***











 

www.resantiquae.nl

Autobiografieën van Georg Philipp Telemann



  •  

  • Telemann, Brief aan de heer Mattheson, ontleend aan : Johann Matthesons Grosse General-Bass-Schule. Oder der exemplarischen Organisten-Probe, Hamburg, pp. 169-180. Tweede verbeterde druk. Datum van ontstaan 1718. Datum van verschijnen 1731.

Brief

Aan

De Heer Mattheson.

Mijnheer,

Graag voldoe ik hierbij aan uw verzoek u in compendio mijn levensloop te sturen, meer in het bijzonder wat betreft de zaken die met muziek in verband staan. De volgende opmerkingen mogen daartoe bijdragen. Uit alle omstandigheden zal blijken dat God en de Natuur mij naar de muziek hebben toegetrokken, waaruit maar weer blijkt

Quod musici nascentur, non fiant.

Mijn vader zaliger kon met betrekking tot de muziek van zichzelf het volgende zeggen :

Non fonte labra prolui caballino,

Nec in bicipiti somniasse Parnasso

Memini. – – – [Pers. in Prol.]

Van de kant van mijn moeder daarentegen was mijn ervaring met de zangkunst des te groter. Vanuit deze oorprong leidde mijn aard me naar de muziek, die ik als hoofdzaligheid van mijn leven beschouw.

Hätt’ ich gleich ein grosses Guth durch der Eltern Sorg’ empfangen /

Wär’ es doch um dessen Dauer durch manch Unglück leicht gethan.

Doch das Erbe der Music läst mich einen Schatz erlangen /

Den der Diebe Faust nicht stehlen / noch die Flamme fressen kan.


[ De zorg van mijn ouders heeft me een groot goed geschonken, helaas maar van korte duur. Maar de erfenis van de muziek heeft me ene schat gegeven die noch gestolen kan worden noch aan de vlammen ten prooi kan vallen]

Toen ik rond de tien jaar oud was leerde ik in zeer korte tijd de basisvaardigheden van het zingen, en wel van Benedictus Christiani, cantor in de Oude Stad, aan wie ik in dankbaarheid terugdenk. Hierop kreeg ik les op het klavier, maar kon dat maar 1…dagen voortzetten, ik weet zelf niet waarom. Zang- en klavierlessen, dat is alles waarin ik op muzikaal gebied ben onderwezen. De rest heeft de Natuur gedaan die me , al voordat ik zangles kreeg, de fluit en de viool in handen gaf en bijna tegelijkertijd daarmee de pen, zodat ik in alle ernst arietta’s ,motetten, instrumentale muziek en uiteindelijk ook een opera componeerde die nog werd opgevoerd ook. Het kan natuurlijk niet anders of dat alles stond op hetzelfde niveau als mijn prille jeugd. Temidden van deze intensieve muziekpraktijk praatten allerlei lieden op mijn moeder in als zou je vandaag de dag met muziek een enorm risico lopen. Je kon er je brood niet mee verdienen. Muziek had nergens ook maar enige status etc. etc. Op hen zijn de volgende versregels uit de Satiren van Horatius van toepassing

Hi sunt, qui dicunt, quid toto fiat in orbe,

Quid Seres, quid Thraces agant. – – – [Horat. Sat. I.]

Ondertussen had een dergelijke voorstelling van zaken zoveel effect, dat mijn instrumenten, en daarmee mij halve leven, van me werden afgepakt en me uitdrukkelijk verboden werd ook nog maar één noot te schrijven. Maar zoals het spreekwoord terecht zegt

Naturam expellas furcâ, tamen usque recurret.

Het heilig vuur in me was veel te groot en verleidde me tot een onschuldige vorm van ongehoorzaamheid, zodat ik ’s nachts deed wat ik overdag niet mocht : ik verstopte mijn instrumenten en bracht menig uur met mijn pen in de hand door. Ook raakte het zingen maar niet uit mijn gedachten :

Singen[1] ist das Fundament zur Music in allen Dingen.

Wer die Composition ergreifft / muß in seinen Sätzen singen.

Wer auf Instrumenten spielt / muß des Singens kündig seyn.

Also präge man das Singen jungen Leuten fleißig ein.

Op mijn dertiende werd ik naar school gestuurd met de bedoeling dat ik daar geometrie zou studeren. Mijn muziektirannen in Magdeburg geloofden kennelijk, dat achter de Blocksberg geen muzikaal windje waaide en ik me des te ijveriger op studie zou toeleggen. Het bleef niet zonder gevolgen dat ik hier aanzienlijke vorderingen in Latijn maakte maar ook op muzikaal gebied steeds verder kwam : ik begon hier kerkelijke composities te schrijven waarvan er bijna alle zondagen wel één werd uitgevoerd, waaruit ik dan weer de conclusie trek :

Music kann mit Latein sich wohl verknüpffen lassen /

Wie diß das Alterthum vorlängst schon dargethan.

Ein Kopf / der fähig ist / die Harmonie zu fassen /

Sieht auch den Cicero für keinen Kobold an.

In deze tijd zocht ik ook mijn klavier weer op waarop ik zo lang ploeterde, dat ik de basisregels van de generale bas zelf ontdekte en in praktijk bracht, wat ik misschien met minder moeite had kunnen doen wanneer mij boeken over deze materie in handen waren gevallen en mijn domme eigenwijsheid samen met een onnodige ambitie mij niet hadden verhinderd een organist om raad te vragen.

Lust und Fleiß kann Wege finden /

Ob sie noch so tieff verschneyt /

Und ein kühnes Unterwinden

Trotzet der Unmöglichkeit.

Zeigen sich gleich grosse Berge?

Frisch gewagt! du kommst hinan.

Sieh die Schwürigkeit für Zwerge /

Dich für einen Riesen an.


Omdat mijn oordeelskracht zich door voortdurende oefening steeds verder ontwikkelde, durfde ik het aan om verschillende omvangrijke dramatisch-historische werken op muziek te zetten waarbij de toenmalige directeur, de heer Lossius de libretti vervaardigde en tegen niet geringe kosten de productie op zich nam. Toch had ik er meer genoegen in kerkmuziek te schrijven. Ik liet me de stukken van de modernere Duitse en Italiaanse meesters tot voorbeeld dienen en genoot van hun vindingrijke, zangerige en tegelijkertijd ook doorwrochte muziek. Ik ben nog steeds van mening dat een beginneling er beter aan doet, wanneer hij zich meer oriënteert op dergelijke compodities dan dat hij die ouderwetse componisten nadoet die wel duchtig contrapunteren maar alle vindingrijkheid missen, of met 15 tot 20 obligate stemmen componeren waar Diogenes zelf met zijn lantaren geen druppeltje melodie zou weten te vinden.


Ook al gun ik degene


Qui veteres ita miratur laudatque Poetas

Ut nihil anteferat nihil illis comparet; . . [Horat. Epist. XVIII.]

zijn honorabele gedachten, het zal me geoorloofd zijn me bij datgene aan te sluiten wat een anonieme Fransman over deze materie schrijft :


Ne les (die Alten) eleve pas dans un ouvrage saint

Au rang où dans ce temps les Auteurs ont atteint.

Plus féconde aujourd’hui la Musique divine

D’un art laborieux étale la doctrine,

Dont on voit chaque jour s’accroitre les progrez.

Ik had destijds het geluk meermalen de orkesten van Hannover en Wolffenbüttel te horen. Over dat van Hannover moet men erkennen :

Hier ist der beste Kern von Franckreichs Wissenschafft

Zu einem hohen Baum und reiffster Frucht gediehen.

Hier fühlt Apollo selbst der muntern Lieder Krafft /

Und muß / als halb beschämt / mit seiner Leyer fliehen;

En over dat van Wolffenbüttel :

Venedig darff nicht mehr in Bühnen triumphieren /

Denn Braunschweig reisset ihm die Ehren-Säulen ein /

Und weil auch hier so Stimm’ als Instrument floriren /

So könnte dieser Ort ein kleines Welschland seyn.

Zo stak ik bij het orkest van Hannover mijn licht op over de Franse goût, bij dat van Wolffenbüttel over de Italiaanse en theatrale smaak. Bij beide orkesten leerde ik de verschillende eigenaardigheden van de diverse instrumenten kennen die ik niet naliet met de nodige vlijt te excoleren. Hoe noodzakelijk en nuttig het is deze eigenaardigheden tot in hun wezenlijke details te kunnen onderscheiden, ervaar ik nog tot op de dag van vandaag. Volgens mij kan niemand zonder dergelijke kennis succesvol zijn vindingrijkheid beproeven. Een grondige kennis met die instrumenten is onontbeerlijk bij het componeren. Anders zou men de volgende uitspraak moeten laten gelden :

Die Violine wird nach Orgel-Arth tractiret /

Die Flöt’ und Hautbois Trompeten gleich verspühret /

Die Gamba schlentert mit / so wie das Bäßgen geht /

Nur daß noch hier und da ein Triller drüber steht.

Nein / nein / es ist nicht gnug / daß nur die Noten klingen /

Daß du der Reguln Kram zu Marckte weist zu bringen.

Gieb jedem Instrument das / was es leyden kan /

So hat der Spieler Lust / du hast Vergnügen dran.

Bij mij scheen het geval te zijn wat Ovidius zegt :

Impetus ille sacer — — — —

Qui prius in nobis esse solebat, abest.

Immers toen ik in Magdeburg op nieuw de suggestie kreeg de muziek op te geven en al mijn energie te wijden aan het Studium Iuridicu m , kwam het zover, dat ik alle tot dan toe gecomponeerde zaken achter me liet, samen met de muziekinstrumenten, aan eeuwige vergetelheid ten prooi.

Maar

homo proponit, Deus disponit.

Daags na mijn aankomst in Leipzig geviel het zo, dat ik met een studiosus kon afspreken diens kamergenoot te worden. Toen ik bij hem introk, vond ik de kamer tegen alle verwachting in vol van muziekinstrumenten . Ik hoorde daar dagelijks muziek klinken, maar hield me op de vlakte door mijn ervaring op muzikaal gebied verborgen te houden. Toch werd die ontdekt toen genoemde kamergenoot onder mijn schrifturen een door mij gecomponeerde negende psalm aantrof die toevallig tussen mijn papieren was geraakt. Ik vertelde hem van mijn voornemen en hij beloofde van zijn kant geen roet in het eten te zullen gooien. Toch nam hij de zesde psalm met zich mee die de zondag daarop in de Thomaskerk werd uitgevoerd. De toenmalige burgemeester en Geheimrat de heer D. Romanus, merkte in dit werk wat op, op grond waarvan hij me adviseerde dat ik de muziek als nevenactiviteit (parergon) zou beschouwen , maar deed me tegelijkertijd hopen op daaruit voortvloeiende voordelen en droeg van zijn kant veel bij aan mijn positie aan de Neue Kirche. Zo dook ik weer in mijn eerste element, namelijk de muziek, waarvan het vuur in korte tijd weer bij me oplaaide. Ik nam de compositie van opera’s op me, tegenwoordig twintig in getal. Meestal schreef ik er ook de libretti bij. Ook richtte ik het ook nu nog bloeiende Collegium Musicum op. Hoewel dit Collegium uit louter studiosi bestaat, vaak veertig musici in totaal, kan men er met veel genoegen naar luisteren. Afgezien van uitstekende vocalisten treft men er prima instrumentalisten in aan. Er is geen instrument te noemen dat hier niet wordt bespeeld. Het ensemble heeft enkele malen het genoegen gesmaakt Zijne Koninklijke Poolse Majesteit en andere belangrijke vorsten te vermaken. Verder zorgt het voor de muziek in de Neue Kirche. Bovendien draagt aan zijn roem het feit bij dat het op vele plaatsen zulke musici heeft geleverd, die men als de beroemdste beschouwt. Zo excelleert in Dresden de heer Pisendel op de viool, in Darmstadt de heer Böhm op de hobo, de traverso en de blokfluit. De heren Bendler en Petzhold in Wolffenbüttel en Hamburg hebben aldaar een reputatie opgebouwd van ongemeen goede baszangers en acteurs. Onder de nog in het orkest aanwezige musici is directeur Vogler een bekwaam componist en een vaardig violist. De heer Riemschneider die ook in Hamburg in het theater wordt bewonderd, is een aangename bassist. De heer Schneider is een van de beste altviolisten. Daarnaast was ik zo gelukkig door de genade van Zijne Hoogvorstelijke Doorluchtigheid de Hertog van Weissenfels enkele voor zijn theater vervaardigde stukken te verwerven. De heren virtuosen in Dresden uitten hun goedkeuring over ons. Daar in Dresden komt de crême de la crême van Italië en Frankrijk samen als in een centrum van cultuur.

Car ils font un Ensemble & composent un Tout,

Où concourrent à la fois la science & le goût. [Anonym.]

Deze steunbetuiging waarmee ze mijn optredens vereren heeft hier niet weinig aan mijn carrière bijgedragen. Hierbij kan niet vergeten worden dat ik kennis maakte met de persoon en het werk van de heer Kuhnau. Omdat

Vita instituenda est illustribus exemplis, [Senec.]

wekte de geleerdheid die deze bewonderenswaardige man bezat op het terrein van de muziek, de rechtsgeleerdheid en veel talen, zelfs van het Hebreeuws, het verlangen in me op dat ik mettertijd een deel van diens veelbesproken kwaliteiten zou kunnen verwerven.

Het kan zijn dat mijn wens het uiteindelijke resultaat heeft overtroffen, maar toch dank ik de goede Voorzienigheid voor de mij geschonken gaven, hoe weinig die ook zijn. Ik wilde graag het volgende met anderen tot lering delen :

Music will / daß ein Mensch sich ihr allein verschreibe.

Allein die Welt fällt jetzt der Meynung nicht mehr bey.

Sie fodert / daß man mehr darneben lern’ und treibe.

(Als ob ein Noten-Kopf so voll von Fächern sey)

Drum wird man sich doch wohl nach ihr bequehmen müssen.

Das / was der Hauffe will / wird endlich ein Geboth.

Doch ists auch angenehm / von vielen was zu wissen;

Und bringt es gleich nichts ein / so frißt es doch kein Brodt.

Wanneer er ook maar iets in de wereld is waardoor de menselijke geest wordt aangespoord om zich in datgene wat hij heeft geleerd steeds verder te bekwamen, dan is het wel het hof. Men probeert daar de genade van de grootvorsten te verwerven, het respect van de edelen en de liefde en hoogachting van de overige bedienden en laat geen moeite voorbijgaan om zijn doel te bereiken, vooral wanneer men nog die leeftijd heeft die het mogelijk maakt al zijn energie in dit soort uitdagingen te steken. Men kan zich gemakkelijk voorstellen dat ik, toen ik in de kracht van mijn jaren bij dit hof terecht kwam, mijn handen uit de mouwen heb gestoken om aan mijn geluk te bouwen. Hier voor het eerst begon ik inderdaad ijverig te zijn en datgene wat ik in Leipzig op vocaal gebied had gedaan, hier ook op instrumentaal gebied te proberen, met name door ouvertures te schrijven omdat Zijne Excellentie de Graaf kort tevoren uit Frankrijk was gekomen en de smaak ervan te pakken had gekregen. Ik wist composities van Lully, Campra en andere goede compnisten in handen te krijgen en hoewel ik in Hannover al een aardig voorproefje van dit soort muziek had kunnen krijgen, ging ik me er nu steeds meer in verdiepen en me er met steeds groter succes op toeleggen. Ook in de jaren daarna had ik een voorkeur voor dit soort muziek zodat er tegen de 200 ouvertures uit mijn pen zijn gevloeid. Dat ik een lieve vrouw ontmoette en een huwelijk sloot, heeft veel bijgedragen aan mijn motivatie. Men gaat er terecht van uit dat liefde de geest opmontert.

C’est lui, dont la chaleur anime nôtre Veine. [St. Evrem.]


Beaux yeux inspirent des beaux vers. [Regnier.]

Misschien hielp de Hongaarse Druiven-Balsem er ook bij :

Een emblema van keizer Hadrianus luidt

Vinum ingenii fomes

Of volgens de mening van de Ouden die Pallas en Bacchus in één tempel bijeenplaatsen om daarmee aan te geven dat de wijn het verstand vermeerdert. (Hoffmeister, Dissertatio IX, deel 2, hoofdstuk 6). Zo verzekert Plutarchus ons dat wijn de krachten van onze levensgeesten vermeerdert (lof van de dronkenschap). Maar genoeg over wijn. Men moet daar zo gebruik van maken , dat men niet het volgende grafschrift verdient:

Hic jacet Amphora vini.


Sorau is ook nuttig voor me geweest omdat ik in contact kon komen met de beroemde muziektheoreticus Caspar Printzen. Verder nam ik in deze contreien kennis van de Poolse muziek waarvan ik constateer dat ik er veel goeds en gevarieerds in heb aangetroffen dat mij daarna in vele, ook serieuze, composities goede diensten heeft bewezen. Bij het noemen van deze muziekstijl die so slecht ligt bij de wereld van de muziekkenners kan ik het niet nalaten er een kleine panegyricus aan te wijden.

Es lobt ein jeder sonst das / was ihn kann erfreun.

Nun bringt ein Polnisch Lied die gantze Welt zum springen;

So brauch ich keine Müh den Schluß heraus zu bringen:

Die Polnische Music muß nicht von Holtze seyn.

Zo bevind ik me nu in Eisenach dat ik met reden een Hogeschool kan noemen waarin ik niet alleen wat de muziek betreft een solide persoon ben geworden maar ook in het Christelijk geloof een totaal ander mens. Terwijl de wilde drift van mijn jeugdjaren begon af te nemen ontstond bij de oprechte godsvrucht van de doorluchtige vorsten ook bij mij een innige wens ook hierin sterker te worden. De aangename maar ook serieuze muziekbeoefening aan de meeste hoven wekte in mij een verlangen me eveneens te kunnen presenteren. Wat de muziek betreft werd de kapel juist bij mijn aankomst opgericht waarbij de niet genoeg te prijzen heer Pantlon Hebestreit er zorg voor droeg de leden voor die kapel bijeen te zoeken. Deze voortreffelijke virtuoos brengt op zijn onnavolgbare en zelf uitgevonden instrumenten (die Frankrijk hem ter ere met zijn naam Pantlon heeft genoemd), maar ook op de viool alleen maar bewonderenswaardige zaken voort. Hij mag als volgt worden geprezen :

Il a fort peu d’egaux dans l’art d’executer,

Au torrent de ses mains rien n’ose resister,

Les tons harmonieux, sans les mettre à la gêne,

Sous des doigts foudroyants semblent naître sans peine. [Anon.]


Deze Monsieur Pantlon, zeg ik, heeft , naast zijn ervaring op velerlei instrumenten, een bijzonder talent voor het schrijven van Franse muziek waar ik meer van geprofiteerd heb dan ik hier kan zeggen. Het ononderbroken inoefenen van dit soort composities leidde bij het orkest hier tot een stabiele en homogene uitvoeringswijze die mij bij mijn werk enorm motiveerde. Omdat verandering van spijs doet eten, schreef ik ook talrijke concerten. Ik moet wel bekennen dat ze me nooit zo recht uit het hart zijn gekomen hoewel ik er toch heel wat heb geschreven waarop men het volgende vers van Juvenalis kan toepassen :


Si natura negat, facit indignatio versum [Juv. Sat. I.]

Qualemcunque potest. — — —

Dit tenminste is wel waar, dat ze voor het merendeel een Frans luchtje hebben. Het kan best zijn dat mijn natuurlijke gaven op dit gebied wat tekort schoten. We kunnen nu eenmaal niet allemaal alles. De oorzaak kan mede gelegen zijn in het feit dat ik in de meeste concerten waar mijn blik op viel, veel technische moeilijkheden en kromme sprongen aantrof, maar weinig harmonie en nog minder melodie. Die moeilijkheden haatte ik, omdat ze ongeschikt waren voor mijn hand en mijn boog. Bij gebrek aan laatstgenoemde eigenschappen waaraan mijn oren door de Franse muziek gewoon waren kon ik er maar niet van gaan houden. Ik wilde ze niet imiteren.

Tot sonates voelde ik me meer aangetrokken. Ik heb er heel wat geschreven, voor twee, drie tot wel acht en negen stemmen toe. Volgens velen was het trio mijn sterke punt, omdat ik er bij het componeren goed op lette, dat de ene stem even veel te doen had als de andere.

Sed ego non credulus illis. [Virg. Ecl. IX.]

Dat weet ik zeker, dat ik kerkmuziek het meest heb kunnen waarderen, dat ik er in het werk van andere componisten het meeste onderzoek naar gedaan heb, en dat ik op dit terrein het meeste heb gecomponeerd, zodat er tot op deze dag vijf volledige en twee kleinere jaargangen voltooid zijn. Daarbij kan ik ook nog de communie- en namiddagstukken, missen, psalmen, ariettes noemen en de cantates die ik hier en verderop nog gemaakt heb, naast de serenades bij hoge geboorte- en naamsfeesten resp. een kleine vijftig en een kleine twintig stuks. Die laatste stukken zijn allemaal in het Duits gedaan en ze zijn erg licht, zowel wat betreft hun ariettes en met forse bezetting, zowel vocaal als instrumentaal. De eerste hebben ook merendeels een Duits libretto en zijn erg licht met hun arioso’s en soli. De andere, Italiaanse, zijn wat zwaarder, bijna allemaal met instrumentale invulling, waaronder er enkele zijn die voor grote virtuozen zijn gecomponeerd. Het was me er in het bijzonder aan gelegen elk instrument naar zijn eigen aard in te zetten. Het ging me erom de klank luchtig te houden, wat ik overigens in mijn andere composities ook al deed. Ik ben namelijk van mening

Ein Satz der Hexerey in seine Zeilen faßt /

Ich meyne / wenn das Blat viel schwehre Gänge führet /

Ist musicirenden fast meistens eine Last /

Worbey man offtermahls genung Grimacen spühret.

Ich sage ferner so: Wer vielen nutzen kan /

Thut besser / als wer nur für wenige was schreibet;

Nun dient / was leicht gesetzt / durchgehends jedermann:

Drum wirds am besten seyn / daß man bey diesem bleibet.

Hoe benader ik de heren republikeinen bij wie de wetenschappen, naar men gelooft, weinig status hebben?

Où le docte Savoir ne leur semble plus rien,

Où l’on hazarde tout pour acqverir du bien; [Cantenac Sat.]

Ik ben er niet bang voor, dat men ten aanzien van mijn verandering met die persoon zal gaan spreken.

Je m’étonne, Damon, de te voir en Province

Relegué pour toujours, & renoncer au Prince,

A Faveur, aux Plaisirs, à l’Honneur, à la Cour,

Choisissant pour retraite un tres obscur sejour? [Anon.]

Het volgende heeft me tot hen gebracht, namelijk mijn veronderstelling, dat de rust in een rijksstad bevorderlijk zou kunnen zijn voor de verlenging van mijn leven en dat, hoewel dat niet het geval is bij alle hoven:

Q’au matin l’air pour nous est tranquille & sérein,

Mais sombre vers le soir & de nuages plein;

Ik zou de waarheid van deze spreuk niet in eigen persoon willen ervaren. Daarom leef ik hier nu in een verzorgde omgeving. Hoewel ik de al zolang verwachte rust ook hier nog niet gevonden heb. Dat ligt trouwens aan mijn aard die niet van verveling houdt. Ik heb hier niet alleen zeker de helft van mijn kerkelijke muziek maar ook van mijn instrumentale stukken geschreven waarvoor het door mij gestichte collegium musicum mij alle gelegenheid biedt. Bovendien hebben mij ook de vijf mooie oratoria van David bezig gehouden op tekst van de veelgeroemde heer König. Ik kan er hier niet aan voorbij gaan melding te maken van een privé-persoon en buitengewone muziekliefhebber en – kenner. Het betreft de heer Henrich Bartels, een van de voornaamste evangelische bankiers. Hij heeft een zo grondige kennis van de Franse en Italiaanse muziek, dat hij zich daarin, zowel in hun afzonderlijke goût als ook in combinatie van beide, laat horen, zowel zingend als instrumentaal op verschillende instrumenten, maar met name ook op de viool. Ook dit kan ik hem tot zijn roem nadragen dat hij in de kerk onophoudelijk zijn talent in dienst van God stelt en ook bij andere concerten niet aarzelt om zichzelf en anderen daarmee te vermaken. Daarom past deze spreuk wel bij hem :

Du widmest das / was dir des Schöpfers Güte gab /

Durchaus beliebter Mann! hinwieder seinen Ehren.

Drum schüttet er auf dich so manches Heyl herab /

Und ruffet dich dereinst zu seinen Himmels-Chören.

Doch / da es auch zugleich des Nächsten Ohr vergnügt /

So will dir jederman die Hände danckend reichen.

Ich aber habe noch den Wunsch hier beygefügt:

Ach! wären in der Welt doch viele deines gleichen. [5]

Hoewel hierboven al van Serenades melding is gemaakt, meen ik dat één ervan hier in het bijzonder genoemd mag worden. Hij werd geschreven in 1716 ter gelegenheid van de geboorte van de Doorluchtige Aartshertog van Oostenrijk en Prins van Asturië. Ze is in alle onderdanigheid opgedragen aan Zijne Keizerlijke Majesteit nadat ze eerder al het voorrecht heeft gehad onvergelijkelijk mooi uitgevoerd te worden door het orkest van Darmstadt en de Berlijnse hobo-virtuoos Peter Glöschens. In datzelfde jaar heb ik me ook gebogen over een Passions-Oratorium van de heer Brocks waarvan het libretto door alle kenners als onverbeterlijk wordt beschouwd. Het werd onlangs met genoemd ensemble uitgevoerd en wel in de Lutherse kerk in aanwezigheid van de Doorluchtige Landgraaf van Darmstadt, vorst von Idstein, Oost-Friesland etc. etc. en een grote menigte van andere toehoorders. Het werk heeft naderhand ook de eer gehad in Hamburg, Augsburg en Leipzig te worden beluisterd. Verder heb ik hier bij de gelegenheid van de meest in het oog springende bruiloften in aanwezigheid van grote heren rond de twintig sterke drama’s gecomponeerd en bij al die stukken ook de libretti geschreven. Verder heb ik op bevel van verschillende personen van stand en op verzoek van enkele burgers instrumentale muziek van elk genre geschreven. De volgende werken zijn op koperplaten gegraveerd en in druk verschenen onder de titels :

1. VI. Sonates à Violon seul & Basse chiffrée, in koper

2. Kleine Cammer-Music / oder Partien für diverse Instrumente / gedrukt.

3. Six Trio, ingleichen für vielerley Instrumente / in koper.

4. Sei Sonatine per Violino e Cembalo, in koper.

Wat hier in het bijzonder mijn werklust heeft gestimuleerd is het feit dat ik het geluk heb gehad vele van de beroemdste musici uit verschillende landen te leren kennen wier kwaliteiten bij mij een neiging hebben ingeplant om mijn composities met de grootste zorgvuldigheid uit te voeren en daarmee de gunst te verwerven van henzelf en hun landgenoten.

Also leb ich biß anher bey beständig-munterm Fleisse /

Doch / wer will die Zeit bereun / die uns / mitten bey dem Schweisse /

Einen jeden Tag zur Stunde / zur Minute jede Nacht /

Und den gantzen Lauff des Lebens hat zum Paradieß gemacht.

Tot zover, mijnheer, de gegevens over mijn levensloop. Het zijn er zoveel, dat ze de grenzen van een brief overschrijden en een boek vormen. Het is mij vergaan zoals mensen die maagklachten hebben en bij het begin van de maaltijd weinig trek hebben, maar nadat ze de spijzen naar hun mond hebben gebracht uit alle macht eten en slechts met moeite te verzadigen zijn. Ik kan ook nog niet ophouden, maar beschouw het als noodzakelijk nog het een en ander toe te voegen. Daarbij kan men herhalingen ontdekken en de indruk krijgen als zou ik al te trots over mezelf hebben geschreven, reden om te denken :

Unus Pellaeo juveni non sufficit orbis,

Aestuat infelix angusto limite mundi; [Juv. Sat. X.]

Maar ik kan met een goed geweten voor de gehele wereld verklaren dat ik afgezien van de verdiende eer die elk mens ten deel kan vallen, niet geplaagd wordt door een dwaze verbeelding.

Neque me ut mile retur laborem; [Hor. Sat. X. lib. I.]

Ook zal de bekendheid met diegenen met wie ik ben omgegaan, mij in dat opzicht rechtvaardigen. Aan de andere kant heb ik me schuldig bevonden omdat ik de waarheid niet heb verborgen, omdat immers

Rien n’est beau que le Vrai, le Vrai seul est aimable; [Boil.]

Noch heb gezwegen over de welwillendheid waarmee de natuur me heeft gezien. Wanneer ik talrijke meldingen heb gemaakt van mijn ijver is dat gebeurd om mezelf daarmee groot te maken. Doordat juist dit een algemene levensvoorwaarde is voor alle mensen , omdat ze zonder te werken niets zullen bereiken.

Nil sine magno

Vita labore dedit Mortalibus; [Hor. Sat. IX. lib. I.]

Het was mijn bedoeling om diegenen die muziek willen studeren eraan te herinnen , dat ze in deze onuitputtelijke wetenschap zonder grote inspanningen niet ver zullen komen. Wanneer ze zich wel degelijk willen inzetten, kunnen ze er veel profijt van hebben een een goede reputatie opbouwen. Ik weet niet of het menigeen die dit leest en er zoveel andere beroemde en prijzenswaardige musici, aanverwante artikelen, verzen en gekscherende uitweidingen in aantreft het te moede zal zijn als die provinciaal die zich erover beklaagde dat hij uit Parijs was vertrokken zonder de stad te hebben gezien , omdat , zoals hij zei, de huizen hem bij de bezichtiging van de stad in de weg stonden. Daarop kan het volgende antwoord worden gegeven , dat het bij het zien van de eerste kleinere gebouwen een goede indruk maakt wanneer er hier en daar een paleis tussen staat. Zo heb ik me van de laaatse bediend om mijn huizen een monter aanzien te geven zodat ze de passanten des te eerder opvallen.

Tenslotte dank ik de goddelijke almacht dat hij mijn hart heeft toegetrokken tot de alleredelste muziek die de arbeid voor haar aanhangers tot plezier maakt, de wederwaardigheden van het leven verzoet en door de hooggeplaatsten in deze wereld maar niet minder ook door veel verstandige mensen in ere wordt gehouden. Ze wordt rijkelijk beloond door diegenen die er met veel inspanning een positie in verwerven en is het waardig om samen met de eeuwigheid heen te gaan. Ik dank de oervader van de harmonie dat hij mij meer dan vele anderen de gave heeft verleend op haar onbeklimbare berg niet weinig treden te hebben beklommen. Wat me nog ontbreekt beschouw ik als iets oneindigs, wat ik aan kennis bezit zie ik als een gelukkig begin. Om met de dichter te spreken :

Non sum adeo informis / nuper me in littore vidi. [Virg. Ed. II.]

Niet alles wat ik gemaakt heb kan naar ieders smaak zijn geweest. Toch ben ik van mening

che anco le cose / che non piacciono / si possono godere. [Lored. Scherz. genit.]

Ter ere van de muziek sluit ik als volgt af :

Wenn / da Natur und Trieb das Wollen eingepräget /

Wenn Nutzen / Ehr’ und Glück den muntern Fleiß erreget /

Wenn manch geübter Halß / Hand und geschicktes Blat

Den forschenden Verstand in uns geschärffet hat /

Und man am Ende doch sein Schwach-seyn muß bekennen /

So folget / daß Music ein hohes Werck zu nennen;

En verblijf


Mijnheer

Uw gehoorzame en onderdanige dienaar

Frankfurt 14 september 1718

Georg Philipp Telemann.

***

vertaling : Spijkenisse, donderdag 28 juli 2016


***

Georg Philipp Telemann


Autobiografie van 1740

Bron : Johann Mattheson, Grundlage einer Ehren-Pforte, woran der tüchtigsten Capellmeister, Componisten, Musikgelehrten, Tonkünstler etc. Leben, Werke, Verdienste etc. erscheinen sollen. Zum fernern Ausbau angegeben von Mattheson, Hamburg 1740, S. 354-369

Georg Philipp Telemann spreekt hier zelf en vertelt ons met zijn eigen vaardige pen de wonderbaarlijke voorvallen van zijn leven, met name op muzikaal gebied, met de volgende zorgvuldig gekozen woorden en in een prettige stijl.

‘Ik ben’, zo zegt hij ‘ op 14 maart 1681 in Magdeburg geboren en op 17 maart Evangelisch-Luthers gedoopt. Mijn vader Henricus was predikant aldaar in de Heilige Geest Kerk. Hij stierf op 17 januari 1685, nauwelijks 39 jaar oud. Ik was toen nog geen vier jaar oud. Mijn moeder Maria stamde eveneens af van een predikant uit Altendorf, Johann Haltmeyer. Zij overleed in 1710.

Op kleinere scholen leerde ik wat destijds gebruikelijk was, namelijk lezen, schrijven, de Catechismus en wat Latijn. Ook nam ik de viool, fluit en cither ter hand waarmee ik mijn buren vermaakte, zonder te weten of er noten bestonden. De grote school in de Alt-Stadt die ik vanaf mijn tiende jaar bezocht, gaf me onderricht op hoger niveau, vanaf cantor Benedictus Christiani tot in de hoogste klas van de heer rector Anton Werner Cuno en die van de heer N. Müller, rector aan de Dom, die mij voor het eerst verliefd liet worden op de Duitse dichtkunst. Alle leraren waren zeer tevreden over mijn ijver, of eerder mijn begripsvermogen en gaven me het getuigenis dat ik in het Latijn, en meer nog in het Grieks een goede basis had gelegd. Alleen: wat vergeet men niet zonder oefening? Op muzikaal gebied was ik in enkele weken zoveel wijzer geworden, dat de cantor me in zijn plaats de zanglessen liet geven hoewel mijn pupillen mij verre overtroffen. In die tijd componeerde hij. Zodra hij zich omdraaide, wiept ik een blik in zijn partituren en trof er altijd wel iets in aan dat me boeide. Maar waarom? Dat bleef voor mij verborgen. Het was voor mij de aanleiding allerlei soorten muziek bijeen te brengen die ik in partituur overnam om ze ijverig te bestuderen, zodat er steeds meer licht op deze materie viel. Uiteindelijk, ik kan het met ere vermelden, begon ik zelf te componeren, zij het in alle stilte. Ondertussen wist ik onder pseudoniem mijn maakwerk in handen te spelen van de Cantor en de Prefect. Zowel in de kerk als op straat wijdde men er lovende woorden aan. Dit maakte me zo overmoedig dat ik, rond de twaalf jaar oud, de tekst van een Hamburgse opera, Sigismundus, op muziek zette, die ook nog op een echt toneel werd opgevoerd waarbij ik mijn held als een onverzettelijk persoon presenteerde. Ik zou die muziek nog wel eens willen inzien, wanneer ik even een zwak moment heb.

Voordat ik aan dergelijke prestaties toe was nam ik lessen op het klavier. Helaas trof ik als leraar een organist die mij met de Duitse tabulatuur confronteerde waarmee hij zo krampachtig omging als zijn grootvader misschien had gedaan van wie hij hem geërfd had. In mijn hoofd spookten vrolijker nootjes dan ik hier hoorde. Daarom stopte ik na een marteling van veertien dagen. Na die tijd heb ik op muzikaal gebied geen les meer gekregen.

Ach! Wat voor een noodweer heb ik me door genoemde opera op de hals gehaald! En masse kwamen de muziekvijanden naar mijn moeder en zeiden tegen haar dat ik een gokker zou worden, een koorddanser, speelman, hondendresseur etc. wanneer de muziek niet van me af zou worden gepakt. Zo gezegd, zo gedaan. Mijn composities, instrumenten en daarmee mijn halve leven werd van me afgenomen. Om het allemaal definitief te maken werd besloten mij naar Zellerfeld in de Harz op school te doen omdat mijn muziektirannen misschien wel geloofden dat de heksen achter de Blockberg geen muziek zouden dulden.

Ongeveer dertien jaar oud verhuisde ik met een aanbevelingsbrief aan de superintendent, de heer Caspar Calvör die mij bij mijn studie zou ondersteunen, wat ook gebeurde. Ik maakte aanzienlijke vorderingen, vooral op het gebied van de veldmeting (geometrie). Maar het lot van het Grieks heeft ook dit vak getroffen : ik weet er niets meer van.

Na verloop van enige tijd zou er een bergfeest worden gevierd en de cantor zou de muziek bij het libretto schrijven, maar hij leed juist toen aan jicht. Inmiddels had ik aan een van mijn kameraden toevertrouwd dat ik kon componeren. Hij verklapte het aan de cantor. Deze riep me bij zich en verzocht me zijn taak op me te nemen, wat ik ook deed. De dag van de uitvoering naderde snel, maar de cantor moest nog steeds het bed houden. Zo kwam het dirigeren op mijn bordje te liggen, bij een jongen van net één meter veertig. Ik kreeg een bankje, zodat de mensen me konden zien. De muziek werd door een goed orkest gespeeld en klonk prima. De trouwhartige bergbewoners die meer geroerd waren door mijn kleine gestalte dan door de muziek zelf, wilden me na de eredienst hun sympathie betuigen en brachten me en masse naar mijn huis. Eén van hen droeg me op zijn armen en ik werd meermalen geprezen met de bij hen gebruikelijke kreet : Jij kleine, aardige knul!

Mijn leraar Latijn, de sympathieke heer Calvör, liet me bij zich roepen, sprak zijn tevredenheid uit over mijn muziek en spoorde me aan er in verder te gaan. Ook liet hij me de verwantschap zien tussen muziek en meetkunde. Zoals zijn latere publicaties hebben duidelijk gemaakt was hij in beide vakken een meester. Dit leek me een reden om de belofte aan mijn moeder te breken en ongehoorzaam aan haar te zijn. Ik zocht mijn klavier weer op en begon me in te werken op het terrein van de generale bas waar ik eigen regels bij maakte. Ik wist namelijk nog niet dat er ook boeken over dit onderwerp bestonden en ik wilde er ook de organist niet mee lastig vallen. Die vreselijke organist in Magdeburg stond me namelijk nog levendig voor de geest. Ook de viool en fluit traden steeds meer op de voorgrond. Voor bijna elke zondag schreef ik een stuk voor de kerk. Voor het koor schreef ik motetten, voor de stadsmuzikanten allerlei braderie-symfonieën.

Na een vierjarig verblijf alhier ging ik op verzoek van de heer magister Lossius naar het destijds beroemde gymnasium van Hildesheim, met toestemming vanuit Magdeburg waarnaar mijn eerder genoemde begunstiger had geschreven.

De heer Lossius was gewoon elk jaar één of twee toneelteksten te schrijven en te laten opvoeren waarbij de recitatieven werden uitgesproken en de aria’s gezongen. Daar moest ik dan de muziek bij schrijven die misschien alleen al daarom beviel, omdat ik altijd nog een gewoon mens onder de mensen was.

Ik spijbelde niet, behalve wanneer Barbara Celarent in het spel was. Genoeg daarover, ik klom onder een totaal van 150 leerlingen, die de eerste klas uitmaakten, op tot de derde plaats van boven af.

De composities van Steffani, Rosenmüller, Corelli en Caldara dienden me als voorbeeld om daarnaar mijn toekomstige kerkelijke en instrumentale muziek in te richten, in welke beide genres ik dagelijks mijn stukken schreef. De twee orkesten in de buurt, dat van Hannover en dat van Braunschweig, die ik bij bijzondere feesten, maar ook bij misvieringen en alle overige activiteiten bezocht, gaven me de gelegenheid de Franse en de Italiaanse theatrale stijl nader te leren kennen en van elkaar te onderscheiden. Ook deden de voortreffelijke instrumentalisten in de buurt bij mij het verlangen ontstaan om me op mijn eigen instrumenten sterker te ontwikkelen. Daar zou ik nog verder in gegaan zijn wanneer niet een te heftig vuur mij ertoe had aangedreven om behalve klavier, viool en fluit, ook de hobo, de traverso, de chalumeau, de gamba, de contrabas en kwintbazuin te leren kennen.

De toenmalige pater-jezuiet die als muziekdirecteur aangesteld was aan de roomskatholieke kerk, pater Crispus, die ik meermalen bij zijn uitvoeringen in Schwerwentzel zowel als vocalist als instrumentalist had gediend, had gevoelens van sympathie voor mij opgevat, probeerde me tevergeefs met klemmende argumenten te laten terugkeren in de schoot van zijn kerk en bracht me in contact met het klooster van Godhard, één van de belangrijkste ter plaatse, waar ik alles van evangelische muziek voorzag, Duitse cantates invoerde die niet zelden religieuze conflict stof bevatten, en alles vermeed wat aan onze kerk aanstoot kon geven. Voor deze praktijk kreeg ik toestemming van superintendent Johann Riemers.

Tenslotte had ik genoeg van die comfortabele tijd en koos voor mijn verdere opleiding Leipzig uit.Ik reisde naar mijn vaderstad om hier het nodige op orde te brengen. Een examen leidde tot de uitspraak dat ik jurist moest worden en de muziek helemaal zou opgeven. Nu was dit een voornemen waar ik helemaal achter stond. Zonder protest legde ik me op de juridische studie toe met het vaste voornemen Geheimrath te worden aan het eind van mijn studie. Ik liet mijn gehele muzikale huishouding achter me en begaf me in 1701 naar Leipzig, hoewel ik onderweg in Halle kennis maakte met de toen al beroemde Georg Friedrich Handel en door diens toedoen bijna weer het muziekgif inzoog. Toch zette ik mijn eerdere voornemen door. Na mijn aankomst kwam ik in de Schwartze Brete met een aanzienlijke student overeen diens kamergenoot te worden. Mijn bagage werd opgehaald, maar wat begon mijn hart te kloppen toen ik aan de wanden en in de hoeken van de kamer muziekinstrumenten aantrof! Elke avond werd er voor mij muziek gemaakt. Ik had er de grootste bewondering voor hoewel ik het zelf nog beter kon.

Toen begon ik met mijn colleges bij drie hoogleraren en doctoren, zoals bij Otto Menken sr., Andreas Mylius (rechten) de heer N. Weidling (retorica) en bij magister N. Calvisius (filosofie).

Op een keer vond mijn kamergenoot in mijn koffer een door mij gecomponeerde psalm 6, die, ik weet niet hoe, onder mijn linnengoed terecht gekomen was. Ik bracht hem op de hoogte van mijn voornemen, dat hij respecteerde. Toch vroeg hij me die psalm om hem de komende zondag in de Thomaskerk te laten uitvoeren. De toenmalige burgemeester en Geheimrath de heer Romanus, was er over te speken en wist me ertoe te brengen elke veertien dagen een stuk voor genoemde kerk te schrijven. Ik kreeg daarvoor een mooi inkomen, overigens zonder uitzicht op nog grotere profijten. Mij werd geadviseerd mijn andere studies gewoon voort te zetten.

Toen ik echter van mijn moeder wier wensen ik opvolgde, een nieuwe geldwissel ontving, stuurde ik die weer terug, beschreef haar mijn nieuwe situatie, en verzocht haar om met betrekking tot de muziek van standpunt te veranderen. Dat deed ze en wenste me veel succes. Zo werd ik van het ene moment op het andere weer musicus.

Kort daarop kreeg ik de leiding over de uitvoering van de tegen de twintig opera’s die ik samen met de meeste libretti had geschreven in Sorau en Frankfurt. Voor het hof van Weissenfels componeerde ik vier opera’s. Verder richtte ik in Leipzig het nog steeds bestaande Collegium Musicum op.

Toen het orgel in de Neue Kirche klaar was werd ik daar tot organist en muziekdirecteur benoemd. Alleen bij de inwijding heb ik dat orgel bespeeld, daarna gaf ik het in handen van verschillende studiosi, die telkens daarom vroegen. De voortreffelijke Johann Kuhnau was voor mij het voorbeeld waar het ging om fuga en contrapunt. Tijdens wederzijdse bezoeken maar ook via correspondentie deden Handel en ik voortdurend nader onderzoek naar het componeren van melodieën.

Tijdens mijn verblijf in Leipzig ben ik tweemaal in Berlijn geweest. Ik heb er de opera Polyphemus van Giovanni Bononcini gehoord en ook nog een tweede. Omdat slechts weinigen naar binnen mochten werd ik door mijn vrienden verstopt. Tijdens die uitvoeringen zongen meestal hooggeplaatste personen mee, onder andere een markgravin die later in Cassel getrouwd is. Zij begeleidden Koningin Sophia Charlotte zelf op het klavier. Het orkest was grotendeels bezet met kapel- en concertmeesters, namelijk padre Attilio Ariosti de gebroeders Antonio en Giovanni Bononcini, de opperkapelmeester Rieck, Ruggiero Fedeli, Volümier, Conti, La Riche, Forstmeier etc.

In 1704 werd ik als kapelmeester naar Sorau ontboden door zijne excellentie de graaf Erdmann von Promnitz. De pracht en praal van dit op vorstelijke voet nieuw ingerichte hof spoorde me aan tot nieuwe uitdagingen, vooral op instrumentaal gebied. Mijn keuze viel op ouvertures met de bijbehorende delen, ook omdat de graaf die kort tevoren uit Frankrijk was teruggekomen, er een voorliefde voor had. Ik kreeg het werk van Lully en Campra onder ogen en legde me bijna helemaal op diezefde schrijfwijze toe, zodat ik in twee jaar wel 200 ouvertures had gecomponeerd.

Toen het hof voor een half jaar verhuisde naar Plesse, een staat in Oppersilezië, deel van Promnitz, leerde ik daar, evenals in Krakau de Poolse en Hanakische muziek kennen in haar ware, barbaarse schoonheid. Deze muziek werd in herbergen ten gehore gebracht met een om het lichaam vastgebonden viool die een terts hoger gestemd is dan gewoonlijk en een half dozijn andere kan overstemmen. Verder werd een Poolse ‘Bock’ bespeeld en daarnaast een kwintbazuin en een regaal. Bij deftiger aangelegenheden bleef het regaal weg en werden de twee eerder genoemde instrumenten versterkt. Ooit heb ik 36 Bocke en 8 violen bijeen gevonden. Het is niet te geloven wat dergelijke musici voor wonderlijke invallen hebben wanneer ze gaan fantaseren terwijl de dansers uitrusten. Een opmerkzaam luisteraar zou binnen een week ideeën voor een heel leven kunnen opdoen. Kortom, er is heel veel waardevols in deze muziek te vinden wanneer men er met zorg mee omspringt. Ik heb nadien op deze manier verschillende grote concerten en trio’s geschreven die ik in een Italiaans jasje heb gestoken, met allegro’s en adagio’ s in afwisseling. Iets merkwaardigs moet ik nog vermelden. Het hof werd tot tweemaal toe grotendeels afgedankt en zelfs gunstelingen moesten weg. Ik echter mocht blijven.

In Sorau had ik nog het genoegen met de beroemde cantor Wolfgang Caspar Printz om te gaan, waarbij hij zich gedroeg als een Heraclitus en ik als een Democritus. Hij namelijk moest huilen om de uitspattingen van de tegenwoordige melodische componisten, terwijl ik moest lachen om de onmelodieuze kunstgrepen van de Ouden. Terwijl hij nog altijd hoopte dat ik uit het Babel van de eersten zou vertrekken, werd ik nog vóór mijn vertrek naar Eisenach dat in 1708 plaatsvond , op de hoogte gebracht van een merkwaardig geheim dat tegen betaling van een bepaalde som die we wilden delen, aan de hertog van Gotha werd overgebracht. Het bestond daarin, dat met behulp van muziek alle handelingen van een minister op reis en een generaal op het veld bekendgemaakt zouden kunnen worden en dat bovendien door juist dit middel bevelen zouden kunnen worden gegeven. Omdat ik dit voorstel nauwelijks serieus kon aanhoren kwam het niet van deze zwarte kunst.

Tot nu toe verging het me als koks die een reeks potten op het vuur hebben staan, waaruit ze een klein beetje laten proeven. Nu wilde ik echter volledig uitpakken, dat wil zeggen, met al mijn instrumenten, met vocale muziek en mijn pen laten zien wat ik had geleerd. De focus lag in Eisenach duidelijk op een orkest voor de instrumentale muziek waarvan de niet genoeg te prijzen Pantaleon Hebenstreit de leden bijeenzocht. Ik zou hun concertmeester worden en moest ook aan tafel en in de muziekzaal viool spelen. Hij, Hebenstreit , droeg de titel van directeur, speelde viool mee en liet zich tevens horen op zijn verbazingwekkende cimbaal. Zo ontstond al spoedig een echt orkest. Omdat de doorluchtige hertog genoegen beleefde aan enkele kerkcantates die ik solo vertolkte, kreeg ik het verzoek voor de nodige zangers te zorgen die ook als violist konden worden ingezet. Na hun aankomst werd ik als kapelmeester aangesteld, maar vervulde tegelijkertijd mijn eerdere functie. Deze kapel was hoofdzakelijk op de Franse manier ingericht en heeft volgens mij, het zij met ere gezegd, het beroemde Parijse opera-orkest dat ik kort geleden had beluisterd, overtroffen. Hierbij moet ik denken aan de virtuositeit die de heer Hebenstreit op de viool liet blijken. Die verschafte hem ongetwijfeld de eerste plaats onder de andere virtuozen. Toen we samen een concert moesten spelen, sloot ik me op, de viool in de hand, mijn linkermouw opgestroopt en met versterkende smeerseltjes op mijn spieren. Zo ging ik bij mezelf in de leer om tegen zijn geweld opgewassen te zijn. En ziedaar! Het hielp, want ik speelde steeds beter. Omdat ik, afgezien van enkele prachtige stukken die hijzelf geschreven had , alle stukken voor alle optredens zelf schreef, kan men zich wel voorstellen wat ik toen allemaal bijeengeschreven heb. In die jaren componeerde ik vier jaargangen, en nog twee onvolledige erbij voor de middagdiensten. Daar kwamen dan nog de missen, communiemuzieken en psalmen bij. Verder schreef ik rond de twintig serenades voor de geboorte- en naamdagen, inclusief de libretti en nog vijftig andere cantates in het Italiaans en het Duits. Hoe zou ik me alles kunnen herinneren wat ik voor strijkers en blazers heb geschreven? Ik legde me in het bijzonder toe op het schrijven van trio’s die ik zo inrichtte, dat de eerste partij de tweede scheen te zijn. De basstem gaf ik een natuurlijke melodie waar zich een harmonie bij aansloot die zo en niet anders moest zijn. Volgens sommigen heb ik hierin mijn grootste kwaliteit laten zien.

Vanuit Sorau woonde ik in 1705 in Berlijn de begrafenis bij van de koningin van Pruissen en daarna in 1708 de plechtigheden ter herinnering aan Zijne Koninklijke Majesteit en de pas gestorven koning als prins. Ik hoorde de begrafenismuziek van de heer Ruggiero Fedeli en ook de beide opera’s, Sieg der Schönheit en Roxane. De eerste was deels van de hand van Gottfried Finger, destijds pfaltsgrafelijk kamermusicus in Breslau, maar daarna kamer-raad van de Keurpfalts en deels van Augustin Reinhard Stricker, koninklijk kamermusicus en kapelmeester van de Keurpfaltz. De dansen waren van Volümier. De tweede opera was geheel van de hand van Finger, op de dansen na.

In 1709 sloot ik mijn eerste huwelijk met Amalia Louise Juliana, de tweede dochter van de heer Daniel Eberlin voormalig kapitein onder de pauselijke volkeren in Morea waar de Turken tegen hebben gevochten, daarna bibliothecaris in Neurenberg, kapelmeester in Cassel, pagehofmeester, kapelmeester, geheim secretaris, muntmeester en regent op het Westerwald, in dienst te Eisenach, bankier in Hamburg en Altenau, tenslotte kapiteitn van de landmilitie te Cassel. Zeker, allemaal avontuurlijke schikkingen van het lot maar ook kenmerkend voor een veelzijdig persoon zoals de natuur die maar zelden voortbrengt. Hij was, wat de muziek betreft, een geleerd contrapuntist, een voortreffelijk violist, zoals blijkt uit zijn trio’s die in Neurenberg zijn gedrukt. Hij heeft berekend, dat men een viool 2000 keer kan omstemmen.

Kort voor mijn huwelijk in 1709 werd me onverwacht een positie met een vorstelijk honorarium aangeboden waarbij ik de titel secretaris mocht voeren en een plaats aan de maarschalktafel kreeg die ik ook al in Sorau bezat. Misschien dat de oorzaak te zoeken is in het feit, dat de kapelmeester nog niet in de rangorde was meegerekend omdat men daar voorheen nog geen formele kapel had. Ik werd van die groep al gauw de oudste omdat enigen ervan overleden en anderen naar elders werden bevorderd. Zo stond ik aan de zijde van raadspersonen.

Ik weet niet meer wat me ertoe bracht een zo exquis hof als dat van Eisenach te verlaten. Wel weet ik, dat ik destijds hoorde verkondigen dat degene die een levenslange aanstelling wenst zich in een republiek moet vestigen. Zo vertrok ik in 1712 naar Frankfurt am Main omdat ik daar een aanstelling kreeg als kapelmeester aan de Baarfüsserkirche; ik kende er niemand. Toch compenseerde de aangename vrijheid hier het verlies dat ik eerder had geleden aan een genadig heer en voortreffelijke virtuozen. Hoewel mijn jaarlijkse inkomen niet gering was, trad ik bovendien nog in dienst van een hoogadelijk gezelschap, Frauenstein, waar ik toezicht moest houden op het paleis dat de Roomse keizers bij hun verkiezing en kroning plegen te gebruiken. Ook mijn woning bevond zich daarin. Omdat de leden van genoemd gezelschap administratores zijn van het aanzienlijke Beierse fonds dat tot welzijn van de armen is gesticht, maakten ze me tot inner van de daarbij behorende renten. Hierna kreeg ik van de muziekdirecteur van de tweede Lutherse Hoofdkerk van de Heilige Catharina diens positie aangeboden. Bovendien werd ik in Eisenach benoemd tot kapelmeester van huis uit en leverde de voor de kerk- en kamermuziek benodigde materialen.

Toen ik rond 1716 door Gotha reisde en de bekwame kapelmeester Chirtian Friedrich Witt gestorven was, kon ik zijn plaats innemen. Ik dacht eraan hoe warmpjes ik er met mijn 1600 fl in Frankfurt bijzat en reisde verder. Ik kwam terug. Goede vrienden hielden me om te beginnen gedurende een postdag op. De uiterst sympathieke manier waarop deze zaak werd aangepakt en vooral de persoonlijke kwaliteiten van een onvergelijkelijk vorst, die niet minder van muziek wist dan ikzelf, zorgden ervoor dat ik de Mainstroom vergat en hier een positie kreeg met een beloning van 500 Reichsthaler met de nodige eenheden gerst, tarwe en hout, om maar te zwijgen van de overige inkomsten van de talrijke geboorte- en andere feesten en die van de kapelknapen waarmee alles nog werd vermeerderd. Zijne Serenissimus hield zich het recht voor mijn muzikale kabinetdiensten gulhartig te belonen.

Behalve deze profijtelijkheden werd besloten dat ik tegelijkertijd tegen 200 Reichsthaler jaarlijks in dienst van Eisenach zou blijven, waar ik op bepaalde tijdstippen in persoon moest verschijnen. Verder was de doorluchtige hertog Ernst August in Weimar vastbesloten mij niet alleen een gelijk tractement te geven, maar door voorschrift van hogerhand de overige Saksische heren in de lijn van Ernst August nuttig voor mij te maken , al was het alleen maar door het toesturen van muziek. Hij wilde me tevens de titel geven van algemeen kapelmeester voor deze familietak. Ondertussen brachten het gejammer van mijn vrouw en de welsprekendheid van mijn verwanten en bekenden mij met schijnargumenten op andere gedachten. Zo had menigeen aanleiding te geloven dat ik nu betaald had voor een stommiteit die iedereen weleens begaat: ik ging weer terug Frankfurt.

Mijn muzikale activiteiten hielden in, dat ik de ontbrekende delen van de jaargangen van Eisenach aanvulde en vijf nieuwe eraan toevoegde. Ook vermeerderde ik de reeks van instrumentale muziek die me bij de zojuist gestarte grote wekelijkse concerten in Frauenstein van dienst kon zijn. Die waren ook de aanleiding voor de muziek bij de vijf oratoria over David op tekst van de Koninklijke Poolse Ceremoniënraad, de heer Johann Ulrich Köning.

De huwelijksplechtigheden van Zijne Koninklijke Majesteit van Polen lieten me van Frankfurt naar Dresden reizen waar twee opera’s van Lotti werden opgevoerd, één Franse van Schmid en een vierde van de heer Heinichen met twee serenades van zijn hand. De voornaamste vocalisten waren de dames Lotti, gravin Durastanti, Thesi, Hessinn, die , hoewel van Duitse origine, dezelfde waardering oogstte als de anderen. Verder de heren Senesino, Bercelli die de f driegestreept haalde, Francisco Guicciardi etc. Naast de alom bekende virtuosen uit Dresden hoorde ik hier ook de beroemde Francesco Maria Veracini.

Voor het grootse vreugdefeest dat Frankfurt vierde ter gelegenheid van de geboorte van de Oostenrijkse Aartshertog en Prins van Asturië leverde ik een omvangrijke serenade die in de open lucht op een toneel op de Römerberg door veel voortreffelijke virtuozen werd uitgevoerd, meer dan vijftig in getal. Ik droeg het stuk later op aan Zijne Majesteit de keizer.

Verder schreef ik muziek bij het Passions-Oratorium van de heer B. H. Brockes, raadsheer in Hamburg, een meesterwerk. Daarna bij diens Plezier van het gehoor in de lente en diens Watermuziek. Daarna volgden in Hamburg de Herfst en de Winter. Het eerste werd op enkele bijzondere dagen van de week in de hoofdkerk uitgevoerd, met een rijk bezet orkest, in aanwezigheid van verschillende hoge heren en een enorme massa toehoorders, ten bate van het weeshuis. Het was iets opmerkelijks, dat de kerkdeuren met een wacht werden bewaakt die niemand binnen liet die niet was voorzien van een gedrukt exemplaar van de Passion en dat de meeste leden van het eerbiedwaardige ministerium bij het altaar plaatsnamen in hun pontificale kledij. Overigens heeft deze Passion in vele steden van Duitsland geklonken.

Het aantal huwelijksserenades, waarvan ik tevens de libretti schreef, bedroeg rond de twintig. Vele daarvan zou ik nu niet meer zo gauw schrijven vanwege diverse vrijheden en niet bepaald smakelijke kruiderij. In 1714 werd in Frankfurt mijn tweede huwelijk voltrokken met Maria Catharina, oudste dochter van Andreas Textor, raadskorenschrijver.

In Frankfurt werden de volgende werken gedrukt : zes sonates met viool en basso continuo, zes trio’s voor allerhande insrumenten en b.c., zes sonatines met één viool en basso continuo, een Kleine Kamermuziek voor klavier of andere instrumenten.

Op 10 juli 1721 werd ik na de dood van Joachim Gerstenbüttel in Hamburg tot directeur van het muzikale koor benoemd en tot cantor van het Johanneum en op Michaelsdag daarop na een inleidend programma met een toespraak De Musica in Ecclesia plechtig geïnstalleerd.

Ongeveer een jaar later werden de opera’s die steeds minder goed liepen door enkele ministers en personen van hoge adel in een verbeterde toestand gebracht en van pracht en praal voorzien. Ik kreeg de taak toezicht uit te oefenen op de muzikale activiteiten en nieuwe toneelstukken te schrijven tegen een inkomen van 300 Reichsthaler jaarlijks.

In 1723 werd ik in Leipzig opgeroepen om de plaats van wijlen de heer Johann Kuhnau, muziekdirecteur en cantor, in te nemen welke eervolle opvolging mij al twintig jaar geleden in het vooruitzicht was gesteld omdat diens zwakke gezondheid een spoedig overlijden deed vermoeden. De stad Hamburg echter blokkeerde deze benoeming door een aanzienlijke verhoging van mijn honorarium.

Het hof te Eisenach waaraan ik nog steeds als kapelmeester verbonden was met een bezoldiging van 100 Reichsthaler, benoemde me in 1724 tot correspondent met een toelage van dezelfde som. In die hoedanigheid moest ik tweemaal per week berichten over het meest opvallende nieuws in het Noorden.

Verder kreeg ik in 1726 vanuit Bayreuth een aanstelling als kapelmeester, leverde van tijd tot tijd wat instrumentale muziek aan en jaarlijks een opera. Daarvoor werd voor mij 100 Reichsthaler gereserveerd.

In 1729 werd ik vanuit Rusland uitgenodigd een Duitse Kapel op te richten die daarna in een Italiaanse veranderd is. Mijn prettige werkomstandigheden in Hamburg echter en de suggestie om na vier voorafgegane vertrekpogingen eindelijk eens stil te blijven zitten, waren sterker dan de begeerte naar een buitengewoon eervolle positie.

Mijn al lange tijd geplande reis naar Parijs waarheen ik al verschillende jaren geleden uitgenodigd was door enkele van de virtuozen daar die te smaak te pakken hadden gekregen van enkele van mijn gedrukte werken, vond plaats rond Michaelsdag 1737 en nam 8 maanden in beslag.

Daar liet ik, na een algemeen koninklijk privilege te hebben ontvangen nieuwe kwartetten op vooruitbetaling en zes sonates die doorgaans uit melodische canons bestaan, in koper graveren. De bewonderenswaardige wijze waarop de kwartetten door de heer Blauet, traverso, Guignon, viool, Forcroy jr, gamba, en Edouard, cello, werden gespeeld zou hier een beschrijving verdienen wanneer woorden toereikend zouden zijn . Om kort te gaan, ze maakten de oren van stad en hof ongewoon opmerkzaam en droegen in korte tijd bij aan mijn eervolle status en respectvolle behandeling.

Verder schreef ik voor liefhebbers twee Latijnse tweestemmige palmen van David met instrumentale begeleiding, een aantal concerten, een Franse cantate met de titel Polyphème, een schertsende symfonie op het modelied van Pere Barnabas, een partituur voor de druk van zes trio’s. Tenslotte componeerde en hoorde ik de 71e psalm in de vorm van een Grande Motet, vijfstemmig en met rijke instrumentale begeleiding. Het stuk werd in drie dagen tweemaal tijdens een Concert Spirituel door bijna honderd geselecteerde uitvoerenden ten gehore gebracht. Met een goed gevoel nam ik afscheid, in de hoop op een weerzien.

Het lijkt me hier de plaats melding te maken van de kinderen die ik in twee huwelijken heb gekregen. Uit mijn eerste huwelijk heb ik alleen maar een dochter : Maria Wilhelmina Eleonora, geboren op 14 januari 1711. Uit mijn andere huwelijk heb ik een zoon Andreas, geboren op 25 mei 1715, tegenwoordig candidaat bij het eerbiedwaardige Hamburger ministerium; dan nog een zoon : Hans, geboren op 14 juli 1716, ooit cadet bij de Deense Busekistische Compagnie tijdens de veldtocht bij de Rijn in 1735, tegenwoordig in dienst bij Zijne Excellentie de Deense Geheimrath Von Alefeld. Dan nog een zoon : Henrick Matthias, geboren op 4 augustus 1716, leerling bij een drogist, de heer Mühlrath in Lübeck. Dan nog een dochter Clara, geboren 20 januari 1719; nog een zoon : August Bernhard, geboren 1 juli 1721 en gestorven op 2 mei 1738. Nog een zoon : Johann Bartold Joachim, geboren op 13 maart 1723, die na zijn schooltijd chirurg zal worden. Nog een zoon : Benedict Conrad Eibert, geboren op 8 april 1726 en gestorven op 10 december 1727. Het totaal bedraagt dus zeven zonen en twee dochters, van wie twee zonen zijn overleden. Ik heb dus nog vijf zonen en twee dochters in leven.

Voorts voeg ik nog een globale catalogus toe van de muziek die ik de afgelopen achttien jaar heb gecomponeerd:

  • Twaalf jaargangen (cantates)
  • Veel omvangrijke stukken met trompetten en pauken, voor hoge feestdagen
  • Ongeveer zevenhonderd aria’s voor gebruik bij de zanglessen
  • Negentien passie-muzieken waaronder twee geheel in dichtvorm; bij Das Seelige Erwägen is het libretto door mij geschreven
  • Zes composities bij de begrafenissen van burgemeesters
  • Twaalf composities bij de installatie van predikanten
  • Drie composities voor jubelfeesten, zoals bij het Reformatie feest, het feest van de Oberalten en dat van de Admiraliteit, waarbij voor bijna elke kerk afzonderlijke muziek voorhanden was
  • Drie composities voor kerkwijdingen
  • Twee grote oratoria
  • Vier Trauermusiken
  • Dertig serenades
  • Zestien composities bij huwelijkssluitingen
  • Zestien oratoria bij burgerkapiteinmaaltijden
  • Vijf en dertig composities van opera’s alhier
  • Voor-, tussen- en naspelen waaronder ook het libretto van Omphale door mij uit het Frans vertaald
  • Siege der Schönheit, hier en daar veranderd en aangevuld
  • Twee opera’s Stilico en Adelheid voor Bayreuth
  • Drie operettes voor Eisenach
  • Een reeks van vocale en instrumentale muziek voor de voormalige winterconcerten
  • 600 ouvertures, trio’s, concerten, klavierstukken, koraalbewerkingen, fuga’s, cantates etc. voor liefhebbers hier en elders

  • De volgende werken zijn in druk verschenen:

  • Harmonische Gottesdienst, 1 jaargang met één zangstem, één instrumentale partij en bc
  • De Fortsetzung daarvan met één zangstem, twee instrumenten en bc
  • Uittreksels van aria’s uit één jaargang, bij Kisner Verlag
  • Evangelische Jubelmuziek
  • Twee cantates
  • Zes wereldlijke cantates
  • Vrolijke aria’s uit de opera Adelheid
  • Het tussenspel Pimpinone
  • Zes ethische cantates met één zangstem en bc
  • Zes ethische cantates met één zangstem, één instrument en bc
  • Twaalf religieuze canons met 2, 3 en 4 stemmen
  • Een gezangboek
  • Sonates zonder bas, voor twee fluiten of violen
  • Methodische sonates met manieren voor viool of traverso en bc
  • De Fortsetzung daarvan
  • Het eerste ZevenMaal Zeven en Eén Menuet
  • Het tweede ZevenMaal Zeven en Eén Menuet
  • Heldenmuziek, een ouverture en suite
  • Zes kwartetten voor traverso, viool, gamba en cello en bc
  • Nieuwe sonatines voor klavier
  • Drie methodische trio’s
  • Drie schertsende sonates voor 2 violen/traverso’s en bc
  • 26 klavierfantasieën
  • Twaalf fantasieën voor traverso zonder bas
  • Dertien gambafantasieën
  • Tafelmuziek voor verschillende groepen instrumenten
  • Zes kwartetten of trio’s, met twee violen of traverso’s en twee cello’s
  • Twaalf soli voor traverso of viool en bc
  • Zes concerten en suiten voor klavier en traverso
  • Corelliserende sonates met twee violen of traverso’s en bv
  • Melodische Scherzi met viool, altviool en bc
  • Zes trio’s voor twee traverso’s en bc
  • Vierentwintig fugerende koralen voor orgel en klavier
  • Vrolijk Mischmasch of Schotse stukken voor klavier en andere instrumenten
  • Zes ouvertures met twee violen, altviool, twee waldhoorns en bc
  • Musicmeister, allerlei composities om te zingen en te spelen
  • Zang-, speel- en bc-oefeningen : aria’s, voorbeelden en regels bij de bc
  • Zes nieuwe kwartetten met instrumenten zoals de vorige, in Parijs gedrukt
  • Zes sonates in canon-vorm voor twee violen of traverso’s zonder bas
  • Galanterie-fuga’s en kleine stukken voor klavier
  • Zes symfonieën met twee violen, een waldhoorn en bc
  • Beschrijving van een Augen-Orgel, uit het Frans

Om goede vrienden een plezier te doen heb ik het volgende uitgegeven :

  • Zes soli voor viool en bc van de heer Graf
  • Zes duetten of trio’s voor twee violen, met of zonder bc van de heer Förster
  • Transponeermethode van de heer Haltmeier’.

  • ***

  • Een Lully wordt geroemd, Corelli laat zich prijzen
  • Alleen Telemann is boven alle lof verheven.

  • ***

vertaling : Spijkenisse, zondag 31 juli 2016