***











 

www.resantiquae.nl

Schopenhauer

ARTHUR SCHOPENHAUER : DIE WELT ALS WILLE UND VORSTELLUNG

·        Nadat we in het voorafgaande alle schone kunsten op hoofdlijnen hebben behandeld, constateren we dat één schone kunst buiten onze beschouwing is gebleven en moest blijven, omdat er in de systematische samenhang van onze beschrijving geen passende plaats voor haar is te vinden. Het betreft de Muziek. Zij staat volledig geïsoleerd af van alle andere kunsten. In haar  vinden we niet de nabootsing en herhaling van enig idee van de verschijnselen in de wereld.  Toch is ze een grote en buitengewoon heerlijke kunst die zo machtig inwerkt op het innerlijk van de mens, zo volledig en diep door hem wordt begrepen als volkomen algemene taal waarvan de duidelijkheid zelfs die van de zichtbare wereld zelf overtreft,  - dat we zeker meer in haar hebben te zoeken dan een exercitium arithmeticae occultum nescientis  se numerare animi (~ verborgen oefening in de wiskunde van een ziel die niet weet dat hij telt) ,  zoals Leibnitz haar aanduidde en terecht, voor zover hij alleen maar haar onmiddelbare en uiterlijke betekenis op het oog had.

Wanneer ze echter niets meer zou betekenen, dan zou de bevrediging die ze verschaft,  lijken op het genoegen wat we beleven bij een goede oplossing van een rekenvoorbeeld.  Het zou niet die intense vreugde kunnen opleveren waarmee we het diepste innerlijk van ons wezen in taal uitgedrukt zien.  Wanneer we de esthetische werking op het oog hebben, moeten we haar een veel serieuzere en diepere betekenis toekennen, een betekenis die betrekking heeft op het diepste wezen van de wereld en onszelf.  In verband hiermee  moeten de getallenverhoudingen waarin ze zich laat oplossen, niet gezien worden als het betekende, het aangeduide,  maar als teken.  Dat ze in zekere zin tot de wereld staat als voorstelling tot het voorgestelde, als na-beeld bij een voorbeeld, kunnen we constateren uit de analogie met de overige kunsten.  Deze hebben namelijk ditzelfde als specifiek kenmerk en over het algemeen dezelfde werking op ons als de muziek, die echter wel sterker, sneller, noodzakelijker en onfeilbaarder werkt.  Die imiterende betrekking van haar  tot de wereld  moet een zeer intense en oneindig ware zijn, omdat ze door iedereen onmiddellijk begrepen wordt en daardoor een zekere onfeilbaarheid  laat blijken doordat haar vorm te herleiden is tot heel bepaalde, in getallen uit te drukken regels waarvan ze niet kan afwijken zonder op te houden muziek te zijn. – Toch ligt het vergelijkingspunt tussen muziek en wereld, het aspect waarin de ene tot de andere staat in de verhouding qua nabootsing of herhaling, zeer diep verborgen.  Te allen tijde heeft men muziek beoefend zonder zich hierover rekenschap te kunnen geven.  Men is er tevreden mee haar onmiddellijk te begrijpen en ziet dan  ook af van een abstract begrijpen  van dit onmiddellijke verstaan zelf.

Het onuitsprekelijk intense van muziek waardoor ze als een volkomen vertrouwd en toch eeuwig ver paradijs aan ons voorbij trekt, zo volkomen begrijpelijk en toch zo onverklaarbaar is,  berust daarop,  dat ze alle gevoelens van ons diepste wezen weergeeft, maar dan zonder werkelijkheid en de gebreken daarvan. Zo is de voor haar kenmerkende ernst die het lachwekkende volkomen uit haar eigen gebied isoleert, daaruit te verklaren, dat haar object niet de voorstelling is met betrekking waartoe bedrog en lachwekkendheid alleen maar mogelijk zijn.  Haar object is de wil zonder meer  en deze is in wezen het allerernstigste waarvan alles afhangt.

Wanneer ik nu in deze beschrijving van de muziek mijn best gedaan heb duidelijk te maken, dat ze in een hoogst algemene taal het diepste wezen, het an-sich van de wereld , dat wij met zijn duidelijkste formulering onder het begrip wil vatten, uitspreekt met een uniek middel , namelijk alleen maar tonen en dat met de grootste bepaaldheid en waarheid, en wanneer zij verder, naar mijn opvatting en neiging,  niets anders is dan een volledig herhaling en  formulering van het wezen van de wereld, in zeer algemene begrippen,  omdat alleen maar daarmee een overal voldoende en aanwendbaar overzicht van dat gehele wezen mogelijk is, dan zal degene die mij heeft willen volgen en in mijn manier van denken is meegegaan, het echt niet zo paradoxaal vinden, wanneer ik zeg, dat, gesteld, dat een volkomen juiste, volledige en tot in het detail gaande verklaring van de muziek zich kan  ontwikkelen, dus een uitvoerige herhaling van datgene wat ze uitdrukt, in begrippen te vatten, dan ook dadelijk een afdoende herhaling en verklaring van de wereld in begrippen, of een aan zo’n verklaring gelijk luidende, de ware filosofie zou zijn en dat we dus daarom de uitspraak van Leibnitz , die op lager niveau volkomen juist is, overeenkomstig ons hogere standpunt over muziek als volgt kunnen parodiëren : Musica est exercitium metaphysices occultum nescientis se philosophari animi (~Muziek is een verborgen oefening in metaphysica van een ziel die niet weet dat ze filosofeert) . Want scire, weten, wil overal zeggen : in abstracte begrippen hebben omschreven.  Omdat nu verder vanwege de veelvoudig bevestigde waarheid van de uitdrukking van Leibnitz, muziek afgezien van haar esthetische of innerlijke betekenis, en zuiver uiterlijk en puur empirisch beschouwd, niets anders is, dan het middel om grotere getallen en meer complexe getallenverhoudingen die we anders alleen maar indirect, namelijk door omschrijving in begrippen, kunnen leren kennen, direct en in concreto op te vatten, kunnen we nu door het combineren van die beide uiteenlopende opvattingen over muziek, ons een voorstelling maken van de mogelijkheid van een getallenfilosofie, zoals die van Pythagoras was en ook die van de Chinzen in het Y-king-boek.  We kunnen dan de muziek duiden volgens een spreuk van de Pythagoreeërs die geciteerd wordt door Sextus Empiricus (adversus Mathematicos, boek VII) tw ariqmw de ta panta epeoiken , numero cuncta assimilantur.  Wanneer we deze opvatting in verband brengen met onze bovenstaande interpretatie van harmonie en melodie, dan zullen we een moraalfilosofie vinden zonder verklaring van de natuur,  vinden zoals Sokrates wilde invoeren, volkomen analoog aan een melodie zonder harmonie, de uitdrukkelijke keuze van Rousseau, gen in tegenstelling hiermee zal een pure fysica en metafysica zonder ethica overeenkomen met harmonie zonder melodie. 

Naast deze terloopse opmerking zij het me vergund nog enkele kanttekeningen te plaatsen die betrekking hebben op de analogie tussen  muziek en de wereld zoals die zich aan ons voordoet. In ons vorige boek constateerden we, dat het hoogste niveau van objectivering van de wil, de mens, niet alleen en geïsoleerd kan schijnen, maar dat de eronder staande trappen lagere trappen veronderstellen en ook die weer lagere trappen.  Zo is muziek die net als de wereld de wil direct objectiveert, pas volmaakt in de volledig harmonie. De hoge, leidende stem van de melodie heeft om echt indruk te maken, de begeleiding van alle andere stemmen nodig, tot de laagste bas aan toe die als de oorsprong van alle andere is aan te merken.  De melodie grijpt als geïntegreerd bestanddeel in de harmonie in, zoals ook de harmonie in de melodie.  Zoals muziek in polyfonie uitspreekt wat ze bedoelt uit te spreken, zo vindt de ene en buitentijdelijke wil zijn volkomen objectivering alleen  maar in de volledige combinatie van alle niveaus die in ontelbare graden van toenemende duidelijkheid zijn wezen openbaren.

Heel merkwaardig is nog de volgende analogie.  In ons vorige boek hebben we gezien dat ongeacht het zich-aanpassen van alle wilsverschijningen aan elkaar, met betrekking tot de manieren waartoe de teleologische beschouwing aanleiding geeft, toch van een niet te beëindigen concurrentie tussen die verschijningen als individuen sprake blijft, op alle niveaus ervan zichtbaar is en de wereld tot een voortdurend  strijdtoneel maakt van al die verschijningen van één en dezelfde wil waarvan de innerlijke tegenspraak met zich zelf daardoor zichtbaar blijft.  Iets hiermee overeenkomstigs komt ook in de muziek voor. Een volkomen rein harmonisch toonsysteem is niet alleen fysiek maar ook aritmetisch gezien onmogelijk. De getallen zelf, waardoor de tonen zich uitdrukken, hebben onoplosbare irrationaliteiten. Er kan geen toonladder worden berekend waarbinnen de kwint zich tot de grondtoon verhoudt als 2 : 3, iedere grote terts als 4 : 5, iedere kleine terts als 5 : 6 etc. Want wanneer deze tonen rein zijn ten  op zichte van de grondtoon, dan zijn ze het niet meer tot elkaar. Dan zou de kwint de kleine terts van de terts moeten zijn etc. De tonen van de toonladder zijn met toneelspelers te vergelijken die nu eens deze dan weer die rol moeten vervullen. Een muziek met alleen maar zuiverheid laat zich niet indenken, laat staan uitvoeren.  Iedere mogelijke muziek wijkt dus af van de volmaakte reinheid. Ze kan alleen maar de voor haar wezenlijke dissonanten verstoppen door deze onder alle tonen te verdelen, dat wil zeggen door temperatuur.

Ik zou nog heel wat kunnen aanvullen over de manier waarop muziek wordt waargenomen, namelijk enkel en alleen in de tijd, met volledige uitsluiting van de ruimte, ook zonder invloed van de kennis van de causaliteit, dus van het verstand: tonen veroorzaken een esthetische indruk door hun werking en zonder dat we teruggaan op hun oorzaak.

Is de gehele wereld als voorstelling alleen maar de zichtbaarheid van de wil, dan is kunst de verduidelijking van deze zichtbaarheid, de camera obscura die voorwerpen zuiverder toonten beter laat overzien en samenvatten, het toneelstuk in het toneelstuk, het toneel op het toneel  in “Hamlet”.

Het genieten van alle schoonheid, de troost die de kunstenaar schenkt, het enthousiasme van de kunstenaar die hem de moeiten van het leven laat vergeten, een privilege van het genie boven de andere mensen dat hem schadeloos stelt voor het met de helderheid van bewustzijn  in gelijke mate toegenomen leed en voor de ellendige eenzaamheid onder een heterogeen geslacht, - dit alles berust daarop dat, zoals we nog zullen zien,  het an-sich van het leven, de wil, het bestaan zelf een voortdurend lijden is, deels jammerlijk, deels angstaanjagend.  Als voorstelling alleen, zonder meer aanschouwd, of door de kunst herhaald, biedt het, vrij van het negatieve, een belangrijk schouwspel. Deze zuiver kenbare kant van de wereld en de herhaling daarvan in een of andere kunst  is het domein  van de kunstenaar. Hem boeit de beschouwing van het schouwspel van de objectivering van de wil. Daarbij blijft hij staan, wordt niet moe om het te bekijken en herhaaldelijk af te beelden  en draagt zo zelf de kosten van de opvoering van dat schouwspel, dat wil zeggen, hij is zelf de wil die zich zo objectiveert  en in voortdurend leed vertoeft. Die zuivere, ware en diepe kennis van het wezen van de wereld wordt voor hem nu een doel op zich en hij blijft bij haar staan.  Daarom  wordt ze  voor hem niet een Quietief (rustmiddel) van de wil en verlost hem niet voor altijd, maar alleen maar tijdelijk van het leven, en is voor hem niet de weg uit dat leven, maar soms een stuk troost in dat leven, totdat zijn daardoor toegenomen kracht, moe van het spelen, de ernst aangrijpt. Als zinnebeeld van deze overgang kan men de Heilige Cecilia van Rafaello beschouwen.