***











 

www.resantiquae.nl

Scheibe vs Birnbaum

DE SCHEIBE VS BIRNBAUM-CONTROVERSE

http://en.wikipedia.org/wiki/Johann_Adolf_Scheibe

In het jaar 1737 publiceerde de musicus en musicoloog Johann Adolf Scheibe in zijn tijdschrift Der Critische Musicus een essay in briefvorm, waarin hij de eigenaardigheden van enkele aanzienlijke componisten op de hak nam. De brief is zogenaamd geschreven door een ‘voortreffelijk  muzikant die zich momenteel op reis bevindt’. Scheibe die de overgevoeligheid van zijn collega’s wel kende, noemde noch naam noch plaats. Voor de toenmalige kenners en liefhebbers van muziek waren de aanwijzingen zeker voldoende om de bedoelde personen te kunnen identificeren. Scheibe gaat heel duidelijk in op de esthetische verandering die zich in de eerste helft van de 18e eeuw voltrok : weg van de contrapuntische hoogstandjes en het polyfone stemmenweefsel naar een eenvoudiger manier van componeren met meer aandacht voor melodie en bovenstem. In de visie van Scheibe was  Johann Sebastian Bach de representant bij uitstek van de verouderde contrapuntische stijl. Dat Bach blijkens zijn suites en partita’s feitelijk in beide muzikale werelden thuis was, zag Scheibe, in het kader van de polemiek, bewust over het hoofd.

J. A. Scheibe: Critischer Musikus. Het zesde hoofdstuk.

Dinsdag 14 mei 1737

 

De persoon om wie het hier gaat is onder de huidige muzikanten  de belangrijkste. Hij is een buitengewoon kunstenaar op klavecimbel en orgel; hij heeft destijds maar één andere persoon gevonden met wie hij om de eerste plaats kon strijden. Ik heb deze man verschillende keren horen spelen en stond perplex vanwege zijn virtuositeit. Men kan nauwelijks begrijpen, hoe het mogelijk is dat hij zijn vingers en voeten zo behendig in elkaar kan schuiven en kan uitrekken en er de wijdste sprongen mee kan maken, zonder ook maar één misslag te maken  of door een heftige beweging uit evenwicht te raken. Deze grote kunstenaar zou door hele naties worden bewonderd, wanneer hij toegankelijker schreef en speelde en niet zijn muziek van alle natuurlijkheid zou ontdoen door een bombastische en verwarde  stijl en haar kwaliteit door al te grote gekunsteldheid te niet zou doen.  Omdat hij bij het componeren uitgaat van zijn eigen vingervaardigheid, zijn zijn stukken ongelofelijk moeilijk te spelen. Hij verlangt namelijk van zangers en instrumentalisten dat ze met stem en instrument datzelfde voor elkaar krijgen wat hij op toetsen presteert, een volstrekt irreëel verlangen. Alle nuances, alle kleine versieringen en alles wat men onder de wijze van uitvoeren verstaat, drukt hij met aparte noten uit. Daarmee ontneemt hij zijn muziek niet alleen de schoonheid van de harmonie, maar  maakt hij ook het gezang moeilijk te volgen. Alle stemmen treden gelijktijdig  op en met gelijk moeilijkheidsniveau en er valt geen uitkomende stem meer te herkennen. Kortom : hij is op muzikaal gebied dat, wat destijds de heer Von Lohenstein in de poëzie was.

http://en.wikipedia.org/wiki/Daniel_Casper_von_Lohenstein

Bombast heeft beiden van het natuurlijke naar het gekunstelde, van het verhevene naar het duistere gevoerd. Men bewondert bij beiden de noeste arbeid en een uitzonderlijke inspanning, die tevergeefs zijn aangewend, omdat ze ingaan tegen de natuur en het verstand.

J. A. Birnbaums repliek op  J.A. Scheibe

[We mogen aannemen dat Bach kennis genomen heeft van het polemische geschrift van Scheibe. Of hij ook zijn vriend, de retorica-docent Johann Abraham Birnbaum (1702-1748) opdracht gaf de volgende repliek te publiceren, is niet met zekerheid vast te stellen.Birnbaum was even bekend om zijn strijdlust als om zijn vrij conservatieve houding. Zijn repliek is op bepaalde punten uitgesproken fel. ]

Birnbaum:onpartijdige opmerkingen

Leipzig Begin  JANUARI 1738

Onpartijdige  opmerkingen over een bedenkelijke passage in het zesde hoofdstuk van de Critische Musicus

Gedrukt in dit jaar
door de auteur met veel toewijding opgedragen  aan de hoogedele Heer Johann Sebastian Bach, hofcomponist en kapelmeester  van Zijne Koninklijke Majesteit  in Polen en doorluchtige keurvorst in Sachsen en directeur van de muziek en Cantor aan de Thomasschool in Leipzig

HORATIVS.
Quid uerum atque decens curo, &
rogo, & omnis in hoc sum.

 

Wat waar en passend is, vraag ik me met zorg af; hierop richt ik me met mijn hele persoon.

Diegene moet nog geboren worden die het bijzondere geluk zal smaken bij iedereen in de smaak te vallen. We zullen het allemaal moeten toegeven : we zullen in een maar al te onvolkomen wereld tevergeefs wachten op een mens die algemene bijval verdient omdat hij alle volkomenheden in zich verenigt.  We mogen anderzijds heel tevreden zijn wanneer bij de onverbrekelijke verbinding van goed en kwaad, het eerste de overhand heeft op het laatste. Lof en kritiek zijn de gebruikelijke oordelen van de mensen die beide in ogenschouw nemen. Beide  moeten in alle eerlijkheid worden bekeken en vooral moet de waarheid voor hen spreken. Maar hoe groot is het aantal van diegenen die in dit geval de werkelijke volkomenheden en onvolkomenheden weten te onderscheiden?  Bezaten allen die het als beroep hebben, andermans doen en laten te beoordelen, maar de hiervoor vereiste kwaliteit. Dan zou ieder zonder twijfel recht gedaan worden. Het aantal minderwaardige huichelaars en onbezonnen critikasters zou in elk geval kleiner zijn dan nu.

Ondertussen leert de ervaring van alledag, dat lof en kritiek de gevaarlijkste stenen des aanstoots zijn waarop de oordelen van de meeste mensen stuklopen. Er is weinig nadenken voor nodig om hiervan meer dan één oorzaak te vinden. Vaak  ontbreekt het aan grondig inzicht in de te prijzen of te laken zaken. Men oordeelt over zaken waarvan men geen verstand heeft. Vaak ook wordt men door al te partijdige gevoelens verblind. Een dergelijk oordeel doet de waarheid altijd geweld aan.  Soms schrijft een eigenzinnige,  en daarbij ook slechte, smaak, het verstand de wet voor.  Wat ermee overeenstemt wordt alleen als prijzenswaardig erkend.Wat ertegen in gaat wordt eenvoudigweg als negatief verworpen. Ook wordt men door het algemene oordeel van de wereld meegesleept. Men spreekt meer volgens  de vooropgezette meningen van anderen dan uit eigen overtuiging. Zo kan het niet anders of personen en zaken met buitengewone kwaliteiten worden beroofd van de hun van rechtswege toekomende waarde.

Dit ongeveer waren de gedachten die toevallig bij me opkwamen, toen mijn oog viel op het zesde hoofdstuk van de Critische Musicus. Ik las daarin een brief  die lof en kritiek bevatte op diegenen die in Duitsland en Sachsen de voornaamste musici zijn of daarvoor gehouden willen worden. Omdat de schrijver niet zijn naam noemt, maar toch over de één en de ander behoorlijk openhartig oordeelt, wilde ik wel eens wat nauwkeuriger weten  door wie deze brief geschreven is. Deze nieuwsgierigheid leek me heel terecht. Ik geloofde dat bekendheid met de persoon die zijn oordelen voor de hele wereld ten toon spreidt, kan leiden tot een nader onderzoek van zijn kwaliteiten en inzicht in datgene waarover hij een oordeel velt. Ik zou ook de gelegenheid hebben de waarde van die oordelen beter in te schatten. Ik sloeg aan het speculeren en kwam uit op verschillende vermoedens waarvan er enige misschien niet ongegrond waren. Enkele bijzondere kenmerken van de bewuste brief lieten heel duidelijk zien dat men niet lang op de schijf [schijf : Scheibe] hoefde te mikken wanneer men het zwarte wilde treffen. Ik zei al, dat de bedoeling van deze brief erop neer kwam zowel de verdiensten als ook de tekortkomingen  van enkele componisten en musicologen aan de orde te stellen. Wel jammer, dat de oordelen niet altijd met de werkelijkheid overeenstemmen en heel sterk smaken naar een vooroordeel. Als bewijs daar van moge het volgende voorbeeld dienen :

 

‘De persoon om wie het hier gaat is onder de huidige muzikanten de belangrijkste. Hij is een buitengewoon kunstenaar op klavecimbel en orgel; hij heeft destijds maar één andere persoon gevonden met wie hij om de eerste plaats kan strijden. Ik heb deze man verschillende keren horen spelen en stond perplex vanwege zijn virtuositeit. Men kan nauwelijk begrijpen, hoe het mogelijk is dat hij zijn vingers en voeten zo behendig in elkaar kan schuiven en kan uitrekken en er de wijdste sprongen mee kan maken, zonder ook maar één misslag te maken  of door een heftige beweging uit evenwicht te raken. Deze grote kunstenaar zou door hele naties worden bewonderd, wanneer hij toegankelijker schreef en speelde en niet zijn muziek van alle natuurlijkheid zou ontdoen door een bombastische en verwarde  stijl en haar kwaliteit door al te grote gekunsteldheid te niet zou doen.  Omdat hij bij het componeren uitgaat van zijn eigen vingervaardigheid, zijn zijn stukken ongelofelijk moeilijk te spelen. Hij verlangt namelijk van zangers en instrumentalisten dat ze met stem en instrument datzelfde voor elkaar krijgen wat hij op toetsen presteert, een volstrekt irreëel verlangen. Alle nuances, alle kleine versieringen en alles wat men onder de wijze van uitvoeren verstaat, drukt hij met aparte noten uit. Daarmee ontneemt hij zijn muziek niet alleen de schoonheid van de harmonie, maar het maakt ook het gezang moeilijk te volgen. Alle stemmen treden gelijktijdig  op en met gelijk moeilijkheidsniveau en er valt geen uitkomende stem meer te herkennen. Kortom : hij is op muzikaal gebied dat, wat destijds de heer Von Lohenstein in de poëzie was. Bombast heeft beiden van het natuurlijke naar het gekunstelde, van het verhevene naar het duistere gevoerd. Men bewondert bij beiden de noeste arbeid en een uitzonderlijke inspanning, die tevergeefs zijn aangewend, omdat ze ingaan tegen de natuur en het verstand’.

Ik heb deze passage onder verscheidene andere vooral daarom gekozen omdat mij deels de liefde voor de waarheid, deels het bijzondere respect voor de waarlijk grote musicus, op wie ze betrekking heeft, verplicht diens eer te redden.  Het gaat hier om de hofcomponist en kapelmeester  van Zijne Koninklijke Majesteit  in Polen en doorluchtige keurvorst in Sachsen Johann Sebastian Bach in Leipzig.

De auteur prijst Bach enerzijds , anderzijds kritiseert hij hem des te intenser. Bij nader onderzoek vind ik de geuite lof onvolledig en de aan hem gewijde kritiek ongegrond.Ik ga hier in het volgende nader op in.

Bach wordt de voornaamste onder de muzikanten in Leipzig genoemd. De term ‘muzikant’ suggereert iets heel anders dan de termen ‘buitengewoon kunstenaar’, ‘grote man’, ‘bewonderd door hele naties’, die aan Bach in het vervolg worden toegekend. Muzikanten noemt men over het algemeen  diegenen die hun brood verdienen  met muziek maken. Ze krijgen de opdracht of nemen vrijwillig de kans waar stukken die door anderen zijn gecomponeerd op muziekinstrumenten ten gehore te brengen. Niet eens al deze mensen worden muzikant genoemd, maar juist de minderwaardigste en slechtste worden zo genoemd, zodat er vrijwel geen onderscheid bestaat tussen muzikanten en kroegviolisten. Wanneer één van dergelijke muziekbeoefenaars een buitengewoon kunstenaar is op zijn instrument, noemt men hem geen muzikant, maar een virtuoos. Het  allerminst past deze denigrerende term bij grote componisten en dirigenten van grote koren en orkesten. De slimme lezer mag zelf oordelen of Bach voldoende wordt gecomplimenteerd wanneer men hem de voornaamste onder de muzikanten noemt.

Dit komt volgens mij op hetzelfde neer als wanneer men een hooggeleerde heer op bijzondere wijze wil eren door hem de eerste in de laagste klas van schooljongens te noemen. Bach is een groot componist, een meester op muzikaal gebied, een virtuoos op orgel en klavecimbel die zijns gelijke niet kent, maar absoluut geen muzikant. Misschien wil de schrijver zich daarmee verontschuldigen dat hij in dit geval van het normale spraakgebruik is afgeweken en het woord ‘muzikant’ in een veel positiever zin heeft gebruikt. Dit zal hem echter weinig helpen. Want gesteld nog, dat hij een gegronde reden had van het normale taalgebruik af te wijken, - ik zie zelf niet in welke – dan had hij toch op zijn minst door een duidelijke begripsomschrijving de lezers kunnen informeren over de nieuwe en ongewone betekenis. Hij had het überhaupt niets eens nodig gehad zich van dit woord te bedienen. In het Duits is er bepaald geen gebrek aan uitdrukkingen die datgene veel nadrukkelijker aangeven wat erdoor had gezegd moeten worden.

In de woorden die er onmiddellijk op volgen roemt de auteur Bach als een buitengewoon kunstenaar op klavecimbel en orgel. Ik zou er op kunnen wijzen, dat het woord ‘kunstenaar’al te ambachtelijk klinkt en dat het woord tegen het algemeen ingevoerde spraakgebruik ingaat. We noemen grote filosofen, redenaars en dichters ook geen kunstenaars in het denken, spreken en verzen maken. Maar dat is een kleinigheid. Ik zou er overheen gestapt zijn  wanneer het gebruik van een woord dat hier niet past en waarvoor met kleine moeite een veel passender term gevonden had kunnen worden, aanleiding geeft te vermoeden dat de schrijver helemaal niet serieus van plan was te spreken over Bachs  buitengewone kwaliteiten, zoals hij dat verdient. Het zou zelfs bij de muzikale manier om zijn gedachten uit te drukken veel overtuigender hebben geklonken wanneer hij gezegd had : hij is buitengewoon getalenteerd op klavecimbel en orgel, of : hij is een buitengewoon virtuoos op beide.

De auteur schrijft verder dat Bach destijds maar één persoon vond met wie hij om de eerste plaats kon strijden. Wie hiermee is bedoeld, is mij, en ook veel anderen onbekend. [bedoeld is Georg Friedrich Haendel]. De schrijver zou velen aan zich hebben verplicht wanneer hij over die persoon wat informatie had willen geven. Daar zijn we toch gewoon nieuwsgierig naar? Ik twijfel eraan of hij dat ooit zal kunnen doen. Misschien doelt hij op een belangrijk buitenlands musicus die vanwege zijn bijzondere kwaliteiten een doctoraat in de muziek heeft ontvangen? Ik beroep me op het getuigenis van enkele onpartijdige muziekkenners die deze virtuoos  tijdens een van hun reizen hebben horen spelen en me oprecht hebben verzekerd dat er op de wereld maar één Bach is, en dat niemand aan hem kan tippen. Logisch dat de componist in deze situatie niemand heeft kunnen vinden met wie hij de strijd om de eerste plaats kon aangaan.

Nu onthult de auteur wat nauwkeuriger wat hij bij deze man die hij zelf heeft horen spelen, aan bewonderenswaardigs heeft gevonden. Hij bwondert de ongewone behendigheid van handen en voeten. Hij houdt het voor onbegrijpelijk hoe het mogelijk is in de snelste en onstuimigste bewegingen en bij zo wijde sprongen  geen enkele misslag te maken of uit evenwicht te raken. Alles goed en wel, maar een dergelijk oordeel zou ook goed in de oren geklonken hebben van iemand die helemaal niets van muziek weet. Omdat de schrijver de pretentie heeft een oordeel te geven dat van een hoger niveau is, verbaas ik me erover waarom hij niet veel wezenlijker kwaliteiten heeft aangevoerd, die voor een echte kenner ook interessant zijn. Waarom prijst hij niet de verbazingwekkende hoeveelheid goed uitgewerkte invallen, de doorvoeringen van een enkel deel door de verschillende tonen, met de mooiste variaties, de vaardigheid om ook in het hoogste tempo alle tonen  duidelijk en voortdurend gelijkmatig uit te laten komen, de kunst om de zwaarste tonen met dezelfde snelheid en accuratesse te spelen als de lichtste, en überhaupt zijn met kunst verbonden aangename wijze van uitvoeren ?. Het had de moeite geloond deze topkwaliteiten die deze man eigen zijn onder ieders aandacht te brengen. Toch had ook het weinige wat hij over diens kwaliteiten te berde brengt de auteur er bijna toe gebracht te geloven dat hij door hele naties bewonderd werd, wanneer hij niet door valse ideeën over enkele tekortkomingen die de roem van de hofcomponist schade zouden kunnen doen, van deze goede gedachten was afgebracht.

Hij verandert opeens van toon. De eerder geuite lof verandert nu in een des te hardere kritiek die overigens, zoals weldra zal blijken, volkomen ongegrond is. Als eerste tekortkoming in werken van Bach noemt hij het gebrek aan welluidendheid [Annehmlichkeit], dat is een melodie zonder dissonanten, zoals anderen die er ook niet veel van weten, zeggen, dat zijn muziek niet goed in het gehoor ligt. Om deze beschuldiging te ontkrachten zou het al voldoende zijn een opmerkelijke passage te citeren uit de Engelse Spectateur [Spectator] die luidt (in het 24e hoofdstuk van het eerste deel, p. 161)  : muziek is niet alleen bestemd om  gevoelige oren  te behagen, maar ook allen die een ruwe toon met een aangename toon combineren, dat wil zeggen die dissonanten goed kunnen aanbrengen en op passende wijze weten op te lossen. De echte aantrekkelijkheid van muziek bestaat in de verbinding en afwisseling van consonanten en dissonanten zonder de harmonie schade te doen. De natuur van de muziek verlangt dit ook. De verschillende, vooral treurige , emoties kunnen zonder deze natuurlijke afwisseling niet worden uitgedrukt. Men zou inbreuk maken op de algemeen aanvaarde compositieregels wanneer men deze zou negeren. Zelfs het goedgefundeerde oordeel van een muziekkenner dat niet de smaak van de massa volgt, accepteert dissonanten en verwerpt de simpele liedjes die uit louter consonanten bestaan als iets waar men heel gauw genoeg van krijgt. Hoe zorgvuldig Bach met deze afwisseling omging en hoe volkomen welluidend bij hem de harmonie is, blijkt duidelijk uit zijn werken. Ook de hartelijke bijval van diegenen wier gehoor nog niet door de nieuwe mode is bedorven, bewijst dit. De kritiek van de schrijver  is dus ongegrond en deze conclusie blijft onverlet totdat de schrijver  het principe van de welluidendheid verwerpt en een beter begrip ervoor in de plaats stelt.

Verder wordt Bach verweten dat hij zijn stukken door een bombastische en verwarde  stijl van natuurlijkheid ontdoet. Deze uitspraak is even ongenuanceerd als vaag. Wat heet in muziek bombastisch? Moeten we het zo opvatten zoals in de retorica die schrijfwijze bombastisch wordt genoemd wanneer men bij gewone dingen de prachtigste kunstmiddelen inzet en daardoor hun minderwaardigheid nog meer aan het licht brengt?  Wanneer men van buiten allerlei onnutte pracht tevoorschijn haalt zonder het werkelijk schone voor ogen te hebben? Wanneer men bij het opsieren vervalt in minderwaardige, geforceerde en flauwe kleinigheden en de volwassen gedachten met kinderlijke invallen afwisselt? Dan geef ik weliswaar toe, dat in de muziek dergelijke fouten kunnen worden gemaakt  door mensen die de compositieregels nog niet begrijpen of nog niet goed kunnen toepassen. Iets dergelijks alleen al te denken van iemand als Bach , laat staan uit te spreken, zou op de grofste belediging neerkomen. Hij verspilt zijn prachtige sieraden niet aan drink- en wiegeliedjes of aan andere onbenullige galanteriestukjes. In zijn cantates, ouvertures, concerten en andere muziekstukken vindt men versieringen die altijd passen bij het muzikale materiaal dat hij ten gehore wil brengen.  De schrijver heeft dus iets gezegd, dat niets te betekenen heeft, omdat het vaag is en niet kan worden bewezen. Daarom is de in het vervolg voorkomende vergelijking met de heer Von Lohenstein een gedachte die thuishoort bij de verwerpelijke sieraden en dus tot het bombastische in de schrijfkunst behoort.

Wat betekent in muziek ‘verward’? Men moet eigenlijk de woordbeschrijving van datgene wat men verward  pleegt te noemen tot steun hebben om te raden waar de schrijver met deze term heen wil. Voor zover ik weet, wordt verward gebruikt van iets dat geen ordening kent en waarvan de afzonderlijke delen zo vreemd door elkaar zijn gegooid en in elkaar zijn geschoven dat men niet kan ontdekken waar al die afzonderlijke delen eigenlijk bij horen. Als de schrijver er dat onder verstaat, suggereert hij dus, dat in de stukken van Bach geen ordening bestaat en dat alles dermate door elkaar loopt, dat men er geen wijs uit kan worden. Wanneer de auteur dit serieus meent, dan moet ik bijna geloven dat er in zijn denken enige verwarring is opgetreden die hem niet toestaat te vinden wat waar is. Waar de compositieregels het strengst worden toegepast, daar moet ongewtijfeld ordening bestaan. Ik hoop maar niet dat Bach door de schrijver wordt beschouwd als een overtreder van deze regels. Overigens staat wel vast,  dat de stemmen in de werken van deze grote meester op een wonderlijke manier door elkaar lopen, alleen zonder de geringste verwarring.  Ze gaan samen en lopen tegen elkaar in, beide waar dat nodig is. Ze verlaten elkaar en vinden elkaar op het juiste moment ook weer terug. Iedere stem maakt zich voor de andere door een bijzondere verandering kenbaar, hoevaak ze ook elkaar imiteren. Ze vluchten  weg en volgen elkaar zonder dat men bij hun pogingen voor te liggen op de ander, de geringste onregelmatigheid bemerkt. Wanneer dit alles naar behoren wordt uitgevoerd kan men niets mooiers bedenken dan deze harmonie. Veroorzaakt echter de onervarenheid  of de onoplettendheid van de instrumentalisten of zangers hierbij een indruk van verwarring, dan oordeelt men heel flauw wanneer men hun tekortkomingen aan de componist toerekent. In de muziek komt hoe dan ook alles op de uitvoering aan. De ellendigste melodieën klinken vaak nog goed  wanneer ze mooi gespeeld worden. Anderzijds kan een compositie waarin men de mooiste harmonie en melodie kan opmerken,  niet mooi klinken wanneer de uitvoerenden hun verantwoordelijkheid niet willen of kunnen nemen. Wanneer, zoals voldoende aangetoond is, in de stukken van deze meester noch iets bombastisch noch iets verwarrends  kan worden aangetroffen, dan kunnen die stukken ook niet ontdaan zijn  van natuurlijkheid, dat is een noodzakelijke welluidende melodie en harmonie. De prijzenswaardige inspanningen van de componist zijn er juist op gericht dit natuurlijke met behulp van de kunst het prachtigste aanzien van de wereld te geven.

Maar juist dat is het wat de schrijver niet wil toegeven.  Hij zegt uitdrukkelijk, dat de componist de schoonheid van zijn stukken door een teveel aan kunst verduistert. Deze stelling gaat in tegen de natuur van de ware kunst waarvan hier sprake is.

Ware kunst is erop gericht, dat ze de natuur nabootst en haar waar nodig ondersteunt. Wanneer de kunst de natuur nabootst dan moet zich zonder twijfel het natuurlijke in kunstwerken overal manifesteren. Daarom is het onmogelijk, dat de kunst, dus ook de muziek,  aan  die zaken waarbij ze de natuur nabootst, het natuurlijke ontneemt. Wanneer de kunst de natuur helpt, doet ze dat met de bedoeling de natuur te behouden, ja zelfs in een betere toestand te brengen, maar niet te vernietigen. Veel dingen worden door de natuur volkomen ongevormd aangeleverd. Wanneer de kunst ze vorm heeft gegeven, ontvangen ze het mooiste uiterlijk. Zo schenkt de kunst aan de natuur de nog ontbrekende schoonheid en vergroot ze de al aanwezige  schoonheid. Hoe groter de kunst is, dat wil zeggen, hoe vlijtiger en zorgvuldiger ze aan de verbetering van de natuur werkt, des te  volmaakter glanst de daardoor voortgebrachte schoonheid. Daarom is het onmogelijk, dat de allergrootste kunst de schoonheid van een ding zou kunnen verduisteren. Zou het dan mogelijk zijn, dat Bach ook door de grootste kunst die hij bij de uitwerking van zijn stukken aanwendt, daarbij natuurlijkheid te niet doet en hun schoonheid verduistert? Tot nu toe heeft de auteur geprobeerd de stukken van Bach bij mensen met gevoelige oren in een kwaad daglicht te stellen. Nu begint hij de rustlievende vingers en geleidelijk aan verwende  kelen van instrumentalisten en zangers daarvoor te waarschuwen. Hij suggereert, dat ze enorm moeilijk uit te voeren zijn, omdat Bach bij het componeren van zijn eigen vingers uitging. Daarom houdt hij diens verlangen voor irreëel, dat zangers en instrumentalisten met hun kelen en instrumenten hetzelfde zouden kunnen uitrichten wat hij op het klavier voor elkaar krijgt. Ik geef toe, dat die stukken moeilijk zijn te spelen, maar alleen voor diegenen die hun vingers niet willen laten wennen aan  de nodige vingervaardigheid en juiste vingerzetting. Dat hij bij het componeren van zijn eigen vingers uitgaat, is niet ten onrechte.  Hij zal het volgende principe hanteren:  zo ver als ik het heb gebracht met vlijt en oefening, zo ver moet ook een ander die er aanleg en talent voor heeft het ook zien te brengen. Om deze reden is het zinloos te spreken van de onmogelijkheid deze stukken te spelen. Alles is mogelijk, wanneer men wil en  zich er met alle energie op toelegt de natuurlijke talenten met niet aflatende ijver te veranderen in passende vaardigheden. Wanneer Bach in staat is met twee handen stukken  volkomen correct en zonder de geringste fout op het klavier te spelen, waarbij hoofd- en nevenstemmen zonder probleem hun eigen rol spelen, hoe zou een heel muziekgezelschap dat uit zoveel personen bestaat die op maar  één enkele stem behoeven te letten, daartoe niet in staat zijn? De tegenwerping, dat velen er niet in slagen de nodige accuratesse in acht te nemen en eenzelfde tempo aan te houden, is van geen belang. Het gaat hier om problemen die niet onoplosbaar zijn. Een heel leger kan ertoe gebracht worden met zijn duizenden tegelijk op een gegeven teken als één man te handelen. Een dergelijke accuratesse  moet bij een orkest dat uit veel minder personen bestaat des te meer mogelijk zijn. Het duidelijkste bewijs dat dit mogelijk is, zien we bij de goed bezette koninklijke en vorstelijke kapellen. Wie het geluk heeft gehad een concert bij te wonen van de beroemde kapel aan het grootste hof van Saksen , zal begrijpen wat ik bedoel.

Toch verdient de zogenaamde onmogelijkheid de stukken van Bach uit te voeren, nog nadere aandacht. Bach krijgt het verwijt alle speelmanieren, alle kleine versieringen en alles wat men  verstaat onder methodisch spel met aparte noten uit te drukken.  De auteur ziet dit ofwel als een specifieke fout van Bach ofwel als een fout überhaupt. In het eerste geval maakt hij een ongelofelijke vergissing. Bach is noch de eerste, noch de enige die zo componeert. Van de vele componisten die zo werken  beroep ik me hier op De Grigny en Du Mage die zich in hun livres d’orgue van juist deze methode hebben bediend.

http://en.wikipedia.org/wiki/Nicolas_de_Grigny

http://en.wikipedia.org/wiki/Pierre_Dumage

In het tweede geval is het me niet duidelijk, waarom dit de naam van een fout verdient. Ik beschouw het eerder op goede gronden  als een noodzakelijke kwaliteit. Wanneer men methodisch zingt en speelt wordt dat doorgaans gerespecteerd en als welluidend beschouwd. Zonder twijfel is methodisch spel op de juiste plaats een genoegen voor het oor, op een onjuiste plaats een belediging voor het oor en een schadelijk element voor de melodie. De ervaring leert, dat men meestal de toepassing hiervan aan de vrije willekeur van de zangers en instrumentalisten overlaat. Zouden al deze mensen voldoende op de hoogte zijn van datgene wat in de methode echt mooi is, dan zouden ze er altijd op die plek gebruik van maken waar ze de hoofdmelodie zou kunnen versieren en benadrukken. Het zou overbodig zijn wanneer de componist nog eens in noten zou willen voorschrijven, wat ze al weten. Omdat echter vrijwel niemand hiervan voldoende op de hoogte is, maar toch door een onjuiste toepassing van zijn methode de hoofdmelodie bederft en zulke passages inlast die door hen die er feitelijk geen verstand van hebben,  de componist als fout kunnen worden aangerekend, staat het elke componist , en Bach dus ook, vrij een goede en met zijn bedoelingen overeenkomende  speelmanier voor te schrijven en daarmee de juiste weg te wijzen en daardoor te zorgen voor de  instandhouding van zijn eigen imago.

Het laatste punt van kritiek komt neer op het volgende : dat alle stemmen met elkaar en met dezelfde moeilijkheidsgraad optreden en men daarbij geen uitkomende stem, bedoeld wordt waarschijnlijk de bovenstem, kan herkennen. Dat de melodie altijd in de bovenstem moet liggen  en dat het fout is de stemmen gezamenlijk te laten optreden, daarvoor heb ik geen voldoende onderbouwing gevonden. Eerder het tegendeel.  Het wezen van de muziek ligt in de harmonie. Deze wordt veel volmaakter wanneer alle stemmen met elkaar werken. Dit is dus geen fout, maar een muzikale kwaliteit. Ik verbaas me erover,  hoe de schrijver als fout kan beschouwen, wat tegenwoordig helemaal volgens de hooggewaardeerde Italiaanse smaak is, met name bij kerkmuziek. Ik denk hierbij aan de werken van Praenestini [~Palestrina] , Lotti en anderen.

http://en.wikipedia.org/wiki/Giovanni_Pierluigi_da_Palestrina

http://en.wikipedia.org/wiki/Antonio_Lotti
De auteur zal daar  niet alleen alle stemmen voortdurend horen samenwerken maar ook bij iedere stem een eigen, heel goed bij de andere passende , melodie aantreffen. Ik laat nu maar in het midden, of de auteur van de door mij onderzochte tekst bij nader inzien niet heel spoedig zal constateren dat hij het imago en de verdiensten van een zo groot meester wel erg hard heeft aangevallen en reden heeft  om spijt te hebben van zijn oneerlijk oordeel. Hij is ongetwijfeld overhaast te werk gegaan en misschien heeft hij Bach niet eens goed gekend. Anders zou hij volgens mij aan hem dezelfde lof hebben toegezwaaid als aan de beroemde Graun.

http://en.wikipedia.org/wiki/Carl_Heinrich_Graun

Hij zou met verandering van een enkel woord  hebben kunnen zeggen : een verheven August schenkt hem zijn genade en beloont zijn verdiensten, dat is genoeg om hem te prijzen. Wie door een zo grote en wijze prins wordt gewaardeerd, moet zeker over echt talent beschikken. Dit overwegende zou hij het niet gedurfd hebben een man te kritiseren wiens kleinste volkomenheid hij  niet eens kan nadoen. Hij zou er aan gedacht hebben dat het geen kunst is veel kritiek te hebben. Dat degenen die zoveel kritiek hebben er het verst van verwijderd zijn om het beter te doen. Ik en alle overtuigde vereerders van de grote Bach wensen de auteur in de toekomst gezondere gedachten en na zijn muzikale reis het gelukkig begin van een nieuw leven dat vrij moge zijn van alle onnodige neiging om kritiek te willen leveren.

***

J.A. Scheibe, Beantwortung der unpartheyischen Anmerkungen J.A. Birnbaums, Hamburg, maart 1738 II/417

 

Als eerlijk man heb ik de plicht niet alleen mijn eigen eer te redden, maar ook die van alle andere rechtschapen muzikanten die men met niet geringe aantijgingen heeft aangetast in een kort essay dat begin dit jaar in Leipzig door een anonieme auteur is uitgegeven. De titel van het stuk luidt : Onpartijdige opmerkingen over een bedenkelijke plaats in het zesde hoofdstuk van Der Critische Musicus. Het is opgedragen aan kapelmeester Bach omdat het voornamelijk hem betreft, en is misschien op zijn initiatief door een van zijn vreinden uitgebracht. In elke geval heeft Bach dit stuk op acht januari met veel genoegen aan vrienden en bekenden uitgedeeld.

Wie ook maar een beetje heeft rondgekeken in de muzikale wereld zal zonder twijfel meer dan één persoon gevonden hebben die met deze grote man is te vergelijken. Niemand zal Bachs reputatie betwisten, dat hij op klavier en orgel zo groot is, dat het nauwelijks te geloven is wanneer men hem niet zelf gezien en gehoord heeft. De briefschrijver heeft tegenover hem dan ook geen waardiger musicus gezet dan Handel. De bijval die deze nog dagelijks van de kant van alle kenners ten deel valt en zijn bijzonder aangename manier van spelen waardoor hij de harten van de toehoorders op bijzondere wijze ontroert,  kunnen ook de beste kenners in onzekerheid brengen over de vraag wie van de twee de voorkeur verdient. Omdat er niemand is te vinden die in een tak van wetenschap naast enorme verdiensten ook niet enkele tekortkomingen heeft, zoals de schrijver in het begin van zijn opmerkingen zelf toegeeft, dan is het geen wonder, dat Bach op klavier en orgel weliswaar een buitengewoon kunstenaar is, maar op het terrein van het componeren geen geringe fouten begaat. De oorzaak van deze fouten verdient dat ik er wat nader op inga.  Bach heeft zich  op wetenschappelijk gebied niet voldoende georiënteerd, zoals van een geleerd componist mag  worden verwacht. Hoe kan zo iemand boven kritiek verheven zijn die vanwege zijn gebrekkige intellectuele bagage niet in staat is de natuur en het verstand te onderzoeken en te leren kennen? Hoe wil hij nu alle kwaliteiten verwerven die behoren bij een goede smaak wanneer hij zich allerminst bekommerd heeft om kritische opmerkingen, onderzoeksresultaten en om de retorische en poëtische regels die in de muziek zo wezenlijk zijn, dat men zonder deze onmogelijk ontroerend en vol uitdrukking kan componeren? Te meer omdat daaruit de eigenschappen van de goede en slechte stijl voortkomen. Om een echt  uitzonderlijk, geoefend en geleerd componist te zijn, is er wel meer nodig dan virtuositeit en ingenieuze composities. Het combineren en oplossen van consonanten en dissonanten, vaardigheid in het schrijven van fuga’s en dubbelfuga’s en andere gezochte en ingewikkelde muzieksoorten, maken nog geen groot componist uit.  De zogenaamde moderne smaak die naar het bedachtzame oordeel van de onpartijdige schrijver van de opmerkingen verwerpelijk is, zou wel eens veel fundamenteler en natuurlijker kunnen zijn dan de oudfrankische maak van diegenen die net als de schrijver dwang boven natuur stellen. Zo zal de kritiek van mijn briefschrijver niet zonder grond zijn, wanneer hij bij Bachs stukken terecht een tekort aan welluidendheid opmerkt die zich uit in al te chromatische en dissonerende passages.

Tenslotte wil ik de verdiensten van Bach recht laten wedervaren die zo groot zijn dat ze zijn tekorten verre overtreffen. Zijn uitnemende vaardigheid en ervaring verdienen het grootste respect. Hij strekt ons vaderland tot buitengewone eer en Duitsland bezit in hem een man wiens roem bij de buitenlanders absoluut niet ter discussie staat.

***

J.A. Birnbaum, Vertheidigung seiner unparteyischen Anmerkungen, Leipzig 1739 II/441

Omdat Bach zelf nooit de moeite zou nemen zichzelf in een polemiek te verdedigen, was het dan niet hoogst waarschijnlijk,  dat een van zijn vrienden zou opstaan en een onbezonnen criticus het door hem begane onrecht zou voorhouden? Ik kan u verzekeren, dat zijn goede vrienden moeite genoeg gedaan hebben hem daartoe te overreden. Hij was veel te bescheiden om de hem toegedeelde, maar beperkte  lof op zich zelf te betrekken. Hij geloofde niet dat de strenge kritiek op hem kon slaan, omdat de waarheid en zijn geweten hem vrijspraken van de hem voorgehouden tekortkomingen. Moeten we Bach iets verwijten wanneer hij diegene voor een oneerlijke en ongeschikte scheidsrechter houdt, die korte tijd geleden bij een organistenproef alhier bij de voorgelegde dux van een fuga geen passende comes kon vinden,  laat staan deze goed uitvoeren?

http://nl.wikipedia.org/wiki/Fuga

Tegenover de hofcomponist Bach wordt kapelmeester Handel geplaatst. Ik heb in mijn Onpartijdige Opmerkingen voldoende redenen aangevoerd die mij ertoe bewogen hebben  de voorkeur te geven aan de eerste boven de laatste. Het daar geplaatste oordeel is niet een vondst van mijzelf.  Het is van die onpartijdige muziekkenners die beide mannen hebben gehoord en in staat zijn over beiden een gemotiveerd oordeel te hebben. Hun woorden heb ik onveranderd weergegeven. Mijn tegenstander die beide heren nooit onbevooroordeeld heeft gehoord schijnt zonneklaar zijn voorkeur voor Handel uit te spreken wanneer hij zegt : ‘dat Handels bijzondere manier van spelen waardoor hij de harten van de toehoorders op buitengewone wijze weet te ontroeren, ook de beste muziekkenners in onzekerheid kan brengen over de vraag wie van beide musici de voorkeur verdient’.  Dat Bach de kwaliteit bezit door kunstzinnig èn aangenaam spel de harten van zijn toehoorders te ontroeren, wordt bevestigd door het getuigenis van veel binnen- en buitenlandse kenners die de combinatie van beide kwaliteiten in eenzelfde persoon bijna dagelijks bewonderen.  Dat geldt ook  voor de voor iedereen beschikbare klavierstukken waarin men met veel genoegen geen gewone, maar juist zeldzame invallen en gedachten aantreft die behagen en ontroeren.

Frankrijk, zegt Scheibe, kan in het bijzonder mannen presenteren die zowel op orgel als klavier een ongewone virtuositeit aan de dag leggen. Dat kan zo zijn. Alleen zou ik graag de namen willen weten  van degenen die Bach zouden kunnen overtreffen. Zolang we geen precieze gegevens hebben, bewijst zo’n mogelijkheid niets.

http://en.wikipedia.org/wiki/Louis_Marchand

Ik kan hem echter iemand noemen  die destijds als de grootste virtuoos van Frankrijk werd beschouwd en tegen wie Bach niet zo lang geleden zijn eigen eer en die van Duitsland met succes heeft verdedigd.


Dat was de heer Marchand die tijdens zijn verblijf in Dresden waar Bach zich toen ook bevond op bevel van het hof aldaar door Bach via een hoffelijk schrijven werd uitgenodigd voor een krachtmeting,  een uitnodiging waar aan hij ook gehoor gaf.  Het uur brak aan waarop de twee virtuozen met alkaar de strijd zouden aangaan.  Bach en de aanwezige juryleden wachtten gespannen, maar tevergeefs.  Uiteindelijk werd bericht dat Marchand vroeg in de morgen al uit Dresden was vertrokken.  De beroemde Fransman zal hebben ingezien dat zijn krachten te gering waren om zich met Bach te meten. Anders zou hij niet geprobeerd hebben zich zo snel in veiligheid te brengen. Zo zag het er een paar jaar geleden uit.

Overigens heeft Scheibe veel te weinig autoriteit om zich aan te matigen Bach op de meest onbeschaamde wijze  voor te houden dat deze  zich  niet voldoende georiënteerd zou hebben in de wetenschappen die voor het componeren essentieel zijn.  Wie de eer heeft Bach wat beter te kennen en wie zich het genoegen laat smaken met onpartijdige oren en ogen, zoals de kritische musicus,  zijn composities in te zien en aan te horen, die moet wel op grond van zijn observaties tot een veel genuanceerder oordeel komen. De elementen die het componeren gemeen heeft met de retorica, kent hij zo volkomen , dat men hem niet alleen  met veel kennis van zaken hoort praten over  de gelijkenis en overeenstemming van beide vakgebieden maar ook de retorische elementen in zijn composities bewondert. Zijn kennis van de dichtkunst is zo groot als men  van een groot componist kan verlangen. Ik zwijg er maar over dat mijn tegenstander volstrekt het niveau niet heeft om Bach op een fout te wijzen die hij zou hebben begaan door zich bij het componeren van zijn cantates  niet aan de regels te storen. Verder weet Bach heel precies welke poëtische teksten voor een compositie geschikt zijn. Het valt hem heel gemakkelijk aan te geven waarom. Dat Bach ontroerend, vol uitdrukking, natuurlijk, ordelijk, niet naar een verwerpelijke smaak, maar juist naar de beste smaak componeert, bewijst zonder twijfel zijn mis voor Pasen   die in aanzwezigheid  van onze vorst  in Leipzig is uitgevoerd en veel bijval heeft geoogst. [Het betreft de cantate ‘Willkommen, ihr herrschenden Götter der Erden; , BWV Anh, 13, waarvan de muziek helaas verloren is gegaan].

Naar de mening van Scheibe componeert Bach niet met voldoende terughoudendheid, maar schrijft hij alleen voor virtuozen en bedenkt daarbij niet dat men in een orkest niet alleen maar virtuozen aantreft.  Ik zou denken dat het hier om absolute uitzonderingen gaat omdat onze kapellen heel goede musici bevatten. Omdat Bach niet zo gelukkig is  zijn stukken altijd aan louter virtuozen te kunnen voorleggen, doet hij in elk geval zijn  best musici tot virtuozen te maken door ze te laten wennen aan wat moeilijker stukken. Anderzijds componeert hij, waar dit niet mogelijk is, behoedzaam genoeg om zijn composities af te stemmen op de kwaliteiten van de uitvoerenden.

Scheibe wil niet weten van versieringen in de middenstemmen. In de hoofdstemmen laat hij ze met mate toe. Hij wil alleen niet, dat alle kleine voorslagen, accenten, etc. worden uitgeschreven, noch in de hoofd- noch in de nevenstemmen. In één woord, hij verwerpt het misbruik.  Dat doet Bach dus ook en mijn tegenstander zal nooit kunnen bewijzen, dat hij daarin te ver gaat. Wanneer blijkt dat hij het in dit geval meer doet dan men meestal gewoon is te doen, dan heb ik in mijn opmerkingen al de redenen opgegeven die hem ertoe geleid hebben dit te doen. Scheibe was het daar stilzwijgend mee eens.

***

Tenslotte nog een kleine reactie van Scheibe [in Der Critische Musicus, Hamburg, 30 juni 1739 ] :

Van eenzelfde soort  is op pagina 45 het verwijt dat ik bij een organistenproef  (deze vond plaats in december 1729 in de Nicolaikerk te Leipzig) bij de voorgelegde dux (thema) van een fuga niet eens een passende comes (tweede inzet van het thema) kon vinden, laat staan deze naar behoren uit kon voeren.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Fuga

Maar waarom moet ik uitvoerig op deze beschuldiging ingaan? Bach zal in Leipzig  het tegendeel van Birnbaums verwijt  uiteen zetten, wanneer hij naar eer en geweten zal oordelen. Bach was er als jurylid zelf bij.  Men moet mij niet met een andere held verwisselen die het door Bach voorgelegde thema niet wilde spelen, maar een eigen thema koos en die , toen hem als nog een thema werd opgegeven, verder helemaal onzichtbaar was geworden.

 

Spijkenisse, maandag 22 juli 2013