***











 

www.resantiquae.nl

TOONSOORTEN EN HUN KARAKTERISTIEK

&&&

BRONNEN:

Bartolus 1614 : Abraham Bartolus: Musica Mathematica, Das ist: Das Fundament der allerliebsten Kunst der Musicae, wie nemlich dieselbe in der natur stecke, vnd ihre gewisse proportiones, das ist, gewicht vnd mass habe, vnd wie dieselben in der Mathematica, Fürnemlich aber in der Geometria vnd Astronomia beschrieben sind ... Leipzig 1614.

Rousseau 1691 : Jean Rousseau: Méthode claire, certaine et facile pour apprendre à chanter la Musique. Paris 1691.

Charpentier 1692 : Marc-Antoine Charpentier: Règles de composition [Ms. Paris, Bibl. Nat. nouv.acq.fr.6355-6356]

Masson 1697: Charles Masson: Nouveau Traite des Regles de la Composition de la Musique. Paris 1697.

Mattheson 1713 : Johann Mattheson: Das Neu-eröffnete Orchester. Hamburg 1713.

Rameau 1722: Jean-Philippe Rameau: Traité de l'harmonie réduite à ses principes naturels. Paris 1722.

Heinichen 1728 Johann David Heinichen: Der General=Baß in der Composition. Dresden 1728.

Mizler 1736-38 : Lorenz Christoph Mizler: Neu eroeffnete Musicalische Bibliothek Oder Gruendliche Nachricht nebst unpartheyischem Urtheil von musikalischen Schriften und Buechern, Bd. 1. Leipzig 1736-38, Teil 1, S. 34 ff.

Mattheson 1739: Johann Mattheson: Der Vollkommene Kapellmeister. Hamburg 1739.

Stössel 1737: Johann Christoph u. Johann David Stössel: Kurzgefasstes Musicalisches Lexikon. Chemnitz 1737.

Quantz 1752: Johann Joachim Quantz: Versuch einer Anweisung die Flöte traversiere zu spielen. Berlin 1752.

Marpurg 1776: Friedrich Wilhelm Marpurg: Versuch ueber die musikalisches Temperatur. Breslau 1776.

Junker 1777 : Carl Ludwig Junker: Tonkunst. Bern 1777.

Vogler 1779: Georg Joseph Vogler: "Ausdruck (musikalischer)"; in: Deutsche Encyclopaedie oder Allgemeines Real=Woerterbuch aller Kuenste und Wissenschaften [...]. Band 2. Frankfurt/Main 1779.

Ribock 1783 : Ueber Musik, an Floetenliebhaber insonderheit; in: Magazin der Musik, hrsg. von Carl Friedrich Cramer, Jg. 1, Hamburg 1783.

Schubart 1784/85: Ideen zu einer Ästhetik der Tonkunst. Wien 1806 [entstanden 1784/85].

Cramer 1786 : [Georg Christoph Kellner:] Etwas von Toenen und Tonarten; in: Magazin der Musik, hrsg. von Carl Friedrich Cramer, Jg. 2, Hamburg 1786.

Sulzer 1792 : Johann George Sulzer: Allgemeine Theorie der Schönen Künste. 5 Bde. Leipzig 1792 ff.

Grétry 1797: André Ernest Modeste Grétry: Memoires, ou Essais sur la Musique, Bd. 2. Paris 1797.

Vogler 1798 : Georg Joseph Vogler: Système de Simplification pour les Orgues. [Ms. Mannheim 1798].

Koch 1802 : Heinrich Christoph Koch: Kurzgefaßtes Handwörterbuch der Musik. Frankfurt/Main 1802.

Knecht 1803: Justin Heinrich Knecht: Allgemeiner musikalischer Katechismus [...]. Biberach 1803.

Hoffmann 1815 : E.Th.A. Hoffmann: Kreisleriana - 2. Teil. 1815.

Rochlitz 1824 : Johann Friedrich Rochlitz: Für Freunde der Tonkunst. Leipzig 1824.

Schumann 1835 : Robert Schumann: Neue Zeitschrift für Musik. Leipzig, 3.Feb.1835, S. 43.

Hand 1837 : Ferdinand Gotthelf Hand: Aesthetik der Tonkunst, Erster Theil. Leipzig 1837.

Berlioz 1856 : Louis Hector Berlioz: Grand Traité d'Instrumentation et d'Orchestration modernes. Paris 2/1856.

&&&

Auhagen 1983 : Wolfgang Auhagen: Studien zur Tonartencharakteristik in theoretischen Schriften und Kompositionen vom späten 17. bis zum Beginn des 20. Jahrhunderts. [Diss. Göttingen]. Frankfurt/Main 1983

&&&

ALGEMENE UITSPRAKEN

&&&

Mattheson 1713, p. 232: dat elke toon iets bijzonders heeft en in effect, in werking, sterk verschilt van de andere toon, staat wel vast, wanneer men tijd, omstandigheden en personen daarbij in ogenschouw neemt. Wat voor affect elke toon teweeg brengt, hoe en wanneer hij dat doet, daarover worden veel elkaar tegensprekende uitspraken gedaan.

&&&

Heinichen, 1728 : want wanneer we met behulp van deze of gene toon ( een goed componist weet hier heel goed zijn keus te maken) één of meer mooie, tedere, klaaglijke of serieuze aria’s componeren, dan schrijven we het goede effect van de aria toch liever toe aan de toon zelf toe dan aan de goede inval van de componist en we gaan daarmee al dadelijk uit van een proprietas modi, een eigenschap van de toonsoort, alsof met behulp van deze toon niet ook haaks erop staande woorden en affecten tot uitdrukking zouden kunnen worden gebracht, een volstrekt onjuiste opvatting dus waarbij met wel duizend voorbeelden het tegendeel kan worden bewezen. […]

[ volgens Heinichen is de werking van een compositie dus niet afhankelijk van de zogenaamde eigenschappen van een toonsoort, maar alleen van de vindingrijkheid van de componist. Volgens hem wordt de keuze van een toonsoort door vier factoren bestemd : de voorliefde van een componist voor een bepaalde toonsoort, de noodzaak om in het geval van grotere muziekwerken van toonsoort te wisselen om monotonie te vermijden, de instrumenten waarvoor het stuk is geschreven en de omvang van de stem van de zanger. In veel gevallen is dus de keuze van de toonsoorten door zuiver praktische overwegingen bepaald. ]

[...] daarom verschaft ons de antieke en zichzelf onnoemelijk vaak tegensprekende leer de proprietatibus Modorum Musicorum (over de eigenschappen van de muzikale toonsoorten) even weinig nut als ze op zichzelf genomen al op niets gebaseerd en onjuist is.

&&&

Mizler 1736-38, I, 1, p. 34 vv : [...]dat alle majeur-toonsoorten opgewekt, energiek en vrolijk klinken en alle mineur-toonsoorten bescheiden, aangenaam en treurig, bewijst de ervaring.

[een verdergaande verbale karakteristiek van de afzonderlijke toonsoorten van een toongeslacht, wijst Mizler af. Volgens hem bezit iedere toonsoort weliswaar een bijzondere kwaliteit, maar die kan niet met woorden worden beschreven. ‘Rechtschapen musici’ hebben een ‘diep besef’ van de eigenaardigheid van elke toonsoort maar we zijn volgens hem nog niet in staat volledig te verklaren waarin die bijzondere kwaliteit bestaat.]

&&&

Mattheson, 1739 , p. 68 : van de betreffende eigenschappen van de toonsoorten is al meer dan voldoende melding gemaakt. We voegen hier nog aan toe, dat over deze eigenschappen niets definitiefs is te zeggen, omdat geen enkele toonsoort op zichzelf genomen zo treurig of vrolijk kan zijn, dat men er niet een compositie mee kan maken die daarmee volkomen in tegenspraak is.

&&&

Quantz, 1752, p. 138 : men is het niet eens over de specifieke effecten van bepaalde toonsoorten, of ze nu in majeur of in mineur worden gebruikt. De Ouden waren van mening dat elke toonsoort een aparte karakteristiek had, een bijzondere uitdrukking van de affecten. Omdat de toonladders van hun toonsoorten niet allemaal gelijk waren […] had deze opvatting een voldoende basis. Tegenwoordig echter, nu de toonladders van alle majeur- en mineur toonsoorten aan elkaar gelijk zijn, is het de vraag, of het er met de karakteristieken van de toonsoorten nog steeds zo voor staat. Sommigen sluiten zich nog aan bij de opvatting van de Ouden, anderen verwerpen die en beweren, dat elke emotie even goed in de ene toonsoort als in de andere kan worden uitgedrukt, wanneer de componist tenminste het talent heeft om dat te doen. Het is waar, er zijn voorbeelden aan te wijzen, dat menig componist een emotie heel goed tot uitdrukking brengt in een toonsoort die er niet bepaald de geschiktste voor lijkt. Maar wie weet of het zelfde stuk niet nog veel beter zou werken wanneer het in een andere toonsoort zou staan die er meer geschikt voor is? Ondertussen vertrouw ik maar zolang op mijn eigen ervaring die me zekerheid geeft over de verschillende werkingen van de verschillende toonsoorten, tot dat ik van het tegendeel kan worden overtuigd.

&&&

Marpurg, 1776 : is het niet vreemd, dat de temperatuur die alleen maar is bedacht met het oog op een zuiverder uitvoering, misbruikt wordt met het oog op een bepaalde uitdrukking? Dat men in de veronderstelling de veelvoudigheid van uitdrukking te bevorderen, de zuivere uitvoering aan deze veronderstelling opoffert? Dat men het tekort aan invallen en wisselingen wil vervangen door de karakterisering van de toonsoorten? Zowel bij majeur als bij mineur komt de keuze van een toon voor de uitdrukking van een karakter op hetzelfde neer, hoe de tonen ook gestemd zijn. Gesteld dat maar één toon zou passen bij een bepaald karakter, dan zouden de woorden van een aria tekst van Metastasio door de verschillende componisten die er al veertig jaren muziek op hebben gecomponeerd, op één toon en in één toonsoort gecomponeerd moeten zijn. Dan zou een Kyrie in een bepaalde toonsoort geschreven moeten worden, net zoals een Gloria, maar ook een menuet, een bourree en een gigue.

&&&

Schubart, 1784/85, p. 380 vv :

Wanneer men tegen deze karakteristiek van de tonen wil inbrengen, dat geen enkele toon, gezien de veelvuldige modulaties, een bepaald karakter kan hebben, dan moet men wel bedenken dat het de plicht van iedere componist is, het karakter van zijn tonen zorgvuldig te bestuderen en alleen maar de sympathetische toonsoorten, die dus bij het karakter van het stuk passen, in zijn lichtkring op te nemen. Zodra hij eenmaal een toon heeft gekozen die past bij de overheersende emotie, mag hij nooit bij tonen terecht komen die met die emotie in strijd zijn. Kortom, de muzikale uitdrukking door alle tonen is zo nauwkeurig bepaald, dat die nauwkeurigheid die van de uitdrukkingswijzen in letterkunde en schilderkunst verre overtreft.

&&&

(Sulzer 1792, Band 5, p. 535 vv (artikel Toon) : Het staat vast, dat de zuiverste tonen weinig geschikt zijn voor het uitdrukken van pathos en emotie, maar het best gebruikt kunnen worden voor vrolijkheid, krijgshaftigheid, tederheid, scherts, maar vaak ook voor ernst. De minder reine tonen zijn naar rato van hun mindere reinheid altijd effectiever bij het uitdrukken van gemengde gevoelens. Het gebruik van de sterkste majeurtonen en de tederste mineurtonen maakt de uitdrukking ervan optimaal. Hieruit is voldoende duidelijk, dat de componist niet alleen in de keuze van majeur en mineur, maar ook in die van de toon zelf, zorgvuldig moet zijn. De stukken van die componisten die hier een zorgvuldige keuze hebben gedaan, laten zich dus niet zonder schade in andere toonsoorten transponeren, die in reinheid aanmerkelijk verschillen van de oorspronkelijke toonsoort.

&&&

Koch 1802 : Hoewel onze 24 toonsoorten niets anders zijn dan verplaatsingen van de beide hoofdtoonsoorten (majeur en mineur) op andere grondtonen, toch veroorzaakt enerzijds de zwevende temperatuur van de tonen, anderzijds ook de eigenaardigheden van de verschillende instrumenten, dat ieder van die 24 toonsoorten een specifieke dimensie krijgt waardoor ze duidelijk verschilt van de overige toonsoorten. Daarom hebben sommige toonsoorten meer volheid en impact, andere zijn zachter en tederder. Daarom doet het er ook zeker toe, of de componist voor het uitdrukken van een bepaald gevoel de majeur- of mineur modus in deze of gene toonsoort toepast. Omdat elke toonaard zijn eigen toonladder heeft die zich vanwege de temperatuur van de tonen qua intervalverhoudingen nu eens meer, dan weer minder van alle andere toonsoorten onderscheidt, kan het niet anders of ieder van deze toonsoorten krijgt zijn specifieke karakter die in meerdere of mindere mate afsteekt tegen de andere toonaarden. Het karakter van deze toonaarden kan men zonder problemen over het hoofd zien, wanneer we zowel de majeur- als mineurtoonsoorten ordenen naar de mate waarin de trillingverhoudingen van hun intervallen (afhankelijk van de stemming) van de oorspronkelijke intervalverhoudingen afwijken. Onder de majeurtoonsoorten zijn die van C, G, D en F het zuiverst; A, E, B en Fis zijn minder rein, Bes, Es, As zijn dat het minst. Onder de mineurtoonsoorten zijn die van A, E, B en D het zuiverst, Fis, Cis, As en Des zijn dat minder en C, G, D en Bes het minst.

&&&

Schumann 1835, p. 43 : Men heeft zich ervóór en ertegen uitgesproken; de waarheid ligt zoals altijd in het midden. Men kan niet zeggen , dat men om deze of gene emotie duidelijk uit te drukken deze of gene toonsoort in de muziek moet gebruiken, (bijvoorbeeld wanneer men in theorie zou voorschrijven, dat oprechte woede cis klein nodig heeft), maar evenmin Zelter bijvallen wanneer hij meent, dat men in elke toonsoort alles tot uitdrukking kan brengen. Al in de vorige (18e ) eeuw is men met analyses begonnen. Het was met name de dichter C.D. Schubart die in de afzonderlijke toonsoorten afzonderlijke emoties uitgedrukt meende te zien. Hoeveel teders en poëtisch er in deze karakteristiek is te vinden, toch heeft hij om te beginnen de hoofdkenmerken van de majeur- en mineurtoonladder over het hoofd gezien. Bovendien maakt hij van teveel gedetailleerde en specifieke epitheta gebruik, wat prima zou zijn, wanneer ze juist zouden zijn. Zo noemt hij e klein een in het wit gekleed meisje met een roze voile rond haar boezem, in g klein vindt hij misnoegen, onbehaaglijkheid, vasthouden aan een ongelukkig plan, een voortdurend knagen op het bit. Vergelijk nu eens de symfonie in g (nr 40) van Mozart, deze Grieks zwevende, hoewel ook wat bleke gratie en het concert in g klein van Moscheles, en kijk! Dat door de transpositie van de oorspronkelijke toonsoort van een compositie in een andere een verschillend effect tot stand komt en dat daaruit de verscheidenheid van de karakters van de toonsoorten blijkt, is een uitgemaakte zaak. Speel de Sehnsuchtswalzer maar eens in A groot of het Jungfernchor in B groot! De nieuwe toonsoort zal enigszins tegen het gevoel in gaan, omdat de oorspronkelijke stemming waarop die stukken gebaseerd zijn, in een vreemd gebied terecht komt. Het proces dat de componist laat kiezen voor een bepaalde grondtoonsoort om zijn gevoelens te uiten, is niet te verklaren, evenmin als het scheppend genie zelf, dat met de gedachte tegelijkertijd ook de vorm schept die daarbij naadloos aansluit. De componist maakt vanzelf de juiste keuze, zoals de ware schilder zijn kleuren kiest. Wanneer zich echter in de verschillende tijdperken werkelijk bepaalde stereotype karakters van toonsoorten hebben ontwikkeld, dan zou men nu als klassiek ervaren meesterwerken in dezelfde toonsoort bijeen moeten brengen en met elkaar vergelijken qua overwegende stemming. Daarvoor ontbreekt hier natuurlijk de ruimte. Het onderscheid majeur-mineur is primair. Majeur is het actieve, het mannelijke principe, mineur het passieve, vrouwelijke. Eenvoudiger gevoelens hebben eenvoudiger toonsoorten. Complexere gevoelens hebben een voorkeur voor vreemde toonsoorten die het oor ook minder vaak heeft gehoord. Men kan het stijgen en dalen het beste waarnemen in de ineenlopende kwintencirkel. De zogenaamde tritonus, het midden van het octaaf bij het octaaf, dus de Fis, schijnt het hoogste punt aan de top te zijn die dan uiteindelijk weer tot het eenvoudige, onopgesmukte C groot afdaalt.

&&&

SPECIFIEKE KARAKTERISERINGEN PER TOONSOORT

&&&

A MAJEUR

Charpentier, 1690 : Vrolijk en landelijk (Charpentier, 1690)


Mattheson, 1713, p. 250 : Zeer aangrijpend met een briljant effect. Is meer geschikt voor klagende en treurige emoties dan voor onderhoudende muziek. Is meer speciaal zeer geschikt voor vioolmuziek. (Mattheson, 1713, p. 250)


Rameau 1722 : : convient aux Chants d'allegresse & de rejoüissance [...] le grand & le magnifique ont encore lieu [...] is geschikt voor vocale composities die een vrolijk tijdverdrijf mogelijk maken, ook het grootse en verhevene hebben er hun plaats.

Quantz 1752, p. 203 : [...] geschikt om de volgende affecten tot uitdrukking te brengen : liefde, tederheid, verleiding, treurigheid. Ook kan er, wanneer de componist een stuk erop weet af te stemmen, een woedende gemoedsbeweging mee worden gesuggereerd, ook overmoed, razenij of vertwijfeling. Bepaalde toonsoorten kunnen daar veel aan bijdragen, zoals ei, c klein, f klein, Es groot, b klein, A groot en E groot.


Vogler, 1779 : Het A groot is nog markanter dan D groot, maar omdat zijn omvang niet het midden van de viool betreft, namelijk, zoals bij D groot, de twee middelste d- en a-snaren, kan A groot niet dienen voor muzikale uitbarstingen, zoals D groot dat wel kan. Het vuur van een tedere verliefdheid wordt hiermee met meer succes gesuggereerd dan een fel oplaaiend liefdesvuur.

Vogler, 1781 : (Schildert) een landschap in zonlicht

Ribock, 1783 : Drukt vreugde, vrolijkheid en dans uit. Mooi Saksisch-groen, verfrissende citroengeur.

Schubart, 1784/85, p. 379: deze toon bevat onschuldige liefdesverklaringen, tevredenheid over iemands huidige toestand, hoop op weerzien bij het scheiden van geliefden, jeugdige vrolijkheid en godsvertrouwen.

Cramer 1786, kolom 1185 : een beetje trots mengt zich met het vrolijke van D groot en zwakt het wat af.

Grétry 1797 : brillante (schitterend)

Vogler, 1792 : heel markerend

Knecht 1803 : vrolijk en licht

Rochlitz 1824, p. 187 : vriendelijk

Hand 1837 : in intensiteit gaat deze toonsoort alle andere te boven, wanneer geen hartstocht een rustige overgave stoort noch een smartelijke hartstocht de zuiverheid van het geluk ongedaan maakt.

Berlioz 1856 : Brillant, distingué, joyeux (schitterend, voornaam, vrolijk)

&&&

As groot

&&&

Vogler 1779 : As groot is geschikt voor het rijk van Pluto

Vogler 1781 : As groot staat voor een zwarte idee

Schubart 1784/85, p. 378 : een doodgraverstoon, dood, graf, vergankelijkheid, het laatste oordeel, eeuwigheid liggen in deze toonsoort besloten

Cramer 1786, kolom 1185 : As groot heeft qua karakter weinig verwantschap met de voorafgaande toonsoorten, maar grenst nauw aan het op hem volgende Es groot. Al het bevreemdende van de vorige toonsoort, Cis groot, is verdwenen. Schitterende majesteit komt ervoor in de plaats, die toch uiteindelijk de opmerkzame kenner tegen de borst stuit omdat ze zelden ontroert en altijd in haar eigen waardigheid blijft.

Knecht 1803 : dof en zwart

Hoffmann 1815 : een As groot-akkoord (pianissimo) : wat ruist er zo wonderlijk en vreemd om mij heen? Onzichtbare vleugels gaan op en neer, ik zwem in de geurige ether .

Hand 1837 : [...]is de toonsoort waarbij de ziel iets bovenaards ervaart en vermoedens krijgt van een hiernamaals of een hogere fase van geluk. Hij geeft de vrome stemming weer die de vrede van God uitademt en verheft iemand tot de oneindigheid van een zalig gevoel. De veel betekenende hartstocht kan ook een donkerder keur aannemen en omslaan in zwaarmoedigheid.

Berlioz 1856 : Doux, voilé, très noble [zoet, omhuld, heel edel

&&&

Bes groot

&&&

Bartolus 1614 :

… de Bes wordt in verband gebracht met de zon omdat deze toonsoort alles levendig, prachtlievend, gewichtig, aanzienlijk en prachtig maakt. Ook de stukken die in Bes zijn gecomponeerd of worden gezongen waarvan ik er persoonlijk niet meer dan twee heb gezien, wekken een stemming op van levendigheid, praalzucht, gewicht, aanzien, pracht en trots. Maar het gebeurt maar zelden dat componisten hun melodieën en stukken in deze toonsoort schrijven. Ik zou graag willen weten wat daarvan de verklaring is.

&&&

Charpentier 1690 : Groots, vol vreugde

Mattheson 1713, p. 249 : heel onderhoudend (divertissant) en prachtig; heeft daarnaast iets bescheidens en kan zo tegelijkertijd voor magnifiek als voor mignon ( klein) doorgaan. Onder andere eigenschappen die Athanasius Kircher hem in zij in 1650 verschenen Musurgia Universalis, 1650, toeschrijft, is deze niet te verwerpen….Hij verheft de ziel tot moeilijke zaken.

Rameau 1722 : [...] convient aux tempestes, aux furies & autres sujets de cette espece. Past bij stormweer , furiëndansen en andere soort gelijke zaken

Vogler 1779 : past bij de schemering

Vogler 1781 : kan eenzaamheid suggereren

Ribock 1783 : Bes groot is majesteit, rustig bij zijn grootte, met een geweldig effect zonder opvallende moeite, drukkend zonder te knijpen. Het is een glanzend diep karmozijn, met de geur van kruidnagels.

Schubart 1784/85 p. 377 : positieve liefde, een goed geweten, hoop en het uitzien naar een betere wereld.

Cramer 1786, kolom 1185 : neerbuigende grootsheid vermengd met eerbiedwaardige ernst.

Grétry 1797 : noble, mais moins que celle d'ut majeur, et plus pathétique que celle de fa tierce majeure edel, maar niet zo zeer als C groot en hartstochtelijker dan F groot.

Knecht 1803 : liefelijk en teder

Hoffmann 1815 : Bes groot, accentuato : wat voor een vrolijk leventje in weide en woud op het toppunt van de lente! Alle fluiten en schalmeien die ’s winters als in ene doodslaap verstard lagen in stoffige hoekjes, zijn ontwaakt en richten zich nu op hun lievelingswijsjes die er op los twinkeleren als de vogels in de lucht. Bes groot met de kleine septieme (smanioso) : een lauwe westenwind gaat als een duister geheim klagend door het woud en terwijl hij voorbij trekt fluisteren de sparren en de berkenbomen met elkaar : waarom is onze vriend zo treurig geworden? Schenk je hem gehoor, edele herderin?

Hand 1837 : een open, heldere toonsoort die de gelovige blik naar boven bevordert en de rustige beschouwing levendig maakt. Dit verlevendigen kan door ritme en melodie zo geïntensiveerd worden dat ook vrolijk gejuich van een uitgelaten vreugde en een moedige kracht zich daarin uiten.

Berlioz 1856 : Noble mais sans éclat , edel, maar zonder glans

&&&

C groot

&&&

Bartolus 1614 : C is gewijd aan Mars en zo komt het dan ook, dat alle stukken en melodieën, liederen en klanken die in C groot staan, in de mensen een energieke, krijgshaftige moed veroorzaken. Wanneer Marskinderen en manhaftige oorlogszuchtige lieden hem horen zingen of spelen, op viool of blaasinstrumenten, springen ze op, zetten het op een juichen en brullen en weten al gauw niet meer, hoe ze zich met dergelijk angstaanjagend gedrag nog aan elkaar moeten laten zien. Zo komt het ook, dat men deze toon meestal gebruikt bij geschreeuw op het slagveld, trombones en legertrommels en dergelijke klankbronnen die horen bij het krijgswezen, omdat die meer dan eens het optimisme van de held bevordert en hem nieuwe moed geeft.

Charpentier 1690 : Gay et guerier , vrolijk en krijgshaftig (Charpentier 1690)

Rousseau 1691 : [...] pour les choses gayes & pour celles qui marquant de la grandeur [...] voor vrolijke zaken en zaken die grootsheid inhouden

Mattheson, 1713 p. 240 : deze toonsoort is tamelijk ruw en brutaal van karakter en is geschikt bij dansen als de rejouissance en al die muziek waarbij vreugde de vrije loop gelaten wordt. Afgezien daarvan kan een bekwaam componist de toonsoort in iets charmants omtoveren en bij gevolg ook in muziek van een meer teder karakter aanwenden.

Rameau 1722 [...] convient aux Chants d'allegresse & de rejoüissance [geschikt voor vocale composities van een vrolijk en diverterend karakter]

Ribock 1783 : C groot is misschien wel bij elk affect bruikbaar, maar zal geen affect echt uitgesproken tot uitdrukking brengen. Deze toonsoort is niet erg voornaam, maar ook niet gewoontjes. Hij ziet eruit als lila en ruikt naar lelietjes-van-dalen

Schubart 1784/85, p. 377 : C groot is heel zuiver. Zijn karakter hangt samen met onschuld, eenvoud, naieveteit en kindertaal.

Cramer 1786, kolom 1185 : een mix van opgewekte vrolijkheid en zachte ernst. Dat is het belangrijkste kenmerk van deze toonsoort. Hij is in het bijzonder geschikt voor menuetten en bevallige sonates.

Grétry 1797 noble et franche [edel en oprecht]

Vogler 1798 : een majestueuze toonsoort maar met weinig kwaliteit qua klankkleur.

Knecht 1803 : vrolijk en puur

Hoffmann 1815 : C groot tertsakkoord : laten we in dolle, wilde lust over de open graven dansen, laat ons juichen, zij daar beneden horen het niet. Heisa, heisa, dans en jubel! De duivel trekt binnen met pauken en trompetten!

Rochlitz 1824, p. 187 : vol pracht en praal

Hand 1837 : deze toonsoort is in onze muziek de basis van alle verdere ontwikkeling en geeft het menselijk gevoel zuiver en oprecht uit. Daarom kiest een bepaald besluit en zelfvertrouwen voor deze toonsoort die zich bijzonder leent voor kinderliedjes, koralen en marsen. [...] Bij levendige ritmes spreekt ze levenslust uit. Deze toonsoort is wel heel gewoon zodat ze door onverschillige componist wordt gebruikt voor van alles en nog wat en door dit misbruik wordt ze tot cliché.

Berlioz 1856 : Grave mais sourd et terne [zwaarmoedig, en daarbij ook mat en zonder glans]

&&&

Cis groot

&&&

Cramer 1786, kolom 1185 : het edele en voorname van de vorige toonsoort, Fis groot, verliest iets van zijn niveau en het bevreemdende blijft.

Berlioz 1856 : Moins terne et distingué [minder mat als C groot en voornaam]

&&&

D groot

&&&

Bartolus 1614 : D groot wordt aan Jupiter gekoppeld. Zoals deze de mensen devoot en oprecht maakt en hun affecten richt op bijzondere eerbied in hun godsdienstoefeningen, of die nu juist of onjuist zijn, zo wekt deze toonsoort een bijzondere eerbied en ernstige oprechtheid in de gemoederen van de mensen en wordt daarom vanzelfsprekend gebruikt voor kerkelijke vocale muziek.

Charpentier 1690 : Joyaux et tres Guerier [vrolijk en erg krijgshaftig]

Rousseau 1691 : [...] pour les choses gayes & pour celles qui marquant de la grandeur [...] [voor vrolijke zaken en die welke van grootsheid blijk geven.

Masson 1697 : [...] agreable, joyeux, éclatant, & propre pour des chants de victoire [...] [aangenaam, vrolijk, vol schittering en geschikt voor overwinningsliederen]

Mattheson 1713, p. 242 vv.: deze toonsoort is van nature wat scherp en opdringerig. Hij is bijzonder gepast bij luide muziek en voor vrolijk, krijgshaftige en stimulerende zaken. Niemand zal willen ontkennen dat deze harde toonsoort ook kan aangewend voor delicate zaken.

Rameau 1722 : [...] convient aux Chants d'allegresse & de rejoüissance [...] le grand & le magnifique ont encore lieu [...] geschikt voor liederen met vrolijke en onderhoudende inhoud; daarnaast hebben ook het grootse en magnifieke er hun plaats in.

Junker 1777, p. 53 : een van de meest opgewekte toonsoorten waarbij het vrolijke lawaai van een eendrachtige menigte past, die al van tevoren door trompetgeschal wordt aangekondigd. Ook tevredenheid, rust en vrede van hart, de denkende activiteit van het verstand, de mannelijke verheven gratie die op positieve wijze contrasteert met de klagende onschuld van de vrouw, spreken uit zijn klanken.

Vogler 1779 : D groot zet de harten in vuur en vlam. Het gehele lichaam wordt geprikkeld, de geest wordt geïnspireerd tot heldendaden en opgewekt tot brutale, en zelfs wat uitgelaten lofzangen. Ook de dondergod kan op deze toonsoort aanspraak maken.

Vogler 1781 : opbruisende vrolijkheid

Ribock 1783 : voor mij is D groot een slechte toonsoort; ze suggereert bijvoorbeeld de grappen en grollen van musketiers.

Schubart 1784/85 p. 379 : de toonsoort van de triomf, het halleluja, het krijgsgeschreeuw, de overwinningsroes. Daarom worden de inleidende symfonieën, marsen, gezangen voor een feestdag en hemelhoog juichende koren in deze toonsoort gecomponeerd.

Cramer 1786, kolom 1185 : ernst wordt verdrongen, het zachtmoedige verdwijnt en het uitgelatene en een vaak minderwaardige soort van vrolijkheid komen er voor in de plaats. Echt een toonsoort voor dolkomische stukken en vrolijke dansen.

Grétry 1797 : brillante , schitterend

Vogler 1798 : deze toonsoort heeft een sterkere zeggingskracht dan G groot. Een snelle toon die geschikt is voor lawaai, onder andere op het slagveld.

Knecht 1803 : pompeus en ruisend

Hoffmann 1815 : een terts-kwart-sext-akkoord in D (piano) : op allerlei manieren houdt het leven de mensen voor de gek. Waarom wensen, waarom hopen, waarom verlangen?

Hand 1837 : door deze toonsoort zweeft een toverachtig helder licht. In een rustige beweging geeft D groot een mannelijk-heldere blik op het leven.

Berlioz 1856 : Gai, bruyant, un peu commun [vrolijk, uitbundig, een beetje gewoontjes]

&&&

Des groot

&&&

Schubart, 1784/85, p. 378 : een loensende toon, uitlopend op leed en genot. Hij kan niet lachen alleen maar glimlachen. Hij kan niet huilen, maar hooguit met een grimas het huilen nadoen. Het zijn maar enkele karakters en emoties die men in deze toonsoort kan weergeven.

Hand 1837 : deze toonsoort is niet voor scherts geschikt, eerder voor het excentrieke. Des groot kan een pathetische stap doen en dan een gevoel van zelfvertrouwen en van onverdroten voortgaand gewicht in zich bergen. Het is geschikt voor de weergave van edele schoonheid, pracht, praal en schittering en is daar ook vol van. Niet minder kan ook het pijnlijke overwegen zonder het krachtige te niet te doen, zij het een vertrouwen in eigen kracht, zij het een vertrouwen in bijstand van boven.

Berlioz 1856 : Majestueux [voornaam]

&&&

E groot

&&&

Charpentier 1690 : Querelleur et Criard [luid krijsend]

Mattheson 1713, p. 250 : deze toonsoort is idealiter geschikt om vertwijfeling en dodelijke droefheid uit te drukken. Het leent zich bij situaties van extreme verliefdheid om hulpeloze en hopeloze zaken weer te geven. In bepaalde omstandigheden heeft het een effect van snijden, scheiden, lijden en doordringen, zodat het met recht kan worden vergeleken met een fatale scheiding van lichaam en ziel.

Rameau 1722 : convient également aux Chants tendres & gais [...] le grand & le magnifique ont encore lieu [...] [eveneens geschikt voor tedere en vrolijke liederen, maar ook voor het grootse en verhevene]

Quantz 1752, p. 203 : deze toonsoort heeft betrekking op de affecten van liefde, tederheid, verleiding, treurigheid en ook wel, wanneer een componist een stuk zo weet in te richten, op een woedende gemoedsbeweging, brutaliteit, razernij en vertwijfeling. Daar kunnen bepaalde toonsoorten ook veel aan bijdragen zoals e klein, c klein, f klein, Es groot, b klein, A groot en E groot.

Vogler 1779 : E groot kan het vuur van de verliefde en daarbij tedere hartstocht op voortreffelijke wijze schilderen, in zoverre als het door de heftigheid van de meest doordringende vlammen in het oog valt.

Ribock, 1783 : E groot zoals wanneer een querulant echt vrolijk is of liever nog : opgewekt : een soort hardheid blijft voelbaar. Geel is de kleur en de tulp de geur.

Schubart 1784/85, p. 379 : luide kreten van vreugde, een lachende vreugde waarbij het genot nog niet volledig is.

Cramer 1786, kolom 1185 : trots dringt zich op en werkt afstotend.

Grétry 1797 : aussi éclatante que la gamme précédente [Es-Dur] étoit noble et rembrunie [even glanzend als de voorafgaande toonladder in Es groot, voornaam en duister]

Knecht 1803 : vurig en wild

Hoffmann 1815 : een E groot sextakkoord (ancora più forte) : houd stand, mijn hart! Ga niet te gronde door de verzengende straal die je borst binnen drong. Kom aan, mijn wakkere geest! Sta op en verhef je in dat element dat je voortgebracht heeft, dat je vaderland is! E groot tertsakkoord (forte) : u heeft me een heerlijke kroon aangereikt, maar wat er tussen de diamanten zo fonkelt dat zijn de duizend tranen die ik vergoot en in het goud verglijden de vlammen die me verteerd hebben. Moed en macht. Vertrouwen en kracht voor degene die geroepen is in het geestenrijk te heersen.

Hand 1837 : een van de helderste, krachtigste kleuren, vergelijkbaar met een brandend geel, dient om levenslustige jubel weer te geven; duidt het plechtige in hoogste mate aan. Deze toonsoort is niet geschikt voor een gevoel van smart, een verdriet waarin men wegzinkt, want haar hele wezen is open en vrij en daarom ook alleen maar voor eerbied en vroomheid toepasbaar, waar de vreugde in God levendig is geworden of het hart zich vol vertrouwen overgeeft aan de Eeuwige. Ook kan daarentegen het heftige affect van schrik of afschuw ook in deze toonsoort worden weergegeven wanneer de behandeling van de melodie het zijne ertoe doet.

Berlioz 1856 : Brillant, pompeux, noble [schitterend, prachtig, voornaam]

&&&

Es groot

&&&

Charpentier 1691 : Cruel et Dur [wreed en ruw]

Mattheson 1713, p. 249 vv : deze toonsoort bezit veel pathos en wil alleen maar van doen hebben met ernstige en daarbij ook klaaglijke zaken. Ze is dan ook een aartsvijand van alle opgedirktheid.

Quantz 1752, p. 203 : [...] bij deze toonsoort gaat het om het tot uitdrukking brengen van de volgende affecten : liefde, tederheid, verleiding, verdriet, als wel ook, wanneer de componist een stuk zo weet in te richten, een gemoedsbeweging van woede, brutaliteit, razernij en vertwijfeling. De volgende toonsoorten kunnen het hunne er aan bij dragen : e klein, c klein, f klein, Es groot, b klein, A groot en E groot.

Vogler 1779 : Es groot hoort bij de nacht.

Ribock 1783 : Es groot is misschien minder majestueus als Bes groot, maar nog aangrijpender, een en al leven en actie, edel en warm. Komt overeen met sinaasappelbloesems.

Schubart 1784/85 p. 377 : Es groot is de toon van de liefde, de eerbied, het vertrouwelijke gesprek met God. Het drukt door zijn drie mollen de heilige trias, de drieëenheid, uit.

Cramer1786, kolom 1185 : Es groot, altijd nog stille majesteit die, hoewel in het voordeel van de toonaard, iets van de glans van de voorafgaande is kwijt geraakt. Ze verwijdert zich niet zo zeer van het gevoelen van de toehoorder, maar wekt zijn gevoelens op en blijft voor hem interessant en nooit vervelend. Het bevat daardoor iets onbeschrijfelijk teders, dat ook voor het muzikale gevoel van de niet-kenner niet verborgen blijft.

Grétry 1797 : noble et pathétique; elle est élevée d'un demi-ton de celle de ré majeur et ne lui ressemble en rien [verheven en pathetisch, ze ligt een halve toon boven die in D groot en lijkt er totaal niet op].

Knecht 1803 : prachtig en plechtig

Koch 1807, p. 142 : een van de gebruikelijkste van onze twaalf majeur toonaarden. Deze wordt soms ook wel de (slag-)veld-toon genoemd omdat de bij de militaire muziek gebruikelijke instrumenten zoals trompetten, klarinetten, hoorns etc. naar deze toonsoort zijn gemensureerd.

Hoffmann 1815 : ga hem achterna, ga hem achterna! Groen is zijn kleed als het donkere woud, zoete hoornklanken zijn zijn hunkerend woord! Hoor je het ruisen achter de bosschages? Hoor je de klanken? Een klank van hoorns, vol lust en weemoed! Hij is het, komaan, hem tegemoet!

Hand 1837 : kan gelden als de toonsoort met de meeste betekenissen. Ze kan in schitterende kleuren optreden om een bemoedigende oproep te doen [...] We kunnen bij vergelijking E groot een vrouwelijke toonsoort noemen en Es groot een mannelijke.

Berlioz 1856 : Majestueux, assez sonore, doux, grave [majestueus, vol klank, zoet en zwaar]

&&&

F-Dur

&&&

Bartolus 1614 : dat de toon of clavis F bij de maan past, kan men ook daaruit opmaken dat hij een vrouwelijke en zedige toon laat horen, maar dan wel een toon met heldhaftige en koninklijke trekken. Ook wekt hij in de mensen een man-vrouwelijke stemming, zoals de maan de vrouw is van de zon, de koning van het firmament. Hij geeft een groot lichtschijnsel, maar niet het grootste zoals dat van de zon. Zulke affecten en bewegingen pleegt de maan in zijn kinderen op te wekken, zoals de toonsoort F pleegt op te wekken wanneer een lied in deze toonsoort is gecomponeerd.

Chatpentier 1690 : furieux et emporté [woedend en vol temperament]

Rousseau 1691 : Pour les Pièces devotes ou chants d'Eglise [...] [voor ingetogen stukken of kerkliederen]

Masson 1697 : [...] naturellement gay mêlé de gravité [...] [natuurlijke vrolijkheid gemengd met enst]

Mattheson 1713, p. 241 vv : deze toonsoort is in staat de mooiste gevoelens van de wereld tot uitdrukking te brengen, of het nu gaat om grootmoedigheid, standhaftigheid, liefde, of wat er anders bovenaan staat in het deugdenregister. Dat gebeurt op een dermate natuurlijke manier en onvergelijkelijk gemak dat dwang daarbij uit den boze is. Het specifieke en karakteristieke van deze toonsoort is niet beter te beschrijven dan door hem te vergelijken met een aardige kerel bij wie alles wat hij doet, ook al is het nog zo bescheiden, volkomen past en die zoals de Fransen zeggen bonne grace heeft.

Rameau 1722 : il convient aux tempestes, aux furies & autres sujets de cette espece. [hij past bij onweders, furiëndansen en andere dergelijke onderwerpen]

Vogler 1779 : F groot past bij een spiegelgladde zee

Schubart 1784/85, p. 377 : bevalligheid en rust

Cramer 1786, kolom 1185 : alle overdaad is verdwenen, zachte waardigheid en een lieve lach laten zich hier kennen.

Grétry 1797 : mixte [gemengd]

Knecht 1803 : zacht en rustig

Hoffmann 1815 : F groot : Ha! Hoe gaat het hart op in hartstocht en liefde wanneer ik je vol gloeiende gevoelens met melodieën als met mijn armen omarm. Je mag nooit meer van me wijken, want die geheime verlangens die je borst omkneld hielden, zijn vervuld. Deze toon sprak als een troostend orakel uit mijn binnenste tot jou!

Hand 1837 : deze toonsoort schildert de vrede en de vreugde in uiteenlopende vormen, nu eens als lichte scherts en goedmoedige grap, dan weer als kinderlijke vrolijkheid, dan weer in tevredenheid met de wereld of in de rust van een genoeglijk leven of in de intensiteit van ene bevredigende, troostende liefde.

&&&

Fis groot

&&&

Cramer 1786, kolom 1185 : een heerlijke vermenging van een edele en vanwege het zeldzame gebruik van deze toonsoort bevreemdende, voorname trots die zich er toe leent de toehoorder in een toestand van bewonderende verbazing te brengen.

Grétry 1797 : dure, parce qu'elle est surchargée d'accidens [moeilijk, omdat ze overladen is met herstellingstekens]

Hand 1837 : Fis en Ges groot, die zich alleen maar daardoor van elkaar onderscheiden, dat Fis groot door zijn context en ontwikkeling helderder klinkt. Deze toonsoort drukt voorname moed uit en de weldaad van rust na gedane zware arbeid. Ook kan men er een niets ontziende hartstocht mee aanduiden.

Berlioz 1856 : Brillant, Incisif [stralend en scherp]

&&&

G groot

&&&

Bartolus1614 : de toonsoort van G groot wordt in verband gebracht met Mercurius. Zo komt het dan ook, dat er bijna in alle partes musicae op geen enkele toon meer stukken zijn geschreven dan op G, omdat alle geleerden en kunstenaars meestal de aard van Mercurius hebben en juist ten zeerste onder invloed staan van deze planeet. Kennelijk worden al die componisten heimelijk en onwetend door de aard van Mercurius aangetrokken. Met hun stukken in G brengen ze Mercurius als hun patroon een eerbewijs. Het is vermakelijk en verbazingwekkend om te zien hoe de natuur zo heimelijk met mensenkinderen pleegt te spelen.

Charpentier 1690 : Doucement joyeux [zacht en vrolijk]

Rousseau 1691 : Il y a des Tons propres pour [...] le tendre [er zijn toonsoorten die in het bijzonder voor het tedere geschikt zijn]

Masson 1697 : [...] gay & brillant [vrolijk en schitterend]

Mattheson 1713, p. 243 vv : deze toonsoort suggereert veel en heeft tevens veel glans. Hij is geschikt voor serieuze en vrolijke zaken. Athanasius Kircher noemt hem in zijn Musurgia Universalis 1650 : ‘verliefd en wellustig’, en ergens anders ‘een eerlijke bewaker van matigheid’ . Corvinus zegt van hem : Hij past bij vrolijkheid en verliefdheid’.

Rameau 1722 : convient également aux Chants tendres & gais : is bijzonder geschikt voor tedere en vrolijke liederen

Vogler 1779 : G groot is opgewekt er dan C groot, maar blijft bescheiden. Naieve handelingen met name die in een context van het onschuldige landelijke leven, kunnen hiermee vanzelfsprekender worden weergegeven dan in andere toonsoorten.

Schubart 1784/85, p. 380 : al het landelijke, idyllische en ecloga-matige, iedere bevredigde hartstocht, iedere tedere dank voor oprechte vriendschap en trouwe liefde, kortom, ieder zacht en rustig gevoelen van het hart kan voortreffelijk in deze toonsoort tot uitdrukking worden gebracht. Jammer, dat hij vanwege zijn schijnbare eenvoud tegenwoordig zo wordt verwaarloosd. Strikt genomen bestaan er geen gemakkelijke of moeilijke toonsoorten. Alleen van de componist hangen de eventuele moeilijkheden af.

Cramer 1786, kolom 1185 : de zachte ernst van de vorige toonsoort, die van C groot, wordt bijna helemaal omgezet in een grotere mate van vrolijkheid , overigens in combinatie met veel charme.

Grétry 1797 : est guerrière, et n'a pas la noblesse de celle d'ut majeur [deze toonsoort is krijgshaftig en bezit niet de voornaamheid van C groot]

Vogler 1798 : de lievelingstoonsoort bij het schrijven van idyllen. Men gebruikt hem om een licht landschap met veel geluk te schilderen.

Knecht 1803 : aangenaam en landelijk

Rochlitz 1824, p. 187 : rustgevend

Hand 1837 : deze toonsoort kan in zijn transparantie alle betekenis verliezen, wanneer de componist niet goed weet om te gaan met eenvoud. Deze toonsoort drukt innige trouw uit, maar is ook geschikt voor alle soorten van lichtvaardigheid en schertsende ironie [...]De kunstenaar die karakters kan schilderen, zal hem weten toe te passen in half komische situaties.

Berlioz 1856b : Un peu gai, avec une tendance commune [een beetje vrolijk met een neiging tot het alledaagse]

&&&

Ges groot


Schubart 1784/85, p. 378 : triomf na beproeving, een vrij herademen na het bestijgen van een heuvel. Klanken van een ziel die heeft moeten strijden en uiteindelijk heeft overwonnen.

Berlioz 1856 : minder briljant dan Fis groot en tederder. Moins brillant [als Fis-Dur], plus tendre [weniger glänzend als Fis-Dur und zärtlicher]

&&&

B groot

&&&

Charpentier 1690 : Dur et Plaintif [bitter en klagend]

Schubart 1784/85 p. 378 vv : een toonsoort met uitgesproken kleuren die wilde hartstochten aankondigt . Ook woede, jaloezie, razernij en vertwijfeling kunnen met deze toonsoort in verband wordt gebracht.

Cramer 1786, kolom 1185 : voornaamheid maakt de trots van de vorige toonsoort, E groot, verdraaglijk.

Grétry 1797 : brillante et folâtre [stralend en uitgelaten]

Hand 1837 : de weekste toonsoort die in ene langzame beweging bijzonder geschikt is voor funeraire vocale muziek. Ironisch gebruikt suggereert deze toonsoort ook de kwellingen van de hel..

Berlioz 1856 : Noble, sonore, radieux [voornaam, sonoor en stralend]

&&&

A klein

&&&

Bartolus 1614 : Dat a de toonsoort van Venus is, kan men uitproberen met een compositie die in a staat, dat wil zeggen waarvan de bas en de discant met a beginnen en eindigen. Hij zal duidelijk merken, dat het zo’n liefelijke, charmante, verleidelijk vriendelijke toonsoort is, dat hij het gemoed van de toehoorder in een stemming van een kalme vrolijkheid brengt en zeker degenen die erotisch zijn aangelegd zo zeer ontroert als geen andere toonsoort dat teweeg zou kunnen brengen. Zo’ n zelfde vriendelijk en liefelijk affect wekt ook de planeet Venus in diegenen die onder haar zijn geboren.

Charpentier 1690 Tendre et Plaintif [teder en klaaglijk]

Rousseau 1691 : [...] pour le serieux [...] [voor de ernst]

Masson 1697 : [...] pour faire quelque priere ou quelque demande avec ferveur [...] [om nadrukkelijk een gebed of een verzoek te doen]

Mattheson 1713, p. 238 : een toonsoort met een klaaglijk karakter, eerbaar en gelaten, die slaapverwekkend is, maar dan wel op een heel aangename manier. Zowel bij instrumentale als vocale muziek bijzonder geschikt om medelijden te wekken.

Quantz 1752, p. 138 : a klein, c klein , es klein en f klein kunnen het droevige affect veel beter tot uitdrukking brengen dan andere toonsoorten. Daarom worden ze in dat geval door de componisten ook frequent gebruikt. De overige toonsoorten in majeur en mineur worden toegepast bij bevallige en zangerige stukken.

Ribock 1783 : a klein vind ik de slechtste toonsoort van allemaal. Hij is zo slaapverwekkend, zo flegmatisch dat hij als tonica nauwelijks te gebruiken is.

Schubart, 1794/85 p. 377 : devote vrouwelijkheid en weekheid van karakter

Grétry 1797 : la plus naive de toutes [de meest naieve van alle toonsoorten]

Knecht 1803 : treurig

Hoffmann 1815 : a klein (arpeggiando-dolce) : Waarom vlucht je, lief meisje? Kun je dat dan, nu onzichtbare banden je overal vasthouden? Kun je niet zeggen wat zich zo in je binnenste heeft vastgezet als een knagende pijn en je toch met zoete lust doordringt? Maar alles zal je weten wanneer ik met je praat en met je liefkoos in de taal van de geesten die ik kan spreken en die jij verstaat!

Hand 1837 : deze toonsoort heeft een karakter dat in alle gevallen overgave verraadt, zich in vrolijkheid aanpast en zich niet verzet bij scherts en ook niet troosteloos opgeeft. Het gevoel van berouw kan geen sprekender orgaan vinden.

Berlioz 1856 : Assez sonore, doux, triste, assez noble [echt sonoor, zoet, droevig en redelijk voornaam]

&&&

As klein

&&&

Hoffmann 1815 : een as klein- akkoord (mezzo forte) : Ach! Je brengt me in het land van de eeuwige hartstocht. Zodra je me vast houdt, ontwaakt de pijn die uit mijn binnenste wil ontsnappen en daarbij mijn hart wil verscheuren.

Berlioz 1856 : Très sourd, triste, mais noble [heel gedempt, droevig, maar voornaam]

&&&

Bes klein

&&&

Charpentier 1690 : Obscur et terrible [duister en angstaanjagend]

Schubart 1784/85 p. 378 : een zonderling, meestal in nachtelijk gewaad gekleed. Hij is nogal nors en kijkt zelden opgewekt. Verwijten aan God en de wereld. Ongenoegen met zichzelf en alles. Plannen voor zelfmoord. Dit alles is in deze toonsoort verborgen.

Hand 1837 : in deze toonsoort kan diepe zielenpijn worden gesuggereerd. Er komt meestal nog iets bij wat uiting geeft aan een gebrek aan innerlijke vrede en een terugval op zichzelf. Daarom hebben kunstenaars hem gekozen om de ironische hoon van een boosaardige intrige en een frivole ironie weer te geven en de gevoelens van Mephistopheles daarin aangeduid.

Berlioz 1856 : Sombre, sourd, rauque, mais noble [somber, dof, hees, maar voornaam]

&&&

C klein

&&&

Charpentier 1690 : Obscur et Triste [duister en droevig]

Rousseau 1691 : Pour les plaintes & tous les sujets lamentables [...] [voor klachten en beklagenswaardige onderwerpen]

Masson 1697 : [...] propre pour de sujets plaintifs [...] [geschikt voor beklagenswaardige thema’s]

Mattheson 1713, p. 244 : dit is een uiterst lieflijke toonsoort met een treurige ondertoon. De eerste eigenschap moet domineren. Omdat men al gauw genoeg kan krijgen van het zoetelijke, is het aan te bevelen wanneer men die toonsoort toepast in een opgewekt stuk om de levendigheid te vergroten. Anders kan deze toonsoort slaapverwekkend zijn. Wanneer het echter een stuk betreft dat de slaap juist moet opwekken, kan deze opmerking achterwege blijven en kan men op een natuurlijke wijze zijn doel bereiken.

Quantz 1752, p. 138 : a klein, c klein , es klein en f klein kunnen het droevige affect veel beter tot uitdrukking brengen dan andere toonsoorten. Daarom worden ze in dat geval door de componisten ook frequent gebruikt. De overige toonsoorten in majeur en mineur worden toegepast bij bevallige en zangerige stukken.

Quantz 1752, p. 203 : [...] bij deze toonsoort gaat het om het tot uitdrukking brengen van de volgende affecten : liefde, tederheid, verleiding, verdriet, als wel ook, wanneer de componist een stuk zo weet in te richten, een gemoedsbeweging van woede, brutaliteit, razernij en vertwijfeling. De volgende toonsoorten kunnen het hunne er aan bij dragen : e klein, c klein, f klein, Es groot, b klein, A groot en E groot.

Ribock 1783 : volgens mij is c klein de allertederstem vrouwelijkste , edelste, meets smachtende toonsoort die ik vergelijk met de wat bleke kleur van een roos en ook met de geur daarvan.

Schubart 1784/85 p. 377 vv : de toonsoort van de liefdesverklaring, maar ook van de klacht om een ongelukkige liefde. Ieder smachten, verlangen en steunen van de liefdesdronken ziel kan er in worden uitgedrukt.

Grétry 1797 : pathétique [hartstochtelijk]

Knecht 1803 : voor diepgevoelde jammerklachten

Hoffmann 1815 : c klein=-akkoorden (fortissimo achtereen) : Kennen jullie hem niet? Kennen jullie hem niet? Kijk, met een gloeiende klauw grijpt hij naar mijn hart! Hij vermomt zich in allerlei vreemde gestalten : als jager, concertmeester, wormendokter, ricco mercante en met scharen van licht vernielt hij mijn snaren zodat ik niet kan spelen. Kreisler, Kreisler, sta op ! Zie je het daar schemeren, het bleke spook met de rood fonkelende ogen dat zijn knokige vuisten uit zijn gescheurde mantel naar je uitstrekt met een krans van stro op zijn kale, gladde schedel? Het is de waanzin. Johannes, verman je! Waarom trek je me in jouw kring, idioot spook? Kan ik niet aan jou ontkomen? Is er dan geen stofje in het hele universum, waarop ik, ineengeschrompeld als mug, voor jou, afschuwelijke kwelgeest, kan vluchten? Laat me los! Ik wil aardig zijn en geloven dat de duivel een galantuomo is met de fijnste manieren. hony soit qui mal y pense – ik vervloek de muziek, het gezang, ik lik aan je voeten als een dronken Kalibaan – verlos me alleen van deze kwelling. Hé, hé, dwaas, je hebt al mijn bloemen stuk getrapt – in de angstaanjagende woestenij groeit geen halmpje meer. Dood, dood, dood!

Hand 1837 : c klein, uitdrukking van weemoed, verdriet en verlangen naar troost. Deze toonsoort kan ook dienen bij een begrafenislied.

Berlioz 1856 : Sombre, peu sonore [somber en weinig sonoor]

&&&

Cis klein

&&&


Schubart 1784/85, p. 379 : klacht en boetedoening, vertrouwelijk gesprek met God, een vriend, een levensgezellin. Gezucht om een onbevredigde vriendschap en liefde.

Knecht 1803 : drukt vertwijfeling uit

Hand 1837 : weemoed, hunkerende hartstocht, innig medelijden

Berlioz 1856 : Tragique, sonore, distingué [tragisch, sonoor, voornaam]

&&&

d klein

&&&

Charpentier 1690 : Grave et Devot [Ernstig en devoot]

Rousseau 1691 : [...] pour le serieux [...] [voor het ernstige]

Masson 1697 : D la re à je ne scay quoy de grave mêlé de gayeté. [op een onnavolgbare manier zijn ernst en vrolijkheid met elkaar gemengd]

Mattheson 1713, p. 236 : wanneer men de toonsoort van d klein grondig onderzoekt, zal men vinden dat hij iets devoots, iets rustigs, daarbij ook iets groots, iets aangenaams en iets geruststellends bevat. Hij is in staat bij kerkmuziek de eerbied te bevorderen en in het wereldlijk leven de gemoedsrust. Dat vormt overigens geen beletsel om deze toonsoort ook voor bevallige, dansante en vloeiende stukken aan te wenden. Het meest geschikt is hij voor heroische muziek. Naast energie heeft hij ook een wonderbaarlijke graviteit en waardigheid. Aristoteles noemt hem : ernstig en standvastig.

Schubart 1784/85 p. 377 : zwaarmoedige vrouwelijkheid die een zweem van mismoedigheid verspreidt.

Grétry 1797 : mélancolique [

Knecht 1803 : een stil verdriet

Hand 1837 : [...] Klacht van een benarde, maar niet krachteloze borst; deze toonsoort is ook in verband te brengen met hevige pijn, die door het hart snijdt.

Berlioz 1856 : Lugubre, sonore un peu commun [luguber, sonoor en wat gewoontjes]

&&&

E klein

&&&

Bartolus 1614: e klein is de toonsoort van Saturnus en veroorzaakt net als Saturnus zelf in een mens verdriet, melancholie en medelijden. Een treurige en hunkerende melodie in deze toonsoort drukt het menselijk gemoed ter neer en maakt het droevig. De mens wordt erdoor tot tranen bewogen. Wanneer men een opgewekt iemand verdrietig wil maken dan moet men een melodie in deze toonsoort zingen of spelen. Aan zijn vrolijkheid komt dan al gauw een eind.

Charpentier 1690 : Effeminé Amoureux et Plaintif [verwijfd, verliefd en klagelijk]

Rousseau 1691 : pour le tendre [voor het tedere]

Mattheson 1713, p. 239 : deze toonsoort kan bezwaarlijk in verband worden gebracht met iets vrolijks , wat men ook doet. Hij is wekt namelijk bij de mensen diepe gedachten en verdriet op, maar dan zo dat men blijft hopen op troost. Een snelle compositie kan in e zijn gecomponeerd, maar is daarom nog niet bepaald opgewekt. Athanasius Kircher zegt : hij houdt van droefenis en smart. Lucianus vindt hem vol passie en volgens Glorianus is hij geschikt voor een weeklacht.

Quantz 1752, p. 203 : [...] bij deze toonsoort gaat het om het tot uitdrukking brengen van de volgende affecten : liefde, tederheid, verleiding, verdriet, als wel ook, wanneer de componist een stuk zo weet in te richten, een gemoedsbeweging van woede, brutaliteit, razernij en vertwijfeling. De volgende toonsoorten kunnen het hunne er aan bij dragen : e klein, c klein, f klein, Es groot, b klein, A groot en E groot.

Schubart 1784/85 p. 380 : een naieve onschuldige liefdesverklaring, een klacht zonder gemor, een zucht begeleid door enkele tranen, een nabije hoop op de zuiverste zaligheid in C groot. Hij heeft van nature maar één kleur die zich laat vergelijken met een meisje dat in het wit is gekleed et een roze voile om zich heen. Vanuit deze toonsoort keert men met onuitsprekelijke bevalligheid terug naar de grondtoon C groot, waar hart en oor de meest volkomen bevrediging vinden.

Grétry 1797 : peu mélancolique

Knecht 1803 : een tedere klacht

Hand 1837 : deze toonsoort sluit aan bij een beperkt leven, de onbestendigheid der dingen en een klacht van medeleven.

Berlioz 1856 : Criard, avec une tendance commune [schreeuwend, met een neiging tot het gewone]

&&&

Es klein

&&&

Charpentier 1690 : Horrible Affreux [huiveringwekkend en beangstigend]

Quantz 1752, p. 138 : a klein, c klein , es klein en f klein kunnen het droevige affect veel beter tot uitdrukking brengen dan andere toonsoorten. Daarom worden ze in dat geval door de componisten ook frequent gebruikt. De overige toonsoorten in majeur en mineur worden toegepast bij bevallige en zangerige stukken.

Schubart 1784/85 p. 378 : een gevoel van intense angst in het diepst van het hart, van vertwijfeling, van de zwaarste weemoed, de somberste stemming. Iedere angst en iedere klacht van het huiverende hart ademt het gruwelijke es klein. Wanneer spoken konden spreken, dan spraken ze ongeveer in deze toonsoort.

Hand 1837 : vervult de ziel met huivering voor het heilige. Als dis klein kan de aanduiding scherpere contouren hebben .

Berlioz 1856 : Très terne et très triste [zeer afgemat en verdrietig]

&&&

F klein

&&&

Charpentier 1690 : Obscur et plaintif [duister en klagend]

Rousseau 1691 : Pour les plaintes & tous les sujets lamentables [...] [voor klachten en beklagenswaardige onderwerpen]

Masson 1697 : triste & lugubre [...] [treurig en duister]

Mattheson 1713, p. 248 : deze toonsoort lijkt een milde en gelaten, maar daarbij ook diepe en intense, met wat vertwijfeling gecombineerde dodelijke angst in het hart voor te stellen en roept in hoge mate emoties op. Hij drukt een zwarte, hulpeloze melancholie op fraaie wijze uit en wekt bij de toehoorder soms een huivering op.

Quantz 1752, p. 203 : [...] bij deze toonsoort gaat het om het tot uitdrukking brengen van de volgende affecten : liefde, tederheid, verleiding, verdriet, als wel ook, wanneer de componist een stuk zo weet in te richten, een gemoedsbeweging van woede, brutaliteit, razernij en vertwijfeling. De volgende toonsoorten kunnen het hunne er aan bij dragen : e klein, c klein, f klein, Es groot, b klein, A groot en E groot.

Quantz 1752, p. 138 : a klein, c klein , es klein en f klein kunnen het droevige affect veel beter tot uitdrukking brengen dan andere toonsoorten. Daarom worden ze in dat geval door de componisten ook frequent gebruikt. De overige toonsoorten in majeur en mineur worden toegepast bij bevallige en zangerige stukken.

Schubart 1784/85, p. 378 : diepe zwaarmoedigheid, een klacht bij het lijk, jammerkreten en een hartstocht die verlangt naar het graf.

Grétry 1797 : la plus pathétique de toutes [de meest hartstochtelijke toonsoort van allemaal]

Knecht 1803 : de hoogste uitdrukking van smart

Hand 1837 : een huiveringwekkende toonsoort die verdriet en diep leed uitdrukt, maar ook angst.

Berlioz 1856 : Peu sonore, sombre, violent [weinig sonoor, somber en heftig]

&&&

Fis klein

&&&

Mattheson 1713, p 251 : ook al leidt hij al dadelijk tot een gevoel van diepe droefheid, toch is hij meer languissant, kwijnend en verliefd, dan stervend. Verder heeft deze toonsoort iets verlorens, eenzaams en misantropisch.

Schubart 1784/85 p. 379 : een duistere toon. Hij rukt aan de hartstocht zoals een bijtgrage hond aan het gewaad. Woede en misnoegen zijn zijn terrein.

&&&

G klein

&&&

Masson 1697 : [...] plein de douceur & de tendresse [...] [vol zoetheid en tederheid]

Mattheson 1713, p. 237 : dit is bijna de allermooiste toonsoort omdat hij niet alleen de met d klein samenhangende ernst verbindt met een opgewekte liefelijkheid, maar ook gekenmerkt wordt door een ongemeen grote bevalligheid en charme. Daardoor kan hij zowel voor tedere als ook verstrooiende, hartstochtelijke en vergenoegde muziek worden gebruikt. Hij kan worden gebruikt bij een ingetogen klacht en gematigde vrolijkheid. Athanasius Kircher zegt ervan, dat hij een beheerste en respectvolle vreugde met zich voert en allerlei ernstige intervalsprongen bevat.

Vogler 1781 : het weke g klein is nog zwaarmoediger dan het treurige d klein.

Ribock 1783 : de klacht van een voorname matrone die haar jeugdige schoonheid moet missen en daarmee niet meer echte belangstelling heeft. De corresponderende kleur en geur zijn : purper en violen.

Schubart 1784/85 p. 377 : ongenoegen en onbehaaglijkheid, door blijven gaan met een mislukt plan. Mismoedig knagen op het bit. Kortom : woede en onlustgevoelens.

Grétry 1797 : la plus pathétique après celle de fa tierce mineure [de meest hartstochtelijke na fis klein]

Hand 1837 : in deze toonsoort verenigt zich weemoed en vreugde, zwaarmoedigheid en vrolijkheid. Hij staat voor de gratie op wier blik een zweem van zwaarmoedigheid rust, het verhevene in romantische kleur, het tragisch-sentimentele. Wanneer er van hartstocht sprake is dan bestaat die in de opperste bezonnenheid, zonder avonturen, zonder uitspattingen. Een voorname schoonheid maakt het tot een zeer aantrekkelijk verschijnsel. Het geheel wordt doortrokken van een geheimzinnige smart en een zweem van weemoed, zelfs daar waar de gevoelens levendig worden gepresenteerd. Ook troost bij leed en welbehagen in tranen horen bij het palet.

Berlioz 1856 : Mélancolique, assez sonore, doux

&&&

Gis klein

&&&

Schubart 1784/85 p. 379 : een hart wordt zo onder druk gezet, dat het bijna stikt. Een jammerklacht lost op in een dubbelkruis. Zware strijd, kortom : alles wat moeizaam tot stand komt hoort bij deze toonsoort.

Berlioz 1856 : Peu sonore, triste, distingue [weinig sonoor, droevig, voornaam]

&&&

B klein

Charpentier 1690 : Solitaire et melancolique [eenzaam en bedroefd]

Mattheson 1713, p. 250 : deze toonsoort is bizar, neerslachtig en melancholiek. Hij wordt heel weinig gebruikt. De Ouden hebben hem zelfs verbannen uit hun kloostercellen om alle herinnering eraan uit te bannen.

Quantz 1752, p. 203 : [...] bij deze toonsoort gaat het om het tot uitdrukking brengen van de volgende affecten : liefde, tederheid, verleiding, verdriet, als wel ook, wanneer de componist een stuk zo weet in te richten, een gemoedsbeweging van woede, brutaliteit, razernij en vertwijfeling. De volgende toonsoorten kunnen het hunne er aan bij dragen : e klein, c klein, f klein, Es groot, b klein, A groot en E groot.

Schubart 1784/85, p. 379 : de toonsoort van het geduld, de stille verwachting van het lot en de overgeva aan de goddelijke almacht. Daarom wordt de klacht zo zachtjes geuit, zonder opstandig gemor of luid gejammer. De vingerzetting is bij deze toonsoort op alle instrumenten tamelijk moeilijk. Daarom zijn er maar weinig stukken die uitdrukkelijk in deze toonsoort geschreven zijn.

Gretry 1797 : ingenué [onbevangen]

Knecht 1803 : duister

Berlioz 1856 Très sonore, sauvage, âpre, sinistre, violent [zeer sonoor, wild, bitter sinister en heftig]

&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&

J.P. Baan 160715

www.resantiquae.nl

&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&