***











 

www.resantiquae.nl

Rousseau, essai

JEAN-JACQUES ROUSSEAU

 http://en.wikipedia.org/wiki/Jean-Jacques_Rousseau

ESSAI SUR L’ORIGINE DES LANGUES OÙ IL EST PARLÉ DE LA MÉLODIE ET DE L’IMITATION MUSICALE

Jean-Jacques Rousseau (painted portrait).jpg


ESSAY OVER DE OORSPRONG VAN DE TALEN WAARIN OOK GESPROKEN WORDT OVER MELODIE EN MUZIKALE NABOOTSING

 

INLEIDING

Naar eigen zeggen was muziek voor Jean Jacques  Rousseau (1712-1 778) de enige kunstvorm die hij kon waarderen.  Als autodidact begon hij zelf muzieklessen te geven en te componeren. Ook was hij actief als kopiïst van muziekstukken – tussen 1770 en 1773 zou hij 11200 bladzijden hebben gekopieerd – en muziektheoreticus. In die hoedanigheid ontwikkelde hij een geheel nieuw notatiesysteem. In 1748 gaf Denis Diderot hem de opdracht 380 artikelen over muziek te schrijven voor zijn Encyclopédie. Rousseau schreef  de  gevraagde artikelen  in enkele maanden en nam ze later op in zi jn Dictionnaire de musique dat in 1767-1768 verscheen en met zijn 900 artikelen als beste muzieklexicon van de 18e eeuw geldt en als eerste moderne muzieklexicon überhaupt. In 1753 stortte Rousseau zich met zijn Lettre sur la musique française in de zogenaamde Querelle des Bouffons waar het ging over de superioriteit van de Franse opera tegenover de Italiaanse.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Buffonistenstrijd

Hij liet zich door de Italiaanse opera buffa inspireren bij het schrijven van zijn Le  Devin du village die in 1752 voor het Franse hof in Fontainebleau werd opgevoerd en tot 1829 in de Parijse opera repertoire hield.

http://www.youtube.com/watch?v=uEucVoQ1fsU

Zijn Essai sur l’origine des langues schreef Rousseau tussen 1756 en 1761. De publicatie ervan vond pas plaats in 1781, drie jaar na zijn dood.  Daarin ontwikkelt hij de stelling, dat taal en muziek oorspronkelijk een eenheid vormden die ontstond door de menselijke behoefte gevoelens uit te drukken.  De latere ontwikkeling ziet hij als een toenemend verval waarvan het begin de scheiding is geweest tussen spreken en zingen. Verdere symptomen van culturele neergang zag hij in het ontstaan van de polyfonie en instrumentatie. Rousseaus kritiek op de meerstemmigheid, de harmonie, was tegelijkertijd een kritiek op de componist en muziektheoreticus Rameau, die het omgekeerde standpunt aanhing. Volgens Rameau was de harmonie het primaire waaruit de melodie afgeleid was.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Jean-Philippe_Rameau

***

Over de oorsprong van de muziek, hoofdstuk 12, 13 en 14

Samen met de eerste stemmen vormden zich ook de eerste articulaties of eerste klanken al naar gelang het soort gevoel dat deze dicteerde. Woede lokt dreigende kreten uit, die door de tong of het verhemelte worden gevormd. De stem van de tederheid is veel zachter en wordt door de stemspleet gevormd en deze stem wordt tot klank. Overeenkomstig de gevoelens  treden de bijbehorende klanken vaker of minder vaak op, en zijn de modulaties meer of minder heftig.  Zo ontstaan de cadens en de klank samen met de lettergrepen, het gevoel brengt alle organen tot spreken en tooit de stem met al haar glans. Verzen, liederen en het spreken hebben dus een gemeenschappelijke oorsprong.  In die beginsituatie waarvan ik sprak,  waren de eerste taaluitingen ook de eerste liederen. De afwisselende metrische herhalingen van het ritme en de melodieuze modulaties van de tonen lieten de poëzie en de muziek samen met de taal ontstaan of liever gezegd, ze maakten gezamenlijk de taal uit voor deze gelukkige oorden en tijden waarin de enige dringende behoeften die verband hielden met de hulp van de naaste, diegene waren  die uit het hart van de mens voortkwamen.

De eerste verhalen, de eerste toespraken en de eerste wetten waren in versvorm opgesteld. De poëzie werd vóór het proza ontdekt. Dat moest ook wel, omdat  in het begin  gevoelens nog vóór het verstand spraken. Dat geldt ook voor de muziek. Aanvankelijk bestond er geen andere muziek dan de melodie en geen andere melodie dan de veranderde klank van het gesproken woord. De accenten gaven vorm aan het zingen, de lettergrepen vormden het metrum en men sprak even goed door middel van klank en ritme als door articulatie en stem. Spreken en zingen waren vroeger één en hetzelfde, zegt Strabo in zijn eerste boek van de Geografie. Daaruit volgt, zo voegt hij daaraan toe, dat de poëzie de bron van de welsprekendheid is. Men zou moeten zeggen, dat ze beide dezelfde oorsprong hadden en in  het begin ook hetzelfde waren. Was het dan gezien de manier waarop de eerste samenlevingen zich vormden, verbazingwekkend, dat de eerste verhalen in verzen werden geformuleerd en de eerste wetten in een lied werden voorgedragen? Was het te verbazen, dat de eerste grammatici hun kennis in dienst van de muziek stelden en gelijktijdig beide, taal en muziek, onderwezen?

Een taal die alleen maar uit articulaties en stemmen bestaat, beschikt slechts over de helft van haar rijkdom. Ze kan ideeën overbrengen, dat is waar,  maar om gevoelens en voorstellingen weer te geven  heeft ze ook ritme en klank nodig, dat wil zeggen : melodie. Dit is het wat de Griekse taal bezit en  de onze mist.

Steeds weer staan we perplex vanwege de buitengewone kwaliteiten van de welsprekendheid, de poëzie en de muziek van de Grieken. Het gaat om effecten die niet direct in ons brein overkomen, want we voelen niets vergelijkbaars meer,  en alles waartoe we ons kunnen laten overhalen wanneer we die in zo’ n betrouwbare vorm voor ons zien, is gewoon maar erin te geloven ter wille van onze geleerden

http://www.musicologie.org/Biographies/b/burette_pierre_jean.html


Nadat Pierre-Jean Burette (1665-1747) in zijn Dissertation sur Mélopée de l’ancienne Musique enkele oudgriekse muziekfragmenten in modern notenschrift had overgezet, was hij   naief  genoeg deze stukken in de Académie des Belles-Lettres uit te laten voeren en de Academici hadden ook nog het geduld  ze aan te horen. Ik heb bewondering voor deze poging in een land waarvan de muziek voor elk ander volk niet te ontcijferen is. Laat een monoloog uit een Franse opera door een willekeurige buitenlandse zanger vertolken, dan wed ik, dat men het stuk niet zal herkennen. Diezelfde Fransen gaan er prat op, dat ze kunnen oordelen over de melodie van een ode van Pindarus die tweeduizend jaar geleden op muziek is gezet!

Ik heb ergens gelezen, dat vroeger in Amerika de Indianen zo onder de indruk waren van het effect van de tegen hen gebruikte vuurwapens, dat ze musketkogels van de grond opraapten en ze met blote hand wegslingerden terwijl ze met hun mond een enorm lawaai maakten en dan verbluft moesten constateren dat ze niemand hadden gedood. Onze redenaars , musici en andere geleerden lijken op deze Indianen. Het wonder bestaat niet daarin, dat wij met onze muziek niet datgene bereiken wat de Grieken met de hunne tot stand brachten, maar dat het daarin zou bestaan dat men met dermate verschillende instrumenten dezelfde effecten bereikte.

Over de melodie

De mens verandert door zijn stem, daar valt niet aan te twijfelen, maar bij gebrek aan een nauwkeurige bepaling van die veranderingen verwisselen we de oorzaken ervan. We kennen de zintuigelijke waarnemingen te veel en te weinig macht toe. We hebben niet in de gaten, dat ze ons vaak niet als zintuigelijke waarnemingen treffen, maar ook als tekens of vormen, en dat hun morele effecten ook morele oorzaken hebben. Zoals de emoties  die de schilderkunst bij ons oproept, niet afkomstig zijn van de kleuren, zo is de heerschappij die de muziek uitoefent op onze zielen, in geen geval het effect van de klanken.  Mooie, subtiel verschuivende kleuren verschaffen onze ogen genoegen, maar dat genoegen bestaat alleen maar uit zintuigelijke waarneming.  Het is de tekening, de nabootsing, die deze kleuren leven en ziel verschaft en het zijn de daarin uitgedrukte gevoelens die de onze bewegen,  het zijn de onderwerpen die deze kleuren voorstellen, die onze gevoelens uitlokken. Interesse en gevoel zijn niet van kleuren afhankelijk. De lijnen in een aangrijpend schilderij ontroeren ons ook nog bij één streek. Berooft men een schilderij van het lijnenspel dan halen kleuren niets meer uit

De melodie bewerkt in de muziek hetzelfde wat de tekening op het schilderij bewerkt. De melodie  geeft lijnen en figuren aan, de akkoorden en andere klanken zijn alleen maar kleuren.  Men zal tegenwerpen, dat een melodie slechts een opeenvolging van tonen is. Dat is zonder twijfel het geval, maar ook de tekening is een samenstelling van kleuren. Een redenaar maakt gebruik van inkt om zijn teksten te ontwerpen. Betekent dat dan, dat inkt een bijzonder welsprekende vloeistof is?

Stel je eens een land voor waarin men geen idee heeft van tekenen, maar waarin veel mensen,  omdat ze hun leven daarmee doorbrengen  kleuren bijeen te brengen, te mengen en te nuanceren,  geloven in de schilderkunst onovertrefbaar te zijn.  Deze mensen zouden over onze schilderkunst net zo oordelen als wij over de muziek van de Grieken. Zou men hen vertellen over de gevoelsbeweging die mooie schilderijen in ons oproepen, en van de betovering ons door een ontroerend thema te laten ontroeren, dan zouden hun geleerden spoedig het materiaal gaan doorgronden, hun kleuren vergelijken met die van ons en onderzoeken of ons groen subtieler en ons rood feller is. Ze zouden onderzoeken welke verbindingen van kleuren ons tot tranen zouden ontroeren  en welke woede oproepen.  De Burettes van dat land zouden op lompen een paar onherkenbare fragmentjes van ons schilderij plakken en vervolgens zou men zich vol verbazing afvragen, wat er nu zo mooi is aan die kleurencombinatie.

Wanneer men bij een naburig volk zou beginnen enkele lijnen te schetsen als een soort ontwerp voor een tekening, een nog onvolmaakte gestalte, dan zou men  dit alles voor zwendel kunnen houden, voor  eigenzinnige en bizarre schilderkunst. Men zou zich om de goede smaak te bewaren  houden aan de beperkte schoonheden van kleur  die in werkelijkheid niets uitdrukken maar wel mooie nuances laten zien, grote bonte vlakken en verrijkende kleurnuances zonder één enkele lijn.

Tenslotte zou men  zich zover ontwikkelen dat men ervaringen zou kunnen opdoen met het prisma. Al heel gauw zou een bekend kunstenaar daar een mooie theoretische constructie op bouwen. Hij zou zeggen : “Mijne heren, om goed te filosoferen moet men terugkeren naar de door de natuur gegeven oorzaken. U ziet hier de uitsplitsing van een lichtstraal, hier ziet U alle grondkleuren met hun onderlinge betrekkingen en verhoudingen, de ware oorzaken van het genoegen dat de schilderkunst ons biedt. Al die mysterieuze woorden als tekening, voorstelling en gestalte zijn charlatanerie van de Franse schilders die denken met hun nabootsingen de ziel in weet ik welke gemoedsbeweging te verplaatsen terwijl men toch weet, dat er alleen maar zintuigelijke indrukken zijn. Men vertelt aan hen  wonderen over hun schilderijen maar kijk eens naar mijn kleuren! De Franse schilders hebben misschien de regenboog bestudeerd en mogelijkerwijs hebben ze vanuit de natuur een antenne voor kleurschakeringen ontwikkeld en een soort instinct voor kleuring. Ik echter heb hun de grote en ware oorzaken van de kunst getoond. Wat zeg ik, de kunst? Van alle kunsten, mijne heren, en alle wetenschappen.  Het uitsplitsen van de kleuren, de berekening van de prismatische brekingen leveren u de enige precieze betrekkingen die er in de natuur zijn, het voorbeeld voor alle betrekkingen. Want alles in het universum is niets anders dan betrekking. Men weet dus alles, wanneer men kan schilderen, men weet alles wanneer men kleuren op passende wijze weet te kiezen”.

Wat zouden we over een schilder zeggen die zo zeer verstoken is van gevoel en smaak, dat hij op deze manier moet denken en in zijn stompzinnigheid  het genoegen dat de schilderkunst ons biedt, moet beperken tot kennis van de natuur? Wat zouden we over de musicus zeggen die met soortgelijke vooroordelen is vervuld en zou geloven dat alleen in de harmonie de bron zou liggen van de grote effecten in de muziek? De eersten zouden we erop uitsturen om een houten tafel te gaan schilderen, de anderen ertoe veroordelen Franse opera’s te componeren.

Zoals schilderkunst niet de kunst is om kleuren op zo’n  manier te combineren dat die aangenaam voor het oog is,  zo is muziek evenmin de kunst klanken op een manier te combineren die voor het gehoor aangenaam is. Wanneer het alleen maar daarom zou gaan dan zouden schilderkunst en muziek onder de natuurwetenschappen moeten worden gerekend, niet onder de schone kunsten.  Alleen de nabootsing verheft ze tot de rang van kunst. Wat maakt van de schilderkunst een kunst van nabootsing? De tekening.  Wat in de muziek maakt ook van haar een dergelijke kunst? De melodie.

 

Over de harmonie

De schoonheid van de tonen is van nature gegeven. Hun werking is van zuiver fysieke aard. Ze is het resultaat van het samenstoten van verschillende luchtdeeltjes die door het klanklichaam en al zijn bestanddelen misschien tot in eeuwigheid worden bewogen. Dat alles samen geeft een aangename zintuigelijke indruk.  Alle mensen ter wereld genieten ervan naar mooie klanken te luisteren. Wanneer dit genoegen echter niet door modulaties van de melodie wordt verlevendigd, die hun vertrouwd zijn, is het  niet bijzonder meer en zal het niet tot echt plezier worden.  Gezang dat naar onze smaak bijzonder mooi is, zal een oor dat er niet mee vertrouwd is, maar zeer ten dele ontroeren.  Het gaat dan om een taal waarvoor men een woordenboek moet bezitten.

De harmonie in eigenlijke zin bevindt zich in een nog moeilijker positie. Omdat haar schoonheden alleen maar op overeenkomst berusten, werkt ze totaal niet aangenaam op het oor uit dat er niet mee vertrouwd is. Er is een langdurige gewenning nodig om ze echt te ervaren en ervan te genieten. Ongeoefende oren nemen bij onze consonanten alleen maar lawaai waar. Wanneer de natuurlijke verhoudingen worden veranderd spreekt het vanzelf  dat het natuurlijke genoegen niet meer bestaat.

Een klank bevat gelijktijdig alle harmonische tonen, overeenkomstig de kracht- en intervalverhoudingen die er tussen hen moeten bestaan om zo de meest volmaakte harmonie voor juist deze klank voort te brengen. Wanneer men hieraan een terts of een kwint of een andere consonant toevoegt , dan voegt men die niet toe, maar verdubbelt ze. De intervalverhouding blijft bestaan, maar de krachtverhouding verandert. Wanneer men een consonant versterkt maar de overige niet, dan wordt de juiste proportie verstoord.  Zodra men het beter wil doen dan de natuur, doet men het slechter. Uw oren en smaak zijn door een verkeerd begrepen kunst bedorven. Er bestaat van nature geen andere harmonie dan het unisono.

Rameau beweert,  dat een relatief eenvoudige bovenstem op natuurlijke wijze haar basstemmen suggereert en dat iemand met een goed, maar ongeoefend gehoor deze basstemmen heel vanzelfsprekend kan intoneren. Maar dit is een vooroordeel van een musicus dat door iedere ervaring wordt weerlegd. Niet alleen zal iemand die nooit een bas of een harmonie heeft gehoord, ook nooit uit zichzelf de bas of de harmonie vinden, maar ook zullen  beide  hem onaangenaam over komen wanneer men ze aan hem laat horen en hij zal boven hen verre de voorkeur geven aan het eenvoudige unisono, de enkele klank dus.

Zelfs wanneer men  over een tijdsafstand van duizend jaar de tonale verhoudingen en de wetten van de harmonie zou berekenen, hoe zou men dan uit deze kunst ooit een kunst van de nabootsing kunnen maken? Waarin bevindt zich dan het principe van deze zogenaamde nabootsing, waarvoor is de harmonie dan een teken en welke overeenkomsten bestaan er tussen de akkoorden en onze gevoelens?

Wanneer men dezelfde vragen aan de melodie stelt, krijgt men het antwoord vanzelf. De  lezer weet het antwoord van tevoren al.  De melodie bootst de modulaties van de stem na, ze drukt klachten uit, kreten van smart of vreugde, dreigingen en zuchten. Alle tekens van gevoel die uit de stem voortkomen, horen bij haar.  Ze bootst de tonen van de talen na en de zinswendingen die gevoelens oproepen bij bepaalde emotionele toestanden van de ziel. Ze bootst niet alleen maar na, maar spreekt en haar ongearticuleerde maar levende en brandende en hartstochtelijke taal bezit honderd maal meer kracht dan het gesproken woord zelf.

Vandaar de kracht van muzikale nabootsingen, vandaar het effect van zingen op gevoelige harten. De harmonie kan dit in bepaalde systemen ondersteunen, doordat ze de opeenvolging van de tonen verbindt door wetmatige modulaties, de intonatie preciezer maakt, het gehoor een onbetwist getuigenis aflegt van deze precisie  en nauwelijks waarneembare modulaties  met elkaar in verband brengt en in consonanten en gebonden intervallen  vastlegt. Maar doordat ze de melodie in de boeien slaat, berooft ze haar van kracht en uitdrukking, ze doet de hartstochtelijke toon te niet om hem door het harmonische interval te vervangen, ze reduceert de gezongen muziek tot slechts twee toongeslachten  terwijl er evenveel van zouden moeten zijn als van de zingbare tonen zelf. Ze maakt korte metten met een veelvoud van tonen en intervallen die niet in haar systeem passen.  Kortom, ze maakt een scheiding tussen het zingen en het spreken, zodat beide talen elkaar over en weer bestrijden, tegenspreken en elkaar beroven van elk waarheidskarakter en zich alleen maar met  smakeloze trucs kunnen verenigen in een roerend thema. Daardoor komt het, dat het volk het altijd belachelijk vindt wanneer sterke en serieuze gevoelens in gezang worden uitgedrukt omdat het weet dat deze gevoelens in onze talen geen muzikale modulaties hebben en dat de mensen van het Noorden evenmin als de zwanen zingend sterven.

De harmonie is niet eens toereikend, voor het weergeven van elementen die zij alleen schijnt te kunnen illustreren.  Donder, gemurmel van water, wind en stormen laten zich door simpele akkoorden slecht weergeven. Wat men ook onderneemt, puur lawaai zegt het verstand niets. De dingen moeten spreken om te worden gehoord, in iedere nabootsing moet altijd een soort van spreken de stem van de natuur aanvullen. De musicus die lawaai door lawaai wil weergeven, vergist zich : hij kent noch de sterke kanten noch de tekortkomingen van zijn kunst. Hij oordeelt erover zonder smaak en zonder kennis. Hij moet leren dat hij lawaai door gezang moet weergeven, dat hij, wanneer hij kikkers wil laten kwaken, hen moet laten zingen. Het is namelijk niet voldoende dat hij nabootst, hij moet ontroeren en bevallen, anders heeft zijn vervelende imitatie geen enkele zin. Omdat die geen mens interesseert, maakt hij niet de geringste indruk.

Onze meest intense zintuigelijke indrukken gaan meestal de morele indrukken te boven

Zolang als men klanken slechts bestudeert met betrekking tot de impact die ze op ons zenuwgestel hebben, zal men niet de ware oorzaken op het spoor komen van de macht van de muziek over onze ziel. De klanken van een melodie werken niet alleen maar op ons als klanken, maar als tekenen van onze indrukken, onze gevoelens. Alleen zo veroorzaken ze in ons de gemoedsbewegingen waarvan zij de uitdrukking zijn en waarvan wij daarin de afspiegeling herkennen. Iets van deze morele werking laat zich ook bij dieren waarnemen.  Het blaffen van de ene hond lokt de andere aan. Wanneer mijn kat hoort, dat  ik gemiauw nadoe, zie ik, dat hij ogenblikkelijk alert wordt, onrustig en opgewonden. Zodra hij vaststelt, dat ik het ben die de taal van zijn soortgenoten nadoet, gaat hij weer rustig liggen. Waarom bestaat dit onderscheid van indruk, hoewel niet het geringste onderscheid in de prikkeling van de stembanden gegeven is en hij zelf allereerst daardoor voor de gek gehouden is? Wanneer de buitengewoon grote macht die de zintuigelijke indrukken op ons uitoefenen, geen morele gronden heeft, waarom zijn wij dan zo gevoelig voor indrukken die voor barbaren niets te betekenen hebben?  Waarom zijn onze aangrijpendste muziekstukken niets meer dan lawaai in de oren van een Caraibiër? Is zijn zenuwgestel van een andere aard dan het onze? Waarom worden zij niet evenzo geraakt of waarom treffen dezelfde indrukken sommigen zo intens en anderen zo weinig? Om de fysieke macht van tonen te bewijzen voert men de genezing van een tarantula-steek aan.  Toch bewijst dit voorbeeld juist het tegendeel. Om alle slachtoffers van deze spin te genezen zijn niet bepaalde tonen nodig en ook niet bepaalde liederen,  maar voor ieder onder hen is een melodie nodig die hem vertrouwd is  en zinnen die hij begrijpt. Een Italiaan is gebaat bij Italiaanse melodieën, een Turk bij Turkse. Een ieder wordt slechts door die tonen geraakt die hem vertrouwd zijn. Zijn zenuwstelsel staat hiervoor slechts in die mate open, waarin zijn verstand het daarop voorbereidt.  Hij moet de taal waarin men tot hem spreekt, begrijpen, opdat het gesprokene hem kan raken. Cantates van Bernier hebben, zo vertelt men, een Frans musicus van koorts genezen. Bij een musicus van een ander volk zouden ze juist koorts hebben veroorzaakt.

Bij de overige zintuigen, zelfs de grofstoffelijkste, kunnen dezelfde onderscheidingen worden waargenomen. Wanneer een  mens zijn hand op een voorwerp legt en zijn oog erop gericht houdt en dat voorwerp  afwisselend voor levend en levenloos houdt, hoewel de zintuigen geen verschil waarnemen, wat verandert er dan aan zijn indruk? De ronding, de blankheid, de compactheid, de zachte warmte, de meegevende weerstand, het opzwellen en weer terugzinken geeft hem slechts een teder, maar vaag gevoel van beroering, wanneer hij niet gelooft dat zich onder dat alles een kloppend hart vol leven bevindt.

Ik ken maar één zintuig dat bij zijn ervaringen niets moreels voelt, en dat is de smaakzin.  Ook is onmatigheid  de dominante ondeugd van die mensen die niets  proeven.

Wie dus wil filosoferen over de kracht van de zintuigelijke indrukken, moet eerst de puur zintuigelijke indrukken scheiden van de intellectuele en morele die wij via onze zintuigen ontvangen, die er de oorzaak van zijn.  Hij moet de misvatting vermijden de zintuigelijk waarneembare voorwerpen een macht toe te kennen die deze niet bezitten of die ze verkrijgen door het beroeren van de ziel waaraan ze ons herinneren. Kleuren en klanken zijn belangrijk als  voorstellingsmiddelen en tekens, maar niet als eenvoudige objecten voor de zintuigen. Toon- en akkoordreeksen bevallen me misschien voor een ogenblik. Maar om me te raken en te betoveren moeten deze reeksen mij iets te bieden hebben dat  noch toon noch akkoord is, en dat , of ik wil of niet, mijn hart beweegt.   Zelfs die liederen die op zich aangenaam en nietszeggend zijn, vermoeien, want het is niet zozeer het gehoor dat het plezier naar het hart geleidt als het hart dat het naar het gehoor draagt. Ik denk dat men zich door deze gedachten nog meer uit te werken  domme overwegingen over de oude muziek had kunnen besparen. Ik moet me sterk vergissen wanneer in deze eeuw waarin men alle indrukken op de ziel zonder meer wil materialiseren en menselijke gevoelens van iedere zedelijke waarde wil beroven, de nieuwe filosofie de goede smaak niet evenzeer schade berokkent als de deugd.

 

De onjuiste analogie tussen kleuren en tonen

 

Er bestaat geen soort van dwaasheden die de natuurbeschouwing in het nadenken over de schone kunsten niet heeft opgeleverd. Bij de analyse van klank  vond men dezelfde verhoudingen als bij die van het licht. Al gauw wierp men zich enthousiast op deze analogie zonder zich verder te bekommeren om ervaring en verstand.  Het systeemdenken heeft alles met elkaar vermengd en omdat men niet voor oren kon schilderen, is men ertoe gekomen voor  ogen te zingen.  Ik heb dat beroemde spinet gezien  waarop men aangaf met kleuren muziek te maken.   Men kent de effecten van de natuur slecht, wanneer men niet inziet, dat het effect van kleuren bestaat in haar duur en het effect van tonen in hun volgorde.

Alle rijkdommen van de gemengde kleuren breiden zich gelijktijdig over de aarde uit. Met een eerste blik kan het oog alles omvatten, maar  hoe langer men kijkt,  des te groter is de ontroering. Men behoeft alleen maar zonder ophouden te bewonderen en diep na te denken.

Dat geldt niet voor de klank: de natuur ontleedt hem niet  en isoleert ook niet zelf de harmonische tonen. Integendeel, ze verstopt hen onder de schijn van een gelijke klank, en wanneer zij ze bij gelegenheid onderscheidt, zoals bij het zingen van de mens en bepaalde vogels, dan geleidelijk aan en de ene na de andere.  De natuur schenkt ons zang en geen akkoorden, ze geeft melodieën en niet de harmonie. Kleuren zijn de tooi van de levenloze objecten. Iedere materie heeft kleur. Tonen daarentegen kondigen beweging aan, de stem wijst op een voelend wezen. Alleen levende lichamen zingen. Niet de fluitautomaat speelt fluit, maar de technicus berekent de luchtstroom en zet de vingers in beweging.

Zo heeft elk zintuig zijn eigen bijpassende terrein.  Het rijk van de muziek is de tijd, het rijk van de schilderkunst is de ruimte. Wanneer men waargenomen tonen gelijktijdig wil verveelvoudigen of de kleur achtereenvolgens zou willen ontwikkelen, betekent dat, dat men het oog op de plaats van het oor stelt en het oor op de plaats van het oog.

Men zegt dat iedere kleur wordt bepaald door de brekingshoek van de lichtstraal die haar veroorzaakt, net zoals elke toon in een bepaalde tijd wordt vastgelegd door het aantal trillingen van het klanklichaam. Omdat de verhoudingen van de brekingshoek en het trilling-getal met elkaar overeenstemmen, ligt de analogie voor de hand. Dat moge zo zijn, maar toch is deze analogie er een van het verstand en niet van zintuigelijke indrukken en daarom gaat het ook niet.  Ten eerste is de brekingshoek  waarneembaar en meetbaar, het aantal trillingen is dat niet.  Klanklichamen die bloot staan aan inwerking van lucht, veranderen voortdurend in dimensie en klank. Kleuren zijn permanent, tonen klinken uit en men heeft nooit de zekerheid  dat de tonen die nieuw ontstaan, dezelfde zijn als die welke zijn verklonken.  Bovendien bestaat iedere kleur op zich en is onafhankelijk, terwijl elke toon voor ons alleen maar relatief is en zich alleen maar verhoudingsgewijs laat bepalen.  Een toon heeft geen  op zichzelf staand kenmerk waaraan men hem zou kunnen herkennen. Hij is laag of hoog, luid of zacht met betrekking tot een andere toon.  Op zichzelf genomen is hij niets van dat alles. In het harmonische systeem is  een willekeurige toon van nature niets. Hij is tonica noch dominant, neventoon noch grondtoon, want al deze eigenschappen zijn niet anders dan betrekkingen. Omdat het gehele systeem kan wisselen tussen hoog en laag verandert elke toon zijn plaats en status binnen het systeem, overeenkomstig de graduele verandering van het systeem. De eigenschappen van kleuren daarentegen bestaan niet in verhoudingen. Geel is geel, onafhankelijk van rood of blauw, het is overal waarneembaar en herkenbaar. Zodra men de brekingshoek van de betreffende kleur heeft vastgelegd, zal men zeker zijn, datzelfde geel tot in eeuwigheid te behouden.

De kleuren bevinden zich niet in de kleurige voorwerpen, maar in het licht, want om een voorwerp te kunnen zien, moet het beschenen worden. Ook tonen hebben een drager nodig.  Om hun aanwezigheid te kunnen realiseren is het noodzakelijk dat een klanklichaam in beweging wordt gebracht. Dit is nog een voordeel voor het oog, want het voortdurende stralen van de sterren is het natuurlijke instrument dat erop inwerkt, terwijl de natuur op zich weinig klanken voortbrengt. Er zijn levende wezens nodig om ze voort te brengen, tenzij men de harmonie van de sferen als een gegeven aanneemt.

Daaruit blijkt, dat de schilderkunst dichter bij de natuur staat en de muziek dichter bij de menselijke kunst.  Ook merkt men, dat de ene  juist al daarom grotere aandacht op zich weet te richten omdat ze meer de mensen samenbrengt en ons steeds weer een voorstelling van één van ons geeft.   Schilderkunst is vaak dood en zielloos. Ze kan iemand in de meest afgelegen woestenij verplaatsen, maar zodra iemands oor wordt getroffen door een menselijk stemgeluid, duidt dat op een wezen dat op hem lijkt. Ze zijn om zo te zeggen de werktuigen van de ziel en ook wanneer ze voor iemand het beeld van eenzaamheid oproepen , zeggen ze toch, dat je niet alleen bent.  Vogels kwetteren, alleen de mens zingt en men kan geen lied of symfonie horen, of men zegt onmiddellijk tot zichzelf : hier is een ander, voelend wezen.