***











 

www.resantiquae.nl

Schubart, esthetica








CHRIST. FRIED. DAN. SCHUBARTS

 

IDEEËN

VOOR EEN ESTHETICA

VAN DE

TOONKUNST

UITGEGEVEN DOOR

LUDWIG SCHUBART

KONINKLIJK PRUISSISCH

LEGATIONSRAAD



WENEN

BIJ J.V. DEGEN

BOEKDRUKKER EN BOEKHANDELAAR 1806


http://de.wikipedia.org/wiki/Christian_Friedrich_Daniel_Schubart

De Ideeën voor een esthetica van de toonkunst onstonden in 1784 en 1785 toen Schubart op de burcht Hohenasperg gevangen zat. Tot een verdere uitwerking is het helaas nooit gekomen en zo bleef het werk een torso. De autograaf is verdwenen.

Over het muzikale genie

Geen spreekwoord is zo waar en van toepassing op de bedoelde personen als het volgende : Dichters en musici worden geboren.  Zo zeker als het is dat ieder mens met een muzikaal gen  ter wereld komt, zo staat het ook vast dat de werktuigen van oor en keel, ook een ongunstige bouw van de handen , soms ook de opvoeding  verhinderen deze muzikale kiem tot ontwikkeling te laten komen. Het muzikale genie heeft het hart als basis en ontvangt zijn indrukken door het oor. “Hij heeft geen oor, geen gehoor!” betekent zoveel  als : hij heeft geen talent voor muziek. De ervaring leert, dat mensen zonder maatgevoel ter wereld komen en dat ze doof en ontoegankelijk zijn voor de schoonheden van de toonkunst. Maar ook de toekomstige virtuoos kondigt zich al in zijn jeugd aan. Zijn hart is zijn hoofdaccoord, met zulke tere snaren bespannen dat ze  door iedere harmonische beroering een samenklank laten horen. Alle grote muzikale genieën zijn autodidact. Het vuur dat hen bezielt zet hen er voortdurend toe aan een eigen vliegroute te nemen. Mensen als Bach, Galuppi, Jomelli, Gluck en Mozart  onderscheidden zich al in hun jeugd door de heerlijkste scheppingen  van hun geest.  De muzikale samenklank lag al in hun zielen en ze konden al heel spoedig de kruk van de kunst weg werpen. De karaktertrekken van het genie zijn de volgende :

1.Enthousiasme voor het mooie en grootse in de muziek

2.Een uiterst gevoelig hart dat met alles  sympatiseert wat de muziek aan moois voortbrengt. Het hart is om zo te zeggen de klankbodem  van de grote toonkunstenaar. Deugt dit niet, dan zal hij nooit iets moois kunnen scheppen.

3.Een uiterst fijn oor dat iedere samenklank in zich opneemt en iedere dissonant met walging aanhoort.  Wanneer een kind zomaar zonder  instructie op de vleugel een akkoord speelt, wanneer meisje of jongen bij een volkslied de secunde kan treffen, wanneer  een kind het voorhoofd fronst bij het horen van dissonanten, wanneer een jonge stem al in zijn jeugd eigen melodieën zingt, dan is er spake van genie.

4.Natuurlijk gevoel voor ritme en maat. Geef een kind van zeven jaar een sleutel in zijn hand en zing of speel wat; wanneer hij de maat vanzelf slaat, ook wanneer ik even en oneven maten met elkaar combineer ,  dan hebben we met een muzikaal persoontje te maken.

5.Een onweerstaanbare liefde en belangstelling voor de toonkunst die ons zo hevig meesleurt dat we boven alle vreugden van het leven aan muziek de voorkeur geven, is een heel sterk criterium voor de aanwezigheid van een muzikale geest.  Toch kan dit kenmerk misleidend zijn. Er zijn mensen die alle dagen muziekstukjes afraffelen en nauwelijks boven de middelmaat uitkomen.

In één woord : de hemelse straal van het genie is van een zo goddelijke natuur dat zij zich onmogelijk laat verbergen. Hij drukt, drijft, stoot en brandt zo lang totdat hij zich manifesteert als een uitslaande vlam en  in olympische heerlijkheid oplicht. De mechanische musicus maakt slaperig; het muzikale genie maakt wakker en verheft de mens ten hemel.  Hij heeft ruimte genoeg om  op zijn cherubsvleugels ook de luisteraar mee te voeren de hoogte in. Ondertusen zal het muzikale genie zonder oefening  en vorming heel onvolmaakt blijven. Kunst moet afmaken en aanvullen wat de natuur onvoltooid heeft laten liggen. Want als er mensen zouden bestaan die in alle volmaaktheid worden geboren  op enig kunstzinnig terrein, dan zou het in de wereld al gauw gedaan zijn met vlijt en inspanning.De geschiedenis van de grote kunstenaars laat zien hoeveel zweet ze vergoten bij hun oefeningen, hoeveel olie hun nachtlamp opmaakte en hoeveel  mislukte pogingen ze in het haardvuur hebben geworpen, hoe ze in alle eenzaamheid vingers, oren en hart oefenden totdat ze eindelijk naar buiten traden en door hun meesterwerken de wereld een machtig ‘bravo!’ afdwongen. De grootste kwaliteit van het muzikale genie blijkt in zijn composities en in het dirigeren van een groot orkest. Een echte kapelmeester en muziekdirecteur moet op de hoogte zijn van alle muzikale stijlen en zich in minstens één ervan als meester doen gelden. Hij moet het contrapunt in de meest strikte zin hebben bestudeerd. Hij moet rijk zijn aan mooie en interessante melodische passages; hij moet het hart van de mensen grondig hebben onderzocht om even zeker op de snaren van het hart te kunnen spelen als op zijn eigen lievelingsinstrument. Uiteindelijk moet hij ook akoesticus zijn en honderd en meer spelers zo op één taak weten af te richten  dat daardoor een groot en effectief geheel ontstaat. Wie met de boeken van Mattheson of Junker in de hand  zijn best doet om een goede dirigent te worden, verbaast zich over de beroepskwalificaties op theoretisch en praktisch gebied.

Wee jou, zuigeling van de toonkunst, wanneer je er al van droomt kapelmeester te zijn voordat je nog de kwaliteiten van een goede tutti-speler bezit. Om met Handel te spreken : wanneer je admiraal wil zijn, moet je wel matrozenkennis bezitten. De half-opgeleide musici , de reizende krachtpatsers die vandaag de dag als zwermen sprinkhanen de muzikale wereld verduisteren mogen je afschrikken zodat je je in je kamertje opsluit en je daar in verdiept in melodie, modulatie en harmonie en daarna pas onder je tijdgenoten kunt verschijnen als volledig ontwikkeld genie.

 

Over de muzikale uitdrukking

De muzikale uitdrukking is om zo te zeggen de gouden as waar de esthetica der toonkunst omheen draait. We verstaan daaronder de bij elk individueel stuk, elke afzonderlijke gedachte passende voordracht. Binnen de muzikale uitdrukking kunnen we drie aspecten onderscheiden : juistheid, duidelijkheid en schoonheid.

De juistheid bestaat in het nauwkeurig lezen en het in acht nemen van het ritme. Het lezen is veel moeilijker dan menigeen denkt. Omdat iedere muzikale gedachte zijn specifieke voordracht in zich zelf insluit, komt het er alleen maar op aan dat ik binnendring in de natuur van deze gedachte en hem karakteristiek weergeef. Het is in de muziek als in de welsprekendheid : een nauwkeurig op toon lezen moet vooraf gaan aan een fraaie declamatie. Voor dit lezen is een langdurige oefening vereist. Men moet de partituren van grote componisten vele malen doorstuderen, zijn hand oefenen door het voordragen van moeilijke passages en ook de eenvoudigste delen niet verwaarlozen. Er zijn namelijk eenvoudige delen die moeilijker zijn voor te dragen dan de moeilijkste. Deze paradox kan worden opgelost  wanneer men weet dat gemakkelijke delen een diep gevoel voor schoonheid vereisen en de moeilijke delen meestal alleen maar techniek.  Ik heb grote vocalisten en pianisten gehoord die de moeilijkste aria’s en concerten met bewonderenswaardige virtuositeit voordroegen en toch niet in staat waren het eenvoudigste koraal of het simpelste volkslied te zingen of te spelen. Door vlijtig solfeggeren en door oefeningen in de vingerzetting kunnen zanger en instrumentalist gemakkelijk die leesvaardigheid verwerven.

De tweede eigenschap van een goede muzikale voordracht is duidelijkheid. Wat men niet begrijpt,dringt ook niet door tot het hart. Men moet dus iedere muzikale komma, elke afzonderlijke noot scherpe contouren geven en zich oefenen in een goede aanslag (niets werkt duidelijker dan een deel dat staccato wordt gespeeld) , nooit mompelen wanneer men moet spreken en zich in het bijzonder  bij de voordracht om een mooie afronding bekommeren.  Vooral de zanger heeft deze duidelijkheid nodig, want helaas gaat tussen lippen en tanden van de meeste vocalisten de mooiste poëzie verloren.Vaak is daarom het effect eenzijdig in plaats van dubbel : muziek en poëzie moeten in gelijk mate op het hart inwerken. Dit verklaart ook waarom er tijdens onze concerten zo weinig aandacht is. Zing maar eens een goed volkslied duidelijk en begrijpelijk en kijk! Alle ogen kijken op. alle oren luisteren en alle harten openen zich. Alle vocalisten  lezen eerst hun tekst nauwkeurig door en laten de betekenis van elk woord tot zich doordringen. Ze geven elk woord zijn bepaalde uitspraak en zorgen ervoor dat ze de vocalen niet zo afschuwelijk uitrekken waardoor de voordracht meestal onbegrijpelijk wordt.

De derde eigenschap van de muzikale voordracht is tenslotte schoonheid.

Wie een gevoelig hart bezit, wie zich empathisch opstelt tegenover dichter en musicus, wie zich laat meevoeren door de stroom van het gezang, wie de hemelse schoonheid op het uur van de inwijding ongesluierd zag, die behoeft slechts een wenk, en hij zingt mooi en zal elk stuk mooi weten voor te dragen.

 

Ook in de toonkunst bestaat schoonheid uit zo veel oneindig fijne nuances dat het onmogelijk is ze allemaal te omschrijven. Een onschuldig en lief meisje is mooi zonder dat ze het zelf weet, in elk geval kan zee haar teint en ieder aspect van haar schoonheid niet uiteen zetten. Ondertussen kunnen hier toch wel wat interessante opmerkingen over gemaakt worden.

Het laten vervloeien van tonen, een licht bevallig portamento of het zweven van de ene toon naar de andere, het aanzwellen, stijgen, dalen en wegsterven van de tonen; de naieviteit waarmee men achteloos kleine versieringen toevoegt, de mooie contour waarmee men elk deel markeert, een zacht vibrato, het inademen, de lieflijke triller, de smeltende voorslagen,  tenslotte de mooie plaats van de musicus en de uitdrukking van zijn innerlijk op zijn gezicht – dat alles maakt samen een mooie voordracht uit.

Omdat elke gedachte zijn eigen kleur heeft en omdat er zich tussen de rode vuurkleur van het pathos en  de roze kleur van de onschuldige vreugde ongelooflijk veel schakeringen liggen, is het even onmogelijk al deze nuances te beschrijven als iedere nuance in het koloriet van een Titiaan, Correggio en Mengs.    Deze en nog meer plichten moet diegenen vervullen die alleen maar dingen voordragen  die een ander heeft gecomponeerd.

Oneindig belangrijker is de muzikale uitdrukking bij de componist zelf. Hij moet alles weten wat dichter en redenaar weten en hij moet met dat alles nog de meest volkomen kennis van de toonkunst verbinden.

Wanneer het om pathos gaat nemen we als voorbeeld het kerkelijke pathos, dat een sobere, grootse, diepzinnige en alles doordringende uitdrukking heeft. Enkele van onze koralen werken al sinds eeuwen op alle mensenharten. Wat ligt er aan die werking ten grondslag? Eenvoud, eerbied, grootheid die altijd en overal alle harten overweldigen en ten hemel voeren. Bij de uitdrukking van de kerkstijl behoort een heel warm gevoel voor religie, affiniteit met het grootse en het tederste gemoed dat aan de eenvoudigste gebedsformule een muzikale taal kan verlenen. Bepaalde situaties geven richting aan  de muzikale uitdrukking in de kerken. De triomfantelijke stijl bijvoorbeeld past bij feestdagen. Er golft een vloed van tonen die de vreugdevolle gevoelens naar de hemel draagt. Wanneer iemand de woorden ‘God vaart op met gejuich en gejubel’op muziek wil zetten is daarbij de overheersende gedachte die van de triomfantelijke hemelvaart van Christus zoals Klopstock die heeft geschilderd. De componist moet stilstaan bij de gedachte ‘God’ hij moet die gedachte meermalen variëren en door een generale pauze in het hart van de toehoorders laten doordringen. De idee ‘vaart op’ moet als de dominante gedachte uitsteken boven de gehele compositie. Alle tonen moeten geleidelijk aan gaan stijgen en de held opheffen ten hemel. ‘met gejuich en gejubel’ komen er als gedachte alleen maar bij.  Het zou dwaasheid zijn wanneer de componist zich ertoe zou laten verleiden  ze door zorgvuldige uitwerking tot hoofdgedachte van zijn compositie te maken. Het stuk mag natuurlijk best juichen en jubelen,  maar de ten hemel varende God  moet opglanzen temidden van de jubelende massa.

 

http://nl.wikipedia.org/wiki/Requiem_(muziek)
http://www.requiemsurvey.org/

Een  requiem moet helemaal in de kleur van de zwaarmoedigheid zijn gedoopt. De woorden ’Requiem aeternam da nobis, Domine!’ [Heer, schenk ons eeuwige rust!] bevatten één overheersende uitdrukking die onmogelijk in een sterk gecoloreerde [van voortekens voorziene]  toonsoort als A groot, E groot en B groot etc. kan worden weergegeven. Ook C groot en a klein zijn voor dit thema te licht. Zo blijven alleen maar de toonsoorten met mollen als voortekens over. Deze wiegen door hun tederheid niet alleen in slaap, maar ze duiden door hun wegstervende dofheid  ook op de natuur van de dood. Iedere componist zou dus voor een dergelijk stuk moeten kiezen uit Es groot, c klein, As groot, f klein. Bes groot of g klein kiezen. Omdat het er heel erg op aankomt bij een bepaalde muzikale uitdrukking een passende toonsoort te kiezen geef ik hieronder een toonsoorten- karakteristiek .

 

 

Karakteristiek van de toonsoorten.

Iedere toon is ofwel gekleurd of niet gekleurd [dat wil zeggen : al dan niet van voortekens voorzien] .Onschuld en eenvoud drukt men met niet gekleurde noten uit.  Zachte, melancholieke gevoelens worden uitgedrukt met mol-toonsoorten en wilde en sterke hartstochten met kruis-toonladders.

C groot is volkomen rein. Zijn karakter luidt : onschuld, eenvoud, naieviteit,kindertaal.

A klein : vrome vrouwelijkheid en slapheid van karakter

F groot : behaaglijkheid en rust

D klein : zwaarmoedige vrouwelijkheid die spleen en mist inhoudt

Bes groot : vrolijke liefde, goed geweten, hoop, uitkijken naar een betere wereld.

G klein : onbehagen, een mislukt plan toch weer op weg willen helpen, mismoedig knagen aan het gebit, kortom : woede en onlust.

Es groot : toon  van de liefde, de eerbied, het vertrouwelijk gesprek met God; drukt door zijn drie mollen de drieëenheid uit.

C klein : liefdesverklaring en tegelijk klacht van een  ongelukkige liefde; ieder smachten, verlangen, zuchten van de dolverliefde ziel ligt in deze toonsoort besloten.

As groot : doodgraverstoonsoort. Dood, graf, ontbinding, laatste oordeel, eeuwigheid.

F klein : diepe zwaarmoedigheid, klacht bij het lijk, jammeren en steunen, verlangen naar het graf.

Des groot : een loensende toon die in leed en behaaglijkheid kan uitmonden. Lachen kan hij niet, wel glimlachen, huilen kan hij niet, wel huilgrimassen maken; een toonsoort voor bijzondere karakters en gevoelens.

Bes klein : een zonderling, meestal gekleed in het gewaad van de nacht. Hij is wat knorrig en kijkt hoogst zelden vriendelijk. Verwijten aan God en de wereld. Ongenoegen over zichzelf en alles; voorbereiding tot zelfmoord.

Ges groot : het overwinnen van een probleem, het vrij herademen op bedwongen heuvels, naklank van de ziel die hevig heeft gestreden en uiteindelijk gewonnen heeft.

Es klein : paniekgevoelens in het diepst van de ziel; een langzaam toenemende vertwijfeling, de zwartste zwaarmoedigheid, een duistere ziel. Iedere angst, aarzeling van een huiverend hart. Als spoken konden spreken dan spraken ze ongeveer in deze toonsoort.

B groot : sterk gekleurd, een aankondiging van wilde hartstochten, uit de schreeuwendste kleuren samengesteld.Toorn, jaloezie, razernij, vertwijfeling.

 Gis klein : een tot verstikkens toe gekweld hart. Een jammerklacht die in een dubbelkruis wegebt. Zware strijd, kortom alles wat moeilijk doordringt.

E groot : luid juichen, een lach van vreugde, een nog niet volmaakt genot.

Cis klein : boeteklacht, vertrouwelijk gesprek met God; een vriend of levensgezellin. Een zucht van onbevredigde liefde.

A groot : onschuldige liefdesverklaring; tevredenheid. Hoop op weerzien bij scheiding van geliefden; jeugdige vrolijkheid en Godsvertrouwen. Ongenoegen en woede.

Fis klein : een duistere toon die aan de hartstocht trekt als een hond aan een gewaad.

D groot : de toonsoort van de triomf, het halleluja, het krijgsgeschreeuw en de overwinningsjubel. Daarom gebruikt men deze toonsoort in ouvertures, marsen, feestgezangen en hemelopjuichende koren.

B klein : de toonsoort van het geduld van de stille afwachting van zijn lot en het zich schikken in de goddelijke plannen. Daarom is zijn klacht zo zacht zonder ooit in een beledigend jammeren uit te breken. De vingerzetting is in deze toonsoort op alle instrumenten altijd lastig.Daarom vindt men zo weinig stukken die in deze toonsoort zijn gecomponeerd.

G groot : al het landelijke, idyllische en ecloga-matige, ieder rustige en bevredigde hartstocht, iedere dank voor oprechte vriendschap en trouwe liefde; kortom : iedere rustige beweging van het hart. Jammer, dat hij vanwege zijn schijnbare gemakkelijkheid vandaag de dag zo wordt verwaarloosd. Moeilijk of gemakkelijk hangen overigens niet samen met een bepaalde toonsoort maar met het gebruik dat de componist ervan maakt.

E klein : naieve, vrouwelijk-onschuldige liefdesverklaring, klagen zonder morren, een zucht door enkele tranen begeleid; hoop is nabij in de c groot toonsoort. Omdat hij van nature maar één kleur heeft (namelijk 1 kruis) kan men hem met een meisje vergelijken dat in het wit gekleed is met een roze sluier.Vanuit deze toonsoort kan men op heel charmante manier de toonsoort van C groot bereiken, een volkomen bevredigende ervaring voor het oor.

 

Wanneer men tegen deze karakteristiek zou willen opmerken dat vanwege de vele uitzonderingen geen enkele toonsoort een bepaald karakter kan hebben, moet men wel bedenken dat het de plicht van elke componist is, een nauwkeurige studie te maken van het karakter van zijn toonsoorten en alleen de sympathetische (bij het muziekstuk passende) toonsoorten aan te wenden. Zodra hij een toonsoort gevonden heeft die past bij de dominante emotie, mag hij nooit in een toonsoort vervallen die daarmee in strijd is. Het zou onuitstaanbaar zijn wanneer een aria in C groot in het eerste deel in B groot zou eindigen of wanneer men van f klein plotseling naar Fis groot zou overstappen. Kortom, de  muzikale uitdrukking door alle toonsoorten is zo nauwkeurig vastgelegd dat hij veel nauwkeuriger is dan de poëtische manier van uitdrukken, hoewel niet iedereen het daarover eens is.

Eerbied en voornaamheid vormen  het karakter van de kerkelijke uitdrukking. Het wonderbare, heroïsche, majesteitelijke, schokkende, treurige en vrolijke is het karakter van de dramatische uitdrukking.

 

De uitdrukking van kamermuziek laat zich vatten onder de termen vertrouwelijk gesprek, gezelligheid, aanpassing aan elk karakter.

 

Spijkenisse, dinsdag 23 juli 2013