuw libretto te schrijven. Wie weet of hij te zijner tijd woord kan of wil  houden! U weet : Italianen zijn op het eerste gezicht erg aardig, maar genoeg hierover, we kennen ze! Zolang hij zaken doet met Salieri, heb ik het nakijken. En ik zou me juist zo graag ook in een Italiaanse opera willen presenteren! Ik dacht nog net, wanneer Varesco  niet meer boos is om de opera van München, dan zou hij best een libretto voor zeven personen voor me kunnen schrijven. Basta! U weet het best van iedereen of dat reëel zou zijn. Hij zou ondertussen zijn gedachten kunnen opschrijven. In Salzburg zouden we dan kunnen samenwerken. Het noodzakelijkste daarbij is, dat het stuk als geheel komisch werkt. En als het dan mogelijk zou zij  twee even goede vrouwenrollen te schrijven! De ene zou dan Seria moeten zijn, de andere MezzoCarattere maar in kwaliteit zouden beide rollen aan elkaar gelijk moeten zijn. De derde vrouwenrol kan helemaal buffa zijn, net zoals alle mannenrollen wanneer dat nodig is. Wanneer u denkt, dat er met Varesco iets te ondernemen is, dan vraag ik u binnenkort met hem hierover te spreken. Zeg hem maar niet, dat ik in juli zelf kom, anders doet hij niets. Het zou me wat waard zijn wanneer ik nog in Wenen  daarvan nog wat zou kunnen meekrijgen. Hij zou zeker ook zijn vier- of vijfhonderd fl krijgen. Het is hier namelijk de gewoonte dat de librettist altijd een derde deel van de inkomsten ontvangt.

***

Wenen, 2 juli 1783

Mon trés cher Pére! –                                                            1

Ik moet vandaag heel kort zijn en me tot het noodzakelijkste beperken omdat ik vreselijk veel te doen heb. Er wordt een nieuwe Italiaanse opera uitgevoerd waarin voor het eerst twee Duitsers optreden, namelijk mijn schoonzuster Aloysia Lange en Adamberger; ik moet daarvoor voor Lange twee aria’s  (~ vorrei spiegarvi; oh, Dio, Ah conte, partite, KV 418; no, no, che non sei capace KV 419 ) schrijven en voor Adamberger een rondeau (KV 420).

[…]

Nu over Varesco. Het plan bevalt me prima. Ik moet nu wel gelijk met graaf Rosenberg overleggen om het honorarium van de librettist veilig te stellen. Dat Varesco aan de incontro van de opera twijfelt, vind ik erg beledigend voor mezelf. Ik kan hem verzekeren, dat zijn libretto niet zal aanslaan wanneer de muziek erbij niet goed is. De muziek is immers bij opera de hoofdzaak. Wanneer het allemaal goed uitpakt en hij dan ook een beloning mag verwachten, moet hij voor mij het een en ander veranderen en omsmelten zo veel en zo vaak als ik wil, en niet op zijn eigen intuïtie afgaan omdat hij totaal geen praktijkervaring in het theater heeft. U kunt hem altijd laten merken, dat er in hoofdzaak niet veel aan gelegen is of hij het libretto schrijft of niet. Het plan heb ik nu. Een ander kan het wat mij betreft even goed doen als hij.  Bovendien verwacht ik nu vier van de nieuwste en beste libretti van Italië, waaronder er toch wel één zal zijn dat echt goed is. Bovendien heb ik alle tijd.

***

Wenen, 2 juli 1783

Mon trés cher Pére!                                              



Bij de laatste dag van de postbestelling liep me het hoofd zo om, dat ik vergat dat ik nog moest schrijven. Aloysia Lange was bij ons om haar twee aria’s te repeteren en we beraadslaagden met elkaar hoe we slimmer konden zijn dan onze vijanden. Daar heb ik er genoeg van  en dat geldt ook voor Lange vanwege Storaci (Ann Selina [Nancy], Storace, 1765-1817, voor wie KV 505 is gecomponeerd) , de nieuwe zangeres. Ik dacht eerst : de postdag is wanneer ik alleen ben, maar toen ik alleen was, was het al te laat. De opera il curioso indiscreto van Anfossi  waarin Lange en Adamberger voor het eerst zijn opgetreden, is afgelopen maandag in première gegaan. Afgezien van mijn eigen twee aria’s  was het geen succes. Wel moest mijn tweede aria, een bravour-aria, herhaald worden. Nu moet u weten dat mijn vijanden zo  gemeen waren om al vooraf  een spaak in mijn wiel te steken.  Ik hoorde zeggen : ”Mozart wil de opera van Anfossi Corrigeren”. Daarom liet ik tegen graaf Rosenberg zeggen dat ik de aria’s niet uit handen geef, tenzij er in de libretti het volgende zowel in het Duits als in het Italiaans wordt bijgedrukt :          

      

Avertimento.
Le due Arie à carta 36 e a carte
102 sono state messe in Musica dal
Sig:e Maestro Mozart, per compiacere
alla sig:ra Lange, non essendo quelle
state scritta dal sig: Maestro anfossi
secondo la di lei abilità, mà per
altro soggetto. questo si vuole far
noto perchè ne vada L'onore à
chi conviene, senza che rimanga
in alcuna parte pregiudicata
la riputazione e la fama
del già molto cognito Napolitano.


Deze tekst werd er inderdaad bijgedrukt en ik gaf de aria’s uit handen die zowel mij als mijn schoonzuster tot onuitsprekelijke eer strekten.  Mijn vijanden  moesten een  hele klap incasseren! Nu komt er een tour van Salieri die niet zozeer mij als de arme Adamberger schaadt. Ik geloof dat ik u geschreven had, dat ik voor Adamberger een rondeau had gemaakt.  Toen het rondeau nog niet was overgeschreven riep Salieri Adamberger bij een kleine repetitie ter zijde en zei hem, dat graaf Rosenberg niet graag zag, dat hij een aria zou toevoegen en dat hij hem dan ook als goede vriend adviseerde  het niet te doen. Adamberger was natuurlijk nijdig op Rosenberg en had bovendien veel gevoel van eigenwaarde. Hij wist zich niet anders te wreken dan door een domheid te begaan en zegt : Nou goed, om te laten zien dat Adamberg in Wenen al beroemd genoeg is en het niet nodig heeft zijn reputatie te verbeteren door middel van een speciaal voor hem gecomponeerd muziekstuk, zal hij gewoon zingen wat er staat en van zijn levensdagen geen toegevoegde aria meer zingen. Waar liep dat op uit? Dat hij totaal geen applaus kreeg, wat ook niet anders kon! Nu heeft hij er spijt van, maar te laat! Want wanneer hij me nu zou verzoeken hem het rondeau te geven, zou ik dat niet meer doen. Ik kan het heel goed in een opera van mezelf gebruiken. Het ergste daarbij is nog, dat de voorspelling van zijn vrouw en van mij uitgekomen is, namelijk dat graaf Rosenberg met de hele directie hier geen woord van weet en dat het alleen maar een streek van Salieri was.

 

***

Linz, 31 oktober 1783

Mozart en Konstanze  zijn op de terugweg van Salzburg naar Wenen

Mon très cher Père!
                                                                                                      
We zijn hier gisterenmorgen vroeg om negen uur in goede orde aangekomen. De eerste dag hebben we in Vögelbruck overnacht. De volgende dag zijn we in de ochtend in Lambach aangekomen. Ik kwam net op tijd om tijdens de dienst het Agnus Dei te begeleiden op het orgel. De prelaat vond het fantastisch me weer te zien. Hij vertelde me de anecdote over hem en u in Salzburg. We bleven daar de hele dag, terwijl ik orgel en clavichord mocht spelen. Ik hoorde dat de dag erna in Ebersperg bij de heer frater Steuer wiens vrouw de zuster van frater von Barisani is, een opera wordt opgevoerd en dat bijna heel Linz daarbij aanwezig zal zijn. Ik wilde ook wel en we gingen er heen. Toen kwam dadelijk graf Thun junior , broer van graaf Thun in Wenen, op me af en zei, dat zijn vader al veertien dagen op me wachtte.  Ik mocht gelijk langskomen want ik moest bij hem logeren. Ik zei dat ik wel in een herberg logies zou vinden, maar toen we de volgende dag bij de poort van Linz kwamen, stond daar al een bediende om ons bij de oude graaf Thun te brengen, bij wie we nu ook logeren. Ik kan u niet zeggen hoezeer men ons in dit huis met gastvrijheid overstelpt. Dinsdag 4 november geef ik hier in het theater een academieconcert. Omdat ik geen enkele symfonie bij me heb, schrijf ik nu hals over kop een nieuwe (KV Anhang 221) die vóór die datum klaar moet zijn. Daarom moet ik afsluiten.

 

***

Wenen, 6 december 1783

Mon tres cher Pére! –  


                                                                      
[…]

 

Nu over iets anders. De eerste acte van mijn opera (~L’oca del Cairo, KV 422)  is klaar, op drie aria’s na. De Aria Buffa, (Siano pronte alle gran nozze, nr 4) het Quartett ( S’oggi oh Dei, sperer mi fate nr 5) en de Finale zijn tot mijn grote tevredenheid gelukt.  Het zou me daarom spijten zoveel goede muziek voor niets gemaakt te hebben. Dat wil zeggen, wanneer niet datgene gebeurt wat hoe dan ook nodig is. Noch u, noch Abate Varesco, noch ik hebben de reflexion gemaakt dat het op niets uitloopt, dat de opera werkelijk een flop wordt, wanneer geen van de twee belangrijkste vrouwenpersonages eerder op het theater verschijnen dan op het laatste ogenblik, maar voortdurend in de vesting op basteien en bolwerk moeten rondwandelen. Voor de eerste acte kan ik wel op zoveel geduld van de toeschouwers rekenen, maar in de tweede acte komt daar een eind aan. Dat kan dus niet gebeuren. Deze reflexion maakte ik al in Linz. Er is geen andere oplossing dan dat men in de tweede acte  enkele scènes in de vesting laat plaatsvinden. Camera della fortezza. Men kan de scène inrichten als : Don Pippo beveelt : ”Laat de gans naar de vesting brengen”, dan is op het toneel de kamer in de vesting te zien, waarin Celidora en Lavina zich bevinden. Pantea komt met de gans naar binnen, Biondello sluipt naar buiten, men hoort Don Pipo komen, Biondello is nu weer gans. Dat kan een goed kwartet opleveren, dat des te komischer zal zijn omdat de gans ook meezingt.  Overigens moet ik u zeggen dat ik alleen daarom niets tegen de hele ganzenscène had in te brengen, omdat twee mannen met meer inzicht en ervaring dan ik geen bedenkingen hadden, namelijk u en Varesco. Er is echter nog tijd aan andere zaken te denken. Biondello heeft ooit beloofd, dat hij de toren binnen zal komen. Hoe hij dat voor elkaar krijgt, door een namaakgans of door een andere list, dat is me om het even. Ik zou denken,  dat men  veel komischer en natuurlijker situaties zou kunnen creëren  wanneer Biondello zijn mensengestalte zou  behouden. Bij voorbeeld zou al gelijk aan het begin van de tweede acte bericht kunnen worden, dat Biondello zich uit vertwijfeling aan de golven heeft  prijsgegeven, omdat het hem niet mogelijk was in de vesting te komen. Hij zou zich dan als een Turk of wat dan ook kunnen verkleden en Pantea als een slavin, een Moorse vrouw. Don Pippo is van plan haar als een slavin voor zijn bruid te kopen. Daardoor mag de slavenhandelaar en de Moorse  de vesting in om zich te laten bekijken. Daardoor heeft Pantea weer gelegenheid haar man te koeioneren en hem duizend impertinenties aan te doen. Zo wordt haar rol beter. Want hoe komischer de Italiaanse opera is, des te beter. Nu vraag ik u de heer Abate Varesco mijn mening toe te lichten . Ik liet hem al vragen hard door te werken. Ik heb de afgelopen korte periode genoeg gedaan.  Ik zou immers de eerste acte al helemaal klaar hebben, wanneer ik niet in enkele aria’s wat woorden zou moeten veranderen. Zeg hem dat nog maar niet, alstublieft.  Mijn Duitse opera Entführung aus dem Serail is in Praag en Leipzig zeer goed en met veel bijval ontvangen. Dat weet ik van mensen die de voorstellingen daar hebben bijgewoond. Ik zal mijn best doen de heer Von Deckelman op te zoeken om hem de cadensen met het concert en de vier ducaten mee te geven. Ik vraag u mij zou vlug mogelijk mijn Idomeneo te sturen, samen met de twee vioolduetten (KV 423, 424)  en de fuga’s van Sebastian Bach (KV 405, 404) . De Idomeneo heb ik nodig omdat ik in deze vastenperiode naast mijn academieconcert in het theater zes subscriptions academieconcerten zal geven, waarin ik ook deze opera wil brengen.

 

[…]

 

P.S. Ik verzoek u op een goede manier op Varesco in te praten en hem tot haast te manen. Stuur me de muziek snel.

 

[…]

 

***

 

Wenen, 10 december 1783

Mon trés cher Pére! –                               



Ik schrijf u in de grootste haast dat ik de opera Der Rauchfangkehrer (van Salieri) voor zes ducaten gekocht hem en hier in huis heb. Hij gaat komende zondag met de postwagen naar Salzburg, als die rijdt, samen met de twee concerten. Anders stuur ik ze met de briefpost. De opera Frà due Littiganti (dramma giocoso van Giuseppe Sarti, 1729-1802)  is niet in het Duits vertaald. Te oordelen naar uw brief denkt u dat Der Rauchfangkehrer een Italiaanse opera is. Nee, het is een Duitse en het heeft bovendien een waardeloos libretto dat de heer doctor Auernbrucker in Wenen als auteur heeft. U zult zich herinneren, dat ik u erover verteld heb, dat de heer Fischer er op het toneel openlijk de spot mee gedreven heeft. Het fraaie libretto zal de heer Kuhne wel hebben. De heer Lange  en zijn vrouw hebben van Zijne Majesteit verlof gekregen een reis van enkele maanden te maken. Ze zullen voor hun vertrek een opera geven ten bate van henzelf, en dat zal mijn Entführung aus dem Serail zijn. […] Ik vraag u zich ervoor in te ztten, dat mijn libretto goed gaat uitvallen. Ik zou wensen  dat ik ook in de eerste acte de twee vrouwenpersonages, wanneer ze hun aria’s zingen van de bastei naar beneden kon brengen, maar wil hun graag toestaan dat ze de hele finale boven zingen.

[…]

***

Wenen , 24 december 1783

Mon trés cher Pére!

                                                                              
Ik heb uw laatste brief van de 19e  met de opera (fragmenten van de tekst van L ‘Oca del Cairo)  erbij in goede orde ontvangen. Nu over de opera het volgende : de heer Abate Varesco heeft bij de Cavatina van Lavina toegevoegd à cui servirà la musica della cavatina,  namelijk de cavatina van Celidora. Dat kan natuurlijk niet, want in de cavatina van Celidora is de tekst troosteloos en hopeloos. Die van Lavina is juist troost- en hoopvol. Het is trouwens een verfoeilijke en ook nooit in de praktijk gebrachte  Mode,  dat de  één de ander zijn liedje nazingt. Hoogstens kan zo iets  bij een soubrette met haar amant, namelijk bij de ultime parti. Mijn standpunt zou zijn, dat de scène met een mooi duet zou beginnen dat met dezelfde tekst door middel van een kleine aggiunta voor het coda heel goed mogelijk is. Na het duet volgt het stukje gesprek zoals het er staat. e quando s'ode il campanello della
Custode
, dan zal mademoiselle Lavina wel zo vriendelijk willen zijn  om plaats te maken, opdat Celidora als Prima Donna gelegenheid heeft een mooie bravouraria te zingen. Volgens mij  levert dat winst op voor de  componist, de zangeres, voor de toeschouwers en voor de toehoorders. De hele scène wordt er vast en zeker interessanter door. Want wees eerlijk, men kan toch moeilijk dezelfde aria door de tweede zangeres verdragen nadat men ze al door de eerste heeft horen zingen. Nu weet ik niet wat u beiden bedoelt met ‘op elkaar volgend’. Aan het einde van de nieuw ingelaste scène van de twee dames in de eerste acte schrijft Abate : siegue la scena VIII.  che prima era la VII. e così cangiansi di mano in mano i numeri.  Volgens deze beschrijving  moet ik, heel anders dan ik dacht, ervan uitgaan, dat de scène na het kwartet waar beide Done na elkaar hun liedje bij het venster zingen, moet blijven staan. Dat kan echt niet , want daardoor zou de acte niet alleen voor niets worden verlengd, maar ook erg cliché worden. Ik vond het altijd bespottelijk om te lezen : Celidora: tu quì m'attendi, amica. Alla Custode farmi veder vogl'io; ci andrai tu puoi. Lavina. si dolce amica, addio.  (Celidora parte) . Lavina zingt haar  aria. Celidora komt terug en zegt : Eccomi,or vanne   en nu gaat Lavina af en Celidora zingt haar aria. Ze lossen elkaar af, als soldaten op wacht. Verder is het ook veel natuurlijker dat ze, omdat ze immers in het kwartet allemaal samen zijn,  hun afgesproken aanslag uitvoeren, de mannen zich uit de voeten maken om de daarvoor nodige handlangers op te zoeken en de twee dames zich rustig in hun Clausur ophouden.  Alles wat men hun nog kan gunnen zijn een paar regels recitatief. Maar ik geloof vast en zeker dat het nooit de bedoeling was , dat de scène zou blijven staan, maar dat alleen verzuimd was aan te geven dat ze geschrapt kan worden. Naar uw goede idee om Biondello in de toren te brengen, ben ik erg nieuwsgierig. Als het maar komisch is,  dan mag het ook wel wat onnatuurlijk zijn.  Over het afsteken van een klein vuurwerk maak ik me geen zorgen. Er is hier zo’n goede procedure bij brand dat men niet te vrezen heeft voor brand in het theater. Hoe vaak wordt Medea hier niet opgevoerd? (het melodrama Medea van Georg Benda)  Daar stort uiteindelijk de helft van haar paleis in en de andere helft gaat in vlammen op.

Morgen ga ik op zoek naar de libretti van Der Rauchfangkehrer.  De Contessina of de gravin heb ik er nog niet naar kunnen vragen.  Zou ik er niet aan kunnen komen, zou dan niet misschien Das Irrlicht van Umlauff, de Schöne Schusterin van Umlauff of Die Pilkrime von Mecka (van Gluck)  een mogelijkheid zijn? Vooral de laatste twee zijn gemakkelijk uit te voeren. Kuhne heeft ze vermoedelijk wel. 

[…]

Ik vraag u nogmaals om de twee duetten, de fuga’s van Bach en vooral de Idomeneo. U weet waarom. Er is me veel aan gelegen,  dat ik deze opera met graaf Sikingen aan de piano doorneem.  Wanneer u voor mij bij gelegenheid de fuga’s, volgens mij zes fuga’s van Emanuel Bach, kunt laten kopiëren zou u mij daarmee een groot plezier doen. […] . De afgelopen maandag was er weer een groot academieconcert van de Sociëteit . Ik speelde daar een concert en Adamberger zong een rondeaux van mij (KV 431) . Gisteren werd het concert herhaald. Alleen trad nu een violist op en verviel mijn concert. Eergisteren, afgelopen maandag, was het theater vol, gisteren leeg. Nota bene : het was het eerste optreden van deze violist.

***

Wenen, 10 februari 1784


Mon trés cher Pére! –                                                                                  
[…]

Ik heb u in mijn laatste brief met het oog op Varesco over mijn opera (L’Oca del Cairo)  geschreven. Op dit moment denk ik er niet aan, met deze opera verder te gaan. Ik heb momenteel muziek te componeren die me geld in het laadje brengt (de pianoconcerten KV 449, 450, 451, 453, 456, 459) . Dat kan dus niet later. Voor een opera krijg ik altijd betaald en bovendien, wanneer men de tijd neemt, gaat alles beter. Men kan aan het libretto van Varesco de haast aflezen! Ik hoop, dat hij het mettertijd zelf inziet. Daarom wens ik, dat hij , wanneer ik het op hoofdlijnen bekijk, de opera maar gewoon weggooit. Dan kan men voorstellingen op een degelijke manier voorbereiden. We hebben toch in godsnaam geen enkele haast!  Wanneer u datgene wat voor wat mij betreft klaar is, zou horen, dan zou u met mij wensen dat het niet verloren gaat, en dat gebeurt zo makkelijk en zo vaak! Mijn muziek ligt klaar en slaapt goed.  Van  alle opera’s die in de tijd  totdat de mijne klaar is, kunnen worden opgevoerd, zal geen enkele plot lijken op die van mij, daar ben ik zeker van!

[…]

***

Wenen, 20 februari 1784

Mon trés cher Pére!

 


Gisteren was ik zo gelukkig de heer Freÿhold een concert van eigen scomposition te horen spelen. (~ Johann Philipp Freyhold,   fluitist in dienst van de Markgraaf van Baden-Durlach) In zijn spel vond ik weinig en miste ik veel. Zijn gehele Bravour bestaat in de dubbeltongtechniek, afgezien daarvan hoort men ook bijna niets. Bij het adagio was ik blij dat het maar zo kort duurde. Het adagio heeft hij ook bij u geblazen. Van begin af aan konden de begeleidende stemmen er niet uit wijs worden omdat het stuk in 4/4 was geschreven en hij het in alle breve blies. Toen ik er eigenhandig alle breve boven schreef,  bekende hij me, dat papa in Salzburg er ook al over had gezeurd. Het rondo zou opgewekt moeten zijn, maar het was de domste muziek die je je kunt voorstellen. Bij het eerste allegro vond ik, dat de heer Freÿhold geen slecht componist zou kunnen worden wanneer hij fatsoenlijk compositielessen zou nemen.

 
[…]

 

Binnen enkele dagen gaan een vice-controleur en een kok naar Salzburg. Ik zal aan hen vermoedelijk een sonate  (KV 448) , een symphonie (KV 425)  en een nieuw  concert (KV 449) meegeven, die u misschien bij gelegenheid kunt laten kopiëren, en dan weer aan mij kunt terugsturen of kunt weggeven. U kunt ze overal uitvoeren waar u maar wilt. Het concert,  dat u zo vlug mogelijk moet laten kopiëren  en dan direct weer terug sturen. Nota Bene : niemand mag het in handen krijgen, want ik heb het voor mademoiselle Ployer (Babette von Ployer, voor wie Mozart KV 449 en 453 schreef)   geschreven die er mij goed voor heeft betaald. De sonate mag u houden. Nu moet ik u over iets vragen waarvan ik zelf niets begrijp. Wanneer men op eigen kosten wat laat graveren of drukken, hoe zorgt men er dan voor dat men door de drukker niet wordt bedrogen?  Hij kan immers zoveel exemplaren afdrukken als hij wil en mij daarna niet betalen. Eigenlijk zou je die menen voortdurend moeten controleren wat bij u, toen u uw boek liet drukken, niet mogelijk was, omdat u in Salzburg was en het boek in Augsburg gedrukt werd. Ik zou er hier verder toe geneigd zijn mijn zaken aan geen enkele drukker meer te verkopen maar ze op eigen rekening op praenumeration te laten drukken of graveren, zoals de meesten het doen en daarvan heel wat profijt trekken.  Over de praenumeranten maak ik me geen zorgen. Uit Parijs en Warschau  is me al een praenumeration aangeboden.  Kunt u me hierover duidelijkheid verschaffen?

 

[…]

 

***

 

Wenen, 10 april 1784

 

Mon très cher Père!


Wees niet boos, dat ik u zo lang niet heb geschreven. U moest eens weten, hoeveel ik hier te doen heb! Door mijn drie subscriptions academieconcerten heb ik veel eer ingelegd. Ook mijn academieconcert in het theater is zeer goed bevallen. Ik heb twee grote concerten  (KV 450 en 451) geschreven en dan nog een kwintet (KV 452)   dat buitengewoon veel succes had. Ik vind het persoonlijk het beste wat ik ooit heb geschreven. Het heeft als bezetting hobo, klarinet, hoorn, fagot en piano. Ik zou willen, dat u het had kunnen horen! Het werd zo mooi uitgevoerd! Overigens ben ik, om u de waarheid te zeggen, gewoon moe geworden van het spelen alleen al. Het strekt me tot geen geringe eer, dat mijn toehoorders nooit moe worden.  Nu heb ik een comission : de oude baron Du Pain die alle mogelijke goede en slechte muziek bezit, zou graag het volgende rondo en duet van Gatti willen hebben: Recit:vo: Ah! non sdegnarti  o cara.Rondò. Nel lasciarti in questo istante.Duetto. Ne' giorni tuoi felici. U zou me zeer verplichten wanneer u me deze twee stukken zou vlug mogelijk zou kunnen verschaffen. De kopiekosten zal ik via de heer Peisser laten overmaken. Ondertussen heb ik weer een nieuw concert voor mademoiselle Ployer (KV 453) geschreven. Nu ben ik al half aangekleed om naar vorst Kaunitz te gaan. Gisteren speelde ik bij Leopold Palfy. Morgen speel ik bij de academie die mademoiselle Baÿer geeft. Nog iets. Omdat Hafeneder is gestorven heeft de heer Von Ployer de comission gekregen een violist te zoeken. Ik beval hem in het geheim een zekere Menzl aan, een jonge, aarde, geschikte kerel. Ik verbood hem echter iets over mij te melden, anders zou het mischien niet gaan. Hij wacht nu op de Resolution. Ik geloof dat hij 400 fl krijgt en een nieuw kostuum. Wat hij nu aan heeft, kan echt niet, hij ziet er uit als een bedelaar. Mocht het wat worden, dan zal ik Menzl een brief voor u meegeven, samen met de muziek. U zult een prima violist aan hem hebben die heel goed van het blad kan lezen. In Wenen heeft nog niemand zo goed mijn kwartetten à vista gespeeld als hij. Hij is de beste  mens van de wereld die met plezier bij u muziek zal maken  zovaak als u maar wilt.  Ik heb hem ook opgenomen in het orkest bij mijn academieconcerten.

Wenen, 24. April 1784

 

Hier hebben we nu de beroemde Strinasacchi  (Regina Strinasacchi, 1764-1823)n uit Mantua, een zeer goede violiste. Ze heeft veel smaak en gevoel in haar spel. Ik schrijf juist een sonate (KV 454) die we donderdag in het theater bij haar academieconcert zullen uitvoeren. Dan zijn er nu kwartetten verschenen van een zekere Pleyel, een leerling van Joseph Haydn. Wanneer u die nog niet kent, moet u proberen ze te krijgen, want ze zijn de moeite waard. Ze zijn zeer goed geschreven en zeer aangenaam om naar te luisteren. U zult er ook gelijk zijn meester in herkennen. Het is goed en gelukkig voor de muziek wanneer Pleyel te zijner tijd in staat is ons en Haydn te vervangen.

 

***

Wenen, 28 april 1784
  

Mon trés cher Pére  

                                                                                                       

Ik moet u in haast schrijven. De pianist Richter  (~Georg Friedrich Richter, 1759-1789, populair pianoleraar uit Nederland ) maakt een tour om naar Holland, zijn vaderland,  terug te keren. Ik heb hem  voor gravin Thun in Linz een brief meegegeven. Omdat hij er veel voor voelt naar Salzburg te komen,  gaf ik hem ook nog vier regeltjes voor u mee. Ik schrijf u nu, dat hij niet lang na ontvangst van deze brief zal verschijnen. Hij speelt erg veel wat de Execution betreft. Alleen, wanneer u het hoort, te grof, te moeizaam en zonder enige smaak en gevoel. Hij is overigens die vriendelijkste man die je je kunt voorstellen, zonder ook maar een greintje trots. Hij zat onbeweeglijk op mijn vingers te kijken, toen ik hem wat voorspeelde. Toen zei hij “Mijn God!  Ik oefen dat het zweet me uitbreekt en krijg toch geen bijval.  En u, mijn vriend,  speelt zo maar en het kost u geen enkele moeite”. “Ja”, zei ik, “ ik moest ook mijn best doen om nu niet meer mijn best te hoeven doen”. Afin, hij is een man die hoe dan ook onder de goede pianisten gerekend kan worden en daarbij, hij is eerlijk en oprecht en ik hoop dat de aartsbisschop hem misschien eerder zal horen omdat hij een  clavierist is, en depit de moi, welk depit me overigens zeer welkom zal zijn. Wat Menzl, de violist,  betreft, gaat alles goed. Hij zal vermoedelijk zondag hiervandaan afzeilen.  Via hem zult u ook muziek van mij ontvangen.

***

 

Wenen, 8 mei 1784

 

Mon trés cher Pére!

 

Menzl is opeens vertrokken en heeft me niet meer thuis aangetroffen, zodat ik hem de brief niet meer kon meegeven. Hopelijk is hij al bij u geweest. De beloofde muziek gaf ik hem niet mee, omdat ik die hem niet wilde toevertrouwen, want ik ben er heel voorzichtig mee. Ik zal ze liever met de postwagen sturen. Misschien is nu werkelijk mijn goede vriend Richter bij u. Is dat zo, dan vraag ik u hem mijn hartelijke groeten te doen. Ik moet nu naar beneden naar de eerste etage voor een academieconcert bij madame Von Trattnern. Ik had de opdracht daarvoor alles in orde te maken, daarom kan ik niet meer schrijven, behalve dat het ons beiden goed gaat en dat we hopen dat dat ook voor u geldt.  Nu is Paisiello (Giovanni Paisiello, 1740-1816 ) hier die net uit Rusland teruggekeerd is. Hij wil hier een opera schrijven. Elke dag wordt Sarti (Giuseppe Sarti, 1729-1802) verwacht om na Rusland hier door te reizen.

 

***

 

Wenen, 15 mei 1784
     

 

Mon très cher Père!

 

Ik heb vandaag de symfonie (KV 425)  die ik in Linz voor de oude graaf Thun heb geschreven aan de post meegegeven, samen met vier concerten (KV 449, 450, 451, 453) .  Om die symfonie maak ik me verder geen zorgen, maar ik wilde u vragen de vier concerten bij u thuis te laten kopiëren , want kopiïsten zijn in Salzburg even weinig te vertrouwen als die in Wenen. Ik weet uit heel betrouwbare bron, dat Hofstetter muziek van Haydn dubbel laat kopiëren. Ik heb zijn nieuwste drie symfonieën, werkelijk waar! Omdat niemand behalve ikzelf  deze nieuwe concerten in Bes en D bezit en niemand behalve ik en mademoiselle Von Ployer , voor wie ze ook geschreven zijn, de concerten in Es en G, kunnen ze alleen maar door een dergelijk bedrog in andermans handen komen.  Ik zelf laat alles in mijn aanwezigheid en in mijn kamer kopiëren. Na enige overwegingen heb ik Menzl de muziek toch niet willen toevertrouwen.  Verder geloofde ik en geloof ik nog, dat  u er weinig gebruik van kunt maken, omdat afgezien van het concert in Es (KV 449) , dat a quattro zonder blaasinstrumenten is geschreven, de overige drie van obligate blaaspartijen zijn voorzien en u die muziek zelden uitvoert. Overigens weet ik niet wat u dacht en niet wilde schrijven en om alle onaangenaamheden te vermijden stuur ik u hierbij al mijn nieuwe composities.

 

***

 

Wenen, 26 mei 1784

 

Mon trés cher Pére! –                                                      


Volgens mij heeft de heer Richter  zich in de toonsoort van het concert (KV 450) vergist of ik heb in uw brief een onjuiste letter gelezen. Het concert waarover Richter tegenover u zo te spreken was, is het concert in Bes, het eerste dat ik gecomponeerd heb, en waar hij ook tegenover mij zo enthousiast over was. Ik ben niet in staat uit deze beide concerten te kiezen. Ik vind het beide concerten om iemand te laten zweten. Qua moeilijkheidsgraad is het concert in Bes nog pittiger dan dat in D. Overigens ben ik zeer nieuwsgierig te weten welk van de concerten in Bes, D en G voor u en mijn zuster het aantrekkelijkst is. Het concert in Es laten we er buiten, dat is een heel speciaal concert en meer voor een klein dan een groot orkest geschreven. Het gaat alleen maar om de drie grote concerten. Ik ben er benieuwd naar of jullie oordeel overeenstemt met dat van de mensen hier  en dat van mij. Het is wel beslist nodig, dat men ze uitvoert volgens de aangegeven bezetting en in een goede uitvoering beluistert.  Ik wil graag geduld oefenen tot ik ze weer terug heb, als niemand ze maar verder in handen krijgt. Ik zou  voor één ervan al 24 ducaten kunnen krijgen, maar ik vind dat het me meer profijt zal opleveren wanneer ik ze nog een paar jaartjes bij me houd en pas daarna in gedrukte vorm openbaar maak.

 

[…]

 

***


Wenen, 9 juni 1784 

Mon trés cher Pére!                                                                             

[…]

Volgens mij hoort er in een concert geen adagio thuis, maar alleen een andante. Dat in het andante van het concert in D (KV 451)  in de bewuste solo in C wat moet worden toegevoegd, is duidelijk. Ik wilde u de aanvullingen samen met de cadensen zo gauw mogelijk doen toekomen. Morgen zal er bij de heer agent Ploÿer in Döbling op het platteland een academieconcert plaatsvinden. Daar zal mademoiselle Babette haar nieuwe concert in G (KV 453) spelen, ik speel het kwintet(KV 452)  en dan wij samen de grote sonate voor twee piano’s (KV 448) .  Ik wil Paisiello met de wagen laten afhalen om hem mijn compositie en mijn leerlinge te laten horen. Wanneer maestro Sarti vandaag niet had moeten vertrekken, had ik hem ook meegenomen. Sarti is een rechtschapen, oprechte kerel. Ik heb erg veel voor hem gespeeld, uiteindelijk ook variaties op zijn aria gemaakt. (KV 460) Hij heeft daar veel plezier aan beleefd.  Menzl is en blijft een ezel. De zaak zit zo : de heer Von Ployer vroeg me, of ik geen violist wist. Ik sprak met Menzl en die was gelijk enthousiast. U kunt zich voorstellen wat ik hem als eerlijk man kon aanraden, namelijk om zijn positie zeker te stellen. Hij liet zich echter tot op het laatste ogenblik niet meer bij mij zien. De heer Vom Ploÿer zei me, dat hij voor 400 fl en nota bene een kostuum op proef naar Salzburg zou reizen. Tegen mij zei Menzl echter dat hij vastbesloten was. Dat zei hij tegen alle mensen hier. Verder blijkt nu, dat hij getrouwd is, wat geen mens hier wist. Zijn vrouw was al drie of vier maal bij de heer von Ploÿer.  Nu heb ik de drie sonates voor piano alleen die ik ooit aan mijn zus heb gestuurd, de eerste in C, de andere in A en de derde in F aan Artaria ter publicatie aangeboden (KV 330, 331, 332)  . Ook Torricella krijgt er drie,  waaronder de laatste in D is die ik voor Dürnitz in München heb geschreven. Dan laat ik ook nog drie van de zes symfoniën drukken die ik wil opdragen aan de vorst Von Fürstenberg.

***

  Wwenen,  21 juli 1784

 

 

Allerliefste zuster!

 

[…]

 

Ik hoop, dat je ondertussen alle muziek met de postwagen hebt gekregen. Ik had je graag bij de andere concerten ook de cadensen gestuurd, alleen kun je niet geloven hoeveel ik te doen heb! Zodra ik tijd heb, zal ik ze zeker voor je in orde maken. Ik ben er zeer nieuwsgierig naar om, zodra je de drie grote concerten (KV 450, 451 en 453)  gehoord zult hebben,  te vernemen welk concert je het beste bevalt.  Laat papa niet vergeten mij met de komende postwagen de bedoelde stukken te sturen. Wanneer hij me ook het oude oratorium Betulia Liberata (KV 118) kon sturen, zou ik dat zeer op prijs stellen. Ik moet dit oratorium voor de Sociëteit hier schrijven. Misschien kan ik hier en daar wat fragmenten ervan gebruiken.

[…]

 

***

 

Brief aan  geheimraad Anton Klein  (1748-1810) , taalwetenschapper en auteur, professor in poëzie en filosofie in Mannheim)

 

Wenen, 21 mei 1785

 

Hoogst  Schatbare Heer Geheimraad!

 […]

Wat de opera (Kleins libretto van  Kaiser Rudolf von Habsburg ) betreft, een man met zoveel ervaring als u weet beter dan ik, dat men zo iets met alle mogelijke opmerkzaamheid moet bekijken, niet eenmaal maar meermalen. Tot nu toe had ik niet eens de tijd het eenmaal zonder onderbreking te lezen. Alles wat ik nu kan zeggen is, dat ik het nog niet uit handen zou willen geven. Ik verzoek u mij dus het stuk nog enige tijd toe te vertrouwen. Voor het geval  ik het aantrekkelijk zou vinden het op muziek te zetten, zou ik graag van tevoren willen weten of het eigenlijk de bedoeling is het op een bepaalde plek op te voeren? Want een dergelijk werk verdient het zowel qua libretto als qua muziek niet voor niets gemaakt te zijn. Ik hoop op dit punt op opheldering van uw kant.  Over de toekomstige Duitse Singbühne kan ik u nu nog niets melden,  omdat het er nog erg rustig aan toegaat,  afgezien van de bouwwerkzaamheden in het daarvoor bestemde Kärtnerthortheater. Begin oktober zal het geopend worden.  Ik voor mij voorzie een sombere toekomst. De reeds gemaakte voorbereidingen duiden erop, dat men inderdaad meer  probeert de nu enige tijd in verval geraakte Duitse opera in haar geheel te ondersteunen, eerder dan haar er weer boven op te helpen en te behouden.  Alleen mijn schoonzuster Lange mag zich wijden aan het Duitse Singspiel. Cavallieri, Adamberger, de Teubers, louter Duitsers waarop Duitsland ook trots mag zijn, moeten bij het Italiaanse theater blijven en het dus opnemen tegen hun eigen landgenoten! De Duitse vocalisten zijn momenteel gemakkelijk te tellen.  Ook al zouden er even goede, misschien nog wel betere zijn, waaraan ik overigens erg twijfel, dan nog lijkt me het theater hier te economisch en te weinig vaderlandslievend te denken en met massa’s  geld vreemde zangers te laten komen terwijl ze er hier ter plaatse betere of even goede  heeft, en nog wel voor niets. Het Italiaanse gezelschap heeft ze niet nodig wat het aantal betreft. Ze kan voor zichzelf spelen. Het Idèe is nu zich bij de Duitse opera met acteurs en actrices te behelpen die alleen maar zingen als het niet anders kan. De grootste ramp is, dat de directeuren  van zowel het theater als  van het orkest op hun plaats gebleven zijn, mensen die er zowel door hun onwetendheid als passiviteit het meeste hebben  bijgedragen aan het mislukken van hun eigen onderneming.  Als zich één enkele patriot zou aandienen, dat zou het er echt anders uitzien! Maar dan zou misschien het ontluikende National-theater tot bloei komen, en dat zou toch wel een eeuwige schandvlek voor Duitsland zijn, wanneer wij, Duitsers, eenmaal serieus zouden beginnen Duits te denken, Duits te handelen, Duits te praten en zelfs Duits te zingen! Mijnheer de Geheimraad, neem me niet kwalijk dat ik wellicht te ver gegaan ben in mijn ijver! Ik ben ervan overtuigd dat ik met een Duitser spreek en daarom liet ik mijn tong de vrije loop, wat tegenwoordig zo zelden mag gebeuren dat men zich na een dergelijke gemoedsuitbarsting  zomaar een roes zou drinken zonder gevaar te lopen zijn gezondheid te bederven. Met hoogachting.

***

 

brief aan Gottfried von Jacquin (1767-1792), in 1790 practicant aan de Boheems-Oostenrijkse hofkanselarij

 

Praag, 15 januari 1787

 

Beste vriend!


[…]

 

Om zes uur ging ik met graaf Canal naar het zogenaamde Breitfeldische Ball, waar de kern van de Praagse schonen zich pleegt te verzamelen.  Dat zou iets voor jou geweest zijn, mijn vriend! Ik zie je al alle mooie meisjes en vrouwen na…lopen, denk je ? Nee, nahinken! Ik danste niet en kon ook niets eten. Het eerste omdat ik te moe was en het tweede vanwege mijn aangeboren verlegenheid. Ik keek wel met veel plezier toe , hoe al deze mensen intens vergenoegd rondsprongen  op de muziek van mijn Figaro, bewerkt tot louter contradansen en Duitse dansen. Want hier wordt over niets anders gesproken dan Figaro, er wordt hier niets gespeeld, geblazen, gezongen en gefloten dan Figaro, geen andere opera bezocht dan Figaro en eeuwig Figaro. Zeker een grote eer voor mij.

 

[…]

 

De avond verraste ons sneller dan je misschien wilt geloven.Genoeg, het was tijd voor de opera. We luisterden dus naar  Le gare generose. Over de uitvoering van deze opera kan ik niets met zekerheid zeggen, omdat ik er veel doorheen heb gekletst. Waarom ik, helemaal tegen mijn gewoonte in, heb zitten kletsen, lag misschien wel daaraan. Basta. Ook deze avond was weer al Solito verdaan.

 

[…]

 

Ik kus uw zuster signora Dinimininimi (Franziska von Jacquin, (1769-1850) voor wie Mozart de pianopartij van KV 498 schreef)  100000 de handen, met het verzoek heel ijverig te oefenen op haar nieuwe pianoforte, maar deze aansporing is volstrekt overbodig. Ik moet bekennen dat ik nog nooit een leerlinge heb gehad die zo ijverig is, zoveel vlijt heeft getoond als juist zij. Ik verheug  me er echt op haar met mijn geringe vaardigheden weer onderrricht te mogen geven.

 

***

Aan Gottfried von Jacquin

Praag, 15 oktober 1787  

Mijn beste vriend!

Je denkt waarschijnlijk dat mijn opera nu voorbij is, maar dan vergis je je toch wel een beetje. Ten eerste is het theaterpersoneel  er hier anders dan in Wenen niet zo op ingesteld een dergelijke opera in zo korte tijd in te studeren, ten tweede vond ik bij mijn aankomst zo weinig  voorbereiding en planning dat het gewoon onmogelijk geweest zou zijn, ze gisteren, op de 14e uit te voeren. Daarom werd gisteren in het volledig verlichte theater mijn Figaro opgevoerd, die ik zelf dirigeerde. Er is iets grappigs gebeurd waarover ik jezeker moet vertellen : enige van de deftige dames hier, vooral een heel doorluchtige,  vonden het blijkens hun onpassende gelach en wat al niet meer, maar niets, dat men voor de prinses Figaro, ‘de dolle dag’ zoals ze zich graag uitdrukten, wilde geven. Ze dachten er niet bij na,  dat geen enkele opera ter wereld bij een dergelijke gelegenheid zou passen, wanneer ze er niet met opzet voor geschreven is. Dat het er niets toe doet of men deze of gene opera brengt, als ze maar goed is en niet bij de prinses bekend. Dat laatste was de Figaro in elk geval. Kortom, de raddraaister wist het met haar welbespraaktheid voor elkaar te krijgen dat de impresario vanuit de regering het verbod kreeg dit stuk op die dag uit te voeren.  Nu triomfeerde ze! ‘Ho vinta!’ , schreeuwde ze op een avond uit haar loge.  Ze vermoedde zeker niet,  dat het ‘ho’ in een ‘sono’ kon worden veranderd!  Daags daarop kwam Le Noble met het bevel van Zijne Majesteit, dat,  wanneer de nieuwe opera niet gebracht kon worden, Figaro moest worden gespeeld!  Wanneer je die mooie, heerlijke neus van deze dame gezien had! O, het zou je evenveel plezier hebben gegeven als mij! Don Giovanni is nu voor de 24e gepland. Een zangeres die ziek geworden is, zorgde voor enige vertraging. Omdat het gezelschap maar klein is, moet de impresario altijd onder stress leven en zijn mensen zoveel mogelijk ontzien om te voorkomen dat hij door een plotselinge indispositie in een aller-, allermoeilijkste positie komt te verkeren en helemaal geen voorstellingen kan verzorgen! Zo gaat  hier alles op de lange baan omdat de reciterenden uit luiheid op operadagen niet studeren willen en de entrepreneur uit angst en vrees hen daar niet aan wil houden.

[…]

***

Dresden, 16 april 1789

’s nachts om half twaalf

Liebstes bestes Weibchen!              

Wat? Nog steeds in Dresden? Ja, mijn liefste. Ik wil je alles haarfijn vertellen. Maandag de 13e  gingen we, nadat we bij de Neumanns hadden ontbeten,  naar de kapel van het Hof  waar de mis van Naumann werd gegeven die hij zelf dirigeerde. Zeer middelmatig. We waren in een oratoire tegenover de muziek.  Opeens stootte Naumann me aan en bracht me bij de heer Von König, die Directeur des plaisirs, van de treurige plaisirs van de Keurvorst is. Hij was bijzonder vriendelijk en op de vraag of ik me niet bij Zijne Doorluchtigheid wilde laten horen, antwoordde ik, dat dat een grote eer voor me zou zijn, maar dat ik me niet lang kan ophouden, omdat ik niet alleen van mezelf afhankelijk ben. Daar bleef het bij. Mijn vorstelijke reisgenoot nodigde de Naumanns samen met Duschek uit  voor de middag. Onder het eten kwam het bericht,  dat ik de volgende dag, dinsdag de 14e, ’s avonds om half zes, aan het hof mocht spelen. Dat is  hier iets heel buitengewoons, omdat men een dergelijke kans heel moeilijk krijgt.  Je weet, dat ik me voor hier helemaal geen illusies maakte. We hadden bij ons à l’hotel de Boulogne  een kwartet gearrangeerd. We speelden het in de Kapel met Antoine Taÿber die hier organist is , en met de heer Kraft, cellist van vorst Esterhazÿ, die met zijn zoon hier is. Ik gaf bij deze kleine muziek het trio dat ik voor de heer Von Puchberg schreef (KV 563) . De uitvoering was zeker het beluisteren waard. Duschek zong veel muziek uit Figaro en Don Juan. De volgende dag speelde ik aan het hof het nieuwe concert in D (KV 537) . De volgende dag, woensdag de 15e, ontving ik ’s ochtends een heel fraaie doos. We aten bij de Russische gezant waar ik ook veel speelde. Na tafel spraken we af orgel te gaan spelen. Om vier uur gingen we op weg. Naumann was er ook bij. Nu moet je weten, dat hier een zekere Hässler, organist van Erfurt, is. Die was er ook. Hij is een leerling van een leerling van Bach. Zijn force is het orgel en het clavichord.  Nu geloven de mensen hier, omdat ik uit Wenen kom, dat ik deze manier van spelen helemaal niet ken. Ik nam plaats op het orgel en speelde. Omdat vorst Lichnowsky Hässler goed kent, haalde hij hem met veel moeite ertoe over, ook te spelen. De force van deze Hässler is zijn pedaalspel, dat overigens, om dat het pedaal hier trapsgewijs gaat, niet zo’n grote kunst is. Overigens heeft hij alleen maar harmonieën en modulaties van de oude Sebastian Bach uit het hoofd geleerd en is niet in staat fatsoenlijk een fuga te spelen. Hij heeft geen solide spel en is nog lang geen Albrechtsberger. Hierna werd besloten nog een keer naar de Russische gezant te gaan zodat ik voor Hässler op de forte piano zou kunnen spelen. Hässler speelde ook. Op de pianoforte vind ik madame Auerhamer net zo goed.  Je kan je voorstellen dat zijn ster niet bepaald steeg. Hierna gingen we naar de opera die allerbelabberdst is.

***

 

Frankfurt am Main,  3 oktober 1790

Liebstes, bestes Herzens=Weibchen! –

Nu ben ik gerustgesteld en tevreden. Allereerst omdat ik bericht van jou, mijn liefste, heb ontvangen, waar ik zo naar verlangde, maar ten tweede ook door de positieve informatie over mijn lopende zaken. Ik heb me vast voorgenomen gelijk maar het adagio voor de klokkemaker (KV  594 ?)  te schrijven om daarmee mijn lief vrouwtje wat ducaten in handen te spelen. Ik begon er ook aan, maar met enorme tegenzin zodat ik het maar niet af kon krijgen. Ik schrijf er elke dag aan, maar houd er steeds mee op, omdat het me ennuieert. Wanneer er niet zo’n belangrijke reden was om het te doen, zou ik er zeker mee stoppen. Beetje bij beetje hoop ik het toch uit mijn pen te kunnen krijgen. Zou het ding nu nog als ene orgel klinken, dan zou ik enthousiast zijn. maar het bestaat uit alleen maar kleine pijpjes die een hoog en voor mij kinderachtig geluid voortbrengen.

[…]

***

Wenen, 7 en 8 oktober 1791

liebstes, bestes Weibchen! –


Ik kom net van de opera (die Zauberflöte). Het was weer net zo vol als altijd. Het duet Mann und Weib en het klokkenspel werd als gewoonlijk weer herhaald, evenals het terzet van de knapen in de tweede acte. Wat me het meest plezier doet is de stille bijval! Men ziet hoe deze opera steeds geliefder wordt! […] . Het bijzondere daarbij is, dat dezelfde avond dat mijn nieuwe opera met zoveel succes in première ging, in Praag de laatste uitvoering van de Tito plaatsvond, ook met buitengewone bijval. Voor alle onderdelen werd geapplaudisseerd.

 

 

[…]

 

Bij de aria van Papageno met het klokkenspel ging ik het toneel op, omdat ik zin had zelf erop te spelen.  Ik hield Schikaneder voor de gek en speelde een arpeggio. Die schrok. Hij keek in de coulissen en zag mij.  Toen de passage de tweede keer werd gespeeld,  deed ik het niet. Nu hield hij op en wilde niet meer verder. Ik kon zijn gedachten raden en speelde weer een akkoord. Toen sloeg hij op het klokkenspel en zei halts Maul !.  Iedereen moest erom lachen. Ik denk dat veel mensen pas door deze grap voor het eerst in de gaten kregen, dat hij het instrument niet zelf bespeelt.  Je kunt je trouwens niet voorstellen, hoe goed  de muziek klinkt in een loge vlak bij het orkest, veel beter dan op de galerij. Zodra je terug komt, moet je het eens proberen.

 

[…]

 

***


 

Liebstes bestes Weibchen

Gisteren, donderdag de 13e is Hofer met mij naar Carl gegaan, daar aten we en om zes uur haalde ik Salieri en Cavalieri met de wagen af en bracht ze naar de loge. Toe ging ik snel mama en Carl afhalen die ik ondertussen bij Hofer had gelaten. Je kunt je niet voorstellen hoe aardig ze waren. Niet alleen de muziek, maar ook het libretto en alles beviel hun zeer. Ze zeiden beide, dat het een operone was, waardig om bij de grootste festiviteet voor de grootste monarch uit te voeren. Ze zouden de opera zeker heel vaak gaan beluisteren, want ze hadden nog nooit een mooier en aangenamer spectacel gezien.  Hij luisterde met alle aandacht en van de symfonie tot aan het laatste koor  was er geen stuk, dat hem geen bravo of bravissimo ontlokte.

 

***

 

Vertaling : Jan Pieter Baan

Spijkenisse, maandag 27 oktober 2014

 

***