***











 

www.resantiquae.nl

latijn




Voor geïnteresseerden is een Basiscursus Latijn beschikbaar die ik jarenlang bij het onderwijs aan de Hogeschool Rotterdam heb gebruikt. Hij bevat honderden spreekwoorden, inscripties en gedichtjes. U krijgt hem kosteloos via de mail : j.baan6@upcmail.nl 
Het begin ervan treft U aan bij Cursus

een prima cursus is die van Kox Kollum :

http://www.koxkollum.nl




Ookk schrijvers  in de periode van de Renaissance zoals Erasmus maakten gebruik van Latijn. Ze spraken en schreven deze taal wat de onderlinge communicatie Europa-wijd enorm  vergemakkelijkte. In het onderstaande een vertaalde dialoog van Erasmus .



Desiderii Erasmi ICQUOFAGIA

 

 

HET ETEN VAN VIS

 

Slager. Zoutevishandelaar.

 

 

I 'Vlees eten mag', een Jobstijding?

 

S. Zeg op, zouteloze  zoutevishandelaar, heb je nog geen strop gekocht?

Z. Een strop, slager?

S. Ja, een strop.

Z. Hoe dat zo?

S. Nou, om jezelf op te hangen, natuurlijk.

Z. Dat is meer voor anderen, ik heb nog niet genoeg van dit leven.

S. Dat wordt gauw anders.

Z. Laat een of andere god die voorspelling maar richten op de voorspeller zelf. Maar wat voor narigheid is er dan eigenlijk?

S. Als je dat nog niet weet, zal ik het je zeggen. Jou en jouw soortgenoten staat een spreekwoordelijke Saguntijnse hongersnood te wachten, zodat jouw zaak op de strop zal uitdraaien.

Z. Goed gesproken, slager. Dat zal hopelijk het lot van onze vijanden zijn. Hoezo ben je  plotseling van slager een Pythiër geworden, dat je een zo grote ellende voorspelt?

S. Het heeft met voorspellen niets van doen; laat je niet voor de gek houden, de realiteit staat voor de deur.

Z. Dat is mijn dood.  Als je wat weet, zeg het dan.

S. Ik zal het tot jouw grote ellende zeggen : de senaat in Rome heeft een edict uitgevaardigd, dat het voortaan voor iedereen vrijstaat te eten wat hij maar wil. Wat blijft er dan voor jou en je collega's over behalve te verhongeren met je rotte zoute vis?

Z. Wat mij betreft kan wie dat wil zelfs slakken  of brandnetels eten. Maar het is toch niemand verboden vis te eten?

S. Nee, maar iedereen die zin heeft, mag vlees eten.

Z. Als je me wat op de mouw spelt, verdien jij eerder de strop. Als het waar is, kun je ook maar liever een strop gereedmaken, want ik hoop vanaf nu op grotere winst.

S. Natuurlijk, de rijkste opbrengst, maar dan aan honger, tot verzadigens toe. Of als je wat leukers wilt horen : vanaf nu zul je veel hygiënischer leven en niet zoals nu  je schurftige snotneus in je elleboog snuiten.

Z. Toe maar, wat hebben we een niveau bereikt! De blinde scheldt de eenogige uit.  Alsof waarachtig bij slagers iets schoner is dan dat deel van zijn lichaam dat niet aan een wasbeurt toekomt. Was het maar waar, wat je aankondigt; maar ik ben bang dat je me blij maakt met een dooie mus.

S. Het is maar al te waar wat ik je zeg. Maar waarvandaan beloof je jezelf grotere winst?

Z. Omdat ik zie, dat het met de moraal van de mensen zo ver is gekomen, dat ze gretiger happen naar wat verboden is.

S. Goed, en wat dan verder?

Z. De meerderheid zich zal onthouden van het eten van vlees waar dat is toegestaan en er zal geen enkel feestmaal zijn zonder vis, precies zoals het vroeger was.  Daarom ben ik blij dat eten van vlees is toegestaan. Was het eten van vis maar verboden, dan zouden de mensen er des te meer trek in hebben.

S. Een vrome wens.

Z. Ik zou dit wensen als ik net zoals jij nergens anders aandacht voor zou hebben dan winst. Uit winstbejag heb jij je vette vleesetende ziel aan de onderwereldgoden gewijd.

S.Je bent een en al zout, ook al is wat je zegt zouteloos.

 

II Wat is erger : rotte vis of twijfelachtig vlees?

 

Z. Wat heeft de Romeinen ertoe gebracht om het eeuwenlang geldende vleesverbod nu op te heffen?

S. De omstandigheden zelf hebben allang hierop aangestuurd. Ze redeneren, wat ook klopt,  dat door zouteviskooplui de stad wordt verontreinigd en dat aarde, water, lucht en vuur en welk element dan ook,  worden bedorven. De lichamen van de mensen worden aangestast, want door het eten van vis raakt het vol met rottende sappen. Vandaar koorts, tering, jicht, epilepsie, melaatsheid en wat al niet aan ellende.

Z. Zeg op, Hippocrates,  waarom is het in geciviliseerde samenlevingen verboden om binnen de muren stieren en varkens te slachten? Nog beter zou voor het welzijn van de burgers worden gezorgd, als ook geen kleinvee zou worden geslacht. Waarom wordt er voor slagers een speciale plek gereserveerd? Toch alleen maar  om niet de hele stad te verpesten, wanneer ze overal zouden leven ?  Bestaat er soms een erger soort van stank dan van bedorven bloed en etter van dieren?

S. Dat ruikt nog lekker vergeleken bij stank van vis.

Z. Volgens mij zijn het voor jou inderdaad lekkere luchtjes, maar de magistraten die jullie uit de stad zetten, denken daar wel anders over.   Wat voor een heerlijke geur jullie slagersbanken verspreiden, maken diegenen duidelijk, die met hun neus dicht langslopen of die liever tien pooiers als buurman hebben dan één slager.

S. Om die rottende zoute vis schoon te krijgen hebben jullie niet eens genoeg aan hele meren of rivieren. Het is pure verspilling van water. Want een vis blijft stinken, ook al smeer je hem in met eau de cologne. Het is toch geen wonder dat ze dood zo'n walgelijke lucht verspreiden wanneer ze meestal  zodra ze gevangen zijn al stinken?

Gepekeld vlees blijft jaren goed, zo goed zelfs, dat het een aangename geur verspreidt. Ook wanneer het met gewoon zout wordt behandeld blijft het vrij van stank. Gedroogd of gerookt  blijven ze reukvrij.  Als je al deze behandelingen op vis toepast, ruik je niets anders dan vis. Je kunt hieruit opmaken dat geen enkele stank met die van vis te vergelijken is omdat het zout zelf ernaar ruikt, dat van nature hiervoor bestemd is, dat het bederf tegengaat door met eigen kracht het vlees te sluiten en samen te trekken en dat uit  te sluiten wat van buiten af schade kan doen.  Het droogt de sappen binnenin, waardoor rotting kan ontstaan. Alleen in vis is zout niet zout.  Misschien houdt een fijnbesnaarde ziel wel zijn neus dicht wanneer hij voorbij ons huis komt, maar niemand houdt het uit in een boot te zitten waar jullie zoute vis in ligt.  Wanneer  iemand onderweg  karren vol zoute vis tegenkomt, smeert hij hem. Hoe houdt hij zijn neus dicht! Wat spuugt en rochelt hij!  Wanneer zoute vis schoon in de stad kon worden gebracht, zoals wij het vlees van geslachte runderen aanvoeren, zou de wet nog niet slapen. Wat moet je nou met datgene doen wat al wegrot wanneer het wordt gegeten?  Hoevaak zien we niet,   dat jullie koopwaar door de marktmeesters wordt afgekeurd en in de rivier wordt gegooid met een hoge boete voor jullie? Dat zou nog veel vaker gebeuren als ze niet door jullie zouden worden omgekocht en meer uit zouden zijn op eigen voordeel dan het welzijn van de gemeenschap. Niet alleen schaden jullie hiermee die gemeenschap, maar  ook maken jullie het door snode afspraken onmogelijk dat ergens anders vandaan versere vis in de stad wordt aangevoerd.

 

III Bij vrije beroepen horen nu eenmaal incidenten

 

Z.  Alsof niemand  ooit een slager er van langs heeft zien krijgen omdat hij varkensvlees heeft verkocht dat bedorven en vlekkerig is of een schaap dat in water of modder is gestikt, of omdat hij schouderstukken vol ongedierte heeft afgewassen en met vers bloed heeft bestreken om de narigheid te verbergen.

S. Maar bij ons heeft zich nooit zoiets voorgedaan als bij jullie : door het eten van één pastei met paling zijn negen gasten overleden. Met dergelijke gerechten voorzien jullie de tafels van jullie medeburgers.

Z. Je vertelt van een voorval dat niemand kan voorkomen, puur toeval. Maar bij jullie is het bijna aan de orde van de dag om vetgemeste katten te verkopen in plaats van konijn en  in plaats van hazen honden, als dat tenminste zou kunnen vanwege de oren en de harige pootjes. Wat moet ik nog melding maken  van pasteien van mensenvlees?

S. Wat je me kwalijk nam, doe je nu zelf : je werpt me  toevallige menselijke fouten voor. Wie zich daaraan schuldig maakt, moet zich maar verantwoorden. Ik beschouw winst als winst.  Anders kun je ook wel de groenteman veroordelen die soms zonder het te merken in plaats van kool dolle kervel of monnikskap verkoopt, of de apotheker  omdat die soms in plaats van medicijnen gif geeft.  Geen beroep is zo vrij van risico dat zich dit soort incidenten niet voordoen. Wanneer jullie echter aan alle beroepsregels voldoen, is het nog gif wat jullie verkopen.  Als jullie een waterrog, een waterslang of een zeehaas zouden verkopen die per ongeluk met de rest  in het net is geraakt, was er sprake van een ongelukje, geen misdaad. Het zou jullie niet meer kunnen worden aangerekend dan een arts die soms de zieke die hij onder zijn hoede heeft, laat doodgaan.

 

 

IV Vermijdbare gezondheidsrisico's

 

Met dit kwaad viel nog te leven als  jullie stinkvis naar de wintermaanden werd verdreven; de  kou van het seizoen zou de ziektekiemen onschadelijk maken. Nu combineren jullie de zomerhitte met jullie viezigheid. Jullie maken de herfst, op zich al schadelijk, nog gevaarlijker. Wanneer het jaar zich vernieuwt en de verborgen sappen weer naar buitentreden, niet zonder risico voor het lichaam, daar  oefenen jullie twee hele maanden lang [tijdens de vastentijd] een schrikbewind uit en jullie kwetsen de prille jeugd van het herboren jaar met opgeroepen ouderdom. Terwijl de natuur hierop uit is de lichamen van ongezonde sappen te reinigen en met nieuwe sappen krachtig te maken, brengen jullie louter stinkende viezigheid binnen. Als er al wat schadelijks in het lichaam zit, maken jullie dat nog erger door het kwaad te vermeerderen en de goede sappen van het lichaam te bederven. Ook dit was nog te tolereren, als jullie alleen maar het lichaam schade zouden berokkenen. Aangezien echter nu door de verschillende soorten spijzen ook de organen van de geest worden aangetast, lijdt ook de geest zelf schade.  De viseters haal je er zo tussenuit : ze zien bleek, ze stinken en zijn dom en stom.

Z. O, nieuwe Thales! Wat voor verstand hebben dan diegenen die bieten eten? Evenveel als de bieten zelf?  En degenen die zich tegoed doen aan rund-, schapen- en geitenvlees?  Evenveel als runderen, schapen en geiten? Jullie verkopen  bokjes als delicatesse terwijl toch dit dier bekend is met epilepsie en dezelfde ziekte bij diegenen veroorzaakt die genieten van zijn vlees.  Zou het niet beter zijn een knorrende maag met zoute vis tevreden te stellen?

S. Alsof natuurwetenschappers  het alleen hierin bij het verkeerde einde hebben gehad.  Gesteld nog dat waar is, wat ze vertellen, dan nog is voor ziekelijke lichamen vaak dat wat op zich prima is, zeer schadelijk. We verkopen bokjes aan wie teringachtig en verzwakt is, niet aan degenen die lijden aan duizelingen.

Z. Als het eten van vis zoveel schade toebrengt aan de gezondheid van de mensen, waarom is het ons dan bij monde van bisschoppen en vorsten toegestaan het hele jaar onze waren uit te venten, terwijl jullie een goed deel van het jaar pas op de plaats moeten maken?

S. Wat kan mij dat schelen? Misschien is dit door slechte dokters zo geregeld om des te meer winst te maken.

Z.  Wat spreek je me van slechte dokters die immers de aartsvijanden van de vissen zijn?

S. Laat je niet voor de gek houden, mijn beste,  ze doen dat niet uit bezorgdheid voor jullie  of uit liefde voor de vissen, waarvan niemand zich met meer zorgvuldigheid onthoudt dan zij. Ze letten op hun eigen winkel : hoe meer er hoesten, zwak en ziek zijn, des te omvangrijker is hun inkomen.

Z. Ik ga het hier niet voor de dokters opnemen; ze zullen zich op hun beurt wel op jou wreken, mocht je nog eens in hun spinneweb terecht komen. Voor mijn standpunt  is de heilige levenswijze der ouden, het gezag  van de voortreffelijkste mensen, de waardigheid der bisschoppen en de algemene gewoonte van de christelijke volkeren voldoende.  Wanneer je hen allen beschuldigt van dwaasheid, wil ik liever met hen dwaas zijn dan met slagers wijs.

S. Je bedankt ervoor advocaat van artsen te zijn; ik mijnerzijds  wil geen aanklager of rechter zijn met betrekking tot de algemene gewoonte van de ouden.  Ik pleeg hen te respecteren, niet te beschuldigen.

Z. Wat dat standpunt betreft ben je eerder een voorzichtige dan een vrome slager, als ik je goed ken.

S. Naar mijn mening zijn zij verstandig die ervoor oppassen  het te doen te krijgen met hen die een bliksemschicht in handen hebben. 

 

V De slager als theoloog : eten voor en na de zondvloed en de heerschappij over het dier

 

Toch zal ik niet voor me houden wat ik aan opvattingen heb uit de bijbel, die ik soms in vertaling lees.

Z. Toe maar , nu wordt je van slager nog theoloog!

S. Volgens mij hebben die eerste mensen zodra ze tevoorschijn zijn gekomen uit vochtige klei, een gezond en krachtig lichaam gehad. Dat maakt hun lange tijd van leven wel duidelijk. Verder is het paradijs een uiterst aangename plek met een gezond klimaat geweest.  Op zo'n plek  hebben dergelijke lichamen door het inademen van  de lucht  en door de heerlijke geur  van de overal geurende planten, bomen en bloemen zonder enig eten kunnen leven, vooral wanneer de aarde  alles uit eigen beweging zonder mensenzweet in overvloed voortbracht en er geen ziekte noch ouderdom bestond.  Het onderhoud van een dergelijke tuin was eerder een lust dan een last.

Z. Tot nu toe klinkt wat je zegt, waarschijnlijk.

S. Van de zo uiteenlopende gewassen in die meer dan vruchtbare tuin was niets verboden op één boom na.

Z. Precies.

S. En dat om niets anders dan opdat de mensen door gehoorzaamheid hun Heer en Schepper zouden erkennen.

Z. Mee eens.

S. Ook ben ik van mening dat de nog jonge aarde alles meer vruchtbaar en vol sap heeft voortgebracht dan zij nu, oud en bijna krachteloos, voortbrengt.

Z. Laat dat zo zijn.

S. Vooral in het paradijs zal het zo geweest zijn.

Z. Dat is meer dan waarschijnlijk.

S. Eten was daar genieten, geen noodzaak.

Z. Dat heb ik ook gehoord.

S. Zich verre houden van het slachten van dieren was een uiting van menselijkheid, niet van religiositeit.

Z. Dat weet ik niet.  Ik lees dat het eten van dieren na de zondvloed was toegestaan, dat het eerder was verboden lees ik niet. In hoeverre echter had het zin toe te staan, wat al toegestaan was?

S. Waarom eten we geen kikkers? Niet omdat dat verboden is, maar omdat we ervan walgen.  Hoe weet je of God daarmee heeft aangegeven welke soort van eten de menselijke zwakheid vereist, niet welke hij toestond?

Z. Ik ben geen waarzegger

S. We lezen toch direct bij het begin van de schepping van de mens : heers over de vissen van de zee, de vogels van de hemel en alle dieren die zich op aarde bewegen. Wat is het nut van heerschappij wanneer ervan eten niet is toegestaan?

Z. Wat een wrede meester! Verslind je op die manier ook je slaven en slavinnen, je kinderen en je vrouw? Waarom eet je niet op dezelfde manier van je po, waarover je de baas bent?

S. Luister nou eens op jouw beurt, zouteloze zoutevisverkoper. Van de rest van de dieren hebben we nut en het woord 'heerschappij' is geen lege huls. Een paard draagt me op zijn rug, een kameel torst bagage. Wat is het nut van vissen anders dan ze te eten?

Z. Alsof er van vissen niet ontelbare medicijnen worden gemaakt.  Verder zijn veel dingen alleen maar hierom geschapen, dat ze de mens een plezier doen wanneer ze worden gezien en hem meevoeren tot bewondering voor de schepper. Je gelooft het misschien niet, maar dolfijnen dragen mensen op hun rug. Tenslotte zijn er vissen die ons naderend onweer voorspellen, zoals  de zeeëgel. Zou je een dergelijke bediende niet in je huis wensen?

S. Goed, ook al geven we dit toe, dat het voor de zondvloed niet geoorloofd was iets te eten behalve dan de vruchten van de aarde, dan had het niet veel te betekenen zich van die dingen te onthouden, die  het lichaam niet noodzakelijkerwijs vereiste, en waarmee de wreedheid van het slachten was verbonden. Dat geef je wel toe, dat aanvankelijk het eten van dieren toegestaan was vanwege de zwakheid van het menselijk lichaam.  De zondvloed had een flinke kou veroorzaakt en ook vandaag zien we dat in koude gebieden mensen worden geboren die meer eten dan de rest. De overstroming  had ook de oogst van de aarde vernield of bedorven.

Z. Dat kan zijn.

S. En toch werden de mensen na de zondvloed meer dan tweehonderd jaar oud.

Z. Dat geloof ik ook.

 

VI Het traliewerk van de spijswetten voor en na het Evangelie : wet en genade

 

S. Waarom heeft God dan wat hij aan die krachtige mensen zonder uitzondering toestond later voor zwakkeren met een kortere levensverwachting beperkt tot bepaalde soorten van dieren, zoals Mozes heeft voorgeschreven?

Z. Alsof het aan mij zou zijn rekenschap af te leggen  over wat God doet!  Toch denk ik, dat God toen gedaan heeft wat heren plegen te doen die de toegevendheid jegens hun slaven inperken zodra ze zien dat zij van de mildheid van hun meesters misbruik maken. Zo verminderen we bij een paard dat te wild wordt zijn rantsoen aan bonen en haver, we voeden hem met een beetje hooi en tomen hem in met een teugel en scherpere sporen. Het mensengeslacht  had alle respect laten varen en had zich aan een dergelijke vrijpostigheid overgegeven alsof God helemaal niet meer bestond.  Hier is het traliewerk van de wet uitgevonden, de grendels van de voorschriften, de teugels van dreigementen en aanwijzingen om ze zo weer op het goede pad te brengen.

S. Waarom zijn dan de grendels van die wet vandaag de dag nog gebleven?

Z. Omdat de scherpe kanten van de vleselijke slavernij zijn weggenomen nadat we door het evangelie zijn aangenomen tot kinderen Gods. De voorschriften zijn milder geworden  zodra ons een rijkere genade ten deel is gevallen.

S.  Wanneer God zijn verbond eeuwig noemt en wanneer Christus bevestigt dat hij de wet niet opheft maar juist vervult, op grond waarvan  hebben de latere generaties het dan aangedurfd een goed deel van de wet buiten werking te stellen?

Z. Die wet was niet gegeven aan de heidenen en daarom vonden de Apostelen het juist  hen niet te bezwaren met de last van de besnijdenis, opdat ze niet, wat de Joden ook nog vandaag de dag doen, liever hun hoop op heil vestigen in het in achtnemen van lichamelijke aspecten eerder dan in het vertrouwen op en de liefde jegens God.

S. Ik laat de heidenen even buiten beschouwing.  Welke schrift leert duidelijk dat de Joden, wanneer ze de boodschap van het evangelie hebben omarmd, bevrijd zijn van de slavernij van de wet van Mozes?

Z. Aangezien door de profeten is voorspeld, dat dat zou gebeuren, de profeten die een nieuw verbond beloven en een nieuw hart en een God opvoeren die de Joodse feestdagen verwerpt, hun offers afwijst, hun vasten verafschuwt, hun gaven weigert en een volk wenst met een besneden hart.  De Heer zelf heeft hun beloften bevestigd die zijn discipelen zijn lichaam en bloed aanbood en dat zijn nieuwe verbond noemde.  Als niets wordt afgedaan aan het oude verbond, waarom wordt dit dan het nieuwe verbond genoemd? De Joodse keuze van spijzen heeft de Heer  niet met zijn voorbeeld, maar wel met zijn eigen woorden afgeschaft, wanneer hij zegt dat mensen niet door voedsel worden verontreinigd dat in de maag wordt gebracht en weer wordt uitgescheiden.  Datzelfde leert Hij Petrus in een visioen. Sterker nog, Petrus zelf doet dat, wanneer hij samen met Paulus en de overigen gewone  spijzen nuttigt waarvan de wet had voorgeschreven zich te onthouden.  Paulus behandelt dit overal in zijn brieven en er valt niet aan te twijfelen dat wat het christelijke volk vandaag navolgt van de apostelen als het ware van hand tot hand doorgegeven tenslotte tot ons is gekomen. Daarom zijn de Joden niet zozeer vrijgelaten als wel van het bijgeloof van de wet, zoals van de gewone, vertrouwde, maar niet meer passende melk, verwijderd. Niet is de wet afgeschaft, maar dat gedeelte dat niet meer van nut was, werd te verstaan gegeven te wijken.  Loof en bloemen beloven toekomstige vruchten. Zodra die de boom zwaar maken, kijkt niemand meer naar de bloesem om. Niemand zal erom treuren dat de jeugd van zijn zoon voorbij is, zodra  hij tot rijpe leeftijd is gekomen. Niemand zoekt  een lantaarn en fakkels wanneer de zon zich boven de aarde verheft. Een pedagoog heeft geen reden tot klagen  als een reeds mondige zoon vrijheid voor zichzelf opeist en de pedagoog op zijn beurt in zijn macht heeft.  Een onderpand houdt op onderpand te zijn wanneer de toezeggingen eenmaal zijn ingelost.  Voordat een bruid naar de bruidegom wordt gebracht, troost zij zich met de briefjes die door hem zijn verstuurd, ze kust de geschenken die van hem komen en ze omarmt de afbeeldingen met zijn portret. Wanneer echter haar de beschikking over haar bruidegom zelf wordt gegeven, heeft ze uit liefde voor hem geen aandacht meer voor die dingen die ze vroeger met liefde heeft bejegend. De Joden echter konden zich aanvankelijk met moeite losmaken van hun gewoontes, zoals wanneer een jongen, aan de moedermelk gewend, ook wanneer hij al groot is, om de borst roept en harde spijzen laat staan. Daarom werden ze bijna met geweld afgebracht van die symbolen, afschaduwingen of tijdelijke vormen van troost, opdat ze zich daardoor geheel en al tot hem zouden richten die die wet had beloofd en aangeduid.

S. Wie had zoveel theologie van een zouteviskoopman verwacht?

Z. Ik ben gewoon proviand aan vis te verschaffen aan het college der Dominicanen in onze stad. Derhalve gebeurt het dan, dat zij vaak bij mij eten en ik soms bij hen. Uit twistgesprekken met hen heb ik dit soort zaken opgepikt.

 

VII De status van de spijswetten bij Joden en Christenen

 

S. Waarachtig, jij verdient het om van een zoutevis- een verseviskoopman te worden. Maar licht dat nog toe : als jij een Jood zou zijn [het is mij niet helemaal duidelijk of je er een bent] en jou door gebrek aan voedsel levensgevaar boven het hoofd zou hangen, zou je dan varkensvlees eten of liever dood willen?

Z. Wat ik zou doen, weet ik wel; wat ik zou moeten doen, begrijp ik nog niet.

S. God heeft beide verboden : gij zult niet doden en Gij zult geen varkensvlees eten. Welk van de twee voorschriften moet in een dergelijk geval wijken voor het andere?

Z. Om te beginnen staat niet vast of God het eten van varkensvlees met deze bedoeling heeft verboden, dat hij liever wilde dat men de dood verkoos, dan dat men door te eten in leven zou blijven. Want de Heer zelf verontschuldigt David die tegen het voorschrift van de wet in van de heilige broden heeft gegeten. Ook tijdens de Babylonische ballingschap zijn veel dingen die door de wet waren voorgeschreven, niet door de Joden in acht genomen. daarom zou ik denken dat die wet die de natuur zelf heeft opgesteld en daardoor eeuwig is en onschendbaar, voor geldiger moet worden gehouden dat die welke niet altijd is geweest en later afgeschaft moest worden.

S. Waarom worden dan de Maccabeische broers geprezen  die liever onder gruwelijke martelingen gedood wilden worden dan varkensvlees eten?

Z. Ik denk omdat dit voedselvoorschrift van de koning  neerkwam op de verloochening van de gehele wet der vaderen, zoals de besnijdenis die de Joden de heidenen probeerden op te dringen, het aanvaarden van de gehele wet in zich sloot, niet anders dan het voldoen van een aanbetaling verplicht tot het nakomen van het gehele contract.

S. Welnu, wanneer dat leeuwendeel van de wet na de zonsopgang van het evangelie terecht is opgeheven, met welke bedoeling zien we nu dat ofwel dezelfde regels of wel strengere dan deze in het leven worden geroepen, vooral wanneer de Heer zijn juk zoet noemt en Petrus in de Handelingen der Apostelen  de wet der Joden hard noemt welke noch zijzelf noch hun vaderen zouden kunnen verdragen? De besnijdenis is verdwenen, maar de doop is ervoor in de plaats gekomen met, zou ik haast zeggen, hardere bepalingen. Die doop werd verschoven naar de achtste dag. Indien in de tussentijd en ongeluk het kind had weggonomen gold de belofte van besnijdenis als de besnijdenis zelf. Kinderen die nauwelijks nog uit de duisternis van de moederschoot tevoorschijn zijn gekomen worden door ons geheel en al ondergedompeld in koud water dat lange tijd in een stenen bekken heeft stilgestaan, om niet te zeggen vervuild is. Indien het op de eerste dag, ja op het moment van de geboorte, is gestorven zonder schuld van ouders of vrienden, wordt het arme kind aan eeuwige verdoemenis prijsgegeven.

Z. Dat zeggen ze.

S. De sabbat is afgeschaft, neen, niet afgeschaft, maar verlegd naar de dag des Heren. Wat heeft dat voor zin? De wet van Mozes heeft een vastenperiode van enige dagen vastgelegd; een hoe groot aantal dagen hebben wij daaraan toegevoegd? Hoeveel vrijer waren de Joden dan wij bij het kiezen van hun spijzen! Zij mochten namelijk zelfs het hele jaar  door schapen, kapoenen, patrijzen en bokjes eten. Geen gewaad was bij hen verboden  behalve dat wat was vervaardigd van  wol en linnen. Afgezien van  zoveel voorgeschreven en verboden  vormen en kleuren van gewaden zijn daar de tonsuur en verschillende andere zaken bijgekomen. Van de last van de biecht zal ik maar niet spreken, evenmin van het pakket van menselijke bepalingen, de veelvoudige tienden, het huwelijk dat door nauwere banden wordt ingesnoerd, nieuwe verwantschapsbepalingen en talrijke andere zaken die maken dat in dit opzicht de situatie van de Joden niet weinig gemakkelijker geweest schijnt te zijn geweest  dan die van ons.

Z. Je slaat de plank enorm mis, slager. Het juk van Christus wordt niet gemeten naar die regel die jij je voorstelt.  Door meer en tot moeilijker zaken wordt de Christen verplicht, tenslotte ook onder een strengere straf, maar  hieraan wordt wel verbonden een grotere kracht van geloof en liefde. Wat van nature het zwaarst is, wordt daardoor aangenaam gemaakt.

S. Maar wanneer ooit eens  de Heilige Geest die in de gedaante van vurige tongen uit de hemel is neergedaald, de harten van de gelovigen met het reusachtige geschenk  van geloof en liefde heeft verrijkt, waarom is dan de last van de wet verminderd als voor mensen die zwak zijn en gebukt gaan onder onevenredig zware last?  Waarom noemt Petrus, geinspireerd door de Geest, die last niet te dragen?

Z. Die last is voor een gedeelte verminderd opdat het Jodendom, zodra het begonnen was, niet de glorie van het evangelie teniet zou doen en opdat de heidenen door hekel aan de wet van Christus vervreemd zouden raken. Onder hen bevonden zich zeer vele zwakkelingen die door een dubbel gevaar werden bedreigd : enerzijds, dat ze zouden geloven  dat zonder het inachtnemen van de wet niemand het heil zou kunnen verwerven, anderzijds  dat ze ervoor zouden kiezen in het heidendom te volharden liever dan het juk van de wet van Mozes op zich te nemen.Hun  zwakke harten  moesten als het ware door het lokaas van een zekere vrijheid  worden verlokt. Dit ook met de bedoeling om hen te genezen die op grond van de boodschap van het evangelie beweerden dat  er geen hoop op heil was zonder inachtnemen van de wet. Ze hebben de besnijdenis, de sabbat, de keuze van spijzen en andere dergelijke zaken ofwel helemaal opgegeven of in iets anders veranderd.   En verder : wanneer  Petrus zegt dat hij de last van de wet niet heeft kunnen dragen, moeten we dat niet betrekken  op zijn toenmalige persoon, omdat voor hem  niets meer ondragelijk was, maar op de grove en zwakke Joden die niet zonder tegenzin aten van het kaf van het gerst en van het merg van de Geest nog niet hadden geproefd.

S. Jouw voorstelling van zaken lijkt me behoorlijk plomp.  Het lijkt mij, dat er ook nu niet minder redenen zijn waarom die vleselijke bepalingen in zoverre moeten worden opgeheven, dat ze facultatief, niet verplichtend zijn.

 

VIII De kern  van het uit te dragen Christendom : geloof en liefde

 

Z. Hoe dat zo?

S. Pas geleden zag ik op een enorm stuk linnen de hele wereld geschilderd. Toen werd me duidelijk, hoe klein het gedeelte van de wereld was dat de christelijke religie in pure en zuivere vorm aanhangt : een stukje West- en Noord-Europa, een wat groter stuk Zuid-Europa en een gedeelte Oost-Europa tot aan Polen. De rest van de wereld wordt bewoond door barbaren die zich niet veel van wilde dieren onderscheiden, of door schismatici of door ketters, of door allebei.

V. Maar heb je dan niet die hele zuidkust gezien en her en der die eilanden die opvallen door christelijke tekens?

S. Klopt, en ik ben erachter gekomen  dat daarvandaan veel buit is weggevoerd. Dat het Christendom er is ingevoerd, heb ik niet gehoord. Wanneer de oogst zo groot is, lijkt dit de meest aangewezen weg het Christendom uit te dragen : zoals de apostelen de last van de wet van Mozes hebben afgeschaft, opdat de heidenen er niet door zouden worden afgestoten, zo zouden nu om ook de zwakkeren in te palmen de verplichtingen van bepaalde zaken zonder welke de wereld aanvankelijk in stand bleef en ook nu wel in stand kan blijven, kunnen worden opgeheven, als het geloof en de liefde van het evangelie maar behouden blijven. Anderzijds hoor en zie ik dat er zeer velen zijn die het wezen van hun geloof besloten zien in bepaalde plaatsen, gewaden, spijzen, een praktijk van vasten, gebaren en gezangen en op grond hiervan hun naaste beoordelen tegen het voorschrift van het evangelie in. Daardoor gebeurt het, dat, terwijl  alles neerkomt op geloof en liefde, door bijgelovigheid ten aanzien van genoemde zaken beide te niet worden gedaan. Ver van het evangelische geloof  is immers diegene verwijderd die op dit soort uiterlijke zaken vertrouwt. Ver van de christelijke liefde is hij verwijderd, die vanwege drank of eten dat iemand op een goede manier kan gebruiken, zijn broer dwarszit voor wiens vrijheid Christus gestorven is. Wat voor een bittere conflicten  zien we tussen Christenen! Wat voor een haatdragende lasterpraat vanwege een gewaad dat anders  is omgord of dat een andere kleur heeft en vanwege voedsel dat wateren en weiden ons bieden! Wanneer dit kwaad bij een enkeling was binnengeslopen zou het genegeerd kunnen worden.  Nu zien we dat de hele wereld hierom door noodlottige twistpartijen wordt geteisterd.  Indien deze en dergelijke zaken zouden worden afgeschaft zouden ook wij in een grotere eendracht leven zonder ons druk te maken om uiterlijkheden en met uitsluitende aandacht voor  dat wat Christus ons heeft geleerd en de overige volkeren  zouden sneller  een godsdienst aanhangen die met vrijheid verbonden is.

Z. Buiten het huis van de Kerk is geen heil.

S. Dat geef ik toe.

Z. Buiten de Kerk is wie de paus van Rome niet erkent.

S. Dat spreek ik niet tegen.

Z. Maar wie zijn voorschriften negeert, erkent hem niet.

 

 

IX Menselijkheid bij pausen en vorsten

 

S. Juist daarom hoop ik dat het zal gebeuren dat deze paus, Clemens genaamd, uiterst mild wat religieuze instelling betreft, om des te meer alle volkeren tot de gemeenschap van de Kerk aan te trekken alles zal matigen wat tot nu toe heel wat volkeren  vervreemd schijnt te hebben  van de band met de Stoel van Rome. Laat hij liever de winst van het evangelie oogsten dan in alle zaken zijn eigen recht na te streven. Ik hoor dagelijks oude klachten over de jaarlijkse giften, de aflaatbrieven, de dispensaties en de andere heffingen en belastingen van de Kerk. Ik meen echter dat deze paus alles zo zal matigen, dat hij die nadien verder gaat met klagen, zich moet schamen.

Z. Ach, deden alle vorsten maar hetzelfde! Ik twijfel er niet aan dat het Christendom dat zich momenteel in een keurslijf bevindt  zich uiterst voorspoedig zal uitbreiden, wanneer de barbarenvolkeren merken dat ze geroepen worden niet  tot menselijke dienstbaarheid, maar tot de vrijheid van het evangelie, dat het niet wordt verlangd  om het te plunderen, maar met het oog op  een gemeenschap van geluk en heiligheid.  Wanneer ze met ons samen gaan  en in ons echt Christelijke zeden hebben aangetroffen, zullen ze uit eigen beweging meer te bieden hebben dan  enig geweld van hen kan afdwingen.

S. Ik voorspel je dat dat in korte tijd  zal gebeuren wanneer de ziekmakende Verblinding  die de twee machtigste vorsten ter wereld  in een rampzalige oorlog heeft verwikkeld, naar de hel loopt.

Z. Ik verbaas me erover dat dat niet allang is gebeurd omdat men zich niets menselijkers kan voorstellen dan Frans. Ik meen dat bij keizer Karel door zijn leermeesters is ingeprent dat hoe meer er door het lot aan het gebied van het rijk wordt toegevoegd, des te meer  hij zelf aan mildheid en welwillendheid moet toevoegen. Wat dit betreft heeft deze tijd nu eenmaal  een bijzondere gave van vriendelijkheid en mildheid.

S. Er is niets dat je bij beiden zou missen.

Z. Wat staat dan de algemeen gekoesterde wens van de wereld in de weg?

Nog steeds zijn juristen het niet eens over de grenzen. Je weet dat in blijspelen  het tumult altijd uitloopt op een huwelijk. Op dezelfde manier sluiten de vorsten hun tragedies af. In de komedie echter komt een huwelijk plotseling tot stand, hier wordt  de zaak tussen hoge heren met grote inspanningen afgedaan. Het is beter het litteken behoorlijk wat tijd later te bedekken, dan dat de zweer binnenkort openbreekt.

Z. Geloof jij trouwens  dat die huwelijken  een vaste band van eenheid vormen?

S. Ik zou het wel willen, maar ik zie  dat juist hieruit het grootste deel van de oorlogen ontstaat. Wanneer een oorlog is uitgebroken  verspreidt de brand zich verder -verwanten immers helpen elkaar - en wordt moeilijker weer bijgelegd.

Z. Ik ben het daarmee eens  en zie in dat je volkomen gelijk hebt.

S. Maar vind je het eerlijk dat de hele wereld  vanwege ruzies tussen juristen en vertragingstaktieken bij het sluiten van verdragen zoveel ellende moet doorstaan? Niets is nu ergens nog veilig en zolang het noch oorlog noch vrede is, is heel veel toegestaan voor mensen van het laagste allooi.

Z. Het is niet aan mij een oordeel uit te spreken over besluiten van vorsten, maar als iemand mij keizer zou maken zou ik wel weten wat ik zou doen.

 

X De viskoopman in de rol van vorst  en paus : wedijver in menselijkheid

 

S. Goed, we maken je keizer en tegelijkertijd paus van Rome, als je daar zin in hebt.  Wat zou je doen?

Z. Maak me liever keizer en koning van Frankrijk.

S. Prima, wees alletwee maar.

Z. Ik zou onmiddellijk uit verlangen naar vrede in mijn gehele machtsgebied een wapenstilstand uitroepen, de troepen ontbinden en de doodsstraf al uitspreken wanneer iemand zich vergrepen had aan een kip van een ander.  Wanneer ik zo rust gebracht zou hebben tot nut van mijzelf en de gemeenschap, zou ik onderhandelen over de grenzen van het rijk of over huwelijksvoorwaarden.

S. Heb je geen sterkere banden voor een bondgenootschap dan een huwelijk?

Z. Jazeker.

S. Welke dan?

Z. Als ik keizer zou zijn, zou ik zonder dralen zo met de koning van Frankrijk onderhandelen : Beste broer, een of andere boze geest heeft deze oorlog tussen ons veroorzaakt; toch heeft er tussen ons nooit een strijd om het hoofd, maar om de heerschappij bestaan. Voor zover het aan  jou lag, heb je je een dappere en onverzettelijke strijder betoond.  Het geluk is mij ter wille geweest en heeft  jou van koning tot krijgsgevangene gemaakt. Wat jou is gebeurd, had ook mij kunnen overkomen. Jouw rampspoed herinnert ons allen aan onze menselijke situatie. We hebben ervaren hoezeer dit soort van conflict voor ons beiden tot nadeel is geweest. Vooruit, laten we op een andere manier met ons conflict verder gaan. Ik geef jou je leven en je vrijheid; in plaats van vijand beschouw ik je als een vriend. Laten we alle vroegere ellende vergeten. Keer zonder meer vrij naar de jouwen terug,  behoud je bezittingen en wees een goede buurman. Laat vanaf nu deze ene strijd tussen ons worden gestreden wie van ons beiden de ander in trouw, plichtsbesef en welwillendheid overtreft. Laten we er niet om strijden wie van ons beiden over een groter gebied heerst, maar wie zijn rijk vromer bestuurt. In onze vorige strijd heb ik de lof van de fortuin geoogst; wie nu zal winnen zal een veel schitterender roem oogsten.Voor mij althans zal deze reputatie van lankmoedigheid meer echte roem brengen dan indien ik geheel Frankrijk aan mijn machtsgebied zou hebben toegevoegd. Ook jou zal de indruk van dankbaarheid meer roem brengen dan wanneer je me uit geheel Italië zou hebben verdreven. Misgun me niet de roem waar ik op uit ben. Ik op mijn beurt zal jou in je streven naar roem zo stimuleren dat je graag bij deze vriend in het krijt zult willen staan.

S. Inderdaad, zo zou Frankrijk, ja zelfs de hele wereld, kunnen worden ingepalmd. Immers als door onbillijke bepalingen deze zweer eerder wordt bedekt dan genezen , ben ik bang, dat weldra het litteken zal scheuren en meer pus met grotere ellende naar buiten zal komen.

Z. Wat een geweldige en aansprekende roem zal deze menselijkheid voor Karel over de hele wereld tot stand brengen!Welk volk zou zich niet van harte aan een zo menselijk en zo milde vorst onderwerpen?

S. De rol van keizer heb je met veel verve gespeeld, nu die van paus!

Z. Het zou vreselijk lang duren wanneer ik alles tot in detail zou uitspelen. Ik zou zo optreden dat de hele wereld zou inzien dat ik een kerkvorst ben die naar niets anders zou streven dan de roem van Christus en het heil van alle stervelingen.  Dat zou werkelijk de afgunst die met de naam van de paus is verbonden, te niet doen en een vaste en eeuwige roem tot stand brengen. Maar intussen zijn we zogezegd van de ezel gevallen en ver weggeraakt van ons uitgangspunt.

 

XI Hiërarchie in regelgeving

 

S. Ik zal je meteen weer op het rechte pad brengen. Je beweert dus dat alle wetten van de pausen die in de kerk bestaan, geldig zijn?

Z. Klopt.

S. Op straffe van de hel?

Z. Dat zeggen ze.

S. Ook die van de bisschoppen?

Z. Dat denk ik wel : ieder in zijn eigen machtsgebied.

S. Ook die van de abten?

Z. Dat weet ik zo net niet, want zij ontvangen hun bevoegdheid op zekere voorwaarden; ze kunnen niet hun eigen mensen gebukt laten gaan onder hun regelgeving tenzij op gezag van de gehele orde.

S. Wat als de bisschop zijn functie onder dezelfde voorwaarden aanvaardt?

Z. Ik sta in dubio.

S. Wat een bisschop heeft vastgesteld, kan de paus dat ongedaan maken?

Z. Volgens mij wel.

S. Wat de paus heeft vastgesteld, kan niemand dat te niet doen?

Z. Niemand.

S. Hoezo horen we dan dat besluiten van de pausen ongedaan zijn gemaakt om deze reden, dat zij  niet genoeg op de hoogte waren, en dat regelingen van voorgangers door opvolgers zijn geschrapt omdat ze verre van vroom waren?

Z. Die dingen zijn incidenteel en van korte duur. Want ook een paus, net als elk mens, kan zich vergissen in een persoon of feit. Wat overigens berust op gezag van een algemeen concilie, is een uitspraak vanuit de hemel en heeft een gewicht aan de evangeliën gelijk of bijna gelijk.

S. Mogen we vraagtekens zetten bij de evangeliën?

Z. Die is goed! Niet eens  bij concilies die naar behoren in de Heilige Geest zijn samengekomen, afgesloten, naar buiten gebracht en aanvaard.

S. Wat nu als iemand niet zeker weet of dit voor een concilie geldt? Het tegendeel wordt ook beweerd; zo hoor ik dat het concilie van Basel door sommigen wordt verworpen en dat van Constantinopel niet door iedereen wordt aanvaard.Ik heb het over diegenen die nu als orthodox worden beschouwd. Ik zal het maar niet hebben over het laatst gehouden Lateraans concilie.

Z. Laten zij die dat willen maar op eigen risico twijfelen; ik wil dat niet.

S. Had Petrus dan het gezag om nieuwe wetten op te stellen?

Z. Dat had hij inderdaad.

S. En Paulus en de andere apostelen?

Z. Ze hebben dat elk in hun eigen kerken gehad die hun door Petrus of Christus waren toevertrouwd.

S. Hebben de opvolgers van Petrus een gelijk gezag als dat van Petrus zelf?

Z. Hoezo niet?

S. Zijn we een pauselijk decreet evenveel eerbied schuldig als de brieven van Petrus en de verordeningen van de bisschoppen evenveel als de brieven van Paulus?

Z. Ik voor mij ben van mening, dat men hun nog meer respect verschuldigd is wanneer ze iets voorschrijven of op grond van hun gezag een wet instellen.

S. Mogen we eraan twijfelen of Petrus en Paulus geschreven hebben door inspiratie met de Heilige Geest?

Z. Wie daaraan twijfelt, zou een ketter zijn.

S. Denk je dat ook van de decreten en verordeningen van pausen en bisschoppen?

Z. Wat pausen betreft : ja. Bij bisschoppen weet ik het niet zeker, afgezien daarvan, dat het passend is over niemand negatieve vermoedens te koesteren, tenzij de zaak zelf ze openlijk uitschreeuwt.

S. Waarom laat de Geest het een bisschop eerder toe te dwalen dan de paus?

Z. Omdat het gevaar aan de top zwaarder weegt.

S. Indien de voorschriften van de hoogwaardigheidsbekleders zoveel gezag hebben, wat betekent het dan dat de Heer in Deuteronomium zo  strenge dreigementen uitspreekt, wanneer iemand iets aan de wet toe- of afdoet?

Z. Hij voegt niets toe aan de wet, die ruimschoots uitlegt wat erin verborgen ligt,  die datgene naar voren haalt dat betrekking heeft op het inachtnemen van de wet. Hij doet niets af aan de wet die de wet uitlegt in afstemming op het begripsvermogen van de toehoorders en daarbij sommige zaken accentueert en andere overslaat zoals de tijd dat noodzakelijk maakt.

S.Waren de bepalingen van de Farizeeën en schriftgeleerden bindend?

Z.Volgens mij niet.

S. Hoezo?

Z. Omdat ze de bevoegdheid hadden de wet uit te leggen, niet om een wet te formuleren.

 

XII  Goddelijke en menselijke wetten

 

S. Welke bevoegdheid vind je groter, die van het instellen van menselijke wetten of die van het uitleggen van goddelijke wetten?

Z. Die van het instellen van menselijke wetten.

S. Ik niet.  Immers wie het recht heeft uit te leggen, diens visie heeft de status van een goddelijke wet.

Z. Ik kan niet helemaal volgen wat je zegt.

S. Ik zal het beter uitleggen.  De goddelijke wet schrijft voor je vader te hulp te komen. De Farizeeer legt dat zo uit, dat  aan de vader is gegeven wat je in de collectebus doet, omdat God ieders Vader is. Wijkt de goddelijke wet niet voor deze interpretatie?

Z. Nee, want die uitleg is onjuist.

Z. Maar nu eenmaal de bevoegdheid om uit te leggen aan hen is gegeven, op grond waarvan zal het voor mij vaststaan, wiens uitleg de goede is, met name wanneer ze het zelf onderling oneens zijn?

Z. Als jou de communis opinio minder bevalt, ga dan maar af op het gezag van de prelaten, dat is het veiligst.

S. Is dan het gezag van Farizeeën en schriftgeleerden overgegaan op theologen en predikers?

Z. Ja.

S. Maar ik hoor niemand vaker zeggen : ‘Hoor, ik zeg u’  dan zij die nooit vertoefd hebben in een theologisch auditorium.

Z. Je moet naar iedereen zonder vooroordelen luisteren, maar wel kritisch, tenzij ze gewoonweg raaskallen. Dan mag het volk immers met gefluit opstaan, om ze daardoor hun dwaasheid te laten inzien. Wie echter de titel van doctor ten deel is gevallen, hen kun je vertrouwen.

S. Maar ook bij hen vindt ik er een paar die veel minder niveau hebben en dommer zijn dan diegenen die helemaal geen wetenschappelijke achtergrond hebben. Ook onder de geleerdsten zie ik een verbazend verschil van mening.

Z. Kies dan maar uit wat het beste is en laat het onverklaarbare maar aan anderen over terwijl je je altijd houdt aan wat de consensus van de vooraanstaanden en de massa heeft goedgekeurd.

S. Ik weet wel, dat dat veiliger is. Zijn er ook onbillijke verordeningen zoals er foute interpretaties zijn?

Z. Dat moeten anderen maar uitmaken; volgens mij kan dat.

S. Hadden Annas en Kaiphas de bevoegdheid wetten in te stellen?

Z. Inderdaad.

S. Hun bepalingen over welke zaak dan ook waren toch zeker niet bindend op straffe van de hel?

Z. Dat weet ik niet

S. Stel eens dat Annas heeft bepaald dat niemand bij terugkeer van de markt de maaltijd mag gebruiken wanneer hij zich niet heeft gewassen. Zou degene die zou zijn  gaan eten zonder zich te wassen een misdaad begaan hebben die met de hel zou moeten worden bestraft?

Z. Dat denk ik niet, als niet minachting voor de openbare macht de misdaad zou verergeren.

S. Zijn alle voorschriften van God bindend op straffe van de hel?

Z. Ik denk van niet. Want God heeft alle zonde verboden, hoe gering ook, als men de theologen mag geloven.

S. Misschien zou ook de geringste zonde ons in de hel slepen, als God niet in zijn barmhartigheid onze zwakheid te hulp zou komen.

Z. Hoewel dat niet absurd is, zou ik er toch geen ja op willen zeggen.

S. Toen de Israelieten in Babylon in ballingschap waren is, afgezien van zeer veel andere zaken die de wet heeft voorgeschreven, bij velen de besnijdenis achterwege gelaten. Zijn al deze mensen nu verloren?

Z. Dat weet God alleen.

S. Wanneer een Jood die vergaat van de honger stiekem varkensvlees zou eten, zou hij dan een misdaad begaan?

Z. Naar mijn oordeel zou de noodzaak een excuus vormen voor de daad. David immers werd toch bij monde van de Heer verdedigd toen hij tegen het voorschrift van de wet in van de heilige broden had gegeten die ze de toonbroden noemen. Niet alleen at hij er zelf van, maar ook voedde hij er de andere gewone mensen mee die hem op zijn vlucht begeleidden.

 

XIII Breekt nood wet?

 

S. Als de nood iemand zou dwingen om ofwel door honger om te komen ofwel diefstal te plegen, wat zou hij dan kiezen, de dood of diefstal?

Z. Misschien is in dat geval diefstal geen diefstal.

S. Joh, wat hoor ik nou? Is een ei geen ei?

Z. Vooral als hij het zou stelen met de bedoeling het terug te geven en zijn meester schadeloos te stellen, zodra dat mogelijk was.

S. Maar als iemand zou moeten sterven tenzij hij een vals getuigenis zou spreken tegen zijn naaste, wat zou hij dan moeten kiezen?

Z. De dood.

S. En wanneer iemand door echtbreuk zijn leven zou kunnen redden?

Z. Die zou beter kunnen sterven.

S.En wanneer iemand door ontucht aan de dood zou kunnen ontkomen?

Z. Ook hij zou beter moeten sterven, zoals ze zeggen.

S. Waarom houdt hier een ei niet op ei te zijn, te meer als er geen enkel geweld of onrecht plaatsvindt?

Z. Het lichaam van een meisje wordt onrecht aangedaan.

S. Hoe staat het met meineed?

Z. Ook dan moet men sterven.

S. En met een eenvoudige leugen die niemand schade berokkent?

Z. Ze leren dat men aan de dood de voorkeur moet geven. Maar ik zou eerder geloven dat bij pure nood of groot nut een dergelijke leugen ofwel helemaal geen misdaad is, of een zeer lichte, al bestaat wel het risico, dat we , wanneer het raam wordt opengezet, leren ons aan gevaarlijke leugens te gewennen. Stel nu dat zich een geval voordoet dat je door middel van een onschuldige leugen je gehele vaderland naar lichaam en ziel zou kunnen redden, wat zou een vroom man dan kiezen? Zal hij de leugen uit de weg gaan?

S. Wat anderen zullen doen, weet ik niet. Ik voor mij zou niet aarzelen om zelfs vijftien Homerische leugens te vertellen, waarna ik die kleine misstap met gewijd water zou afspoelen.

Z. Ik zou hetzelfde doen.

S. Dus bindt ons niet alles wat God voorschrijft of verbiedt  op straffe van de hel.

Z. Kennelijk niet.

S. De mate van verplichting is dus niet  alleen afhankelijk van de wetgever, maar ook van de casus. Sommige zaken wijken immers voor noodzaak, andere niet.

Z. Dat lijkt erop.

S. Wat nu wanneer een priester die in levensgevaar verkeert, gered kan worden als hij een vrouw neemt? Wat moet hij kiezen?

Z. De dood.

S. Wanneer de goddelijke wet wijkt voor noodzaak,  waarom vormt dan de menselijke wet een Grens die voor niets wijkt?

Z. Niet de weg staat in de weg, maar de gelofte.

S. Wat als iemand beloofd had Jeruzalem te bezoeken, maar dit niet kan behalve met het opgeven van zijn eigen leven : zal hij dan niet gaan, of sterven?

Z. Hij zal sterven tenzij hij van de paus in Rome dispensatie van zijn belofte heeft gekregen.

S. Waarom wordt de ene belofte opgeheven en de andere niet?

Z. Omdat de ene een plechtige is, de andere een persoonlijke.

S. Wat is een plechtige gelofte?

Z. Eén welke plechtig plaatsvindt.

S. Is dan ook niet die andere belofte die dagelijks wordt gemaakt, plechtig?

Z. Hij wordt wel gemaakt, maar in persoonlijke sfeer.

S. Wanneer dan een monnik ten overstaan van zijn abt een persoonlijke belofte doet, is dat dan geen plechtige gelofte?

Z. Je drijft er de spot mee. Juist daarom wordt een persoonlijke belofte gemakkelijker opgeheven, omdat hij met minder aanstoot wordt ingelost. Hij die hem aflegt, doet dat met deze bedoeling, dat hij, als hem dat uitkomt, van mening kan veranderen.

S. Is dit dan de bedoeling van diegenen die voor zich zelf eeuwige kuisheid beloven?

Z. Dat zou zo moeten zijn.

S. Is dat dan iets eeuwigs en toch ook weer niet? Wat als een Kartuizer monnik door het volgende geval wordt gebonden, dat hij namelijk of vlees moet eten of moet sterven: wat zal hij kiezen?

Z. Artsen maken ons duidelijk dat geen vlees zoveel effect heeft, of drinkbaar goud en edelstenen zouden hetzelfde effect hebben.

S. Wat zou dan zinniger zijn, met edelstenen en goud iemand die risico loopt te hulp komen, of met de waarde van deze zaken velen die levensgevaar lopen in veiligheid te brengen en aan de zieke een kippetje te geven?

Z. Ik weet het niet zeker.

S. Maar het eten van vis of vlees behoort toch niet tot datgene wat men wezenlijk noemt?

Z. Laten we de Kartuizers maar aan hun eigen rechter overlaten.

S. Laten we het eens principieel stellen. Heel precies, heel vaak en met veel woorden wordt in de wet van Mozes de sabbat verlangd.

Z. Klopt.

S. Moet ik dan een stad die gevaar loopt te hulp komen en daarmee de sabbat schenden, of niet?

Z. Wil je ondertussen, dat ik een Jood ben?

S. Ja, en nog wel een besneden Jood.

Z. Die knoop heeft de Heer zelf doorgehakt. De sabbat is namelijk omwille van de mens ingesteld en niet tegen het belang van de mens in.

S. Geldt dat principe dan bij alle menselijke instellingen?

Z. Inderdaad, tenzij iets in de weg staat.

 

XIV Wetten en aansporingen : wanneer hebben regels een bindend karakter?

 

S. Wat als de wetgever een wet niet met deze bedoeling heeft gemaakt, dat hij iemand verplicht op straffe van de hel of, sterker nog, op enige schuld gericht zou zijn, maar dat hij zou willen dat de bepaling niets meer gewicht zou hebben dan een aansporing?

Z. Beste man, het ligt niet in handen van de wetgever, in welke mate een wet bindend is. Hij wendt zijn gezag aan om de wet in te dienen. In hoeverre echter deze tot iets verplicht of niet, dat ligt in de hand van God.

S. Waarom horen we dan dagelijks onze pastoors van de kansel roepen : ‘Morgen moet er gevast worden, op straffe van eeuwige verdoemenis’, wanneer voor ons niet vaststaat in hoeverre een menselijke wet verplichtend is?

Z. Dat doen ze om weerspannigen des te meer angst aan te jagen, want ik meen dat die woorden aan hun adres zijn gericht.

S. Of ze ondertussen met dergelijke woorden halsstarrigen echt angst aanjagen, weet ik niet, maar wel storten ze kwetsbare mensen in twijfel en gevaar.

Z. Het is lastig beide groepen ter wille te zijn.

S. Hebben gewoonte en wet hetzelfde gezag?

Z. Soms is dat van de gewoonte groter.

S. Hoewel degenen die een gewoonte invoeren niet de bedoeling hebben iemand een strop om te doen, verplicht die gewoonte de mensen toch, of ze nu willen of niet?

Z. Ik vind van wel.

S. Kan die een last opleggen, maar niet wegnemen?

Z. Precies.

S. Zo zie je denk ik, hoeveel risico er ontstaat doordat nieuwe wetten door mensen worden ingevoerd, als geen enkele noodzaak daartoe dwingt of geen enkel groot nut daartoe uitnodigt.

Z. Dat geef ik toe.

S. Wanneer de Heer zegt : ‘Leg helemaal geen eed af’ onderwerpt hij toch niet degene die zweert aan de straf van de hel?

Z. Dat denk ik niet, want het is een advies en geen gebod.

S. Maar hoe wordt me dat dan duidelijk, omdat hij nauwelijks  iets anders preciezer of strenger heeft verboden dan te zweren?

Z. Dat kun je bij de doctores leren.

S. Wanneer Paulus een advies geeft, is dat dan niet verplichtend op straffe van de hel?

Z. Helemaal niet.

S. Hoe dat zo?

Z. Omdat hij zwakke zielen geen strop wil omwerpen.

S. Dan ligt het dus in de hand van de wetgever of een wet op straffe van de hel bindend is, of niet. Het getuigt van vroomheid ervoor op te passen dat we kwetsbare mensen ophangen in de strop van welke bepalingen dan ook.

Z. Dat is zo.

S. Welnu, als Paulus hier al behoedzaam te werk gaat, moeten onze priesters dat nog veel meer doen bij wie het onzeker is door welke geest zij worden geinspireerd.

Z. Dat geef ik toe.

S. Maar zopas ontkende je nog dat het in de hand van de wetgever lag in hoeverre een wet bindend is.

Z. We praten nu over een advies, niet over een wet.

S. Niets is gemakkelijker dan termen te wijzigen. ‘Gij zult niet stelen’ , is dat een voorschrift?

Z. Ja.

S. ‘Bied geen weerstand aan het kwaad’?

Z. Dat is een advies.

S. Toch heeft dit laatste meer het karakter van een voorschrift dan dat eerste. Ligt dit dan tenminste in de hand van de bisschop om te bepalen of wat hij instelt, een voorschrift is of een advies?

Z. Ja.

S. Maar dat heb je kort geleden nog met kracht ontkend. Want wie niet wil dat zijn verordening iemand op enige schuld bindt, wil natuurlijk dat die een advies is, geen voorschrift.

Z. Dat is waar, maar het is beter dat de massa dit niet wet. Anders zouden ze meteen roepen dat het een advies was, wat ze niet willen opvolgen.

S. Maar wat zul je ondertussen doen met zoveel kwetsbare harten  die door jouw stilzwijgen zo in verwarring worden gebracht? Kom, zeg me, kunnen geleerden aan bepaalde kenmerken aflezen of een instelling de kracht van een advies heeft of van een voorschrift?

Z. Dat kunnen ze, heb ik tenminste gehoord.

S. Mogen we dat geheim horen?

Z. Ja, als je het maar niet doorkletst.

S. Wees gerust, je vertelt het aan een vis.

Z. Wanneer je niets anders hoort dan ‘we sporen aan’, ‘we verordenen’, 'we dragen op', dan gaat het om een advies. Wanneer je daarentegen hoort : ‘we bevelen’, ‘we schrijven uitdrukkelijk voor’, dan is het een voorschrift, zeker wanneer er bedreigingen van excommunicatie aan worden toegevoegd.

S. Als ik mijn bakker iets schuldig ben en niet in staat ben hem te betalen, zou ik liever willen weglopen dan in de cel te worden geworpen. Laad ik daarmee schuld op me?

      Z.   Ik denk van niet tenzij de bereidheid om te betalen ontbreekt.

S.   Waarom word ik dan geëxcommuniceerd?

Z.   Die bliksem boezemt slechte mensen  angst in en schroeit onschuldigen niet. Je weet toch dat ook bij de oude Romeinen gruwelijke wetten vol dreigementen hebben bestaan, die alleen maar met het oog hierop waren ingediend. Zoals bij de Twaalf  Tafelen die bepaling wordt opgenomen over het aan stukken snijden van het lichaam van de debiteur. Daarvan is  geen enkel voorbeeld bekend, omdat die bepaling niet naar buiten is gebracht om hem in praktijk te brengen, maar vanwege de afschrikkende werking. Zoals een bliksem niet inslaat in was of linnen, maar wel in brons, zo hebben die excommunicaties niet betrekking op arme stakkers, maar op hardnekkige gevallen. Om eerlijk te zijn lijkt het aanwenden van de van Christus ontvangen bliksem op dit soort onbenullige gevallen op het gieten van heerlijke saus over gewone doppertjes.

S.   Heeft een pater familias in zijn eigen huis hetzelfde gezag als een bisschop in zijn diocees?

Z.   Ja, dat komt wel overeen.

S.   Verplichten zijn voorschriften ook in diezelfde mate?

Z.   Natuurlijk.

S.   Ik bepaal, dat niemand uien eten mag. In hoeverre loopt degene die zich hier niet aan stoort, risico bij God?

Z.   Dat merkt hij zelf wel.

S.   Vanaf nu zal ik niet meer tegen mijn mensen zeggen : ‘ik schrijf jullie voor’ , maar ‘ik spoor jullie aan’.

Z.   Daar doe je verstandig aan.

S.   Nu zie ik, dat mijn buurman risico loopt, ik neem hem apart en spoor hem aan zich verre te houden van de omgang met dronkelappen en dobbelaars. Hij laat zich daar niets aan gelegen liggen, maar begint nog zondiger te leven dan eerst. Dan bindt mijn aansporing hem kennelijk niet?

Z.   Dat denk ik.

S.   Dan kunnen we noch door adviezen noch door vermaningen aan de strop ontkomen.

Z.   Een vermaning brengt geen strop, maar een aandachtspunt waar de vermaning betrekking op heeft. Als een broeder wordt aangespoord pantoffels te dragen en hij stoort zich daar niet aan, dan treft hem geen enkele schuld.

S.   Ik ga nu niet uitzoeken, in hoeverre medische voorschriften bindend zijn. Bindt een gelofte op straffe van de hel?

Z.   Dat is heel juist.

 

XVI Maakt belofte altijd schuld?

 

S.   Elke gelofte?

Z.   Absoluut, als die maar geoorloofd, rechtmatig en vrijwillig is.

S.   Wat noem je vrijwillig?

Z.   Wat door geen enkele noodzaak is afgedwongen.

S.    Wat is dan noodzaak?

Z.    Dat is een angst die een standvastig man overvalt.

S.    Ook een Stoicijn die nog onbevreesd is wanneer de wereld aan het wankelen wordt gebracht en het puin over hem neerstort?

Z.    Laat maar eens zo’n Stoicijn zien en ik zal je antwoorden.

S.    Even serieus. Kan vrees voor honger of eerloosheid een standvastig man overvallen?

      Z. Waarom niet?

S.   Als een nog niet meerderjarige dochter heimelijk in het huwelijk treedt zonder dat haar ouders het weten, ouders die het niet zouden laten gebeuren als ze het wel zouden weten, zal haar belofte dan rechtmatig zijn?

Z. Ja.

S. Of dat zo is, weet ik niet. Als er inderdaad rechtmatige beloftes bestaan, behoort deze ene  tot dat soort, dat misschien wel echt is, maar toch vanwege het schandaal voor  labiele mensen moet worden verzwegen. Wat nu als een meisje dat met toestemming van haar ouders met haar bruidegom is getrouwd, zich heimelijk en tegen de zin van haar ouders met een gelofte bindt aan de orde van de heilige Clara?

Z. Als het maar een openbare gelofte betreft.

S. Dat is toch zeker niet openbaar wat op het platteland gebeurt in een onbekend kloostertje?

Z. Toch wordt het als zodanig beschouwd.

S. Als datzelfde meisje thuis voor enkele getuigen eeuwige kuisheid belooft, is dat dan niet rechtmatig?

Z. Nee.

S. Hoezo niet?

Z. Omdat een heiliger gelofte in de weg staat.

S. Als datzelfde meisje een lapje grond verkoopt, is het contract dan geldig?

Z. Dat denk ik niet.

S. Zal het contract wel geldig zijn, wanneer ze zich zelf aan het gezag van iemand anders heeft toevertrouwd?

Z. Wel als ze zich aan God heeft gewijd.

S. Wijdt dan niet een persoonlijke belofte de mens aan God? Wie het heilige sacrament van het huwelijk op zich neemt, wijdt zich toch zeker aan God? Wijden diegenen die God verbindt, zich aan de duivel? Alleen over huwelijkspartners heeft de Heer gezegd : ‘Wie God verbonden heeft, zal de mens niet scheiden’. Bovendien, wanneer een nauwelijks meerderjarige jongen of een eenvoudig meisje onder bedreigingen van hun ouders, door de strengheid van hun voogden, door kwalijke ingevingen van monniken, hun vleierijen en scheldwoorden in het klooster wordt gedwongen, dan is zo’n gelofte toch zeker niet vrijwillig?

Z. Wel als ze zelf geneigd zijn tot list en bedrog.

S. Mensen van die leeftijd zijn dat juist heel erg en ook heel gemakkelijk zelf te bedriegen. Wat als ik me voorneem me op vrijdagen van wijn te onthouden. Bindt dit voornemen me evenzeer als een belofte?

Z. Dat dacht ik niet.

S. Wat is dan het verschil tussen een vast voornemen en een gelofte die je in stilte bij jezelf maakt?

Z. De bedoeling je eraan te houden.

S. Zopas zei je nog, dat deze bedoeling geen geldigheid had. Neem ik me iets voor, als ik het kan en beloof ik iets of ik het nu kan of niet?

Z. Daar heb je een punt.

S. Ik heb wolken die op een muur geschilderd staan, dus helemaal niets. Moeten we ook bij een voornemen de aard van het concrete geval goed bekijken?

Z. Dat denk ik wel.

S. Moeten we hier oppassen voor de term ‘belofte’ zoals destijds voor de term ‘wet’?

Z. Heel juist.

S. Als de paus van Rome zou bepalen dat niemand een huwelijk zou mogen sluiten binnen de zevende verwantschapsgraad, zou dan diegene die met een verwant zou trouwen van de zesde graad, een misdaad begaan?

Z. Volgens mij wel : hij zou zeker risico lopen.

S. Wat als een bisschop zou verordenen dat niemand gemeenschap met zijn vrouw zou mogen hebben, behalve op maandag, donderdag en zaterdag, zou degene die stiekem ook op andere dagen bij zijn vrouw zou slapen, een misdaad begaan?

Z. Volgens mij wel.

S. Wat als hij zou uitvaardigen, dat niemand uien zou mogen eten?

Z. Wat heeft dat nou met vroomheid van doen?

S. Omdat uien lust opwekken. Wat ik over uien zeg, moet je ook maar laten gelden voor……

Z. Ik sta in dubio.

S. Waarom? Waardoor hebben menselijke wetten bindende kracht?

 

XVII Goddelijke en menselijke wetten

 

Z. Op grond van de woorden van Paulus : ‘Gehoorzaam degenen die boven jullie zijn gesteld’.

S. Verplicht daarom elke verordening van bisschoppen en magistraten?

Z. Als die maar billijk, rechtvaardig en correct ingediend is.

S. Maar wie zal op dit punt rechter zijn?

Z. Hijzelf die de verordening heeft vastgelegd. Want hij die de wet vastlegt heeft ook het gezag die wet uit te leggen.

S. Moeten we dan zonder onderscheid te maken  alle bepalingen gehoorzamen?

Z. Dat denk ik wel.

S. Wat als een goddeloze stommeling vanuit een machtspositie een goddeloze en onbillijke wet indient? Moet men stilstaan bij zijn oordeel en zal het volk dat geen recht heeft om te oordelen, hem gehoorzamen?

Z.   Wat heeft het nu voor zin over dingen te dromen die toch niet kunnen gebeuren?

S. Wie zijn vader te hulp komt, maar dat  niet zou doen als de wet hem niet daartoe dwong, die heeft toch zeker niet de wet opgevolgd?

Z. Dat denk ik niet, nee.

S. Waarom niet?

Z. Allereerst  voldoet hij niet aan de bedoeling  van de wetgever en ten tweede  voegt hij aan zijn goddeloze instelling nog hypocrisie toe.

S. Wie  alleen maar vast omdat de kerk het voorschrijft, voldoet toch zeker niet aan de wet?

Z. Je wisselt zowel van wetgever als van onderwerp.

S. Vergelijk dan eens een Jood die zo op de voorgeschreven dagen vast dat hij niet zou vasten als de wet hem niet daartoe dwong, met een Christen die het vasten in acht neemt dat hem door mensen is opgelegd, maar dat helemaal niet zou doen als je de wet opheft; of vergelijk, als je dat liever wilt, een Jood die zich van varkensvlees onthoudt met een Christen die zich op vrijdag van vlees en melkproducten onthoudt.

Z. Voor zwakheid die zich een beetje tegen de wet verzet is denk ik vergiffenis mogelijk, maar voor iemand die zich met vastbeslotenheid tegen de wet verzet en blijft protesteren, niet in dezelfde mate.

S. Maar je geeft toe dat goddelijke wetten niet altijd verplichten op straffe van de hel?

Z. Natuurlijk doe ik dat.

S.   Durf je niet toe te geven dat er een menselijke wet is die niet met dezelfde straf  bindt, maar de mens in dubio laat? Je schijnt dus de wetten van mensen vrij wat meer te waarde toe te kennen dan die van God.  Liegen en uitschelden zijn van nature al slecht en door God verboden.  Toch beweer  je dat er een soort van liegen en schelden bestaat dat niet leidt tot straf met de hel; en je durft degene die zich hoe dan ook op vrijdag met varkensvlees voedt niet te bevrijden van de hellestraf.

Z. Het is niet aan mij wie dan ook vrij te spreken of te veroordelen.

S. Als goddelijke en menselijke wetten in gelijke mate binden, wat is dan het verschil ertussen?

Z. Vanzelfsprekend dat hij die een menselijke wet schendt, rechtstreeks zondigt tegen de mens [als je me toestaat van de taalbloempjes van de scholastici gebruik te maken] en indirect ook tegen God. Wanneer je een goddelijke wet schendt, is het omgekeerd.

S. Wat maakt het nou uit of je eerst azijn of absint mengt, wanneer ik toch allebei moet opdrinken? Of wat maakt het nou uit of een steen die mij verwond heeft, van mij afketst en mijn vriend raakt, of omgekeerd?

Z. Daar weet ik van.

S. En als de mate van verplichting bij beide wetten wordt afgeleid van onderwerp en omstandigheden, wat is dan het verschil tussen  het gezag van God en dat van de mensen?

Z. Wat een goddeloze vraag is dat!

S. Toch geloven veel mensen, dat er een heel groot verschil is.  God heeft door Mozes een wet ingesteld die we niet mogen schenden.  Diezelfde God stelt ook wetten in door bisschoppen of zeker ook door een concilie. Wat is het verschil tussen deze wetten en die andere? De wet van Mozes is door een mens uitgevaardigd en onze wetten eveneens door mensen.  Wat God door Mozes alleen heeft ingediend  schijnt minder gewicht te hebben dan wat de Heilige Geest uitvaardigt door een frequent plaatsvindend concilie van bisschoppen en geleerden.

Z. Over de inspiratie van Mozes hoeven we niet in onzekerheid te verkeren.

S. Paulus kwam in de hoedanigheid van een bisschop. Wat is er dan voor verschil tussen de voorschriften van Paulus en  van welke bisschop dan ook?

Z. Omdat zonder enige twijfel Paulus heeft geschreven onder inspiratie van de Heilige Geest.

S. Hoever strekt die autoriteit van de schrijvers zich uit?

Z. Volgens mij niet verder dan de apostelen, behalve dan dat het gezag van een concilie onschendbaar is.

S. Waarom mogen we niet twijfelen aan de inspiratie van Paulus?

Z. Omdat de algemene opinie van de kerk dat in de weg staat.

S. Mogen we twijfelen aan bisschoppen?

Z. Wat hen betreft moeten we niet zomaar verdenkingen koesteren tenzij een zaak zelf hun winstbejag of goddeloosheid uitschreeuwt.

S. En concilies?

Z. Daaraan mogen we niet twijfelen als ze volgens protocol en door de Heilige Geest bijeengekomen en afgesloten zijn.

S. Is er dan een concilie denkbaar waarop die zaken niet van toepassing zijn?

Z. Dat kan.  Als dit niet zo zou zijn, zouden theologen deze voorwaarde helemaal niet toevoegen.

S. Dan lijkt het erop dat ook aan concilies kan worden getwijfeld.

Z. Dat denk ik niet wanneer ze naar het eenstemmige oordeel van de Christelijke volkeren  zijn aanvaard en goedgekeurd.

S. Wanneer we de grenzen hebben overschreden waarmee God die geheiligde en onschendbare autoriteit van de Schrift heeft willen inperken, schijnt me ook nog een ander verschil tussen goddelijke en menselijke wetten te bestaan.

Z. Welk?

S. Goddelijke wetten zijn onveranderlijk, behalve als ze van dat type zijn dat ze voor een bepaalde tijd gegeven schijnen te zijn om een richtlijn te geven of gedrag in te perken. Van deze wetten hebben de profeten voorspeld dat ze naar vleselijke zin zullen ophouden  en de apostelen hebben geleerd dat ze al genegeerd kunnen worden. Verder bestaan onder de menselijke wetten soms onbillijke, domme en verpestende. Daarom worden  deze afgeschaft hetzij door het gezag van hogergeplaatsten hetzij door de eenstemmigheid van het volk om ze te verwaarlozen. Van iets dergelijks is bij goddelijke wetten geen enkele sprake. Verder verdwijnt een menselijke wet uit eigen beweging wanneer ook de casus zelf verdwijnt waarom hij is ingediend. Zoals wanneer een bepaling aan een ieder zou voorschrijven jaarlijks iets bij te dragen voor de bouw van een kerk. De kracht van de wet verdwijnt wanneer de kerk is afgebouwd.  Bovendien is een wet die door mensen is gemaakt geen wet tenzij hij  door eenstemmigheid van gebruikers is bekrachtigd. Een goddelijke wet behoeft niet beoordeeld te worden en kan niet afgeschaft worden.  Hoewel ook Mozes bij het uitvaardigen  van de wet  stemmen van het volk heeft verzameld, niet omdat dit noodzakelijk was maar om hen er nog meer aan te onderwerpen.  Je bent  immers schaamteloos wanneer je een wet naast je neer legt die je met je eigen stem hebt bekrachtigd. Wanneer tenslotte wetten van mensen die   meestal materiële zaken voorschrijven richtsnoer worden tot vroomheid, schijnen ze te verdwijnen zodra iemand gekomen is tot kracht van geest, zodat hij dergelijke tralies niet meer nodig heeft mits hij naar vermogen vermijdt een schandaal te veroorzaken bij zwakken van geest met hun goedbedoeld bijgeloof.  Zoals wanneer een vader zijn minderjarige dochter zou verbieden wijn te drinken opdat daarmee haar maagdelijkheid tot aan de bruiloft veilig is gesteld. Wanneer zij volwassen geworden is en reeds aan een man gegeven, is ze niet meer gehouden aan het voorschrift van haar vader. Veel wetten hebben iets van medicijnen.  Zij wisselen en verdwijnen  al naar gelang de situatie die ontstaat met goedkeuring van de dokters zelf. Indien dezen altijd dezelfde medicijnen zouden gebruiken die van oudsher zijn overgeleverd, zouden zij meer doden dan genezen.

Z. Jij gooit veel op een hoop waarvan sommige zaken me bevallen en andere niet en waarvan ik bepaalde dingen niet begrijp.

S. Als een wet van een bisschop duidelijk riekt naar winstbejag,  bijvoorbeeld wanneer hij bepaalt dat de parochianen elk tweemaal per jaar voor een gouden ducaat het recht kopen  om in bepaalde gevallen, die aan bisschoppen zijn voorbehouden,  vrij te spreken, om des te meer van de zijnen te kunnen vangen, denk je dan dat de mensen moeten gehoorzamen?

Z. Ik denk van wel, maar ondertussen moet er wel tegen de onbillijke wet protest worden aangetekend, zonder opstandig te worden. Maar waarom stelt een slager mij nu toch zulke vragen? Laat de schoenmaker zich maar bij zijn leest houden.

S. Met dit soort vragen worden we vaak bij gastmalen lastig gevallen. Ondertussen laait het debat op tot strijd en bloedvergieten.

Z. Laat wie dat wil maar strijden. Ik ben van oordeel dat we de wetten van onze voorouders met respect moeten overnemen en met vroomheid in acht moeten nemen alsof ze van God afkomstig waren. Het is gevaarlijk en goddeloos over de openbare macht  negatieve verdenkingen te koesteren of uit te dragen. Wanneer er wat despotisme voorkomt dat niet tot goddeloosheid leidt, is het beter om die te verdragen dan om zich er opstandig tegen te verzetten.

S. Ik moet toegeven dat op die manier de zaken van hen die uitblinken in waardigheid goed zijn behartigd. Ik ben het met jou eens, al benijd ik hen niet. Overigens zou ik graag horen over de manier waarop de vrijheid en ook het welzijn van het volk kan worden bevorderd.

Z. God zal zijn volk niet in de steek laten.

 

XVIII : Vrijheid in gebondenheid aan de wet

 

S. Maar waar is ondertussen die vrijheid van geest die de apostelen beloven op grond van het evangelie en waar Paulus zo op hamert wanneer hij uitroept dat het Rijk Gods niet neerkomt op eten en drinken  en dat wij als zijn kinderen niet onder een pedagoog staan en niet ons niet langer hoeven te onderwerpen aan de elementen van deze wereld, en ontelbare andere dingen; waar is ondertussen die vrijheid wanneer christenen met nog zoveel meer verordeningen worden belast dan de Joden en als de wetten van mensen hen nog scherper aan banden leggen dan de meeste voorschriften die door God zijn overgeleverd?

Z. Dat zal ik je zeggen, slager. Niet hierop berust de vrijheid van de christenen, dat ze mogen doen wat ze willen zonder rekening te houden met menselijke voorschriften, maar dat ze door het vuur van de geest tot alles bereid zijn en graag en enthousiast doen wat voorgeschreven wordt, omdat ze zonder twijfel meer kinderen dan slaven zijn.

S. Dat is waar, maar ook onder de wetten van Mozes waren er kinderen en ook onder het evangelie zijn er slaven. Ik vrees zelfs dat het gaat om het grootste deel van de mensen. Als we spreken van slaven die hun plicht doen onder dwang van de wet, wat is dan het verschil tussen de oude en de nieuwe wet?

 

XIX De oude en de nieuwe wet

 

Z. Volgens mij is er veel verschil. Wat de oude wet in bedekte termen heeft geleerd, heeft de nieuwe onder onze ogen geplaatst. Wat de ene in raadselen heeft verkondigd, toont de andere zonneklaar. Wat de ene in duistere bewoordingen heeft beloofd, heeft de andere grotendeels geopenbaard. De ene was aan  één volk gegeven, de andere leert allen gelijkelijk het heil. De ene heeft aan enkele profeten en voortreffelijke mannen die bijzondere spirituele genade gegeven; de andere giet elk soort geschenken gul uit over mensen van alle leeftijden, geslachten en volkeren : talen, genezingen, profetieën en wonderen.

S. Waar zijn die dingen nu?

Z. Ze zijn op de achtergrond geraakt, niet helemaal verdwenen, ofwel omdat ze niet meer nodig zijn doordat de leer van Christus algemeen verbreid is, of omdat  we in meerderheid alleen in naam christen zijn en het geloof, dat de bron van wonderen is, zijn kwijtgeraakt.

S. Als er vanwege ongelovigen en twijfelaars wonderen nodig zijn, is nu alles vol van dergelijke wonderen.

Z. Er bestaat een ongelovigheid die eenvoudigweg dwaalt, zoals die van de Joden was toen zij bij Petrus ertegen protesteerden dat hij de familie van Cornelius had opgenomen in de genade van het evangelie. Of zoals die van de heidenen die meenden dat de godsdienst die ze van hun voorouders hadden ontvangen, leidde naar het heil, en dat de leer van de apostelen een vreemd bijgeloof was. Na het zien van wonderen zijn zij bekeerd. Zij die nu  geen geloof schenken aan het evangelie, hoewel dat met zo grote glans door de gehele wereld schijnt, dwalen niet eenvoudigweg, maar zijn verblind door kwalijke emoties en willen niet inzien, hoe ze goed kunnen leven. Geen enkel wonder zou hen tot een betere instelling kunnen brengen.  Het is nu de tijd te genezen, daarna om te straffen.

S. Hoewel je veel op heel aannemelijke wijze hebt gezegd, blijf ik toch bij mijn voornemen geen geloof te schenken aan een zouteviskoopman. Liever ga ik naar een hooggeleerde theoloog. Wat hij over elke van deze dingen zal verkondigen, zal voor mij als een hemels orakel zijn.

Z. Wie is dat? Pharetrius [= Guillaume Farel]?

S. Die is al jaren niet goed bij zijn hoofd en tot niet meer in staat dan demente oude vrouwtjes toe te spreken.

Z. Bliteus [= Erasmus Alber] dan?

S. Moet ik zo'n babbelzieke sofist serieus nemen?

Z. Amphilochus [= Jacobus Latomus] ?

S. Ik zou hem aan wie ik met schade en schande mijn vlees heb toevertrouwd  nooit mijn vertrouwen geven bij het oplossen van problemen. Of zou hij te goeder trouw problemen oplossen die te kwader trouw zijn rekening nog niet betaald heeft?

Z. Lemantius [= Nicolaus Egmondanus]?

S. Ik maak geen gebruik van blinden om mij de weg te laten wijzen.

Z. Wie dan?

S. Als je het weten wilt, het is Cephalus [= W. Köpfl], in drie talen thuis, en een voortreffelijk kenner van alle literatuur van niveau, maar evengoed lange tijd ijverig bezig in de Heilige Schrift en de oudste theologen.

Z. Ik geef je een beter advies. Loop naar de hel. Daar zul je Rabinus Druinus [= Wilhelm Duchesne] vinden die al jouw probleempjes met de dubbele bijl van Tenedos zal klieven.

S. Loop jij dan maar voorop, om me de weg te wijzen.

 

XX Het was maar een grapje

 

Z. Maar nu serieus : is het waar, wat je vertelt, dat toestemming is gegeven om vlees te eten?

S. Ik hield je voor de gek om je op de kast te jagen. Als de paus van Rome  het ook nog zo zou willen,  dan zou het zoutevisverkopersgilde een opstand ontketenen.  Verder barst de wereld van Farizeeën, die op geen enkele andere manier heiligheid kunnen opeisen dan met dit soort plichtplegingen. Zij zouden niet toelaten dat hun een pas verworven status zou worden afgenomen en dat ondergeschikten meer vrijheid zouden hebben dan zijzelf. Het zou ook niet in het belang van de slagers zijn, wanneer het eten van alle mogelijke spijzen zou zijn toegestaan.  Dan zou namelijk de opbrengst van onze handel onzeker zijn. Nu is de winst zekerder, het risico en de inspanning kleiner.

Z. Allemaal waar, maar hetzelfde nadeel zou ook ons treffen.

S. Ik ben blij dat eindelijk iets gevonden wordt  waarin een vishandelaar met een slager overeenstemt. Om nu ook zelf even serieus te worden :  zoals het misschien de voorkeur zou verdienen wanneer de massa der christenen door minder regeltjes zou worden gebonden, vooral als die niet veel of helemaal niets bijdragen tot vroomheid, om niet te zeggen dat ze die afbreuk doen, zo heb ik er geen zin in me bij hen aan te sluiten  die alle instellingen van alle mensen verwerpen en geen cent waard vinden, sterker nog, veel dingen juist doen omdat het voorschrift luidt het niet te doen.Toch kan ik me er niet om verbazen dat in de meeste gevallen het oordeel van de mensen onjuist is.

 

 

XXI Relevantie : Gods gezag en dat van de mensen

 

S. We bewegen hemel en aarde wanneer we enig risico vermoeden, dat de instellingen en het gezag van de priesters wat aan gewicht verliezen. We slapen echter door wanneer een levensgroot gevaar dreigt, dat wij zoveel investeren in menselijk gezag, dat we Gods gezag minder waarde geven dan eigenlijk moet.  We deinzen zo voor Scylla terug om niet bang te zijn voor de Charybdis, een nog groter monster. Bisschoppen hebben recht op hun eer. Wie zou dat ontkennen, vooral wanneer ze handelen naar hun naam [opziener]? Maar het is goddeloos de eer die God alleen verschuldigd is over te dragen op mensen en doordat we de mens overdreven veel respect geven, God te weinig vereren. We moeten God eren in onze naaste en vereren in onze naaste. Ondertussen is waakzaamheid geboden, dat God niet bij deze gelegenheid van zijn eer wordt beroofd.

Z. Zo zien we ook, dat veel mensen zozeer hun vertrouwen stellen op materiële ceremoniën, dat ze hierop dichtvaren en dat negeren wat een blijk van echte vroomheid is.  Ze schrijven aan eigen verdiensten toe wat voortkomt uit de gulheid van God , blijven daar staan waar ze hun eerste stap naar volmaaktheid zouden kunnen zetten. Op grond van deze dingen die op zich noch goed noch slecht zijn, beschimpen ze hun naaste.

S. Zeker, wanneer er op één terrein twee keuzemogelijkheden zijn, waarvan de ene te verkiezen is boven de andere, zijn wij geneigd altijd de minst goede te kiezen. Het lichaam en wat lichamelijk is, staat overal hoger aangeschreven dan dat wat geestelijk is. Het doden van een mens wordt als een zware misdaad beschouwd, wat het ook is; maar met een verderfelijke leer en ingevingen vol slangengif de geest van een mens te bederven, geldt als kinderspel.  Wanneer een priester zijn haar laat groeien of het gewaad aantrekt van een gewoon burger, wordt hij in de gevangenis geworpen en streng gestraft. Maar als hij het in een bordeel op een zuipen zet, als hij naar de hoeren gaat, gokt, andermans echtgenotes aanrandt, de Heilige Schrift niet aanraakt, is hij toch een hoeksteen van de kerk.  Ik spreek niet het wisselen van kleding goed, maar ik keur een verkeerd oordeel af.

Z. Sterker nog, als hij niet elk uur zijn voorgeschreven aantal gebeden zegt, ligt de banvloek voor hem klaar; maar als hij woekert of een handeltje drijft in geestelijke goederen , blijft hij ongestraft.

S. Als iemand een Kartuizer ziet die anders is gekleed of vlees eet, wat gaat hij dan vol ontzetting te keer! Wat is hij bang, dat de aarde zal splijten en hem samen met degene die het ziet, zal verzwelgen!  Als iemand hem met zijn dronken kop ziet razen om met leugens anderen zwart te maken of met overduidelijke listen zijn kwetsbare buurman te belagen, heeft helemaal niemand daar moeite mee.

Z. Zoals wanneer iemand een Franciscaan ziet  met een ceintuur zonder knopen, of een Augustijner monnik die geen leren, maar een wollen ceintuur om heeft, of een Carmeliet zonder ceintuur, of een ridder van Rhodos met een ceintuur, of anderzijds een Franciscaan  met schoenen aan, of een Kruisbroeder met sandalen, zou hij daarmee toch zeker wel om zo te zeggen, de Tyrrheense zee in rep en roer brengen?

S. Sterker nog, bij ons heeft één van twee vrouwen die je alletwee   voor verstandig zou hebben gehouden, een miskraam gehad en de ander een flauwte, omdat ze een kanunnik die aan het hoofd staat van een vrouwenklooster, vlak in de buurt, maar wel gewoon op straat zagen wandelen in een linnen gewaad zonder zwarte mantel daaroverheen. Maar ze hadden zulke vogels ook heel vaak zien slempen, zingen en dansen, om over de rest maar te zwijgen, zonder dat ze daar misselijk van waren geworden.

Z. Misschien moeten we tegenover het vrouwelijk geslacht wat toegevend zijn. Ik denk, dat jij Polythrescus wel kent. Hij was levensgevaarlijk ziek en leed aan tering.  De dokters hadden hem al lang geadviseerd eieren en melkproducten te eten, maar tevergeefs. Ook de bisschop spoorde hem daartoe aan.  Hoewel hij een zeer geleerd man en baccalaureus in de theologie was, leek hij eerder te willen doodgaan dan het advies van beide artsen ter harte te nemen.  Zo besloten artsen en vrienden hun toevlucht tot een list te nemen. Ze lieten een soep klaarmaken van eieren en geitenmelk, maar zeiden dat het amandelmelk was.  Hij at daar graag van en toen hij dat  vrij wat dagen deed, begon hij een beetje op te knappen, totdat een meisje hem de ware toedracht verried. Onmiddellijk begon hij uit te braken wat hij had opgegeten. Zo bijgelovig hij was waar het om melk ging, zo weinig werd hij door godsdienstige scrupules ervan afgehouden zich van den domme te houden toen hij mij geld schuldig was. Hij had de handtekening op het papier dat ik hem naief had gegeven, met zijn nagel uitgekrast.  Ik liet hem onder ede een verklaring afleggen. Hij deed dat zo gemakkelijk, dat het leek alsof hij wenste dagelijks met zulke zaken te maken te krijgen.  Wat is  meer pervers dan een dergelijke stellingname? Hij zondigde tegen de geest van de kerk, omdat hij de priester en de artsen niet gehoorzaamd heeft. Ondanks zijn meineed had hij een rustig geweten, terwijl hij om wat melk in gewetensnood verkeerde.

S. Nu schiet me een anecdote te binnen die een Dominicaan  kort geleden in een drukbezochte dienst vertelde om de sombere inhoud van de preek [ want op Goede Vrijdag preekte hij over de dood van de Heer] met een grappig verhaal te compenseren.  Een jongen had een non verkracht; haar opgezwollen buik was daar een duidelijk teken van. De andere nonnen werden bijeengeroepen en de abdes zat voor. De non werd aangeklaagd. Ontkennen was uitgesloten : het bewijs was ondubbelzinnig.  Zij nam haar toevlucht tot het aanvoeren van verzachtende omstandigheden, of, als je dat liever wilt, ze schoof de schuld af op iemand anders.

 

'Ik ben verkracht door iemand die sterker was dan ik'.

' Je had op zijn minst kunnen schreeuwen'.

'Dat zou ik ook gedaan hebben, maar het is niet geoorloofd in de slaapzaal de stilte te verbreken'.

 

Goed, laat dit een anecdote zijn, maar we  moeten toch toegeven, dat er zich veel dommere zaken voordoen dan deze. Nu ga ik vertellen wat ik met eigen ogen heb gezien. De naam van de betrokkene en de plaats noem ik niet. Ik was verwant met een prior, die vlak bij de abt staat. Hij was van de Bededictijner orde, maar behoorde tot diegenen die geen vlees eten, behalve buiten die plaats die ze het grote refter noemen. Hij werd voor geleerd gehouden, en wilde dat ook graag. Hij was  ongeveer vijftig jaar oud. Drinkwedstrijden houden en door wijn in de goede stemming te komen was bij hem schering en inslag. Elke twee weken ging hij naar het openbare badgebouw met de bedoeling zich de nieren te laten reinigen.

Z. Waar kwam al dat geld vandaan?

S. Jaarlijks kon hij zeshonderd gulden besteden.

Z. Een armoede om jaloers op te zijn!

S. Van al die wijn en vrouwen kreeg hij de tering. De dokters waren wanhopig, maar de abt verplichtte hem tot het eten van vlees en voegde daar die vreselijke woorden aan toe : 'op straffe van ongehoorzaamheid'. Met moeite kon hij er, doodziek, toe worden gebracht vlees te eten, waar hij zovele jaren geen enkele afschuw van had gehad.

Z. Zo krijgt de abt de prior die hij verdient.   Ik kan raden over wie je het hebt, want ik kan me herinneren hetzelfde verhaal ook van anderen gehoord te hebben.

S. Raad dan maar.

Z. Is het niet die abt met dat reusachtige, vette lijf en die slissende tong? Die prior is kleiner, maar toch rijzig en heeft een vriendelijk gezicht, toch?

S. Geraden!

Z. Het volgende relaas lijkt dan wel op het vorige. Je zult horen, wat ik onlangs zelf heb gezien en waarbij ik niet alleen aanwezig ben geweest maar waarover ik bijna de regie had. Het ging om twee nonnen die hun verwanten gingen bezoeken.  Toen ze waren gearriveerd waar ze wilden, had een bediende per abuis een gebedenboek volgens de traditie van die orde en het klooster waar zij leefden, achtergelaten. Onsterfelijke God, wat gaf dat een consternatie! Ze durfden niet te eten zonder het uitspreken van de avondgebeden en konden het niet over zich verkrijgen die uit een ander gebedenboek te lezen dan hun eigen. Intussen wilde  het hele huis graag eten. Om kort te gaan : de bediende reed op een knol terug en bracht diep in de nacht het vergeten boek terug. De gebeden werden gezegd en we aten om bijna tien uur!

S. Tot zover heb ik niets gehoord wat erg afkeurenswaardig is.

Z. Logisch! Je hebt ook nog maar de helft van het verhaal gehoord.

Onder het eten begonnen de dames door de wijn in een jolige stemming te komen.

Uiteindelijk schaterden ze van het lachen, vertelden schuine moppen en maakten een hels lawaai. Niemand echter was uitgelatener dan zij die alleen maar wilden eten nadat de gebeden in de formulering van hun eigen orde waren gezegd. Na de maaltijd was het een en al spel, dans en zang om over de rest maar te zwijgen. Ik ben bepaald bang dat het er die nacht er niet erg kuis aan toegegaan is gezien de inleiding, de hete spelletjes, het gelonk en gekus.

S. Dat perverse gedrag reken ik niet eens zozeer de dames aan als de priesters die verantwoordelijk voor hen zijn.  Maar goed, ik zal je voor jouw verhaal  met één van mij betaald zetten; je zult er geen bezwaar tegen hebben wanneer ook ik je een ooggetuigenverslag  vertel. Vandaag de dag worden vrij wat mensen in het gevang geworpen omdat ze het gewaagd hebben op de dag des Heren brood te bakken, wanneer er geen brood was.  Ik persoonlijk veroordeel zoiets niet, verre van dat! Korte tijd later, op Palmzondag had ik toevallig een reden om naar een dorp in de naaste omgeving te gaan.  Daar maakte ik rond vier uur na het middagmaal een belachelijk - of moet ik zeggen : meelijwekkend ? - schouwspel mee. Geen Bacchanaal zou volgens mij stuitender geweest kunnen zijn.  Sommigen zwalkten door de wijn nu eens hierheen, dan weer daarheen, net zoals een schip zonder stuurman  door wind en golven wordt heen en weer geslingerd.  Anderen namen elkaar bij de arm en probeerden de ander overeind te houden, hoe wankel ze zelf ook op hun benen stonden.  Weer anderen vielen herhaaldelijk om met moeite weer op te staan. Sommigen waren met eikenloof bekranst.

Z.  Wijnranken hadden beter gepast met thyrsusstaven daarbij.

S. Een oude man die de rol van Sileen speelde werd door de anderen als een zak hoog op hun schouders gedragen zoals vroeger meestal lijken naar buiten werden gedragen, zijn voeten in de richting waarin ze liepen. Hij lag alleen wel op zijn buik om te voorkomen dat hij anders in zijn braaksel zou stikken. Telkens braakte hij vreselijk op de kuiten en hielen van de achterste dragers, van wie er geen nuchter was. De meesten moesten lachen , maar zo, dat je zou zeggen dat er een steekje aan los was.  De razernij van Bacchus had iedereen bevangen.  Zo gingen ze in optocht de stad in en dat nog wel bij klaarlichte dag.

Z. Waar kwam die waanzin dan vandaan?

S. In het dorp vlakbij wordt de wijn voor wat minder geld verkocht dan in de stad. Heel wat drinkebroers hadden zich daarheen begeven om voor minder geld meer uit hun dak te gaan. Ze hebben daar niet minder geld uitgegeven, maar zijn  er des te meer buiten zinnen van geraakt.  Als zij van een ei hadden geproefd zouden ze als na het begaan  van vadermoord in de kerker zijn geworpen.  Nu ze afgezien van het verzuimen van de preek en het weglaten van de avondgebeden, zich op een zo heilige dag in alle openlijkheid zo onmatig hebben gedragen, zag niemand daarin een reden tot straf of afkeuring.

Z. Daar hoef je je helemaal niet zo over te verwonderen. Midden in de steden wordt er in kroegen naast de kerk juist op feestdagen gezopen, gezongen, gedanst en gevochten met zoveel  herrie en tumult, dat noch de eredienst kan worden gehouden, noch de preek kan worden gehoord. Als diezelfde lui op hetzelfde ogenblik een schoen genaaid hadden of op vrijdag varkensvlees gegeten zouden hebben, zouden ze als halsmisdadigers zijn opgepakt. En toch is de dag des Heren juist hierom ingesteld om iedereen de gelegenheid te geven de evangelische boodschap te horen. Het maken van schoenen is daarom verboden  om in alle rust de geest op orde te kunnen brengen. Is dit niet een verbazende omkering bij de oordeelsvorming?

 

XXI Het relatieve belang van het vasten

 

S. Ongelooflijk, inderdaad. In het voorschrift van het vasten zelf zijn twee elementen te onderscheiden : ten eerste het  zich onthouden van voedsel, ten tweede de keuze  van voedsel. Iedereen weet, dat het eerste een goddelijk gebod is of daar zeker mee overeenkomt, dat het tweede echter niet alleen een menselijke oorsprong heeft, maar ook bijna in strijd is met de apostolische leer. Hoezeer we dit ook verhullen,  toch blijft hier het eten in het algemeen naar een onjuiste opvatting ongestraft, maar eten van voedsel dat door de mens verboden, maar door God en eveneens door de apostelen is toegestaan, is een doodzonde.  Hoewel niet vaststaat dat het vasten door de apostelen strikt is voorgeschreven, wordt het toch naar hun voorbeeld en brieven aanbevolen. Hoeveel redeneringen zijn nodig om het verbod van spijzen die God voor de mens geschapen heeft om zich met dank aan Hem daarmee te voeden, tegenover Paulus als rechter te verdedigen?  En toch wordt op de gehele wereld meer dan genoeg gegeten zonder dat iemand daar moeite mee heeft.  Als een zieke van een kippetje proeft, loopt dan de christelijke godsdienst gevaar?  In Engeland maken de mensen in veertigdagentijd om de andere dag een passende maaltijd klaar , zonder dat iemand zich daarover verwondert. Als iemand die heel hoge koorts heeft, het waagt een kippensoep aan te raken, lijkt hij op zijn minst een goddeloze daad te hebben begaan. Bij diezelfde Britten wordt in veertigdagentijd, wanneer niets bij christenen voor ouder en eerbiedwaardiger wordt gehouden dan juist dit vasten, ongestraft gegeten, zoals ik al heb verteld.  Als je datzelfde probeert op een vrijdag buiten vastentijd, zal niemand dat dulden.  Zo kun je vragen : waarom eigenlijk?  Ze zullen dan de gewoonte van het land aanvoeren. Ze verwensen degene die de gewoonte van een streek naast zich neerlegt, maar duiden het zichzelf niet euvel wanneer zij de oudste gewoonte van de gehele kerk veronachtzamen.

Z. Wie zonder reden de gewoonte van het land waarin hij leeft, negeert, verdient geen bijval.

S. Ik beschuldig hen ook niet die de veertigdagentijd met God en hun buik delen, maar wijs wel op de verkeerde oordeelsvorming over dit soort zaken.

Z. Wanneer we lezen dat de zondag met name daarvoor is ingesteld als een dag waarop het volk bijeen kan komen om de evangelische boodschap te horen, is diegene die de mis niet hoort, verfoeilijk, maar degene die de preek mist omdat hij liever wil voetballen, treft geen blaam

S. Wat voor een gruwelijke daad wordt het gevonden wanneer iemand de eucharistie met ongewassen handen aanneemt! Hoe weinig echter wordt er van angst gesidderd wanneer ze dat met ongewassen en door boze begeerten verontreinigd hart doen!

Z. Hoeveel priesters zijn er niet die liever dood willen dan het misoffer brengen met een kelk en een pateen die nog niet door de bisschop zijn gewijd of in hun dagelijks plunje! Maar hoevelen zien we niet onder hen die zo'n instelling hebben, dat ze  er geen enkel probleem mee hebben de heilige tafel te naderen terwijl ze nog beschonken zijn en een kater hebben van de vorige nacht!  Wat een gesidder en gebeef wanneer ze toevallig het lichaam van de Heer met dat gedeelte van hun hand hebben aangeraakt dat niet door de heilige olie is behandeld.  Waarom letten we er niet even nauwgezet op, dat geen onrein hart de Heer kwetst?

S. Wij raken het heilig vaatwerk niet aan en als het toevallig een keer gebeurd is, beschouwen we dat als een misdaad.  Hoe onbekommerd schenden we ondertussen de levende tempels van de Heilige Geest!

Z. Een menselijke regel verbiedt dat een buitenechtelijk kind, een kreupele of een eenogige wordt toegelaten tot de heilige handelingen.  Wat doen we hier moeilijk! Toch accepteren we ondertussen overal dommeriken, dobbelaars, dronkelappen, soldaten en moordenaars.  Ze zeggen : de ziekten van het hart zijn voor ons verborgen. Over de verborgen ziekten spreek ik niet,  wel over  die welke zich duidelijker manifesteren dan de gebreken van het lichaam.

S. Er zijn ook bisschoppen die  van hun functies niets anders op prijs stellen dan rekeningen en andere onbeduidende zaken. De taak van het preken, die de voornaamste waardigheid van de bisschop uitmaakt, laten ze aan anderen, hoe minderwaardig ook, over. Dat zouden ze helemaal niet doen als ze niet door een verkeerd oordeel zouden worden geleid.

Z. Wie een feestdag ontheiligt die  door een bisschop is ingesteld, wordt meegesleurd voor straf terwijl sommige vorsten die zoveel verordeningen van pausen en concilies en zoveel banbliksems dapper weerstaan, kanonieke verkiezingen verhinderen, de onschendbaarheden van geestelijken te niet doen en zelfs niet die huizen sparen  die met giften van vrome mensen ingericht zijn om ouderen, zieken en behoeftigen te verzorgen, zich voor voortreffelijke christenen houden als ze tekeer gaan tegen hen die op de meest onbeduidende terreinen hun plicht verzaken.

S. Het is maar beter die vorsten in hun sop te laten gaarkoken en over  vis en vlees te praten.

Z. Mee eens. Laten we  dan maar terugkomen op het vasten en de vissen.  Ik heb gehoord dat de wetten van de pausen een uitzondering maken voor met name jongens, grijsaards, zieken, invaliden, mensen met zwaar werk, zwangere en zogende vrouwen en mensen in zeer behoeftige omstandigheden.

S. Dat heb ik ook gehoord.

Z. Bovendien heb ik gehoord, dat een voortreffelijk theoloog, ik meen dat zijn naam Gerson is, dit eraan toevoegt, dat de geldigheid van een voorschrift evenzeer ophoudt te bestaan indien zich een geval voordoet van dezelfde aard als die welke door de wetten van de pausen met name worden uitgezonderd. Er zijn namelijk bepaalde gevallen van lichamelijke zwakte waarvoor het vasten gevaarlijker kan zijn dan een duidelijke ziekte. Er zijn gebreken en ziekten die niet zichtbaar zijn, maar in werkelijkheid meer risico in zich bergen. Daarom heeft iemand met zelfkennis het helemaal niet nodig een priester om raad te vragen, zoals kinderen geen priester raadplegen aangezien de situatie hen van de wet uitzondert. Degenen die kinderen, hoogbejaarden of anderszins invaliden dwingen tot vasten of het eten van vis, zondigen tweemaal. Allereerst tegen de broederlijke genegenheid en ten tweede tegen de opvatting van de pausen die niet willen dat zij onder de wet vallen die bij navolging hun dood zou betekenen. Wat Christus heeft ingesteld heeft hij gedaan om onze ziel en ons lichaam gezond te maken. Geen enkele paus eist zo grote macht voor zich op, dat hij door zijn besluit iemand in levensgevaar zou brengen. Indien iemand bijvoorbeeld zich door vasten in de avond slapeloosheid op de hals zou halen en vanwege die slapeloosheid buiten zinnen zou raken, dan zou hij zowel tegen de geest van de kerk en de wil van God in zelfmoordenaar zijn. Vorsten dreigen, zovaak als hun dat goed uitkomt, na het uitvaardigen van een wet met de doodstraf.  Wat hun geoorloofd is, daar ga ik niet over; wel zouden  ze er volgens mij veiliger aan doen de doodstraf niet toe te passen behalve in die gevallen die uitdrukkelijk in de Heilige Schrift staan vermeld. Waar het gaat om vergrijpen houdt de Heer ons zo ver mogelijk van de uiterste grens af, bijvoorbeeld van meineed door hoe dan ook te verbieden een eed af te leggen en van moord, door ons te verbieden boos te worden. Wij van onze kant  laten onszelf vanwege onze positie als mens  tot de uiterste grens van moord gaan, wat wij dan noodweer noemen. Sterker nog, zovaak als er sprake is van een goede reden, is het een blijk van liefde uit eigen beweging onze naaste tot datgene aan te sporen, wat de zwakheid van ons zwakke lichaam eist.  En als zich geen goede reden voordoet, dan nog is het een eis van christelijke liefde om welwillend uit te leggen wat met een oprecht hart gedaan kan worden, tenzij degene die eet, daarmee duidelijk blijk geeft van minachting voor de kerk. Degenen die halsstarrig en uit opstandigheid eten worden terecht door de wereldlijke overheid gestraft, maar wat iedereen thuis eet om zijn lichaam gezond te houden, dat is aan artsen ter beoordeling, niet aan magistraten. Maar indien sommigen uit slechtheid een tumult veroorzaken, moeten zijzelf worden beschuldigd van opstandigheid, niet degene die zonder een goddelijke of menselijke wet te overtreden voor zijn gezondheid heeft gezorgd. Op deze plaats gebruiken  we  geenszins het gezag der pausen als voorwendsel, van wie de menselijkheid zo groot is, dat zij, zodra ze een plausibele reden hebben ontdekt, uit eigen beweging uitnodigen tot datgene wat de gezondheid eist en ons met dispensatiedocumenten wapenen tegen de aantijgingen van mensen met kwalijke bedoelingen.  Tenslotte laten ze in heel Italië toe dat op bepaalde markten vlees wordt verkocht waarbij ze vanzelfsprekend de gezondheid van diegenen op het oog hebben die niet door die wet worden gebonden.  Ik heb zelfs minder farizeische theologen in vrome preken horen zeggen : "Er is geen reden dat jullie aarzelen op etenstijd een brood te nemen en een glas wijn of een pint bier vanwege de zwakheid van het menselijke lichaam". Wanneer ze zich zoveel gezag aanmatigen dat ze aan gezonde mensen in plaats van een volledige maaltijd een beperkte maaltijd toestaan, en dat nog wel tegen het voorschrift van de kerk die vasten heeft voorgeschreven, geen kleine maaltijd, waarom durven ze dan niet een passende maaltijd aan hen toe te staan wier zwakke gezondheid dit vereist? De pausen hebben toch uitdrukkelijk verklaard daar geen moeite mee te hebben? Noem het maar fanatisme wanneer iemand zijn eigen lichaam harder dan normaal behandelt, want iedereen kent zichzelf.  Maar waar is de vroomheid en liefde van hen die tegen de natuurwet, tegen de wet Gods en tegen de intentie van de pauselijke wet in, hun zwakke broeder, wiens geest gewillig, maar wiens vlees zwak is, de dood in jagen of treffen met een ziekte die nog erger is dan de dood?

 

XXII Twee concrete gevallen : Eros-Erasmus

 

S. Jouw redenering roept iets in mij boven wat ik twee jaar geleden heb meegemaakt.  Je kent Eros wel, met zijn zestig jaar al een wat oudere man. [deze anecdote heeft op Erasmus zelf betrekking] Zijn gezondheid is brozer dan glas, dag in dag uit wordt hij door gruwelijke ziekten geplaagd en door de uiterst zware last van zijn studies zodanig gekweld, dat ze zelfs een Milo hadden kunnen vloeren. Bovendien  gruwt hij tengevolge van een verborgen natuurlijke aanleg van jongsaf aan  van het eten van vis. Hij kan niet tegen vasten en wanneer hij het probeerde liep hij altijd levensgevaar. Tenslotte wordt hij door pauselijke dispensaties voldoende beschermd tegen farizeische tongen.  Onlangs had hij op uitnodiging van zijn vrienden een bezoek gebracht aan Freiburg, een stad die zijn naam niet helemaal waarmaakt.  Het was veertigdagentijd. Hij besteedde enkele dagen aan contacten met zijn vrienden. Ondertussen voedde hij zich met vis om niemand voor het hoofd te stoten, hoewel hij een pauselijk document in zijn bezit had waardoor het hem was toegestaan zich met alles wat dan ook te voeden. Weldra voorvoelde hij een dreigende ziekte die hem weliswaar vertrouwd was, maar erger dan de dood. Hij trof voorbereidingen voor zijn vertrek dat dringend noodzakelijk was, wilde hij niet ter plekke ziek in bed terecht komen. Toen vermoedden sommigen dat hij daarom overhaast vertrok omdat hij het eten van vis niet verdroeg, en zorgden ervoor dat Glaucoplutus [ = Ulrich Zasius] , een hooggeleerd man en in dat land een echte autoriteit,  Eros bij zich thuis uitnodigde voor een ontbijt. Omdat Eros meer dan genoeg had van de mensenmenigte die hij in de herberg niet kon vermijden, stemde hij erin toe, maar op die voorwaarde dat er voor niets anders gezorgd zou worden dan twee eieren. Zodra hij deze staande zou hebben opgegeten, zou hij zijn paard weer bestijgen. Hem werd beloofd dat het zo zou gebeuren. Toen hij daar kwam stond er een kippetje klaar.  Eros maakte zich boos en raakte niets aan op de eieren na. Hij brak de maaltijd af en besteeg zijn paard onder begeleiding van enige geleerden.  De geur van de kip  bereikte op een of andere manier zijn tegenstanders. Door hen werd een wild gerucht verspreid als zouden tien mensen door vergif gedood zijn. Niet alleen deze stad gonsde van dit gerucht, maar het praatje  was bijna diezelfde dag nog naar andere steden overgewaaid over een afstand van drie dagreizen. En zoals nu eenmaal gebeurt had het gerucht ook de waarheid iets gegund. Eros had namelijk, als hij niet gevlucht zou zijn, voor de magistraat ontboden moeten worden. Weliswaar was dit volstrekt onjuist, maar waar was dat Glaucoplutus de magistraat op zijn aansporing  genoegdoening had gegeven. Wie had zich eraan moeten stoten wanneer Eros, zo ziekelijk  als ik heb verteld, zelfs in het openbaar vlees gegeten zou hebben? Toch wordt er in diezelfde stad de hele vastentijd  maar vooral op feestdagen, waanzinnig gedronken, geschreeuwd, gedanst en gevochten. Vlakbij de kerk wordt gedobbeld, zodat de vrome preek niet kan worden gehoord.  Het kan niemand een zier schelen.

Z. De wereld op zijn kop!

S. Het volgende verhaal lijkt er wel op.  Het is ongeveer twee jaar geleden, dat Eros om gezondheidsredenen Ferventia [Besancon of Porrentruy] bezocht.  Om hem een plezier te doen was ik zijn begeleider. Hij nam zijn intrek in het huis van een oude vriend die hem met talrijke brieven had uitgenodigd.  Hij is een zeer invloedrijk man en één van de meest vooraanstaanden van die kerk.  Weer was er vis. Weer begon Eros gevaar te lopen : er dreigde een lawine van ziekten, koorts, hoofdpijn, overgeven en nierstenen. Hoewel de gastheer zag dat zijn vriend groot risico liep, waagde hij het toch niet hem ook maar een hapje vlees te geven. Waarom eigenlijk? Hij zag zoveel redenen waarom het mocht, hij had de dispensatie gezien, maar vreesde het geroddel van de mensen.  En weldra was de ziekte zo ernstig geworden dat hij het voor niets zou hebben gegeven.

Z. Wat deed Eros? Ik ken zijn aard; liever zou hij doodgaan dan de ergernis van zijn vriend te wekken.

S. Hij sloot zich in de slaapkamer op en leefde drie dagen volgens eigen dieet. Zijn maaltijd bestond uit één  ei met een drankje van gekookt suikerwater. Zodra de koorts was gaan zakken, besteeg hij zijn paard met wat proviand bij zich.

Z. Wat was dat dan?

S. Amandelmelk in een flesje en gedroogde druiven in een zakje. Zodra hij naar huis was teruggekeerd, openbaarden de nierstenen zich en de hele maand lag hij in bed.  Toch volgde op dit vertrek een wild maar ijdel gerucht over het eten van vlees, dat zelfs Parijs bereikte, samen met een massa prachtige leugens. Wat vind je een passend geneesmiddel voor dergelijke ergernissen?

Z. Laat iedereen zijn po maar op hen uitgieten en als ze toevallig voorbijkomen laat iedereen dan maar met dichtgeknepen neus aan hen voorbij gaan. Misschien dat ze zo hun eigen onzin inzien.

S. Eigenlijk moest toch deze farizeische goddeloosheid toch steviger met schimpscheuten van theologen worden aangepakt. Wat is trouwens jouw oordeel over de gastheer?

Z. Hij maakt op mij de indruk van een verstandig man die weet wat voor een drama's het volk van tijd tot tijd maakt van  zulke onbenullige zaken.

S. Goed, laat dit maar heel verstandig gedaan zijn en laten wij de benauwdheid van de goede man maar positief uitleggen, maar hoevelen zijn er niet die, wanneer ze in een soortgelijke situatie hun broeder laten kreperen, de gewoonte van de kerk en het geroddel van het volk als voorwendsel gebruiken. Anderzijds laten ze zich totaal niet bangmaken door de praatjes van de massa, terwijl ze openlijk een liederlijk leven leiden met braspartijen, avontuurtjes, luxe, nietsdoen, volstrekte minachting voor de heilige studiën, roofpartijen, simonie en bedrog!

Z. Inderdaad, zulke mensen zijn er. Wat zij vroomheid noemen is een grenzeloze en goddeloze wreedheid. Maar zij komen op mij nog wreder over die een mens niet in een concrete situatie aan hun lot overlaten, maar door zelf gevaren als valstrikken te construeren velen overduidelijk zowel lichamelijk als geestelijk risico laten lopen, temeer daar ze zich op geen enkele publieke autoriteit baseren.

S. Ik ben benieuwd wat je gaat vertellen.

 

XXIII Een derde casus : spartaanse praktijken op het Collège Montaigu

 

Z. Dertig jaar geleden leefde ik in Parijs in een college, dat zijn bijnaam aan azijn heeft ontleend [Erasmus zinspeelt hier op het Collège Montaigu met zijn spartaanse stijl].

S. Daar hoor ik een ander woord voor 'wijsheid' [cf. Plautus, Pseudolus, II, 4, 49]. Maar wat vertel je me daar?  Heeft een vishandelaar in dat zo ascetische college geleefd? Dan is het geen wonder dat hij zoveel grip heeft op theologische kwesties. Want ik hoor, dat daar zelfs de muren affiniteit met theologie hebben.

Z. Het is precies zo als je zegt. Toch heb ik daarvan niets overgehouden dan een door kwade sappen vergiftigd lichaam en een enorme hoeveelheid luizen. Maar om verder te gaan waar ik ben begonnen : op dat college zwaaide toen Johannes Standoneus [Jan Standonck uit Mechelen] de scepter, een man over wiens instelling je niets te klagen zou hebben gehad, maar des te meer over zijn inzicht. Dat hij zich immers zelf, denkend aan zijn jeugd die hij in de grootste armoede had doorgebracht, bekommerde om de armen, moet van harte worden toegejuicht. Voor zover hij de armoede van de jongens in die mate had verlicht dat hij hun middelen ter beschikking stelde voor een  fatsoenlijke studie zonder dat geld voor luxe over de balk werd gegooid, verdiende hij onze lof. Wanneer hij anderzijds de zaak aanpakte met zo'n hard bed, zo weinig en spartaans eten, zo zware nachtwaken en werkzaamheden, dat hij binnen het jaar tijdens de eerste exercitie veel jongelui met voortreffelijke aanleg en veel beloften voor de toekomst, deels prijsgaf aan de dood, deels aan blindheid, deels aan de waanzin, voor een gedeelte zelfs aan melaatsheid, van wie ik er vrij wat ken, ieder van hen liep absoluut risico - wie zou hier niet spreken van wreedheid jegens zijn naaste?  Hiermee niet tevreden voegde hij hun nog een habijt en een kap toe en verbood hun het eten van vlees. Dergelijke stekjes bracht hij over naar gebieden in den vreemde.  Maar als iedereen zo toegeeft aan zijn neigingen als hij heeft gedaan, dan zal het gebeuren  dat dit soort mensen de hele wereld in bezit gaat nemen aangezien de kloosters die nu pausen en vorsten angst aanjagen, vanuit een dergelijke oorsprong zijn ontstaan. Het is een uiting van vroomheid prat te gaan op het voordeel voor de naaste die zich weer inlaat met godsdienstigheid; roem zoeken in kleding of eten, is farizeisch.  De armoede van je naaste lenigen is vroomheid; er in voorzien dat de gulle gaven niet voor luxe worden misbruikt, is een kwestie van discipline. Je broer hiermee ziek en gek te maken of de dood in te jagen, is wreedheid, ja broedermoord. De bedoeling om te doden ontbreekt misschien, maar het is wel doodslag. Hoe hen te vergeven? Net zo als de arts die een zieke uit pure onwetendheid heeft laten doodgaan. Iemand zal zeggen : "Niemand dwingt hen om dit soort van leven te leiden, ze komen uit eigen beweging, vragen toegelaten te worden en het staat hun vrij weer weg te gaan als ze er genoeg van hebben". Wat een Scythisch antwoord [cf. Herodotus, IV, 131]! Eisen ze zo dat jongens beter doorzien wat hun past dan een geleerde, de op zijn terrein gepokt en gemazeld is en al op leeftijd? Zo kan zich iemand tegenover een wolf verontschuldigen die hij in uitgehongerde toestand met een lokaas  in zijn netten heeft gelokt. Maar kan zich degene die een uitgehongerd iemand ongezond of zelfs dodelijk voedsel voorzet, zo verontschuldigen wanneer deze doodgaat? "Niemand heeft je gedwongen te eten, willens en wetens heb je verorberd wat je was voorgezet".  Hij zou daarop toch terecht antwoorden : "Je hebt me geen voedsel gegeven, maar vergif" ?  Nood breekt wetten en honger is een erge kwelling.  Weg met die grote woorden : "Het ging om een vrije keuze".  Integendeel, wie zich van dergelijke martelpraktijken  bedient, past juist grof geweld toe. Die strengheid heeft niet alleen zwakke jongens te gronde gericht, maar  ook niet weinig zonen uit rijke milieus tot slachtoffer gemaakt en hun edele imborst bedorven. Jeugdige uitgelatenheid met orde en regelmaat binnen de perken houden, is vaderlijke plicht. Maar midden in de winterkou krijgen degenen die daarom vragen, een stukje brood; drinkwater moeten ze maar uit de put gaan halen die verontreinigd en anderszins ziekmakend water bevat, zelfs al was het alleen maar vanwege de kou in de ochtend. Ik ken velen die daar een ziekte hebben opgelopen waarvan ze zelfs vandaag niet kunnen genezen. Vrij veel slaapplaatsen waren laag op de grond, vlakbij vochtig gips op de muur en ongezond vanwege de nabijheid van de toiletten. Iedereen die hier heeft vertoefd heeft zich of de dood of een dodelijke ziekte op de hals gehaald. Ik praat maar niet van het verbazingwekkende beulswerk met de knoet, zelfs bij onschuldige jongens. Zo, zeggen ze, wordt onbehouwenheid afgeleerd. 'Onbehouwenheid' noemen ze de nobele aard die ze met opzet breken om hen geschikt te maken voor de kloosters. Hoeveel rotte eieren werden daar niet verorberd! Hoeveel bedorven wijn werd daar niet gedronken! Misschien zijn deze zaken ondertussen ongedaan gemaakt, maar te laat, zeker voor hen die eraan kapot zijn gegaan of zich in een ziek lichaam voortslepen. Ik maak hiervan echt geen melding omdat ik dat college een kwaad hart zou toedragen, maar ik vind het de moeite waard ervoor te waarschuwen dat niet onder het mom van godsdienst menselijke wreedheid de onervaren en kwetsbare jeugd bederft. Hoeveel beschaving of echte vroomheid daar wordt aangeleerd, wil ik nu voorlopig niet uitzoeken.  Indien ik echter zou zien dat zij die de kap omdoen hun slechtheid afleggen, zou ik iedereen tot de kap bekeren.  Nu gaat het om iets heel anders. Daarom mag men de harten van de opbloeiende jeugd niet breken met het oog op dit soort van leven, maar de ziel moet juist meer tot vroomheid worden gevormd. Nauwelijks is het me gelukt een Kartuizerklooster binnen te gaan of ik zie daar de een en de ander die ofwel eenvoudig van zijn verstand beroofd is of buiten zinnen is. Maar het is de hoogste tijd dat wij van onze zo lange uitweiding terugkeren naar het begin.

S. Integendeel, van deze uitweiding hebben we niet de minste schade geleden; we hebben de hoofdzaak zelf  aan de orde gesteld. Misschien schiet je nog iets te binnen, wat volgens jou toegevoegd moet worden aan wat al over menselijke instellingen besproken is.

 

XXIV  De wezenlijke bedoeling van de wet

 

Z. Wie verzuimt te doen wat de wetgever op het oog had, maakt op mij althans niet de indruk de menselijke wet te vervullen. Wie zich namelijk op feestdagen alleen verre houdt van  vormen van handwerk, maar ondertussen geen tijd vrijmaakt voor de mis of de preek, die ontheiligt de feestdag, omdat hij juist dat

verzuimt te doen waarvoor de feestdag is ingesteld. Het goede werk wordt daarom verboden dat er iets beters kan gedaan worden. Wie echter voor kroegen, hoeren, dronkenschap. vechten en dobbelen tijd vrijmaakt, maar niet voor gewoon werk, ontheiligt de feestdag eens zo erg.

S. Volgens mij is ook het vaste aantal gebeden daarom aan priesters en monniken voorgeschreven, dat zij door deze oefening zich eraan zouden gewennen hun hart tot God te richten. Wie deze taak niet vervult, loopt gevaar. Wie alleen maar met zijn stem klanken mompelt en zich er niet om bekommert zijn geest te concentreren op datgene wat hij laat horen, sterker nog, zelfs niet de schriften wil leren kennen zonder welke de klanken die hij voortbrengt nuet begrepen kunnen worden, wordt voor een goed mens gehouden en heeft van zichzelf ook die indruk.

Z. Ik ken veel priesters die het een onvergeeflijke zonde vinden een deel van de gebeden over te slaan of per abuis te spreken over de goddelijke Maagd, wanneer hij had moeten spreken over de heilige Paulus.  Anderzijds vinden diezelfde mensen dobbelen, hoerenlopen en dronkenschap helemaal niet erg terwijl dit toch door goddelijke en menselijke wetten evenzeer verboden is.

S. Ik heb heel wat mensen aangetroffen die liever doodgegaan waren dan het misoffer te brengen na per ongeluk van voedsel geproefd te hebben of enkele waterdruppels in hun maag te hebben laten komen wanneer ze hun mond spoelen. Anderzijds  gaven diezelfde mensen aan, dat zij met bepaalde lieden in onmin leefden, die zij zelfs, als hun daartoe de gelegenheid gegeven werd, zouden ombrengen en ze hadden er toch geen enkel probleem mee met deze gezindheid aan te gaan aan de heilige tafel van Christus.

Z. Bovendien is het een menselijk voorschrift nuchter naar de mis te gaan, maar een voorschrift van God om zijn woede te laten varen voordat ze tot de heilige tafel komen.

S. Wat hebben we verder een totaal verkeerd oordeel over de meineed! Wie met een eed bekrachtigt dat hij zijn schuld heeft afbetaald, krijgt een slechte reputatie, wanneer er wordt bewezen, dat hij die schuld niet heeft betaald. Een priester echter die openlijk onkuis leeft, wordt niet geconfronteerd met de beschuldiging van meineed, terwijl hij toch in het openbaar met een eed kuisheid heeft beloofd.

Z. Waarom zing je dat liedje niet tegen de vicarissen van de bisschoppen, die voor het altaar zweren, dat zij iedereen die zij voorstellen om ingewijd te worden geschikt bevonden hebben qua leeftijd, kennis en zeden, terwijl er  onder hen vaak  nauwelijks twee of drie mee door kunnen en de meesten nauwelijks geschikt zijn voor de ploeg.

S. Wie om een of andere reden een valse eed heeft afgelegd, krijgt straf, maar wie bij elk derde woord dat hij spreekt een meineed doet, wordt niet gestraft.

Z. Zij zweren niet in ernst.

S. Met dezelfde redenering mag je dan iemand in bescherming nemen die een mens niet in ernst heeft gedood.  Een meineed plegen mag gewoon niet, noch voor de grap, noch in ernst.  Het zou nog een ergere misdaad zijn iemand voor de grap te doden dan uit woede.

Z. Wat als iemand de eed van vorsten, die ze bij hun inhuldiging afleggen, met dezelfde weegschaal weegt?

S. Hoewel die eden het meest serieus genomen worden , worden ze toch niet als meineed beschouwd, omdat ze om zo te zeggen uit gewoonte worden gedaan. Zo hoor je ook over beloften klagen.  De huwelijksbelofte is zonder twijfel een stuk goddelijk recht; toch wordt die gebroken door de belofte van het kloosterleven, die van mensen afkomstig is.

Z. Hoewel geen belofte heiliger is dan die van de doop, wordt toch hij die van habijt of klooster wisselt, opgespoord alsof hij zijn vader met vergif heeft gedood, hij wordt  meegesleurd, vastgebonden en soms zelfs gedood vanwege de eer van de orde.  Degenen wier hele leven op gespannen voet staat met de doopbelofte, aangezien zij geheel en al de mammon , hun buik en de weelde van deze wereld dienen , die worden gerespecteerd, hun wordt geen beschuldiging voor de voeten geworpen van het schenden van een belofte, er klinkt geen verwijt, ze worden geen afvalligen genoemd, maar voor echte christenen gehouden.

S. Op soortgelijke wijze wordt door het volk geoordeeld over goede en slechte daden en over de hulpmiddelen om het heil te verkrijgen.  Hoe grote schande volgt niet een meisje dat aan lager wal is geraakt!  Een veel zwaardere beschuldiging is passend bij een leugenachtige en lasterlijke tong en een hart dat door haat en afgunst is bedorven.   Waar wordt niet een diefstel, hoe gering ook, strenger gestraft dan echtbreuk?  Niemand gaat graag om met degene die ooit eens bezoedeld is door de smet van diefstal;  met degene die overal de smet vertoont van echtbreuk. is het mooi een goede relatie te hebben.  Aan een openbare beul die tegen betaling de wetten dient, zoals ook de rechter zelf,  zal niemand graag zijn dochter uithuwelijken, maar wij spreken niet onze afkeuring uit over een  verwantschap met een soldaat, die zich zovaak tegen de zin van zijn ouders en soms ook tegen het uitdrukkelijk bevel van de magistraat uit de voeten heeft gemaakt om huursoldaat te worden en die met zoveel schanddaden, roverijen, kerkvernielingen, moordpartijen en andere misdaden is bezoedeld die meestal worden begaan  ofwel in oorlogstijd zelf of bij het ten strijde trekken en bij de terugkomst uit de strijd. Zo iemand nemen we graag als schoonzoon aan, een dergelijk type dat nog erger is dan welke beul ook, wint de liefde van het meisje en wat door een misdaad is tot stand gebracht vatten we als voornaamheid op. Wie een geldstuk steelt, hangt, maar wie fraudeert met openbare middelen, die met monopolies, woekerwinsten, duizend en een trucjes en foefjes zoveel mensen besteelt, geldt als een notabele.

Z. Wie aan een enkeling  gif toedient wordt als gifmenger volgens de wet gestraft, maar wie met bedorven wijn of smerige olie een massa mensen ombrengt, gaat er ongestraft vandoor.

S. Ik ken een paar monniken die zo bijgelovig zijn dat ze menen dat zij in de macht van de duivel zijn wanneer ze alleen maar toevallig hun heilige gewaad niet kunnen dragen. Wanneer ze echter liegen, anderen belasteren, dronken zijn of afgunstig, zijn ze helemaal niet bang voor de klauwen van de duivel.

Z. Ook bij ons leken kunnen we heel wat van dat soort mensen vinden. Ze geloven niet dat hun huis gevrijwaard is van het geweld van de duivel wanneer ze niet gewijd water klaar hebben staan en gewijde takken en kaarsen. Anderzijds vrezen ze niet voor hun huis wanneer daarin dagelijks God op zoveel manieren wordt geprovoceerd en de duivel wordt vereerd.

 

XXV Christus als uiteindelijke hulpbron

 

S. Hoe velen zijn er niet die meer vertrouwen stellen in de bescherming van de Maagd Maria of Christophorus, dan in die van Christus zelf. De Moeder vereren ze met beelden, kaarslicht en liederen; Christus beledigen ze door hun goddeloze manier van leven. Wanneer een zeeman gevaar loopt, roept hij eerder de moeder van Christus of Christophorus aan of wie dan ook van de heiligen, dan Christus zelf. Ze geloven dat ze de Maagd aan hun kant hebben omdat ze aan het eind van de nacht het ‘Salve Regina’ zingen, een lied waar ze niets van snappen. De vrees komt totaal niet bij hen op dat zij zou menen door dergelijke liederen bespot te worden terwijl de gehele dag en een groot deel van de nacht door hen wordt doorgebracht met liederlijke taal, dronkenschap en  zaken waarover ik maar liever zwijg.

Z. Zo schiet bij een soldaat die in gevaar komt eerder de naam van Georg of  Barbara te binnen dan die van Christus. Hoewel de heiligen geen verering meer op prijs stellen dan de navolging van de daden waarmee zijzelf Christus hebben behaagd, hebben wij voor dit aspect de grootste minachting. We geloven dat Antonius ons bijzonder ter wille zal zijn wanneer we hem een paar gewijde varkens vetmesten en wanneer we hemzelf met zijn varken, het vuur en zijn klokje schilderen op de deuren en muren van onze huizen. We zijn er niet bang voor - wat eigenlijk wel zou moeten - dat hij ons huis slechtgezind zou zijn waarin die zonden vrij spel hebben die de heilige man altijd heeft verfoeid.  Voor de Maagd tellen we rozekransen en weesgegroetjes op. Waarom doen we dat niet liever met het bedwingen van de trots van ons hart, het onderdrukken van begeerten en het vergeven van onrecht ter wille van haar? In dergelijke liederen schept de Moeder Gods behagen, met dergelijke inspanningen kun je je voor hen beide verdienstelijk maken.

S. Evenzo denkt iemand die door ziekte in levensgevaar verkeert eerder aan de heilige Rochus of Dionysius dan aan Christus, het enige heil voor de mensen. Jazelfs ook zij die de heilige Schriften vanaf de kansel uitleggen die niemand zonder inspiratie door de Geest goed kan begrijpen of met vrucht kan onderwijzen, willen liever de hulp van de maagdelijke Moeder inroepen dan die van Christus zelf of de geest van Christus. Wie durft te protesteren tegen deze zogenaamd lovenswaardige gewoonte, staat al gauw onder verdenking van ketterij. Meer lof verdient de gewoonte van de ouden die Origenes, Basilius, Chrysostomus, Cyprianus, Ambrosius, Hieronymus en Augustinus erop na hielden, die voortdurend de geest van Christus aanroepen, maar nooit de hulp van de Maagd inroepen. Men maakt zich zelfs niet boos over hen die een zo heilige gewoonte die teruggaat op de leer van zowel Christus als de apostelen en op de voorbeelden van de heilige vaders, hebben durven veranderen.

Z. Een soortgelijke vergissing begaan verscheidene monniken die ervan overtuigd zijn dat Benedictus hun welgezind is zolang ze maar zijn kap en mantel dragen. Overigens geloof ik niet dat deze man ooit een zo wijdvallend en kostbaar gewaad gedragen heeft. Ze zijn totaal niet beducht voor zijn woede omdat ze in hun leven niets met hem gemeen hebben.

S. Wie het asgrauwe gewaad en de ceintuur van hennep niet heeft afgelegd, is een broeder van Franciscus. Vergelijk hun leven : er is niets tegenstrijdigers.  Ik spreek over de meesten, niet over allen. Deze woorden zijn van toepassing op alle soorten van orden en geloftes. Uit verkeerde oordelen ontstaat een onjuist vertrouwen en daaruit weer verkeerde ergernissen.  Laat een Franciskaan maar naar voren komen met een lederen gordel om, wanneer hij bij toeval zijn eigen ceintuur is kwijtgeraakt, of een Augustijner monnik met een wollen ceintuur om, of  iemand die gegord zou moeten zijn, zonder gordel. Wat gruwelijk zou dat zijn! Wat voor een gevaar zou er bestaan dat vrouwen bij dit schouwspel een miskraam zouden krijgen!  Wat voor breuk in broederlijke liefde zou het gevolg zijn van dit soort onzin! Wat voor een bittere haat! Wat voor een hevige aantijgingen! Tegen deze dingen schreeuwt de Heer het in zijn evangelie uit en niet minder fanatiek de apostel Paulus. Ook theologen en predikers zouden hiertegen moeten protesteren.

Z. Dat zou zeker goed zijn, maar onder hen zijn er heel wat voor wie het goed uitkomt dat het volk zo is, sterker nog, dat de vorsten en de bisschoppen zo zijn.  Bovendien zijn er die op dit terrein niets wijzer zijn dan het volk, of, als ze verstandig zijn, het niet laten blijken omdat ze liever hun eigen buik ter wille zijn dan Jezus Christus. Zo komt het dat het volk dat in alle opzichten door slechte oordelen bedorven is, daar van goed vertrouwen is waar het gevaar voor de deur staat en daar in paniek is waar niets te vrezen is, daar gaat uitrusten vanwaar het zou moeten verdergaan en daarheen verdergaat vanwaar het zich zou moeten terugtrekken. Als je wat pogingen doet hen van deze slechte gewoontes af te brengen, roepen ze dat er een oproer wordt ontketend. Alsof het om een oproer zou gaan wanneer iemand een ziekelijke toestand van het lichaam die een onervaren arts lang op zijn beloop heeft gelaten en die bijna tot een tweede natuur is geworden, probeert weg te nemen met betere medicijnen. Maar laten we aan deze eindeloze klaagzang maar een einde maken. Het gevaar bestaat dat het volk, wanneer het van dit gesprek heeft gehoord, met een nieuw spreekwoord komt opdagen omdat een viskoopman en een slager zich hierover druk maken.

S. Dan zou ik hun het oude spreekwoord willen voorhouden : “ Vaak heeft ook de groentenman het helemaal bij het rechte eind”. Toen ik kort geleden deze zaken bij de maaltijd aan de orde stelde, was tot mijn ongeluk een luizige voddenbaal erbij met een gelig en verschrompeld lijkengezicht. Hij had nauwelijks drie haren op zijn schedel.  Zovaak hij iets zei, sloot hij zijn ogen.  Ze zeiden, dat het een theoloog was. Hij noemde me een discipel van de Antichrist en mompelde nog heel wat andere dingen.

Z. Wat zei jij toen? Helemaal niets?

S. Ik wenste hem een kruimeltje gezond verstand toe in zijn zieke hersens, als hij tenminste nog hersens bezat.

Z. Ook dat verhaal zou ik graag nog van begin af aan willen horen.

S. Dat kan, wanneer je komende donderdag bij me komt eten. Je krijgt kalfsvlees voorgezet, in suiker gebakken, gehakt en zo zacht dat je het kunt opslurpen.

Z. Dat beloof ik op die voorwaarde dat je op vrijdag bij mij eet. Ik zal ervoor zorgen dat je inziet dat viskooplui niet altijd stinkende zoutevis eten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

DE INGEHOUDEN LACH

 

Enkele vertaalde fragmenten uit  de van Erasmus

 

VIDIT. PERVIDIT. RISIT.

 

      Met een verrekijker staart Erasmus naar een rijksappel-met-kruis die hem door een  hand vanuit de hemel wordt getoond. Onder hem de tekst : vidit, pervidit, risit : hij ziet, doorziet en lacht. Dit alles zien we op het titelblad van een Colloquia-editie, uitgeven door Elsevier in Leiden in 1643. Het plezier van het zien van het aardse  en het doorzien van de kleinheid daarvan, van het observeren van de schijn en doorgronden van de werkelijkheid blijkt uit elke regel die deze humanist heeft geschreven, maar vooral uit het werk dat in de zestiende eeuw alleen al bijna 170 edities heeft gekend, de Colloquia. In een tijd dat men zich niet lachend laat portretteren zijn de twee portretten van Hans Holbein de Jongere [1523] en Dürer [1526] gekenmerkt door een onmiskenbaar ingehouden lach : Erasmus heeft binnenpret. Zijn werk brengt die pret naar buiten, niet alleen zijn Laus Stultitiae, met 70 zestiende-eeuwse drukken ook een aanzienlijk commercieel succes, maar vooral ook  zijn Colloquia, sinds 1518 een work in progress.

 

      Die humor compenseert tot op zekere hoogte de  onrust die karakteristiek is voor het humanisme van die tijd, een rusteloos zoeken naar wat wezenlijk is in de literatuur van de Oudheid en de boodschap van het Evangelie. Erasmus kon omgaan met verschillen en dat valt in zijn tijd niet goed. Je moest nu eenmaal partij kiezen, terwijl Erasmus op ultieme vrijheid was gesteld.  'Anguilla est'  is niet het scherpste dat door tijdgenoten over hem geschreven is. Ben je een addertje als je duidelijk de Heilige Schrift en de Philosophia Christi als richtsnoer neemt tegenover de traditiunculae et constitutiunculae hominum waarmee de kerkelijke traditie geleidelijk aan was vergiftigd? Als je de Wet van Christus duidelijk boven de willekeurige regelgeving binnen  de kerkelijke praktijk plaatst? Hoe zal Erasmus in 1526 hebben gereageerd op het besluit van de Sorbonne om de Colloquia op de Index te plaatsen? Met een ingehouden lach?

 

VAN PHRASE BOOK TOT  BESCHAVINGSGIDS

 

      Toen Erasmus zich rond 1495 in Parijs voorbereidde op het behalen van een doctoraat in de theologie, verkeerde hij in beroerde omstandigheden : hij ondervond aan den lijve de ascetische discipline die heerste  op het Collège Montaigu, waarbinnen de uitgangspunten van de Moderne Devotie tot in het extreme werden doorgevoerd.  Bovendien had hij chronisch geldgebrek. Daarom gaf hij na zijn vertrek uit het Collège les aan privé-leerlingen zoals Christiaan en Hendrik Northoff uit Lübeck en Augustinus Caminadus. Voor hen schreef hij in een schrift wat Latijnse formules die konden dienen bij het begroeten en afscheid nemen, het informeren naar iemands gezondheid en meer praktische situaties. Kleine dialoogjes tussen Augustinus, Christianus en Erasmus wijdden de pupillen in in het gesproken Latijn. Jaren later werd de tekst via Caminadus in handen gespeeld van de uitgever Froben te Bazel die het  onder de titel 'Familiarium Colloquiorum Formulae' in 1518 zonder toestemming van Erasmus uitgaf. Het werd een doorslaand succes. Voor de editie van 1519 wilde Erasmus dan ook best een voorwoord schrijven.

 

      Vanaf de editie van 1522 verandert de opzet van het werk. Het gaat niet meer om een Latijns phrase book, maar om een collectie dialogen waarin actuele kwesties aan de orde worden gesteld ad vitam instituendam. De elegantia latini sermonis blijft van belang, maar uiteindelijk gaat het Erasmus om het bijbrengen van civilitas en pietas. Een christelijke levenswandel en innerlijke beschaving zijn nastrevenswaardige doelen voor leken, maar in de visie van Erasmus niet minder voor religieuzen, voor mannen, maar in de visie van Erasmus niet minder voor vrouwen.

 

DE HEDONIST EN DE ERUDITA

 

Als voorbeeld van Erasmus' aanpak noemen we de dialoog 'Abbatis et eruditae', waarin een abt, Antronius, zich geconfronteerd ziet met een geleerde vrouw, Magdalia. De abt is een uitgesproken hedonist, de vrouw de kuisheid zelve, mede dankzij haar serieuze studies. Voor Antronius zijn spoel en spinrokken de arma muliebria, voor Magdalia zijn de auteurs van de Oudheid trouwe adviseurs met wie zij dankzij haar kennis van het Latijn dagelijks kan converseren. Bovendien helpen zij haar het huishouden goed in te richten en haar kinderen te onderrichten. Tenslotte dragen zij bij aan haar huwelijksgeluk : nam et illum mihi et me illi cariorem reddit eruditio. Eruditie als middel de genegenheid bij beide partners te vergroten en uiteindelijk plezierig te leven, suaviter vivere! De dialoog eindigt met een waarschuwing aan het adres van Antronius : pas maar op, abt, want als jij je zo blijft gedragen, zullen wij, geleerde vrouwen nog eens de kansel bestijgen en jouw mijter gaan dragen [res eo evadet, ut concionemur in templis et occupabimus mitras vestras].  De wereld op zijn kop dus, ook voor Magdalia zelf trouwens, want stel je eens voor dat dit gruwelijke werkelijkheid zou worden! Het is niet Erasmus' bedoeling de mannenwereld voor vrouwen open te zetten, maar vrouwen door goede lectuur uit de problemen te houden, met name die van de onkuisheid. Erasmus had authentiek respect voor geleerde vrouwen van zijn tijd en besteedt in zijn Colloquia opvallende aandacht aan educatie voor vrouwen.

 

DE VERPAKKING EN DE BOODSCHAP

 

      'Waar kom je vandaan, Socrates? Je hebt zeker die betoverende Alkibiades achterna gezeten? '. Zo begint Plato zijn dialoog Protagoras over de vraag of deugd aan te leren is. In die traditie begint Erasmus zijn dialogen over complexe onderwerpen  met 'Hoe kom je als Vulcanus terug, terwijl je als Mercurius bent weggegaan? ' of met : "Waar kom je in je reisplunje vandaan? ' 'Uit Tübingen'. Nog wat nieuws gehoord? ' Op een heel vanzelfsprekende manier komt de schrijver in medias res. 'Lang niet gezien, zeg! Wat ben jij veranderd!'  en dan wordt in enkele bladzijden de relevante voorgeschiedenis onthuld. De luchtige start en de dialoogvorm, maar ook diversiteit in  karakters en visies van de  gespreksdeelnemers, veelal uit verschillende lagen van de samenleving afkomstig,  dragen bij aan de nodige levendigheid. Zo concreet als de spelers zijn, zo vaag is overigens de lokatie waar  en de situatie waarbinnen zich de dialoog afspeelt.

 

      Een levendige presentatie  is inderdaad noodzakelijk omdat de gespreksstof zelf complex is en niet erg gestructureerd wordt gepresenteerd. Zoals binnen de humanistische traditie gebruikelijk wordt er naar hartelust geassocieerd en voortgesponnen. Op een gegeven moment kan de dialoog een regelrechte monoloog worden, een exegetisch leergesprek.  De vraag 'Waar waren we ook weer gebleven?' zet de discussie dan weer op de rails.

 

      Voor een opvoering op toneel [er hebben  in de zestiende eeuw inderdaad opvoeringen van de Colloquia plaatsgevonden] zou  in veel gevallen een nieuwe tekstredactie noodzakelijk zijn. In dat verband zou ook iets aan de breedsprakigheid van bepaalde passages moeten worden gedaan : Erasmus gebruikt om didactische redenen vrij veel synonieme uitdrukkingen achter elkaar, iets dat herinnert aan de oorspronkelijke opzet van het phrase book.

 

VLEES NOCH VIS ?

 

      DeHet Eten van Vis] is geen meesterwerk. Alleen al het gegeven, dat een visventer en een slager na enkele bladzijden de rol van theoloog en moralist gaan spelen, roept vraagtekens op. Dat de slager het 'edict uit Rome' waarbij wordt  toegestaan te eten wat men maar wil, uit zijn duim heeft gezogen, maakt de tekst er ook al niet sterker op. Tenslotte verlopen de overgangen tussen de verschillende tekstonderdelen niet al te harmonisch.

 

      Dat alles neemt niet weg dat er in deze dialoog toch veel te genieten valt. Het soort humor, waar de Laus Stultitiae zo om bekend is, komen we ook in deze dialoog volop tegen. Ook al ontbreekt de schaterlach, de ingehouden lach straalt van vele pagina's af. Het is ridendo dicere verum in optima forma.

 

DE INGREDIENTEN VAN DE DIALOOG

 

      Een slager brengt een viskoopman het bericht, dat Rome voortaan iedereen toestaat te eten wat men maar wil. De viskoopman redeneert, dat het voormalige  vleesverbod vlees juist aantrekkelijk maakte. Hij profiteert dus indirect van de maatregel uit Rome! Zowel bij de vis- als bij de vleesverwerking is hygiëne in het geding : beide zijn slecht voor het milieu. De voor smerige luchtjes overgevoelige Erasmus weidt hier behaaglijk uit over de stankoverlast die door beide beroepsgroepen wordt veroorzaakt. De slager wil scoren met het argument dat vlees door pekeling houdbaar en reukvrij gemaakt kan worden, maar de visman komt met een casus betreffende de verkoop van bedorven vlees. Nadat de slager ook hier een tegenzet heeft gedaan, komen de mannen tot de conclusie dat in vrije beroepen incidenten nu eenmaal niet zijn uit te sluiten. Na de relatie vis/vlees en gezondheid uitgebreid aan de orde te hebben gesteld, neemt de slager het voortouw met een theologische benadering van het eten van vlees.

 

      Het eten van dieren was na de zondvloed toegestaan, maar daarvoor ook? Waarschijnlijk wel, want wat heeft de  heerschappij over de dieren anders te betekenen? Of slaat dat meer op het gebruik ervan als lastdier of als medicijn?

De zondvloed heeft kou veroorzaakt en schade aan de oogst, reden waarom aan mensen het eten van vlees toen in elk geval werd toegestaan, mensen die in vergelijking met latere generaties een veel langere levensverwachting hadden.

 

      Waarom heeft God later aan zwakkere generaties het vleeseten beperkt tot bepaalde soorten van dieren, zoals blijkt uit de wetten van Mozes? Omdat de mensen vrijpostig waren geworden en door de teugels van de wetten op het rechte pad moesten  worden gehouden. Met de komst van Christus en het Nieuwe Verbond behoefden de heidenen door de genade van God niet te voldoen aan de Joodse wetten; ze konden hun hoop vestigen op Gods liefde in plaats van allerlei materiële zaken. De Heer heeft de Joodse keuze van spijzen afgeschaft door te zeggen dat mensen niet door voedsel worden verontreinigd dat in de maag wordt gebracht en weer wordt uitgescheiden. Wanneer toezeggingen zijn ingelost houdt het onderpand op onderpand te zijn. Dat wil niet zeggen dat de Wet is afgeschaft, integendeel. De doop is in plaats van de besnijdenis gekomen, de Dag des Heren in plaats van de sabbat. Er zijn vele dagen toegevoegd aan de door Mozes vastgestelde vastenperiode. Biecht, huwelijks- en kledingregels en tonsuur, het zijn allemaal extra lasten. Geloof en Liefde maken het voor een Christen mogelijk dit alles blijmoedig te dragen. Anderzijds kunnen we om het Christendom te verbreiden heel veel quasi-belangrijke regelgeving schrappen.

 

      Daarom wordt paus Clemens opgeroepen liever de winst van het evangelie te oogsten dan de buitenstaander van de kerk te vervreemden door materiële regelgeving  zoals daar zijn aflaatbrieven, dispensaties en belastingen. Geen menselijke dienstbaarheid, maar de vrijheid van het evangelie moet de anderen worden voorgehouden.Daarbij moeten de twee machtigste vorsten, Frans en Karel, menselijk als ze zijn, hun conflicten staken en met elkaar in mildheid wedijveren.

 

      De volgende passage betreft de status van wetten van pausen, bisschoppen en concilies tegenover de absolute waarde van het evangelie. Hoe kan het gebeuren, dat besluiten van pausen ongedaan worden gemaakt en dat concilies worden verworpen? Hoe weten we of besluiten zijn gebaseerd op inspiratie met de Heilige Geest? Welke bevoegdheid is groter, die van het instellen van menselijke wetten of die van het uitleggen van goddelijke?  Wat maakt theologen en niet-theologen op dit terrein eigenlijk deskundig? In welke gevallen breekt nood wet? Wat moet je kiezen : van honger omkomen of diefstal plegen, sterven of echtbreuk plegen en daarmee je leven redden? Waarom antwoord je in het eerste geval 'diefstal plegen' en in het laatste geval 'sterven'? Kennelijk is niet alles wat God heeft voorgeschreven bindend, maar speelt de aard van de casus een rol. Zo mag men de sabbat schenden om een stad die gevaar loopt, te hulp te komen. Bovendien moeten we een onderscheid maken tussen bindende regels en adviezen en er rekening mee houden, dat adviezen kunnen worden ingekleed als bindende wetten met nota bene excommunicatie als straf.

 

      In het verlengde hiervan komt de status van een belofte ter sprake. Van belang is of die geoorloofd, rechtmatig en vrijwillig is. Is een huwelijksbelofte van een minderjarige dochter tegen de wil van haar ouders rechtmatig of niet? Is een heimelijke belofte van een getrouwde vrouw om zich te binden aan de orde van de heilige Clara rechtmatig of niet? Wanneer een jongen of meisje onder bedreigingen van de ouders en door kwalijke ingevingen van monniken in het klooster worden gedwongen, is zo'n belofte dan vrijwillig of niet? Conclusie is, dat ook op dit terrein de aard van de casus nauwkeurig moet worden bekeken.

 

      In wezen moet het goede uit de mens zelf voortkomen. Wie alleen maar vast omdat de Kerk het voorschrijft, voldoet niet aan de wet. Dat geldt evengoed voor iemand die zijn vader te hulp komt maar dat niet zou doen als de wet hem niet daartoe dwong. In dat verband kan ook de vraag gesteld worden wat het verschil is tussen het gezag van God en dat van de mensen. Van belang is, dat de mens door het vuur van de Geest tot alles bereid is en enthousiast doet wat voorgeschreven wordt.

 

      Daarbij moeten mensen oog hebben voor wat relevant is en wat niet. Wanneer de instellingen en het gezag van priesters wat aan gewicht verliezen, schieten we in de stress. Wanneer aan Gods gezag afbreuk wordt gedaan, slapen we gewoon door. Dat moet anders. Verder staat het lichamelijke hoger aangeschreven dan dat wat geestelijk is. Het doden van een mens wordt terecht als een zware misdaad gezien, maar de geest van de mens bederven met een dwaalleer geldt als kinderspel. Wee je gebeente als een monnik niet de bij zijn orde passende kleding draagt! Wanneer hij echter slempt, zingt en danst, heeft geen mens daar moeite mee. We moeten ophouden te zijn als Polythrescus die ,doodziek, weigerde eieren en melkproducten te eten. Artsen en zelfs de bisschop drongen erop aan dat wel te doen. Er werd een list bedacht : een mengsel van eieren en geitenmelk werd hem aangereikt onder het mom van amandelmelk. Hij dronk ervan, knapte weer op en hoorde toen van de ware toedracht waarop hij alles uitbraakte. Toen hij iemand geld schuldig was, wist hij zonder enige gewetensnood van niets, terwijl hij om wat melk buiten zichzelf raakte van wroeging.

 

E PLURIBUS UNUS

 

      Voordat we het einde van de dialoog in vertaling laten volgen, nog enkele afsluitende opmerkingen. We zien in dit stuk Erasmus ten voeten uit : de propagandist voor vrijheid in de gebondenheid aan wat Christus heeft geleerd. De humanist die trouw wil blijven aan het goddelijke en kerkelijke gezag, maar zinloze regelgeving verfoeit als de pest waarvoor hij keer op keer heeft moeten vluchten. De zelfstandige denker, die alles wat hem zou binden aan kerk of hof, afwijst, maar wel paus en koningen oproept tot mildheid en ware vroomheid in plaats van brute machtsuitoefening. De eenling die zich grondig in de standpunten van andere partijen verdiept, maar zelf geen partij kiest en ook  daarom door Luther een 'addertje' wordt genoemd. Zo zien we Erasmus boven velen van zijn collega-humanisten als unieke persoon uitstijgen.

 

HET SLOT VAN DE DIALOOG

 

Het vergeten gebedenboek

 

Z. Je zult horen, wat ik onlangs zelf heb gezien en waarbij ik niet alleen aanwezig ben geweest maar waarover ik bijna de regie had. Het ging om twee nonnen die hun verwanten gingen bezoeken.  Toen ze waren gearriveerd waar ze wilden, had een bediende per abuis een gebedenboek volgens de traditie van die orde en het klooster waar zij leefden, achtergelaten. Onsterfelijke God, wat gaf dat een consternatie! Ze durfden niet te eten zonder het uitspreken van de avondgebeden en konden het niet over zich verkrijgen die uit een ander gebedenboek te lezen dan hun eigen. Intussen wilde  het hele huis graag eten. Om kort te gaan : de bediende reed op een knol terug en bracht diep in de nacht het vergeten boek terug. De gebeden werden gezegd en we aten om bijna tien uur!

S. Tot zover heb ik niets gehoord wat erg afkeurenswaardig is.

Z. Logisch! Je hebt ook nog maar de helft van het verhaal gehoord.

Onder het eten begonnen de dames door de wijn in een jolige stemming te komen.

Uiteindelijk schaterden ze van het lachen, vertelden schuine moppen en maakten een hels lawaai. Niemand echter was uitgelatener dan zij die alleen maar wilden eten nadat de gebeden in de formulering van hun eigen orde waren gezegd. Na de maaltijd was het een en al spel, dans en zang om over de rest maar te zwijgen. Ik ben bepaald bang dat het er die nacht er niet erg kuis aan toegegaan is gezien de inleiding, de hete spelletjes, het gelonk en gekus.

S. Dat perverse gedrag reken ik niet eens zozeer de dames aan als de priesters die verantwoordelijk voor hen zijn.  Maar goed, ik zal je voor jouw verhaal  met één van mij betaald zetten; je zult er geen bezwaar tegen hebben wanneer ook ik je een ooggetuigenverslag  vertel. Vandaag de dag worden vrij wat mensen in het gevang geworpen omdat ze het gewaagd hebben op de dag des Heren brood te bakken, wanneer er geen brood was.  Ik persoonlijk veroordeel zoiets niet, verre van dat! Korte tijd later, op Palmzondag had ik toevallig een reden om naar een dorp in de naaste omgeving te gaan.  Daar maakte ik rond vier uur na het middagmaal een belachelijk - of moet ik zeggen : meelijwekkend ? - schouwspel mee. Geen Bacchanaal zou volgens mij stuitender geweest kunnen zijn.  Sommigen zwalkten door de wijn nu eens hierheen, dan weer daarheen, net zoals een schip zonder stuurman  door wind en golven wordt heen en weer geslingerd.  Anderen namen elkaar bij de arm en probeerden de ander overeind te houden, hoe wankel ze zelf ook op hun benen stonden.  Weer anderen vielen herhaaldelijk om met moeite weer op te staan. Sommigen waren met eikenloof bekranst.

Z.  Wijnranken hadden beter gepast met thyrsusstaven daarbij.

S. Een oude man die de rol van Sileen speelde werd door de anderen als een zak hoog op hun schouders gedragen zoals vroeger meestal lijken naar buiten werden gedragen, zijn voeten in de richting waarin ze liepen. Hij lag alleen wel op zijn buik om te voorkomen dat hij anders in zijn braaksel zou stikken. Telkens braakte hij vreselijk op de kuiten en hielen van de achterste dragers, van wie er geen nuchter was. De meesten moesten lachen , maar zo, dat je zou zeggen dat er een steekje aan los was.  De razernij van Bacchus had iedereen bevangen.  Zo gingen ze in optocht de stad in en dat nog wel bij klaarlichte dag.

Z. Waar kwam die waanzin dan vandaan?

S. In het dorp vlakbij wordt de wijn voor wat minder geld verkocht dan in de stad. Heel wat drinkebroers hadden zich daarheen begeven om voor minder geld meer uit hun dak te gaan. Ze hebben daar niet minder geld uitgegeven, maar zijn  er des te meer buiten zinnen van geraakt.  Als zij van een ei hadden geproefd zouden ze als na het begaan  van vadermoord in de kerker zijn geworpen.  Nu ze afgezien van het verzuimen van de preek en het weglaten van de avondgebeden, zich op een zo heilige dag in alle openlijkheid zo onmatig hebben gedragen, zag niemand daarin een reden tot straf of afkeuring.

Z. Daar hoef je je helemaal niet zo over te verwonderen. Midden in de steden wordt er in kroegen naast de kerk juist op feestdagen gezopen, gezongen, gedanst en gevochten met zoveel  herrie en tumult, dat noch de eredienst kan worden gehouden, noch de preek kan worden gehoord. Als diezelfde lui op hetzelfde ogenblik een schoen genaaid hadden of op vrijdag varkensvlees gegeten zouden hebben, zouden ze als halsmisdadigers zijn opgepakt. En toch is de dag des Heren juist hierom ingesteld om iedereen de gelegenheid te geven de evangelische boodschap te horen. Het maken van schoenen is daarom verboden  om in alle rust de geest op orde te kunnen brengen. Is dit niet een verbazende omkering bij de oordeelsvorming?

 

Het relatieve belang van het vasten

 

S.In het voorschrift van het vasten zelf zijn twee elementen te onderscheiden : ten eerste het  zich onthouden van voedsel, ten tweede de keuze  van voedsel. Iedereen weet, dat het eerste een goddelijk gebod is of daar zeker mee overeenkomt, dat het tweede echter niet alleen een menselijke oorsprong heeft, maar ook bijna in strijd is met de apostolische leer. Hoezeer we dit ook verhullen,  toch blijft hier het eten in het algemeen naar een onjuiste opvatting ongestraft, maar eten van voedsel dat door de mens verboden, maar door God en eveneens door de apostelen is toegestaan, is een doodzonde.  Hoewel niet vaststaat dat het vasten door de apostelen strikt is voorgeschreven, wordt het toch naar hun voorbeeld en brieven aanbevolen. Hoeveel redeneringen zijn nodig om het verbod van spijzen die God voor de mens geschapen heeft om zich met dank aan Hem daarmee te voeden, tegenover Paulus als rechter te verdedigen?  En toch wordt op de gehele wereld meer dan genoeg gegeten zonder dat iemand daar moeite mee heeft.  Als een zieke van een kippetje proeft, loopt dan de christelijke godsdienst gevaar?  In Engeland maken de mensen in veertigdagentijd om de andere dag een passende maaltijd klaar , zonder dat iemand zich daarover verwondert. Als iemand die heel hoge koorts heeft, het waagt een kippensoep aan te raken, lijkt hij op zijn minst een goddeloze daad te hebben begaan. Bij diezelfde Britten wordt in veertigdagentijd, wanneer niets bij christenen voor ouder en eerbiedwaardiger wordt gehouden dan juist dit vasten, ongestraft gegeten, zoals ik al heb verteld.  Als je datzelfde probeert op een vrijdag buiten vastentijd, zal niemand dat dulden.  Zo kun je vragen : waarom eigenlijk?  Ze zullen dan de gewoonte van het land aanvoeren. Ze verwensen degene die de gewoonte van een streek naast zich neerlegt, maar duiden het zichzelf niet euvel wanneer zij de oudste gewoonte van de gehele kerk veronachtzamen.

Z. Wie zonder reden de gewoonte van het land waarin hij leeft, negeert, verdient geen bijval.

S. Ik beschuldig hen ook niet die de veertigdagentijd met God en hun buik delen, maar wijs wel op de verkeerde oordeelsvorming over dit soort zaken.

Z. Wanneer we lezen dat de zondag met name daarvoor is ingesteld als een dag waarop het volk bijeen kan komen om de evangelische boodschap te horen, is diegene die de mis niet hoort, verfoeilijk, maar degene die de preek mist omdat hij liever wil voetballen, treft geen blaam

S. Wat voor een gruwelijke daad wordt het gevonden wanneer iemand de eucharistie met ongewassen handen aanneemt! Hoe weinig echter wordt er van angst gesidderd wanneer ze dat met ongewassen en door boze begeerten verontreinigd hart doen!

Z. Hoeveel priesters zijn er niet die liever dood willen dan het misoffer brengen met een kelk en een pateen die nog niet door de bisschop zijn gewijd of in hun dagelijks plunje! Maar hoevelen zien we niet onder hen die zo'n instelling hebben, dat ze  er geen enkel probleem mee hebben de heilige tafel te naderen terwijl ze nog beschonken zijn en een kater hebben van de vorige nacht!  Wat een gesidder en gebeef wanneer ze toevallig het lichaam van de Heer met dat gedeelte van hun hand hebben aangeraakt dat niet door de heilige olie is behandeld.  Waarom letten we er niet even nauwgezet op, dat geen onrein hart de Heer kwetst?

S. Wij raken het heilig vaatwerk niet aan en als het toevallig een keer gebeurd is, beschouwen we dat als een misdaad.  Hoe onbekommerd schenden we ondertussen de levende tempels van de Heilige Geest!

Z. Een menselijke regel verbiedt dat een buitenechtelijk kind, een kreupele of een eenogige wordt toegelaten tot de heilige handelingen.  Wat doen we hier moeilijk! Toch accepteren we ondertussen overal dommeriken, dobbelaars, dronkelappen, soldaten en moordenaars.  Ze zeggen : de ziekten van het hart zijn voor ons verborgen. Over de verborgen ziekten spreek ik niet,  wel over  die welke zich duidelijker manifesteren dan de gebreken van het lichaam.

S. Er zijn ook bisschoppen die  van hun functies niets anders op prijs stellen dan rekeningen en andere onbeduidende zaken. De taak van het preken, die de voornaamste waardigheid van de bisschop uitmaakt, laten ze aan anderen, hoe minderwaardig ook, over. Dat zouden ze helemaal niet doen als ze niet door een verkeerd oordeel zouden worden geleid.

Z. Wie een feestdag ontheiligt die  door een bisschop is ingesteld, wordt meegesleurd voor straf terwijl sommige vorsten die zoveel verordeningen van pausen en concilies en zoveel banbliksems dapper weerstaan, kanonieke verkiezingen verhinderen, de onschendbaarheden van geestelijken te niet doen en zelfs niet die huizen sparen  die met giften van vrome mensen ingericht zijn om ouderen, zieken en behoeftigen te verzorgen, zich voor voortreffelijke christenen houden als ze tekeer gaan tegen hen die op de meest onbeduidende terreinen hun plicht verzaken.

S. Het is maar beter die vorsten in hun sop te laten gaarkoken en over  vis en vlees te praten.

Z. Mee eens. Laten we  dan maar terugkomen op het vasten en de vissen.  Ik heb gehoord dat de wetten van de pausen een uitzondering maken voor met name jongens, grijsaards, zieken, invaliden, mensen met zwaar werk, zwangere en zogende vrouwen en mensen in zeer behoeftige omstandigheden.

S. Dat heb ik ook gehoord.

Z. Bovendien heb ik gehoord, dat een voortreffelijk theoloog, ik meen dat zijn naam Gerson is, dit eraan toevoegt, dat de geldigheid van een voorschrift evenzeer ophoudt te bestaan indien zich een geval voordoet van dezelfde aard als die welke door de wetten van de pausen met name worden uitgezonderd. Er zijn namelijk bepaalde gevallen van lichamelijke zwakte waarvoor het vasten gevaarlijker kan zijn dan een duidelijke ziekte. Er zijn gebreken en ziekten die niet zichtbaar zijn, maar in werkelijkheid meer risico in zich bergen. Daarom heeft iemand met zelfkennis het helemaal niet nodig een priester om raad te vragen, zoals kinderen geen priester raadplegen aangezien de situatie hen van de wet uitzondert. Degenen die kinderen, hoogbejaarden of anderszins invaliden dwingen tot vasten of het eten van vis, zondigen tweemaal. Allereerst tegen de broederlijke genegenheid en ten tweede tegen de opvatting van de pausen die niet willen dat zij onder de wet vallen die bij navolging hun dood zou betekenen. Wat Christus heeft ingesteld heeft hij gedaan om onze ziel en ons lichaam gezond te maken. Geen enkele paus eist zo grote macht voor zich op, dat hij door zijn besluit iemand in levensgevaar zou brengen. Indien iemand bijvoorbeeld zich door vasten in de avond slapeloosheid op de hals zou halen en vanwege die slapeloosheid buiten zinnen zou raken, dan zou hij zowel tegen de geest van de kerk en de wil van God in zelfmoordenaar zijn. Vorsten dreigen, zovaak als hun dat goed uitkomt, na het uitvaardigen van een wet met de doodstraf.  Wat hun geoorloofd is, daar ga ik niet over; wel zouden  ze er volgens mij veiliger aan doen de doodstraf niet toe te passen behalve in die gevallen die uitdrukkelijk in de Heilige Schrift staan vermeld. Waar het gaat om vergrijpen houdt de Heer ons zo ver mogelijk van de uiterste grens af, bijvoorbeeld van meineed door hoe dan ook te verbieden een eed af te leggen en van moord, door ons te verbieden boos te worden. Wij van onze kant  laten onszelf vanwege onze positie als mens  tot de uiterste grens van moord gaan, wat wij dan noodweer noemen. Sterker nog, zovaak als er sprake is van een goede reden, is het een blijk van liefde uit eigen beweging onze naaste tot datgene aan te sporen, wat de zwakheid van ons zwakke lichaam eist.  En als zich geen goede reden voordoet, dan nog is het een eis van christelijke liefde om welwillend uit te leggen wat met een oprecht hart gedaan kan worden, tenzij degene die eet, daarmee duidelijk blijk geeft van minachting voor de kerk. Degenen die halsstarrig en uit opstandigheid eten worden terecht door de wereldlijke overheid gestraft, maar wat iedereen thuis eet om zijn lichaam gezond te houden, dat is aan artsen ter beoordeling, niet aan magistraten. Maar indien sommigen uit slechtheid een tumult veroorzaken, moeten zijzelf worden beschuldigd van opstandigheid, niet degene die zonder een goddelijke of menselijke wet te overtreden voor zijn gezondheid heeft gezorgd. Op deze plaats gebruiken  we  geenszins het gezag der pausen als voorwendsel, van wie de menselijkheid zo groot is, dat zij, zodra ze een plausibele reden hebben ontdekt, uit eigen beweging uitnodigen tot datgene wat de gezondheid eist en ons met dispensatiedocumenten wapenen tegen de aantijgingen van mensen met kwalijke bedoelingen.  Tenslotte laten ze in heel Italië toe dat op bepaalde markten vlees wordt verkocht waarbij ze vanzelfsprekend de gezondheid van diegenen op het oog hebben die niet door die wet worden gebonden.  Ik heb zelfs minder farizeische theologen in vrome preken horen zeggen : "Er is geen reden dat jullie aarzelen op etenstijd een brood te nemen en een glas wijn of een pint bier vanwege de zwakheid van het menselijke lichaam". Wanneer ze zich zoveel gezag aanmatigen dat ze aan gezonde mensen in plaats van een volledige maaltijd een beperkte maaltijd toestaan, en dat nog wel tegen het voorschrift van de kerk die vasten heeft voorgeschreven, geen kleine maaltijd, waarom durven ze dan niet een passende maaltijd aan hen toe te staan wier zwakke gezondheid dit vereist? De pausen hebben toch uitdrukkelijk verklaard daar geen moeite mee te hebben? Noem het maar fanatisme wanneer iemand zijn eigen lichaam harder dan normaal behandelt, want iedereen kent zichzelf.  Maar waar is de vroomheid en liefde van hen die tegen de natuurwet, tegen de wet Gods en tegen de intentie van de pauselijke wet in, hun zwakke broeder, wiens geest gewillig, maar wiens vlees zwak is, de dood in jagen of treffen met een ziekte die nog erger is dan de dood?

 

Twee concrete gevallen betreffende  Eros [= Erasmus]

 

S. Jouw redenering roept iets in mij boven wat ik twee jaar geleden heb meegemaakt.  Je kent Eros wel, met zijn zestig jaar al een wat oudere man. [deze anecdote heeft op Erasmus zelf betrekking] Zijn gezondheid is brozer dan glas, dag in dag uit wordt hij door gruwelijke ziekten geplaagd en door de uiterst zware last van zijn studies zodanig gekweld, dat ze zelfs een Milo hadden kunnen vloeren. Bovendien  gruwt hij tengevolge van een verborgen natuurlijke aanleg van jongsaf aan  van het eten van vis. Hij kan niet tegen vasten en wanneer hij het probeerde liep hij altijd levensgevaar. Tenslotte wordt hij door pauselijke dispensaties voldoende beschermd tegen farizeische tongen.  Onlangs had hij op uitnodiging van zijn vrienden een bezoek gebracht aan Freiburg, een stad die zijn naam niet helemaal waarmaakt.  Het was veertigdagentijd. Hij besteedde enkele dagen aan contacten met zijn vrienden. Ondertussen voedde hij zich met vis om niemand voor het hoofd te stoten, hoewel hij een pauselijk document in zijn bezit had waardoor het hem was toegestaan zich met alles wat dan ook te voeden. Weldra voorvoelde hij een dreigende ziekte die hem weliswaar vertrouwd was, maar erger dan de dood. Hij trof voorbereidingen voor zijn vertrek dat dringend noodzakelijk was, wilde hij niet ter plekke ziek in bed terecht komen. Toen vermoedden sommigen dat hij daarom overhaast vertrok omdat hij het eten van vis niet verdroeg, en zorgden ervoor dat Glaucoplutus [ = Ulrich Zasius] , een hooggeleerd man en in dat land een echte autoriteit,  Eros bij zich thuis uitnodigde voor een ontbijt. Omdat Eros meer dan genoeg had van de mensenmenigte die hij in de herberg niet kon vermijden, stemde hij erin toe, maar op die voorwaarde dat er voor niets anders gezorgd zou worden dan twee eieren. Zodra hij deze staande zou hebben opgegeten, zou hij zijn paard weer bestijgen. Hem werd beloofd dat het zo zou gebeuren. Toen hij daar kwam stond er een kippetje klaar.  Eros maakte zich boos en raakte niets aan op de eieren na. Hij brak de maaltijd af en besteeg zijn paard onder begeleiding van enige geleerden.  De geur van de kip  bereikte op een of andere manier zijn tegenstanders. Door hen werd een wild gerucht verspreid als zouden tien mensen door vergif gedood zijn. Niet alleen deze stad gonsde van dit gerucht, maar het praatje  was bijna diezelfde dag nog naar andere steden overgewaaid over een afstand van drie dagreizen. En zoals nu eenmaal gebeurt had het gerucht ook de waarheid iets gegund. Eros had namelijk, als hij niet gevlucht zou zijn, voor de magistraat ontboden moeten worden. Weliswaar was dit volstrekt onjuist, maar waar was dat Glaucoplutus de magistraat op zijn aansporing  genoegdoening had gegeven. Wie had zich eraan moeten stoten wanneer Eros, zo ziekelijk  als ik heb verteld, zelfs in het openbaar vlees gegeten zou hebben? Toch wordt er in diezelfde stad de hele vastentijd  maar vooral op feestdagen, waanzinnig gedronken, geschreeuwd, gedanst en gevochten. Vlakbij de kerk wordt gedobbeld, zodat de vrome preek niet kan worden gehoord.  Het kan niemand een zier schelen.

Z. De wereld op zijn kop!

S. Het volgende verhaal lijkt er wel op.  Het is ongeveer twee jaar geleden, dat Eros om gezondheidsredenen Ferventia [Besancon of Porrentruy] bezocht.  Om hem een plezier te doen was ik zijn begeleider. Hij nam zijn intrek in het huis van een oude vriend die hem met talrijke brieven had uitgenodigd.  Hij is een zeer invloedrijk man en één van de meest vooraanstaanden van die kerk.  Weer was er vis. Weer begon Eros gevaar te lopen : er dreigde een lawine van ziekten, koorts, hoofdpijn, overgeven en nierstenen. Hoewel de gastheer zag dat zijn vriend groot risico liep, waagde hij het toch niet hem ook maar een hapje vlees te geven. Waarom eigenlijk? Hij zag zoveel redenen waarom het mocht, hij had de dispensatie gezien, maar vreesde het geroddel van de mensen.  En weldra was de ziekte zo ernstig geworden dat hij het voor niets zou hebben gegeven.

Z. Wat deed Eros? Ik ken zijn aard; liever zou hij doodgaan dan de ergernis van zijn vriend te wekken.

S. Hij sloot zich in de slaapkamer op en leefde drie dagen volgens eigen dieet. Zijn maaltijd bestond uit één  ei met een drankje van gekookt suikerwater. Zodra de koorts was gaan zakken, besteeg hij zijn paard met wat proviand bij zich.

Z. Wat was dat dan?

S. Amandelmelk in een flesje en gedroogde druiven in een zakje. Zodra hij naar huis was teruggekeerd, openbaarden de nierstenen zich en de hele maand lag hij in bed.  Toch volgde op dit vertrek een wild maar ijdel gerucht over het eten van vlees, dat zelfs Parijs bereikte, samen met een massa prachtige leugens. Wat vind je een passend geneesmiddel voor dergelijke ergernissen?

Z. Laat iedereen zijn po maar op hen uitgieten en als ze toevallig voorbijkomen laat iedereen dan maar met dichtgeknepen neus aan hen voorbij gaan. Misschien dat ze zo hun eigen onzin inzien.

S. Eigenlijk moest toch deze farizeische goddeloosheid toch steviger met schimpscheuten van theologen worden aangepakt. Wat is trouwens jouw oordeel over de gastheer?

Z. Hij maakt op mij de indruk van een verstandig man die weet wat voor een drama's het volk van tijd tot tijd maakt van  zulke onbenullige zaken.

S. Goed, laat dit maar heel verstandig gedaan zijn en laten wij de benauwdheid van de goede man maar positief uitleggen, maar hoevelen zijn er niet die, wanneer ze in een soortgelijke situatie hun broeder laten kreperen, de gewoonte van de kerk en het geroddel van het volk als voorwendsel gebruiken. Anderzijds laten ze zich totaal niet bangmaken door de praatjes van de massa, terwijl ze openlijk een liederlijk leven leiden met braspartijen, avontuurtjes, luxe, nietsdoen, volstrekte minachting voor de heilige studiën, roofpartijen, simonie en bedrog!

Z. Inderdaad, zulke mensen zijn er. Wat zij vroomheid noemen is een grenzeloze en goddeloze wreedheid. Maar zij komen op mij nog wreder over die een mens niet in een concrete situatie aan hun lot overlaten, maar door zelf gevaren als valstrikken te construeren velen overduidelijk zowel lichamelijk als geestelijk risico laten lopen, temeer daar ze zich op geen enkele publieke autoriteit baseren.

S. Ik ben benieuwd wat je gaat vertellen.

 

 Een derde casus : spartaanse praktijken op het Collège Montaigu

 

Z. Dertig jaar geleden leefde ik in Parijs in een college, dat zijn bijnaam aan azijn heeft ontleend [Erasmus zinspeelt hier op het Collège Montaigu met zijn spartaanse stijl].

S. Wat vertel je me daar?  Heeft een vishandelaar in dat zo ascetische college geleefd? Dan is het geen wonder dat hij zoveel grip heeft op theologische kwesties. Want ik hoor, dat daar zelfs de muren affiniteit met theologie hebben.

Z. Het is precies zo als je zegt. Toch heb ik daarvan niets overgehouden dan een door kwade sappen vergiftigd lichaam en een enorme hoeveelheid luizen. Maar om verder te gaan waar ik ben begonnen : op dat college zwaaide toen Johannes Standoneus [Jan Standonck uit Mechelen] de scepter, een man over wiens instelling je niets te klagen zou hebben gehad, maar des te meer over zijn inzicht. Dat hij zich immers zelf, denkend aan zijn jeugd die hij in de grootste armoede had doorgebracht, bekommerde om de armen, moet van harte worden toegejuicht. Voor zover hij de armoede van de jongens in die mate had verlicht dat hij hun middelen ter beschikking stelde voor een  fatsoenlijke studie zonder dat geld voor luxe over de balk werd gegooid, verdiende hij onze lof. Wanneer hij anderzijds de zaak aanpakte met zo'n hard bed, zo weinig en spartaans eten, zo zware nachtwaken en werkzaamheden, dat hij binnen het jaar tijdens de eerste exercitie veel jongelui met voortreffelijke aanleg en veel beloften voor de toekomst, deels prijsgaf aan de dood, deels aan blindheid, deels aan de waanzin, voor een gedeelte zelfs aan melaatsheid, van wie ik er vrij wat ken, ieder van hen liep absoluut risico - wie zou hier niet spreken van wreedheid jegens zijn naaste?  Hiermee niet tevreden voegde hij hun nog een habijt en een kap toe en verbood hun het eten van vlees. Dergelijke stekjes bracht hij over naar gebieden in den vreemde.  Maar als iedereen zo toegeeft aan zijn neigingen als hij heeft gedaan, dan zal het gebeuren  dat dit soort mensen de hele wereld in bezit gaat nemen aangezien de kloosters die nu pausen en vorsten angst aanjagen, vanuit een dergelijke oorsprong zijn ontstaan. Het is een uiting van vroomheid prat te gaan op het voordeel voor de naaste die zich weer inlaat met godsdienstigheid; roem zoeken in kleding of eten, is farizeisch.  De armoede van je naaste lenigen is vroomheid; er in voorzien dat de gulle gaven niet voor luxe worden misbruikt, is een kwestie van discipline. Je broer hiermee ziek en gek te maken of de dood in te jagen, is wreedheid, ja broedermoord. De bedoeling om te doden ontbreekt misschien, maar het is wel doodslag. Hoe hen te vergeven? Net zo als de arts die een zieke uit pure onwetendheid heeft laten doodgaan. Iemand zal zeggen : "Niemand dwingt hen om dit soort van leven te leiden, ze komen uit eigen beweging, vragen toegelaten te worden en het staat hun vrij weer weg te gaan als ze er genoeg van hebben". Wat een Scythisch antwoord! Eisen ze zo dat jongens beter doorzien wat hun past dan een geleerde, de op zijn terrein gepokt en gemazeld is en al op leeftijd? Zo kan zich iemand tegenover een wolf verontschuldigen die hij in uitgehongerde toestand met een lokaas  in zijn netten heeft gelokt. Maar kan zich degene die een uitgehongerd iemand ongezond of zelfs dodelijk voedsel voorzet, zo verontschuldigen wanneer deze doodgaat? "Niemand heeft je gedwongen te eten, willens en wetens heb je verorberd wat je was voorgezet".  Hij zou daarop toch terecht antwoorden : "Je hebt me geen voedsel gegeven, maar vergif" ?  Nood breekt wetten en honger is een erge kwelling.  Weg met die grote woorden : "Het ging om een vrije keuze".  Integendeel, wie zich van dergelijke martelpraktijken  bedient, past juist grof geweld toe. Die strengheid heeft niet alleen zwakke jongens te gronde gericht, maar  ook niet weinig zonen uit rijke milieus tot slachtoffer gemaakt en hun edele imborst bedorven. Jeugdige uitgelatenheid met orde en regelmaat binnen de perken houden, is vaderlijke plicht. Maar midden in de winterkou krijgen degenen die daarom vragen, een stukje brood; drinkwater moeten ze maar uit de put gaan halen die verontreinigd en anderszins ziekmakend water bevat, zelfs al was het alleen maar vanwege de kou in de ochtend. Ik ken velen die daar een ziekte hebben opgelopen waarvan ze zelfs vandaag niet kunnen genezen. Vrij veel slaapplaatsen waren laag op de grond, vlakbij vochtig gips op de muur en ongezond vanwege de nabijheid van de toiletten. Iedereen die hier heeft vertoefd heeft zich of de dood of een dodelijke ziekte op de hals gehaald. Ik praat maar niet van het verbazingwekkende beulswerk met de knoet, zelfs bij onschuldige jongens. Zo, zeggen ze, wordt onbehouwenheid afgeleerd. 'Onbehouwenheid' noemen ze de nobele aard die ze met opzet breken om hen geschikt te maken voor de kloosters. Hoeveel rotte eieren werden daar niet verorberd! Hoeveel bedorven wijn werd daar niet gedronken! Misschien zijn deze zaken ondertussen ongedaan gemaakt, maar te laat, zeker voor hen die eraan kapot zijn gegaan of zich in een ziek lichaam voortslepen. Ik maak hiervan echt geen melding omdat ik dat college een kwaad hart zou toedragen, maar ik vind het de moeite waard ervoor te waarschuwen dat niet onder het mom van godsdienst menselijke wreedheid de onervaren en kwetsbare jeugd bederft. Hoeveel beschaving of echte vroomheid daar wordt aangeleerd, wil ik nu voorlopig niet uitzoeken.  Indien ik echter zou zien dat zij die de kap omdoen hun slechtheid afleggen, zou ik iedereen tot de kap bekeren.  Nu gaat het om iets heel anders. Daarom mag men de harten van de opbloeiende jeugd niet breken met het oog op dit soort van leven, maar de ziel moet juist meer tot vroomheid worden gevormd. Nauwelijks is het me gelukt een Kartuizerklooster binnen te gaan of ik zie daar de een en de ander die ofwel eenvoudig van zijn verstand beroofd is of buiten zinnen is. Maar het is de hoogste tijd dat wij van onze zo lange uitweiding terugkeren naar het begin.

S. Integendeel, van deze uitweiding hebben we niet de minste schade geleden; we hebben de hoofdzaak zelf  aan de orde gesteld. Misschien schiet je nog iets te binnen, wat volgens jou toegevoegd moet worden aan wat al over menselijke instellingen besproken is.

 

De wezenlijke bedoeling van de wet

 

Z. Wie verzuimt te doen wat de wetgever op het oog had, maakt op mij althans niet de indruk de menselijke wet te vervullen. Wie zich namelijk op feestdagen alleen verre houdt van  vormen van handwerk, maar ondertussen geen tijd vrijmaakt voor de mis of de preek, die ontheiligt de feestdag, omdat hij juist dat

verzuimt te doen waarvoor de feestdag is ingesteld. Het goede werk wordt daarom verboden dat er iets beters kan gedaan worden. Wie echter voor kroegen, hoeren, dronkenschap. vechten en dobbelen tijd vrijmaakt, maar niet voor gewoon werk, ontheiligt de feestdag eens zo erg.

S. Volgens mij is ook het vaste aantal gebeden daarom aan priesters en monniken voorgeschreven, dat zij door deze oefening zich eraan zouden gewennen hun hart tot God te richten. Wie deze taak niet vervult, loopt gevaar. Wie alleen maar met zijn stem klanken mompelt en zich er niet om bekommert zijn geest te concentreren op datgene wat hij laat horen, sterker nog, zelfs niet de schriften wil leren kennen zonder welke de klanken die hij voortbrengt nuet begrepen kunnen worden, wordt voor een goed mens gehouden en heeft van zichzelf ook die indruk.

Z. Ik ken veel priesters die het een onvergeeflijke zonde vinden een deel van de gebeden over te slaan of per abuis te spreken over de goddelijke Maagd, wanneer hij had moeten spreken over de heilige Paulus.  Anderzijds vinden diezelfde mensen dobbelen, hoerenlopen en dronkenschap helemaal niet erg terwijl dit toch door goddelijke en menselijke wetten evenzeer verboden is.

S. Ik heb heel wat mensen aangetroffen die liever doodgegaan waren dan het misoffer te brengen na per ongeluk van voedsel geproefd te hebben of enkele waterdruppels in hun maag te hebben laten komen wanneer ze hun mond spoelen. Anderzijds  gaven diezelfde mensen aan, dat zij met bepaalde lieden in onmin leefden, die zij zelfs, als hun daartoe de gelegenheid gegeven werd, zouden ombrengen en ze hadden er toch geen enkel probleem mee met deze gezindheid aan te gaan aan de heilige tafel van Christus.

Z. Bovendien is het een menselijk voorschrift nuchter naar de mis te gaan, maar een voorschrift van God om zijn woede te laten varen voordat ze tot de heilige tafel komen.

S. Wat hebben we verder een totaal verkeerd oordeel over de meineed! Wie met een eed bekrachtigt dat hij zijn schuld heeft afbetaald, krijgt een slechte reputatie, wanneer er wordt bewezen, dat hij die schuld niet heeft betaald. Een priester echter die openlijk onkuis leeft, wordt niet geconfronteerd met de beschuldiging van meineed, terwijl hij toch in het openbaar met een eed kuisheid heeft beloofd.

Z. Waarom zing je dat liedje niet tegen de vicarissen van de bisschoppen, die voor het altaar zweren, dat zij iedereen die zij voorstellen om ingewijd te worden geschikt bevonden hebben qua leeftijd, kennis en zeden, terwijl er  onder hen vaak  nauwelijks twee of drie mee door kunnen en de meesten nauwelijks geschikt zijn voor de ploeg.

S. Wie om een of andere reden een valse eed heeft afgelegd, krijgt straf, maar wie bij elk derde woord dat hij spreekt een meineed doet, wordt niet gestraft.

Z. Zij zweren niet in ernst.

S. Met dezelfde redenering mag je dan iemand in bescherming nemen die een mens niet in ernst heeft gedood.  Een meineed plegen mag gewoon niet, noch voor de grap, noch in ernst.  Het zou nog een ergere misdaad zijn iemand voor de grap te doden dan uit woede.

Z. Wat als iemand de eed van vorsten, die ze bij hun inhuldiging afleggen, met dezelfde weegschaal weegt?

S. Hoewel die eden het meest serieus genomen worden , worden ze toch niet als meineed beschouwd, omdat ze om zo te zeggen uit gewoonte worden gedaan. Zo hoor je ook over beloften klagen.  De huwelijksbelofte is zonder twijfel een stuk goddelijk recht; toch wordt die gebroken door de belofte van het kloosterleven, die van mensen afkomstig is.

Z. Hoewel geen belofte heiliger is dan die van de doop, wordt toch hij die van habijt of klooster wisselt, opgespoord alsof hij zijn vader met vergif heeft gedood, hij wordt  meegesleurd, vastgebonden en soms zelfs gedood vanwege de eer van de orde.  Degenen wier hele leven op gespannen voet staat met de doopbelofte, aangezien zij geheel en al de mammon , hun buik en de weelde van deze wereld dienen , die worden gerespecteerd, hun wordt geen beschuldiging voor de voeten geworpen van het schenden van een belofte, er klinkt geen verwijt, ze worden geen afvalligen genoemd, maar voor echte christenen gehouden.

S. Op soortgelijke wijze wordt door het volk geoordeeld over goede en slechte daden en over de hulpmiddelen om het heil te verkrijgen.  Hoe grote schande volgt niet een meisje dat aan lager wal is geraakt!  Een veel zwaardere beschuldiging is passend bij een leugenachtige en lasterlijke tong en een hart dat door haat en afgunst is bedorven.   Waar wordt niet een diefstel, hoe gering ook, strenger gestraft dan echtbreuk?  Niemand gaat graag om met degene die ooit eens bezoedeld is door de smet van diefstal;  met degene die overal de smet vertoont van echtbreuk. is het mooi een goede relatie te hebben.  Aan een openbare beul die tegen betaling de wetten dient, zoals ook de rechter zelf,  zal niemand graag zijn dochter uithuwelijken, maar wij spreken niet onze afkeuring uit over een  verwantschap met een soldaat, die zich zovaak tegen de zin van zijn ouders en soms ook tegen het uitdrukkelijk bevel van de magistraat uit de voeten heeft gemaakt om huursoldaat te worden en die met zoveel schanddaden, roverijen, kerkvernielingen, moordpartijen en andere misdaden is bezoedeld die meestal worden begaan  ofwel in oorlogstijd zelf of bij het ten strijde trekken en bij de terugkomst uit de strijd. Zo iemand nemen we graag als schoonzoon aan, een dergelijk type dat nog erger is dan welke beul ook, wint de liefde van het meisje en wat door een misdaad is tot stand gebracht vatten we als voornaamheid op. Wie een geldstuk steelt, hangt, maar wie fraudeert met openbare middelen, die met monopolies, woekerwinsten, duizend en een trucjes en foefjes zoveel mensen besteelt, geldt als een notabele.

Z. Wie aan een enkeling  gif toedient wordt als gifmenger volgens de wet gestraft, maar wie met bedorven wijn of smerige olie een massa mensen ombrengt, gaat er ongestraft vandoor.

S. Ik ken een paar monniken die zo bijgelovig zijn dat ze menen dat zij in de macht van de duivel zijn wanneer ze alleen maar toevallig hun heilige gewaad niet kunnen dragen. Wanneer ze echter liegen, anderen belasteren, dronken zijn of afgunstig, zijn ze helemaal niet bang voor de klauwen van de duivel.

Z. Ook bij ons leken kunnen we heel wat van dat soort mensen vinden. Ze geloven niet dat hun huis gevrijwaard is van het geweld van de duivel wanneer ze niet gewijd water klaar hebben staan en gewijde takken en kaarsen. Anderzijds vrezen ze niet voor hun huis wanneer daarin dagelijks God op zoveel manieren wordt geprovoceerd en de duivel wordt vereerd.

 

Christus als uiteindelijke hulpbron

 

S. Hoe velen zijn er niet die meer vertrouwen stellen in de bescherming van de Maagd Maria of Christophorus, dan in die van Christus zelf. De Moeder vereren ze met beelden, kaarslicht en liederen; Christus beledigen ze door hun goddeloze manier van leven. Wanneer een zeeman gevaar loopt, roept hij eerder de moeder van Christus of Christophorus aan of wie dan ook van de heiligen, dan Christus zelf. Ze geloven dat ze de Maagd aan hun kant hebben omdat ze aan het eind van de nacht het ‘Salve Regina’ zingen, een lied waar ze niets van snappen. De vrees komt totaal niet bij hen op dat zij zou menen door dergelijke liederen bespot te worden terwijl de gehele dag en een groot deel van de nacht door hen wordt doorgebracht met liederlijke taal, dronkenschap en  zaken waarover ik maar liever zwijg.

Z. Zo schiet bij een soldaat die in gevaar komt eerder de naam van Georg of  Barbara te binnen dan die van Christus. Hoewel de heiligen geen verering meer op prijs stellen dan de navolging van de daden waarmee zijzelf Christus hebben behaagd, hebben wij voor dit aspect de grootste minachting. We geloven dat Antonius ons bijzonder ter wille zal zijn wanneer we hem een paar gewijde varkens vetmesten en wanneer we hemzelf met zijn varken, het vuur en zijn klokje schilderen op de deuren en muren van onze huizen. We zijn er niet bang voor - wat eigenlijk wel zou moeten - dat hij ons huis slechtgezind zou zijn waarin die zonden vrij spel hebben die de heilige man altijd heeft verfoeid.  Voor de Maagd tellen we rozekransen en weesgegroetjes op. Waarom doen we dat niet liever met het bedwingen van de trots van ons hart, het onderdrukken van begeerten en het vergeven van onrecht ter wille van haar? In dergelijke liederen schept de Moeder Gods behagen, met dergelijke inspanningen kun je je voor hen beide verdienstelijk maken.

S. Evenzo denkt iemand die door ziekte in levensgevaar verkeert eerder aan de heilige Rochus of Dionysius dan aan Christus, het enige heil voor de mensen. Jazelfs ook zij die de heilige Schriften vanaf de kansel uitleggen die niemand zonder inspiratie door de Geest goed kan begrijpen of met vrucht kan onderwijzen, willen liever de hulp van de maagdelijke Moeder inroepen dan die van Christus zelf of de geest van Christus. Wie durft te protesteren tegen deze zogenaamd lovenswaardige gewoonte, staat al gauw onder verdenking van ketterij. Meer lof verdient de gewoonte van de ouden die Origenes, Basilius, Chrysostomus, Cyprianus, Ambrosius, Hieronymus en Augustinus erop na hielden, die voortdurend de geest van Christus aanroepen, maar nooit de hulp van de Maagd inroepen. Men maakt zich zelfs niet boos over hen die een zo heilige gewoonte die teruggaat op de leer van zowel Christus als de apostelen en op de voorbeelden van de heilige vaders, hebben durven veranderen.

Z. Een soortgelijke vergissing begaan verscheidene monniken die ervan overtuigd zijn dat Benedictus hun welgezind is zolang ze maar zijn kap en mantel dragen. Overigens geloof ik niet dat deze man ooit een zo wijdvallend en kostbaar gewaad gedragen heeft. Ze zijn totaal niet beducht voor zijn woede omdat ze in hun leven niets met hem gemeen hebben.

S. Wie het asgrauwe gewaad en de ceintuur van hennep niet heeft afgelegd, is een broeder van Franciscus. Vergelijk hun leven : er is niets tegenstrijdigers.  Ik spreek over de meesten, niet over allen. Deze woorden zijn van toepassing op alle soorten van orden en geloftes. Uit verkeerde oordelen ontstaat een onjuist vertrouwen en daaruit weer verkeerde ergernissen.  Laat een Franciskaan maar naar voren komen met een lederen gordel om, wanneer hij bij toeval zijn eigen ceintuur is kwijtgeraakt, of een Augustijner monnik met een wollen ceintuur om, of  iemand die gegord zou moeten zijn, zonder gordel. Wat gruwelijk zou dat zijn! Wat voor een gevaar zou er bestaan dat vrouwen bij dit schouwspel een miskraam zouden krijgen!  Wat voor breuk in broederlijke liefde zou het gevolg zijn van dit soort onzin! Wat voor een bittere haat! Wat voor een hevige aantijgingen! Tegen deze dingen schreeuwt de Heer het in zijn evangelie uit en niet minder fanatiek de apostel Paulus. Ook theologen en predikers zouden hiertegen moeten protesteren.

Z. Dat zou zeker goed zijn, maar onder hen zijn er heel wat voor wie het goed uitkomt dat het volk zo is, sterker nog, dat de vorsten en de bisschoppen zo zijn.  Bovendien zijn er die op dit terrein niets wijzer zijn dan het volk, of, als ze verstandig zijn, het niet laten blijken omdat ze liever hun eigen buik ter wille zijn dan Jezus Christus. Zo komt het dat het volk dat in alle opzichten door slechte oordelen bedorven is, daar van goed vertrouwen is waar het gevaar voor de deur staat en daar in paniek is waar niets te vrezen is, daar gaat uitrusten vanwaar het zou moeten verdergaan en daarheen verdergaat vanwaar het zich zou moeten terugtrekken. Als je wat pogingen doet hen van deze slechte gewoontes af te brengen, roepen ze dat er een oproer wordt ontketend. Alsof het om een oproer zou gaan wanneer iemand een ziekelijke toestand van het lichaam die een onervaren arts lang op zijn beloop heeft gelaten en die bijna tot een tweede natuur is geworden, probeert weg te nemen met betere medicijnen. Maar laten we aan deze eindeloze klaagzang maar een einde maken. Het gevaar bestaat dat het volk, wanneer het van dit gesprek heeft gehoord, met een nieuw spreekwoord komt opdagen omdat een viskoopman en een slager zich hierover druk maken.

S. Dan zou ik hun het oude spreekwoord willen voorhouden : “ Vaak heeft ook de groentenman het helemaal bij het rechte eind”. Toen ik kort geleden deze zaken bij de maaltijd aan de orde stelde, was tot mijn ongeluk een luizige voddenbaal erbij met een gelig en verschrompeld lijkengezicht. Hij had nauwelijks drie haren op zijn schedel.  Zo vaak hij iets zei, sloot hij zijn ogen.  Ze zeiden, dat het een theoloog was. Hij noemde me een discipel van de Antichrist en mompelde nog heel wat andere dingen.

Z. Wat zei jij toen? Helemaal niets?

S. Ik wenste hem een kruimeltje gezond verstand toe in zijn zieke hersens, als hij tenminste nog hersens bezat.

Z. Ook dat verhaal zou ik graag nog van begin af aan willen horen.

S. Dat kan, wanneer je komende donderdag bij me komt eten. Je krijgt kalfsvlees voorgezet, in suiker gebakken, gehakt en zo zacht dat je het kunt opslurpen.

Z. Dat beloof ik op die voorwaarde dat je op vrijdag bij mij eet. Ik zal ervoor zorgen dat je inziet dat viskooplui niet altijd stinkende zoutevis eten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.