***











 

www.resantiquae.nl

filosofie, inleiding

File:Gnothi seauton.jpg




Gnoothi Seauton : Ken Jezelf

een  inleiding tot de filosofie van Grieken en Romeine

1. De bedoeling van filosoferen

1.a. Zin en nut

            Mensen zijn leergierige wezens. Dat komt goed uit, want een mens moet over veel kennis beschikken om zich te kunnen redden. Die kennis doen we op door ervaring en gestuurde leerprocessen, thuis en op school. Kennis die toepasbaar is, noemen we nuttig. Het belang van schoolvakken wordt wel eens afgemeten naar het nut, de bruikbaarheid. Een vak als geschiedenis staat daarom niet zo hoog op de prioriteitenlijst van ouders en leerlingen. Een vak als wiskunde weer wel; het is immers toepasbaar in praktijksituaties.

            Mensen zijn zingevende wezens. Ze hebben er behoefte aan hun bestaan zo in te vullen, dat het leven zin en betekenis krijgt. Maar wat is zin? Wat is eigenlijk een zinvol leven? Wat maakt een mens tevreden met zichzelf en zijn bestaan? Een welvaart die met toepasbare kennis is opgebouwd, hoeft niet per definitie tot welzijn te leiden. Integendeel, we kunnen doorschieten en in een toenemende zucht naar materie verzeild raken. Daarbij hebben we ergens het besef, dat we aan het echt belangrijke nauwelijks toekomen. Dat het biologische leven eindig is, dat er zoveel meningen bestaan, dat er meer is tussen hemel en aarde, het zijn noties die ons bestaan problematisch kunnen maken.  Kennis over het fundamentele is veel moeilijker te verwerven dan de toepasbare kennis die we eerder noemden. Toch is dat datgene waar de filosofie zich op richt : het streeft naar het verwerven van fundamentele kennis.

 

1.b. Fundamentele vragen

            Het gaat om vragen als :                     

 

Wat is tijd?

Wat is persoonlijkheid?

Wat is geluk?

Wat is schoonheid?

Wat is rechtvaardigheid?

Wat is de verhouding tussen bedoeling en resultaat?

Wat is de relatie tussen kennis en geluk?

Bestaat God?

            Het boeiende van deze vragen is, dat ze nooit door alle mensen op één manier zullen worden beantwoord. Zoveel hoofden, zoveel zinnen. De vraag, wat geluk is, leidt tot een discussie zonder eind. De deelnemers aan die discussie hebben of ontwikkelen ieder voor zich een meestal redelijk duidelijk beeld van wat geluk is of zou kunnen zijn. Ze kunnen hun visie met grote stelligheid presenteren, maar moeten er tegelijkertijd rekening mee houden dat anderen er anders, soms heel anders, over denken. En dat, terwijl het over heel wezenlijke dingen gaat. Dat is boeiend, maar ook verontrustend : we worden het niet eens.

 

Je zou bijna kunnen zeggen dat fundamentele vragen onderwerpen betreffen waar je het nu eenmaal niet met elkaar over eens wordt, maar die toch heel wezenlijk blijven.

 

Het gaat uiteindelijk om zelfkennis : Gnoothi seauton, ken jezelf! Ieder zoekt naar zijn eigen identiteit. Werd je vroeger die identiteit nog wel eens opgelegd door een dwingende opvoeding en omgeving, nu staan we er meer alleen voor : we moeten zelf antwoorden vinden op dit soort vragen. Er staan geen priesters, medicijnmannen, koningen, artsen, zangers, zieners en soortgelijke andere sleutelfiguren klaar om antwoorden te geven. Vader en moeder merken zelf hoe enorm moeilijk het is vragen van hun kinderen echt te beantwoorden.

 

            Zelf filosoferen is lastig. Het helpt als je iets weet van invullingen die in het verleden aan het fundamentele zijn gegeven. Wat we gaan doen is rustig te kijken naar vragen en antwoorden die in de klassieke oudheid gegeven zijn. Wie aan de Oudheid denkt , denkt in eerste instantie aan Grieken en Romeinen.  Grof gezegd zijn Romeinen pragmatisch ingestelde mensen die op toepasbare kennis uit zijn. Bij hen moeten we dus niet in de eerste plaats aankloppen. Wat de Grieken betreft : zij zijn de eersten geweest die het avontuurlijke pad van de wijsbegeerte zijn opgegaan, die eigenlijk de Westeuropese filosofie hebben gemaakt. Vele vragen die nog steeds gesteld worden, zijn door hen geformuleerd. Het stellen van vragen is misschien nog wel belangrijker dan het aandragen van verschillende oplossingen. Van die verschillende antwoorden zullen de Grieken zelf wel geschrokken zijn. Toch gaan ze onvermoeibaar op de ingeslagen weg verder : er ontstaan filosofische scholen die elkaar behoorlijk in de haren kunnen zitten. Tolerantie tegenover andersdenkenden doet zich bij  de Griekse filosofen niet voor. Grieken kickten op discussie, dus dat zat wel goed.

 

Discussievragen

 

1.     Probeer een omschrijving te geven van filosoferen

2.      Filosoferen heeft veel te maken met taalvaardigheid. Leg dit uit.

3.      Wat is het verschil tussen een formulering en een bewering?

4.      Filosoferen is interpreteren. Wat verstaan we daaronder?

5.      Geef een definitie van geluk.

6.      Betrek de termen nut, waarde en geluk op kunst, filosoferen en liefde.

 

 

 

 

1.c. Filosofie en religie

Wie aan Oudheid denkt, denkt pas in de tweede plaats aan Egypte, Babylonië, Assyrië en de andere rijken in het Nabije Oosten. In deze samenlevingen werden natuurlijk ook fundamentele vragen gesteld, maar deze werden vrijwel uitsluitend beantwoord in het kader van religie, van mythen en riten. Mythen zijn bij uitstek verhalen die over het onzegbare enige duidelijkheid kunnen geven. Daarom worden ze mondeling verteld, voortdurend aangepast en gebruikt in heel uiteenlopende situaties. Riten en symbolen zijn ook middelen om iets te zeggen over het onuitspreekbare.  De antwoorden die via mythen en riten werden gegeven , werden in deze samenlevingen als voldoende beschouwd. Er was geen reden om op eigen koers te gaan varen.

 

 

 

 

            Dat  iets dergelijks  bij de Grieken wel gebeurt wil niet zeggen, dat met de komst van de filosofie de religie verdwijnt. Integendeel, veel filosofen denken en spreken met een religieuze inslag [bv. door middel van mythen] en veel filosofie vult religie aan. Zelfs een materialist als Epicurus gaat uit van het bestaan van [materiële] goden. Echte atheïsten zijn op de vingers van één hand te tellen.

 

 

 

 

Anderzijds heeft de filosofie een heel apart karakter : de denkende mens gaat zijn gang en stoort zich niet aan conventies.

 

 

 

 

Dat revolutionaire is heel typerend voor de tijd na 600 v.C. De eerste vraag die dan wordt opgeworpen is :  op welke ene oerstof is alles gebaseerd?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Discussievragen :

 

 

 

 

1.      Wat is het verschil tussen religie, godsdienst en levensovertuiging?

2.      Wat verstaan we onder een ideologie?

 

 

 

 

2.            Soorten van filosofie

 

 

 

 

2.a. Ethiek

 

 

 

 

            Mensen maken voortdurend keuzes. Weten we ook hoe en of we de goede keuzes maken? Kunnen we een prognose maken van het resultaat van ons handelen? Bij het opvoeden van kinderen merk je dat je bedoelingen soms haaks kunnen staan op je uiteindelijke resultaat. Wat wilde je dan eigenlijk bereiken? Geluk? Evenwicht? Vrijheid? Veiligheid? Soms is het al heel lastig contouren te geven aan wat je wilt. Het maken van uiteindelijke keuzes is wel gebaat bij het beantwoorden van de vraag : Wat wil ik nu eigenlijk? De ethiek houdt zich bezig met het menselijke handelen en de bedoeling daarvan. Het is een heel praktijkgericht onderdeel van filosofie.

 

 

 

 

Discussievragen :

 

 

 

 

1.      Wat is egoisme?

2.      Wat is altruïsme?

3.      Is geven altruïstisch?

4.      Geef een voorbeeld van een ethisch dilemma.

5.      Geef een grondregel voor ‘mensenrecht’.

6.      Wat is burgerlijke ongehoorzaamheid?

7.      Noem een beleefdheidsregel die je zinvol vindt.

8.      Zijn normen objectief of subjectief?

9.      Liggen normen vast?

10. Welke morele regels zullen alle mensen op aarde wel kunnen beamen?

11. Heiligt het doel de middelen?

12. Heb je het recht om een wet die je immoreel vindt, niet te gehoorzamen?

13. Heb je de plicht om zo’n wet niet te gehoorzamen ?

 

 

 

 

2.b. Fysica

 

 

 

 

            Mensen gebruiken hun zintuigen om de wereld om hen heen te leren kennen. Wanneer onze zintuigen het laten afweten, beschikken  we over apparatuur die allerlei raadsels ontsluiert. Onze kennis van de zintuiglijk-waarneembare wereld is kolossaal.

 

 

 

 

2.c. Metafysica

 

 

 

 

            Dat ligt volkomen anders bij de wereld die achter het zichtbare ligt. Veel wijsgeren gaan er vanuit dat zintuiglijke kennis tijdelijk en bedrieglijk is [want gericht op een veranderlijke wereld] en dat echte kennis via het denken kan worden verkregen. Die echte kennis heeft te maken met de bovenzintuiglijke metafysische wereld die onveranderlijk is, ongeworden en onvergankelijk.  Het is de wereld waar ook binnen religies een centrale plaats aan gegeven wordt.

 

 

 

 

2.d. Kennisleer

 

 

 

 

1.      Stemt het zintuigelijk waarneembare overeen met wat er in de werkelijkheid is?

2.      Kun je alleen maar zintuigelijk waarneembare  zaken kennen?

3.      Kunnen zintuigelijke waarnemeningen de indruk geven dat er iets anders is dan er in werkelijkheid bestaat?

4.      Ervaren mensen alleen zintuigelijk?

5.      Bestaat er in de werkelijkheid meer dan we via onze zintuigen kunnen waarnemen?

6.      Kan men het werkelijke onderscheiden van het niet-werkelijke?

7.      Valt werkelijkheid samen met materie?

8.      Wat is een definitie?

9.      Kan de waarneming beïnvloed worden door wensen, verwachtingen e.d.?

10. Bestaat waarheid als een gegeven feit?

11. Kun je een theorie die goed voldoet alleen om die reden waar noemen?

12. Wat is ethisch-waar gedrag?

13. Als een scepticus zegt : “Betrouwbare kennis is onmogelijk”, moet hij dan niet consequent zijn en aan deze uitspraak twijfelen?

14. Bestaat datgene wat een mens kent ook werkelijk?

15. Wat is het doel van verschillende vormen van leren?

16. Maakt het uit wie de leerdoelen stelt?

17. Kies tien schoolvakken en orden ze. Om welke redenen heb je ze juist zo geordend?

18. Wat is het verschil tussen a priori- en a posteriori-kennis?

 

 

 

 

2.e. Logica

 

 

 

 

1.      Wat is een symbool?

2.      Wat is het verschil tussen een oordeel en een vooroordeel?

3.      Hoe komt een oordeel tot stand?

4.      Wat is generaliseren?

5.      Wat is specificeren?

6.      Wat is inductie?

7.      Wat is deductie ?

8.      Wat isanalyse?

9.      Wat is synthese?

10.  “Ieder mens is een filosoof”, is dit een analytische of een synthetische bewering?

11. Op de markt hangt bij een lap bont een bordje met “Echte imitatie”. Geef je mening hierover.

 

 

 

 

 

 

3.              De Voorsocratici

 

 

 

 

Het ontstaan van de vroeg-Griekse   filosofie wordt doorgaans

in verband gebracht met het tijdperk van de grote kolonisatie

(750-550 vóór Chr.). Vanuit de 'moedersteden' op het Griekse

             vasteland beproeven ondernemende geesten hun geluk overal in

             het Middellandse Zeegebied en tot in de uithoeken van de

             Zwarte Zee.Aan de kusten daarvan stichten zij nieuwe woonplaatsen en

             richten er handelsposten in. De kennismaking met onbekende

             gebieden en culturen stimuleert hun denken over de

             leefomgeving van de mens.

 

 

 

 

             We kunnen twee grote stromingen in die vroege ontwikkeling

             onderscheiden. De filosofen van het Ionische gebied zoeken de

             bestaansgrond van mens en wereld in de krachten van de

             natuur. Zij worden daarom natuurfilosofen genoemd. De

             filosofische 'scholen', de Pythagoraeërs en de Eleaten in

             Zuid-Italië, en enkele andere denkers zoeken die

             bestaansgrond daarentegen in goddelijke, niet-lichamelijke

             krachten.

 

 

 

 

    3.1.  de Milesische filosofen

 

 

 

 

             De Ionische filosofie is hoofdzakelijk bekend van haar

             kosmogonie: de leer van het ontstaan (en van de werking) van

             de wereld om ons heen. De Ionische filosofen gaan ervan uit

             dat alle leven ontstaan is uit één enkele stof, de oergrond

             (archè). Als zij deze stof 'goddelijk' noemen, wordt daarmee

             niet méér bedoeld dan dat die stof levend en onvergankelijk

             is. Geest en materie zijn in hun zienswijze nog niet van

             elkaar gescheiden. Een dergelijke manier van denken noemt men

             hylozoïsme (van  hylè 'materie'  en  zooè 'leven').

 

 

 

 

             De Ionische natuurfilosofen willen de werking van het heelal

             verklaren aan de hand van verschijnselen (fainomena) die zich

             door samenkomst of uiteenvallen van elementen die elkaars

             tegengestelden zijn, voordoen. Warmte verkeert in voortdurend

             conflict met koude, vocht met droogte. Het mechanisme achter

             deze tegengestelde krachten wordt in evenwicht gehouden door

             'orde' (Dikè).

 

 File:Map of Lydia ancient times-nl.svg

 

 

                          

 

 

 

 

             In de Ionische stad Milete hebben drie natuurfilosofen

             geleefd en hun gedachten hierover geformuleerd. Thales

             ( ca.624-546 vóór Chr.) ziet als oergrond het vochtige

             (to hygron). Anaximander ( ca.610-546 vóór Chr.)

             is de eerste Griekse filosoof die een prozageschrift

             samenstelt met de titel 'Over de natuur' (Peri fyseoos); voor

             hem is het onbepaalde (to apeiron) oorsprong van alles.

             Anaximenes (ca.585-528 vóór Chr.) beschouwt,

             eveneens in een geschrift 'Over de natuur', lucht (aèr) als

             de oergrond: verschijnselen treden op door een proces van

             'verdunning' of 'verdichting'. Alle drie Milesiërs zijn voor

             hun tijd vooruitstrevende denkers: zij gaan uit van hun eigen

             denken en niet langer van een wereldbeeld dat door de Griekse

             mythologie is bepaald.

 

 

 

 

Standpunten :

 Illustrerad Verldshistoria band I Ill 107.jpg

 

 

 

Thales van Milete [geciteerd door Aristoteles] :

 

 

 

-          de aarde rust op het water

-          de oerstof is water

-          alles is vol goden

 

 

 

 

Anaximander :

 

 

 

 

-          de oerstof is het Onbepaalde dat eeuwig, onveranderlijk en goddelijk is

-          uit het Onbepaalde ontstaat een oneindig aantal werelden

-          dit ontstaansproces gebeurt door het opkomen van tegengestelden, nl. warm/koud en droog/vochtig

-          tussen de tegengestelden heerst een evenwicht door de Gerechtigheid die een van de tegengestelden voor zijn onrecht naar de orde van de tijd boeten doet.

-          wanneer de tegengestelden zich afscheiden uit het Onbepaalde komt de aarde als het droge in het midden te staan; het vuur verzamelt zich daaromheen in de vorm van een reusachtige bol, aan zijn binnenzijde met mist afgezet. De vuurbol springt aan stukken tot een aantal vuurringen, elk omgeven door een luchthuls. Deze heeft aan de binnenzijde een opening waardoor het vuur voor de waarnemer op aarde zichtbaar wordt. Deze openingen zijn de zon, de maan en de sterren.

-          De aarde heeft de vorm van een zuiltrommel

-          De warmte van de vuurringen doet de aarde geleidelijk aan opdrogen. De dampen worden tot wolken. Wanneer winden in wolken raken opgepropt ontstaan bliksem en donder.

-          Het leven ontstaat op de vochtige aarde wanneer deze door de zon wordt verwarmd

-          De vissen zijn de oorspronkelijke levensvorm

-          Mensen zijn uit vissen voortgekomen

 

 

 

 

Anaximenes van Milete

 

 

 

 

-          de oerstof is lucht

-          deze lucht is eeuwig, goddelijk en oneindig

-          voor de wereld is de lucht wat de adem of ziel voor de mens is

-          dingen ontstaan door verdichting en verdunning van lucht

-          de aarde drijft op lucht als een  blad in de wind

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  3.2  de Pythagoreërs

 Pythagoras, Romeinse kopie naar een Grieks origineel, Musei Capitolini

 

 

 

             Van Pythagoras (ca.571-497 vóór Chr.) is nagenoeg

             niets bekend. We weten alleen dat hij vanuit het eiland Samos

             naar Kroton in Zuid-Italië is geëmigreerd. Leerlingen van hem

             hebben later hun eigen stellingen hem in de mond gelegd,

             daaraan de mededeling toevoegend autos efa  'de meester heeft

             het zelf beweerd'. Het pythagoraeïsme is doortrokken van

             elementen uit de Orpheuscultus. Deze legt de nadruk op een

             strenge levenswijze van onthouding (askese). De

             Pythagoraeërs waren de eersten die in de westerse wereld het

             vegetarisme predikten.

 

 

 

 

             Met de Pythagoraeërs gaat het Griekse denken zich bezighouden

             met de scheiding van lichaam en ziel. De ziel zou iets

             goddelijks hebben, terwijl zij zelf gevangen wordt gehouden

             in het menselijk lichaam. Het levensdoel moet worden gevonden

             in de bevrijding van de ziel uit dat knellende omhulsel. Die

             bevrijding kan slechts plaatsvinden door purificatie,

             reiniging gedurende een lange cyclus van opeenvolgende

             levens: het menselijk bestaan is gebaseerd op het principe

             van de zielsverhuizing.

 

 

 

 

             Als oergrond zien de Pythagoraeërs het getal. Wat de

             menselijke ziel goddelijk maakt, is het verstand of de rede

             (logos). De rede kan alleen functioneren te midden van

             ordening. Alles wat orde heeft, heeft mathematische

             grondslag. Andersom betoogd: wat getalsmatig te benaderen is,

             heeft werkelijkheidswaarde. Uiteindelijk is vorm voor de

             Pythagoraeërs iets goeds ('mannelijk'), materie is

             daarentegen iets slechts ('vrouwelijk').

 

 

 

 

Standpunten :

 

 

 

 

Pythagoras van Samos

 

 

 

 

-          de ziel is aan de goden verwant en van nature onsterfelijk

-          de ziel verschijnt in verschillende waarneembare vormen [zielsverhuizing]

-          tijdens een tocht van 3000 jaar gaat de ziel van mens over naar land-, zee- en luchtdieren en komt uiteindelijk weer terug in de mens

-          muziek kan de ziel zuiveren zoals de geneeskunde het lichaam

-          alles is getal

-          de intervallen van de toonladder berusten op eenvoudige getalsverhoudingen, bv. octaaf

2 : 1, kwint 3 : 2 en kwart 4 : 3.

-          centrum van de wereld is het Vuur

-          hieromheen draaien de tien hemellichamen : Aarde, Tegenaarde, Maan, Zon, Mercurius, Venus, Mars, Jupiter, Saturnus en de hemel van de vaste sterren.

-    de hemellichamen veroorzaken door hun grote snelheid klanken die naar gelang van hun afstand tot het centrum verschillen : de harmonie der sferen.

 

 

 

 

             3.3  Herakleitos

 Heraclitus geschilderd door Johannes Moreelse

 

 

 

             Evenals de Milesische natuurfilosofen gaat Herakleitos

              van Ephesos, (bloeitijd ca.500 vóór Chr.) uit van

             tegengestelde krachten die de basis zijn van de

             verschijnselen. Nieuw is echter het dynamisch principe van

             voortdurende verandering en 'conflict'. Terwijl de

             Pythagoraeërs naar het onveranderlijke zoeken, poneert

             Herakleitos de onophoudelijke beweging. Beroemd is zijn

             uitspraak panta rhei kai ouden menei, 'alles is in beweging en

             niets is blijvend'.

 

 

 

 

             Volgens Herakleitos wordt chaos vermeden, doordat berekening

             of rede (logos) alles bestuurt. Als de mens zich openstelt

             hiervoor, kan hij de beweging begrijpen. Beweging wordt door

             hem vergeleken met het vuur (pur): dit verandert alles en

             laat alles terugkeren in de oorspronkelijke gedaante.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Standpunten :

 

 

 

 

Herakleitos van Efese

 

 

 

 

-          de Logos bepaalt en verklaart alles

-          de tegengestelden zijn één

-          iedere realiteit is een samenstelling van tegengestelden

-        wat strijdig is stemt met zichzelf overeen : tegenspannende ineengevoegdheid als van boog en lier

-          weg naar omhoog en omlaag één en dezelfde

-          onsterfelijken zijn sterfelijk, sterfelijken onsterfelijk, levend hun dood, dood zijnde hun leven.

-          levend en dood is hetzelfde, slapend en wakend, jong en oud : het eerste is na verandering het tweede en het tweede na verandering het eerste

-          oorlog is de vader van allen [polemos pater pantoon]

-          in dezelfde stroom dalen wij af en dalen wij niet af : we zijn en we zijn  niet.

-          alles vervloeit als een stroom

-          de zee : het zuiverste en het meest bezoedelde water, voor vissen drinkbaar en heilzaam, voor mensen ondrinkbaar en verderfelijk.

-     de ziel is vuur

 

 

 

 

        de Eleaten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Xenophanes van Colophon

 

 

 

 

-          er is één god, de grootste onder goden en mensen, in lichaam noch geest aan de sterfelijken gelijk

-          god ziet geheel, vat geheel, hoort geheel

-          god is onveranderlijk en onbeweeglijk

-          iedere dag ontstaat een nieuwe zon en maandag

-          de aarde strekt zich onder onze voeten tot in het oneindige uit

-          aarde wordt tot modder en dan tot zee; zee wordt tot modder en dan tot aarde.

 

-           

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             De belangrijkste vertegenwoordiger van de Eleatische school,

             genoemd naar de stad Elea in Zuid-Italië, is Parmenides

             (bloeitijd ca.490 vóór Chr.). Hij is de opvolger

             van Xenophanes  van Kolophon die de godenwereld en

             mythologie streng bekritiseert. Met Parmenides begint het

             logisch denken (=redeneren). Hij redeneert als volgt: het

             Zijnde (to on) is werkelijk, omdat wat niet is nooit het

             zijnde kan worden; we kunnen niet denken over wat niet is,

             dus wat wij denken heeft werkelijkheidswaarde.

 

 

 

 

             In de visie van Parmenides is verder het Zijnde één,

             onveranderlijk en ondeelbaar. Dit noemen we het monistische

             (monos, 'alleen' of 'één') principe. Alle verandering is

             schijn (doxa); het Zijnde komt niet tot stand en is

             onvergankelijk. Omdat alleen het Zijnde werkelijk bestaat, is

             er geen leegte. Het Zijnde heeft volgens hem een vaste

             bolvorm.

 

 

 

 

       de pluralisten

 

 

 

 

             De logika van het onveranderlijk Zijnde geeft geen verklaring

             voor het verschijnsel beweging. De zogeheten pluralisten

             hebben dit probleem willen oplossen door het bestaan aan te

             nemen van ontelbaar vele, maar onveranderlijke en ondeelbare

             elementen. Empedokles  uit Akragas, (ca.484-424

             vóór Chr.) gaat uit van de oerelementen vuur, lucht, water en

             aarde die in beweging worden gezet door de aan elkaar

             tegengestelde krachten 'liefde' ('Afroditè) en 'haat'

             ('Arès). In een op- en neergaande cyclus komt één van beiden

             aan de macht en vindt er vermenging, respectievelijk

             scheiding van de elementen plaats.

 

 Anaxagoras Lebiedzki Rahl.jpg

 

 

             Anaxagoras uit Klazomenai, (ca.500-428 vóór Chr.,

             werkzaam in Athene) stelt dat ieder verschijnsel deelbaar

             (=reduceerbaar) is in elementen die identiek zijn aan het

             grote geheel: hoezeer wij ook een kiezelsteen opdelen, deze

             zal steeds uiteenvallen in porties die dezelfde eigenschappen

             vertonen als de oorspronkelijke kiezel. Het deel is als het

             geheel. Beweging wordt teweeggebracht door de geest (nous)

             die een onafhankelijke kracht van buitenaf is. Deze is zuiver

             en onvermengd en heeft geen contact met de elementen.

 File:Democritus2.jpg

 

 

 

             Deze denkwijzen resulteren in de atomistische theorie van

             Demokritos van Abdera, (ca.460-371 vóór Chr.). In

             werkelijkheid bestaan alleen de atomen (atoma) en de leegte:

             alles is herleidbaar tot ondeelbare deeltjes van

             verschillende grootte en vorm die voortdurend in beweging

             zijn. Als er beweging is, moet er leegte zijn. Beweging heeft

             geen oorzaak, bestaat gewoon. Perceptie (waarneming) vindt

             plaats juist door beweging.

 5. de sofisten

De impasse in het wijsgerig denken ('hoe moeten we verandering en onze waarneming daarvan verklaren?') krijgt een reactie in de stroming van de sofisten  in de tweede helft van de vijfde eeuw vóór Chr, een groep geleerden die het culturele centrum van de Griekse wereld verplaatsen van Zuid-Italië naar Athene.Zij laten elke  poging objectieve kennis te vergaren schieten en werpen zich op het subjectieve denken. Dit leidt tot een van persoon tot persoon verschillende ethiek en de ontkenning van algemeen geldende normen, zoals waarheid en rechtvaardigheid. Deze ommekeer wordt bevorderd door  een maatschappelijke behoefte: de mensen willen meer en meer  persoonlijk succes beleven in de politieke praktijk. De

sofisten, ‘vakkundigen’, rondtrekkende leermeesters in de retorika, voorzien  direct in die behoefte. Zij geven stoomcursussen in het voeren van een goed debat, waarbij zij erop uit zijn aan beweringen een grote overredingskracht mee te geven. Hun optreden ontaardt vaak in een kunstig woorden- of begrippenspel. Omdat ze zich bovendien duur laten betalen voor hun onderricht verwijten Plato en Aristoteles hun veelweterij en handel in schijnkennis. 

 

 

Een tweede factor die in verband is te brengen met hun optreden is de algemene twijfel aan de resultaten van de filosofie als wetenschap. Is de ons omringende wereld van nature (fusei) zoals wij haar ervaren, of functioneert zij volgens afspraak, conventie (nomooi)? De sofisten

kiezen voor de tweede zienswijze en houden hun publiek voor dat door welsprekendheid het recht van de sterkste kan gelden.

 

 

 

 

De belangrijkste vertegenwoordigers van het sofisme zijn  Protagoras uit Abdera, (ca.483-414 vóór Chr.) en Gorgias  uit Leontini, (bloeitijd 444 vóór Chr.). Van de eerste stamt de beroemde stelling (de zgn 'homo-mensura-regel'): de mens is de maat van alle dingen, van het Zijnde wat is, van het niet-Zijnde wat niet is. Over de goden heeft hij het volgende standpunt : Ik weet niet of goden wel of niet bestaan; de kortheid van het mensenleven en de onduidelijkheid van de zaak verhinderen mij tot kennis hierover te komen.

Gorgias maakt bij zijn aankomst in Athene in 426 vóór Chr. -hij is lid van een gezantschap - grote indruk op zijn publiek  in de Atheense volksvergadering. Zijn stijl van spreken

(streng symmetrisch, ritmisch en vaak rijmend) laat diepe sporen achter in de Attische retorika. De theorie spreekt lange tijd na zijn dood nog van Gorgiaanse stijlfiguren. Voor Gorgias is de welsprekendheid de koningin van alle vaardigheden. Hij is zich ervan bewust dat manipuleren met taal bedrog kan inhouden; volgens hem is dat in het belang van een goede zaak gerechtvaardigd. Als derde sofist noemen we hier Prodikos van Keos [* ca 460 v.C.] volgens wie de dingen als zodanig niet goed of slecht zijn, maar dat worden door het gebruik dat de mens ervan maakt. Als rationalist geeft hij voor het geloof in goden de volgende verklaring : primitieve mensen gingen alle dingen die voor hen nuttig waren als goden vereren.

 

 

 

 

Discussievragen :

1.   De sofisten zagen het als een uitdaging om het zwakkere argument tot het sterkere te maken. Vaak wordt een argument als zwak ervaren omdat het niet past bij de trend van de tijd. Probeer bij het thema “Mobiliteit is fun” een aantal tot nu toe onderbelichte argumenten  eens te overbelichten.

2.Sofisten gaan ervan uit dat datgene goed is wat werkt. Probeer argumenten tegen deze stelling te bedenken.

3.Ethiek en reclame hangen onverbrekelijk met elkaar samen. Reclame beinvloedt het menselijk gedrag. Wat is daar op tegen?

 

 

 

 

 

6.          Sokrates en Plato

Sokrates

Buste van Socrates in het Louvre in Parijs, Romeinse kopie uit de 1e eeuw n.Chr. van een Grieks origineel in brons.
 Alles wat wij over Sokrates ( 469-399 vóór Chr.)weten is zijdelings overgeleverd door de geschiedschrijver Xenophon en zijn leerling-filosoof Plato (in de zgn. vroege,'Sokratische' dialogen). Als filosoof propageert Sokrates geen wetenschappelijk systeem, maar een methode.  Zelfstandigheid van de rede (autarkeia) moet tot vorming van  ware kennis (epistèmè) leiden. Hiertoe acht hij het gesprek,   in de vorm van een dialoog, het meest geschikt.

 

 

 

 

             Ware kennis denkt Sokrates te bereiken door twee zaken:

             ironie (eirooneia) en maieutiek (maieutikè technè). Onder het  eerste verstaat hij het blootleggen van de ontoereikende   kennis van de gesprekspartner door het stellen van vragen;  onder het tweede het door het stellen van vragen zich bewust  maken van de kennis die de ander in zich heeft. Deze methode  noemt hij zelf 'geestelijke verloskunst'.

 

 

 

 

            Ware kennis wordt gevormd door de juiste begrippen (ta  eidè)  Deze verkrijgen we door inductie: een reeks eensluidende  voorbeelden moet leiden tot een definitie. Een algemene   stelling wordt dan weer door middel van toepassing getoetst  aan bijzondere voorbeelden, d.w.z. deductie.

 

 

 

 

             Een voorbeeld: iemand uit een warm land heeft nog nooit van   zijn leven sneeuw gezien en slechts op school erover horen    vertellen ('wit', 'vochtig', 'glad', 'heeft vaste vorm',    'dwarrelt neer', 'tamelijk koud', 'je maakt er 'sneeuwpoppen'   van', 'smelt na geruime tijd', enz.). Door zich de diverse  kenmerken van sneeuw in te prenten kan hij zich een   voorstelling maken (induceren) van het begrip sneeuw. Het lot   brengt hem naar Nederland, waar hij een witte Kerst meemaakt. Uit de diverse kenmerken, nu aan den lijve voelbaar, kan hij opmaken (deduceren) dat het hier niet anders kan gaan dan om 'sneeuw', een fenomeen dat hij nog nooit heeft meegemaakt.

 

 

 

 

          Begripsvorming wordt door Sokrates met name gehanteerd op het     gebied van de ethiek. Doel van alle menselijk handelen is het  nastreven van geluk (eudaimonia). Wie over voldoende ware kennis beschikt, handelt haast vanzelf goed en is alleen  daardoor al deugdzaam. Dit noemen wij het Sokratisch  determinisme. De deugdzame mens is gelukkig, want het is  ondenkbaar dat hij dàt zal nalaten waartoe zijn kennis hem   aanspoort.

 

 

 

 

             de Sokratische scholen

 

 

 

 

             De meest representatieve leerlingen van Sokrates gingen na

             zijn dood ieder hun eigen richting op. Eukleides

             van Megara, (ca. 435-365 vóór Chr.) stichtte in zijn

             geboorteplaats een eigen school en probeerde het denken van

             Sokrates met dat van Parmenides te verenigen. De aanhangers

             van deze 'Megarische school' werden vanwege hun gewoonte om

             verregaande discussies te voeren met vraag en antwoord, zoals

             Sokrates dat ook graag deed, ook wel de Dialektikoi

             (dialegesthai=een gesprek voeren) genoemd. Volgens hen staat

             kennis van het Goede (zie Sokrates) gelijk aan het Zijn (zie

             Parmenides).

 

 

 

 

             Aristippos van Kyrene, {geboren ca 435 vóór

             Chr.) wist in zijn geboorteplaats volgelingen voor zijn

             gedachtengoed te winnen die sindsdien de Kyrenaïkoi

              genoemd worden. Hij was een volleerd redenaar en

             werd vaak voor een sofist aangezien, omdat hij voor zijn

             lessen geld vroeg. Er wordt beweerd dat hij voor intelligente

             leerlingen korting berekende, voor de dommeren vroeg hij een

             toeslag! Sommigen bekritiseren zijn egocentrisch en losbandig

             leven, anderen zien in hem de allereerste hedonist. Genot is

             genot en niets anders en daarom geen filosofische gedachte

             waard. En over het uitgeven van het door hem verdiende geld

             placht hij te zeggen, dat het beter was dat het verloren ging

             door Aristippos dan Aristippos door geld.

 

 

 

 

             Antisthenes uit Athene, (geboren 446 vóór Chr.)

             is de stichter van de beroemde school van de Kynikoi

             (Kunikoi, 'de hondsen'). De naam is afgeleid van het

             Kynosarges (Kunosargès, 'levendige hond'), een gymnasion voor

             buitenlandse studenten net buiten de muren van Athene.

             Volgens een andere traditie zou Antisthenes de bijnaam hebben

             verdiend, omdat hij als een zwerfhond (kuoon=hond) zonder

             vaste woonplaats en in opperste eenvoud rondtrok.

 

 

 

 

             De Kynikoi vonden de belangrijkste waarden die van de geest

             en wezen resoluut alle traditionele waarden af. Hierin gingen

             zij heel ver. Alles wat de staat voorschreef was

             verderfelijk, waaronder het gebruik van geld (in het Grieks

             nomisma, letterlijk 'wettelijk voorschrift'). Lichamelijke en

             emotionele behoeften werden afgewezen. Een mens dient in

             zelfgenoegzaamheid (autarkeia) te leven. Antisthenes' meest

             geliefde uitspraak luidde dat het in het leven erom ging

             niets nodig te hebben.

 

 

 

 

             De beroemdste Kynikos was Diogenes van Sinope,

             (geboren in 404 vóór Chr.) , wiens leven rijk aan anecdoten

             is. Beticht van valsmunterij werd hij uit zijn geboortestad

             verbannen en kwam in Athene terecht, waar hij in een ton ging

             wonen. Op straat liep hij met een lantaarn 'op zoek naar

             mensen'. Hij had één mantel als kleding en als bed; zijn kom

             en drinknap wierp hij weg om op nog eenvoudigere wijze uit

             zijn hand te eten en te drinken. Ook in seks streefde hij

             naar eenvoud: hij wilde geen relatie met een partner, maar

             masturbeerde (desnoods zomaar op straat), want 'dat ging

             sneller'. Hij ondervroeg standbeelden, omdat hij zich wilde

             oefenen in 'vergeefs vragen'. Eens spuugde hij zijn gastheer,

             een bezitter van een fraai landhuis, tijdens de maaltijd

             midden in het gezicht: hij had in het hele huis geen plek

             gevonden die lelijk genoeg was om op te spugen.

 

 

 

 

             In zijn testament had hij laten vastleggen dat zijn lichaam

             niet begraven mocht worden, maar in de greppel moest worden

             gegooid als voer aan de beesten. Zijn vrienden vochten na

             zijn dood echter om de eer hem te mogen begraven.

             Uiteindelijk werd op kosten van de staat een grafmonument

             voor hem geplaatst: een marmeren zuil met daarbovenop een

             hond.

 

 

 

 

             Na de dood van Sokrates wordt zijn werk door zijn leerlingen

             in verschillende richtingen voortgezet. Zij passen in hun

             zogeheten Sokratische scholen de methoden van hun leermeester

             toe op de theorieën die zij zelf aanhangen. Anders dan hen

             probeert Plato, uitgaande van Sokrates' denkwijzen, tot een

             synthese van bestaande wijsgerige stromingen te komen.

 

 File:Plato-raphael.jpg

 

 

           

 

 

 

 

 

 

 

             Reeds op jonge leeftijd besluit Plato (427-347 vóór Chr.) zich geheel aan de filosofie te wijden. Vroeg in zijn ontwikkeling als filosoof maakt hij een uitgebreide reis door de toenmalig bekende wereld en komt in de Kyrenaïka,  Zuid-Italië (waar hij in contact komt met de Pythagoraeërs)  en Syrakuse. Hier is hij te gast bij Dio, zwager van   tiran Dionysios I. Zijn pogingen om zijn   staatkundige theorieën op de situatie in Syrakuse toe te  passen (het is vooral Dio die hem ertoe aanmoedigt) komen hem  op verbanning door Dionysios te staan. In 387 vóór Chr. wordt   zijn schip op zee door piraten onderschept, maar een kennis die bij toeval op de slavenmarkt van Aigina rondliep, weet  hem vrij te kopen. 

 

 

 

 

 In Athene teruggekeerd sticht Plato een school (d.w.z. een  kring van belangstellenden) in het gymnasion  van   de Akadèmeia, een landgoed gewijd aan de hèros

Akadèmos . Zijn verdere leven en werk in Athene  worden nogmaals door twee Syrakusaanse avonturen onderbroken,     respectievelijk in 367 en 361 vóór Chr.. Hij sterft in 347 vóór Chr. in Athene.

 

 

 

 

Op naam van Plato staan de Apologie, 37 dialogen, 13 brieven  en de 'Definities' . De apologie en 27 dialogen zijn   met zekerheid authentiek te noemen. Gangbare theorie wil dat  zijn oeuvre een ontwikkeling in zijn denken laat zien:

 

 

 

  * een Sokratische periode, inclusief de Apologie, met nog geen enkel spoor van de Ideeënleer;

  * een overgangsperiode na 393 vóór Chr. (eerste reis) met   kritiek op de sofistiek en een eerste aanzet tot de  Ideeënleer;

  * bloeitijd, waarin de Ideeënleer algehele grondslag is  van zijn wijsgerig denken (Symposion, Phaidon, Staat  II-X);

  * ouderdom, waarin de Ideeënleer staatkundige rechtvaardiging krijgt; dit in combinatie met elementen uit het Pythagoreïsme (Wetten, Timaios, Kritias).

 

 

 

 

   De vorm waarin Plato schrijft is bewust gekozen: de dialoog staat in het verlengde van Sokrates' maieutiek (zie boven). In zijn latere werken is deze verworden tot een literaire    voordracht. De inhoud van zijn denken staat in het teken van de synthese (resultaten van oudere wijsgeren worden met zijn oorspronkelijke kijk tot één geheel aaneengesmeed) en van    Eros, de goddelijke gave die de mens is gegeven om het    verlangen naar het hogere en het betere in hem levendig te   houden). Plato's denken is hiermee niet een wetenschappelijke  kunst, maar een levensleer. Deze impliceert een streven naar  wijsheid en bezit van ware kennis. De wijsbegeerte van Plato wordt reeds in de  klassieke tijd ingedeeld in de categorieën dialektika, physika en ethika.

 

 

 

 

          Dialektika is het geheel van logika (denkleer), metaphysika  (leer van het bovenzinnelijke) en kentheorie (leer van de   zintuiglijke waarnemingen). In zijn vroegste dialogen  hanteert Plato de term Idee ( eig. 'vorm'   of 'gestalte') in de zin van algemeen begrip (de 'koe'  waarover gesproken en gedacht wordt, tegenover de koe die in   het weiland staat). De latere, definitieve vorm van de Idee   is een werkelijke eenheid (tegenover de veelheid van   verschijnselen), onafhankelijk van ons kennen. De Idee heeft een andere bestaanswereld die de wereld die wij dagelijks      waarnemen, 'overstijgt'. Dit noemen wij 'transcendentie'.

 

 

 

 

   De ons omringende, waarneembare wereld bestaat uit   nabootsingen  en kan alleen bestaan dankzij een deelhebben  aan de kenbare wereld  van de Ideeën. Gevolg is dat de wereld van de   verschijnselen tussen werkelijkheid en niet-werkelijkheid in staat. Onze waarnemingen hiervan zijn slechts schijn (doxa).

 

 

 

 

             Zo wordt het menselijk bestaan beheerst door de scheiding van zintuiglijke en verstandelijke kennis. Alle kennisverwerving  is in verband hiermee in graden in te delen. Verstandelijke kennis ontstaat niet door  zintuiglijke kennis, maar is sluimerend in de mens aanwezig  om door herinnering, anamnese  aan de dag te  treden. Als mens moeten wij ons hiervan bewust worden  gemaakt.

 

 

 

 

             Plato's ethika (leer van de menselijke gedragingen) geeft aan  de menselijke ziel een bemiddelende rol tussen waarneembare en kenbare wereld. De ziel (die deel heeft aan een goddelijk wezen, daimoon) is in het menselijk lichaam opgesloten en   streeft ernaar zich te bevrijden en tot de eeuwige    werkelijkheid terug te keren. Dit is de van de Pythagoraeërs    overgenomen leer van de zielsverhuizing. Plato aanvaardt hiermee een kwalitatief onderscheid tussen lichaam en ziel.  De laatste is onsterfelijk!

 

 

 

 

             Plato gaat nog verder door een driedeling van de ziel aan te  nemen in een hiërarchische ordening (van hoog tot laag): een deel dat streeft naar ware kennis (to logistikon), een deel dat streeft naar zelfhandhaving, macht en eer   en een deel dat streeft naar lichamelijk welzijn en zinnelijk  genot . De ziel en met  name to logistikon  dient naar volmaakte kennis van de Ideeën te streven. De  Ideeën worden daarmee de norm voor het menselijk bestaan. Het   einddoel van dit alles is geluk (eudaimonia). De mens wordt  in zijn strevingen gedreven door Eros, het ingeboren     verlangen naar het Goede.

 

 

 

 

             In zijn staatkundige theorieën is Plato een uitgesproken  aristocraat die in een standenmaatschappij gelooft. In zijn ogen zijn mensen niet gelijk in aanleg en gaven. De ideale     staat moet daarom een indeling hebben in drie standen,  overeenkomstig die van de menselijke ziel.

 

 

 

 

             De bestuurders worden alleen door de kennis van de Ideeën  geleid en dat kunnen in goede samenlevingen alleen de  wijsgeren zijn! De twee hoogste standen moeten zich volledig    ondergeschikt maken aan het staatsbelang: Platonisch totalitarisme. Zij kennen geen privébezit: Platonisch   communisme.

 

 

 

 

Bron 1 ; Plato, Politeia : De Grot [een dialoog tussen Sokrates en Glaukoon]

 File:Platon Cave Sanraedam 1604.jpg

 

 

Sokrates : Maak u aan de volgende gelijke nis het verschil duidelijk tussen bezit van en gemis aan inzicht, dat ons deel kan zijn.  Stel u voor : mensen in een onderaards grotachtig verblijf, dat een lange, naar het licht gekeerde, uitgang heeft. Hierin zitten zij van kindsbeen af gebonden, zo, dat zij op dezelfde plaats  moeten blijven en slechts recht voor zich uit kunnen zien. Licht hebben zij van een vuur dat boven , ver achter hen brandt. Tussen het vuur en de gevangenen loopt, boven langs, een weg, waarvoor ge u een muurtje moet voorstellen. Achter die muur dragen mensen allerlei voorwerpen voorbij, welke boven de muur uitsteken. Sommigen spreken, terwijl ze de voorwerpen langs de muur dragen, anderen zwijgen.

Glaukon : Een wonderlijk beeld noemt ge daar en wonderlijke gevangenen.

Sokates : Die echter op ons gelijken. Want, in de eerste plaats, geloof je dat dergelijke mensen van zichzelf en van elkaar iets anders te zien  krijgen dan de schaduw die het vuur op de tegenover hen liggende wand van de grot werpt? En hoe staat het met de voorbijgedragen voorwerpen? Niet evenzo? Indien deze mensen nu met elkaar konden praten, meent gij niet dat zij zouden geloven dat wat zij zien en met woorden aanduiden, de werkelijke dingen zijn?

Glaukoon : onvermijdelijk.

Sokrates : En indien hun kerker ook een weergalm had, zouden zij dan denken, wanneer een van de voorbijgaande mensen spreekt, dat het iets anders is dan de voorbijgaande schaduw die spreekt?

Glaukoon : Nee, bij Zeus.

Sokrates : Deze lieden zouden dus doorlopend niets anders voor waar laten doorgaan dan de schaduwen van de voorwerpen?

Glaukoon : stellig.

Sokrates : Maar stel u nu voor dat een van deze gevangenen wordt bevrijd en gedwongen plotseling op te staan, het hoofd om te wenden, te lopen en in de richting van het licht te kijken; dit alles zou hem pijn doen, en als hij dan – verblind door de glans – niet in staat zou zijn de voorwerpen te herkennen waarvan hij de schaduwen tevoren had gezien. Want meent ge dat hij zou zeggen, indien men hem verzekerde dat hij vroeger louter nietigheden had gezien, maar nu dichter bij de werkelijkheid was; dat hij stond voor dingen die in hogere mate werkelijk waren en dat hij juister zag? En indien men hem dwong naar het licht zelf te kijken, zouden hem dan niet de ogen pijn doen en zou hij niet wegvluchten en willen terugkeren tot de dingen wier aanblik hij kon verdragen, in de vaste overtuiging dat deze inderdaad veel werkelijker zijn dan wat men hem nu toont?

 

 

 

            Deze gelijkenis, beste Glaukoon, moet ge nu naar volle omvang in verband brengen met wat wij tevoren besproken hebben. De ons door het zien verschijnende ruimtelijke wereld moet ge gelijk stellen aan de behuizing der geboeiden, de lichtschijn van het vuur aan de kracht der zon, het opstijgen naar boven en de beschouwing van de dingen daar moet ge vergelijken met de opstijging der ziel, naar het geestelijk rijk, wanneer ge een juiste voorstelling van mijn visie wenst, waarnaar ge gevraagd hebt. God mag weten of ze de waarheid treft. Wat mij nu waar toeschijnt is dit : in het gebied van het kenbare toont zich ten laatste en moeizaam de idee van het goede; is zij eenmaal aanschouwd, dan doet enig nadenken beseffen dat zij voor allen de oorsprong van alle goeds en schoons is; in de zichtbare wereld brengt zij het licht en de heer daarvan [de zon] voort, in de geestelijke wereld is zij zelf heerseres die waarheid en zin schenkt; daarom moet deze idee gezien hebben degene die met inzicht handelen wil in persoonlijke of publieke aangelegenheden.

 

 

 

Wij moeten dus tot de volgende conclusie komen : mensvorming is niet datgene wat sommigen met schone beloften verkondigen. Zij beloven namelijk de ziel waarin oorspronkelijk geen weten zou zijn, dit weten in te planten, ongeveer zoals men blinde ogen de kracht om te zien zou inplanten.  Onze voorafgaande onderzoeking toont echter dat men deze kracht om te weten en het orgaan waardoor ieder tot kennen komt – precies zoals het oog dat men niet anders uit het donker naar het licht kan wenden dan met het gehele lichaam – met de gehele ziel uit de regio van het wordende moet omwenden naar de andere zijde, totdat zij in staat is de aanschouwing van het zijnde en van de stralendste onder het zijnde te verdragen; dit laatste echter is, zoals wij gesteld hebben, het goede.

 

 

 

Bron 2 Plato’s parabel van de Wagenmenner

 

 

 

            Over de onsterfelijkheid van de ziel is dus hiermee voldoende gezegd. Maar omtrent haar uiterlijk dient men zo te zeggen. Zij zijn dan vergeleken met de van-nature vereende mogendheid van een gevleugeld span en een wagenmenner. Bij de goden nu zijn zowel paarden als wagenmenners allen zelf deugdelijk en uit deugdzame ouders, maar bij de anderen is dit gemengd. In de eerste plaats ment bij ons de voerman een tweespan, verder is van zijn paarden het ene edel en uit edele ouders, maar het andere uit tegengestelde ouders en tegengesteld. Het wagensturen is bij ons dan ook noodzakelijkerwijs moeilijk en lastig……

 

 

 

            Evenals ik in het begin van dit verhaal elke ziel in drieën gesplitst heb, twee gestalten die min of meer de gedaante van paarden hebben, en een derde gestalte van een wagenmenner, zo houd ik ook nu nog aan die indeling vast. Van de paarden nu is het ene, beweren wij, goed, het andere niet. Doch welke de deugdelijkheid is van het goede paard of de boosheid van het slechte, hebben wij niet uiteengezet, maarmoeten wij nu bespreken. Het éne dan nu, dat de betere plaats inneemt, is recht van gestalte en welgeleed, hoog van hals, met gebogen neus, wit om te zien, heeft zwarte ogen, is een minnaar van eer, wat samengaat met bezadigdheid en ontzag, is een vriend van waarachtige roem en wordt zonder slaag, enkel door toeroep en rede gemend. Het andere daarentegen is verwrongen,  plomp, onregelmatig, heeft een brede nek en korte hals, plat gezicht, zwarte huid, lichtblauwe en bloedbelopen ogen, is een gezel van uitspatting en blufferij, ruigbehaard rond de oren, hardhorend en gehoorzaamt met moeite aan de zweep tesamen met de prikkels. De wagenmenner die de liefdewekkende aanblik heeft gezien, de ziel geheel met die waarneming doorwarmd en vervuld van prikkeling en de stekels van verlangen, bedwingt het éne paard dat gehoorzaam is aan de wagenmenner, als altijd ook nu door schaamte overweldigd, zichzelf om niet op de beminde toe te springen. Het andere bekommert zich niet meer om prikkel of zweep van de wagenmenner, maar holt met dwarssprongen voort, aan zijn jukgenoot  en de wagenmenner alle last bezorgend, dwingt hen naar de beminde te gaan en deze te manen om  de gunst vvan het liefdegenot.. Eerst streven de twee verontwaardigd tegen, daar zij tot verschrikkelijke en ongeoorloofde dingen worden gedwongen, maar tenslotte, als er geen eind komt aan de ellende, laten zij zich leiden en gaan op weg, toegevend en belovend het bevolene te doen. En zij komen vlak bij hem en zien het bliksemstralend gelaat van de beminde. Als de wagenmenner dat gezien heeft, wordt hij in herinnering teruggevoerd naar de natuur der schoonheid, en hij ziet haar weer zoals zij stond naast de bezonnenheid op haar gewijd voetstuk. Op dat gezicht wordt hij bevreesd en valt uit ontzag achterover en wordt tegelijk gedwongen de teugels zo hard naar achteren te trekken, dat hij de beide paarden op de achterbenen brengt, het  éne gewillig daar het niet tegenstreeft, maar het overmoedige paard zeer tegen zijn wil. Als zij zich op een afstand verwijderd hebben, bevochtigt het ene paard uit schaamte en schrik geheel de ziel met zweet.

 

 

 

            Het goede paard smaalt op de menner en het andere paard. Het wil hen dwingen te naderen, maar geeft toe aan hun verzoek om uitstel. En op die tijd dringt het weer bij m  hen aan. De wagenmenner ondergaat hetzelfde nog heviger dan de eerste keer. Het boze paard laat dan af vanwege de pijn en volgt vernederd de leiding van de menner. En komt, als het de schone ziet, om van angst. Zodat dan eindelijk de ziel van de verliefde de beminde in schroom en vrees volgen kan.

 

 

 

            Wanneer dan nu het betere deel van hun besef hen leidt tot een geordend dagelijks bestaan en wijsbegeerte en alle tegenstand overwonnen heeft, brengen zij hun leven hier in gelukzaligheid en eensgezindheid door, meester over zichzelf en in schone tucht, daar zij onderworpen hebben het deel der ziel waarin boosheid kiemde en bevrijd dat waarin de deugd woont.

 

 

 

 

Studie- en discussievragen :

 

 

 

 

1.      Leg uit dat het grotverhaal Plato’s ideeënleer illustreert.

2.      Berust volgens Plato deugd op inzicht?

3.      Is inzicht aan te leren?

4.      Benoemd de drie zieledelen met een enkel woord.

5.      Welke rol speelt de wil bij Plato?

6.       Zou de staatsinrichting zoals Plato die voor ogen stond, een haalbare zaak zijn ?

Aristotle Altemps Inv8575.jpg

 

 

 

 

 

 

 

 

7.          Aristoteles

 Levensloop

 

 

 

 

             Aristoteles (384-322 v.C.) werd te Stagirus (het latere Stagira) in Macedonië geboren, waar zijn vader lijfarts was van koning Amyntas II. In 367 kwam hij naar Athene. Hij volgde er twintig jaar lang de colleges aan de Academie als leerling van Plato en deed er ook zelfstandige  onderzoekingen. Plato droeg hij grote eerbied toe, al week  hij soms van diens inzichten af. Toen bij Plato's dood in 349 Speusippus hem als leider van de Academie opvolgde, trok Aristoteles naar Klein-Azië, waar hij de nicht van de tiran  van Atarneus in Mysië huwde en een eigen school stichtte. In 342 werd hij door Philippus II van Macedonië met de opvoeding  van diens zoon Alexander belast. Toen Alexander in 336 aan de    macht was gekomen, opende Aristoteles te Athene een school in  het Lyceum (Lykeion, een gymnasium, aan Apollo Lykeios   gewijd) dat aan de noordoostzijde van de stad gelegen was.

Haar naam 'peripatetische school' ontleende ze aan de omstandigheid dat Aristoteles gewoonlijk wandelend doceerde (volgens anderen aan de peripatus (peripatos), de wandelgang,   in dit gebouw).  Aristoteles gaf tweevoudig onderricht: 's morgens   acroamatische of esoterische colleges (akroaseis) voor een kleine kring van meer gevorderden, 's middags voor een groter  publiek meer populaire (exoterische) voordrachten (eksoterikoi logoi). Ook zijn geschriften zijn aldus in te  delen, maar de eerste soort overweegt. Toen in 323 een sterk anti-Macedonische stemming zich te Athene deed gelden, week Aristoteles uit naar Chalcis op Euboea, waar hij een jaar  later overleed.

 

 

 

 

Exoterische en esoterische werken

 Van de exoterische, belletristische werken zijn slechts fragmenten bewaard, terwijl juist deze aanvankelijk het mees   gelezen werden. Hiertoe behoorden de Eudemus (Eudèmos) (over

de onsterfelijkheid van de ziel), de Protrepticus (Protreptikos) (een opwekking tot de beoefening van de filosofie, die voorbeeld voor vele andere dergelijke werken geweest is, o.a. voor Cicero's Hortensius). In het werk De Filosofie (Peri philosophias) oefende Aristoteles kritiek op Plato's Ideeënleer.  Van de acroamatische geschriften van Aristoteles bezitten wij  nog vrij veel. Ze vertonen dikwijls de vorm van collegedictaten en zijn door de soms ingewikkelde stof, maar  ook door onderbrekingen en herhalingen dikwijls moeilijk te

 begrijpen.

 

 

 

 

Geschriften over de logica

  De werken van Aristoteles op het gebied van de logica zijn samengevat onder de naam Organon ('Werktuig'). Hij gaat bij  zijn logica uit van de gedachte dat alle kennen een afbeelden   is van de werkelijkheid. Exact heeft hij de wetten volgens  welke besluit en bewijsvoering functioneren, aangegeven. Tot het Organon behoren de volgende werken: 1. De Categorieën  (Katégoriai, Categoriae), waarin de tien gezichtspunten   behandeld worden volgens welke men een oordeel over het wezen  van het zijnde geeft: wezen, kwantiteit, kwaliteit, relatie, plaats, tijd, positie, wijze van zijn, doen, ondergaan; 2. De  verklaring (Peri hermeneias, De interpretatione), waarin de  manier van oordelen besproken wordt; 3. Analytica priora of  posteriora (Analytika protser kai hystera), dat de leer van  het weten en van het wetenschappelijk bewijs bevat; 4. Topica  (Topika), de verdediging van een uitspraak op  waarschijnlijkheidsgronden vanuit het algemene; 5. Sofistische bewijzen (Sophistikoi élenchoi), waarin kritiek op de sofisten wordt uitgeoefend.

 

 

 

 

De metaphysica

  De naam Metaphysica voor de geschriften over het zijnd  ('eerste filosofie' volgens Aristoteles) is ontstaan doordat  later Andronicus van Rhodos ze bij het rangschikken van  Aristoteles' geschriften na de natuurkundige (meta ta   physika) plaatste.   In deze veertien boeken Metaphysica ontwikkelt Aristoteles de  theorie dat alle zijn individueel is, maar dat het algemene  daarin als wezenbepalende norm aanwezig is. Hij maakt  onderscheid tussen het zijnde in potentie (dynamis, aanleg,  mogelijkheid) en in actu (entelécheia, werkelijkheid,

voltooidheid). Verandering is de overgang van aanleg tot   voltooidheid, van stof naar vorm. In de stoffelijke wereld is de vorm immanent in de materie aanwezig, het zijnde in potentie streeft er naar de verwezenlijking van zijn doel.

 De beweging van de wereld is volgens Aristoteles eeuwig.   Rondom de in het midden van het heelal rustende aarde bewegen   zich 55 sferen. De sfeer van de vaste sterren of de 'eerste  hemel' deelt uiteindelijk haar eigen beweging aan de andere  sferen mee (primum movens, proton kinoun, de eerste onbewogen  beweger'). Dit is de hoogste godheid, enkelvoudig en  ongedeeld, die echter geen nadere verhouding heeft tot de  wereld.

 

 

 

 

  De natuur

 

 

 

 

  Tot de werken over de natuur behoren: Physica, Ontstaan en vergaan (Peri genéseos kai phthoras), De Hemel (Peri  ouranou), en Meteorologica. In de verhandeling over de hemel  verkondigt Aristoteles de mening dat er één onvergankelijke  wereld is, met de vorm van een bol. De aarde is hiervan het  middelpunt, waaromheen de zon, de maan en de vijf planeten   zich bewegen. De laatste sfeer is de eerste hemel met de   vaste sterren.

 

 

 

 

 De ziel

In De anima (Peri psyches, 'De ziel') spreekt Aristoteles over de ziel, die volgens hem onstoffelijk is en de oorzaak   is van de beweging van de materie. In de levende wezens

vallen wezensvorm, principe en doel van de levensverrichtingen samen. Aristoteles onderscheidt het plantaardig leven, het dierlijk leven en de mensenziel, waarin bovendien nog de nous, het denkende beginsel, aanwezig is.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 De staatsleer

 

 

 

 

  De leer van de staat of van de menselijke samenleving wordt in de Politica behandeld. De mens is een in staatsverband   levend wezen. Aristoteles verdedigt de scheiding tussen vrije

   mensen en slaven. Sommigen zijn volgens hem van nature slaaf. Allerlei aspecten komen ter sprake, als opvoeding, autarkie   en staatsvormen. Het materiaal voor deze theoretische uiteenzettingen leverden tal van verzamelwerken die door Aristoteles en zijn leerlingen tot stand gebracht waren (Zeden en gewoonten van de barbaren, Nomima barbarika') en beschrijvingen van staatsinrichtingen van verschillende  steden. Hiervan is slechts de Staatsinrichting van de Atheners (Athénaion politeia) grotendeels bekend, doordat een  belangrijk gedeelte in 1891 op een papyrus in Egypte  teruggevonden werd.

 

 

 

 

             retoriek en poëzie

 

 

 

 

             Ook op het gebied van de retoriek en de poëzie heeft

             Aristoteles waardevolle werken geschreven. In zijn Rhetorica

             (Rhétorika) (in 3 boeken) vinden wij de leer van het

             enthyméma of het retorische bewijs, van het opwekken en

             kalmeren van aandoeningen en van de uitdrukkingsmiddelen

             zoals ordening, woordkeus, metafoor, ritme e.d. Vooral de

             Poética (Poiétika) heeft grote bekendheid verworven (dit werk

             had ook in de Renaissance grote autoriteit). Het eerste van

             de twee boeken is verloren gegaan. In het tweede wordt over

             tragedie en epos gesproken (over de oorsprong, definitie en

             werking van de tragedie, over de drie eenheden bij het drama,

             over de poëzie, die Aristoteles in tegenstelling tot Plato

             hoog waardeert).

 

 

 

 

        betekenis

 

 

 

 

             Aristoteles' werkzaamheid omvatte de gehele toenmaals bekende

             wetenschap. Hij heeft een wijsgerig systeem opgebouwd dat

             vele eeuwen van fundamentele betekenis geweest is, al is zijn

             invloed in de oudheid zelf niet met die van Plato te

             vergelijken. Sedert de ontdekking van vele geschriften van

             Aristoteles in de eerste eeuw voor Christus nam de interesse

             voor fysica en logica weer toe. Zijn geschriften werden druk

             becommentarieerd. Deze waren ook niet zonder invloed op het

             neo-platonisme. In het Westen heeft later vooral Boéthius

             zich met Aristoteles' werk beziggehouden. Toch is het in de

             middeleeuwen vooral eerst door de Arabische vertalingen

             bekend geworden. In de scholastiek komt de invloed van het

             aristotelisme bijzonder geprononceerd naar voren. Tegenover

             de Ideeënleer van Plato kende Aristoteles de voornaamste

             betekenis toe aan de stoffelijke wereld.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

            

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Aristoteles  is in Stageira (Thrakië) geboren

             als zoon van de arts Nikomachos (lijfarts van koning Amyntas, 
             vader van Philippos II). Op 17-jarige leeftijd komt hij naar

             Athene om zich bij de Akademeia aan te melden. Hij wordt snel

             Plato's meest prominente leerling. Na de dood van zijn

             leermeester leidt hij een wijsgerige school is Assos

             in Mysië om kort daarna in 343 vóór Chr. aan het koninklijk

             hof van Makedonië de opvoeding van Alexander, zoon van koning

             Philippos II, op zich te nemen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             Na Alexanders troonsbestijging in 336 vóór Chr. sticht

             Aristoteles het Lykeion (Lukeion), een gymnasion gewijd aan

             Apollo Lykeios ('Apolloon Lukeios). Vanwege zijn gewoonte al

             rondwandelend (peripatein) zijn colleges te

             verzorgen is het de 'peripatetische school' gaan heten. (De

             naam kan ook afgeleid zijn van de wandelgang, de peripatos,

             waar Aristoteles zijn colleges gaf). Anti-Makedonische

             sentimenten na de dood van Alexander de Grote in 323 vóór

             Chr. doen hem wijken naar Chalkis waar hij een jaar later

             sterft.

 

 

 

 

             Het omvangrijke oeuvre van Aristoteles wordt ingedeeld

             overeenkomstig de ontwikkeling volgens welke hij zich

             gaandeweg van de denkbeelden van zijn leermeester Plato heeft

             losgemaakt:

 

 

 

 

                * verwerping van de scheiding in een zintuiglijke en

                  bovenzinnelijke wereld;

                * eenheid van lichaam en ziel;

                * niet-religieuze wereldbeschouwing.

 

 

 

 

             Aristoteles' logika stelt dat alle kennis een afbeelding is

             van een werkelijkheid. In ieder begrip wordt een object

             uitgedrukt. Van hem stamt de zogeheten categorieënleer: alle

             begrippen kunnen in (soms 8, dan weer 10) 'klassen'

             (katègoriai) worden ondergebracht. Ware kennis verkrijgen wij

             pas door verbinding van begrippen. Een voorbeeld: de

             begrippen 'sneeuw', 'wit' en 'zwart' leveren een ware

             uitspraak in 'sneeuw is wit', een niet-ware uitspraak in

             'sneeuw is zwart'.

 

 

 

 

             Uitbreiding van kennis berust op redenering. Hierbij werkt

             Aristoteles met tertiaire logika, uitgaande van

             classificatiemodellen: katten, honden, ezels en Grieken,

             Perzen, Thrakiërs horen tot respectievelijk de ondersoort

             (species) 'dier' en 'mens', welke beide behoren tot de soort

             (genus) 'levend wezen'. Aristoteles' logika werkt verder met

             de principes van identiteit, tegenspraak en uitgesloten

             derde.

 

 

 

 

             Aristoteles' zijnsleer wordt bepaald door twee 'krachten':

             aanleg (dunamis) en voltooiing (energeia). Hij gaat niet uit

             van een schijnwereld die zou bestaan tussen werkelijkheid

             (het voltooid zijnde, ¦energei on) en niet-werkelijkheid (mè

             on), maar van een wereld van het zijnde-in-aanleg (dunamei

             on): iets wat niet is, maar kàn worden. Alle verandering

             (=beweging) is verwerkelijking van alle aanleg: dit noemt hij

             entelecheia. Beweging staat niet op zichzelf, maar heeft zijn

             begin elders.

 

 

 

 

             De zintuiglijke (d.w.z. veranderende) wereld kan slechts

             werking hebben door twee factoren: stof (hylè) en vorm

             (morfè). Stof is de alles bepalende, onderliggende materie

             van alle zaken; vorm geeft de uiteindelijke zet aan de

             verwerkelijking door middel van voltooiing. Stof en vorm zijn

             geen bovenzinnelijke zaken (transcendent), maar zijn vooraf

             aanwezig in de bestaande wereld (immanent).

 

 

 

 

             In Aristoteles' ethika zijn lichaam en ziel elkaars

             noodzakelijke aanvullingen. De ziel is niet onsterfelijk,

             maar gaat samen met het lichaam te gronde. Zij is de

             verwerkelijking van het leven: aan het lichaam (=stof) geeft

             zij vorm. De ziel kent, anders dan bij Plato, geen lokale

             indeling, maar maakt door haar denkvermogen (to dianoètikon)

             de mens bovengeordend aan de plantenwereld (die alleen

             produktief vermogen, to threptikon, heeft) en de dierenwereld

             (die daarnaast waarnemend vermogen, to aisthètikon, en

             voortbeweging, kinèsis, kent).

 

 

 

 

             Het vermogen te begeren is nauw verbonden met het

             kenvermogen. De menselijke wil is begeerte die door het

             verstand geleid wordt. Elk menselijk handelen is zinloos, als

             het niet doelgericht is. Het hoogste doel dat omwille van

             zichzelf wordt nagestreefd, is geluk (eudaimonia). Dit

             bestaat volgens Aristoteles uit vervolmaking  van

             de werkzaamheid van de ziel en is dus een werkdadig beginsel:

             geluk is niet wat je ervaart, maar wat je uitvoert! Het

             spreekt verder vanzelf dat geluk niet transcendent is

             (Plato's streven naar de hoogste Idee), maar immanent (eigen

             aan de wezenskenmerken van de ziel). Deze immanentie beperkt

             het levensdoel tot het aardse bestaan.

 

 

 

 

             Staatkundig gesproken is de mens in de ogen van Aristoteles

             een sociaal wezen (politikon zooon) dat zich thuis voelt in

             een politieke samenleving. Hij is niet, zoals bij Plato,

             onderworpen aan de staat. Neen, de staat dankt zijn

             bestaansrecht juist aan de omstandigheid dat hij de mens tot

             volledige ontplooiing van zijn persoonlijkheid kan dienen.

 

 

 

 

             Na de dood van Aristoteles in 322 vóór Chr. breekt er in de

             filosofie een nieuw tijdperk aan. Alexander de Grote heeft na

             zijn dood een jaar eerder een groot rijk achtergelaten dat

             als wezenskenmerk de vermenging van de Griekse met de

             Aziatische cultuur draagt. Zijn politieke en culturele

             éénwording betekent in feite het einde van de oud-Griekse

             polisgedachte. Voortaan wordt het leven niet langer bepaald

             door de grenzen van de stadstaat, maar door die van de

             toenmalig bekende wereld. Dit kosmopolitisme brengt met zich

             mee dat de mensen zich als individu verloren kunnen gaan

             voelen en zekerheid zoeken in religieuze of filosofische

             stromingen.

 

 

 

 

 

 

8.           

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

8.De Stoa

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             De eerste vertegenwoordigers van het nieuwe filosofische  denken zijn Klein-Aziaten.     Hun stroming wordt genoemd naar de  bonte zuilengaanderij, Stoa Poikilè, in Athene, waar Zeno  van Kition op Cyprus, (335-263 vóór Chr.) zijn eerste lessen geeft. De namen van ongeveer 15 opvolgers van hem als hoofd van de Stoa zijn ons overgeleverd. Deze oudste  vertegenwoordigers van de stroming worden gerekend tot de Oude Stoa. De belangrijkste onder hen zijn Kleanthes van Assos, (331-232 vóór Chr., hoofd van de Stoa vanaf 263 vóór Chr.) en Chrysippos van Soloi,   (280-207 vóór Chr., hoofd van de Stoa vanaf 232 vóór Chr.).

 

 

 

 

Politiek gewichtiger wordt de stroming onder leiding van   Panaitios van Rhodos), die ca. 145 vóór Chr. naar Rome komt en deel uitmaakt van de kring der Scipiones. Onder zijn leiding concentreert de Stoa zich op ethische en   politieke vraagstukken. De vertegenwoordigers van deze  stroming worden gerekend tot de Midden Stoa.

 

 

 

 

In een laatste periode is Poseidonios  van    Apameia in Syrië, (135-50 vóór Chr.) hoofd van de Stoïsche  school op Rhodos. Hij is bepalend voor het gezicht van de Stoïsche leer en streeft vooral naar een synthese met de natuurwetenschappen. De jongste vertegenwoordigers van de stroming rekenen we tot de Nieuwe Stoa.

 

 

 

 

In de Romeinse tijd, zeker onder de keizers, geniet de Stoa vooral in de hogere kringen grote populariteit. Na de  regering van keizer Domitianus groeit de aandacht voor de Stoa zienderogen. Het Stoïcisme beantwoordt blijkbaar aan de vraag naar een filosofie die een leidraad kan zijn voor het  leven van de mens als individu. Het Stoïcisme is dan een wijsgerige stroming geworden bij uitstek voor de bovenlaag van de bevolking.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het denken van de Stoa ligt aanvankelijk in het verlengde van dat van de Kynikoi, de “Hondsen”. We moeten bij deze groep denken aan filosofen die absolute authenticiteit nastreven. Ze zetten zich af tegen maatschappelijke conventies en hebben als uitgangspunt dat zij zichzelf genoeg zijn. Deze zelfgenoegzaamheid [autarkeia] uit zich in onmaatschappelijk gedrag : ze zien af van huwelijks- en gezinsrelaties, van de meest elementaire vormen van comfort en van  het nastreven van genot. Zij uiten zich naar hun medeburgers ronduit aanstootgevend in woorden en handelen. In de omslag van cultuur naar natuur en zuiverheid zien ze een mogelijkheid de deugd te beoefenen. Net als de Kynikoi prediken de Stoïci  beoefening van de deugd.

 

 

 

 

stoïsche fysika

 

 

 

 

In tegenstelling tot Aristoteles proberen de Stoïci het monistische principe te verdedigen: de ons omringende wereld   is homogeen en stoffelijk. Alle werkelijkheid berust op   materie, dat wil zeggen: op alles wat lichaam  heeft.   De Stoïci stelden hiernaast vier onstoffelijkheden :  ruimte, leegte, tijd en betekenissen der uitspraken (ta lekta).

In de stof steekt echter een immanente rede (logos, ratio), waaraan  een oerkracht ten grondslag ligt die van goddelijke aard is (theos, deus). Zo is het Stoïcisme tevens pantheïstisch. Deze eeuwige, goddelijke kracht wordt naturalistisch opgevat als een aan alles leven schenkend vuur , dat tot ons, mensen, komt als bezielende adem  en optreedt met onverbiddelijke noodzakelijkheid. Dat houdt in dat alles wat plaatsvindt door de Goddelijke Rede is voorbeschikt. De menselijke  ziel is stoffelijk, dus sterfelijk. Toch heeft zij enige vorm  van goddelijkheid, omdat zij deel heeft aan de wereldziel. De zielen van de gestorvenen vergaan - al naar gelang de aard  van hun bezitter - direct of pas na geruime tijd. Gedurende deze tijd verblijven zij in een oord der zaligen tot de eerstvolgende 'wereldbrand' die de eeuwige wedergeboorte  opnieuw inzet.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

stoïsche logika

 

 

 

 

In hun voorstelling van zaken stellen de Stoïci dat het denken in de onaangeroerde (kinder)ziel steeds meer sporen  achterlaat. Dit is de idee van de tabula rasa, 'schone lei'. Gaandeweg bouwt de ziel een verzameling voorstellingen  op waardoor een mens ervaringen kan hebben.  Voor de Soicus is kennis dus gebaseerd op empirisch onderzoek. Begrip van het ware  kan men slechts verkrijgen door algemene begrippen, in het leven geroepen door het juiste begrip (orthos logos). Dit begrip  (=rede) is in de mens aanwezig als een miniem deel van de   alles doortrekkende rede (logos spermatikos).

 

 

 

 

stoïsche ethika

 

 

 

 

In de ogen van de Stoïci leeft een mens ethisch verantwoord, als hij zich laat leiden door zijn drang tot zelfbehoud. Dit   bereikt hij door in overeenstemming met zichzelf  zijn eigen natuur te verwezenlijken. Het is de eigen keuze  van de  mens vervolmaking van zijn ziel na te streven. Hiertoe is deugd (aretè, virtus) voldoende: zelfgenoegzaamheid (autarkeia) kenmerkt de ware Stoïcus. Ware deugd is een eenheid van vier kardinale deugden: verstand (prudentia), ingetogenheid (temperantia), dapperheid (fortitudo) en rechtvaardigheid (iustitia).

 

 

 

 

Om het goede te bereiken moet de wijze in een gemoedloze  toestand (apatheia) vrij zijn van hartstochten: zaken als  leven, eer, goede/slechte gezondheid, rijkdom enz. zijn  bijkomstigheden (indifferentia). Een slechte inborst is het enige kwaad!

 

 

 

 

Hoewel het begrip anders doet vermoeden, is Stoïsche  autarkeia wel degelijk sociaal gericht: elke Romein voelde zich onderdeel van een groot geheel en voelde zijn sociale verplichtingen binnen dat geheel. Daarom werden in de praktijk niet alle uiterlijke zaken als 100 % onverschillig beschouwd, maar werd aan sommige enige waarde toegekend, zoals aan gezin, huwelijk en staat. Iedere wijze dient naar één staatsvorm te streven (Stoïsch kosmopolitisme), waarin alle mensen elkaars gelijke zijn en slavernij niet mag  bestaan.

 

 

 

 

Discussievragen :

 

 

 

 

1.      Wat is het verschil tussen onze apathie en die van de Stoa?

2.      Welke rol is er bij de Stoa weggelegd voor de vrije wil?

3.      Welke rol speelt volgens de Stoa het kwaad in de wereld?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

9.Het Epicurisme

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             Deze wijsgerige stroming is genoemd naar haar stichter  Epikouros , zoon van een onderwijzer op Samos, (341-271 vóór Chr.). Na zijn studie bij de atomist Nausiphanes

van Teos gaat hij werken in Kolophon (stad in Lydië) en  sticht in Mytilene op het eiland Lesbos zijn eerste school  (310-306 vóór Chr.). In 306 vóór Chr. in Athene gekomen richt

hij er de school op, waar hij in zijn later beroemd geworden  tuinen doceert. Deze school kan met recht de eerste 'commune' van de oudheid heten: zonder onderscheid des persoons kunnen mannen, vrouwen èn slaven toetreden.

 

 

 

 

Van Epikouros' 300 werken tellend oeuvre is nagenoeg niets  bewaard gebleven. Wij zijn aangewezen op de informatie die Diogenes Laërtios ons geeft in zijn tiende boek van zijn  'Levens van de filosofen'. Hierin heeft deze diens brieven aan Herodotos, Pythokles en Metrodoros en tevens een serie  hoofdleerstellingen (kuriai doxai) opgetekend. In 1888 zijn  verder in een Vaticaans handschrift 80 aforismen gevonden. Het puin in Herculaneum heeft in 1818 nog enkele verkoolde   resten uit zijn 37 boeken tellende 'Over de natuur' (Peri Fyseoos) prijsgegeven.

 

 

 

 

 Het Epikurisme heeft vele volgelingen gekend. De  belangrijkste zijn wellicht Philodemos (ca.50 vóór Chr. in Rome), van wie papyrusfragmenten uit Herculaneum zijn gered en Lucretius (97-55 vóór Chr.), de Romeinse dichter wiens  dichtwerk De rerum natura ons belangrijke informatie verschaft over de leer van Epikouros. Zijn leerstellingen  zijn in de kern door de jaren heen onveranderd gebleven.  Tegen het einde van de eerste eeuw na Chr. verliest het   Epikurisme zijn grootste betekenis.

 

 

 

 

epikuristische kanonika

 

 

 

 

    Ook het Epikurisme gaat uit van de drie filosofische disciplines fysika, logika en ethika. Alleen heet logika hier  kanonika, omdat het Epikurisme een kennisleer predikt   gebaseerd op vaste vormen en regels (kanoones). Er bestaat   slechts één maatstaf voor kennis: zintuiglijke waarneming.  Deze is volgens Epikouros feilloos. Vergissingen ontstaan  door onjuiste beoordeling van het waargenomene. Alle denken komt voort uit zintuiglijke waarneming. De voorstellingen die   op grond hiervan in onze geest worden gemaakt, leiden to    meningen (doxai) en veronderstellingen  die  bedrieglijk van aard zijn. Dit geldt bij uitstek voor zaken   die de toekomst of het onzichtbare betreffen.

 

 

 

 

 epikuristische fysika

 

 

 

 

        

    In zijn natuurleer ziet Epikouros zich gesteld voor het   perceptieprobleem en grijpt terug op de oudere atoomtheorie van Demokritos van Abdera (460-371 vóór Chr.). Diens   wereldbeeld is materialistisch: alle stoffelijkheden zijn  terug te voeren op niet verder deelbare oerlichamen (atoma)  die de onveranderlijke elementen der dingen zijn. Waarneming  geschiedt door uitwisseling van atomen.

 

 

 

 

       In afwijking van Demokritos leert Epikouros dat (a) de atomen  een loodrechte, vrije val maken, (b) zij in zich de  mogelijkheid hebben tot een willekeurige, allerkleinste  afwijking ( inclinatio). Hiermee tracht hij het  strenge determinisme van Demokritos te omzeilen en de  menselijke, vrije wil te verklaren. Zo kan in een heelal waar  in de absolute leegte de atomen zich in constante beweging bevinden, naast noodzaak  ook toeval  bestaan.

 Deze puur natuurlijke beschouwing van het heelal dient een  tweeledig doel: de mensen hoeven voortaan angst noch voor de  dood noch voor de goden te hebben. Iedere vorm van  lotsbeschikking of goddelijke leiding wordt afgewezen. Toch   wordt aan het bestaan van de goden, die zich afzijdig van het gebeuren op aarde houden, niet getwijfeld, omdat over hen gedacht, ja zelfs gedroomd kan worden!

 

 

 

 

 epikuristische ethika

 Epikouros' ethika heet hedonistisch te zijn. Elk wezen heeft het natuurlijke streven middels een gelukzalig leven  te komen tot het absolute genot (hèdonè). Niet   het incidentele genot (zoals het stillen van de honger of  sexuele bevrediging) wordt hiermee bedoeld, maar het   blijvende genot, dat slechts in onwankelbare gemoedsrust (ataraxia) kan worden gevonden. Het behoeft geen betoog dat  geestelijk genot de voorkeur verdient boven vleselijke  genietingen. Het ideaal van de wijze is dan ook de beheersing  van zijn begeerten, het niet afhankelijk zijn van  uiterlijkheden. De Epikurist benijdt in een leven op water en  brood zelfs Zeus niet.

 

 

 

 

 Iedere vorm van opwinding, zowel privé als in het openbaar, moet worden vermeden. Het leven speelt zich in verborgenheid  af: de ware Epikurist geniet van zijn geluk in een 'stil   hoekje'. Het individu dient niet het algemeen belang: de   staat is er slechts om hem tegen onrecht te beschermen en ervoor te zorgen dat hij het hedonistisch ideaal kan  verwerkelijken.

 

 

 

 

Fragmenten van Epikouros

 

 

 

 

Uit de brief aan Menoeceus

 

 

 

 

            Houd de godheid voor een onvergankelijk en gelukzalig wezen en ken haar geen eigenschap toe die vreemd is aan onvergankelijkheid of gelukzaligheid. Goden zijn er. Maar ze zijn niet zoals de menigte denkt. Niet is hij ongelovig die de goden der menigte opheft, maar die de meningen der menigte op de goden toepast. Want niet aan de ervaring voorafgaande voorstellingen, maar onware opvattingen zijn de uitingen der menigte over de goden.

 

 

 

 

Maak u ook vertrouwd met de overweging dat de dood ons niets aangaat. Alle goed en kwaad immers veronderstelt gewaarwording, de dood is echter beroving van gewaarwording. Het juiste inzicht dat de dood ons niet raakt maakt de sterfelijkheid van het leven een oorzaak van genot  doordat het niet een oneindige tijd eraan toevoegt maar het verlangen naar onsterfelijkheid ervan wegneemt. In het niet-leven is niets te vrezen. Wanneer wij er zijn is de dood er niet en als de dood er is, zijn wij er niet. De beoefening van een schoon leven en een schone dood is één en dezelfde.

 

 

 

 

Van de begeerten zijn sommige natuurlijk en andere ijdel en van de natuurlijke sommige noodzakelijk en andere alleen natuurlijk en van de noodzakelijke zijn sommige voor ons geluk noodzakelijk en andere voor de ongestoordheid van ons gemoed en andere voor het leven zelf. Dan pas hebben we behoefte aan genot als we door het ontbreken ervan smart lijden. Als we geen smart lijden hebben we het genot helemaal niet nodig. Soms gaan we vele genietingen voorbij wanneer daaruit voor ons een groter ongemak volgt. Beperktheid van behoeften vinden we een groot goed. Water en brood verschaffen het hoogste genot wanneer men ze hongerig en dorstend tot zich neemt.

 

 

 

 

Hoofduitspraken

 

 

 

 

Het gelukzalige en onveranderlijke Wezen ondervindt noch zelf noch veroorzaakt anderen overlast, zodat het noch met toorn noch met liefde zich ophoudt, want tot onmacht behoort al het dergelijke.

 

 

 

 

Geen enkel genot is op zich zelf een kwaad, maar de oorzaken van sommige genietingen brengen lasten aan vele malen groter dan de lusten.

 

 

 

 

Slechts in geringe mate komt voor de wijze het toeval tussenbeide, maar de grootste en belangrijkste dingen regelt het eigen inzicht.

 

 

 

 

Oneindigheid van duur maakt het genot niet groter dan eindigheid als men de grenzen van het genot met verstandelijk inzicht afmeet.

 

 

 

 

Hij die de grenzen van het levensonderhoud heeft ingezien weet, hoe gemakkelijk te verschaffen datgene is dat de pijn bij gemis wegneemt en het gehele leven volmaakt maakt, zodat hij volstrekt geen dingen nodig heeft die met zorgen gepaard gaan.

 

 

 

 

Van alles wat de wijsheid verschaft tot het levensgeluk is verreweg het belangrijkste het bezit van de vriendschap.

 

 

 

 

Eenzelfde inzicht geeft de gerustheid dat niets ergs eeuwig of langdurig is, en begrijpt, dat de veiligheid in dit beperkte leven door vriendschapsbetrekkingen bovenal wordt tot stand gebracht..

 

 

 

 

In het algemeen is voor allen het rechtvaardige hetzelfde, namelijk dat, wat nuttig is in de omgang met elkaar; maar uit het bijzondere van landstreek en vele andere oorzaken volgt, dat niet voor allen hetzelfde rechtvaardig is.

 

 

 

 

Men moet zichzelf bevrijden uit de kerker van de bezigheden en de politiek.

 

 

 

 

Leef in het verborgene.[lathe bioosas]

 

 

 

 

Studie- en discussievragen

 

 

 

 

1.    In welke opzichten komen Stoa en Epicurisme met elkaar overeen en waarin verschillen ze van elkaar?

2.    Wat ziet Epicurus als de functie van het genot?

3.    Hoe denkt Epicurus over de goden? Welke relatie kunnen mensen met goden hebben?

4.      Welke netwerken vindt Epicurus waardevol en welke niet?

10.  Filosofie en Christendom

Plato had ‘filosofie’gedefinieerd als  “leven in het eeuwige” en de kennis der bovenzinnelijke Werkelijkheid gezocht als een zaligmakende aanschouwing. Toch blijft het vreselijk moeilijk die Werkelijkheid te leren kennen en er , zelfs als men haar gevonden heeft, met anderen over te spreken. Het gaat niet om verstandelijk weten, maar om een diepere levenseenheid, een geestelijke gemeenschap. We zien het doel van verre maar kunnen het niet bereiken. Zodra echter het Woord vlees wordt, wordt de vervulling van filosofie op een heel aparte manier mogelijk.  Zo wordt al vroeg onder de ontwikkelde Christenen de Christelijke godsdienst gezien als ware filosofie. Het on-platonische van de vleeswording maakt voor anderen deze nieuwe filosofie juist onaanvaardbaar : De wijsheid Gods is dwaasheid voor de Grieken. Zij die de openbaring in Christus hebben aanvaard kunnen de Griekse wijsbegeerte erkennen en gebruiken in een synthese [zoals bv. Justinus die stelt dat ook Griekse filosofen al volgens de Logos hebben geleefd] of ze kunnen [zoals bv. Tertullianus]de wijsbegeerte met de overige heidense cultuur volstrekt afwijzen en als vals voorstellen tegenover de ware Christelijke filosofie [antithese]. Christelijke denkers voeren de volgende elementen in hun denken binnen : God is volgens de Schriften de absoluut Zijnde, de Enige, de Schepper, de Liefhebbende. De Logos is God en ‘al wat is is door de Logos tot aanzijn gekomen’. De Ideeën worden tot gedachten van God en de Logos is de mundus intelligibilis. Het Goddelijk Woord ‘verlicht’. De Christelijke wijsheid, het geloof aan de gekruisigde God, is voor de Grieken een dwaasheid. In feite staat de Christelijke wijsheid boven de rede. Het geloof is hulp voor de rede die aan zichzelf overgelaten in dwaling zou raken. Het Godsbestaan behoort tot de natuurlijke rede. De geschiedenis is één heilsplan. Het geleerde Christelijke denken heeft zich in de 2e en 3e eeuw in Alexandrië gevormd. In deze Hellenistische stad met haar sterk syncretistisch klimaat hadden Joods en Grieks denken elkaar al ontmoet. Ook was hier de vertaling van de Septuaginta tot stand gekomen. De filosofie wordt gezien als een geschikte propedeuse tot het verstaan van de Waarheid in de Schriften. Daarbij wordt o.a. van de allegorische methode gebruik gemaakt. Het denken steunt voor een belangrijk gedeelte op het neo-platonisme. In dit denken wordt uitgegaan van een dualisme : er is een tegenstelling tussen de bovenzinnelijke wereld van de Ideeën en daaraan minderwaardig de zichbare wereld. Aan de top van de wereld van de ideeën staan God, Geest en Wereldziel. Alles wat bestaat komt uit God voort en streeft naar hereniging met die God, die Het Ene wordt genoemd. Voor de mens is het mogelijk al in dit leven één te worden met de godheid. Wanneer de mens zich van al het aardse zuivert, ziet men in een verlichting de ideeën en wordt men in extase deelgenoot aan de vereniging met Het Ene.

 

 

 

 

Ook buiten kerkelijke kaders vinden we een ontmoeting van Openbaring en filosofie. Dit is het geval bij de gnostici die uit zijn op Gnoosis, kennis/inzicht. Zij beroepen zich op een geheime leer van de apostelen. Het gnostische denken gaat uit van de tegenstelling tussen de eeuwige hyle waaraan het kwade is gehecht als een soort woekerplant en het geestelijke principe. Er woedt een kosmische strijd tussen de principes van goed en kwaad.  God is volstrekt transcendent. De wereld is niet door God, maar door lagere wezens geschapen, de engelen of aeonen.  Marcion ziet een enorme tegenstelling tussen de strenge, wraakzuchtige God der Joden die de wereld heeft geschapen  en de liefde van Christus. De verlossing is alleen weggelegd voor de ware gnostici die het stoffelijke hebben afgeschud. Een andere sectarische groep is die van het Arianisme, genoemd naar Arius, een presbyter te Alexandrië uit begin 4e eeuw. Arius wilde niet de Godheid van Christus ontkennen, maar stelt wel, dat de Zoon niet van eeuwigheid af aan bestaat en dus ongelijk van wezen is met de Vader.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

11. Augustinus [354-430]

 

 

 

 

Augustinus heeft zijn leven beschreven in zijn Confessiones, Belijdenissen [396]. Voor zijn bekering in 385 volgde hij een opleiding in de retorica en leidde een ongeregeld leven. Daarna propageerde hij het Manicheisme, een Perzische leer van licht en duisternis die hij later zou bestrijden. Als leraar in de welsprekendheid in Milaan werd hij onder invloed van preken van bisschop Ambrosius bekeerd en in 387 gedoopt. In 392 werd hij tot priester gewijd en in 396 verkozen tot bisschop van Hippo ten westen van Carthago. De boeken uit de tijd van zijn priesterschap zijn gericht op een harmonie van wijsbegeerte en geloof.  A. schrijft in dialoog-vorm.  Daarna ligt alle nadruk op het uiteenzetten van de geloofsleer met behulp van filosofie.  Belangrijke boeken van hem zijn een boek over de Drieëenheid [De Trinitate] en een boek over zijn visie op geschiedenis en staat, De Stad Gods, De Civitate Dei [413-427]. Het probleem van Augustinus’werken is , dat ze erg tijdgebonden zijn en het karakter hebben van een persoonlijke belijdenis.  De belichting van de problemen kan dus sterk wisselen. A. bestrijdt het scepticisme vanuit het idee van innerlijke tegenspraak : wie twijfelt kan er niet aan twijfelen dat hij twijfelt. Wie twijfelt denkt. Wie denkt bestaat. Zo worden kenorde en zijnsorde met elkaar gekoppeld. Het heeft dus zin de waarheid na te streven. Het denken bereikt zekerheid en drukt zich uit in eeuwige, noodzakelijke en onveranderlijke oordelen. Het bestaan van deze oordelen kan verklaard worden uit het bestaan van een eeuwige, noodzakelijke en onveranderlijke werkelijkheid die het geestelijke denken te boven gaat. Deze werkelijkheid is de scheppende God zelf. Hiermee zijn er twee thema’s in A. ’s denken gegeven : “Laat ik mezelf kennen, laat ik U kennen”. De mens behoort naar zijn lichaam tot de stoffelijke natuur, naar zijn ziel tot de geestelijke wereld.  Het stoffelijke is niet op zichzelf verkeerd, maar de zonde is gelegen in de vrije wil die het stoffelijke boven het geestelijke de voorrang geeft.  De kennis begint met de zintuiglijke waarneming. In deze waarneming is het de ziel die waarneemt. Het verstand oordeelt over deze zintuiglijke indrukken en regelt er het menselijk handelen naar. In dit denkend handelen ervaart de mens de onveranderlijke waarheden die ieder handelen leiden. De rede is de aanschouwing van deze eeuwige waarheden die de ziel in zichzelf waarneemt. De ziel ontstaat tegelijk met het lichaam, maar vergaat er niet mee.  De mens leeft in een maatschappij. De banden met de medemens kunnen van wereldse, maar ook van hemelse aard zijn.  Zo staat de aardse staat tegenover de Godsstaat waarin alle mensen verbonden zijn door de liefde tot God. De mens heeft deel aan de ideeën van God, net als de schepping zelf.  Deze participatie vindt plaats door het kennen, maar ook de door de liefde. Denken en beminnen zijn verbonden. Gods zijn is immanent in geheel de schepping maar blijft tegelijkertijd aan heel deze schepping transcendent.

 

 

 

 

12.     Gregorius van Nyssa [335-394]

 

 

 

 

G. werkt het verschil uit tussen geloof en kennis.  Door het geloof nemen we door God geopenbaarde waarheden aan die niet in zichzelf begrepen worden; onze kennis vindt waarheden die ze zelf begrijpt.  De kennis kan dienen om de waarheden van het geloof te verdedigen, te verdedigen en in onderling verband te brengen. G. veracht de stof niet; de stof en het lichaam zijn niet in zichzelf verkeerd. De zonde schuilt alleen in de vrije wil van de mens. Het kwaad heeft geen eigen werkelijkheid, het is alleen het ontbreken van het goede.  De ziel moet zich dus op het goede richten, op het schouwen van God.  De ziel is als onstoffelijk en redelijk wezen door God geschapen, tegelijk met het lichaam, waarmee ze een eenheid uitmaakt. De ziel heeft wel vegetatieve, sensitieve en redelijke functies, maar is toch één. Er is geen voorbestaan van de ziel en ook geen zielsverhuizing, maar ziel en lichaam zullen  beide na de opstanding verheerlijkt deel hebben aan het eeuwig geluk.

 

 

 

 

studievragen

 

 

 

 

1.   Wat ziet u als verschil tussen geloof en denken?

 

 

 

 

2.   Wat ziet u als overeenkomst tussen geloof en denken?

 

 

 

 

3.   Op welke twee manieren hebben de vroege Christenen op het klassieke denken gereageerd?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

4.   Waarin verschilt het Neo-platonisme van het Platonisme?

 

 

 

 

5.   Kunt u enkele elementen uit de klassieke filosofie noemen die in het Christelijke denken terugkomen?

 

 

 

 

6.   Kunt u enkele factoren noemen die het geloof der Christenen maken tot dwaasheid voor de Grieken?

 

 

 

 

7.   Is volgens u goed en kwaad in vergelijkbare mate in de schepping aanwezig?

 

 

 

 

8.   Wat vindt u van de stelling dat het kwade alleen maar een ontbreken van het goede is?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

9.   Hebben volgens u goed en kwaad een bestaan?

 

 

 

 

10. Heeft volgens u God een puur transcendent karakter of is hij ook immanent?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

11. Wat verstaat u onder een Christelijke visie op de natuur?

12. Wat verstaat u onder een Christelijke visie op God en Schepping?

13. Wat verstaat u onder een Christelijke visie op geschiedenis?

14. Wat verstaat u onder een Christelijke visie op maatschappij?

15. Wat verstaat u onder een Christelijke visie op kunst?