***











 

www.resantiquae.nl

emblemata







http://www.emblems.arts.gla.ac.uk/


In de Renaissance werd met veel enthousiasme aandacht gegeven aan het genre van het emblema, een combinatie van een plaatje met een bijbehorend 'praatje', een Latijns gedichtje waarin de afbeelding werd uitgelegd en van een ethisch commentaar werd voorzien. Bovenstaande site bevat het relevante materiaal. Hieronder een inleiding op het genre.

Het Emblematum liber van Andrea  Alciati

 

1. Inleiding :  de wortels van de emblemataliteratuur

 

         De emblemataliteratuur gaat terug op het oud-Egyptische hiërogliefenschrift. In de Middeleeuwen waren  hiërogliefische voorstellingen niet geheel onbekend. De bekendheid was het grootst in Oost-Europa waarvandaan een werk afkomstig is van een onbekende schrijver die zich Horapollo noemde [naar de Egyptische god Horus en de grieksae god Apollo]. In dit boek werden de tekens der Egyptische obelisken en tempelmuren op een vrij willekeurige  manier uitgelegd en toegepast.

 

         In het begin van de 15e eeuw kwamen Italiaanse humanisten met dit boek in contact. Zij zagen in de tekens geheimzinnige aanduidingen van hogere denkbeelden. Ze baseerden zich daarbij op het verhaal dat Plato en Pythagoras hun diepste wijsheid ontleend zouden hebben aan de wijsheid der Egyptische priesters. Zo verkregen de hiërogliefen bij humanisten als Marsilio Ficino en Pico della Mirandola  die in hun werken de Platoonse ideeënleer nieuw leven inbliezen, een groot gezag.

 

         Ook in de Middeleeuwen was symboliek een druk beoefende wetenschap geweest, maar dan vooral in toepassing op het Christelijk geloof. De Renaissance gaf aan de Christelijke midddeleeuwse symbolen een nieuwe, meer abstracte betekenis. 

 

         Zo was voor de Middeleeuwer de pelikaan die zich voor zijn jongen opoffert, het beeld van Christus, die door zijn bloed de zielen spijzigt en hun het leven geeft. In de Renaissance werd deze vogel de belichaming van de opofferingsgezindheid.

 

         De eenhoorn die zich volgens de legende alleen door een maagd liet vangen, was tijdens de middeleeuwen het symbool van Christus die door de maagd Maria tot mens was geworden. In de Renaissance werd dit fabeldier het zinnebeeld der kuisheid. De reden die men hiervoor aanvoerde vond zijn oorsprong al in de legenden der Oudheid : met zijn hoorn zou het dier vergiftigde bronnen en stromen kunnen reinigen.

 

         In de Middeleeuwen was het teken eerder een didactisch dan een poëtisch middel. In de Renaissance werd het de weerspiegeling van het hogere, waaraan het deel had. Niet alleen betekende het de eeuwige idee, maar ook had het iets van de aantrekkingskracht van deze idee. Het renaissancistische symbool lijkt in dit opzicht op het symbolisme der primitieven die in het godenbeeld iets van de kracht van de godheid voelen en in het schild iets van de kracht van degene die het draagt.

 

         De meeste zinnebeelden  moesten om begrijpelijk te zijn expliciet verklaard worden. Aanvankelijk werd die verklaring met een paar woorden aangeduid, maar gaandeweg  ging men gebruik maken van korte spreuken. Soms werden deze aan de Bijbel en de Klassieken ontleend, soms ook wel aan latere gewijde en profane  schrijvers. Beeld en devies/motto vereisten dikwijls weer een nadere toelichting die eerst in de vorm van een gedicht, later ook van een kortere of langere verhandeling in proza werd gegeven.

 

2. Het Emblemataboek van Alciati 

 

2.1. Biografische notities

 

         Alciatus werd geboren in 1492. In 1504 volgde hij lessen in de retorica bij Johannus Aulus Parrhasius in Milaan. In 1507/8 ging hij naar Pavia om rechten te studeren, o.a. bij Jason de Mayne en Paulus Picus. [zie embl. XCVI] . Van 1511 tot 1514 zetten hij zijn juridische studies voort in Bologna waar hij een doctoraat in utroque iure behaalde. In de opdracht bij zijn commentaar op de laatste drie boeken van de Codex Iustiniani schrijft Alciatus dat de kennis van de wetten met de studia humanitatis kan worden verbonden. De filologische methode kan worden toegepast op juridische teksten.  Hij probeerde de oorspronkelijke betekenis van woorden te reconstrueren door studie van antieke teksten. Terug in Milaan werd Alciatus advocaat en lid van het Collegium Iurisconsultorum. In 1518 verschenen de Paradoxa. de Praetermissa, de Dispunctiones en het De eo quod interest liber, waarin hij zijn nieuwe juridische methode uiteenzette. Budé was van oordeel dat Alciatus de aangewezen persoon was de rechtenstudie te hervormen. Misschien was hij het die bemiddelde bij het verkrijgen van een leerstoel in Avignon in 1518. Aurelius Albutius maakte een embleem om Alciatus aan te sporen in Gallië te gaan lesgeven. De perzik die op de prent is afgebeeld was in het land van ontstaan een nutteloze en giftige vrucht, maar droeg, overgeplant uit Perzië, in vreemde aarde zoete vruchten.   Zijn colleges werden zeer druk bezocht. Een van zijn studenten was Bonifatius Amerbach, de uitgever uit Basel, die hem in contact bracht met Baselse uitgevers en drukkers en bovendien met de humanisten in het Noorden, onder wie Erasmus. Een conflict over zijn stipendium bezorgde hem de reputatie van gierigheid.

 

         In een brief aan Calvus uit 1522  komt de volgende passage voor : ' Om tijdens deze Saturnalia de verheven Ambrogio Visconti terwille te zijn heb ik een boekje met epigrammen samengesteld waaraan ik de titel Emblemata heb gegeven. In de afzonderlijke epigrammen beschrijf ik telkens iets uit de historie of de natuur zo dat het iets aardigs betekent en daarvan kunnen schilders, goudsmeden en gieters dat soort zaken maken dat wij schildjes noemen en aan onze hoeden vastmaken of als handelsmerk voeren, zoals het anker van Aldus, de duif van Frobenius en de Olifant van Calvus die zo lang  drachtig is zonder te baren'. Hoogstwaarschijnlijk is het bij een manuscript gebleven en niet tot een gedrukte uitgave gekomen.

 

         Vanaf zijn vroegste jeugd had Alciatus  vertalingen van Griekse epigrammen gemaakt. Deze activiteit stond in nauw verband met de Emblemata. Van de 104 epigrammen die uiteindelijk in 1531 werden gedrukt waren er veertig geheel of gedeeltelijk gebaseerd op de Anthologia Graeca.

 

 

 

2.2. Het Emblemataboek

 

          Het Emblematum liber van 1531 van Alciatus was het oudste emblemataboek in eigenlijke zin.  Het  door Heinrich Steyner in Augsburg uitgegeven werk bevatte een reeks  houtgravures met daarbij een devies en een verklarend gedicht. Van de 104 emblemen hebben er 97 een houtsnede.  De emblemen zijn doorlopend gedrukt : soms valt het motto op één pagina en de afbeelding op de volgende. De motto's zijn in kapitaal romein gedrukt, de epigrammen in cursief, een lettertype dat door Aldus Manutius in 1504 was ontworpen . Alciatus en zijn navolgers hadden als bedoeling een verzameling van zinnebeeldige figuren of voorstellingen bijeen te brengen die men als versiering kon aanbrengen op huisraad of wapens. Alle nadruk viel dan ook op de afbeelding, de tekst was veelal bijzaak. De classicistische tendens die aan de Renaissance eigen was leidde ertoe dat allerlei voorstellingen en figuren uit de klassieke mythologie en de oude geschiedenis een belangrijke plaats innamen onder de emblemata. Het werk had kennelijk succes : van 1531 tot 1534 verschenen vijf drukken. In 1534 verscheen bij Chr. Wechel een editie in Parijs met fraaie houtsneden van Jollat. In 1546 verscheen een verzameling met 86 geheel nieuwe epigrammen en 84 houtsneden bij Aldus Manutius in Venetië. Pas in 1551 zag de complete verzameling van 211 emblemata het licht bij M. Bonhomme te Lyon. Er verschenen uiteindelijk ca 150 uitgaven, geen ervan in het Nederlands.

 

3. Tekst en commentaar op  de emblemata

 

 

Andreae Alciati in librum emblematum praefatio ad

Chonradum  Peutingerum, Augustanum

 

Dum pueros iuglans, iuvenes dum tessera fallit:

 Detinet, et segnes chartula picta viros.

Haec nos festivis Emblemata cudimus horis

 Artificum illustri signaque facta manu:

Vestibus ut torulos, petasis ut figere parmas,

 Et valeat tacitis scribere quisque notis.

At tibi supremus pretiosa nomismata Caesar,

 Et veterum eximias donet habere manus,

Ipse dabo vati chartacea munera vates,

 Quae, Chonrade, mei pignus amoris habe.

 

praefatio in : voorwoord bij  ad : aan  Conradus Peutinger : stadsraad van Augsburg, adviseur van Maximiliaan I en verzamelaar van antieke munten en manuscripten   Augustanus : van Augsburg   dum : terwijl   iuglans, iuglandis : walnoot    tessera : dobbelsteen    fallere : misleiden   detinere : vasthouden, boeien   segnis : lui   chartula : kaart  festivus : feestelijk   cudere : uithakken   hora : uur, seizoen    artifex, artificis : ambachtsman  illustris : roemrijk  signum : teken, symbool    vestis, vestis : kledingstuk   ut : zoals   torulus : ornament    petasus : hoed   parma : schild, medaillon    et  : ook    tacitus : stil   nota : teken  supremus : allerhoogste   pretiosus : kostbaar   nomisma, nomismatis :  munt  vetus, veteris : oud   eximius : voortreffelijk   donare : geven   manus :  handwerk  vates, vatis : dichter   chartaceus : op papier   munus, muneris :  geschenk   pignus, pignoris : onderpand [hier predicatief : als een pand...]

 

 

 

Voorwoord bij de Emblemata editie van 1551 [Lugduni apud Mathi. Bonhomme] :

 

Porro usus Emblematum praeter gratiam ac voluptatem ex iucunda novitate quae tedium levat brevem sententiae argutiam, quae animum pungit, numerosam versuum suavitatem quae aures mulcet toon eikonoon picturam non inanem quae oculos pascit, Etiam ille [inquam] usus est ut quoties rebus vacuis complementum nudis ornamentum mutis sermonem alogis rationem tribuere aut certe affingere velit quispiam, is ex Emblematum libello tanquam ex promptuario instructissimo habeat quod domesticis parietibus, vitreis fenestris, aulaeis peristromatis tabulis vasis signis anulis sigillaribus vestimentis mensae fulcro armis gladio suppellectili denique omni nusquam non inscribere et impingere possit : ad hoc scilicet ut usquequaque loquax et aspectu iucunda sit rerum ad usum communem spectantium facies. Quare et ipse Alceatus sua haec epigrammata appellatione convenientissima inscribi voluit Emblemata. Sunt enim Emblemata vermiculata opera ex tessellis insititiis apta et composita interprete Budaeo, quod et ipsa vocabuli Graeci origo ostendit.

 

Emblema I

Super insigni Ducatus Mediolanensis

 

insigne, insignis : schild   ducatus : hertogdom, hertog 

 

 

Ad illustrissimum Maximilianum, Ducem Mediolanensem

 

Exiliens infans sinuosi e faucibus anguis,

 Est gentilitiis nobile stemma tuis.

Talia Pellaeum gessisse nomismata regem

  Vidimus, hisque suum concelebrasse genus:

Dum se Ammone satum, matrem anguis imagine lusam,

 Divini et sobolem seminis esse docet.

Ore exit. Tradunt sic quosdam enitier angues.

  An quia sic Pallas de capite orta Iovis?

 

dux, ducis : hertog   exsilire : springen uit   sinuosus : kronkelend   fauces , faucium : keel   anguis, anguis : slang  gentilitii : familie    stemma : wapen   talis, talis : dergelijk   Pellaeus : van Pella  [met rex Pellaeus  wordt Alexander de Grote bedoeld]  gerere : dragen   nomisma, nomismatis : munt    his <nomismatibus>  concelebrare : beroemd maken [concelebrasse = concelebravisse]   genus ,  generis : nageslacht  dum : terwijl   se satum <esse> : a.c.i. afhankelijk van docet  serere : zaaien [ppp. satus]  Ammon, Ammonis  : Amon/Zeus   anguis , anguis : slang  imago, imaginis : beeld, gestalte  ludere : misleiden  divinus : goddelijk   soboles, sobolis : nakomeling  semen, seminis : zaad  os, oris : mond   exire : tevoorschijn komen   tradere : overleveren   eniti : baren [enitier : archaische infinitivus]  quia : omdat  caput, capitis : hoofd   oriri : ontstaan, voortkomen uit  Iuppiter, Iovis : Jupiter

 

Emblema II

 

Mediolanum

 

 

 

Bituricis vervex, Heduis dat sucula signum:

 His populis patriae debita origo meae est,

Quam Mediolanum sacram dixere puellae

  Terram: nam vetus hoc Gallica lingua sonat.

Culta Minerva fuit, nunc est ubi numine Tecla

 Mutato, Matris virginis ante domum.

Laniger huic signum sus est, animalque biforme,

 Acribus hinc setis, lanitio inde levi.

 

Biturici : de Bituriges waren een Keltisch volk in Aquitania  vervex, vervecis : hamel, gesneden ram    Haedui : volksstam tussen Arar en Liger    sucula : biggetje   Mediolanum : Milaan   sacer : gewijd aan [ verbinden met puellae]  dixere = dixerunt   vetus, veteris : oud  sonare : laten klinken   colere : vereren [ppp cultus]   numen, numinis : goddelijke macht   mutare : veranderen    numine mutato : ablativus absolutus   mater virgo : nl. de maagd Maria   laniger : woldragend   sus : varken   biformis: tweevormig   acer, acris : scherp  seta : borstelig haar   lanitium : wolcultuur, wol

 

Emblema III

 

Nunquam procrastinandum

 

numquam : nooit    procrastinare : uitstellen, verschuiven

 

 

 

Alciatae gentis insignia sustinet Alce,

 Unguibus et [meden] fert [anaballomenos]

Constat Alexandrum sic respondisse roganti,

  Qui tot obivisset tempore gesta brevi?

Nunquam, inquit, differre volens. Quod et indicat Alce:

 Fortior haec, dubites, ocior anne siet.

 

gens, gentis : familie  insigne : devies   sustinere : omhooghouden   alce  : eland   unguis, unguis : hoef    constat + a.c.i. : het staat vast dat.....    qui etc. : afhankelijke vraag bij roganti   obire :   verrichten  gestum : daad  differre : uitstellen   quod = id [relatieve aansluiting]  dubitare : twijfelen  fortior etc. : lees : dubites utrum haec fortior an ocior siet  siet = sit

 

Emblema IV

 

In Deo laetandum

 

laetari : zich verheugen

 

 

Aspice ut egregius puerum Iovis alite pictor 

Fecerit Iliacum summa per astra vehi.

Quisne Iovem tactum puerili credat amore?

 Dic, haec Maeonius finxerit unde senex?

Consilium, mens atque Dei cui gaudia praestant,

  Creditur is summo raptus adesse Iovi.

 

aspicere : kijken   ut : hoe   egregius : voortreffelijk  ales, alitis : vogel  pictor, pictoris : schilder  Iliacus : van Troje [ verbinden met puerum]  astrum : ster  vehere : meenemen  Iovem tactum <esse> : a.c.i. afhankelijk van credat  credere : geloven   tangere: aanraken   Maeonius : van Maeonië, een landstreek in Lydië [bedoeld wordt Homerus]  unde : waarvandaan   fingere : verzinnen   consilium atque mens Dei : godsbesef   gaudium : vreugde  praestare : verschaffen  creditur is cui : men gelooft dat hij, voor wie.... rapere : roven, schaken   adesse + dat. : aanwezig zijn bij

 

 

 

Emblema V

 

Sapientia humana, stultitia est apud Deum

 

sapientia : wijsheid   stultitia : dwaasheid

 

 

 

Quid dicam? Quonam hoc compellem nomine monstrum

 Biforme, quod non est homo, nec est draco?

Sed sine vir pedibus, summis sine partibus anguis,

 Vir anguipes dici, et homiceps anguis potest.

Anguem pedit homo, hominem eructavit et anguis:

 Nec finis hominis est, initium nec est

ferae. Sic olim Cecrops doctis regnavit Athenis:

 Sic et gigantes terra mater protulit.

Haec vafrum species, sed relligione carentem,

  Terrena tantum quique curet, indicat.

 

dicam : moet ik zeggen  [coniunctivus dubitativus]  quonam : verbinden met nomine  compellare : benoemen  biformis, -is ; tweevormig  raco, drconis : slang  pes, pedis : voet  pars, partis : deel  anguis, anguis : slang  anguipes : met slangevoeten  homices : met mensenhoofd  pedere : een wind laten, uitschijten  eructare : uitbraken   proferre ; voortbrengen    vafer : slim, listig  carere + abl. : missen, verstoken zijn van   terrena : aardse zaken  tantum : slechts  indicat <eum> qui...

 

 

 

 

 

Emblema VI

 

 

Ficta religio

 

fictus : vals

 

 

Regali residens meretrix pulcherrima sella,

 Purpureo insignem gestat honore peplum.

Omnibus et latices pleno e cratere propinat.

 At circum cubitans ebria turba iacet.

Sic Babylona notant: quae gentes illice forma,

 Et ficta stolidas religione capit.

 

regalis : koninklijk  meretrix, meretricis : hoer  sella : zetel   insignis, -is : opvallend  gestare ; dragen   peplus : kleed  latex, laticis : wijn  crater, crateris : mengvat  propinare : schenken   cubitare : liggen   ebrius : dronken   notare : kijken naar  illix, illicis : verleidelijk   forma : gestalte, schoonheid  stolidus : dom  stolidas verbinden met gentes

 

Emblema VII

Non tibi, sed religioni

 

Isidis effigiem tardus gestabat asellus,

 Pando verenda dorso habens mysteria.

Obvius ergo Deam quisquis reverenter adorat,

  Piasque genibus concipit flexis preces.

Ast asinus tantum praestari credit honorem

  Sibi, et intumescit, admodum superbiens:

Donec eum flagris compescens, dixit agaso,

 Non es Deus tu, aselle, sed Deum vehis.

 

Isis, Isidis :  Isis  effigies, : beeld  tardus : traag  gestare : dragen   asellus : ezeltje  oandus : gebogen  verendus : eerbiedwaardig   dorsum : rug  obvius : voorbijganger 

reverenter : op eerbiedige wijze  pius : vroom  genu : knie   concipere : opvatten, formuleren  flexus : gebogen   prex, precis : gebed  praestare : bewijzen   intumescere : opzwellen  admodum : ten volle, zeer  superbire : trots zijn  agaso, agasonis :  menner  flagrum : zweepslag  compescere : in toom houden

 

 

 

Emblema VIII

 

Qua dii vocant, eundum

 

qua : waarlangs   eundum <est> : gerundivum van ire, gaan

 

In trivio mons est lapidum: supereminet illi

Trunca Dei effigies, pectore facta tenus.

Mercurii est igitur tumulus: suspende viator

Serta Deo, rectum qui tibi monstret iter.

Omnes in trivio sumus, atque hoc tramite vitae

Fallimur, ostendat ni Deus ipse viam.

 

trivium : driesprong   supereminere : uitsteken boven  truncus : afgeknot, afgebroken, half   effigies : beeld  pectus, pectoris : borst  tenus : tot aan   tumulus ; heuvel  suspendere : ophangen  viator, viatoris : reiziger  sertum : bloemenkrans, guirlande  rectus ; juist   monstrare : tonen [n.b. coniunctivus in de relatieve bijzin!]    trames, tramitis : pad  ni = nisi

 

Emblema IX

 

Fidei symbolum

 

 

 

Stet depictus Honos tyrio velatus amictu,

Eiusque iungat nuda dextram Veritas.

Sitque Amor in medio castus, cui tempora circum

Rosa it, Diones pulchrior Cupidine.

Constituunt haec signa Fidem, Reverentia Honoris

Quam fovet, alit Amor, parturitque Veritas.

 

depictus : afgebeeld   Honos, honoris : Eer  velatus : gehuld  amictus : kleding  dextram iungere ; de rechterhand geven   castus : kuis  tempora : slapen  Dione : moeder van  Aphrodite  fovere : koesteren   alere : voeden   parturire : baren

 

Emblema X

 

Foedera

Ad Maximilianum, Mediolani Ducem

 

foedus, foederis : verdrag

 

 

 

Hanc citharam a lembi quae forma halieutica fertur,

  Vendicat et propriam Musa Latina sibi,

Accipe Dux: Placeat nostrum hoc tibi tempore munus,

  Quo nova cum sociis foedera inire paras.

Difficile est, nisi docto homini, tot tendere chordas;

  Unaque si fuerit non bene tenta fides,

Ruptave (quod facile est) perit omnis gratia conchae,

  Illeque praecellens cantus, ineptus erit.

Sic Itali coeunt proceres in foedera: concors

  Nil est quod timeas, si tibi constet amor.

At si aliquis desciscat (uti plerumque videmus)

 In nihilum illa omnis solvitur harmonia.

 

lembus : bootje, jacht   halieuticus : vissers-   vindicare sibi : voor zich opeisen   placere : behagen   munus, muneris : geschenk  parare : zich voorbereiden, voornemens zijn  fides : snaar  ruptus : gebroken  concha : schelpdier  ineptus : dwaas, ongerijmd  proceres : aanzienlijken   concors, concordis : eendrachtig  desciscere : afhaken   plerumque : meer dan eens   solvere : oplossen

 

 

Emblema XI

 

Silentium

 

 

 

Cum tacet, haud quicquam differt sapientibus amens:

  Stultitiae est index linguaque voxque suae.

Ergo premat labias, digitoque silentia signet:

  Et sese Pharium vertat in Harpocratem.

 

tacere : zwijgen   differre : verschillen   amens : dwaas  index, indicis : aanwijzer  premere : samendrukken   labia : lip  digitus : vinger  vertere in : veranderen in   Pharius : van Pharus  Harpocrates :  Egyptische god van het stilzwijgen

 

Emblema XII

 

Non vulganda consilia

 

vulgare :  onder de mensen brengen, verbreiden   consilium : plan

 

Limine quod caeco, obscura et caligine monstrum

  Gnosiacis clausit Daedalus in latebris,

Depictum Romana phalanx in proelia gestat,

  Semiviroque nitent signa superba bove:

Nosque monent, debere Ducum secreta latere

  Consilia. Auctori cognita techna nocet.

 

limen, liminis : drempel  caecus : onzichtbaar, geheimzinnig  obscurus : donker  caligo, caliginis : nevel   Gnosiacus : van Knossos  claudere : opsluiten   latebra : schuilplaats   depictus : afgebeeld    proelium : strijd   gestare : dragen   semivirus : halfmannelijk   nitere : stralen   signa : veldtekens  bos, bovis : rund   techna : plan

 

 

 

 

Emblema XIII

 

Nec quaestioni quidem cedendum

 

ne....quidem : zelfs niet   quaestio, quaestionis : ondervraging, marteling  cedere : wijken

 

Cecropia effictam quam cernis in arce Leaenam,

  Harmodii (an nescis hospes?) amica fuit.

Sic animum placuit monstrare viraginis acrem

  More ferae, nomen vel quia tale tulit.

Quod fidibus contorta, suo non prodidit ullum

  Indicio, elinguem reddidit Iphicrates.

 

Cecropius : van Cecrops   effictus : afgebeeld   cernere : zien   arx, arcis : burcht  Leaena : Leeuwin   Harmodius:            hospes, hospitis : vreemdeling   virago, viraginis : heldin   mos, moris : wijze   fera : wild dier   fides : snaar

contorquere : hevig folteren  prodere : prijsgeven, verraden   elinguis : zonder tong   reddere : afbeelden   Iphicrates :

 

Emblema XIV

 

Consilio et virtute Chimaeram superari, hoc est, fortiores et

deceptores

 

Chimaeram superari : a.c.i. afhankelijk van <constat>   Hoc est etc: verklaart Chimaeram   deceptor, deceptoris : bedrieger

 

Bellerophon ut fortis eques superare Chimaeram

  Et Lycii potuit sternere monstra soli;

Sic tu Pagaseis vectus petis aethera pennis.

  Consilioque animi monstra superba domas.

 

ut : wordt later opgenomen door sic   sternere : neerslaan   solum : grond  vectus : meegevoerd   penna : vleugel   consilium : overleg, beraad   domare : temmen

 

Emblema XV

 

Vigilantia et custodia

 

 

Instantis quod signa canens det gallus Eoi,

  Et revocet famulas ad nova pensa manus:

Turribus in sacris effingitur aerea pelvis,

Ad superos mentem quod revocet vigilem.

 Est leo: sed custos oculis quia dormit apertis,

  Templorum idcirco ponitur ante fores.

 

instans, instantis : naderend   canere : kraaien   gallus : haan   Eous : dageraad   famulus : dienend   pensum : taak   turris, turris : toren  effingere: afbeelden  aereus : bronzen   pelvis : bekken, schotel, klok   ad superos :

vigil, vigilis : wakend   fores : deur

 

Emblema XVI

 

[N

êphe kai memnês apizein. arthra tauta tôn

phrenôn]

 

Sobrius esto, et memineris non temere credere: haec sunt membra

mentis

 

sobrius : nuchter

 

Ne credas, ne (Epicharmus ait) non sobrius esto:

  Hi nervi humanae membraque mentis erunt.

Ecce oculata manus credens id quod videt: ecce

  Pulegium antiquae sobrietatis olus:

Quo turbam ostenso sedaverit Heraclitus,

  Mulserit et tumida seditione gravem.

 

Epicharmus :         ait : zegt   esto : je moet zijn   oculatus : van een oog voorzien    pulegium : polei                olus, oleris : groente   ostendere : tonen  quo ostenso : ablativus absolutus : 'na deze getoond te hebben'  [quo = eo : relatieve aansluiting]  sedare : tot rust brengen   mulcere : kalmeren   seditio, seditionis : opstandigheid

 

Emblema XVII

 

[Pê parebên : ti d' erexa; ti moi deon ouk

etelesthê;]

 

Lapsus ubi? quid feci? aut officii quid omissum est?

 

labi : een fout maken  officium : plicht    omittere : nalaten

 

Italicae Samius sectae celeberrimus auctor

 Ipse suum clausit carmine dogma brevi:

Quo praetergressus? quid agis? quid omittis agendum?

  Hanc rationem urgens reddere quemque sibi.

Quod didicisse gruum volitantum ex agmine fertur,

  Arreptum gestant quae pedibus lapidem:

Ne cessent, neu transversas mala flamina raptent.

  Qua ratione, hominum vita regenda fuit.

 

Samius : van Samos   auctor, auctoris : stichter   claudere : omsluiten, verwoorden   praetergredi : voorbij gaan   urgere : erop aandringen   rationem reddere : rekenschap geven   quod = id [relatieve aansluiting]  grus, gruis : kraanvogel   fertur : men zegt dat hij.....   gestare : dragen   cessare : wijken   transversus : schuin, van  hun koers af    flamen, flaminis : wind   qua = ea

 

Emblema XVIII

 

Prudentes

 

Iane bifrons, qui iam transacta futuraque calles,

  Quique retro sannas, sicut et ante, vides:

Te tot cur oculis, cur fingunt vultibus? An quod

  Circumspectum hominem forma fuisse docet?

 

bifrons : met twee gezichten   callere : weten     sanna : spottende grimas   fingere : afbeelden   circumspectus ; voorzichtig

 

 

Emblema XIX

 

Prudens magis quam loquax

 

loquax, loquacis : praatziek

 

 

Noctua Cecropiis insignia praestat Athenis,

  Inter aves sani noctua consilii.

Armiferae merito obsequiis sacrata Minervae,

  Garrula quo cornix cesserat ante loco.

 

noctua : nachtuil   praestare inter : uitblinken te midden van   armifer : wapendragend   merito : terecht   obsequiae : dienstbaarheid   garrulus : praatziek  cornix, cornicis : kraai    cedere : wijken

 

Emblema XX

 

Maturandum

 

maturare : zich haasten

 

 

Maturare iubent propere, et cunctarier omnes;

  Ne nimium praeceps, neu mora longa nimis.

Hoc tibi declaret connexum echeneide telum:

  Haec tarda est, volitant spicula missa manu.

 

propere : snel   cunctari [archaische infinitivus cunctarier] : aarzelen, talmen   praeceps : hals over kop   connexus : verbonden    echeneis, echeneidis : zuigervis

tardus ; traag    volitare : vliegen   spiculum : werpspies, pijl

 

 

Emblema XXI

 

In deprehensum

 

 

 

Iamdudum quacunque fugis, te persequor: at nunc

  Cassibus in nostris denique captus ades.

Amplius haud poteris vires eludere nostras:

  Ficulno anguillam strinximus in folio.

 

iamdudum : reeds lang   quacumque : waarlans ook maar   casses, cassium : net, val, strik   ficulnus : vijge-   anguilla : aal   stringere : binden, vastsnoeren

 

 

Emblema XXII

 

Custodiendas virgines

 

Vera haec effigies innuptae est Palladis: eius

  Hic draco, qui dominae constitit ante pedes.

Cur divae comes hoc animal? Custodia rerum

  Huic data: sic lucos, sacraque templa colit.

Innuptas opus est cura asservare puellas

  Pervigili: laqueos undique tendit Amor.

 

verus : waarachtig   effigies, effigiei : afbeelding   lucus : heilig woud   opus est : het is nodig   laqueus : strik, strop

 

 

Emblema XXIII

 

Vino prudentiam augeri

 

augere : vergroten

 

Haec Bacchus pater et Pallas communiter ambo

  Templa tenent, soboles utraque vera Iovis.

Haec caput, ille femur solvit: huic usus olivi

  Debitus, invenit primus at ille merum.

Iunguntur merito: quod si qui abstemius odit

  Vina, Deae nullum sentiet auxilium.

 

soboles : nakomelingen   femur : dijbeen   solvere : openen   debitus : verschuldigd, te danken   merum : wijn    abstemius : zich van wijn onthoudend

 

 

Emblema XXIV

Prudentes vino abstinent

 

Quid me vexatis, rami? sum Palladis arbor.

  Auferte hinc botros, virgo fugit Bromium.

 

ramus : tak    vexare : kwellen   botrus : druif   Bromius : bijnaam van Bacchus

 

 

Emblema XXV

 

In statuam Bacchi

 

Dialogismus.

 

Bacche pater, quis te mortali lumine novit,

  Et docta effinxit quis tua membra manu?

Praxiteles, qui me rapientem Gnossida vidit,

  Atque illo pinxit tempore, qualis eram.

Cur iuvenis, teneraque etiam lanugine vernat

  Barba, queas Pylium cum superare senem?

Muneribus quandoque meis si parcere disces,

  Iunior et forti pectore semper eris.

Tympana non manibus, capiti non cornua desunt:

  Quos nisi dementeis talia signa decent?

Hoc doceo, nostro quod abusus munere sumit

  Cornua, et insanus mollia sistra quatit.

Quid vult ille color membris pene igneus? omen

  Absit, an humanis ureris ipse focis?

Cum Semeles de ventre parens me fulmine traxit

  Ignivomo, infectum pulvere mersit aquis.

Hinc sapit hic, liquidis qui nos bene diluit undis:

  Qui non, ardenti torret ab igne iecur.

Sed nunc me doceas, qui vis miscerier? Et qua

  Te sanus tutum prendere lege queat?

Quadrantem addat aquae, calicem sumpsisse falerni

  Qui cupit, hoc sumi pocula more iuvat,

Stet intra heminas: nam qui procedere tendit

  Vltra, alacer, sed mox ebrius, inde furit.

Res dura haec nimium, sunt pendula guttura, dulce

  Tu fluis. Heu facile commoda nulla cadunt.

 

mortalis, -is : sterfelijk  lumen, luminis : oog  noscere, perf. novi : leren kennen  effingere : afbeelden   rapere : schaken    Gnossis, Gnossidis : van Knossos, dwz. Ariadne   lanugo, lanuginis : dons, vlasbaard   vernare :  zich verjongen, bloeien

queo : ik kan   Pylius : van Pylos   superare : overtreffen   senex, senis : grijsaard [met Pylius senex wordt Nestor bedoeld]   munus, muneris : geschenk  parcere : zuinig omgaan met, zich matigen in   tympanum : tamboerijn, handpauk  cornu, cornus : horen   deesse : afwezig zijn aan   dementeis : lees : dementes  decere + acc. : passen bij  abuti + abl. : misbruik maken van   abusus : degene die misbruik heeft gemaakt van    mollis, mollis : verwijfd, onmannelijk   sistrum : ratel   quatere : schudden   velle : willen zeggen, te betekenen hebben   pene : bijna   igneus : van vuur   omen, ominis : voorteken  abesse : afwezig zijn  urere : branden    focus : haard, vuur   venter, ventris : buik, schoot

fulmen, fulminis : bliksem   trahere : trekken    ignivomus : vuurspuwend   pulvis, pulveris : stof, as      mergere : onderdompelen   diluere : verdunnen   unda : golf, water   qui non <hoc facit>  iecur, iecoris : lever  <eius> iecur   torrere : roosteren, branden [hier intransitief]   qui : hoe   miscerier = misceri   quadrans, quadrantis :

een vierde deel    calix, calicis : beker   falernum : [Falernische] wijn  mos, moris : manier   hemina : pint  stare : blijven stilstaan    tendere : erop uit zijn    ultra : verder   alacer, alacris : opgewekt   pendulus : afhangend   guttur, gutturis : keel

commodus : prettig   cadere : uitvallen

 

Emblema XXVI

 

Gramen

 

gramen, graminis : gras

 

Gramineam Fabio patres tribuere corollam,

Fregerat ut Poenos Hannibalemque mora.

Occulit inflexo nidum sibi gramine alauda,

Vulgo aiunt, pullos sic fovet illa suos.

Saturno Martique sacrum, quo Glaucus adeso

Polybides, factus creditur esse Deus.

His merito arguitur nodis tutela salusque:

Herbaque tot vires haec digitalis habet.

 

gramineus : van gras   tribuere : toekennen [tribuere - tribuerunt]   corolla :  kransje   frangere : breken  mora ; uitstel, talmen   occulere : verbergen  alauda : leeuwerik   nidus : nest  vulgo :  doorgaans, in het algemeen   pullus : kuiken   Glaucus :  visser te Anthedon, in een voorspellende zeegod veranderd   adedere : beknagen  Polybides

nodus : knoop   arguere : aantonen    tutela : bescherming    digitalis :  vinger-

 

Emblema XXVII

 

Nec verbo, nec facto quemquam laedendum

 

factrum : daad  laedere : kwetsen

 

Assequitur, Nemesisque virum vestigia servat,

Continet et cubitum duraque fraena manu.

Ne male quid facias, neve improba verba loquaris:

Et iubet in cunctis rebus adesse modum.

 

assequi : inhalen   virum = virorum   vestigium : voetspoor   continere : vasthouden  cubitum : el   fraenum : teugel   <ali>quid   improbus : slecht   modus : maat

 

Emblema XXVIII

 

Tandem, tandem iustitia obtinet

 

Aeacidae Hectoreo perfusum sanguine scutum,

  Quod Graecorum Ithaco contio iniqua dedit,

Iustior arripuit Neptunus in aequora iactum

  Naufragio, ut dominum posset adire suum:

Littoreo Aiacis tumulo namque intulit unda,

  Quae boat, et tali voce sepulchra ferit:

Vicisti, Telamoniade, tu dignior armis:

  Affectus fas est cedere iustitiae.

 

Aeacides, Aeacidae : nakomeling van Aeacus, koning van Aegina, nl. Achilles    Ithacus : van Ithaca, nl. Odysseus   contio, contionis : vergadering   iniquus : oneerlijk   arripere : weggrissen   aequor, aequoris : zee   naufragium : schipbreuk     litoreus : op de kust  tumulus : graf   inferre : brengen naar   boare : weerklinken   ferire : slaan tegen  Telamoniades : zoon van Telamon   dignior <es>    affectus, -us : gevoel, emotie

 

Emblema XXIX

 

Etiam ferocissimos domari

 

ferox, ferocis : woest    domare : temmen

 

Romanum postquam eloquium, Cicerone perempto,

  Perdiderat patriae pestis acerba suae:

Inscendit currus victor, iunxitque leones,

  Compulit et durum colla subire iugum:

Magnanimos cessisse suis Antonius armis,

  Ambage hac cupiens significare duces.

 

eloquium : welsprekendheid   perimere :ombrengen  perdere : verdelgen   acerbus : bitter   victor, victoris : overwinnaar, nl. Antonius  inscendere : bestijgen   compellere : dwingen  collum : nek, hals magnanimos : verbinden met duces  cedere : wijken voor     ambages, ambagis : omweg, omhaal, orakeltaal

 

Emblema XXX

 

Gratiam referendam

 

gratiam  referre : een wederdienst bewijzen

 

Aerio insignis pietate ciconia nido,

  Investes pullos, pignora grata fovet.

Taliaque expectat sibi munera mutua reddi,

  Auxilio hoc quoties mater egebit anus.

Nec pia spem soboles fallit, sed fessa parentum

  Corpora fert humeris, praestat et ore cibos.

 

aerius : in de lucht   ciconia : ooievaar   investis : kaal  pullus : kuiken   pignus, pignoris : pand     gratus : dierbaar   fovere : koesteren   munus, muneris : dienst, geschenk   mutuus : wederzijds  auxilium : hulp   quoties : zovaak als   egere : missen, ontberen  anus : oud   pius : betrouwbaar   soboles, sobolis : nakomelingen  fallere : beschamen  fessus : moe, uitgeput  parens, parentis : ouder  humerus : schouder  praestare : verschaffen  os, oris : mond  cibus : voedsel, spijs

 

Emblema XXXI

 

Abstinentia

 

abstinentia : onthouding

 

Marmoreae in tumulis una stat parte columnae

  Urceus, ex alia cernere malluvium est.

Ius haec forma monet dictum sine sordibus esse,

  Defunctum puras atque habuisse manus.

 

marmoreus : van marmer  tumulus : graf  pars, partis : kant   columna : zuil  urceus : kruik   cernere : zien   malluvium : waterbekken   forma ; afbeelding   sordes, sordis : vuil  defunctus : overleden

 

Emblema XXXII

 

Bonis a divitibus nihil timendum

 

dives, divitis : rijk   timere a : vrezen van

 

Iunctus contiguo Marius mihi pariete, nec non

 Subbardus, nostri nomina nota fori,

Aedificant bene nummati, sataguntque vel ultro

  Obstruere heu, nostris undique luminibus.

Me miserum! Geminae quem tamquam Phinea raptant

  Harpyiae, ut propriis sedibus eiiciant,

Integritas nostra, atque animus quaesitor honesti,

  His nisi sint Zetes, his nisi sint Calais.

 

contiguus : aangrenzend   paries, parietis : muur  bene nummatus : goed van geld voorzien  satagere : moeite doen, zich druk maken  lumen, luminis : licht, oog  geminus : dubbel  quem : verwijst naar 'me'    Phineus : waarzeggende Thracische koning die omdat hij de ogen van zijn zoons had uitgestoken zelf met blindheid werd geslagen en door de Harpijen achtervolgd  proprius : eigen  quaesitor : op zoek naar    his : slaat op Marius en Subbardus   Zetes : naamwoordelijk deel van het gezegde

 

 

 

Emblema XXXIII

 

Signa fortium

 

 

Dialogismus

 

Quae te causa movet, volucris Saturnia, magni

  Ut tumulo insideas ardua Aristomenis?

Hoc moneo, quantum inter aves ego robore praesto,

  Tantum semideos inter Aristomenes.

Insideant timidae timidorum busta columbae,

  Nos aquilae intrepidis signa benigna damus.

 

causa : oorzaak, reden  movere ut : ertoe brengen om  volucris, volucris : vogel  arduus : hoog   robur, roboris : kracht  praestare :  uitblinken  insideant : coniunctivus concessivus   bustum : brandstapel, graf   intrepidus : onverschrokken

 

Emblema XXXIV

 

 

[Anechou kai apechou]

 

Sustine et abstine

 

Et toleranda homini tristis fortuna ferendo est,

  Et nimium felix saepe timenda fuit.

Sustine (Epictetus dicebat) et abstine. Oportet

Multa pati, illicitis absque tenere manus.

Sic ducis imperium vinctus fert poplite taurus

  In dextro: sic se continet a gravidis.

 

nimium : al te   felix <fortuna>   oportet : het behoort    illicitus : verboden   vinctus : gebonden  poples, poplitis : knie  gravidus : drachtig

 

 

 

Emblema XXXV

 

In adulari nescientem

 

adulari : vleien

 

Scire cupis dominos toties cur Thessalis ora

Mutet, et ut varios quaerat habere duces?

Nescit adulari, cuiquamve obtrudere palpum,

Regia quem morem Principis omnis habet.

Sed veluti ingenuus sonipes, dorso excutit omnem,

Qui moderari ipsum nesciat Hippocomon.

Nec saevire tamen domino fas: ultio sola est,

Dura ferum ut iubeat ferre lupata magis.

 

dominos mutare : van meester veranderen   obtrudere : opdringen   palpum : vleierij   ingenuus :  edel   sonipes : 'klepper', paard   dorsum : rug     omnem : te verbinden met Hippocomon  moderari : matigen, beteugelen   Hippocomos   ultio, ultionis : wraak  lupata, -orum : wolfsgebit

 

Emblema XXXVI

 

Obdurandum adversus urgentia

 

urgere : dringend zijn

 

Nititur in pondus palma, et consurgit in arcum,

 Quomagis et premitur, hoc mage tollit onus:

Fert et odoratas, bellaria dulcia, glandes,

 Queis mensas inter primus habetur honos.

I, puer, et reptans ramis has collige: mentis

 Qui constantis erit, praemia digna feret.

 

niti in : zich verzetten tegen   pondus, ponderis : gewicht palma : palmboom  arcus : boog   mage : meer  onus, oneris : last  odoratus : geurig  bellaria, bellariorum : nagerecht, dessert   glans, glandis : eikel  queis = quibus  mensa : gang

 

Emblema XXXVII

 

Omnia mea mecum porto

 

Hunnus inops, Scythicique miserrimus accola Ponti,

 Ustus perpetuo livida membra gelu:

Qui Cereris non novit opes, nec dona Lyaei,

  Et pretiosa tamen stragula semper habet.

Nam murinae illum perstringunt undique pelles:

Lumina sola patent, caetera opertus agit.

Sic furem haud metuit, sic ventos temnit et imbres:

Tutus apudque viros, tutus apudque Deos.

 

inops, inopis : gebrekkig  accola : nabuur  urere : verschrompelen, doen bevriezen  lividus :   blauw   Ceres, Cereris : de godin van het graan  Lyaeus : bijnaam van Bacchus   stragulum : sprei    murinus : van muizen, muiskleurig   perstringere : insluiten  pellis, pellis : huid   lumen, luminis : oog  patere : open liggen, onbedekt zijn   fur, furis : dief   tutus : veilig

 

Emblema XXXVIII

 

Concordiae symbolum

 

Cornicum mira inter se concordia vitae est,

Mutua statque illis intemerata fides.

Hinc volucres haec sceptra gerunt, quod scilicet omnes

Consensu populi stantque caduntque duces:

Quem si de medio tollas, discordia praeceps

Advolat, et secum regia fata trahit.

 

cornix, cornicis : kraai   mutuus : wederzijds   intemeratus : onbezoedeld, rein

consensus : eenstemmigheid   

 

Emblema XXXIX

 

Concordia

 

In bellum civile duces cum Roma pararet,

  Viribus et caderet Martia terra suis:

Mos fuit in partes turmis coeuntibus easdem

Coniunctas dextras mutua dona dare.

Foederis haec species: id habet concordia signum,

Ut quos iungit amor, iungat et ipsa manus.

 

turma : afdeling ruiterij, schare  coire : samenkomen   foedus, foederis : verdrag