***











 

www.resantiquae.nl

egypte

EGYPTE, HET LAND WAAR ALLES ANDERS IS

 

We laten ter inleiding Herodotus aan het woord :

Ik ga nu uitvoerig over Egypte vertellen, omdat het meer wonderen bevat dan welk land ook en de grootste kunstwerken te zien geeft die de wereld kent. Daarom zal hierover uitvoeriger gesproken worden.

 

 

 

Niet alleen leven de Egyptenaren onder een ander soort hemel dan andere mensen en heeft de Nijl een andere geaardheid dan andere rivieren, maar ook in hun zeden en levensgewoonten wijken zij sterk af van anderen.

 

 

 

Zo zijn het bij hen de vrouwen die naar de markt gaan en handel drijven, terwijl de mannen thuis zitten en weven. Anderen stoten bij het weven de spoel naar boven, de Egyptenaren naar beneden. Zware lasten dragen de mannen op het hoofd, de vrouwen op de schouders. Plassen doen de vrouwen in staande houding, de mannen zittend. Hun behoefte doen zij binnenshuis, maar zij eten buiten op  straat en zij geven daarbij deze verklaring, dat men onsmakelijke, maar noodzakelijke dingen in het verborgene moet verrichten, maar wat niet afstotelijk is, in het openbaar.  Geen vrouw kan priesteres worden, noch van een god, noch van een godin, maar mannen zijn priesters zowel van goden als van godinnen. Zonen behoeven hun ouders in het geheel niet te onderhouden, als ze dat niet willen, maar voor hun dochters is het een dure plicht, of ze willen of niet.

 

 

 

Elders dragen priesters van goden lang haar, in Egypte scheren zij het hoofd kaal. Bij andere mensen is het in tijden van rouw gewoonte, dat de naaste verwanten hun haar afknippen; de Egyptenaren laten na een sterfgeval zowel hoofdhaar als baard groeien, terwijl ze als regel kaal geschoren zijn.

 

 

 

Andere mensen wonen gescheiden van dieren, maar de Egyptenaren leven met dieren samen. Terwijl andere volkeren zich voeden met tarwe en gerst, geldt het voor de Egyptenaren als zeer grote schande daarvan te leven en zij bereiden hun voedsel uit spelt, door sommigen ook wel gierst  genoemd. Zij kneden deeg met hun voeten, maar leem met hun handen en ook rapen ze daarmee mest op. Alle andere mensen laten hun schaamdelen zoals die van nature zijn, behalve zij, die van de Egyptenaren geleerd hebben : deze besnijden zich namelijk. Elke man draagt twee kledingstukken, de vrouw slechts 1. Bij het zeilen leggen andere mensen de knopen in de jukringen en touwen aan de buitenkant, de Egyptenaren aan de binnenkant. Schrijven en rekenen doen de Grieken van links naar rechts, de Egyptenaren van rechts naar links en daarbij zeggen ze het zelf rechts te doen maar de Grieken links. Ze kennen twee soorten schrift, het ene wordt   heilig genoemd, het andere volks.

 

 

 

Herodotos, Historien II, 35 en 36

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Aandachtspunten :

 

  1. Hoe komt Herodotus aan zijn informatie?
  2. Tot welk publiek richt hij zich?
  3. Wat is de teneur van bovenstaand relaas?
  4. Weet je al zoveel over Egypte dat je Herodotus op een onjuistheid kunt betrappen?

  

Nieuwsgierig geworden naar de rest van Herodotus’ verhaal? Lees verder op :

http://classics.mit.edu/Herodotus/history.2.ii.html

 

Enkele aanbevolen Websites

 http://www.eternalegypt.org/EternalEgyptWebsiteWeb/HomeServlet?ee_website_action_key=action.display.home

http://www.eternalegypt.org/EternalEgyptWebsiteWeb/HomeServlet?ee_website_action_key=action.display.home

ETERNAL EGYPT, 2005

Begin met  de Guided Tour! 

Via de volgende wegen kan hier naar informatie worden gezocht :

 

1. Connections

2. Maps

3. Timeline

4. Multimedia

5. Library

6. Topics

7. Type

8. Sites & Museums

9. Search

10.Digital Guide

 

- Guardian’s Egypt :

http://guardians.net/egypt/

 

Ancient Egyptian History :

http://nefertiti.iwebland.com/history1-2.htm#2nd

 

The Ancient Egypt Site :

http://www.ancient-egypt.org/index.html

Hieroglyphics! A Guide and Web Directory to Egyptian Writing:

http://www.isidore-of-Seville.com/hieroglyphs

 

Hoofdstuk  1  Egypte, het land en zijn geschiedenis

 

1.1:Geografie: Egypte als geschenk van de Nijl

 

Het land Egypte werd in de Oudheid gevormd door het stroomgebied van de Nijl ten noorden van de cataract [stroomversnelling] van Assouan. Het was gelegen tussen de Arabische woestijn in het oosten en de Libische woestijn in het westen. Nergens is het dal ,met zijn lengte van 800 km, breder dan 24 km, behalve in het mondingsgebied ten noorden van Memphis waar de rivier een brede delta vormt met een lengte van ca 170 km een een maximale breedte van ca 250 km. In de delta werd tweemaal zoveel verbouwd als tussen Cairo en Assouan.

 Kaart Oude Egypte.jpgKaart Oude Egypte.jpg

 

Egypte is als geheel een woestijnstaat; slechts 4 %  van de vlakte laat zich bebouwen en bewonen.  Van Assouan tot Cairo lijkt dit bewoonbare gedeelte op een buitenproportionele rivieroase. Op enkele plaatsen is de vlakte honderd meter breed, op andere dringt de rivier de Sahara enkele kilometers binnen. Het klimaat is droog en het regent zelden. Door de regelmatige jaarlijkse afzettingen van slib als gevolg van de periodieke overstroming, veroorzaakt door de moessonregens in Ethiopië, is het land toch zeer vruchtbaar.

 

Die overstroming begint in juli, bereikt het hoogtepunt in december en daalt daarna. Werk op het ondergelopen land was in de oudheid onmogelijk. De arbeidskracht was dan vrij voor werk elders en voor feesten. Met het droge seizoen kon het werk op het land beginnen. Dit leverde anders dan in de meeste gebieden van de antieke wereld een jaarlijkse oogst op.

 

 

1.1.1.  : De Nijl

 

Rond 450 v.C. schreef de Griekse historicus Herodotus : “ Egypte is een geschenk van de Nijl”.  Dankzij de Nijl is de vroegere Egyptische hoogcultuur ontstaan. Ook het huidige Egypte heeft zijn bestaan voor een belangrijk gedeelte  aan de Nijl te danken.

 

De Nijl voedde het land en bepaalde destijds  het ritme van het jaar. Tijdens de zomerzonnewende naderde vanuit het Zuiden een grote stroom die een maand later de monding bereikte. Circa drie maanden lang stroomde de Nijl buiten zijn oevers en overstroomde oase en delta. Van oktober tot november werd er gezaaid en geplant. Van januari tot april rijpten de vruchten en granen en werden ze geoogst.

 

Met een ingenieus systeem van kanalen en velden die op terrassen lagen, zorgden de Egyptenaren ervoor dat het water optimaal kon worden benut. Het Nijlwater maakte niet alleen irrigatie mogelijk, het spoelde ook het zout uit de bodem en verwijderde  het vuil. De meegevoerde mineraalrijke modder kleurde het land zwart. De naam van de zwarte aarde, ‘kemet’, werd aan het gehele land Egypte gegeven.

 

Irrigatie : http://www.eternalegypt.org  [topics, irrigation]

 

In de delta en in het zuiden regent het zelden. De oogst hing alleen af van de hoogte van de jaarlijkse zomervloed. Was hij gunstig dan produceerde Egypte koren in overvloed en konden er voorraden worden aangelegd en geëxporteerd. Te heftige of te geringe overstromingen gedurende enkele jaren achtereen leidden tot hongersnood.

 

Zo was de zomervloed de belangrijkste gebeurtenis van het jaar. Op tenminste twintig plaatsen werd de waterstand gemeten. Nog steeds zijn enkele nilometers – trapschachten met hoogtemarkeringen – te zien.  Aan de hand van de metingen kon men de oogstresultaten voorspellen en de jaarlijkse belastingen berekenen.

 

Met de bouw van de stuwdammen bij Assouan in 1907 en 1971 werden de watermassa’s over het hele jaar verdeeld. Akkers en oogsten werden groter. Bovendien levert de waterkrachtcentrale van Assouan een kwart van de Egyptische stroom. Anderzijds zinken in het stuwmeer de meegevoerde mineralen naar de bodem en moeten de natuurlijke meststoffen uit de sliblaag vervangen worden door industriële producten.

 

Door stijging van de grondwaterspiegel worden de oude gebouwen bedreigd.

 

De bronnen van de Nijl en de oorzaken van de vloed waren bij de oude Egyptenaren onbekend. Herodotus schrijft :

 

 “ Over de natuur van de Nijl heb ik noch van de priesters noch van iemand anders iets kunnen ervaren. Ik zou graag hebben geweten welke oorzaken het aanzwellen van de Nijl heeft. Geen Egyptenaar kon mijn vraag beantwoorden hoe het komt dat het bij de Nijl precies omgekeerd gaat als bij alle andere rivieren”.

 

 

 

Dat laatste houdt in, dat de Nijl midden in de zomer aanzwelt in plaats van na het smelten van de sneeuw in de bergen.

 

Pas in de 19e eeuw ontdekten onderzoekers de oorsprong van de Nijl en constateerden dat de Nijl met zijn meer dan 6700 kilometer de langste rivier ter wereld is. De rivier ontstaat uit de Blauwe Nijl, die in het hoogland van Ethiopië ontspringt, en de Witte Nijl, die ontspringt in Zuidelijk Soedan en reikt tot aan het Victoriameer. Deze beide rivieren worden gevoed door de regelmatige neerslag in de tropen en de hevige zomermoessons in Ethiopië.

 

Verkeerstechnisch was Egypte een rivierengemeenschap : men reisde en transporteerde goederen over de Nijl. Vervoer  over land vond alleen met ezels plaats of via sleden die door mensen of dieren werden voortgetrokken.

 

Voor grote bouwwerken zoals de piramides groeven de Egyptenaren eerst een toegangskanaal, liefst zo dicht mogelijk bij de bouwplaats.

 

De twee Nijloevers hadden voor de Egyptenaren een verschillende betekenis : in het oosten, het land van de levenden, ging de zon op, in het westen, het land van de doden, onder.  In Thebe [ nu Luxor] ligt het centrum van de levenden op de oostelijke oever, de graven van koningen, koninginnen en ambtenaren op de westelijke oever. De complete heersende klasse bouwde aan de rand van de woestijn de ‘ huizen’  voor het leven in het hiernamaals.

 

Het behoorde tot de taken van de farao de Nijlgoden gunstig te stemmen. Deze schonken het water of haalden het weg. Daarbij werd geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen de rivier en de god.  Het woord hapi staat voor de Nijl, het overstromingswater en de god van de Nijl.

 

Voor de oude Egyptenaren kwam het water uit de onderaardse meren van Nun, het oerwater waaruit de wereld ontstond en waarop de zichtbare wereld drijft. De Nijl stroomde in de oerwateren terug en kwam in een eeuwige kringloop weer tevoorschijn.

 

 

 

 

1.1.2. Boven- en Beneden-Egypte

 

         De Egyptenaren maakten een duidelijk onderscheid tussen Boven-Egypte, dat het gebied bestreek van de Nijl-vallei tussen Memphis en Assouan, en Beneden- Egypte, de delta, waar de Nijl via verschillende nevenstromen in de Middellandse Zee uitkomt.

 

         Daarnaast werden 42 gouwen onderscheiden, 22 in Boven-Egypte en 20 in  Beneden-Egypte. Elke gouw of provincie had zijn eigen symbool of standaard, vaak dieren, elk gewijd aan de lokale goden.

 

1.1.3. De grenzen

 

De traditionele grenzen van Egypte waren de Westelijke Woestijn, de Sinai-Woestijn, de kust van de Middellandse Zee en de Nijl-cataracten ten zuiden van Assouan. Eeuwenlang waren deze natuurlijke grenzen voldoende om Egypte tegen aanvallen van buiten te beschermen. Ook in periodes van relatieve zwakte maakten de grenzen het mogelijk dat Egypte zelfstandig kon blijven.

 

Omdat de titels van de farao hem omschreven als vorst over de gehele bekende wereld, waren de politieke grenzen van Egypte in theorie oneindig. Onder de regering van Toetmosis III [Nieuwe Rijk, 18e dynastie, 1504-1450]  had het rijk zijn grootste omvang : in het Noord-oosten was de Eufraat de grens en in het Zuiden de grenssteen tussen de vierde en vijfde cataract.

 

1.1.4. Rijkdom en tekorten

 

Egypte had een overvloed aan graan, groenten, vlas, vee, vis en gevogelte. Graniet, zandsteen, kalksteen, albast en kristal  waren ruim voorhanden.

 

Goud en koper konden vrij gemakkelijk uit resp. Nubië [Soedan] en de Sinai betrokken worden, maar hout was er weinig en van slechte kwaliteit. Voor grotere schepen werd het uit Phoenicië geïmporteerd.

 

1.2. De Egyptische geschiedenis

 

1.2.1. De Egyptische historiografie

 

Voor de Egyptenaren is de troonsbestijging van elke nieuwe farao de start van een nieuwe periode. Hun tijdsbesef is cyclisch : de schepping begint telkens opnieuw. De Egyptenaren dateerden belangrijke gebeurtenissen overeenkomstig de regeringsjaren van de regerende farao. :

 

” dag drie van de tweede maand van peret  [de lente] in het derde jaar van Menkheperra [=Toetmosis III]”.

 

Overigens is de Koningslijst uit de 5e dynastie [overgeleverd op de Palermo-steen] gebaseerd op de tweejaarlijkse tellingen van het vee. In dit geval moet het aantal ‘jaren’ dus worden verdubbeld om het feitelijke aantal regeringsjaren te krijgen.

 

 

1.2.2. De indeling in dynastieën van Manetho

 

Koningslijsten, genoteerd op muren van graven en tempels en ook wel op papyrus, waren voor de Egyptische priester Manetho een belangrijke bron toen hij rond 290 v.C. in zijn Aegyptiaca de periode van de farao’s in 31 dynastieën verdeelde, waarbij veranderingen in verwantschapsrelaties en de lokatie van de hoofdstad criteria waren. Sommige dynastieën, bv. de 13e t/m 17e , geven geen opeenvolgende maar gelijktijdige bestuurssituaties aan!

 

 In de moderne tijd zijn deze dynastieën gegroepeerd onder Rijken en Tussenperioden.

 

Dynastieën : http://nefertiti.iwebland.com/dynasties.htm

 

1.2.3. Algemeen overzicht : Rijken en Tussenperioden

 

 

 

Voorgeschiedenis : 1e en 2e dynastie : 3000-2680 v.C.

 

Vanaf 10.000 jaar v.C. kwam er in Noord-Afrika een klimaatverandering op gang waardoor het steppe- en woestijnlandschap in de huidige Sahara werd uitgebreid. De daar levende mensen waren jagers en verzamelaars en vanaf ca 8000 ook rundveefokkers. Ze stichtten eerst vrij kleine nederzettingen waar ze nieuwe technieken ontwikkelden, zoals de keramiek-productie. Op de vlucht voor de toenemende droogte drongen vanaf 7000 steeds grotere groepen het vruchtbare Nijldal binnen waar ze op een bevolking stuitten die van de visvangst en de akkerbouw leefde. De Nijldelta stond in contact met Voor-Azië waar vanaf 5000 de eerste grotere nederzettingen ontstonden. 

 

Rond 3300 v. C.  ontstond in het Zuiden een sterkte expansiedrift die tot langdurige conflicten tussen het noordelijke en het zuidelijke deel van Egypte leidde. De namen van de vorsten van de 0e dynastie zijn op schrift gesteld en dus bekend geworden. Op het pronkpalet van koning Narmer is zijn overwinning op de beneden-Egyptische tegenstanders afgebeeld.

Toch wordt de definitieve eenwording van Egypte toegeschreven aan Horus Aha [= Menes], de eerste koning van de 1e dynastie. De vorsten van de 1e en 2e dynastie, afkomstig uit Thinis in Boven-Egypte, stichtten hun hoofdstad Memphis precies op de grens tussen Boven- en Beneden-Egypte om hun aanspraken op de twee delen van het land te bekrachtigen. Ze legden hun graven aan in Abydos maar in de tot Memphis behorende dodenstad Sakkara lieten ze monumentale tweede graven aanleggen als rituele centra. Vrede, een goed bestuur en een gemeenschappelijke godsdienstige basis waren de oogst van hun bewind.

 

Het Oude Rijk [3e – 6e dynastie, 2680-2190] en de Eerste Tussenperiode [7e-10e dynastie, 2190-2020]

 

 

Het Oude Rijk begon met koning Djoser [2668-2649], de eerste belangrijke vorst van de 3e dynastie en bouwer van de hoofdstad Memphis. Zijn legendarische bouwmeester Imhotep, later als goddelijk genezer vereerd, ontwierp zijn trappenpiramide te Sakkara. Onder en later in de piramide bevond zich het graf van de koning. Bij de piramide hoorde een uitgebreid complex evenals een graftempel aan de Nijl. Zolang het centrale gezag onaangetast was werden de aanzienlijken rond de koningspiramide begraven.

 

Door hun piramides zijn de namen van de vorsten van de 4e dynastie bewaard gebleven. Verder zijn er heel weinig gegevens over historische gebeurtenissen over. In de latere traditie wordt Snofru [2613-2589], de eerste koning van de 4e dynastie , als goede koning aangeduid. Van hem zijn drie piramides waaronder de knik- en de rode piramide, bekend. Zijn zoon Cheops werd door Herodotus als een ware tiran beschreven wat waarschijnlijk samenhangt met de onjuiste inschatting dat zijn enorme piramide in Gizeh alleen door onderdrukking van het volk gerealiseerd zou kunnen zijn. Ook diens zoon Chephren en kleinzoon Mykerinos kozen het Gizeh-plateau als plaats voor hun piramiden. Diens zoon Sjepseskaf greep voor zijn eigen graf in Sakkara weer terug op de oude mastaba-vorm.

 

Cheops


In de gehele 4e dynastie werden de belangrijkste bestuurlijke en militaire functies door de naaste familieleden van de koning bekleed. Aan het hoofd van het sterk gecentraliseerde bestuur stond een vizier die verantwoordelijk was voor alle binnen- en buitenlandse belangen. Het provinciale bestuur werd aan koninklijke ambtenaren overgedragen. Contacten met Nubië, Libië en Voor-Azië waren intens en de levering van de benodigde goederen, dieren en mensen werd desnoods met militair geweld afgedwongen. Een handelsroute op Byblos zorgde voor de aanvoer van coniferenhout.

 

De vorsten van de 5e dynastie legitimeerden hun positie met  hun relatie met de zonnegod Re van Heliopolis die door hen in Aboesir, dat ze ook als begraafplaats kozen,  werd vereerd. De koning gold nu als ‘zoon van Re’ en niet meer de koningspiramides, maar de open zonnetempels van Heliopolis waren de grootste bouwwerken. Hun bijzondere relatie met Re blijkt ook uit hun namen : Sahoe-re [‘Hij die vlak bij Re is’], Neferirka-re [‘Prachtig is de ziel van Re’], Sjepseska-re

[‘ Edel is de ziel van Re’], Nioeser-re [‘Bezeten van Re’s macht’] etc.

 

In de binnenlandse politiek tekende zich in deze tijd een toenemende mate van emancipatie van het bestuur tegenover de koninklijke familie af. In de buitenlandse politiek is een uitbreiding van de handelsbetrekkingen zichtbaar : in het zuiden tot aan Poent, het land van de wierook, en in het noorden tot aan het Syrische Ebla.

 

Aan het einde van de 5e dynastie bouwden de koningen geen zonneheiligdommen meer en lieten ze zich weer in Sakkara begraven. Oenas [2375-2345] was de eerste die de muren van zijn grafkamer van piramidenteksten liet voorzien die dienden voor de regeneratie en verheerlijking van de farao.

http://www.pyramidtextsonline.com/


Het zijn de oudste religieuze teksten die zijn overgeleverd. De betekenis van de dodengod Osiris nam toe. Hij vertegenwoordigde het hemelse aspect van de koning en de regeneratie van de mens.

 

Teti, schoonzoon van Oenas, staat aan het begin van de 6e dynastie.  De rituele centra in de provincie zoals Abydos, Koptos en Thebe, worden steeds belangrijker en het verantwoordelijke bestuur verzelfstandigt zich.

 

Onder Pepi II [2278-2184]verslechterde de situatie : de belastinggelden uit de provincie bleven achterwege zodat de koninklijke schatbewaarder zijn verplichtingen niet meer kon nakomen. De handel leed onder talrijke overvallen van bedoeïenen. Officieel was alle land nog altijd eigendom van de farao, maar in de praktijk was het vruchtgebruik van veel land afgestaan aan hoge ambtenaren voor de verzorging van hun eigen dodencultus. Bezit van ambt en land werd erfelijk : er ontstond een lokale grondbezittende adel van gouw-vorsten. Zij hadden de werkelijke macht, de bureaucratie was niet meer dan een titulatuur geworden. Al op het eind van de 5e dynastie was het falen van de centrale administratie gebleken bij een hongersnood onder koning Oenas. Bestond in het Oude Rijk en onder de 4e dynastie de top van de bureaucratie uit verwanten van de farao, nu waren dat de lokale groten geworden.

 

De vorsten van de 8e dynastie regeerden vanuit Memphis maar hadden nauwelijks nog invloed op de rest van het land. De laatste fase van het Oude Rijk werd gekenmerkt door hongersnood, overvallen en aanhoudende strijd. Traditionele waarden golden niet meer,veel koningsgraven werden leeggeroofd.

 

De gouwvorsten uit Heracleopolis, 9e en 10e dynastie, namen tenslotte de oude hoofdstad Memphis in en beschouwden zichzelf als de wettige opvolgers van de koningen van het Oude Rijk. Tegelijkertijd bestonden er nog talrijke andere vorstendommen die elkaar bestreden.

 

Gouwvorst Anchtifi beschrijft de chaos tijdens de Eerste Tussenperiode 

Onderstaande teksten uit het graf van gouwvorst Anchtifi in Mo’alla geven een beeld van de verwarring waaraan Egypte in de Eerste Tussenperiode ten prooi was : strijd tussen de gouwen, hongersnood, kannibalisme [als de desbetreffende passage geen beeldspraak is]. In plaats van Ma’at heerste Apophis, de chaos-slang.

 

Anchtifi is aan het woord :

 

Horus, de god van Edfu, haalde mij naar de gouw van Edfu wegens het leven, de voorspoed en de gezondheid, om haar opnieuw in te richten. Horus stelde de reorganisatie op prijs omdat hij mij ernaartoe had gehaald om haar te reorganiseren.

 

Ik trof het huis van Khuu [ = de gouw van Edfu] aan, terwijl het overstroomd was zoals een moerasgebied en het door zijn meester verwaarloosd was, in de greep van de vandaal en onder leiding van de zwakkeling. Maar Ik zorgde dat een man zelfs de moordenaar van zijn vader of de moordenaar van zijn broer omhelsde, omwille van het herstellen van de orde in de gouw van Edfu.

 

Ik voer noordwaarts vanuit de gebieden ten westen van Armant. Ik vond de gouwen van Thebe en Koptos in hun geheel, terwijl    zij de forten van Armant in Sega-semekhsen al hadden ingenomen [?]. Men kwam daarom op mij af. Ik strekte mijn arm er naar uit zoals een harpoen in de neus van een vluchtend nijlpaard. Met mijn troepen van het overwinnende Mo’alla trok ik toen zuidwaarts om hun forten te verwoesten. Want ik ben een held wiens gelijke niet bestaat.

 

De generaal, de pasha, de Zegeldrager van de Koning van Neder-Egypte, de Enige Vriend, de ritualist, de generaal, de goeverneur van vreemde landen, de commandant der buitenlandse troepen, de gouwbestuurder van de gouwen van Edfu en Hierakonpolis, Anchtifi, de sterke die zegt :

 

“ Ik gaf brood aan de hongerlijder, kleding aan de naakte, ik zalfde de ongezalfden. Ik schoeide degene die geen schoenen had. Ik gaf een vrouw aan degene die geen vrouw had. Ik onderhield Mo’alla en Hor-mer terwijl de hemel bewolkt was en de aarde een zandbank was. Ieder stierf van de honger op deze zandbank van Apophis. Het zuiden kwam met zijn mensen en het noorden kwam met zijn kinderen. Ik liet mijn graan rennen. Zuidwaarts gaande bereikte het Wawat [Nubië]. Noordwaarts gaande bereikte het Abydos. Heel Opper-Egypte stierf van de honger, zodat iedereen zijn kinderen opat. Nooit liet ik echter toe, dat de hongerdood in deze gouw ontstond. Ik gaf een lening aan Opper-Egypte bestaande uit graan uit de ontvangst van het noorden [het graan dat Anchtifi uit noord-Egypte had ontvangen]. Het is zeker niet  iets, waarvan ik heb gevonden, dat het was gedaan door de heersers van vroeger. Nooit heeft enig generaal van deze gouw iets soortgelijks gedaan.

 

Het Middenrijk [11e-12e dynastie, 2119-1793] en de Tweede Tussenperiode [13e-17e dynastie, 1793-1550]

 

Tijdens de Eerste Tussenperiode ontstond in Thebe het tweede grote machtscentrum, dat de voornaamste tegenstander van de heersers in Heracleopolis werd. De Thebaanse gouwvorsten hadden nauwe connecties met de vorsten uit Elefantine en kwamen zo aan Nubische huurtroepen. Daarmee konden Antef I, II en III [2134-2060] hun invloedssfeer uitbreiden en aanspraak maken op geheel Egypte.

Mentoehotep I [2060-2010] verenigde rond 2040 het land definitief onder zijn bewind. Het bestuur stabiliseerde zich, de koninklijke macht werd versterkt, de grenzen werden beveiligd en de handel, vooral in hout en metaal, werd gestimuleerd. In Deir-el-Bahari liet Mentoehotep II [2010-1998] een complex voor de dodencultus aanleggen met een ervoor gelegen terrastempel waaruit zich waarschijnlijk een oerheuvel verhief.

 

Deze tempel was aan Amon gewijd die als de ‘koning van de goden’werd gezien en als de directe goddelijke contactpersoon van de koning. Zijn voornaamste cultus plaats in Karnak werd later het religieuze centrum van het land.

 

De koningen van de 12e dynastie [1991-1782]  heetten afwisselend Amenemhat [I-IV] en Senwosret/Sesostris [I-III]. De co-regering van de farao en zijn opvolger moest troontwisten onmogelijk maken. Amenemhat I, de eerste koning van de 12e dynastie, sloot zich aan bij de tradities van het Oude Rijk, verplaatste de hoofdstad naar het noorden en liet daar een traditionele piramide als graf bouwen. De welvaart nam toe, grenzen werden met vestingen versterkt, handelsnederzettingen werden tot in Palestina gevestigd.

 

Nadat Amenemhat als gevolg van een samenzwering was gedood, moesten zijn zoon Sesostris I  en diens opvolger Amenemhat II de centrale macht zien te versterken. Bovendien beveiligden zij de grenzen en intensiveerden ze de handelscontacten met het binnenland van Afrika, Voor-Azië en het gebied rond de Egeïsche Zee.

 

Sesostris III [1878-1841]  liet een bevaarbaar kanaal door de eerste Nijlcataract leggen om een betere militaire beveiliging van Nubië te garanderen. Amenemhat III [1842-1797] rondde de onder Sesostris II begonnen drooglegging en cultivering van de moerassige oase Fajoem, af, waar hij ook zijn piramide liet bouwen. Een door hem aangelegd kunstmatig meer bij Fajoem diende voor de  irrigatie. Zijn uit vele kamers bestaande dodentempel werd later in de Klassieke Oudheid als ‘labyrint’ aangeduid.

 

In de tweede helft van de 12e dynastie werd het centrale bestuur steeds effectiever, bloeiden geneeskunde, astronomie en wiskunde enerzijds en letterkunde, architectuur en beeldende kunst anderzijds.Ondanks bedreigingen konden vrede en welvaart gedurende de gehele 13e dynastie bewaard blijven. De laatste vorst van de 12e dynastie was een vorstin, koningin Sobekneferoe [1785-1782] : ‘Schoonheid van de god Sobek’.

 

Rond 1650 is het land toch weer uiteengevallen.  In het oosten van de Nijldelta en in delen van Zuid-Palestina ontstond een klein, zelfstandig handelsrijk dat als de 14e dynastie wordt aangeduid en waarvan de vorsten Avaris als hoofdstad kozen. Ze breidden hun machtsgebied tot aan Memphis uit en beeindigden de 13e dynastie.

 

Zo begon de Tweede Tussenperiode. In Avaris vestigden zich zes heersers als ‘grote hyksos’, vreemde vorsten, van de 15e dynastie. Het waren West-Semieten die in delen van Syrië, Palestina en Egypte heersten en met kleinere vorstendommen verdragen hadden gesloten, waartoe ook de ‘kleine hyksos’ van de 16e dynastie behoorden. Door hun strijdwagentroepen waren de Hyksos veel sterker dan de Egyptische infanteristen.

 

Het Nieuwe Rijk, 18e-20e dynastie, 1550-1070.

 

Kamose van de 17e dynastie wist door te dringen tot de hyksos-hoofdstad Avaris in het oosten van de Nijldelta. Zijn broer Ahmose, de eerste koning van de 18e dynastie, nam Avaris in en wist de Hyksos te overwinnen.

 

Onder Amenhotep/Amenophis I [1551-1524] werden voor iedereen geldende wetten aangenomen, de kalender werd herzien en rituele voorschriften vastgelegd. In het hele land werden tempels gebouwd, vooral in Thebe waar Amon nu definitief de uniersele godheid werd.

 

Zijn opvolger Thoetmosis I [1524-1518] concentreerde zich op de buitenlandse politiek en werd geconfronteerd met een opstand van Nubische vorsten.Hij drong tot voorbij de vierde cataract door naar het zuiden om de handel met Afrika’s binnenland onder controle te krijgen. Hierdoor stortte het Kerma-rijk in.  In Syrië stelde hij zijn aanspraken op het Mitanni-rijk veilig.  Binnen Egypte zette hij de intensieve bouwactiviteiten van zijn schoonvader voort en liet als eerste een graf in het Dal der Koningen bouwen.

 

Hij werd opgevolgd door Thoetmosis II, Thoetmosis III en diens stiefmoeder Hatsjapsoet [1498-1483], de ‘Éerste der edele dames’.  Na een regentschap voor haar stiefzoon werd ze, ondersteund door de priesters van Amon, koningin. Een geboorte- en uitverkorenheidslegende dienden als legitimatie van haar bewind. Ook de handelsexpeditie naar Poent [Somalië] voor de import van wierook, mirre, specerijen, ivoor, apen en slaven  en de oprichting van de obelisk bij Karnak staan in haar terrastempel in Karnak beschreven.

 

Onder haar opvolger Thoetmosis III [1504-1450] werd Egypte na campagnes in Syrië en Palestina de sterkste macht in het Nabije Oosten.  De positie van het leger werd versterkt en de opkomst van een nieuwe ambtenarenelite bevorderd.  Amenophis II [1453-1419] en Toetmosis IV  [1419-1386] konden de militaire aanwezigheid van Egypte in het land van de Mitanni  handhaven.  De nieuwe sterke macht van de Hettieten begon het Mitanni-rijk in het nauw te brengen. Tenslotte trouwde Toetmosis IV met een dochter van de Mitanni-koning.

 

Amenophis III [1386-1349] maakte Egypte tot centrum van een uitgebreid handelsverbond; kunst en cultuur bloeiden. Nubië stond geheel onder Egyptisch bestuur. Palestina, Phoenicië en Syrië werden geregeerd door tribuutplichtige vazalvorsten en gecontroleerd door Egyptische garnizoenen. Het Nubische goud verhoogde het internationale aanzien van de farao. Er waren goede betrekkingen met de Kassitische heersers van Babylon en het volk van de Mitanni aan de bovenloop van de Eufraat. In de zogenaamde Amarna-brieven is een deel van de diplomatieke corrspondentie uit deze tijd teruggevonden. De tempel van Amon-Re in Thebe werd schitterend uitgebreid. Hoge inkomsten uit de veroverde gebieden werden aan deze en andere tempels geschonken. Maar de greep van de farao op de elkaar bestrijdende vazalvorsten in Phoenicië en Noord-Syrië verslapte. Bovendien werden deze gebieden en dat van de Mitanni ernstig bedreigd door de opkomende macht van de Hittieten.


 

Op theologisch gebied werden nieuwe, abstracte modellen ontwikkeld waarmee de schepping en de loop van de zon werden verklaard. Deze nieuwe ideeën werden door Amenophis IV [1350-1334] omarmd. Hij veranderde zijn naam in Echnaton en liet in Karnak een enorme Aton-tempel bouwen waarin hij samen met zijn vrouw werd vereerd als bemiddelaar tussen mensen en zonnegod. Na een opstand van Amon-priesters verliet Echnaton Thebe en stichtte zijn hoofdstad Achetaton, het huidige Amarna, in Midden-Egypte, beval de tempels van de oude goden te sluiten en de naam en beelden van de god Amon te vernietigen. Hij benoemde geheel nieuwe priesters en ambtenaren en stichtte een louter van zijn persoon afhankelijke hofhouding.  Voor de buitenlandse problemen van het land had hij nauwelijks oog waardoor het fijnmazige net van verdragen van zijn vader verdween.

 

De jonge Toetanchaton moest Achetaton opgeven en naar Memphis trekken om de oude goden weer te erkennen en zijn naam te veranderen in Toetanchamon [1334-1325] . Bij gebrek aan erfgenamen volgde Eje hem kort op.

 

Uiteindelijk kwam Horemheb [1321-1293] die als legeraanvoerder de macht al langer in handen had, op de troon. Hij slaagde erin het binnen- en buitenlandse politieke evenwicht te herstellen en hervormingen op gang te brengen. 

 

Zijn opvolger, Ramses I [1293-1291], werd grondlegger van de 19e dynastie.  Zijn zoon Seti I [1291-1278] zette de restauratie van de godentempels in het hele land voort, evenal de definitieve verwijdering van de namen van alle door hem als onwettig beschouwde vorsten. In de oostelijke delta stichtte hij een nieuw bestuurscentrum, Piramesse, de hoofdstad van het Ramessidenrijk.   Vanuit reusachtige militaire kampen konden de Egyptische troepen sneller worden gemobiliseerd om de handelsroutes te beschermen, de bondgenoten te hulp te schieten of deze met militaire druk aan de plichten van het verbond te herinneren.

 

In het vijfde regeringsjaar van Ramses II [1279-1212 !] was het land Amoerroe naar de Hettieten overgelopen. De koning trok er met 20.000 man op uit om de vesting Kadesj in te nemen.  Na in een hinderlaag van de Hettieten te zijn gelopen werd hij door een elite-eenheid alsnog gered.  De veldslag werd als een grandioze overwinning gevierd en uitgebeeld. Pas na zestien jaar werd er een vredesverdrag gesloten. Tijdens zijn 67-jarige bewind voerde de koning een enorm bouwprogramma uit.

 

Een voortdurende bedreiging werd gevormd door de Zeevolken die uit het gebied rond de Egeïsche Zee kwamen en als piraten de kuststeden langs de Middellandse Zee overvielen. In het vijfde regeringsjaar van Merenptah [1212-1202]verbonden ze zich met Libië en vielen de Egyptische delta binnen. Deze bedreiging en een opstand in Nubië werd door de koning te niet gedaan.

 

Na een politieke crisis over de troonsopvolging werd pas onder de tweede koning van de 20e dynastie, Ramses III [1182-1151], een toestand van stabiliteit bereikt, ook doordat hij de Zeevolken definitief wist te overwinnen. Desondanks namen de economische problemen toe en onder de laatste Ramessidische koningen zette een snel verval in : machtsstrijd, stakingen en onlusten braken uit. Aan het eind van de 20e dynastie kwam er onder Ramses XI [1098-1070]nog een burgeroorlog bij. Ramses XI wist de eenheid van het land te herstellen door de machtige hogepriester van Amon in  Thebe af te zetten.

 

Omstreeks 1085 echter was het met de macht van Egypte gedaan. Er regeerde weliswaar een farao in Tanis, maar de hogepriester van Amon in Thebe en het omringende gebied was praktisch onafhankelijk. De eerste hogepriester van deze ‘godsstaat’ was Herihor [1080-1074]. Uiteindelijk liet Herihor zich na de dood van Ramses XI tot koning uitroepen.

 

De Derde Tussenperiode [21e-25e dynastie, 1070-655] en de Late Tijd [26e-31e dynastie, 664-332]

 

De grondlegger van de 21e dynastie, Smendes [1069-1043] , waarschijnlijk een zoon van Herihor, verplaatste de hoofdstad in de delta van Piramesse naar Tanis waarbij alle representatieve monumenten werden afgevoerd en opnieuw werden opgericht. In de buurt van de grote Amon-tempel werden de koningsgraven aangelegd.

 

Sjosjenq I [945-924] , de grondlegger van de 22e dynastie, kwam uit de Libische krijgsadel van Boebastis. Hij onderwierp de Thebaanse priesterstaat aan zijn heerschappij. Hij ondernam verscheidene veldtochten naar Palestina en belegerde in 925 ook Jeruzalem. 

 

In 756 viel het koningshuis van Boebastis uiteen en de late 22e en 23e  dynastie regeerden gelijktijdig.  Tenslotte verklaarden ook de Libische vorstelijke families van Heracleopolis, Hermopolis en Sais zich nog onafhankelijk en claimden ze de koningstitel.  De vorsten Tefnacht en Bokchoris breidden hun invloedssfeer uit tot de gehele westelijke delta en Memphis en werden later als de 24e dynastie beschouwd.

 

Rond 750 was in Nubië een zelfstandige Koesjitische staat ontstaan waar Amon als hoofdgod werd vereerd en de piramidevorm voor de graven werd toegepast. Uiteindelijk moesten de vorsten van de delta de opperheerschappij van de Koesjieten erkennen.  Door de grote rijkdom aan goud van de nieuwe, als 25e dynastie aangeduide koningen beleefde Egypte een grote economische bloei. Vooral koning Taharka [690-664] gaf veel bouwwerken in het hele land in opdracht. 

 

 

 

Na verloop van tijd vielen de Assyriërs Egypte binnen en werden in hun strijd tegen de Koesjieten gesteund door het koningshuis in Sais zodat Beneden-Egypte uiteindelijk moest worden opgegeven. Psamtik/Psammetichus I [664-610] maakte zich afhankelijk van de Assyriërs en legde de basis voor de 26e dynastie, de dynastie van Sais. Daarmee begon de Late Tijd.

 

Als bondgenoot van de Assyriërs raakte Egypte verwikkeld in de strijd tegen het Nieuw-Babylonische rijk.  Necho [610-595] werd in 605 verslagen door het Babylonische leger van Neboekadnezar en moest zich in Egypte terugtrekken. Daar concentreerde hij zich op de uitbreiding van zijn vloot en  begon met de aanleg van een kanaal van Rode Zee naar Middellandse Zee.

 

Koning Wahibre/Apries [589-570] steunde de opstand van joodse en Phoenicische steden tegen de Babyloniërs, maar kon de verovering van Jeruzalem en het wegvoeren van de Joden niet voorkomen.  Toen hij aan Libische zijde tegen de opstandige Griekse kolonie Cyrene vocht en verpletterend werd verslagen, greep generaal Ahmose II/Amasis [570-526] de macht. Door zijn bemiddeling tussen Grieken, Libiërs en Egyptenaren ging hij de Griekse overlevering in als een groot en wijs man.

 

Onder zijn zoon Psammetichus III [526-525] werd Egypte in 525 door de Perzische koning Cambyses veroverd en tot satrapie van het Perzische Rijk gemaakt. De Perzische vorsten werden als 27e dynastie [525-404] beschouwd. De Libiër Amyrtaios [404-399] van Sais, de enige koning uit de 28e dynastie, verdreef de Perzen weer.

 

Een laatste culturele bloei beleefde het land onder de koningen van de 30e dynastie die uit de Nijldelta kwamen. Vooral onder Nachtnebef/Nectanebo I [380-362] bloeiden de kunst en de architectuur en kregen de tempels royale giften. In 342 werd Egypte opnieuw een Perzische satrapie en kwam onder het bewind van Artaxerxes III.

 

 

 

Alexander de Grote en de Ptolemeeën [332-30]

 BattleofIssus333BC-mosaic-detail1.jpg

Na zijn zege op de Perzen trok Alexander de Grote in 332 naar Egypte en werd daar als bevrijder begroet en als god vereerd. Hij had als troonnaam Meryamen Setepenre, ‘Geliefd door Amon, uitverkoren door Re’.

 

Na zijn dood in 323 in Babylon regeerde Ptolemaeus en kroonde zich in 304 als Ptolemaios I Soter [Redder] tot koning. Hij zette zich in voor een goede relatie tussen het Griekse en het Egyptische deel van de bevolking. Serapis werd de nieuwe staatsgod : een combinatie van de Egyptische Osiris-Apis en de Griekse goden Zeus en Dionysos.

 

In de daaropvolgende tijd ontwikkelden zich twee verschillende culturen naast elkaar. De ene stond in de Oud-Egyptische traditie en komt tot uitdrukking in de grote tempels van Edfoe, Dendera, Kom Ombo en Philae. De andere stond onder Hellenistische invloed. De stad Alexandrië vormde het multiculturele centrum.

 

 

Vanaf Ptolemaeus IV [222-205] kwam het steeds meer tot opstanden en samenzweringen. Het gebied rond Thebe verklaarde zich enige tijd onafhankelijk. Slechts met hulp van Iulius Caesar slaagde Cleopatra VII [51-30] erin haar troon te behouden. Na diens dood schonk ze Marcus Antonius haar gunst en streed ze samen met hem tegen Octavianus, de latere Romeinse keizer Augustus,  om de heerschappij over het Romeinse Rijk. Na de overwinning van Octavianus bij Actium in 31 pleegden Antonius en Cleopatra zelfmoord en werd Egypte definitief een provincie van Rome.Het land werd als keiserlijke provincie uitgebuit als leverancier van graan en grondstoffen en verarmde zienderogen.

 

Voor meer historische gegevens gegevens zie :

http://www.ancient-egypt.org/index.html  [history, monuments]

 

1.2.4. Het tweede boek van Herodotus’ Historiën, een monografie over de cultuur van de Egyptenaren.

 

De Griekse wetenschapper Herodotus [ca. 480-420] had zich voorgenomen het conflict Oost-West, Perzen-Grieken, in een historische en culturele context te plaatsen. In het kader van dit project reisde hij naar het Nabije Oosten om zoveel mogelijk deskundigen als bron te raadplegen. In Egypte benaderde hij daarom de priesters die zicht hadden op het verleden door hun kennis van de archieven. Zeer betrokken en conscientieus noteert Herodotus zijn bevindingen en geeft daarbij meermalen twee versies van hetzelfde verhaal. Verhalen om van te smullen zijn dat over de Taalproef van koning Psammetichos en dat over Rhampsinitus, de meesterdief.

 

De titel van zijn werk, ‘Historiën’, maakt het nieuwe van zijn werkwijze duidelijk : Herodotus gaat erop uit om zaken ter plekke na te zoeken [Gr. historeoo, nazoeken].

 

In zijn werk blijkt een objectieve belangstelling voor cultuurverschillen. Hij wil de Grieken duidelijk maken dat de ‘barbaren’ er andere normen en waarden op na houden dan de Grieken, maar daarmee niet minderwaardig zijn aan hen.

 

 

 

 

1.3.       De Egyptische taal 1

 

http://www.ancient-egypt.org/index.html [language]

Het Egyptische schrift : Een wirwar van tekens

In 1822 ontcijferde Champollion het hiërogliefenschrift. Hij ontdekte dat de Egyptische tekens in Griekse en Romeinse namen gewoon klankwaarden vertegenwoordigden. Vanuit zijn kennis van het Koptisch begreep hij later dat het Egyptische schrift tegelijk ook uit symbolen en rebussen (ideogrammen) bestond.



Door de tijd heen laat het Egyptisch grote veranderingen zien. Niet alleen ontwikkelde de taal zich van Oud-egyptisch naar Middel- en Nieuw-egyptisch, ook kwamen er voor verschillende functies andere schriftvormen:

hiërogliefisch voor monumentale opschriften

hiëratisch voor cursieve teksten op papyrus

demotisch voor de weergave van de gesproken taal van de Late Periode.

 

Daarnaast bestaan er variaties en verdere ontwikkelingen, zoals het 'abnormaal hiëratisch' en het Koptisch. Ons moderne alfabet gaat via het Grieks en het Phoenicisch uiteindelijk deels terug op de Egyptische tradities.

Uit Egypte stamt ook het gebruik van papyrus, dat grote voordelen had boven kleitabletten. Via de Phoenicische stad Byblos werd het naar Griekenland geëxporteerd, waar een boek biblion heette.

Het perkamenten boek ( codex) van geprepareerd leer verdrong veel later het papyrus, maar moest zelf op zijn beurt weer wijken voor echt papier, dat via de Arabieren uit China naar het westen kwam.

De ontcijfering van de hiërogliefen

" Je tiens l'affaire!", riep Jean-Francois Champollion op 14 september 1822, "Ik ben eruit!" Direct daarop zakte hij in elkaar op de vloer van de werkkamer van zijn broer Jacques-Joseph in het Institut de France, waar hij een moment eerder met een dik pak papier was komen binnenrennen. Vijftien jaar onderzoek naar de ware betekenis van de Oudegyptische hiërogliefen hadden hun tol geëist van de overwerkte geleerde. Pas dertien dagen later, op 27 september, was Champollion in staat om zijn ontdekking bekend te maken in een redevoering voor de Koninklijke Academie te Parijs, in de afdeling Inscripties en Letteren. De gedrukte versie van deze rede geldt als het beginpunt van de Egyptologie als wetenschap.

De titel van deze gedrukte versie  luidt voluit: Brief aan dhr. Dacier [secretaris van de Academie] over het alfabet van de fonetische hiërogliefen dat door de Egyptenaren werd gebruikt om op hun monumenten de titels, namen en bijnamen te schrijven van de Griekse en Romeinse overheersers.

Daarmee wordt exact aangegeven hoever de briljante geleerde op dat moment was met de ontcijfering van de hiërogliefen. Aan de hand van de beroemde Steen van Rosette (een drietalig opschrift dat door Napoleons soldaten in Egypte was gevonden) en enkele andere opschriften uit de Grieks-Romeinse tijd was Champollion erin geslaagd een groot aantal koningsnamen te lezen. In Egyptische teksten zijn deze gemakkelijk herkenbaar doordat ze in een ring of cartouche staan geschreven, zoals anderen vóór Champollion al hadden aangetoond.

De namen Ptolemaios en Kle(ï)opatra bleken een vijftal gemeenschappelijke tekens te bevatten. Champollion had ineens door dat dit de p, t, o, l en i moesten zijn, die immers in beide namen terugkeren. Met andere woorden, het hiërogliefenschrift maakt gebruik van een soort alfabet. Spoedig kon hij niet minder dan 79 koningsnamen lezen en kende hij alle 26 alfabettekens.

 File:Rosetta Stone.JPG

 

The Rosetta Stone: translation of the demotic text

      The Memphite Decree

      [Year 9, Xandikos day 4], which is equivalent to the Egyptian month,

      second month of Peret, day 18, of the King 'The Youth who has appeared as

      King in the place of his Father', the Lord of the Uraei 'Whose might is

      great, who has established Egypt, causing it to prosper, whose heart is

      beneficial before the gods, (the One) Who is over his Enemy 'Who has

      caused the life of the people to prosper, the Lord of the Years of Jubilee

      like Ptah-Tenen, King like Pre', [the King of the Upper Districts and] the

      Lower Districts 'The Son of the Father-loving Gods, whom Ptah has chosen,

      to whom Pre has given victory, the Living Image of Amun', the Son of Pre

      'Ptolemy, living forever, beloved of Ptah, the Manifest God whose

      excellence is fine', son of Ptolemy and Arsinoe, the Father-loving Gods,

      (and) the Priest of Alexander and the Saviour Gods and [the

      Brother-and-Sister Gods and the] Beneficent [Gods] and the Father-loving

      Gods and King Ptolemy, the Manifest God whose excellence is fine, Aetos

      son of Aetos;

 

 

      while Pyrrha daughter of Philinos was Prize-bearer before

      Berenice the Beneficent, while Areia daughter of Diogenes was

      [Basket]-bearer [before Arsi]noe the Brother-loving, and while Eirene

      daughter of Ptolemy was Priestess of Arsinoe the Father-loving:

 

 

      on this

      day, a decree of the mr-sn priests and the hm-ntr priests, and the priests

      who enter the sanctuary to perform clothing rituals for the gods, and the

      scribes of the divine book and the scribes of the House of Life, and the

      other priests who have come from the temples of Egypt [to Memphis on] the

      festival of the Reception of the Rulership by King Ptolemy, living

      forever, beloved of Ptah, the Manifest God whose excellence is fine, from

      his father, who have assembled in the temple of Memphis, and who have

      said:

 

 

      Whereas King Ptolemy, living forever, the Manifest God whose excellence is

      fine, son of King Ptolemy [and Queen] Arsinoe, the Father-loving Gods, is

      wont to do many favours for the temples of Egypt and for all those who are

      subject to his kingship, he being a god, the son of a god and a goddess,

      and being like Horus son of Isis and Osiris, who protects his father

      Osiris, and his heart being beneficent concerning the gods, since

 

 

      he has

      given much money and much grain to the temples of Egypt, [he having

      undertaken great expenses] in order to create peace in Egypt and to

      establish the temples, and having rewarded all the forces that are subject

      to his rulership;

 

 

      and of the revenues and taxes that were in force in

      Egypt he had reduced some or(?) had renounced them completely, in order to

      cause the army and all the other people to be prosperous in his time as

      [king; the arrear]s which were due to the King from the people who are in

      Egypt and all those who are subject to his kingship, and (which) amounted

      to a large total, he renounced;

 

 

      the people who were in prison and those

      against whom there had been charges for a long time, he released;

 

 

      he

      ordered concerning the endowments of the gods, and the money and the grain

      that are given as allowances to their [temples] each year, and the shares

      that belong to the gods from the vineyards, the orchards, and all the rest

      of the property which they possessed under his father, that they should

      remain in their possession;

 

 

      moreover, he ordered concerning the priests

      that they should not pay their tax on becoming priests above what they

      used to pay up to Year 1 under his father;

 

 

      he released the people [who

      hold] the offices of the temples from the voyage they used to make to the

      Residence of Alexander each year;

 

 

      he ordered that no rower should be  impressed into service;

 

 

      he renounced the two-thirds share of the fine

      linen that used to be made in the temples for the Treasury, he bringing

      into its [correct] state everything that had abandoned its (proper)

      condition for a long time, and taking all care to have done in a correct

      manner what is customarily done for the gods, likewise causing justice to

      be done for the people in accordance with what Thoth the Twice-great did;

 

 

      moreover, he ordered concerning those who will return from the fighting

      men and the rest of the people who had gone astray (lit. been on other

      ways) in the disturbance that had occurred in Egypt that [they] should [be

      returned] to their homes, and their possessions should be restored to

      them; and he took all care to send (foot)soldiers, horsemen, and ships

      against those who came by the shore and by the sea to make an attack on

      Egypt;

 

 

      he spent a great amount in money and grain against these (enemies),

      in order to ensure that the temples and the people who were in Egypt

      should be secure; he went to the fortress of Sk3n [which had] been

      fortified by the rebels with all kinds of work, there being much gear and

      all kinds of equipment within it; he enclosed that fortress with a wall

      and a dyke(?) around (lit. outside) it, because of the rebels who were

      inside it, who had already done much harm to Egypt, and abandoned the way

      of the commands of the King and the commands [of the god]s; he caused the

      canals which supplied water to that fortress to be dammed off, although

      the previous kings could not have done likewise, and much money was

      expended on them; he assigned a force of footsoldiers and horsemen to the

      mouths of those canals, in order to watch over them and to protect them,

      because of the [rising] of the water, which was great in Year 8, while

      those canals supply water to much land and are very deep; the King took

      that fortress by storm in a short time; he overcame the rebels who were

      within it, and slaughtered them in accordance with what Pre and Horus son

      of Isis did to those who had rebelled against them in those places in the

      Beginning; (as for) the rebels who had gathered armies and led them to

      disturb the nomes, harming the temples and abandoning the way of the King

      and his father, the gods let him overcome them at Memphis during the

      festival of the Reception of the Rulership which he did from his father,

      and he had them slain on the wood;

 

 

      he remitted the arrears that were due

      to the King from the temples up to Year 9, and amounted to a large total

      of money and grain; likewise the value of the fine linen that was due from

      the temples from what is made for the Treasury, and the verification

      fees(?) of what had been made up to that time;

 

 

      moreover, he ordered

      concerning the artaba of wheat per aroura of land, which used to be

      collected from the fields of the endowment, and likewise for the wine per

      aroura of land from the vineyards of the gods' endowments: he renounced

      them;

 

 

      he did many favours for Apis and Mnevis, and the other sacred

      animals that are honoured in Egypt, more than what those who were before

      him used to do, he being devoted to their affairs at all times, and giving

      what is required for their burials, although it is great and splendid, and

      providing what is dedicated(?) in their temples when festivals are

      celebrated and burnt offerings made before them, and the rest of the

      things which it is fitting to do; the honours which are due to the temples

      and the other honours of Egypt he caused to be established in their

      (proper) condition in accordance with the law; he gave much gold, silver,

      grain, and other items for the Place of Apis; he had it adorned with new

      work as very fine work; he had new temples, sanctuaries, and altars set up

      for the gods, and caused others to assume their (proper) condition, he

      having the heart of a beneficent god concerning the gods and enquiring

      after the honours of the temples, in order to renew them in his time as

      king in the manner that is fitting; and the gods have given him in return

      for these things strength, victory, success(?), prosperity, health, and

      all the (sic) other favours, his kingship being established under him and

      his descendants forever:

 

 

      With good fortune! It has seemed fitting to the priests of all the temples

      of Egypt, as to the honours which are due to King Ptolemy, living forever,

      the Manifest God whose excellence is fine, in the temples, and those which

      are due to the Father-loving Gods, who brought him into being, and those

      which are due to the Beneficent Gods, who brought into being those who

      brought him into being, and those which are due to the Brother-and-Sister

      Gods, who brought into being those who brought them into being, and those

      which are due to the Saviour Gods, the ancestors of his ancestors, to

      increase them;

 

 

      and that a statue should be set up for King Ptolemy, living

      forever, the Manifest God whose excellence is fine - which should be

      called 'Ptolemy who has protected the Bright Land', the meaning of which

      is 'Ptolemy who has preserved Egypt' –

 

 

      together with a statue for the

      local god, giving him a scimitar of victory, in each temple, in the public

      part of the temple, they being made in the manner of Egyptian work;

 

 

      and

      the priests should pay service to the statues in each temple three times a

      day, and they should lay down sacred objects before them and do for them

      the rest of the things that it is normal to do, in accordance with what is

      done for the other gods on the festivals, the processions, and the named

      (holi)days;

 

 

      and there should be produced a cult image for King Ptolemy,

      the Manifest God whose excellence is fine, son of Ptolemy and Queen

      Arsinoe, the Father-loving Gods, together with the (sic) shrine in each

      temple, and it should be installed in the sanctuary with the other

      shrines;

 

 

      and when the great festivals occur, on which the gods are taken

      in procession, the shrine of the Manifest God whose excellence is fine

      should be taken in procession with them;

 

 

      and in order that the shrine may

      be recognized, now and in the rest of the times that are to come, ten

      royal diadems of gold should be added - there being one uraeus on them

      each, like what is normally done for the gold diadems - on top of the

      shrine, instead of the uraei that are upon the rest of the shrines; and

      the double crown should be in the centre of the diadems, because it is the

      one with which the King was crowned in the temple of Memphis, when there

      was being done for him what is normally done at the Reception of the

      Rulership; and there should be placed on the upper side of (the) square(?)

      which is outside the diadems, and opposite the gold diadem that is

      described above, a papyrus plant and a 'sedge' plant; and a uraeus should

      be placed on a basket with a 'sedge' under it on the right of the side on

      top of the shrine, and a uraeus with a basket under it should be placed on

      a papyrus on the left, the meaning of which is 'The King who has illumined

      Upper and Lower Egypt';

 

 

      and whereas fourth month of Shemu, last day, on

      which is held the birthday of the King, has been established already as a

      procession festival in the temples, likewise second month of Peret, day

      17, on which are performed for him the ceremonies of the Reception of the

      Rulership - the beginning of the good things that have happened to

      everyone: the birth of the King, living forever, and his reception of the

      rulership –

 

 

     let these days, the 17th and the last, become festivals each

      month in all the temples of Egypt; and there should be performed burnt

      offerings, libations, and the rest of the things that are normally done on

      the other festivals, on both festivals each month; and what is offered in

      sacrifice(?) should be distributed as a surplus(?) to the people who serve

      in the temple; and a procession festival should be held in the temples and

      the whole of Egypt for King Ptolemy, living forever, the Manifest God

      whose excellence is fine, each year, from first month of Akhet, day 1, for

      five days, with garlands being worn, burnt offerings and libations being

      performed, and the rest of the things that it is fitting to do;

 

 

      and the

      priests who are in each of the temples of Egypt should be called 'The

      Priests of the Manifest God whose excellence is fine' in addition to the

      other priestly titles, and they should write it on every document, and

      they should write the priesthood of the Manifest God whose excellence is

      fine on their rings and they should engrave it on them;

      and it should be

      made possible for the private persons also who will (so) wish, to produce

      the likeness of the shrine of the Manifest God whose excellence is fine,

      which is (discussed) above, and to keep it in their homes and hold the

      festivals and the processions which are described above, each year, so

      that it may become known that the inhabitants of Egypt pay honour to the

      Manifest God whose excellence is fine in accordance with what is normally

      done;

      and the decree should be written on a stela of hard stone, in sacred

      writing, document writing, and Greek writing, and it should be set up in

      the first-class temples, the second-class temples and the third-class

      temples, next to the statue of the King, living forever.

 

 

      Translation by R.S. Simpson

      Revised version from R.S. Simpson, Demotic Grammar in the Ptolemaic

      Sacerdotal Decrees (Oxford, Griffith Institute, 1996), pp. 258-71

 

Helaas stamden alle namen uit de Grieks-Romeinse tijd, alsof de Egyptenaren voor de namen van buitenlanders een ander systeem gebruikten dan voor hun eigen teksten. Alle pogingen om hetzelfde principe toe te passen op oudere inscripties faalden. De Brief aan Dacier maakt echter geheel aan het eind een toespeling op Champollions wezenlijke ontdekking van 14 september.

Het gebruik van fonogrammen (klanktekens) stamde met zekerheid al uit een veel oudere periode. Eerdere speculaties over de aard van het hiërogliefenschrift hadden namelijk steevast beweerd dat het in wezen symbolische tekens waren, die als een soort rebus gelezen moesten worden of een diepere wijsheid probeerden te verhullen. Op het eerste gezicht leek dit logisch, aangezien er honderden, in sommige perioden zelfs duizenden tekens tegelijk werden gebruikt. Er kon dus nooit sprake zijn van alleen maar een alfabet.

Toch herkende Champollion ook in oudere teksten alfabettekens, tussen de duizelingwekkende veelheid van andere symbolen. Op de ochtend van de 14de september staarde Champollion naar een cartouche uit de tempel van Aboe Simbel, die een reiziger hem recent had toegestuurd. Hij herkende aan het eind de alfabettekens s-s, met links een zon en in het midden een onduidelijk teken. Champollion had al lang gedacht dat het Oud-Egyptisch verwantschap moest vertonen met het Koptisch, een taal die hij goed kende. 'Zon' luidt in het Koptisch ra, en plotseling gokte Champollion dat het middelste teken m betekende en las... Ramses!


Dit betekende dat ook de oudere hiërogliefen in wezen klanktekens waren, waarbij sommige klanken gegeven werden door rebus-achtige logogrammen of woordtekens ('zon'). Wie de spraakklanken kon ontdekken, kon het Egyptisch begrijpen: de taal was immers inderdaad verwant aan het Koptisch.

Dat wordt bewezen door het zonneteken in de naam Ramses, maar ook door het eind van de naam. M-s-s herinnert namelijk aan het Koptische mise, dat 'baren' betekent. De naam Ramses kan vertaald worden als 'De zonnegod Re heeft hem voortgebracht'.

In 1828 zou Champollion het zelf als volgt formuleren: "Het hiërogliefisch schrift is een complex systeem, een schrift dat tegelijk figuratief, symbolisch en fonetisch is, in éénzelfde tekst, in éénzelfde zin, ik zou bijna willen zeggen in hetzelfde woord".

Door consequent dit principe toe te passen en woord voor woord met het Koptisch te vergelijken, hebben Champollion en zijn opvolgers de Egyptische teksten weer leesbaar kunnen maken.

 



2. Leesregels

Tegenwoordig onderscheiden we de hiërogliefen in

-      klanktekens (fonogrammen)

-      rebus-achtige beeldtekens (ideogrammen)

-      algemene symbolen (determinatieven).

De bekendste klanktekens zijn de éénletter-, of beter éénklanktekens (Champollions alfabet). Deze bestaan uit de 26 spraakklanken die de Egyptenaren essentieel vonden om op te schrijven. Dat zijn alleen medeklinkers: net zo min als het moderne Arabische of Hebreeuwse schriftsysteem kent het hiërogliefenschrift echte klinkers (de o en i van bovengenoemde namen Ptolemaios en Kleopatra zijn in feite een w en een j).

We vinden het ‘alfabet’ op

http://www.greatscott.com/hiero/hiero_alpha.html

Om deze tekens goed te leren gebruiken we

http://www.artyfactory.com/egyptianart/hieroglyphics/cartouche.htm 

n.b. klik op de letters van ons alfabet helemaal onderaan deze webpagina!

Daarnaast bestaan er afzonderlijke tekens voor allerlei combinaties van twee-, drie- of zelfs vierklanken.

Enkele tweeklanktekens zijn te vinden op :

http://www.greatscott.com/hiero/hiero_bilit.html

Sommige woorden schreef men niet met behulp van deze klanktekens, maar met ideogrammen: een zonnetje betekent ook het woord 'zon'. Net als bij onze rebussen, kun je zulke tekens ook gebruiken voor abstracte begrippen die niet te tekenen zijn: het woord 'licht' (h-dj) werd geschreven met een knots (eveneens een woord met de medeklinkers h-dj in de Egyptische taal).

Om nu te weten over welk woord het gaat gebruikten de Egyptenaren de zogenaamde determinatieven. Achter 'knots' schreven ze een tak (omdat het een houten voorwerp is), achter het woord 'licht' een zon (dat teken kan zowel ideogram als determinatief zijn!). Determinatieven hebben dus geen klankwaarde, alleen betekeniswaarde. Omdat ze op het eind van woorden staan, helpen ze de lezer om te bepalen waar één woord eindigt en het volgende begint. Het schrift kent namelijk geen spaties tussen de woorden en geen leestekens.

 



Deze principes verklaren dat het schrift zo verschrikkelijk veel tekens telt. In feite zou men alle Egyptische woorden met alleen de 26 alfabettekens kunnen schrijven. In de praktijk bestond er voor ieder woord een eigen vaste schrijfwijze, soms louter fonetisch, andere keren met combinaties van de drie soorten tekens. Hoe ingewikkeld het ook klinkt, het helpt wel om alle woorden met eenzelfde medeklinkerskelet snel van elkaar te kunnen onderscheiden.

De Egyptenaren hebben zich in ieder geval nooit afgevraagd of het ook handiger zou kunnen en gebruikten de hiërogliefen zo'n 3500 jaar lang. Het bleef ook steeds een levend systeem, dat aangevuld kon worden met nieuwe tekens als daar behoefte aan was. Toen de oorlogvoering aan het begin van het Nieuwe Rijk werd gemoderniseerd, kreeg het hiërogliefenschrift er tekens bij voor 'paard' en 'strijdwagen'.

In de meeste perioden waren er zo'n 750 tekens tegelijk in gebruik. In de Grieks-Romeinse tijd echter, toen de hiërogliefen nog slechts als een soort geheime wetenschap werden gekoesterd door priesters in de diverse tempels van het land, bestonden er wel 3000 tekens.

De meest voorkomende lees- en schrijfrichting was van rechts naar links. De Egyptenaren waren zich echter altijd bewust van het decoratieve karakter van hun schrift en hebben de mogelijkheden daarvan ten volste uitgebuit. Voor monumentale opschriften streefden zij naar symmetrie en regelmaat. Alle tekens werden dan gegroepeerd in horizontale regels of verticale kolommen, al naar gelang dat het mooiste uitkwam.

 

 

De juiste leesvolgorde is altijd van boven naar beneden. De leesrichting binnen een regel of kolom kan altijd worden opgespoord door te controleren waar de mens-en dierfiguren heen kijken: daar ligt het begin van de tekst. Afzonderlijke hiërogliefen werden in zo' n kolom of regel dan ook nog eens gegroepeerd in vierkante blokjes of carré's.

In titels of namen bestaat er een veel voorkomende uitzondering op de gebruikelijke leesvolgorde: de naam van een god of koning werd uit eerbied steeds voorop geplaatst, ook als deze het laatst gelezen werd.
 
3. Talen en schriften

Niet alle Egyptische teksten zijn geschreven in hiërogliefen. Ook is er niet sprake van één taal. De opschriften omvatten namelijk een periode van vijfduizend jaar taalgeschiedenis. Het is natuurlijk ondenkbaar dat een taal zolang blijft stilstaan. Bovendien had Egypte in de loop van deze periode te maken met een heel scala aan buitenlandse overheersers en immigranten, die allen hun eigen sporen hebben nagelaten in de vorm van documenten en opschriften in exotische talen en schriften. Het gevolg daarvan is dat het vertalen en interpreteren van al dit materiaal nooit door één persoon kan worden gedaan, maar het werk is van verschillende specialisten.

De oudste sporen van een geschreven taal vinden we in Egypte rond 3100 v.Chr. Het gaat daarbij om kleine groepjes schrifttekens, uitgebeiteld of met inkt gepenseeld op grafsteles, zegelstenen, potten, leistenen paletten of ivoren en houten labels.

Over de herkomst van het schrift bestaan vele tegenstrijdige theorieën. De Egyptenaren zelf hebben zich er niet druk over gemaakt. Voor hen waren de hiërogliefen eenvoudigweg 'het schrift van de woorden der goden', een geschenk van de god der schrijfkunst Thot aan de mensheid.

Ook al was de inspiratie voor dit godengeschenk mogelijk in feite ontleend aan de iets oudere Voor-Aziatische schriften, toch kunnen we vaststellen dat ook de oudste hiërogliefen typisch Egyptisch zijn. Ze bevatten al direct de drie soorten tekens die we hierboven hebben onderscheiden. Bovendien hebben deze tekens de vorm van zuiver Egyptische gebruiksvoorwerpen, planten en dieren, kleding en attributen, niet van hun Aziatische tegenhangers.

Het schriftsysteem is dus zeker niet letterlijk ontleend, maar direct aan de eigen cultuur en ideeën aangepast. Daarmee is het een Egyptische 'uitvinding' uit dezelfde creatieve periode die ook de eerste monumentale beeldhouwkunst en architectuur voortbracht.

Omdat de teksten maar zo kort zijn, is over de taal in kwestie weinig te zeggen. Pas vanaf ca. 2600 v.Chr. worden de teksten langer en krijgen we inzicht in de grammatica en de woordenschat van het oudste Egyptisch.

Het blijkt een tak te zijn van de Afro-Aziatische (of Hamito-Semitische) familie, die verwantschap vertoont zowel met het echte Semitisch (zoals Hebreeuws en Arabisch) als met talen van Noorden Centraal-Afrika (zoals Berber en Koesjiitisch).

We noemen deze taalfase van het Oude Rijk het Oudegyptisch. Uit deze tijd stammen ook de oudste teksten op papyrus. Deze laten zien dat de met inkt geschreven hiërogliefen van de archaïsche pot-opschriften inmiddels waren geëvolueerd tot een cursief schrift. Hoewel iedere afzonderlijke hiëroglief nog herkenbaar is, heeft het schrift toch een eigen karakter gekregen: we spreken van het hiëratisch. Voor monumentale opschriften bleven de hiërogliefen in gebruik.

De taal ontwikkelde zich uiteraard door. Van die continue ontwikkeling is in de teksten niet veel te merken. De schrijftaal was namelijk in het traditioneel ingestelde Egypte zeer behoudend en werd slechts incidenteel (maar dan met grote stappen!) aangepast.

Aan het eind van het Oude Rijk moet die schrijftaal van de inscripties enorm hebben afgeweken van de gewone spreektaal. De burgeroorlog van de Eerste Tussenperiode gaf een mooie gelegenheid om de bakens te verzetten.

Met de eerste opschriften van het Middenrijk (2040-1640 v.Chr.) zien we een nieuwe 'officiële' taal: het Middelegyptisch. Hoewel deze taal ook wel enigszins aan de eisen van de tijd zou worden aangepast, bleef hij tot in de Romeinse tijd de klassieke taal voor monumentale opschriften. In het Middenrijk herkenden de latere Egyptenaren immers hun 'Gouden Eeuw'. Het was een periode waarin de verschillende genres van de literatuur (poëzie, sprookjes en verhalen, historische teksten, biografieën, wijsheidsleren) voor het eerst vorm kregen.

Geen wonder dat ze deze teksten ook later nog bestudeerden op school (een goed voorbeeld zijn de Vermaningen van Ipoewer) en hun eigen composities eraan spiegelden. Deze overlevering kon plaatsvinden dankzij de vele hiëratische kopieën op papyrus die door de opeenvolgende generaties werden afgeschreven.

Een volgende breuk in de taalgeschiedenis had plaats ten tijde van de revolutionair ingestelde koning Echnaton (1353-1335 v.Chr.), toen een nieuwe vorm van de spreektaal toegang kreeg tot de schriftelijke overlevering. Het Nieuwegyptisch verschilt evenveel van het Middelegyptisch als het Frans van het Latijn!

Monumentale opschriften en religieuze teksten (bijvoorbeeld in de vorm van een dodenboek) bleven een soort Middelegyptisch gebruiken. Het Nieuwegyptisch bleef gereserveerd voor sprookjes en verhalen, naslagwerken, brieven en administratieve teksten. Het was daardoor nauw verbonden met het gebruik van het hiëratisch, het schrift voor het dagelijks leven.

Aan het eind van het Nieuwe Rijk ontstond er een uiterst cursieve schriftsoort voor handelscorrespondentie en administratieve doeleinden: het abnormaal-hiëratisch.

Spoedig werd dit afgelost door een nog cursiever schrift, het demotisch, dat als een soort steno hele woorden samenvat in één krabbel. In tegenstelling tot het hiëratisch zijn in het demotisch de oorspronkelijke hiërogliefentekens dus niet meer afzonderlijk herkenbaar. Met het nieuwe schrift werd ook de schrijftaal opnieuw gemoderniseerd. Men noemt de taal van de Late Periode (vanaf ca. 700 v.Chr.) meestal ook het demotisch.

In hiërogliefen bleef men zich in het totaal verouderde Middelegyptisch uitdrukken. Ook het hiëratisch was niet langer een schrift voor het dagelijks leven en werd nu voor dodenboeken gebruikt. In deze periode kwamen de eerste Grieken naar Egypte. Hun namen voor de drie schriftsoorten vormen dan ook een goede beschrijving van de situatie van dat moment: 'heilige ingegrifte tekens' (hiërogliefen) voor de tempelmuren, 'priesterschrift' hiëratisch) voor de religieuze boeken, en 'volksschrift' (demotisch) voor de rest.

Met de Late Periode begon de tijd van buitenlandse invallen. Na de Libiërs en de Soedanezen (die in hun eigen land het Meroïtische schrift zouden ontwikkelen) volgden de Perzen, in wier kielzog een groep Joden naar Egypte trok.

Uit die tijd stammen enkele Aramese papyri en ostraka, met name gevonden op het eiland Elephantine, waar deze mensen een kolonie hadden gesticht. De Perzen werden in 332 v.Chr. verdreven door Alexander de Grote; daarmee verschijnt het Grieks in Egypte. Ook na de verovering door de Romeinen in 3l v.Chr. bleef het Grieks in gebruik. Maar de aanwezigheid van het Romeinse leger heeft toch zijn sporen nagelaten in de vorm van enkele Latijnse teksten.

Met de splitsing van het Romeinse rijk in een oosten een westdeel verviel Egypte aan de keizers van Byzantium; tot de verovering van de Arabieren in 638 na Chr. bleef het Grieks de taal van de overheid. Toen was de faraonische cultuur echter al ten onder gegaan.

De Romeinse keizers bleven aanvankelijk voortgaan tempels te bouwen in Egyptische stijl en deze te voorzien van inscripties in hiërogliefen. Onder de inheemse bevolking bleef het demotisch in gebruik, na ook voor dodenboeken en andere funeraire literatuur.

Geleidelijk bekeerden steeds meer mensen zich tot het Christendom, zeker nadat keizer Theodosius in 392 bepaalde dat dit het officiële geloof van het Romeinse rijk werd. Slechts in enkele afgelegen oorden, zoals het tempeleiland Philae bij Aswan, bleven de heidense erediensten nog bestaan. Hier werden de allerlaatste hiërogliefen geschreven in 394 na Chr., en uit het jaar 452 dateert zelfs nog een demotisch graffito. In 537 werd de tempel op last van keizer Justinianus gesloten en daarmee kwam een eind aan de oude schriftsoorten.

Niet echter aan de taal: de inheemse bevolking sprak nog steeds een vorm van het Egyptisch, die we het Koptisch noemen. Deze werd op schrift gesteld met Griekse letters, waaraan men een zevental aan het demotisch ontleende tekens toevoegde voor klanken die het Grieks niet kent. Ondanks het feit dat de Christelijke Kopten steeds meer weken voor de Arabische overheersers, bleven zowel taal als schrift tot op de huidige dag in gebruik binnen de kerken en kloosters van Egypte. Aan dit laatste relict van vijfduizend jaar taalgeschiedenis hebben we te danken dat de hiërogliefen tegenwoordig weer leesbaar zijn.

 
4. Van hierogliefen tot alfabet

De Egyptische taal mag dan in de praktijk tegenwoordig zijn uitgestorven, het Egyptische schrift leeft nog steeds voort in onze eigen letters. Ons alfabet is ontleend aan het schrift van de Romeinen, en dezen op hun beurt hadden hun schriftsysteem overgenomen van de Grieken.

Het Griekse alfabet ontstond ca. 800 v. Chr. en is gebaseerd op het schrift van de Phoeniciërs, een zeevarend volk dat de kusten van de Libanon bewoonde. Zij spraken een Semitische taal en binnen die taalgroep was al eeuwen een alfabetisch schriftsysteem in gebruik.

Typerend voor de Semitische talen (en het Egyptisch) is dat alleen medeklinkers werden genoteerd. Deze talen bestaan namelijk uit woordstammen met een vast skelet van medeklinkers; de klinkers daarentegen veranderen met de verbuiging en vervoeging,

Bij het gebruik van een alfabet voor een Indo-Europese taal als het Grieks moest er dus wel het een en ander worden aangepast; echte klinkers zijn pas door de Grieken toegevoegd.

Waar komen nu die Semitische alfabetten vandaan? Bij het beantwoorden van die vraag hebben we het probleem dat een deel van de inscripties slecht dateerbaar is en een ander deel nog niet te ontcijferen.

Een belangrijke voorloper van het Phoenicisch werd gevormd door het alfabet van de Syrische havenstad Oegarit, dat al in de 14de eeuw v.Chr. bestond. Nog oudere teksten zijn geografisch over een groot gebied verspreid; meestal noemt men ze gemakshalve Proto-Kanaänitisch.

Tot die groep behoren de raadselachtige teksten uit de Sinaï, het schiereiland dat de verbinding vormt tussen Egypte en Palestina. In de oudheid exploiteerden de farao's hier grote koper- en turkooismijnen. De mijnwerkers waren Palestijnen die onder toezicht stonden van Egyptische opzichters. Beide nationaliteiten vereerden hier een godin, in wie de Egyptenaren Hathor herkenden, 'de meesteres van het turkoois'. In en om de Hathortempel te Serabit el-Chadim, in het hart van het mijndistrict, zijn talrijke inscripties gevonden in twee schriften. Naast hiërogliefen komen ook korte teksten voor in een ander schrift. Dit bestaat uit ongeveer dertig pictogrammen en moet dus wel alfabetisch zijn. De vorm van de afzonderlijke tekens is ontleend aan hiërogliefen, maar ze hebben niet de klankwaarde van het Egyptische systeem. Pas wanneer men bij ieder symbool het overeenkomstige Semitische woord uitspreekt, en daarvan dan de eerste 'letter' neemt (dit principe heet acrofonie), krijgt men iets begrijpelijks. Een veel voorkomende groep van vier tekens laat zich zo lezen als Baälet 'de Meesteres', kennelijk de Palestijnse benaming voor de godin van de tempel. De opschriften zijn gesteld in de Sernitische taal van de mijnarbeiders.

De Egyptenaren zelf zijn nooit op het idee gekomen om uit het hiërogliefenschrift een alfabet te destilleren, ook al bezaten ze daarvoor de mogelijkheden gezien het bestaan van de 26 éénlettertekens.

Wel hadden ze voor het schrijven van Aziatische namen en woorden al tijdens het Nieuwe Rijk geëxperimenteerd met een soort lettergrepenschrift. Het is mogelijk dat dit soort experimenten de ontwerpers van het Sinaï-schrift heeft beïnvloed. Helaas zijn de teksten in dit schrift nog steeds niet goed te dateren: de theorieën variëren van de 18de tot de 15de eeuw v.Chr.

Hoe dit ook zij, het Sinaïtische alfabet vormt in ieder geval de ontbrekende schakel tussen de Egyptische hiërogliefen (waaraan de tekenvormen zijn ontleend) en de latere Kanaänitische alfabetten (waar enkele tekenvormen met dezelfde klankwaarde worden voortgezet). Daarmee verbindt het ook ons eigen alfabet met de hiërogliefen. Onze letter A gaat rechtstreeks terug op de hiëroglief in de vorm van een stierenkop, al staan de horens inmiddels naar beneden gericht

5. Een eerste kennismaking : we maken een cartouche met onze eigen naam erin :

 

Hoofdstuk 2 : de farao, de Egyptische taal II

 

2.1. De Farao

 

2.1.1.Koningschapsconcepten in het Oude Nabije Oosten :

Mesopotamië en Egypte

 

         In het oude Nabije Oosten werd het koningschap gezien als juist die instantie die als basis van de menselijke beschaving vrede en rechtvaardigheid garandeerde. Destijds werd - anders dan bij ons - het koningschap niet als een op zichzelf staand politiek instituut beschouwd, maar als een  element dat de harmonische eenheid van de kosmos bestendigde. Over die kosmos - dus ook over het koningschap - werd in Mesopotamië  en Egypte  verschillend gedacht.

 

 

 

 

         In Mesopotamië  participeerde de gemeenschap door middel van religieuze feesten in de kosmische crises waarin het goddelijke en het demonische met elkaar de strijd aanbonden. Dit participeren was noodzakelijk gezien de  onzekere toekomst. Aldus participeerde men feestvierend in de dood, de verrijzenis en het sacrale huwelijk van Tammuz.

 

 

 

 

 

In Egypte werd de kosmos vanaf de schepping als statisch beschouwd.

 

 

 

 

 

De volgende tekst over de schepping geeft het vertrouwen van de Egyptenaren in de kosmische orde goed weer. Het fragment is afkomstig uit de zogenaamde  ‘Leer voor koning Merykare’ [2070-2041], geschreven door zijn voorganger als een soort politiek testament vol wijze raadgevingen:

 

 

 

 

 

Wel geordend is de wereld van de mensen, Gods vee. Hij heeft hemel en aarde geschapen om hun ter wille te zijn. Voor hen heeft hij de donkere chaos verdreven. Hij heeft de lucht geschapen, tot levensadem. Zij zijn Gods evenbeeld, uit zijn lichaam voortgekomen. Hij komt op aan de hemel ter wille van hen. Hij heeft planten en dieren, vogels en vissen voor hen geschapen om hen te voeden. Hij heeft om hunnentwil het licht geschapen en zeilt aan de hemel, opdat zij kunnen zien. Hij heeft hun de toverkunst geschonken als wapen om de arm der gebeurtenissen af te wenden en dromen kondigen de toekomst aan, bij dag en bij nacht. Hij heeft de boosdoeners onder hen gedood, zoals iemand zijn eigen zoon neerslaat ter wille van diens broeder. God kent alle namen.

 

 

 

 

 

Feesten onderstrepen hier het gevoel van  zekerheid ten aanzien van de toekomst.

 

 

 

 

 

         Dit verschil in visie op kosmische situaties loopt parallel met de fysiografische verschillen tussen Mesopotamië en Egypte. Egypte is geïsoleerd door woestijnen en is zeker van de jaarlijkse overstroming van de Nijl. Mesopotamië  ligt open voor dreiging van buitenaf en is afhankelijk van een onzekere regenval en een onveilige rivier.

 

 

 

 

 

         Tenslotte staan Mesopotamië  en Egypte verschillend tegenover de dood. Het Gilgamesh-epos laat blijken dat de Mesopotamiër in de onvermijdelijkheid van de dood berust ook al is het concept van wederopstanding eveneens aanwezig. Religieuze feesten houden het aardse leven in stand.

 

 

 

 

 

In Egypte wordt de realiteit van de dood ontkend. In welke hoedanigheid dan ook (bv. als vogel of ster), de mens leeft voort zonder volledig van zijn lichaam gescheiden te zijn. Paradoxalerwijs treffen we dit geloof voor het eerst aan in de piramidenteksten voor de farao die een onsterfelijke god is.

 

 

 

 

 

Diens kroning is dan ook niet zozeer een  apotheose (vergoddelijking), maar een  epiphanie (een manifestatie van god op aarde). In Mesopotamië wordt de koning gezien als lid van de mensengemeenschap, wat blijkt uit de Sumerische vorstentitel  lugal (grote man). De mensen stellen zich daar (met alle risico's  vandien) onafhankelijk van de goden op.

 

 

 

 

 

De Egyptische samenleving dankt haar zekerheid aan een opgeofferde vrijheid : zij is van haar goddelijke heerser afhankelijk.

 

 

 

 

 

Overigens wordt in het Joodse concept het absoluut unieke en transcendente ( allesoverstijgende) van God benadrukt.

 

 

 

 

 

         Er zijn twee manieren om het Egyptische koningschapsconcept te benaderen, nl. door de goddelijke koning te bestuderen bij hedendaagse Oost-Afrikaanse groepen wier cultuur overigens qua diepgang niet met die van Egypte te vergelijken is, en verder door na te gaan op welke wijze de koning in de kunst van het oude Nabije Oosten is afgebeeld.

 

 

 

 

 

         In de beeldende kunst van de predynastieke periode worden vorsten niet op een specifieke manier weergegeven. Met de eenwording van Egypte verandert dat abrupt : in het Narmerpalet domineert de koning door de sterk uitvergrote schaal waarop hij is afgebeeld . Bovendien staat de koning daar als enkeling als representant van Egypte tegenover zijn vele tegenstanders. Dezelfde  bovenmenselijke kwaliteit zien we bij afbeeldingen van Toetmosis III .

 

 

 

 

 

Op een Mesopotamische stèle  is de god Ningirsu wèl, maar koning Eannatum niet als bovenmenselijke macht afgebeeld. Soms  wordt Assurnasirpal duidelijk door de god Assur gesteund!

 

De goddelijkheid van Ramses III daarentegen  kan alleen maar op onrealistische wijze worden weergegeven : hij is de enige die telt, in volstrekte ongenaakbaarheid. De chaos (de vijanden) wordt overwonnen en in orde veranderd. De farao handelt overeenkomstig Ma'at. Dit functioneren staat eigenlijk los van de historische gebeurtenissen. Teksten geven ook eerder generalisaties dan feitelijke informatie. Ook op jachtscènes  is van een dergelijke visie sprake. Alleen met goden staat de farao op gelijke voet afgebeeld.

2.1.2. De machtspositie en bijbehorende ideologie

 

De Egyptische farao was in hoofdzaak een rituele figuur die als goddelijk werd beschouwd. Aan het begin van het Oude Rijk golden de Egyptische koningen nog als goden. Hun stamboom ging terug tot goddelijke voorvaderen. Ze werden gezien als ‘Gouden Horus’, de incarnatie van de valk-zonnegod Horus op aarde.

 

Vanaf de vierde dynastie werden farao’s  - de naam farao komt van de omschrijving ‘per-aa’, groot huis -  als sa Ra, zoon van Ra toegesproken, maar werden tevens gezien als incarnatie van Horus, de zoon van de god van het dodenrijk, Osiris. De farao was de ‘levende Horus’; na zijn dood werd hij Osiris, dus heerser van het dodenrijk.

 

De farao beschikte over bijzondere krachten; het was gevaarlijk om hem aan te raken. Toch was hij geen echte god : aanbidding van de farao was uiterst ongebruikelijk. Men ging ervan uit, dat het bestaan van de werelorde en de welvaart van het land van zijn fysieke kracht afhankelijk waren. Hij stond borg voor de jaarlijkse overstroming van de Nijl, hij onderdrukte de machten van duisternis en chaos en versloeg de vijanden van Egypte. Vandaar dat hij bij zijn troonsbestijging een fysieke krachtproef, een hardloopprestatie, moest verrichten om te bewijzen dat hij gezond was. Dit werd bij het sed-feest periodiek herhaald.

 

De rijksgod Amon, zo dacht men, schiep steeds in de gestalte van de regerende farao met zijn echtgenote de toekomstige koning.

 

In de volgende  tekst uit de dodentempel van Hatsjepsoet te Deir-el-Bahari wordt beschreven hoe Amon tot Ahmose, de vrouw van de heersende farao, komt om de opvolger, Hatsjepsoet, te verwekken.

 

         Amon had zijn uiterlijk aan dat van haar gemaal, de koning van Opper- en Neder-Egypte, gelijkgemaakt. Amon en Thot vonden haar [nl. Ahmose] , zoals zij in het binnenste van haar paleis rustte. Zij ontwaakte door de goddelijke geur. Zij lachte tegen Zijne Majesteit. Hij kwam gelijk tot haar. Hij ontbrandde in liefde tot haar. Hij gaf haar zijn hart. Hij liet zich aan haar zien in zijn goddelijke gestalte nadat hij voor haar gekomen was zodat ze jubelde bij het zien van zijn volmaaktheid. Zijn liefde drong bij haar binnen. Het paleis vloeide over van goddelijke geur. De majesteit van deze god deed alles aan haar wat zij wilde.Zij liet hem over haar jubelen. Zij kuste hem. Amon, de Heer van Karnak, sprak tot haar : Hatsjepsoet is de naam van deze dochter van jou, die ik in je lichaam heb gelegd. Zij zal dit voortreffelijke ambt in dit gehele land bekleden.

 

Omdat hij een goddelijke natuur bezat was hij ook de opperpriester van het land en daarmee verantwoordelijk voor het contact met het bovenaardse.

 

De troonsbestijging van de farao was een feestelijk gebeuren dat in hymnen werd verheerlijk, zoals in de volgende hymne op de troonsbestijging van Ramses IV  [1151-1145] :

 

Wat een mooie dag! Hemel en aarde verheugen zich, want gij zijt de grote heer van Egypte.

 

 

 

Zij die gevlucht waren, zijn weer naar hun steden teruggekeerd.

Zij die verborgen waren, zijn weer te voorschijn gekomen.

Zij die honger leden zijn verzadigd en zij die dorst hadden, zijn nu dronken.

Zij die naakt waren, gaan gekleed in fijn lijnwaad en zij die vuil waren, hebben nu witte klederen.

Zij die in de gevangenis zaten, zijn vrijgelaten.

 

Bij zijn troonsbestijging schoot de farao tegen mogelijke vijanden pijlen af in de vier windstreken en rende hij in een feestelijke wedloop om een afgescheiden vlakte die het rijk symboliseerde. Na dertig jaar moest hij deze rituelen herhalen en – via bronnen aantoonbaar in het begin van de Egyptische geschiedenis – zijn kracht demonstreren die door de goden steeds magisch hernieuwd werd. Op een wandrelief in het grafcomplex van Djoser is de door Djoser gehouden wedloop afgebeeld.

 

In hun tijdrekening begonnen de Egyptenaren met elke farao opnieuw te tellen vanaf zijn troonsbestijging : ‘dag drie in de tweede maand van de Nijloverstroming in het jaar tien van de regering van farao X’. De geschiedenis van hun land was voor de Egyptenaren een reeks van koningen, samengevat in dynastieën.

 

De eerste ons bekende heerser, die zich Narmer  noemde, leefde rond 3000 v.C., de laatste, Cleopatra VII, pleegde in 30 v.C. zelfmoord, toen ze haar land aan de Romeinen verloor.

 

De geschiedenis van Egypte stond in tempels opgetekend. Niet de beslissende momenten, de oorlogen, catastrofen of veroveringen werden daar bewaard, maar de namen van de koningen, het aantal regeringsjaren, de gestichte tempels, de ceremoniën en soms de hoogte van de Nijl.

 

 

 

 

         Als symbool voor het welzijn van het land diende de farao niet alleen geestelijk, maar ook lichamelijk bijzonder sterk te zijn.

 

In een stèle, in 1936 gevonden in de buurt van de Sphinx van Gizeh worden de sportieve daden van Amenophis II (1453-1419) verheerlijkt. Hier volgt een gedeelte uit deze tekst :

 

 

 

         Zijne Majesteit nu is als koning gekroond als een schone jongeling nadat hij tot de jaren des onderscheids gekomen en achttien jaar geworden was zonder ziek te zijn. Hij is op de hoogte met al het werk van Montoe (de oorlogsgod), er is geen die hem evenaart op het slagveld. Hij kan omgaan met paard en wagen, zijns gelijke is er niet in dit talrijke leger. Daarin is er geen die zijn boog kan spannen; men kan hem niet inhalen bij het hardlopen. Hij is sterk van arm, onvermoeibaar wanneer hij de roeiriemen opneemt. Hij voer achter in zijn koningsschip dat berekend is op 200 man. Wanneer men losmaakt en zij een halve E (ca. 5 km)  afgelegd hebben, dan zijn ze uitgeput en hun lichamen afgemat en zij hijgen naar adem.

 

 

 

Maar zijne Majesteit is sterk wanneer hij zijn riem hanteert die ruim tien meter lang is. Hij maakte los en maakte zijn koningsschip weer vast nadat hij ongeveer dertig kilometer roeiens afgelegd had zonder te pauzeren bij het hanteren van de riem, terwijl de gezichten opgetogen waren bij het kijken naar hem. Nadat hij dit gedaan had spande hij driehonderd stijve bogen terwijl hij het werk der werklui vergeleek om de knoeier te onderscheiden van de kundige.

 

 

 

Toen hij terugkwam na dit wat u voor ogen gesteld is, gedaan te hebben, ging hij zijn noordelijke park binnen en hij bevond dat er vier schietschijven van Aziatisch koper voor hem waren opgesteld die één handbreedte dik waren; er was twintig el tussen twee palen. De koning kwam tevoorschijn op zijn wagen als Montoe in zijn kracht; hij had zijn boog opgenomen en vier pijlen tegelijk gegrepen. Hij reed noordwaarts en schoot er naar als Montoe in zijn wapentooi en zijn pijlen kwamen aan de achterkant eruit. Toen viel hij aan op de andere.....

 

 

 

Dat is immers een daad die nog nooit gedaan is en men heeft er zelfs nooit van horen vertellen dat iemand een pijl naar een schietschijf van koper geschoten heeft zodat deze eruit kwam en op de grond viel, behalve de koning, rijk aan macht, die (Amon) krachtig gemaakt heeft, de koning van Boven- en Beneden-Egypte : Re is groot van verschijningsvorm, dapper als Montoe.

 

        

 

 

 

2.1.2. De taken

 

Naast zijn taak als opperpriester van elke Egyptische tempel  behoorde de verdediging van het land ook tot zijn takenpakket. Een regelmatig terugkerend ‘pictogram’ voor de zegevierende koning toont hem met geheven knots met een groep gevangenen die hij aan hun haren vasthoudt. Smekend verheffen de overwonnenen hun handen. Vanwege hun geringe betekenis zijn ze veel kleiner afgebeeld dan de koning zelf.

 

Door de bezetting door de Hyksos aan het einde van het Middenrijk maakten de Egyptenaren kennis met paard en strijdwagen. Vanaf die tijd wordt de farao als verdediger van het land met paard en wagen afgebeeld.

Voor alle belangrijke taken van de farao hebben de Egyptenaren een beeldformule ontwikkeld. Ze konden op de tempelmuren zien wat een farao was en wat hij geacht werd te doen.

 

Zijn belangrijkste taak was het verenigen van de twee delen van het land. Tijdens de burgeroorlogen in de zogenaamde Tussentijden [tussen het Oude en het Nieuwe  Rijk] was dit een reële maar ook mythische opgave : de Egyptenaren voelden zich door de chaos bedreigd en de farao moest hun te hulp komen. Deze taak werd uitgebeeld door de vereniging van Boven- en Beneden-Egypte, verbeeld door twee planten,de papyrus en de lotus, die samengebonden worden of door twee goden die de farao zegenen. Nadrukkelijk heet de farao dan ook : neb-taui : heer van beide landen.

 

Als opperrechter neemt de farao klachten en beroepszaken in behandeling. Ook het handhaven van de binnenlandse orde is een belangrijke taak. Rechtvaardigheid, waarheid en harmonie werden gepersonifieerd door de godin Ma’at. Ze draagt een struisveer op haar hoofd en wordt soms alleen door deze veer gesymboliseerd. De farao, die op zijn handpalm de goden een kleine Ma’at aanbiedt, zegt dat hij zijn macht niet zal misbruiken en in meningsverschillen tussen zijn onderdanen naar de waarheid zal zoeken.

 

Een koning adviseert zijn zoon :

 

Handel met Ma’at in je gedachten zolang je op aarde verblijft. Troost de huilende, kwel de weduwe niet, verdrijf niemand van het eigendom van zijn vader en benadeel niet de ambtenaren in hun functie. Hoed je voor onterechte bestraffing en dood niet, want dat heeft voor jou geen nut.

 

Door zich te beroepen op Ma’at beperkt de koning zijn eigen macht en wordt hij verplicht het eens te worden met zijn onderdanen. Tot tevredenheid van de mensen houdt hij de wetten vast tot in eeuwigheid.

 

Overigens was het realiseren van Ma’at niet alleen de taak van de farao, maar ook van zijn ondergeschikten. Zo wordt de taak van de vizier, de eerste minister, omschreven in een tekst die in het graf van Rechmire, de vizier van Thoetmosis III [1504-1450], is te vinden :

 

Ik oordeelde onpartijdig tussen arm en rijk.

Ik redde de zwakke van de onderdrukker.

Ik overwon de woede van de slecht gehumeurde en ik onderdrukte de boze daden van de op winst beluste.

Ik bekoelde de drift van de woedende.

Ik wiste de tranen weg door de nooddruftige bijstand te verlenen.

Ik stelde de zoon en erfgenaam aan in de positie van zijn vader.

Ik gaf brood aan de hongerige, water aan de dorstige, vlees, bier en kleren aan hem die niets had.

Ik ondersteunde de oude man door hem mijn eigen staf te geven en daarom zeiden de oude vrouwen : “ Wat een daad van genade!”.

Ik verafschuwde slechte daden en beging zelf nooit iets dergelijks.

Ik liet leugenaars aan hun hielen ophangen.

Ik was schuldeloos in de ogen van de god [Amon].

 

 

 

Niemand met enige opleiding zei van mij : “ Wat heeft hij gepresteerd?”.

 Als ik moeilijke eisen moest beoordelen zorgde ik dat beide partijen tot een vreedzame overeenstemming kwamen.

 

Ik benam niemand zijn recht door een beloning aan te nemen.

Nooit was ik op welke wijze dan ook doof voor wie met lege handen kwam en ik zweer dat ik nimmer van wie ook steekpenningen heb aangenomen.

 

2.1.3. De titels

 

Een overzicht van de vijf titels is te vinden op :

http://www.ancient-egypt.org/index.html [language, titulary]

http://www.hieroglyphs.net/000501/html/000-042.html

Vanaf het Middenrijk, de 11e en 12e dynastie, kreeg een Egyptische koning een unieke combinatie van vijf namen. De eerste was zijn feitelijke geboortenaam, de andere vier werden hem bij de kroning verleend.

 

De volgorde van de namen was :

 

NAAM                                                  TITEL

 

HORUS                                               Horus

 

NEBTI/BEIDE MEESTERESSEN                Hij van de Beide Meesteressen 

[Wadjet  (cobra) en Nechbet (gier)]     

 

GOUDEN HORUS                                 Gouden Horus

 

TROONNAAM                                      Hij van het Riet en de Bij

                                                        = koning van Boven- en Beneden-Egypte

 

GEBOORTENAAM                                Zoon van Re

 

 

2.1.4  De ideologie; Begeleidende goden en attributen

 

Bij het uitvoeren van zijn taken werd de farao door goden begeleid.  Op de eerste plaats stond Horus, de Valkengod, ‘ wiens ogen zon en maan zijn en wiens vleugelpunten de grenzen van de wereld raken’. Horus gold als godenzoon, net als de farao,  en de koning werd dus met Horus geïdentificeerd als ‘Horus in het paleis’ . Het beeld van de valk verwijst naar de goddelijkheid van de koning en naar goddelijke bescherming.

 

Een van de indrukwekkendste afbeeldingen van de beschermgod Horus is die bij het beeld van Chephren in het Egyptisch Museum te Cairo, waar hij zijn vleugels spreidt  om het hoofd van de farao. Het kan zijn dat hij hem in dit geval niet alleen beschermt, maar dat hij gelijkgesteld wordt aan Chephren. In het Oude Rijk immers geloofde men lange tijd dat de koningen zelf de belichamingen van godheden waren.

 

Als vrouwelijke beschermsters van de koning golden de Giergodin Nechbet uit Boven-Egypte en de Slangegodin Uto uit Beneden-Egypte. Ze belichaamden samen beide delen van het land en beschermden samen de heerser. De Slangengodin siert als gevaarlijk opgerichte cobra de koninklijke diadeem.

 

Insignes van de macht waren de gouden zweep of dorsvlegel  en de gouden kromstaf in de handen van de farao, relicten uit vroegere tijden toen de Egyptenaren als nomaden door de woestijn zwierven. Met de zweep dreven ze de kudden vee samen en met de haak van de staf vingen ze de dieren aan de achterpoten. De farao dus als opperste herder.

 

Ook het dierenvel stamt uit deze legendarische tijd. Een van de titels van de farao was ‘ sterke stier’ .

 

Verder wordt de farao afgebeeld met een kort gevouwen schort van wit linnen en een verstevigde hoofddoek, die in de nek tot een vlechtachtige wrong was samengedraaid. Voor ceremonien werd de koning een  smalle gevlochten kinbaard omgebonden, ook als het om een vrouw ging, zoals bij Hatsjepsoet.

 

De koning kon zes verschillende kronen dragen die de hoofdinsignes van zijn macht vormden. Elke kroon had een symbolische waarde. De witte kroon van Boven-Egypte werd vaak gecombineerd met de rode van Beneden-Egypte.

 

2.1.5. Een Koningsinscriptie uit de 13e eeuw

 

Deze Zegeningen van Ptah-Tatenen geven blijk van de goede verstandhouding tussen de god en zijn zoon de farao [Ramses II]. De tekst is waarschijnlijk vervaardigd in de residentiestad Memphis en op steen aangebracht in de tempel van Ptah.

 

Datum en naam

 

 

 

Het vijf en dertigste regeringsjaar, de eerste maand van het winterseizoen, de dertiende dag onder de majesteit van Horus : Sterke stier, die waarheid liefheeft, de heer van jubileumfeesten als zijn vader Tatenen. De beide meesteressen: die Egypte beschermt en de vreemde landen bedwingt. Re die de goden voortbrengt en de beide landen inricht. Gouden Horus : Rijk in jaren, groot in overwinningen. De koning van Boven-en Beneden-Egypte. De Heer van Beide Landen Weser-Maat-Re Setep-En-Re. De Zoon van Re : die voortgekomen is uit Tatenen, het kind van Sachmet de grote, Ramsesmeriamon, begiftigd met leven.

 

 

 

Rede van Ptah-Tatenen

 

 

 

Opschrift

 

 

 

Woorden gesproken door Ptah-Tatenen die hoog van veren en scherp van horens is, die de goden verwekt heeft, tot zijn zoon, zijn verkorene, zijn eerstgeborene de god, goddelijk en groot onder de goden, groot in jubileumfeesten als Tatenen, de Koning van Boven- en Beneden-Egypte Weser-Maat-Re Setep-En-Re, de zoon van Re Ramsesmeriamon.

 

 

 

 

 

 

Ptah-Tatenen erkent Ramses II als zijn zoon

 

 

 

Ik ben uw vader, ik heb u verwekt onder de goden, zodat al uw ledematen goden zijn, want ik heb een openbaringsvorm van mij, namelijk de Ram, de Heer van Mendes aangenomen en ik heb u uitgezaaid in uw edele moeder. Ik weet, dat gij mijn beschermer zijt en dat gij weldaden doet voor mijn Ka.  Ik heb u verwekt opdat Re verschijnt en ik heb u verheven boven de goden, de Koning van Boven- en Beneden-Egypte Weser-Maat-Re Setep-En-Re, de zoon van Re Ramsesmeriamon, begiftigd met leven.

 

 

 

Blijdschap bij de geboorte van de farao

 

 

 

De Chnoem-goden en de Ptah-goden juichen terwijl uw geboortegodin jubelt in vreugde wanneer ze u aanschouwen : een beeld dat mijn heerlijke en grote lichamelijke wezen in zich heeft. De grote Sjepesoet-godinnen van de tempel van Ptah en Hathor-godinnen van de tempel van Atoem zijn in feest. Haar harten zijn verheugd en haar handen slaan de tamboerijn in feestvreugde wanneer ze uw volmaakte beeld zien. De liefde tot u is als de liefde tot mijne majesteit.Goden en godinnen prijzen uw volmaaktheid terwijl ze mij  loven en lofuitingen voor mij decreteren. Ze zeggen tot mij : u bent het die voor ons een god verwekt heeft, uw gelijkenis, de Koning van Boven- en Beneden-Egypte Weser-Maat-Re Setep-En-Re, de zoon van Re Ramsesmeriamon, begifigd met leven.

 

 

 

De gaven van Ptah-Tatenen aan de nieuw-geboren farao

 

 

 

Toen ik u zag juichte mijn hart en ik nam u in mijn gouden omarming. Ik omringde u met leven, duurzaamheid en heerschappij. Ik verbond u met gezondheid en opgewektheid en ik verenigde u met blijdschap, vreugde, geluk, gejuich en gejubel. Ik maakte dat uw hart goddelijk is als dat van mij, want ik heb u uitverkoren, zodat u intelligent en scherpzinnig bent  en zodat uw hart verstandig is en uw uitspraken doeltreffend zijn en er helemaal niets is dat u niet weet en gij heden volmaakter zijt dan gisteren en iedereen in leven houdt door uw onderwijzing, de Koning van Boven- en Beneden-Egypte Weser-Maat-Re Setep-En-Re, de zoon van Re Ramsesmeriamon, begiftigd met leven.

 

 

 

De god geeft koningschap en welvaart

 

 

 

Ik heb u aangesteld tot eeuwige koning en een heerser die blijft voor eeuwig doordat ik uw lichaam vormde van goud, uw beenderen van koper en uw ledematen van meteoorijzer. Ik heb u mijn goddelijke ambt gegeven zodat gij de beide landen regeert als Koning van Boven- en Beneden-Egypte. Ik geef u de grote overstroming en ik heb voor u de beide landen verbonden met rijkdom, voedsel, edele spijzen en levensmiddelen overal waar u treedt. Ik geef u duurzaam graan om beide oevers te voeden in uw tijd, zodat hun graankorrels zijn als het zand op de oever en hun graansilo’s de hemel naderen en hun korenhopen zijn als bergen. Men is verblijd en men is verzadigd wanneer men u ziet. Voedsel en vogelvangst zijn onder uw voeten, Boven- en Beneden-Egypte zijn voldaan met uw Ka. De hemel geeft u wat in hem is en Geb brengt tevoorschijn wat in hem is. De vogelmoerassen komen tot u met ganzen en Sechat-Hor draagt haar opbrengst, de 14 Ka’s van Re, die Thoth op elke weg van u heeft geplaatst. U  opent uw mond om rijk te maken wie u verkiest overeenkomstig het feit dat u de levende Chnoem bent zodat u regeert in zegepraal en rijkdom als Re toen hij heerste over de beide landen, de Koning van Boven- en Beneden-Egypte Weser-Maat-Re Setep-En-Re,de zoon van Re Ramsesmeriamon, begiftigd met leven.

 

 

 

De god geeft monumenten

 

 

 

Ik geef dat de bergen voor u grote, hoge en geweldige monumenten voortbrengen en ik geef dat de woestijnen allerlei edele en kostbare stenen scheppen om beschreven te worden tot monumenten met uw naam. Ik geef dat alle werk doeltreffend is voor u en dat elke werkplaats voor u werkt en alles wat op twee benen of vier benen gaat en wat opvliegt en neerstrijkt.

 

 

 

Ik geef het in het hart van elk land om gaven te geven en zelf voor u te werken, zodat vorsten, edelen en geringen eensgezind zijn om weldaden te doen voor uw Ka, de Koning van Boven- en beneden-Egypte Weser-Maat-Re Setep-En-Re de zoon van Re Ramsesmeriamon, begiftigd met leven.

 

 

 

De god geeft de residentie en de jubileumfeesten

 

 

 

Ik maak voor u een grote en heerlijke residentie om de grens van beide landen te versterken, het Huis van Ramsesmeriamon, begiftigd met leven. Het is vast op de aarde als de stutten des hemels. Ik heb de muurstad Memphis gebouwd waarin de paleizen van de soeverein zijn zodat u de jubileumfeesten kunt vieren die ik daarin gevierd heb. Ik bevestig met mijn eigen handen uw kronen wanneer u verschenen bent op het grote tweedelige podium terwijl mensen en goden uw naam toejuichen zoals bij mij toen ik jubileumfeesten vierde.

 

 

 

U  maakt beelden en u bouwt hun heiligdommen zoals ik gedaan heb in de vroege oertijd. Ik geef u de jaren in jubileumfeestperioden, regerend op mijn plaats en troon. Ik verenig uw lichaam met leven en heerschappij. Mijn bescherming is rondom u als leven, voorspoed en gezondheid. Ik bescherm Egypte onder uw opzicht, terwijl de beide landen verenigd zijn met leven en heerschappij, de koning van Boven- en Beneden-Egypte Weser-Maat-Re Setep-En-Re, de zoon van Re Ramsesmeriamon, begiftigd met leven.

 

 

 

De god geeft overwinning en oorlogsbuit

 

 

 

Ik heb u moed en overwinning gegeven. Uw zwaard is machtig in elk land. Ik heb de harten van alle landen verschrikt en ik heb hen onder uw sandalen geplaatst. De vorsten en groten van elk land offeren u hun kinderen. Ik laat hen over aan uw machtig zwaard om met hen te doen wat gij wilt, de Koning van Boven- en Beneden-Egypte Weser-Maat-Re Setep-En-Re, de zoon van Re Ramsesmeriamon, begiftigd met leven.

 

 

 

De god geeft de onderdanigheid aan de Koning

 

 

 

Ik geef het ontzag voor u in alle harten en de liefde jegens u in elk lichaam, ik geef de schrik voor u in elk vreemd land en de vrees voor u die de bergen omgeeft. De vorsten sidderen bij de herinnering aan u, uwe majesteit is sterk en blijvend aan het hoofd van hen. Zij komen eenstemmig om vrede van u te vragen. U laat leven wie U wilt en U  doodt wie u wilt. Zie de troonzetel van elk land is onder uw gezag. Ik geef dat elk wonderteken voor u te voorschijn komt en elke goede zaak voor u plaats vindt. De beide landen onder u zijn in vreugde en Egypte bloeit in opgewektheid, de koning van Boven- en Beneden-Egypte Weser-Maat-Re Setep-En-Re, de zoon van Re Ramsesmeriamon, begiftigd met leven.

 

 

 

De god verkondigt het grootste wonder : de onderdanigheid van de Hittieten en de komst van de Hittitische prinses aan het hoofd van hun geschenken

 

 

 

Ik kwam in beweging voor u en kondigde het grootste schitterende wonder aan : de hemel kwam in beroering, de aarde was in vreugde en die daarin zijn waren verblijd om wat u ten deel viel. De bergen, wateren, de muren en zij die op aarde zijn waren in beweging vanwege uw volmaakte naam, toen zij het decreet zagen dat ik voor u gemaakt heb: het Hittietenland is voortaan  tot slaaf van uw paleis. Ik geef het hun in het hart om zichzelf deemoedig aan uw Ka aan te bieden met hun schatting, de oorlogsbuit van hun vorsten en al hun goederen als een geschenk voor de heerlijkheid van zijne majesteit – hij leve, gedije en zij gezond – met zijn oudste dochter aan het hoofd ervan om het hart van de heer van beide landen te verzoenen, de Koning van Boven- en Beneden-Egypte Weser-Maat-Re Setep-En-Re, de zoon van Re Ramsesmeriamon, begiftigd met leven.

 

 

 

De god heeft de overeenstemming met of onderwerping van de Hittieten bewerkstelligd

 

 

 

Het grote verborgen wonder dat men niet kende en de tot vrolijkheid stemmende daad heb ik gedaan op uw wens zodat uw naam groot en heerlijk is tot in eeuwigheid. De gelukkige daad van moed en zegepraal is een groot geheim van wie er om gebeden heeft. Het is ongehoord sinds de tijd van de annalen der goden, een geheim in het huis der boeken, uit de tijd van Re tot de tijd van uwe majesteit – hij leve, gedije en zij gezond. Het was onbekend dat het beleid van het Hittietenland overeenstemmend zou worden met dat van Egypte. Zie ik heb gedecreteerd hun onderwerping onder uw voeten om uw naam te doen leven tot in eeuwigheid, de Koning van Boven- en Beneden-Egypte Weser-Maat-Re Setep-En-Re, de zoon van Re Ramsesmeriamon, begiftigd met leven.

 

 

 

Het antwoord van de Koning

 

 

 

Woorden gesproken door de Koning, de god de Heer der Beide Landen die ontstaan is uit Chepri-Re zelf,die voortgekomen is uit Re, die verwekt is door Ptah-Tatenen, de Koning van Boven- en Beneden-Egypte  Weser-Maat-Re Setep-En-Re, de zoon van Re Ramsesmeriamon, begiftigd met leven, tot zijn vader uit wie hij is voorgekomen, Tatenen, de vader der goden.

 

 

 

Ik ben uw zoon die u op uw troon hebt geplaatst. U hebt uw koningschap toegewezen aan mij die u als uw beeld en gelijkenis gevormd hebt. U hebt mij nagelaten wat U geschapen hebt. Ik ben het die opnieuw het goede doet naar uw wil. Ik ben de ene heer, zoals u was, om de staatszaken te behartigen.Ik heb Egypte voor u opnieuw tot ontwikkeling gebracht. Ik heb haar gemaakt zoals in den beginne. Ik heb de goden gevormd die uit u zelf ontstaan zijn overeenkomstig hun geaardheid en lichamelijke verschijningsvorm. Ik heb Egypte ingericht naar hun wens en haar opgebouwd met tempels.

 

 

 

Ik heb uw tempel in Memphis vergroot zodat hij gebouwd is als een werk voor de eeuwigheid, in degelijke arbeid, met natuursteen ingelegd met goud en echte edelstenen. Ik heb uw voorhof naar het noorden toe uitgebreid met een verheven tweeledig poortgebouw voor uw aangezicht waarvan de deuren zijn als die van het lichtland des hemels en maken dat het volk u aanbidt. Ik heb ook nog een heerlijke tempel gebouwd binnen de muren. O mijn god, die ik gevormd heb, u bent  in een ontoegankelijke schrijn, rustend op uw grote troon. Ik heb hem voorzien van priesters en godsdienaren, horigen, akkers en kudden. Ik heb hem feestelijk gemaakt met honderdduizenden offergaven van allerlei dingen. Ik heb uw grote jubileumfeest gevierd, want u bent het die het mij gedecreteerd hebt. Ik heb u alles wat er is als een groot offer gebracht naar u wens : langhoornig en korthoornig vee zonder tal en allerlei gemeste koeien bij miljoenen.Hun vet heeft de hemel bereikt en hij die in de hemel is neemt het aan.

 

 

 

Ik heb de hele aarde het goede doen zien, nl. deze monumenten die ik voor u gemaakt heb. Ik heb mensen, de negen-bogen-volken [= de vijandige volken]  en de gehele aarde bestempeld met uw naam. Zij zullen tot in eeuwigheid voor uw Ka zijn overeenkomstig het feit dat u het bent, die hen geschapen hebt, naar het decreet van uw zoon hier , die is op de troon van u, de heer van goden en mensen, de soeverein, die jubileumfeesten viert evenals gij, die de dubbele kroon draagt, de zoon van de witte kroon, de erfgenaam van de rode kroon, die de beide landen in vrede verenigt, de koning van Boven- en Beneden-Egypte Weser-Maat-Re Setep-En-Re, de zoon van Re Ramsesmeriamon, begiftigd met leven.

 

 

 

 

2.1.6. Herodotus’  gegevens over de Egyptische farao’s

 

http://nefertiti.iwebland.com/herodotus/index.html

 

 

2.7. De Egyptische taal 2

 

Papyrus als schrijfmateriaal

 

Niet alleen onze lettervormen hebben we aan Egypte te danken, maar ook onze manier van schrijven. Zelfs in deze tijd van computers blijft de elementaire vorm van schrijven toch nog altijd het hanteren van pen en inkt op papier. Die techniek is  zo'n vijfduizend jaar oud en stamt uit Egypte. De culturen van het oude Voor-Azië schreven door met een stift tekens in natte klei te drukken (spijkerschrift).

 

De Egyptenaren hadden echter met hun papyrus een schrijfmateriaal uitgevonden dat verre superieur was aan die zware en breekbare kleitabletten. Het schrijven met inkt is speciaal voor dit materiaal ontworpen

 

De oudst bekende papyrusrol is gevonden in Sakkara in het graf van Hemaka, een hoge ambtenaar uit de tijd van de 1ste dynastie (ca. 3000 v.Chr.). Deze rol is niet beschreven maar vertoont wel alle kenmerken van het fabricageproces.

 

De papyrusplant (Cyperus papyrus L.) groeide in de oudheid alom in de Egyptische moerassen. Voor het maken van schrijfmateriaal werden de ongeveer drie meter hoge stengels losgetrokken van de wortelstok, geschild en in moten gesneden van tenminste 40 cm lengte. Het sponzige merg werd dan in de lengterichting in plakjes gesneden of spiraalsgewijs afgerold tot een velletje. Deze werden geplet en in water geweekt tot ze een halfdoorzichtig voorkomen kregen. Twee lagen plakjes of velletjes werden dan op elkaar gelegd, zodanig dat de vezels van de onderlaag haaks op die van de bovenlaag liepen. Door walsen, hameren of persen vormde zich een blad schrijfmateriaal.

 

Twintig of meer van zulke vellen, aan elkaar geplakt met Arabische gom, vormden een boekrol. Het hele fabricageproces is tegenwoordig op experimentele wijze herontdekt en wordt toegepast om papyri te maken voor de toeristenindustrie.

Papyrus had een aantal eigenschappen die het heel aantrekkelijk maakten als schrijfmateriaal. Het was zo sterk als pakpapier, opmerkelijk kreukbestendig en veerkrachtig genoeg om eeuwen lang keer op keer te worden ontrold en weer opgerold.

 

Een verse papyrusrol was helderwit van kleur en vergeelde slechts zeer langzaam; men moet zich niet laten misleiden door het huidige aanzien van papyri, die door een lang verblijf in de grond heel donker kunnen zijn.

 

Papyrus was lichter in gewicht dan enig ander schrijfmateriaal uit de oudheid. Het oppervlak was glad gepolijst en bood geen weerstand aan penseel of pen. Bovendien zoog het de inkt enigszins op, zodat het een grote duurzaamheid van het opschrift garandeerde.

 

Tenslotte veroorzaakte dit materiaal een soort technologische en culturele revolutie: een volk dat papyrus leerde kennen hoefde niet langer moeizaam letter voor letter in steen, hout of metaal te griften of in klei te drukken, maar kon verder toe met pen en inkt. Het schrijven met inkt leidt tot een veel grotere schrijfsnelheid, tot een grotere productie, en maakt daardoor pas de ingewikkelde administratie mogelijk die de grondslag vormt voor een hoogontwikkelde maatschappij.

De oudste beschreven papyri stammen uit de 4de dynastie (ca. 2500 v.Chr.). Het zijn afrekeningen van een landgoed bij Gebelein, geschreven in een al volledig ontwikkelde vorm van het hiëratische schrift. Dat duidt erop dat dit schrift al een hele ontwikkeling achter zich had, en inderdaad tonen zelfs de cursieve hiërogliefen uit de 1ste dynastie hoe vaardig de schrijvers van dat moment al met penseel en inkt omgingen.

 

De inkt werd vervaardigd van roet en water, met Arabische gom (hars van de Nijlacacia) als bindmiddel. Voor speciale passages, titels en opschriften gebruikten de schrijvers rode inkt, gemaakt van oker. Zulke rode passages worden rubra genoemd (Latijns ruber = rood); ons woord rubriek is ervan afgeleid. De inkt werd verwerkt in de vorm van inktblokjes die met een nat penseeltje werden bevochtigd.

 

Deze penselen maakten de Egyptenaren van de stengels van een biezensoort (Juncus maritimus). Ze waren ongeveer l ,5 mm dik bij een lengte van zo'n twintig centimeter. Een der uiteinden werd schuin bijgesneden en tot een kwastje uitgekauwd. Inktblokjes en penselen werden bewaard in een speciaal houten schijfpalet.

 

Een afbeelding van palet, penseelkoker en waterpotje vormt ook de hiëroglief voor de woorden 'schrijven' of 'schrijver'. Pas in de Griekse tijd werd de hardere rietpen geïntroduceerd, waardoor de handschriften spichtiger worden (zoals op mummiewindsels en papyrus).

Gaandeweg ontwikkelden de schrijvers allerlei vaste tradities. Door het productieproces heeft een papyrusrol één zijde waar de vezels in de lengte lopen; deze zijde wordt recto genoemd en komt bij het oprollen aan de binnenkunt. De keerzijde (verso) heeft de vezels overdwars en komt aan de buitenkant van de rol.

 

Bij het schrijven van hiëratisch werd tot in het Middenrijk wel in kolommen gewerkt, maar daarna genoten horizontale regels de voorkeur.  De tekst werd geschreven van rechts naar links, vermoedelijk omdat dit voor een rechtshandige het meest logisch is. Gestart werd op de recto-zijde omdat de tekst dan bij het oprollen beter beschermd was; bij het schrijven in regels ondervond bovendien de penseel minder weerstand van de vezels, die immers net als de schrijfregels in de lengterichting liggen. Bij lange teksten werd echter vaak voortgegaan op het verso, of dit werd voor een ander document gebruikt (bijvoorbeeld in religieuze en magische teksten). Papyrusrollen werden geleverd in hoogten tussen de 32 cm (in het Middenrijk) en 42 cm (in het Nieuwe Rijk). Alleen voor de belangrijkste overheidsdocumenten, archiefstukken en religieuze teksten (zoals hymnen en mythologieën)gebruikte de schrijver zo'n integrale rol. Voor literaire teksten en correspondentie sneed hij de rol overlangs in tweeën of zelfs in vieren. Brieven staan vaak op zulke smalle stroken, die bovendien een kwartslag werden gedraaid zodat de vezels haaks op het opschrift staan. Na voltooiing werden ze opgerold, dubbelgevouwen en verzegeld met een touwtje en een klontje klei.

De buurlanden van Egypte bleven aanvankelijk trouw aan hun eigen tradities. In de culturen van Mesopotamië, Syrië en Palestina betekende dat het schrijven met spijkerschrift: de wigvormige afdrukken die een schrijfstift achterlaat op een nat kleitablet. Met deze onpraktische en breekbare tabletten voerden de Aziatische heersers zelfs hun internationale correspondentie, zoals de vondst van een spijkerschriftarchief in het paleis van koning Achnaton te Amarna duidelijk maakte.

 

Toch zullen zij wel eens met afgunst naar het superieure Egyptische systeem hebben gekeken. In de loop van het Nieuwe Rijk kwam de Egyptische papyrusexport op gang. Deze was voornamelijk gericht op een nieuwe ster aan het politieke firmament. Op de kust van de Libanon was de macht van de Phoeniciërs in opkomst, een volk dat door zijn handelsactiviteiten sterk onder invloed stond van de Egyptische levenswijze. Zo lezen we in het bekende reisverhaal van de Egyptische priester Wenamon dat deze rond 1070 v.Chr. vijfhonderd papyrusrollen meenam op zijn handelsmissie naar het Phoenicische Byblos.


Gedurende de volgende eeuwen ontwikkelden de Phoeniciërs zich tot de grootste handelsnatie van de Middellandse Zee. Zo werden zij de tussenpersonen bij de verdere verspreiding van papyrus en van het alfabet. De Grieken namen beide culturele verworvenheden onmiddellijk over van hun handelspartners. Zij hadden twee benamingen voor het schrijfmateriaal.

 

Het Griekse woord papyrus is vermoedelijk een verbastering van het Egyptische pa-per-aä, het 'koninklijke materiaal', zo genoemd omdat de papyrusfabricage een koninklijk monopolie was. Daarnaast kenden de Grieken het materiaal ook eenvoudigweg als byblos, omdat de schepen uit de gelijknamige Phoenicische havenstad het aanvoerden. Biblion werd de gewone term voor 'boek', onze woorden Bijbel en bibliotheek zijn ervan afgeleid.

De Romeinse republiek leerde papyrus kennen als een van de exportproducten van de internationale haven Alexandrië. Zelf schreven de Romeinen tot dusver op rollen boombast (liber, dat later 'boek' ging betekenen), lood of doek. Maar drie eeuwen later moest de Romeinse geleerde Plinius de Oude (23-79 na Chr.) erkennen dat 'de beschaafde samenleving met name voor haar administratie fundamenteel afhankelijk is van het gebruik van papyrus'.

 

Dat wordt wel bewezen door een gebeurtenis ten tijde van keizer Tiberius (14-37 na Chr.). Toen er door onduidelijke oorzaken in Rome een papyrustekort ontstond, stelde de keizer onmiddellijk een senaatscommissie in voor het uitvaardigen van rantsoeneringsmaatregelen, omdat het leven anders een chaos zou worden, zoals Plinius dat uitdrukte.

Het Romeinse keizerrijk verspreidde het gebruik van papyrus, en daarmee van het schrijven met pen en inkt, over de hele toenmaals bekende wereld. Wel kwam daarnaast het gebruik van perkament op, speciaal geprepareerde geiten- of schapenhuiden die wat beter dan papyrus bestand zijn tegen vouwen en innaaien in een boekband. Zo was het de opkomst van het gebonden boek (codex) in de 3de en 4de eeuw na Chr. dat na meer dan drieduizend jaar een einde maakte aan de monopoliepositie van het Egyptische papyrus. De doodslag werd gegeven door de verbreiding van het papier, een Chinese vinding die door tussenkomst van de Arabieren vanaf de 8ste eeuw naar het westen kwam. Rond 1150 schreef Eustathius, aartsbisschop van Thessaloniki: Papyrusfabricage is onlangs een verloren ambacht geworden. Maar ook deze Byzantijnse geleerde schreef zijn woorden met pen en inkt, en het papier waaraan hij zijn gedachten toevertrouwde, is vernoemd naar het Egyptische papyrus.

 

We repeteren het Egyptische alfabet via

http://www.artyfactory.com/egyptianart/hieroglyphics/hieroglyphs.htm  

 

en gaan nader in op de cartouche van Toetanchamon :

http://www.artyfactory.com/egyptianart/hieroglyphics/cartouche.htm 

 

 

Hoofdstuk  3 : Religie en godenwereld;

de Egyptische taal III

 

3.1. De Egyptische religie; polytheïsme

 

3.1.1. De Egyptische religie en het daarmee samenhangende wereldbeeld

 

De Egyptenaar ervaart een relatie tussen de krachten waardoor hij wordt omringd en hemzelf. Die kosmische natuurkrachten ziet hij als persoonlijke wezens waarmee hij goede contacten moet onderhouden. De band tussen hem en de andere wereld moet intact blijven.

 

Religie wil in eerste instantie dan ook zeggen : ‘binding, band, verbondenheid’. Handelingen als offers en gebeden kunnen dienen om met de andere wereld te communiceren.

 

Religie is ook bij de Egytenaren een gemeenschapsgebeuren. Naast de vertikale binding tussen mens en god bestaat ook een horizontale verbondenheid van mensen die zich bv. tijdens een religieus feest aan de cultus van de goden wijden. Veel handelingen worden in gezamenlijkheid voltrokken.

 

Daar komt nog bij, dat de terreinen van het profane en het sacrale goeddeels samenvallen. Zo vervullen  bijvoorbeeld  scènes uit het alledaagse leven zoals ze afgebeeld staan op de muren van een grafkamer een religieuze  functie.

 

Op deze manier wordt een link gelegd tussen de waarneembare werkelijkheid en de niet-waarneembare realiteit. Tot de eerste werkelijkheid behoren bv. de Nijl, de krokodil, de mens, het godenbeeld, de havik en de zon. Deze profane werkelijkheid heeft als kenmerk dat het het leven ontvangt.

 

Tot de tweede werkelijkheid behoren de Nijlgod, de krokodilgod, de ka, god, Horus en Re. Deze wereld van goden en doden heeft een element van continuïteit in zich en wordt gekenmerkt door het geven van leven.

 

De Egyptische godsdienst bepaalt voor een belangrijk deel het bestuur, de wetenschap, de kunst, de rechtspraak en de economie. De Egyptische cultuur is voor ons in belangrijke mate bekend geworden door bronnen met een religieuze achtergrond.

 

De Egyptische godenwereld geeft blijk van een grote diversiteit. Sommige goden hebben een typisch kosmisch karaker, andere zijn gebonden aan plaatsen of bepaalde functies, weer anderen zijn hebben een relatie met dingen of dieren.

 

3.1.2. Dierencultus

 

De Grieken en Romeinen hadden geen begrip voor de Egyptische dierencultus. Deze afwijzende reactie berust op een misverstand : de Egyptenaren aanbaden geen dieren. Voorwaarde voor de verering van de heilige dieren was de idee dat alles wat geschapen is onderling uitwisselbaar is. Een god kan zich openbaren in alles wat bestaat en dus ook in de gedaante van een dier. Tussen de koning en de heilige dieren bestond een bijzondere relatie. Uitgangpunt was dat in elke belangrijke god een farao aanwezig kon zijn en in iedere koning een voorname god. Omdat de god ook een directe relatie met een uitgelezen heilig dier kon aangaan werd deze relatie eveneens op de koning overgebracht.  De relatie van de koning tot de mensen is analoog aan die van het heilige dier met de overige dieren.

 

In de Late Tijd werden steeds vaker cultische gemeenschappen gevormd die de heilige dieren moesten verzorgen. Ze waren zeer nauw met de koningsverering verbonden waarbij het niet alleen om dieren ging die als belichaming van de koning golden, zoals valken, stieren of krokodillen, maar ook om dieren die aan aspecten van bescherming en moederschap waren gerelateerd, bijvoorbeeld de katten van de godin Bastet.

 

Omdat het bij de heilige dieren schepsels betrof die in goddelijke of koninklijke zijnsvormen konden worden overgebracht, werden ze na hun dood niet alleen gemummificeerd, maar kregen ze ook een passende begrafenis.

 

De verering van het dier kan samenhangen met het begrip Ma’at dat staat voor harmonie, evenwicht, rechtvaardigheid. Omdat het dier onveranderlijk is en  zich niet door emoties laat leiden, heeft het daarmee voor de Egyptenaar goddelijke eigenschappen.

 

3.1.3. Het ritueel als binding tussen goden en mensen

 

Als voorbeeld van een ritueel dat de band met het goddelijke bestendigt, geven we de dagelijkse behandeling van het Amon-beeld door de dienstdoende priester :

 

 

In het ‘Morgenlied voor de feestdagen’ staat de tekst waarmee de priester

’s morgens vroeg het beeld van Amon begroette :

 

“ Moge gij ontwaken in vrede!’

 

Met deze bezwerende woorden moest de heer van de vruchtbaarheid gunstig gestemd worden, want goden konden verschrikkelijk zijn : op hun voorhoofd dreigde voortdurend de uraeus-slang.

 

Omdat het lot van Egypte afhing van Amon, moesten hij en de andere godheden voortdurend verzorgd en verwend worden. Daarom vond er elke ochtend in alle tempels van het land een uitgebreid ritueel plaats.

 

De dienstdoende priester stak bij het betreden van de binnenste, vensterloze tempelkamer een fakkel aan. Vervolgens verbrak hij het zegel op de deur van de heilige schrijn en stelde zich aan het cultusbeeld van de god voor :

 

‘ Waarlijk, ik ben een godendienaar. De koning is het die mij stuurt om naar god te kijken. Ik ben gekomen om te doen wat gedaan moet worden.’

 

De priester moest wierook branden om de dreigend opgerichte slang op de diadeem van de god te bedwelmen.  Hij moest het schrijn zuiveren, het beeld afschminken, kronen en met tien verschillende oliën zalven. Tot slot werd het beeld door het ritueel van de ‘mondopening’ tot leven gewekt, weer in zijn schrijn geplaatst en de deur werd verzegeld.

 

Nadat de priester zijn eigen voetsporen op de vloer zorgvuldig had uitgewist en de fakkel had uitgeblazen, verliet hij het allerheiligste om er de volgende ochtend weer terug te keren.

 

Eigenlijk was alleen de farao bevoegd om deze heilige handelingen te voltrekken, maar hij kwam eigenlijk alleen op grote feestdagen en liet zich voor de rest van het jaar in de meeste tempels door priesters vervangen. Op de muren van de godenhuizen waarop het ritueel in bas-relief en in kleur afgebeeld staat, handelt echter alleen de farao : hij bidt, brandt wierook, offert en brengt gaven, water, melk of wijn, want de goden hebben voedsel nodig. Als dank reiken de goden de farao het hengselkruis aan, het levensteken ‘ankh’ :

‘ Ik geef u steeds leven, heil en gezondheid’.

 

Op een andere afbeelding is de farao te zien terwijl hij Ma’at aan de god aanbiedt. Ook dit ritueel moest wanorde en chaos afwenden. Vergat men het, verwaarloosden de farao en priesters hun plichten, dan verlieten  de ontstemde goden het land dat dan niet langer meer vol met tempels  was maar

 

‘ vol lijken en graven : het land draait als een pottenbakkersschijf, de rivier is vol bloed, verdriet trekt door het land, vermengd met weeklagen. Groot en klein zeggen : ik wou dat ik dood was!’

 

 

3.2. De verschillende scheppingsmythen/kosmogonieën

 

Er zijn drie verschillende scheppingsmythen overgeleverd die elk afzonderlijk verbonden waren met de cultus van goden die met bepaalde plaatsen waren verbonden. In Hermopolis Magna had de mythe betrekking op vier paar godheden. De vraag die beantwoord moest worden luidde : hoe kan ‘zijn’ ontstaan zijn uit ‘niet-zijn’? Volgens een tekst uit het Middenrijk kwam de zonnegod tevoorschijn uit een groep van vier paar mannelijke kikvors-  en vrouwelijke slanggoden waarvan de namen eenvoudigweg een beschrijving zijn van aspecten van de oer-chaos die aan de schepping voorafging : duisternis, vormloosheid, eeuwigheid en verborgenheid of schemering. Deze elementen zouden de aardheuvel hebben voortgebracht waarop, volgens een versie van deze mythe, het ei van de zonnegod werd geplaatst.

 

      In Heliopolis betrof de mythe vier generaties van goden die samen een negental, een enneade, vormden.  Hier speelde de vraag naar verdeling en vermenigvuldiging een rol : hoe vormde de schepper het ene om tot het vele?  Uit piramideteksten uit het Oude Rijk blijkt al de notie van goddelijke voortplanting die leidde tot een opeenvolging van symmetrische paren. Volgens deze mythe schiep de zonnegod Atum [‘compleetheid’]  zichzelf met behulp van Heka [magie], Sia [waarneming] en Hu [het goddelijke woord] en dook op uit de wateren van Nun.  Door een merkwaardige combinatie van masturberen, spuwen en niezen bracht hij nieuw leven voort dat hij splitste in lucht [de god Shu] en vocht [ de godin Tefnut]. Deze beiden brachten de hemelgodin Nut en de aardgod Geb voort. Op veel afbeeldingen is te zien hoe Shu Nut van Geb scheidt.De kinderen van Geb en Nut zijn Osiris en Seth enerzijds en Isis en Nephthys anderzijds.

 

         In de zogenaamde theologie van Memphis die overgeleverd is in een tekst uit de 25e dynastie schept de god Ptah de dingen door hun namen uit te spreken. De ramsgod Khnum zou de eerste mens op een pottenbakkerswiel hebben gevormd. Daarnaast werd Min als scheppergod beschouwd. Hij werd afgebeeld met een erectie en een handgebaar dat duidelijk een toespeling was op sexuele gemeenschap. In het Nieuwe Rijk werd de oude voorstelling van een aardheuvel die oprees uit de wateren van Nun omgevormd tot de mythe van Nefertem die zou zijn opgerezen van een lotusbloem die dreef op de oppervlakte van het diepe water. Om zich te identificeren met Nefertem liet Toetanchamon zich afbeelden  met zijn hoofd  tevoorschijnkomend uit een lotus.

 

In hun religieuze beeldtaal geven de Egyptenaren de schepping op uiteenlopende manieren weer: de aardheuvel die uit het water oprijst, de Benben-steen en de scarabee die tevoorschijn komt uit de mest.

 

De teksten maken duidelijk dat ze de schepping niet als een afzonderlijke gebeurtenis in de oertijd beschouwden, maar als een fenomeen dat zich voordeed bij elk nieuw seizoen, elke nieuwe dag en dat nauw verbonden was met het leven na de dood.  Daarom was de zonnegod nog het meest verbonden met het idee van schepping. Het cyclische aspect van de schepper werd door zijn opkomst, hemelreis en ondergang geaccentueerd.

              

3.3. de zonnecultus

 

Tijdens de 4e dynastie, toen de titel sa Ra [zoon van Ra] werd ingevoerd, bereikte de verering van de zonnegod zijn eerste hoogtepunt. Tijdens de 5e dynastie werden verschillende zonnetempels met bijbehorende obelisken gebouwd, alle gevormd naar de vroegste Ra-tempel in Heliopolis.

 

De zonnegod werd veelal voorgesteld als een menselijke figuur met een havik-kop en een zonneschijf als hoofdtooi, maar in de onderwereld die hij in zijn zonneboot doorkruist, zien we hem met ramskop afgebeeld. In een proces van syncretisme werden de meeste belangrijke godheden in de universele zonnecultus opgenomen. Zo werd Amun Amun-Ra, Montu Montu-Ra en Horus Ra-Horakhty.  Als scheppergod  nam de zonnegod de naam Atum-Ra aan.  In de Litanie van Ra uit het Nieuwe Rijk  wordt Ra met Osiris geidentificeerd. Tijdens het bewind van Echnaton kreeg het concept van de zonnegod als universele macht waarin alle andere goddelijke machten konden worden opgenomen, duidelijk monotheïstische trekken.  De verering van Aten [‘de Schijf’] die werd voorgesteld als een zonneschijf waarvan de armen leven en macht aan de koninklijke familie schenken, werd in de plaats gesteld van antropomorfe goden als Ra-Horakhty of Amun-Ra. Echnaton’ s Aten-hymne [zie elders in deze reader]beschrijft een godheid wiens macht alle aspecten van het leven doortrekt.

 

              

3.4. Osiris -  Isis - Horus

 

De meest volledige versie van de Osiris-mythe is te vinden bij de Griekse auteur Plutarchus. Volgens zijn verhaal was Osiris ooit een koning op aarde die zo goed regeerde dat zijn slechte broer Seth er jaloers op werd. In het geheim liet Seth de afmetingen van het lichaam van zijn broer opmeten en gaf opdracht voor hem een prachtige sarcophaag op maat te maken. Tijdens een banket toonde hij de kist aan de aanwezigen en kondigde aan dat degene die er precies in zou passen hem als geschenk mocht hebben. Toen Osiris in de kist was gestapt, werd deze gesloten en verzegeld met gesmolten lood. De kist werd in de Nijl geworpen en dreef weg naar de stad Byblos waar hij bleef steken in een cederboom. Uiteindelijk ontdekte Isis de kist en bracht deze terug naar Egypte. Na de kist te hebben verborgen ging ze op zoek naar een plaats waar ze haar broer op passende wijze  zou kunnen begraven.  Terwijl ze haar zoon Horus zocht, trof Seth de kist aan, ontstak in woede, sneed het lichaam van zijn broer in stukken en verstopte deze overal in Egypte. Isis zocht en vond : ze begroef elk van de lichaamsdelen op de plek waar zij ze had gevonden, op zijn penis na die door vissen was opgegeten.

 

In de Egyptische versies werd het stukgesneden lichaam weer hersteld in de vorm van de eerste mummie. De mummie bevruchtte Isis en zij kreeg Horus als zoon. In een reeks gevechten met Seth nam Horus voor zijn vader wraak. Na een strijd van tachtig jaar werd Osiris uitgeroepen tot bestuurder van de onderwereld. Zijn zoon werd koning over de levenden. Seth tenslotte werd als god van chaos en kwaad bestuurder van de woestijnen, de archetypische outsider en rivaal van Osiris.

 

 

 

3.5.1.  Het persoonlijk geloof van de Egyptenaren

 

De ambachtslieden van Deir el-Medina, de bouwers van de koningsgraven bij Thebe, de enige eenvoudige mensen over wie we veel weten, wendden zich in plaats van tot de rijksgoden tot de bescheidener plaatselijke godheden. In een klein dorpsheiligdom of op huisaltaren vereerden ze als beschermgodin Meretseger, de ‘vriendin van de stilte’, die in slangengedaante op de naburige bergtop woonde.

 

Verder konden eenvoudige mensen om voor hun wensen gehoor te vinden bij de goden, zich tot bemiddelaars wenden : “ Kom bij mij. Ik meld wat me gezegd wordt, Amon in Thebe….Want ik ben de heraut die de koning heeft ingezet om de kleine man te horen”. Zo stond het op een sokkel van een beeld bij de ingang van de Amontempel van Amenophis III.

 

 

 

 

 

3.5.2.. Een voorbeeld van een dodenbrief :de brief aan Anchiry [13e eeuw] uit de collectie van het RMO te Leiden

 

 

 

 [voor meer info zie de uitgave van Hans D. Schneider : Een brief voor Anchiry, scènes uit een Egyptisch huwelijk of persoonlijk getuigenis over leven en dood in Oud-Egypte, Uitgeverij Terra, Zutphen , z.j., ISBN 90 6255 097 5]

 

 

         In het Rijksmuseum voor Oudheden te Leiden bevindt zich een kleine, 23 cm hoge, grafstatuette van een vrouw, vermoedelijk afkomstig in één van de graven van Sakkara. Aan het beeld is een begeleidend papyrusrolletje bevestigd met een in het hiëratisch geschreven tekst. Beide voorwerpen dateren uit de 13e eeuw v.C. De tekst op het papyrusrolletje luidt :

 

“Aan de voortreffelijke ach [gelukzalige overledene] Anchiry. Wat heb ik jou toch voor kwaad gedaan dat ik in deze ellendige situatie terecht ben gekomen? Wat heb ik jou toch aangedaan? Wat jij hebt gedaan is dat je handen hebt gelegd op mij, hoewel ik niets tegen je heb uitgericht. Wat heb ik, sinds ik als echtgenoot met jou leefde tot op die dag [dat je overleed] tegen je ondernomen dat ik het moest verbergen? Wat is er dan? Wat je nu bewerkt hebt, is dat ik je ga aanklagen – ja, wat heb ik je toch gedaan? - , ik zal een klacht tegen je inbrengen met woorden uit mijn eigen mond ten overstaan van de Enneade [ de godenrechtbank] die in het Westen [dodenrijk] is en men zal rechtspreken tussen jou en mij aan de hand van deze brief, die met jou zal redetwisten over wat erin geschreven staat – wat heb ik je toch gedaan?

 

 

Ik maakte je tot mijn vrouw toen ik nog een jonge man was. Ik was al samen met jou toen ik allerlei ambten vervulde. Ik was met je getrouwd en stuurde je niet weg. Ik maakte je hart niet bedroefd. Ik deed het toen ik nog maar een jonge man was en allerlei belangrijke functies vervulde voor Farao, Leven-Heil-Gezondheid zijn Zijn deel. Ik zette je niet aan de kant. “Ze is altijd bij me geweest”, dacht ik en zo handelde ik ook. Iedereen die naar mij kwam, als jij erbij was, ik ontving ze niet omwille van jou en zei : “Ik zal doen wat jij wilt”. En kijk! Nu troost je me niet eens! Ik zal een proces met je voeren en men zal leugen van waarheid onderscheiden.

 

 

 

         Nog eens iets : toen ik officieren van het leger van Farao, Leven-Heil-Gezondheid zijn Zijn deel, opleidde en Zijn ruiterij trainde, liet ik ze bij ons thuis komen om in onderdanigheid voor jou op hun buik te liggen, terwijl ze allerlei mooie cadeautjes meebrachten om voor je neus neer te leggen. Nooit verborg ik iets voor jou, je hele leven lang. Ik liet je nooit pijn lijden. Ik behandelde je in alle opzichten zoals een heer betaamt. Nooit heb je kunnen constateren dat ik je beduvelde, zoals een boer doet, die andermans huis binnengaat. Niet gedroeg ik me zo dat een man mij kon berispen over mijn gedrag tegenover jou.

 

 

 

         Toen ik geplaatst werd in de positie die ik nu nog heb, was het voor mij onmogelijk om erop uit te gaan, zoals ik vroeger gewend was te doen, integendeel, ik ging doen wat iemand doet als hij thuis is, ik bedoel het zorgen voor jouw potjes en zalfjes, je provisiekast en je garderobe. Het werd je allemaal gebracht. Ik wil maar zeggen, ik liet ze niet ergens anders bezorgen met de woorden “Mevrouw woont daar”, want ik bedroog je niet. Zie het toch eens in, je beseft niet hoe goed ik je eigenlijk behandelde. Ik stuur je deze brief om je te laten weten wat je me allemaal aandoet. Toen je begon te lijden aan de ziekte die je had, heb ik er een specialist bij laten halen en hij behandelde jou en deed alles waarvan jij zei : “Doe het”.

 

 

 

         Toen ik Farao, Leven-Heil-Gezondheid zijn Zijn deel, naar het Zuiden volgde en deze toestand [het sterven] over jou kwam, leefde ik acht maanden zonder te eten en te drinken, zoals men dat hoort te doen. Zodra ik Memphis weer had bereikt, vroeg ik Farao, Leven-Heil-Gezondheid zijn Zijn deel, verlof en begaf me naar de plaats waar jij was en ik huilde vreselijk, samen met mijn mensen, voor jouw mummie ten aanschouwe van de hele buurt. Ik gaf linnen stoffen om je in te wikkelen en liet vele kledingstukken maken en ik liet niets goeds achterwege om voor je te doen. En, let wel, drie jaar bracht ik in m’n eentje door en ging geen huis binnen, hoewel het niet fair is dat iemand zoals ik gedwongen wordt zo iets te doen, maar zie ik heb het gedaan omwille van jou! Jij, nota bene, weet goed en kwaad niet te onderscheiden: er zal dus recht gesproken worden tussen jou en mij! Tenslotte nog dit : de zusters in het huis, niet bij één van hen ben ik binnen getreden”.

 

 

Deze tekst behoort tot het genre van de  dodenbrieven. Men besefte dat de doden als  ach over bijzondere krachten beschikten. Men vroeg ze om met andere achs processen te voeren ten gunste van de overlevende(n) of men dreigde een ach die kwaad zou hebben gedaan zelf met een tribunaal.

 

 

3.6. Religie en magie : magische spreuken uit het Egyptische Dodenboek

 

In de antieke wereld leefde de overtuiging dat er van zorgvuldig uitgevoerde riten en plechtig uitgesproken woorden kracht uitgaat. In Egypte voltrok zich de magie binnen de contekst van een mythisch-ritueel patroon. Mythische waarheden konden ritueel worden geactualiseerd.

 

Rite en recitatie hebben betrekking op het lot van de dode in het hiernamaals.  De zaligheid in het hiernamaals kon door magische spreuken tot werkelijkheid worden gemaakt. De recitatie bij de begrafenis verbetert het lot van de dode in het dodenrijk, de kennis van deze spreuken bevordert het welzijn van de mens op aarde en met behulp van deze teksten kan de dode in de onderwereld dreigende gevaren afwenden en zich een gelukkig leven verwerven.

 

Uit de volgende voorbeelden blijkt de magische strekking van de Dodenboekspreuken.

 

Naschrift van Spreuk 72 :

 

Hij die dit boek op aarde kent of in wiens sarcophaag het op schrift is meegegeven kan overdag tevoorschijn komen in alle gedaanten die hij wenst en tot zijn plaats terugkeren zonder gehinderd te worden. Hem wordt brood en bier en een groot stuk vlees van de altaren van Osiris gegeven. Hij kan het oord der zaligen binnengaan en hem zal daar gerst en spelt gegeven worden. Dan zal hij voorspoedig zijn zoals toen hij op aarde verkeerde en hij kan doen wat hij wil zoals  de negen goden die in de onderwereld zijn.Dit is duizendmaal werkelijk effectief gebleken te zijn.

 

 

Spreuk 10 :

 

Ik ben voor miljoenen jaren voorzien van goddelijke magische woorden.

 

 

 

 

Spreuk 64,69 :

 

Mijn toverkracht is de kracht van mijn vlees, mijn toverspreuken dienen tot bescherming van mijn lichaam.

 

 

 

De dode waagt het zelfs om bij goddelijke machten met dreigementen aan te komen. Spreuk 89 dient om de ziel in het dodenrijk te verenigen met het lichaam. De dode zweert bij een niet bij name genoemde god, misschien Anubis, om dit te bewerkstelligen en laat op dit verzoek volgen :

 

Als men talmt om mijn ziel terug te brengen van welke plaats ook, waar zij zich bevindt, zult gij ervaren, dat het Horus-oog tegen U opstaat.

  

Nog verder gaat spreuk 65, 11 :

 

Indien gij, boze macht, mij niet laat triomferen over mijn gemene vijand in het college van de grote god…dan zal Hapi [de god van de Nijl] naar de hemel opklimmen en van Ma’at leven en Re zal naar de wateren afdalen en van vissen leven.

 

Anders dan bij de Semitische volkeren, waar een kloof gaapt tussen de nietige mens en de machtige god, voelden de oude Egyptenaren zich verwant aan hun goden en schroomden niet om  zich tegenover hun goden te laten gelden.

 

In de Egyptische religie speelt niet zozeer vertrouwen als wel inzicht en kennis een belangrijke rol. Door priester-onderricht en deelname aan cultische handelingen werd een diepe wijsheid verkregen. In het Dodenboek beroemt de de dode zich herhaaldelijk op het bezit van deze kennis. Zijn kennis is ook zijn macht. Door inzicht in de goddelijke geheimen kon de dode vijandige machten onschadelijk maken en zich van geluk verzekeren.

 

Spreuk 17, 69 zinspeelt op de angst van menige dode dat hij in het hiernamaals getuchtigd zal worden doordat beulen hem met messen gaan bewerken of dat hij in een kookpot wordt gesmeten.

 

Niet krijgen de messen mij in hun macht, niet kom ik terecht in hun kookpotten, want ik ken hun ware naam.

 

De verzekering dat de dode de namen van verschillende goden kent, is een vast gegeven. Wie de naam van een god kent heeft aanspraken op dit goddelijke wezen.

 

In Spreuk 72,5,6 zegt de dode tot zekere niet bij name genoemde goden :

 

Geef mij mijn mond opdat ik daarmee kan praten. Dan zal men mij offeranden geven, in uw tegenwoordigheid, want ik ken U en ik hen uw namen.

 

In spreuk 81 spreekt de dode tot de lotus, het beeld van de jonge zonnegod Nefertem, aldus :

 

O  lotus,  beeld van Nefertem, ik ben iemand die uw naam kent en ik ken uw namen, o, alle goden van het dodenrijk, want ik ben één van u.

 

In de inleiding van spreuk 125 die over het dodengericht handelt, verklaart de dode ten overstaan van Osiris en zijn jury :

 

Ik ken uw naam, ik ken de namen van de 42 rechters die bij U zijn in de zaal van de dubbele Ma’at.

 

Na de titel van spreuk 141

 

Lijst om de namen te leren kennen van de goden van de zuidelijke hemel, de goden van de noordelijke hemel, de goden die in het goddelijke domein zijn en de goden die de onderwereld besturen

 

Volgen de namen van talloze goden in een reeks waarvan de lengte in de papyri verschilt. Voor de antieke mens zijn dergelijke litanieën erg zinvol. Om de gunst van de goden te verkrijgen moet men alle ‘namen’, en daarmee alle eigenschappen en verschijningsvormen opsommen. Daardoor vergroot men de kans de ware ‘naam’ van de god uit te spreken waardoor hij gemotiveerd wordt de mens te hulp te komen.

 

Naast godennamen is het van belang van andere geheime kennis op de hoogte te zijn. De dode legt bijvoorbeeld de kennis aan de dag aangaande de boot die de gestorvene naar de andere wereld voert en over de koers die men moet varen.   De dode noemt dan ook de geheime namen van de onderdelen van het schip.

 

Volgens spreuk 153 is hij in staat de symbolische namen te noemen van alle onderdelen van het net waarmee de zondaren onder de gestorvenen gevangen worden.

 

Ik ken de naam van de nettenboetersnaald die zich daarin bevindt, het is de grote vinger van Henoe. Ik ken de weverschietspoel die zich daarin bevindt, het is het been van Sjesmoe. Ik ken de ……die er bij is, het is de hand van Isis. Ik ken de naam van het mes dat er bij hoort, het is het mes van Isis waarmee zij de navelstreng van Horus doorsneed.

 

Spreuk 144 verschaft aan de dode kennis van symbolische namen van de functionarissen die bij de poorten van de onderwereld dienst doen.

 

Eerste poort : met opgeheven hoofd, luid van stem, is de naam van zijn bewaker. Die het onheil afweert, is de naam van zijn rapporteur.

 

De spreuken 145 tot 147 zijn aan hetzelfde thema gewijd, alleen blijkt de dode behalve de namen van de bewakers ook de titels van de poorten te kennen. Het aantal poorten verschilt. In 145 en 146 zijn het er 21, in 147 worden 7 poorten genoemd.

 

In het slotstuk van spreuk 125 verklaart de dode dat hij getuige is geweest van het gesprek van de ezel[Seth] met de kater [de zonnegod] en is aanwezig geweest bij het splijten van de heilige boom in de onderwereld.

 

In hetzelfde fragment wordt de dode ondervraagd voodat hij de zaal van de dubbele Ma’at mag betreden. In het eerste verhoor wordt hem gevraagd, wie hij is, waar hij vandaan komt en welke mythologische kennis hij bezit.

 

‘Wie zijt gij?’ zeggen ze tot mij. ‘Welke is uw naam?’ zeggen zij tot mij. ‘Ik ben de onderste loot van de papyrus’, is mijn naam. ‘Waar zijt gij langs gegaan?’ zeggen ze tot mij. ‘Ik ging voorbij de stad ten noorden van de olijfboom…ik zag het gejuich in de landen van Fnhw [een Aziatisch volk]’. ‘Wat gaven zij u?’, ‘een vlam van vuur met een groene  steen van fayence’. ‘Wat deed  gij ermee?’, ‘ik heb hem begraven op de oever van het meer van de dubbele Ma’at, ten tijde van het avondmaal’.

 

Men kan vermoeden dat de duistere uitlatingen betrekking hebben op de cultus van Osiris.

 

In de tweede ondervraging eisen de onderdelen van de zaal van de dubbele Ma’at, bv. de deurposten, de grendel, de sleutel, de vloer, dat de dode hun namen, dwz. hun mythologische waarde en functie zal noemen voordat ze hem toestaan binnen te komen.

 

‘Ik laat U niet langs mij binnengaan’, zegt de stijl van de deur, ‘als ge mijn naam niet noemt’. ‘Tongetje van de plaats van het ware’ is uw naam.

 

 ‘Ik laat U niet door mij binnengaan’, zegt de rechter deurpost, ‘ als ge mijn naam niet noemt’. ‘Schenken en wegen van Ma’at is uw naam’…

 

’Ik open niet voor U’ zegt de grendel van die poort, ‘als ge mijn naam niet vermeldt’. ‘Teen van zijn moeder’, is uw naam.

 

 ‘Ik laat U niet langs mij binnengaan’, zegt de bewaker van de vleugel van deze deur, ‘ tenzij ge mijn naam noemt’. ‘Borst van Sjoe die tot bescherming van Osiris diende’, is uw naam.

 

In bepaalde passages is  sprake van het kennen en aanschouwen van een geheim.

 

In spreuk 78 verklaart de dode :

 

Ik ben binnen gegaan in de tempel van de goddelijke Isis. Ik heb er de verborgen geheimen gezien. Ik werd binnen geleid in de verborgen vertrekken, men heeft mij de verborgen vertrekken binnengeleid, men heeft mij de geboorte van de grote god [vermoedelijk Horus]  laten aanschouwen.

 

In spreuk 116 over het kennen van de zielen in Hermopolis zegt de dode over bepaalde cultische handelingen :

 

Ik ben ervan op de hoogte, want ik ben daarin ingewijd door de priester, maar ik zeg het niet aan de mensen. Ik vertel het ook niet aan de goden. Ik ben onwetend binnengegaan, ik heb de geheimen gezien.

 

Vergelijk spreuk 133 :

 

Osiris [~ de dode] gaat niet zeggen wat hij gezien heeft en zal de geheimen niet herhalen die hij gehoord heeft.

 

3.7.1. Apotropaeische [kwaadafwerende]  spreuken :

 

Ga onder, gij man, die in het duister komt,

Die naar binnen sluipt,

Met de neus naar achteren,

Met afgewend gelaat,

Die vergeet waarvoor hij is gekomen!

 

 

 

Ga onder, gij vrouw, die in het duister komt

Die nader sluipt

Met de neus naar achteren,

Met afgewend gelaat,

Die vergeet waarvoor zij is gekomen!

 

 

 

Zijt gij gekomen om dit kind te kussen?

Ik sta u niet toe het te kussen!

Zijt gij gekomen om het te kalmeren?

Ik sta u niet toe het te kalmeren!

 

 

 

Zijt gij gekomen om het te schaden?

Ik sta u niet toe het te schaden!

Zijt gij gekomen om het mee te nemen?

Ik sta u niet toe het mee te nemen!

 

 

Ga onder, Aziatische,

Die uit de woestijn komt!

Negerin,

Die uit de woestijn komt!

 

 

 

Zijt gij een dienstmeisje, kom in het braaksel!

Zijt gij een dame, kom in zijn urine!

Kom in het niezen van zijn neus!

Kom in het zweet van zijn ledematen!

 

 

 

Mijn handen op dit kind

Zijn de handen van Isis,

Zoals zij haar handen legde

Op haar zoon Horus.

 

 

 

Iedere god beschermt uw naam,

Elk plekje waar gij zijn zult,

Alle melk, die gij zult drinken,

Elke schoot, waarop gij genomen wordt,

Elke knie , waarop gij zult zitten,

Elk kleed waarmee gij gekleed zult worden,

Elke plaats, waar gij overdag vertoeft,

Elke bescherming, die over u uitgesproken wordt,

Elk ding, waarop gij wordt gelegd,

Elke knoop, die voor u wordt geknoopt,

Elke amulet, die u om de hals wordt gehangen.

Hij beschermt u met hen.

Hij houdt u met hen gezond.

Hij houdt u met hen ongedeerd.

Met hen is iedere god

En iedere godin u welgezind.

 

Rituele tekst op hartscarabee om te voorkomen dat het hart van een mens tegen hem getuigt  :

 

Mijn hart dat van mijn moeder komt,

het innerlijkste van mijn wezen!

Sta niet tegen mij op als getuige,

wees niet mijn tegenstander voor het gerecht,

wees mij niet vijandig gezind voor de weegmeester!

 

 

 

Gij zijt immers mijn beschermgeest in mijn lichaam,

de schepper, die mijn ledematen doet gedijen,

Als gij er goed doorheen komt, is dat in ons voordeel.

Maak onze naam niet stinkend

Voor het gerechtshof, dat de mensen berecht.

 

 

 

Onze naam zij schoon,

Schoon voor wie ons verhoort,

Een vreugde voor de rechter!

Spreek geen leugen tegen mij in het bijzijn der godheid,

Voor Osiris, de grote god, de heer van het Westen.  

 

3.7. De religieuze betekenis van de tempel.

 

Egyptologen hebben de Egyptische tempel als een soort magische ‘machine’ beschreven ter handhaving van de wereldorde. De Egyptenaren zelf noemden hem een ‘horizon’.  Dit woord duidt niet alleen op een geografische, maar ook op een metafysische plaats : daar waar de tempel staat, raken hemel en aarde, het aardse en het hiernamaals elkaar. Voor de schrijver Iahemes was het ‘ alsof de hemel zelf een tempel is als de zon in hem opgaat’.

 

Deze woorden staan als een soort van graffiti op de buitenmuren van de dodentempel van koning Djoser; ze werden in de achttiende dynastie geschreven. Iahemes bewonderde dus een cultusplaats die toen al meer dan duizend jaar oud was. Of hij hem betreden heeft, is onzeker : normaal gesproken hadden gewone mensen geen toegang. Die mochten alleen in de voorhof komen en dan alleen nog maar bij bijzondere gelegenheden.

 

Iets hoger geplaatste mannen konden als lekenpriester toegang tot de buitenste gebouwen van het tempelcomplex krijgen. In tegenstelling tot de officiële priesters die direct door de farao benoemd werden of hun ambt erfden, verrichtten lagere priesters gedurende enkele weken of maanden hun dienst, zodat een behoorlijk aantal mannen deel had aan de glamour en de economische voordelen van deze rijke instellingen.

 

De priesters zijn op de voorstellingen te herkennen aan hun lange schort en hun kaalgeschoren hoofd. ‘Ze knippen elke twee dagen alle hoofdharen af, opdat zich bij het dienen van de goden geen luis of ander  ongedierte vastzetten kan’, schrijft Herodotos.

 

Tweemaal daags en tweemaal ’s nachts baadden ze in koud water. Ze werden ‘ de reinen’ genoemd en mochten onder andere het beeld van de godheid  dragen wanneer het op feestdagen uit de schemer van de tempel in het daglicht werd gebracht.

 

 

De mythe van de uit de vloed oprijzende ‘ oerheuvel’ heeft niet alleen bij piramides, maar ook bij tempels een rol gespeeld. Volgens een oude voorstelling zijn de tempels als heuvels uit de stroom opgerezen. Details in de architectuur en de decoraties laten zien dat het gebouw een in het oerwater liggend eiland moest symboliseren.

 

Op de massieve muur van het Hathor-tempelcomplex van Dendera verlopen de voeglagen tussen de stenen niet horizontaal, maar golvend omdat ze ‘ de golven van de oeroceaan’ volgen. Deze zou direct onder de tempel liggen. Het water voedde het ‘heilige meer’, en de bronnen waarin de priesters zich wasten voor ze de tempel mochten betreden.

 

De vloer van de tempel, meestal zo zwart als de modder van de Nijl,  loopt van ruimte naar ruimte op. Het godenbeeld moest door de priesters via oplopende hellingsbanen gedragen worden.

 

Op het hoogste punt stond het beeld, opgesloten in een schrijn die met zijn piramidevormige dak ook weer de abstracte vorm van de oerheuvel symboliseerde.

 

Tijdens processies werd het godenbeeld in een bark rondgedragen. In de zuilengang moet dit er hebben uitgezien alsof de boot deinde op het water van de oeroceaan. Langs deze ‘ oceaan’ stonden de gedecoreerde zuilen als gebundelde papyrus- of lotusstengels, die zich uitspreidden vanuit de ‘modder’ en de hal in een magisch bloemenbos veranderden. De twee wapenplanten van Beneden- en Boven - Egypte, de lotus en de papyrus, bekronen in Karnak twee bijzonder mooie granieten pijlers van de barkenruimte en rijzen nu hoog op uit de ruïnes. Ooit droegen ze als symbool van de twee landsdelen symbolisch de hemel boven de farao wanneer die het heiligdom binnentrad.

 

Het nu gedeeltelijk ingestorte plafond was ooit blauw geschilderd en met sterrenbeelden  versierd. Grote valken spreidden hun vleugels boven de deuren en de hemelgodin Nut kronkelde met haar slangachtige, naakte lijf over de aarde.

Zo was de gehele kosmos in de tempel nagebouwd : water, aarde en hemel.

 

Voor de poorten troonden monumentale heersersbeelden en grote obelisken van ca 32 meter twee aan  twee. Deze waren gemaakt van rood graniet, afkomstig uit de steengroeven van Assouan. Op de piramidevormige spits van de obelisk, beslagen met verguld bronsblik, weerspiegelde het licht en daardoor werden de obelisken als zonnesymbolen gezien, als een soort steen geworden zonnestraal. Waarschijnlijk gaan ook zij ondanks hun elegante naaldvorm, terug op de oeroude, onregelmatig gevormde heilige steen van Heliopolis, de Benbensteen, die eveneens symbool van de oerheuvel was.

 
Hoofdstuk  4.Het denken over het leven na de dood; het mummificeringsproces en begrafenisritueel

 

4.1. Het Egyptische Dodenboek

 

4.1.1. De tekst

http://www.sacred-texts.com/egy/ebod/ 

 

De vroegst bekende religieuze teksten worden, naar hun plaats van optekening, piramideteksten genoemd. Deze teksten hebben voornamelijk betrekking op de reis van de dode koning in het hiernamaals.

 

Vrijwel al deze teksten zijn in de 5e dynastie [ca 2500 v.C.] opgeschreven, maar hun oorsprong is veel ouder. Als voorbeeld spreuken  uit de piramide van koning Oenas:

 

Sta op, koning Oenas! Neem uw hoofd, raap uw gebeente op, vergaar uw ledematen, schud de aarde van uw vlees! Ontvang uw brood, dat niet kan schimmelen, uw bier, dat niet smakeloos kan worden! Er is gerst voor u gedorst, koren voor u gemaaid. Gij zult niet gestorven zijn!

 

 

 

Niet zo slaapt hij voortaan in zijn graf, dat zijn gebeente zou vergaan! Zijn fouten zijn uitgewist. Koning Oenas is naar de hemel onderweg.

 

 

 

Als reiger is hij naar de hemel gevlogen gelijk een wolk.

Hij heeft de hemel gekust als een valk.

Hij is in de hemel aangekomen als een zwerm sprinkhanen die de zon verduistert. Hij stijgt uit de damp van de grote geur op.

Hij vliegt als een vogel en zet zich op de lege zetel in het schip van de zonnegod.

 

 

 

Hij roeit in de hemel uw schip, o zonnegod! 

Als gij uit de horizon opstijgt is hij met zijn staf in de hand de stuurman van uw schip,o zonnegod!

 

 

 

 O zonne-algod, koning Oenas komt bij u, een onvergankelijke geest!. Uw zoon komt naar u toe om samen met u de weg naar de hemel af te leggen, verenigd in duisternis, en aan de horizon op te komen, waar gij maar wilt.

 O zonne-algod, uw zoon komt bij u. Laat hem tot u opstijgen, sluit hem in uw armen, hij is in alle eeuwigheid uw lijfelijke zoon!

 

 

 

O koning! De dienaren van Horus reinigen u, baden en drogen u. Zij zeggen voor u de spreuk van de rechte weg en zij zeggen voor u de spreuk der opklimming.

 

 

 

Ge hebt uw hart, Osiris, ge hebt uw voeten, Osiris, ge hebt uw arm, Osiris! Zo waar Osiris leeft, zal ook hij leven, zo waar Osiris niet is gestorven, zal ook hij niet sterven. Zo waar Osiris niet is vernietigd, zal ook hij niet vernietigd worden. De ene arm van uw levensgeest is voor u, de andere arm van uw levensgeest is achter u. De ene voet van uw levensgeest is voor u, de andere voet van uw levensgeest achter u. Gij stijgt op naar de hemel, gij verwijdert u van de aarde.

 

 

 

Komt hem te hulp! Komt hem te hulp! Koning Oenas vindt het afschuwelijk om  in de duisternis te wandelen zonder iets te zien!

 

 

 

Koning Oenas komt met waarachtigheid, die in zijn bezit is. Koning Oenas zal niet worden overgeleverd aan de gloed van het vuur, o Goden!

 

 

 

Seth en Nephthys, haast u! Bericht de goden van het Zuiden en hun verheerlijkten : Hij komt, een onvernietigbare verheerlijkte!Het is de hemelgodin Noet, die zijn leven maakt, zij is het, die hem baart! Hij gaat naar het Oosten des hemels, naar de plaats waar de goden geboren worden en waar hij met hen wordt geboren, vernieuwd, verjongd.

 

 

 

Zie, hij komt! Zie, hij komt bij u! Zie, de algod met zijn beide ogen, zon en maan, komt! Gij brengt de nacht door in zijn armen als een kalfje bij zijn herder.

 

 

 

Gij behoort voortaan tot hen, die de Zonnegod omgeven, die voor de morgenster zijn. Gij wordt geboren als de maan bij haar nieuwe manen. De zonnegod steunt op u in de Plaats des Lichts. De poorten des hemels worden u ontsloten; de poorten van het koele water gaan voor u open.

 

 

 

Gij vindt er de zonnegod staan, hij neemt u bij de hand, hij brengt u in de beide godenwoningen des hemels, hij plaatst u op de troon van Osiris. Voortaan behoort u tot de vrienden van de godheid, die op hun scepters steunen, die zich in rood linnen kleden, die van vijgen leven, die van de wijn drinken en zich met kostelijke olie zalven.

 

 

 

Hij ontvangt zijn aandeel van wat zich in de schuren van de grote godheid bevindt. Hij wordt door de onvergankelijken gekleed en heeft brood en bier, die eeuwig duren.

 

 

 

Als Re eet, geeft hij er hem van, als Re drinkt, geeft hij er hem van.

 

 

 

Hij slaapt elke dag gezond, hij maakt het vandaag beter dan gisteren.

 

 

 

Welke een prachtig schouwspel is het als gij naar de onvergankelijke sterren opstijgt, uw heersershoofddoek op het hoofd, uw toverkracht voor u. Zo gaat ge naar uw moeder, de hemelgodin Noet. Zij roept de goden voor u bijeen, die in de hemel wonen en zij komen voor u samen met de goden die op aarde wonen, zodat ge met hen kunt zijn en op hun armen kunt lopen.

 

 

 

Koning Oenas heeft zijn troon gekregen en hij verschijnt in de gedaante van een ster. Deze koning bestuurt nu de onvergankelijke sterren, hij steekt over naar de rietvelden, de bewoners van het Lichtland roeien hem. Machtig is koning Oenas, de macht zelve! Zijn armen worden niet moe. Koning Oenas heerst, de heerschappij zelve! Zijn levensgeest staat hem bij. Koning Oenas is echter tevens een die weerkeert : hij komt en gaat tegelijk met de zonnegod. Hij bezoekt zijn huizen, hij verleent waardigheden en neemt waardigheden aan, hij legt straffen op en maakt straffen ongedaan. Het huis van koning Oenas, dat in de hemel is, zal niet ondergaan. De troon van koning Oenas die op aarde is, zal niet te gronde gaan.

 

 

 

O, mijn vader in de duisternis, mijn vader algod in de  duisternis, neem mij aan uw zijde, zodat ik, ster geworden, een licht voor u kan aansteken en u beschermen!

 

 

 

O, goden van het Zuiden, Noorden, Oosten en Westen! Eert koning Oenas, eert en vreest hem tevens! Zijn voorhoofdsslang zou u verbranden, indien gij hem in de weg zoudt treden! Hij verovert de hemel en klieft zijn brons. De goden vervult hij met schrik! Hij maakt zich in hun bijzijn van zijn hemelse zetel meester. Hij trekt de beslissing aan zich. Hem wordt de eeuwigheid gebracht, het inzicht wordt hem terzijde gesteld.Hij neemt het bevel! Juicht hem toe! Hij heeft de horizon veroverd!

 

 

 

De hemel is zwaar van wolken, de sterren zijn verduisterd, het hemelgewelf beeft, de beenderen van de aardgod sidderen, de bewegingen stokken als zij koning Oenas hebben gezien, schitterend en machtig als de god die zich met zijn vaders voedt en zijn moeders eet. Koning Oenas is iemand die goed voorzien is, die zich de geesten heeft toegeëigend. Wie hij onderweg tegenkomt, verslindt hij één voor één. Hij heeft de ruggewervels van zijn slachtoffers voor het insteken berekend. Hij heeft de harten der goden genomen. Koning Oenas voedt zich met de longen der goden, die wijsheid bevatten. Nooit zullen hem zijn waardigheden worden ontnomen, want hij heeft de krachten van de goden opgegeten.

 

 

 

Hij zag de goden staan, gehuld in hun gewaden,de witte sandalen aan de voeten. Zij wierpen hun sandalen van zich, zij deden hun gewaden uit : ‘Ons hart wilde niet blij worden voordat u kwam’, zeiden ze.

 

 

 

Koning Oenas is iemand die mensen eet en zich met goden voedt, die over boden beschikt en bevelen uitdeelt. De ‘Kruingrijper’ vangt ze voor hem, de slang met de opgeheven kop bewaart en bewaakt ze voor hem, ‘die op het bloedrode’ bindt ze voor hem. Chonsoe die de heren slacht, snijdt hen voor koning Oenas de keel af en verwijdert de ingewanden. De wijnpersgod hakt hen voor koning Oenas in stukken en kookt van hen een maaltijd in zijn avondfornuizen. Het is koning Oenas die hun toverkrachten opeet en hun verheerlijkte zielen inslikt. De groten onder hen strekken hem tot ontbijt, de middelsoort tot avondmaal en de kleinen tot nachtmaal. Hun oude mannen en vrouwen zijn voor het vuur bestemd. De sterren aan de noordelijke hemel steken het vuur onder de ketels aan met de schenkels van hun oudsten. De hemelbewoners bedienen koning Oenas als de fornuizen voor hem worden opgericht met de voeten van hun vrouwen. ….

 

 

 

De koning wil, dat hij wordt gerechtvaardigd met betrekking tot wat hij heeft gedaan. Hij vaart ten hemel als hoeder der gerechtigheid.

 

 

 

Geen dode staat als aanklager tegenover mij!

Geen levende staat als aanklager tegenover mij!

Geen rund staat als aanklager tegen mij op!

Geen gans klaagt mij aan!

 

 

 

Zeg, zeg wat is en zeg wat niet is! Want de leugen is de godheid een gruwel! Zijt gij een reine gestorvene?

 

 

 

Ik kom van een reine plaats.

 

 

 

De poort des hemels staat voor u open! De deur van het firmament is voor u ontsloten! Verwerf u een plaats aan de hemel onder de onvergankelijke sterren!

 

 

 

Deurwachters des hemels, kondigt nu de god des hemels mijn goede naam aan! Juicht mij toe, juicht mijn levensgeest toe, want ik ben door de rechter goed bevonden en mijn levensgeest is bij de god gerechtvaardigd.

 

 

 

Gij zijt op de troon van Osiris, als plaatsvervanger van de ‘Eerste van het Westen’! Neem zijn macht, ontvang zijn kroon! O koning, hoe schoon is het wat uw vader Osiris u aangedaan heeft : hij heeft u zijn eigen troon overgedragen, opdat alle verheerlijkten u volgen!

 

 

 

Anubis, de god, die de harten telt, heeft de tot Osiris gewordene uit het register der aardse goden geschrapt en boekt hem in dat der goden des hemels.

 

 

 

Afgesneden is de kop van de grote zwarte stier.

Slang, dit is voor u bestemd.

Schorpioen, dit is voor u bestemd.

Keer terug, kruip in de grond!

Dit heb ik u gezegd!

 

In de ‘Hal van de volledige gerechtigheid’ komt de goddelijke rechtbank bijeen waar het aardse en het hiernamaals elkaar ontmoeten. Hier staat een grote weegschaal waarop onder toezicht van Anubis met de jakhalskop en de schrijversgod Thot het hart, kern van de persoonlijkheid, als zetel van verstand, wil en geweten,  van de overledene wordt gewogen. In de tweede schaal ligt een veer, symbool van Ma’at, de rechtvaardigheidsgodin van de goddelijke orde. Alleen wanneer het hart met Ma’at in balans is, is de dode voor het examen geslaagd.

 

Het aardse gedrag van de mens wordt hier dus gemeten aan het ideaal van de hemelse gerechtigheid en slechts weinigen voldeden aan de eisen. Allen vreesden het wezen dat naast de weegschaal stond, de ‘grote vreetster’. Een monster dat was samengesteld uit krokodil, roofkat en nijlpaard, bereid diegene te verslinden wiens hart te zwaar bleek te zijn. Dit was de ergste van alle denkbare straffen : de totale vernietiging, de definitieve tweede dood zonder hoop op wedergeboorte.

Reeds tijdens hun leven namen de Egyptenaren wat dit betreft voorzorgsmaatregelen. Tussen de benen van veel mummies werden namelijk papyrusrollen gelegd die eveneens in linnen windsels waren gewikkeld. Die rollen bevatten spreuken en afbeeldingen en vormden een soort gids door het dodenrijk.

 

In het Oude Rijk had men de teksten op de muren van de grafkamers gebeiteld, zodat alleen de koning ze kon gebruiken. Deze ‘piramideteksten’  behoren tot de oudste theologische teksten.

 

Later konden ook welgestelde ambtenaren zich met een handleiding naar het dodengericht begeven. De nuttige teksten werden op de kisten en - in het Nieuwe Rijk - op papyrusrollen geschreven.

 

Deze ‘dodenboeken’ kon men kant en klaar kopen, alleen de naam van de eigenaar moest nog worden ingevuld. De prijs van deze boeken kwam overeen met die van een of twee koeien, een slaaf of het halve jaarinkomen van een arbeider en daarom waren  deze boeken onbetaalbaar voor de laagste klassen.

 

De gids voor het hiernamaals, opgesteld door Thot, de god van de wijsheid zelf,  noemt niet alleen de gevaren van de onderwereld, maar bevat ook toverspreuken om deze gevaren af te wenden. Ongeveer tweehonderd spreuken helpen de eigenaar mits ze op het juiste moment worden uitgesproken.

 

Zo moest men bijvoorbeeld bij de ceremonie van het wegen formule nr. 125 uitspreken , die als volgt begint :

 

‘Heil u, die in deze hal der beide rechtsgodinnen zijt, die geen leugens in hun lichaam hebben. Die leven van waarheid, die zich met waarheid voeden….Gij redt mij van de god Baba, die leeft in de harten van de mensen op de dag der grote afrekening.

 

 

 

Ziet, ik ben tot u gekomen. Niet is mijn zonde, niet is mijn misdaad, niet is mijn kwaad. Er is geen getuigenis tegen mij, er is niemand tegenover wie ik iets misdaan heb…

 

 

 

Ik heb gedaan wat de mensen willen, waarmee de goden tevreden zijn.

Ik heb de goden tevreden gesteld met watzij willen.

Ik heb gegeven het brood aan de hongerigen, water aan de dorstigen en kleren aan de naakten…

 

 

 

Heil u, grote god, heer der beide waarheden.

Ik ben tot u gekomen , mij heer, moogt gij mij halen opdat ik uw schoonheid zie.

Ik ken u, ik ken uw naam, ik ken ook de namen van de 42 goden die met u zijn in deze hal der beide waarheden, die leven als bewaking tegen het kwaad.

 

 

 

Ik heb geen onrecht tegen mensen begaan, ik heb niet een arme man beroofd van zijn bezit, ik heb niet een slaaf bij zijn meerdere belasterd, ik heb niet gedood, ik heb niet bevolen te doden, ik heb geen akkers gestolen, ik heb niet weggenomen de melk uit de mond van kinderen, ik heb geen dier mishandeld,ik heb het overstromingswater niet tegengehouden…….’.

 

 

 

 

    

 

 De negatieve confessie van Ani is een fragment uit een van de vele versies

 van het Egyptisch dodenboek, de zogenaamde papyrus van Ani, British Museum

 BM10470 en dateert uit ca.1420 v.Chr.

 

De gestorvene, genaamd Ani, die overigens tijdens zijn leven van beroep schrijver was,  gaat hier langs tweeenveertig goden en spreekt de juiste magische spreuken

om zonder gevaar te kunnen passeren.

 

      1. Heil, Strijder, die uit Annu komt, ik heb geen kwaad gedaan.

 

      2. Heil, Hij-die-door-vuur-omarmd-is, die uit Kher-aaba komt, ik heb niets

      verspild.

 

 

      3. Heil, Neus, die uit Khemennu komt, ik heb niet geroofd.

 

 

      4. Heil, Verzwelger-van-schaduwen, die uit Qernet komt, ik heb geen mensen

      gedood en geen kwaad berokkend.

 

 

      5. Heil, Nehaa-hra, die uit Re-stau komt, ik heb geen offergaven

      weggenomen.

 

 

      6. Heil, Dubbele-leeuwengod, die uit de hemel komt, ik heb van de

      [offergaven] niets afgedaan.

 

 

      7. Heil, Wiens-twee-ogen-van-vuur-zijn, die uit Saut komt, ik heb de

      dingen van de god niet verspild.

 

 

      8. Heil, Vlam, die komt al teruggaande, ik heb niet gelogen.

 

      9. Heil, Bottenbreker, uit Suten-henen, ik heb geen voedsel weggenomen.

 

 

      10. Heil, Hij-die-vlammen-schiet, die uit Memphis komt, ik heb [niemand]

      gekweld.

 

 

      11. Heil, Qererti, die uit Amemtet komt, ik heb geen ontucht gepleegd.

 

      12. Heil, Wiens-gezicht-achterwaarts-gekeerd-is, die uit zijn schuilplaats

      komt, ik heb geen geween veroorzaakt.

 

      13. Heil, Bast, die uit de geheime plaats komt, ik heb mijn hart niet

      opgegeten.

 

 

      14. Heil, Wiens-benen-gloeien, die uit de duisternis komt, ik heb geen

      regels overtreden.

 

 

      15. Heil, Verslinder-van-bloed, die uit het slachtblok komt, ik heb

      niemand bedrogen.

 

 

 

 

 

      16. Heil, Verslinder-van-ingewanden, die uit Maabet komt, ik heb geploegd

      land niet laten braakliggen.

 

 

      17. Heil, Heer-van-recht-en-waarheid, die uit de stad van recht en

      waarheid komt, ik ben geen luistervink geweest.

 

 

      18. Heil, Hij-die-achterwaarts-schrijdt, die uit de stad Bast komt, ik heb

      mijn lippen niet in beweging gebracht [jegens iemand].

 

 

      19. Heil, Sertiu, die uit Annu komt, ik heb geen onredelijke

      woede-uitbarstingen gehad.

 

 

      20. Heil, Tweevoudig-kwaadaardige, die uit Ati komt, ik heb andermans

      vrouw niet onteerd.

 

 

      21. Heil, Tweekoppige slang, die uit de martelkamer komt, ik heb andermans

      vrouw niet onteerd.

 

 

      22. Heil, Hij-die-kijkt-naar-wat-hem-gebracht-is, die uit Per-Amsu komt,

      ik heb mijzelf niet ontheiligd.

 

 

      23. Heil, Hoofd-der-machtigen, die uit Amemt komt, ik heb geen

      terreurdaden begaan.

 

 

      24. Heil, Khemiu, die uit Kesiu komt, ik heb geen overtredingen gepleegd.

 

 

      25. Heil, Bestuurder-van-de-spraak, die uit Urit komt, ik ben niet in

      woede ontstoken.

 

 

      26. Heil, Baba, die uit Uab komt, ik heb mijzelf niet doof gehouden voor

      woorden van recht of waarheid.

 

 

      27. Heil, Kennememti, die uit Kennemmet komt, ik heb geen verdriet

      veroorzaakt.

 

 

      28. Heil, Brenger-van-wat-hem-is-aangeboden, die uit Sais komt, ik heb

      niet schaamteloos gehandeld.

 

 

      29. Heil, Bestuurder-van-de-spraak, die uit Unaset komt, ik heb ruzies

      niet aangemoedigd.

 

 

      30. Heil, Heer-van-gezichten, die uit Netchefet komt, ik heb niet haastig

      geoordeeld.

 

 

      31. Heil, Sekheriu, die uit Uten komt, ik ben geen luistervink geweest.

 

      32. Heil, Heer-van-twee-horens, die uit Sais komt, ik heb mijn woorden

      niet onnodig vermenigvuldigd.

 

 

      33. Heil, Nefer-Tmu, die uit Memphis komt, ik heb niemand gekwetst, noch

      heb ik iemand kwaad gedaan.

 

 

      34. Heil, Tmu-[in-zijn-]seizoenen, die uit Tattu komt, ik heb de koning

      niet vervloekt.

 

 

      35. Heil, Werkend-in-zijn-hart, die uit Tebu komt, ik heb geen water laten

      bederven.

 

 

      36. Heil, Drager-van-het-sistrum, die uit Nu komt, ik heb niet op

      hooghartige toon gesproken.

 

 

      37. Heil, Voorziener-der-mensheid, die uit Sais komt, ik heb de godheid

      niet vervloekt.

 

 

      38. Heil, Neheb-ka, die uit zijn schuilplaats komt, ik heb geen diefstal

      gepleegd.

 

 

      39. Heil, Neheb-nefert, die uit zijn schuilplaats komt, ik heb de

      offergaven van de goden niet geroofd.

 

 

      40. Heil, Hij-die-het-hoofd-op-zijn-plaats-zet, die uit zijn schrijn komt,

      ik heb geen offergaven van de gezegende doden weggehaald.

 

 

      41. Heil, Hij-die-zijn-arm-brengt, die uit de tweevoudige stad van Ma’at

      komt, ik heb geen voedsel afgenomen van zuigelingen.

 

 

      42. Heil, Wiens-tanden-wit-zijn, die uit Ta-she komt, ik heb geen vee

      geslacht dat bestemd was voor de goden.

 

 

 

Dit moest overeenkomen met de waarheid of juist verhinderen dat de waarheid aan het licht kwam. De tekst diende als bezwering en door de spreuken en de afbeeldingen op de papyrus bleef de weegschaal in evenwicht, waarop de goden zouden verklaren dat de dode in overeenstemming is met de goddelijke orde :

 

‘Hij is rechtvaardig. De ‘grote vreetster’ zal geen macht over hem hebben’.

 

 

 

4.1.2. De afbeeldingen [mondelinge toelichting bij de diareeks]

 

4.2.diverse methoden van mummificatie

 

The Clickable Mummy:

 

http://www.akhet.co.uk/clikmumm.htm

 

 

De dode leefde in het hiernamaals verder en daarvoor had hij een aards omhulsel nodig :

 

 

 ‘Knoop uw hoofd aan uw beenderen en knoop uw beenderen aan uw hoofd’.

 

Het lichaam was nodig opdat de ziel zich met de overledene kon verenigen. De giften waren nodig om de overledene te voeden en in het hiernamaals in koninklijke stijl te kunnen laten wonen. Waren graven de ‘huizen voor de eeuwigheid’, de mummie was voor de dode een ‘lichaam voor de eeuwigheid’.

 

Als zodanig moest een mummie – zo licht als een leeggeblazen ei en zo hard als steen – ‘miljoenen jaren’ overleven. Hierin komt de wens tot uiting de vergankelijkheid te ontlopen.

 

Het lichaam moest behouden blijven opdat de in de dood vrij geworden ziel een plaats zou krijgen waarnaar hij terug kon keren. Zo staat er op een kist :

 

Ik zal niet vervallen, mijn lichaam wordt niet door de wormen opgegeten. Het is duurzaam, het wordt niet vernietigd in dit land in eeuwigheid.

 

 

 

Voordat de techniek van het mummificeren was ontwikkeld, wikkelden de Egyptenaren hun doden in een mat of dierenhuid en begroeven ze hen in het zand. Door de hitte en door ventilatie via de woestijnwind droogden veel van deze mummies uit voordat het lichaam werd ontbonden.

 

Deze natuurlijke conservering wilden de Egyptenaren later kunstmatig nabootsen. Zeventig dagen duurde de balseming die buiten de woonwijken aan de westelijke oever van de Nijl plaatsvond.

 

De eerse fase voltrok zich in luchtige tenten aan de oever want voor het wassen van de lichamen had men water nodig. Op de ruggen van enkele mummies kleven nog resten van waterplanten.

 

De tweede fase vond plaats in balsemingshallen die ‘mooi huis’ of ‘huis der reinheid’ werden genoemd.

 

Het werk werd gedaan door priesters die met de mummificatie ook mythisch-religieuze handelingen voltrokken. Ze droegen daarbij volgens de afbeeldingen maskers in de vorm van de jakhals- of hondenkop van de dodengod Anubis. Ter bescherming van de necropolen hadden de Egyptenaren heel bewust een dier gekozen dat in de nacht rondzwerft en de doden dreigde op te graven. Ze hoopten op deze manier het dier vriendelijk te stemmen.

 

Het enige bewaard gebleven exemplaar van een Anubis-masker is van klei en heeft kijkgaatjes. Misschien diende het masker ook om het lijk te beschermen tegen de adem van de priesters.

 

Omdat de balsemers soms slordig waren en gereedschap in de mummie achterlieten, kennen we hun instrumenten : koperen haken, pincetten, spatels, lepels, naalden en gevorkte elzen voor het openen, legen en weer sluiten van het lichaam. Verder gebruikte men een pot met een tuit voor het schenken van de warme zalfolie.

 

De techniek van het balsemen hebben de Egyptenaren zelf niet schriftelijk vastgelegd, zoals ze ook andere technische zaken als de piramide- en de grafbouw en hun recepten niet genoteerd hebben.

 

We zijn hierdoor aangewezen op de beschrijvingen van een buitenlander, de Griek Herodotus.

 

Herodotus schrijft dat men na een algemene klaagzang het lijk bracht naar mensen die het balsemen als beroep hadden. Zij ‘ tonen dan houten, op verschillende manieren beschilderde, lijken waar men uit kon kiezen’ . Wanneer men zijn keuze had gemaakt en een prijs had afgesproken gingen de verwanten naar huis en begonnen de balsemers aan hun werk.

 

‘De voornaamste manier is de volgende : eerst worden door middel van ijzeren haken de hersenen via de neusgaten verwijderd. Daarna maakt men met een scherpe Ethiopische steen een snede in de zijde en verwijdert men alle ingewanden. Ze worden gereinigd met palmwijn en vervolgens met gemalen specerijen doorgespoeld. Daarna wordt de maag met vermalen mirre gevuld en dichtgenaaid’.

 

Vervolgens werd het lijk zeventig dagenlang in natronloog gelegd.

 

‘ Zijn die voorbij, dan wordt het lijk gewassen, het gehele lichaam met windsels uit Byssoslinnen omwikkeld en bestreken met rubber, dat de Egyptenaren in plaats van lijm plegen te gebruiken. Nu halen de verwanten het lijk op, maken een houten kist in mensengestalte en leggen het lijk daarin. Zo opgesloten wordt het in de familiegrafkamer geborgen’.

 

Herodotus beschrijft verder nog een eenvoudige balsemingsmethode, waarbij het lichaam niet werd opengesneden, maar via de anus met behulp van een spuit met cederolie werd gevuld. Deze olie verteerde dan de ingewanden.

 

Volgens recent wetenschappelijk onderzoek begonnen de balsemers op de vierde dag na de dood van de overledene met hun werk. De uitdroging door chemicaliën duurde 52 dagen en voor het inwikkelen werden 16 dagen gereserveerd. Daarna werd de mummie in een kist gelegd en na drie dagen begraven.

 

Natronloog, waarover Herodotus bericht, hebben de balsemers alleen in de Vroege Tijd gebruikt. Sinds het Middenrijk gebruikten ze het werkzamere natronpoeder. Deze stof was rijkelijk aanwezig in de Wadi Natrun, een woestijndal dat zijn naam aan de natron ontleende. Rond het lijk werd een veelvoud van het lichaamsvolume van dit poeder geschept.

 

De samenstelling van het ‘rubber’ en de ‘zalfolie’ die Herodotus noemt, zijn vooralsnog onduidelijk, omdat de ingrediënten in de loop van duizenden jaren chemische reacties met elkaar zijn aangegaan.

 

Het gaat om plantaardige olie, gemengd met welriekende plantenharsen [coniferenhars, wierook en mirre] die schimmeldodend en antibacterieel waren, het leeggehaalde, ontwaterde en licht geworden lichaam hard maakten, maar het  deels ook lieten verkleven met de bodem van de kist. Dit was het geval bij Toetanchamon : toen men onder zijn lichaam de zalfolie wegbeitelde, brak de mummie in stukken.

 

De windsels konden wel 375 vierkante meter meten. Rood en roze waren de kleuren van voorkeur. Lang niet altijd werd nieuw linnen gebruikt.

 

De mummies in het Oude en Midden Rijk hebben nog maar weinig lichaamsweefsel en vallen bij het uitwikkelen meer of minder uiteen tot stof. Ramses II is het beroemdste voorbeeld van de techniek van de perfecte balseming, zoals we die uit het Nieuwe Rijk kennen.

 

Arme mensen werden nog steeds in een ossenhuid gewikkeld en in de woestijn begraven. Voorname mensen begroef men aanvankelijk in een houten kist die in een stenen sarcofaag werd gelegd en ‘heer van het leven’ werd genoemd. In het Midden Rijk begon men de houten kisten een mensvorm te geven en het aantal te vergroten. Over het gezicht van de mummie legde men een masker van gestuct linnen, dat nog geen portret was. Dat gebeurde pas in de Romeinse tijd.

 

De op deze manier beschermde mummie ligt op haar zij met het gezicht naar het oosten, waar de levenden wonen. De ogen die op een buitenkant van de buitenste kist geschilderd zijn, geven de mummie zicht, mits de tekenaar bij het schilderen de juiste formule heeft uitgesproken.

 

Zonder de kunst van de magie was het chemische en technische aspect van de mummificatie nutteloos.  Tijdens de zeventig dagen van de balseming, waarvan de duur eerder religieuze dan technische redenen had – zorgde de opperpriester ervoor dat steeds de juist spreuken voorgelezen werden en de passende rituelen werden uitgevoerd. Hij sprak de bezweringsformules, noemde de namen van de goden en stelde de overledene onder hun persoonlijke bescherming. Hij zei tegen de dode : ‘ U wordt door goud mooier gemaakt, u gaat op uw voeten naar het Huis der Eeuwigheid’. Goud was ‘het vlees van de goden’  en verleende eeuwigheid.

 

Ook de langdurige procedure van het inwikkelen ging gepaard met heilige spreuken. Ter bescherming van de dode stak men amuletten tussen de windsels, soms wel 87 bij een enkele mummie.

 

Het Horus-oog sloot als teken van ongeschondenheid de incisie af, waarmee de balsemers de ingewanden uit het lichaam hadden gehaald. Dit oog heette het udjat-oog [udjat = heel, onbeschadigd].

 

Het rode hart-amulet hielp bij de weging van het hart als zetel van wil en verstand. Ook werden er amuletten meegegeven met daarop het anch-teken.

 

De buik hadden ze reeds met geurige planten of houtkrullen met peperkorrels of jeneverbessen en uien gevuld. Men meende dat uien net als knoflook boze krachten konden afweren.

 

De lever, longen, milt, maag en darmen werden eveneens aan de bescherming van de goden toevertrouwd. Ze werden afzonderlijk in linnen gewikkeld en werden, met harsachtige zalfolie overgoten,  bewaard in vier vaten, canopen, [genoemd naar Kanopos, een stad ten oosten van Alexandrië]  slanke kleipotten of albasten exemplaren,  met mensenhoofd, bavianen-, valken- en jakhalskop.

 

Vier goden van wie de hoofden als deksel op de canopen waren aangebracht, beschermden de ingewanden : Amset [dille] met het mensenhoofd waakt over de maag,  Hapi met de bavianenkop beschermt de darmen, Duamutef ziet eruit als een hond en is voor de longen verantwoordelijk, Kebechsenuef met de valkenkop zorgt voor de lever.

 

De canopen worden in een kist geborgen. In het Nieuwe Rijk worden op de hoeken daarvan  beschermgodinnen afgebeeld die met uitgespreide vleugels over de inhoud waken. Dezelfde godinnen knielen ook op de hoeken van de grote sarcofagen en zijn daarnaast op de mensvormige kisten afgebeeld.

 

Op de binnenkant van de kist is Nut afgebeeld, de godin van de nacht. Haar sterrenlichaam  bedekt en beschermt de overledene.

 

De hersenen werden weggeworpen want die waren kennelijk onbelangrijk, in tegenstelling tot het hart waarin de Egyptenaren meenden dat de geest, het gevoel en het verstand  huisden. Omdat het hart extreem belangrijk was werd het na behandeling in het gemummificeerde lichaam teruggelegd. De dode had het in het hiernamaals nodig wanneer hij voor het dodengericht kwam te staan.

 

 

 

 

4.3.oesjabti’s

 

Aan de dode werden kleine beeldjes meegegeven die voor hem de taken verrichtten die hij geacht werd in het dodenrijk te doen.

 

4.4.begrafenis en grafgiften

 

De Egyptische begrafenis was een waar feest, het hoogtepunt van het bestaan een ene gebeurtenis waarvoor ieder zijn leven lang voorbereidingen trof en spaarde. Al tijdens het leven liet men een graf bouwen en versieren, bestelde men de kist en kocht men in luxe uitvoering de verschillende voorwerpen die men naar het hiernamaals wilde meenemen.

 

Ziet men in Egypte overgang van leven naar dood als een positieve stap, men gaat ervan uit dat bij de vreemde ‘ellendige’ volkeren die niet de vaste begrafenisrituelen kennen de dood definitief en triest is.

 

Zo schrijft de farao aan Sinuhe, die in het buitenland in ballingschap leeft,  :

 

“ Kom toch naar Egypte terug! Je moet niet in een vreemd land sterven! De Aziaten moeten je niet begraven! Denk aan je lichaam en kom terug!’ .

 

 

 

Sinuhe volgde zijn advies op en werd na zijn dood volgens de Egyptische gebruiken gemummificeerd en met een prachtige begrafenis in het ‘mooie westen’  bijgezet.

 

In het westen van de Egyptische steden liggen de grote grafcomplexen, de necropolen. Ze liggen afgezonderd maar in het gezichtsveld van de levenden.

 

Bij Memphis zijn dit Sakkara, Gizeh en Abusir aan de voet van de piramides.

 

Bij Thebe ligt de necropool op de westelijke oever van de Nijl, aan een op een piramide lijkende bergtop; daar woont de godin van het westen, Imentet, ‘ die houdt van het zwijgen’, en waakt Anubis met de jakhalskop.

 

Na het balsemingsproces ligt de mummie in een open, gedecoreerde kist, zoals de farao dit de verbannen Sinuhe zo verleidelijk voorstelde :

 

‘ De hemel is boven je, terwijl je op een baar ligt. Runderen trekken je, muzikanten gaan je voor’. 

 

De door runderen getrokken slede wordt gevolgd door familie en vrienden, door priesters die wierook verspreiden en jammerende vrouwen met loshangend haar en ontblote borsten. Slaven dragen de grafbenodigdheden : meubels, kledingkisten, sieraden en cosmetica. Ze brengen ook vlees, gevogelte en groente mee voor het dodenoffer.

 

De uitgaven voor zoetigheid, brood, bloemenkransen en geurkegels waren gering, zo bewijst een rekening voor een begrafenis in de 2e eeuw n.C. De klaagvrouwen waren duur. Het duurst waren de voor de balseming gebruikte windsels en doeken, conserverende oliën en harsen.

 

Bij het graf wordt de mummie uit de kist getild en opgericht. Een balsemingspriester met Anubis-masker houdt de mummie vast. Een lekenpriester, meestal de oudste zoon van de overledene, brandt wierook terwijl de voorleespriester magische spreuken van een papyrusrol voorleest.

 

Met het gereedschap van de kistenmaker en de balsemer, els, mes en een vreemd voorwerp in de vorm van een vissenstaart, wordt het magische ritueel van de ‘mondopening’ gevierd. De priesters openen mond, ogen, oren en neus van de mummie, opdat de overledene weer de macht over zijn zintuigen krijgt en offerspijzen kan aannemen.

 

Hij wordt tot leven gewekt in een mysterieuze, uitgebreide ceremonie, die bij hooggeplaatste personen enkele dagen kan duren en ook aan beelden en voorstellingen die ook het graf ingaan, voltrokken wordt.

 

Nadat de familie van de overledene heeft afscheid genomen, wordt de mummie weer in de kist gelegd en is klaar voor het hiernamaals. Van ritueel geslachte  en geroosterde ossen worden dodenoffers gebracht. Het vlees wordt door de familie tijdens het dodenmaal bij het graf opgegeten.

 

Tijdens de begrafenismaaltijden zong een harpspeler een aantal liederen. Ondanks de opwekking tot vreugde, klinkt tevens een toon door van wanhoop over het leven in het hiernamaals. In zijn teksten is de Egyptenaar zeer zeker van een goed leven na de dood, maar op bepaalde momenten verliest hij deze zekerheid zoals blijkt uit de volgende ‘harpenaarsliederen’ :

 

Vier een vrolijke dag! Breng het fijnste reukwerk aan uw neus, slinger lotosbloemen om schouders en hals en om die van de geliefde, die woont in uw hart, die zit aan uw zijde. Laat muziek komen en gezang! Gedenk slechts de vreugde tot die dag van het sterven komt, van het gaan naar het land dat het zwijgen bemint, waar het hart rust heeft.

 

 

 

Want het leven wordt niet verlengd, noch voor wie schuren bezaten en brood voor offers en gaven, noch voor wie niets hadden. Het wordt niet verlengd, ook niet met één uur.

 

 

 

Vier een vrolijke dag! Verslaap hem niet! Zie, niemand neemt zijn bezittingen met zich mee, zie, niemand keert terug, die daarheen is gegaan.

 

Vervul je wensen, zolang je onder de levenden bent,

Zalf je lichaam met mirre en hul je in fijn linnen,

Gebruik het wonder van de goddelijke  welriekende kruiden.

Leef zo goed je kunt,

Laat je hart niet smachten!

Geef je zelf in alles je zin wat je op aarde nodig hebt

En volg de stem van je hart

Totdat ook voor jou de dag van het klagen komt….

Tranen beschermen het hart van de mens niet voor het hiernamaals.

Vier feest en word niet moe!

Want het is de mens niet gegeven mee te nemen wat hij bezit.

En van allen die heen gaan keert niemand terug!

 

 

Bij Thebe werd in het Nieuwe Rijk dit doden-ritueel elk jaar herhaald tijdens het ‘mooiste feest van het woestijndal’, een soort Egyptisch ‘Allerzielen’, waarbij op en in de graven geofferd en gefeest werd.

 

4.5.het graf als verblijf voor ka en ba

 

Na de begrafenis blijft de dode achter als heer van zijn ‘mooie Huis der Eeuwigheid’. De sarcofaag is in een onderaardse, verborgen kamer gebracht. Voor deze kamer ligt een van buiten toegankelijke ruimte, de cultusplaats, met een stenen tafel, een stèle, waarop de naam en eventueel het beeld van de dode wordt vastgehouden, en een offertafel.

 

Een ‘schijndeur’ , stenen imitatie van een echte deur,  vormt de denkbeeldige verbinding tussen de twee ruimten, tussen het aardse en het hiernamaals. Alleen de dode kan door de deur om de offergaven in ontvangst te nemen.  Men zet brood, groente, fruit, gevogelte en op feestdagen vlees voor hem klaar. Dagelijks moeten zijn kinderen hem van wierook voor de neus en bier of koud water voor de mond voorzien. Zijn dorst moet worden gelest omdat hij nu aan de rand van de woestijn woont.

 

Sommige overledenen richtten een stichting ‘voor de eeuwigheid’ op, waardoor dodenpriesters voor hun verzorging verantwoordelijk waren. Voor deze priesters en de tempels was dit lucratief omdat de offergaven uiteindelijk op hun tafel terecht kwamen.

 

In de chaotische ‘Tussentijden’ hadden de Egyptenaren echter te maken met slechte ervaringen en allerlei grafplunderingen, waardoor eeuwige stichtingen vergingen. Voor noodgevallen werden daarom de offergaven ook op de muren geschilderd of schriftelijk in hiëroglyfen vastgelegd. Men vertrouwde op de magie van beeld en schrift.

 

Ook het woord kan machtig zijn. Alleen al het noemen van de gaven door een levende is genoeg om de dode ervan te laten profiteren.  Daarom is op veel gedenkstenen de bede te lezen :

 

“ O gij die op aarde leeft en voorbijkomt aan deze steen, als gij van het leven houdt en de dood haat, spreek : moge hij duizend broden krijgen en duizend kruiken vol bier!’.

 

 

 

Door de schijndeur van de grafkamer kan de dode in verschillende gestalten treden om zich aan de offergaven te laven, want de Egyptenaren gingen niet uit van de simpele werkelijkheid van lichaam en ziel.  Voor hen was de identiteit van de mens samengesteld uit verschillende entiteiten.

 

Allereerst is daar het lichaam dat door de mummificatie zo goed mogelijk tegen verval wordt beschermd en waaraan de andere delen gebonden zijn.  Vervalt het of wordt het verbrand dan worden ook de entiteiten vernietigd als men voor een dergelijk noodgeval geen stenen beeld in het graf heeft gezet ter  vervanging. Het beeld hoeft niet op de dode te lijken, zolang het maar de naam van de dode draagt, want de naam is een belangrijk deel van de mens. Zonder naam is er geen individualiteit en geen kans op overleven.

 

Ook de schaduw hoort bij de mens. Wat wij ziel noemen wordt door de Egyptenaren opgedeeld in ka, ba en ach.

 

De ka is zijn energie en levenskracht, de vitale wortels. Voor de ka zijn de offergaven bestemd, want de ka moet worden gevoed. Hij wordt bij de geboorte van de mens door de scheppingsgod Chnoem op de draaischijf geschapen. De ka verlaat de mens nooit. Hij wordt uitgebeeld door twee geheven armen.

 

De ba is het meest verwant aan onze voorstelling van ‘ziel’.  De ba kan het lichaam verlaten, maar moet er ook weer in terugkeren.  Hij verschijnt als een vogel met mensenhoofd en zit op de takken van de sycomore-boom naast het graf of fladdert rond :

 

‘ Je stijgt omhoog, je daalt omlaag, je glijdt zoals je hart begeert, je verlaat je graf elke morgen, je keert terug in de avond’.

 

 

 

Deze beweeglijkheid van de dode die zijn graf verlaat, kent ook gevaren : het derde aspect van de ziel heet ach en kan als een soort geest de levenden bezoeken.  Een weduwnaar uit het Nieuwe Rijk schrijft in een in deze reader opgenomen brief ‘aan de trefzekere geest Anchiri’ van zijn gestorven vrouw om hem toch met rust te laten, want anders zal hij ‘een klacht indienen bij de goden van het westen’ .

 

Ook in het hiernamaals bestaan namelijk rechters. Voordat een dode kan worden opgenomen, moet hij voor deze rechters verschijnen. Wanneer hij daar verschijnt, moet hij compleet zijn en al zijn entiteiten bij zich hebben.

 

College 5 Piramides en koningsgraven

 

5.1. architectonische aspecten van de piramides

 

In het begin van het Oude Rijk werden de koningen in rechthoekige grafgebouwen bijgezet.  Behalve een kamer voor de kist bevonden zich daarin kamers voor voorraden, voor jachtbenodigdheden en ter ontspanning van de dode, evenals een ruimte waar de offergaven werden uitgestald.

 

De muren waren vervaardigd van tichels van gedroogde Nijlmodder. Dit type graf heet ‘mastaba’ [=bank]. Uit dit mastaba-type zou zich uiteindelijk de piramidevorm ontwikkelen.

 

In een scheppingsverhaal wordt verteld dat er voor het begin van de tijd noch hemel noch aarde bestonden en dat er geen goden waren – alleen water. In dit oerwater vormde slijk een oerheuvel waarop het leven begon. Aan deze allereerste keer werden de Egyptenaren door de piramides herinnerd. Ze waren niet alleen met de diepte van het water maar ook met de hemel verbonden.

 

Ook werden de piramides gezien als hellingen die het opstijgen van de farao’s moest vergemakkelijken. Ze stegen namelijk na hun dood op naar de sterren. ‘De andere goden tillen u omhoog op hun armen en u stijgt, o koning, naar de hemel op en klimt er naar toe als op een ladder’, staat in een piramidetekst te lezen.

 

Feitelijk dienden de piramiden als vestingen die het gebalsemde lichaam van de vorst en de kostbare grafgiften beschermden tegen rovers. Hiertoe werden de gangen binnen in de piramiden met zware stenen geblokkeerd en de toegangen van buiten onzichtbaar gemaakt.

 

Over de piramides en tempels van Gizeh een digitale heruitgave van

 

The Pyramides and Temples of Gizeh van W.M. Flinders Petrie [1883]

 

http://www.ronaldbirdsall.com/gizeh/petrie/index.htm

 

 

Een belangrijke piramide is die van koning Djoser. Hij had rond 2650 Boven- en Beneden Egypte met elkaar verenigd. Misschien ontwierp vizier Imhotep  juist daarom voor hem uiteindelijk een hoog oprijzend graf met een hoogte van in totaal 60 meter in plaats van de toen gebruikelijke platte mastaba.. Anders dan bij latere piramiden is de basis niet vierkant, maar rechthoekig. Deze trappiramide had verschillende cultusplaatsen en werd omringd door een muur van tien meter hoog.

 

Latere generaties van architecten streken de trappen van de piramiden glad en maakten de zijden van de basis alle vier even lang. Zo werd de piramide geometrisch van vorm.

 

Aanvankelijk wist men niet precies hoe steil de gebouwen konden worden :bij de zogenaamde knik-piramide van koning Snofroe verandert de hellingshoek op iets meer dan veertig meter en werd de hoogte minder dan voorzien.

 

Voor Cheops [2553 tot 2530], de zoon van Snofroe, werd de grootste piramide gebouwd met een hoogte van 146 meter en zijden van 227,5 meter aan de basis. Tegenwoordig ontbreekt de spits en op enkele plaatsen na de bekleding van witte Tura-kalksteen dat latere bouwmeesters als bouwmateriaal hergebruikten.

 

Kalief Abdulla el-Mamun die Egypte van 820 tot 827 n.C. regeerde, wilde de piramide in zijn geheel afbreken om de kisten te bergen die hij binnen verwachtte aan te treffen. Hij beperkte zich tot het openen van de toegang tot de noordwand.  Zijn arbeiders wisten door te dringen tot in de grafkamer waar zij de kist van Cheops verwijderden.

 

Tegenwoordig staat in de Koningskamer alleen nog maar de zware sarcofaag van roze graniet [afkomstig uit Assouan] waarin zich vermoedelijk een houten kist met de gemummificeerde overblijfselen van Cheops bevond.  Het deksel van de sarcofaag ontbreekt. Ook de muren, het plafond en de vloer bestaan uit roze granietblokken. Boven de Koningskamer bevinden zich vijf lage dakkamers die elk door rotsblokken afgedekt werden en vermoedelijk waren ingebouwd om te voorkomen dat het volle gewicht van het bovenste piramidedeel op het plafond van de Koningskamer zou drukken.

 

Ter ere van de farao werd als toegang tot de Koningskamer de Grote Galerij aangelegd, een bijna 47 meter lange, iets oplopende gang met traptreden van 8,5 meter. De wanden bestaan uit gepolijst kalksteen. Op twee meer hoogte komen de gestapelde blokken laag voor laag bij elkaar zodat een getrapt dak ontstaat.

 

Twee schachten voeren vanuit de grafkamer naar buiten. Ze maken de toevoer van zuurstof mogelijk en moesten wellicht ook de weg van de koning naar de sterren vergemakkelijken.

 

De Grote Galerij leidde ook naar de ‘Koninginnekamer’. Onder de grond lag de vermoedelijk oudste kamer van het complex.

 

5.2. logistieke aspecten van de piramide bouw

 

Voor de constructie was duidelijk een efficiënt werkend organisatieteam noodzakelijk. Dit was rechtstreeks verantwoording schuldig aan de koning en werd geleid door de ‘opzichter van alle koninklijke werken’, vaak de vizier.  Ook hooggeplaatste staatsambtenaren hadden hierin zitting zoals de ‘hoofdbeheerder van de landgoederen’ en de ‘opzichter van de schatkamer’, de burgemeester van de hoofdstad Memphis en de hogepriesters van Memphis en Heliopolis, de geestelijke hoofstad van het Oude Rijk.

 

Samen met de koning waren dit de mannen  die beslisten over de plek, de afmetingen van de basis, de hellingshoek van de zijkanten, het materiaal dat gebruikt diende te worden en andere basisfactoren van het ontwerp.

 

De taak om de feitelijke plannen uit te werken viel toe aan de koninklijke bouwheer, de ‘koninklijke hoofdschrijver’. Sommige koninklijke bouwheren zijn ons met naam en toenaam bekend. De eerste onder hen was de uitvinder van de stenen bouwkunst en de schepper van het piramidecomplex van Djoser, Imhotep, die ook vizier en telg uit een adellijke familie was. De architect Neferma’at en zijn zoon Hemioenoe ontwierpen verschillende piramiden, te beginnen bij die bij Meidoem en eindigend met de piramide van Cheops. We kennen ook de Sennedjemibs, vader en zoon, die de piramiden van de 5e en 6e dynastie bouwden.

 

De hoofdarchitect moest beslissingen nemen over de soort en de kwaliteit van het te gebruiken materiaal, de benodigde hoeveelheden vaststellen, regelen dat het in de geschikte steengroeve werd uitgehakt en naar de bouwplaats werd vervoerd. Ook moest hij het aantal en de kwalificaties van de benodigde arbeidskrachten inschatten. De verantwoordelijkheid voor het huisvesten en voeden van de arbeiders en hun voorziening van gereedschap, kleding, schoeisel en andere benodigdheden werd gedelegeerd aan de klerken.

 

Voordat met de bouw kon worden begonnen riep de koning zijn adviseurs bijeen om gezamenlijk te beslissen over de plek van de toekomstige piramide, de omvang van zijn grondvlak en de hellingshoek van de zijkanten.Vervolgens ontbood men astronomen naar de plek om de noord-zuid-as van het bouwwerk vast te stellen. Door de eeuwen heen bereikten ze een toenemende mate van nauwkeurigheid. In de oudste piramide, die van koning Djoser,week de as drie graden af, maar de zijkanten van de Grote Piramide van koning Cheops zijn zuiver binnen een afwijking van tweeëneenhalve tot vijfeneenhalve minuut van een hoek.

 

Met behulp van een rooster bakenden de landmeters exact de lengte van de zijkant af die parallel liep aan de noord-zuid-as en daarna de lengte van de zijkanten die daar haaks op stonden. In het geval van de Grote Piramide werd deze vastgesteld op 440 el. De koorden die voor dat doel werden gebruikt waren ongetwijfeld gelijk aan dat wat  men bij Sakkara in een van de mastaba’s uit de archaische tijd terugvond. Dit was een centimeter dik en vervaardigd van 190 strengen die strak in elkaar waren gevlochten zodat het zelfs over grote afstanden uitgespannen, niet zou rekken. Men stelde vast dat de oost- en de zuidkant slechts 7 en 70 mm langer waren dan de voorziene lengte, terwijl die aan west- en noordkant resp. 9 en 13 mm te kort waren.

 

Het egaliseren gebeurde niet met greppels die als waterpas werden gebruikt, maar met een systeem van boorgaten of kleine bakstenen torens als dragers voor de punten van het rooster en de hoogtemarkeringen.  De basis van de Grote Piramide van Cheops is ondanks zijn enorme oppervlakte van 53.077 m2 vrijwel volkomen waterpas met een maximale afwijking van 21 mm.

 

Na deze werkzaamheden vond de ceremonie van het Strekken van het Koord plaats. Tegen zonsopgang begaf de farao zich met zijn gevolg van hoge functionarissen naar de plek van de piramide waar ze zijn oriëntatie en afmetingen controleerden. Dan pakte hij zijn gouden hamer, sloeg staken in de grond waar de hoeken van de piramide zouden komen en strekte er een koord tussen.  Vervolgens groef hij een ceremoniële greppel langs het koord, gooide er een handvol zand in om een keurig funderingsoppervlak te maken, vormde uit klei een symbolische steen en liet de funderingssteen tenslotte op zijn plaats zakken. Daarna hakten de steenhouwers de ondergrondse vertrekken uit.

 

Men had voor de grote Piramide van Cheops met zijn inhoud van 2600.000 m3 rond 2.500.000 blokken nodig met een gemiddelde gewicht van 2500 kilo. Het grootste deel van het materiaal voor een piramide hakte men uit in zijn onmiddellijke omgeving. Voor materiaal van hogere kwaliteit moesten de bouwers verder gelegen bronnen aanboren.  De buitenbekleding van een piramide en de wandbekleding van tempels en mastaba’s vereisten de meer fijnkorrelige, hardere en minder broze witte kalksteen die men aan de overkant van de Nijl kon vinden op de oostelijke oever. Om de wanden van de binnenruimten van de piramiden te bekleden en er sarcofagen van te maken gebruikte men graniet uit Assouan of Wadi Hammamat. Ook basalt, kwartsiet, dioriet, albast, leisteen, porfier en doleriet werden bij de bouw gebruikt.

 

Het werk in groeven voor bouwsteen stond wederom onder toezicht van een staf die soms geleid werd door hoge functionarissen als de vizier of de hoofdbeheerder  van de landgoederen, met inbegrip van de commandant van de wacht. Personeelslijsten noemen in het bijzonder specialisten als steenhouwers, bouwvakkers, boorders en ‘werkers in zachte steen’, maar deze, ca 30 in aantal, vielen in het niet bij de aantallen ongeschoolde arbeiders die de steenblokken vervoerden.

 

Als er grote bouwprojecten aan de gang waren bleven sommige steengroeven voor het grootste deel van het jaar in bedrijf, ook tijdens de heetste maanden.

 

Onder het kleine aantal te gebruiken gereedschappen bevond zich een pikhouweel van basalt of doleriet van  ca drie kilo. Het werd in de hand gehouden of met de rugzijde kruiselings vastgebonden aan een gevorkte schacht. Op de beitels die oorspronkelijk uit vuursteen of doleriet waren vervaardigd maar al tijdens het Oude Rijk geleidelijk aan vervangen werden door steeds grotere en hardere van koper, sloeg men met een hamersteen van basalt of doleriet die tussen de drie en vijf kilo woog, of met een houten hamer met een kegelvormige kop. Zachtere steen bewerkte men met zagen waarvan de getande kant tijdens het smeden van korrels van zand werd voorzien.

 

Nadat men het uitgekozen rotsgebied grof had geëgaliseerd strooide men er waarschijnlijk gloeiende stukken houtskool op. Daarna goot men er snel koud water overheen zodat de oppervlakte van de steen op die plekken spleet, wat het delven van de blokken gemakkelijker maakte. De randen van de gewenste blokken werden dan afgetekend waarna de zijkanten uitgehakt werden met hamer en beitel tot de benodigde diepte.

 

Pas vanaf de Romeinse tijd bezitten we harde bewijzen voor het gebruik van een werkwijze met wiggen. Hierbij hakte men een reeks gleuven uit langs een aangebrachte lijn en sloeg er metalen wiggen in. Daarna sloeg men er gelijktijdig een aantal ijzeren beitels in dezelfde richting in, wat gewoonlijk tot gevolg had dat het hele blok in een keer helemaal losbrak.

 

Om de kanten glad te maken gebruikte men een schuurpoeder van fijngestampt kwartsiet waarvan de korrels scherpe kanten hebben.

 

Zowel de blokken als de overgebleven vlakken in de groeve werden vaak van etiketten voorzien, waarschijnlijk door de schrijvers die de leiding van het werk hadden. Deze standaardopschriften bevatten de naam van de koning of de piramide waarvoor de blokken waren bestemd. We lezen bijvoorbeeld ‘Cheops is een horizonbewoner’ of ‘Chefren is groot’.

 

In andere gevallen treffen we gegevens aan over de grootte van het blok, waterpasmerken of aanduidingen voor de plaatsing zoals ‘voor de binnenmuur’ of ‘deze kant boven’.

 

Van tijd tot tijd zond de koning een grote expeditie uit om steen, mineralen, bouwhout en andere materialen te halen. Tijdens het Oude Rijk stond zo’n expeditie onder leiding van een functionaris met de titel ‘de zegeldrager van de god van de beide grote vloten’, of ‘de generaal’ aan wie de andere ambtenaren ondergeschikt waren. Zij heetten ‘kapitein’, ‘scheepsofficier’, ‘opzichter van het werk in de steengroeven’ of ‘opzichter van de Nubische verdedigingstroepen’.  De geschoolde handwerkslieden, met name de brekers van stenen, werden gegroepeerd in compagnieën van honderd en deze in eenheden van tien, waarbij vijf bij elkaar een ‘boord’ vormden als betrof het roeiers.

 

Rotsen en bouwstenen werden vervoerd met sleden over met boomstammen geplaveide wegen. Daarbij gooide men telkens water op de weg voor de sleden. De groep werd telkens met  ritmische bevelen of liederen aangespoord. Hoewel de stenen van de Grote Piramide van Cheops drie tot vijftien ton per stuk wogen, was het transport ervan zo’n routine-aangelegenheid dat men het niet de moeite waard vond het vast te leggen.

 

Grote groepen arbeiders trokken de sleden met dikke touwen voort.  Bij een zekere gelegenheid kostte het 4500 man slechts veertien dagen om tachtig kolossale steenblokken uit de vindplaats te vervoeren.

 

De bovenloop van de Nijl stroomt vanaf de eerste cataract bij Assouan rustig door een brede vallei met een gemiddeld verval van 8 cm per km [4 cm in de delta]. De ontwikkeling van de scheepvaart op de Nijl werd bevorderd door het feit dat de rivier naar het noorden stroomt maar de overheersende wind vanaf de Middellandse Zee naar het zuiden waait. Als er genoeg wind is kan een schip het grootste deel van de afstand stroomopwaarts zeilend afleggen.

 

Vanaf de eerste helft van het 4e millennium bouwden de Egyptenaren lichte boten van aan elkaar gebonden papyrusbundels die ze voortbewogen met houten peddels of lange stokken. Tijdens de daaropvolgende 500 jaar verschenen er grotere en sterkere boten, met een hoge boeg, een of twee kajuiten en lange roeibanken. Egyptische vaartuigen waren in verhouding breed en rond, met een geringe diepgang en geen kiel vanwege de ondiepten in de Nijl. Van het uiterlijk van deze boten kunnen we ons een goede indruk vormen door de ontdekking in 1954 van het oorspronkelijke dodenschip van koning Cheops, dat 43 m lang, 6 m breed en 1,78 m hoog was.

 

Weni, de administrateur van de zuidelijkste provincie uit de 6e dynastie,  vermeldt in een verslag dat men een 31,4 m lange en 15,7 m brede boot bouwde in 17 dagen. Vaartuigen van dat formaat zouden volstaan kunnen hebben  voor het vervoer van gewone steenblokken. Grotere schepen werden gebruikt voor het transport van de monolithische obelisken. De boot die de obelisken van koningin Hatsjepsoet naar haar tempel bij Deir-al-Bahari vervoerde was 82 m lang.

 

Wanneer het steenconvooi bij de piramide aankwam was het zaak er zo dicht mogelijk bij te komen. Tegen de 3e dynastie hadden de piramidebouwers een zijkanaal gegraven dat van de Nijl landinwaarts liep. Dit kanaal gaf het hele jaar door toegang tot de havens die men oorspronkelijk beneden bij iedere plek voor een piramide bouwde maar die uiteindelijk opgenomen werden in zijn daltempel. In een paar tempels kan men nog steeds de stenen sleephellingen en pieren van de haven vinden waar de boten aanlegden en hun lading blokken op sleden aan land gesleept kon worden. Voor het verdere vervoer had men nog altijd een aanvoerhelling nodig naar de bouwplaats die ca 50 m hoger lag dan het dal.

 

Sommigen hebben zich hellingen voorgesteld van verschillende lengten en hellingshoeken,die direct naar het midden van de zijkant[en] van de piramide in aanbouw liepen. Dit zou echter een doorlopende herbouw van de hellingen met zich hebben gebracht met enorme materiaalonkosten, zwakke plekken op de hoogste punten en hellingshoeken die steeds steiler werden tot op het punt dat slepen onmogelijk werd.

 

Uit sporen op de zijkanten van de getrapte mastaba van koningin Chentkaoes maakte Ivo Hoelscher op dat er sleephellingen waren geweest, parallel aan de muren die van de lagere naar de hogere trap voerden.

 

Dit idee werd later verder uitgewerkt door Gustave Goyon in de theorie van de sleephelling die men geleidielijk uitbreidde en die als een spiraal om de piramide liep. Deze zou van de ene naar de andere bouwfase hebben gevoerd en een aanzienlijke hoeveelheid materiaal hebben bespaard. Hij hoefde niet herbouwd te worden en de hellingshoek hoefde niet steiler te worden. Goyon suggereerde dat alle piramides oorspronkelijk trappiramiden waren, maar dat men bij de latere de trappen uiteindelijk had opgevuld en had laten schuilgaan achter de mantel. Inderdaad is de trappiramide het determinatiefteken voor het woord ar, dat ‘naar boven lopen’ betekent. Dit verwijst waarschijnlijk naar de grondbetekenis van de piramide als een heuvel met een trap waarover de ka van de koning naar boven kon lopen in de richting van de zon.

 

Een sleephelling kon niet zo steil zijn dat het onmogelijk zou worden dat men er ladingen over naar boven sleepte en hij moest breed genoeg zijn om omhoog gaande ladingen te laten passeren door lege sleden op weg naar beneden.

 

In het geval van de piramide van Cheops bepaalde Goyon de hellingshoek op slechts 7,6 cm op twee koningsellen, iets meer dan 4*, en de breedte op 24 m, zich vernauwend tot 16 m bovenaan. Het totale volume van een dergelijke sleephelling die zich uitstrekte tot de top schatte hij op bijna 400.000 m3, ongeveer een zevende van dat van de piramide zelf. De totale lengte van de helling zou gekomen zijn op 2,5 km.

 

 

Stammen van dadelpalmen,dicht bij elkaar in de breedte gelegd, hebben wellicht het oppervlak van zo’n sleephelling gevormd, waarbij het gewicht van de ladingen over een grotere oppervlakte werd verspreid. Dit plaveisel zou men onophoudelijk glad hebben moeten houden met water of een dunne modderoplossing.

 

Omdat er tijdens het Oude en het Middenrijk geen trekdieren werden ingezet trokken mensen de geladen sleden. Uitgaande van een minimale trekkracht van 12 kilo per arbeider berekende Goyon dat er een groep van 78 nodig was om een slede met steenblokken te trekken. De enorme stenen voor de zolderingen van de sarcophaagkamers zullen 200 tot 250 man hebben vereist.

 

Dieter Arnold stelt hier tegenover dat een spiraalhelling niet stabiel genoeg zou zijn en dat een permanent overzicht onmogelijk was vanwege zijn verborgen hoeken. Het ronden van hoeken van 90 graden zou moeilijk zijn geweest zonder iets als een gladde schijf als draaitafel. Bovendien is de spiraalhelling van Goyon gebaseerd op een trapvorm die men niet met zekerheid kan aantonen voor piramides na de 3e dynastie. Voor deze piramides  stelt Arnold een helling binnenin voor, 20 tot 30 m breed, die naar het centrum van het bouwwerk liep tot een hoogte van ca 65 m en dan terug in omgekeerde richting voor een verdere stijging van 20 tot 30 m. De resterende 150.000 blokken die nodig waren om de laatste 50 m  van de hoogste piramides te construeren kon men dan stap voor stap omhoog hebben gebracht met een trapvormige helling.

 

Rainer Stadelmann suggereert dat voor de hoogte van de eerste 20 tot 25 m het materiaal van alle kanten aangevoerd kon worden over hellingen of eenvoudigweg over hopen zand en daarna over een enkele lange sleephelling met een hellingshoek van 7 tot 12 graden langs 1 kant van de piramide tot een hoogte van 100 m.

 

De gangbare mening is dat iedere piramide laag voor laag groeide. Dit houdt in dat men de interne structuur van kamers en gangen, tesamen met alle bekleding,deurlijsten en valstenen die de toegang moesten beletten nadat het lichaam van de koning in de sarcophaag was gelegd, moest inbouwen in de laag die men onderhanden had voordat men aan de volgende begon.

 

Er was geen grote nauwkeurigheid vereist bij het aan elkaar passen van de blokken in de kern. De bouwers stelden zich tevreden met de grootte, de vorm en de ruwe afwerking van een blok zoals het in de groeve uit de handen van de steenhouwers was gekomen en de gaten die overbleven vulde men met een specie van zand, klei en gebroken  stenen en tichelstenen. Om de soliditeit van het bouwwerk te vergroten plaatste men van tijd tot tijd een laag precies afgewerkte blokken die strak tegen elkaar lagen tussen die welke men ruwweg naast elkaar had gelegd.

 

De bekleding van de piramide vereiste wel de uiterste zorg. Ieder blok in de mantel, aangebracht  zodra de overeenkomstige laag uit de kern was voltooid, liet men voorlopig ruw behouwen zoals hij uit de steengroeve was gekomen. Pas nadat men de bovenste laag had bekroond met een piramidion en men de hellingen begon af te breken werden de buitenkanten van de piramide glad afgewerkt van boven naar beneden.

 

De kalksteen- en granietblokken werden zo afgewerkt dat er geen speld tussen de naast elkaar liggende stenen kon worden gestoken. Men testte de gepolijste vlakken met een paar platte schijven,  verbonden met een koord dat men om de beurt op verschillende plekken legde. Soms behandelde men het  koord met een rode kleurstof om elke uitstekende plek zichtbaar te maken. Naast deze gereedschappen werd nog gebruik gemaakt van winkelhaak en liniaal.

 

Voor elke piramide moesten een aantal bijgebouwen  opgetrokken worden die het piramidecomplex vormden. Een daltempel, voor de dodenriten en de balseming, groeide rond de oorspronkelijke landingshaven. De oude sleephelling werd tot processieweg, een lange stenen passage die men in het bgin open liet maar vanaf de tijd van koning Cheops overdekte. Deze leidde naar de dodentempel aan de voet van de piramide waar men vele jaren de dodencultus voor de gestorven koning bleef volvoeren. In de buurt van deze tempel hakte men bootsleuven in de rots uit voor de dodenschepen of zonneschepen.

 

5.3. Historische aspecten van de piramides

 

De grootte van een piramide hing waarschijnlijk samen met de economische situatie van het land. Ook kon hij worden bepaald door structurele gebreken tijdens of na de bouw.

 

Herodotus die de traditionele opvattingen van de Egyptische priesters aanhaalt, vertelt dat het 20 jaar kostte om een piramide te bouwen en dat de 100.000  arbeiders die men inzette elke drie maanden werden vervangen.

 

Croon berekende dat indien 40 man elke 4 minuten een blok omhoog sleepten er gemiddeld 150 per dag gelegd konden worden. Het zou dan 26 jaar geduurd hebben om een middelgrote piramide die 1,5 miljoen blokken bevatte op te richten als men een helling gebruikte of dertien jaar als men er twee gebruikte.

 

Naast deze inschatting bestaan er nog verschillende andere, bv die van  Stadelmann die berekende dat de hoeveelheid stenen die men elke dag voor de piramide van Cheops legde  tussen de 230 en 420 m3 bedragen moet hebben.

 

Waarschijnlijk hebben de bouwactiviteiten het hele jaar door plaatsgevonden. Er zijn op blokken data aangetroffen uit het overstromingsseizoen, het seizoen van de groei en het seizoen van de oogst. Stadelmann gaat uit van 10.000 tot 20.000 arbeiders waarbij inbegrepen 5000 geschoolde mannen, met iedere drie of vier maanden nieuwe aflossingen.

 

Hoewel het werk verplicht was, hoefde men de mannen er niet toe te dwingen. In een graf uit de tijd van koning Mycerinus staat :

 

 

 

 

‘ Zijne majesteit wenst dat niemand gedwongen wordt tot de taak, maar dat een ieder werkt naar eigen voldoening’.

 

 

 

5.4 recente theorieën, waaronder de Orion-these

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk  6 .Echnaton-special

 

 

The Amarna Site:

 

http://www.amarna.co.uk/

 

 

6.1. Het historische kader

 

Het bewind van Echnaton wordt wel gezien als een periode van verval, maar het verval was al voor zijn bestuur in getreden. Als bewijs daarvan  worden de Amarna brieven beschouwd waarin Egyptische vazalstaten de farao om hulp vragen.

 

 

 

 

 

Omstreeks 1372 v.C. volgde Amenhotep IV zijn vader Amenhotep III op als koning van Egypte. Deze was – heel ongebruikelijk – getrouwd met Teje, dochter van een priester.

 

Amenhotep III en de Memnon-kolossen :

 

http://akhet.co.uk/amarna/amen3.htm

 

 

Hij gaf zijn vrouw een zeer prominente plaats in het openbare leven.  Ook de vrouw van Amenhotep IV was waarschijnlijk geen prinses en ook zij trad bij elke gelegenheid naast de koning in het openbaar op.

 

Vanaf het begin van zijn zestienjarige regering liet Amenhotep zijn verering voor de zonnegod blijken, voorgesteld als zonneschijf en Aton geheten. Hij bouwde ten oosten van de Amontempel van Karnak een heiligdom voor Aton dat dezelfde aanleg toonde als de oudste zonnetempels.

 

Toen hij aan deze verering een bijzondere plaats ging geven kwam hij in conflict met de priesters van Amon. Waarschijnlijk wilde hij heel bewust de politieke macht van de priesters ongedaan maken en zichzelf in plaats van hen tot bemiddelaar maken tussen mens en god. Zo kwam het al gauw tot een breuk en in het zesde jaar van zijn regering begon hij met het bouwen van een nieuwe hoofdstad, rond 300 kilometer ten noorden van Thebe, op de plaats van het huidige el-Amarna.

 

 

 

 

6.2. Echnaton en de religie

 

Hij gaf zijn stad de naam Achet-aton, ‘horizon van Aton’ en noemde zichzelf Echn-aton ‘nuttig voor Aton’. De verering van alle andere goden werd verboden, hun tempels werden gesloten en hun beelden vernietigd. Met name de cultus van Amon werd vervolgd : op alle monumenten werd de naam van de voormalige rijksgod weggehouwen.

 

De namen Re, Re-Harachte en Sju zijn nu synoniemen geworden van de naam van de zonneschijf met de stralenhanden. Dit blijkt bv. uit de titel waarmee Aton wordt aangeroepen : “Leve de Vader Re-Harachte, die juicht in de horizon in zijn naam : Sju die Aton is”.

 

Ma’at kon niet worden weggewerkt : in de titulatuur van de zonnegod wordt gesteld dat “Aton vreugde heeft aan Ma’at” en in die van de koning dat hij “leeft van Ma’at”. Re wordt aangeduid als “hij die Ma’at gebaard heeft”. Echnaton is “de heerser van Ma’at”, “de heer van Ma’at”, “bemind door Ma’at”, “hij die juicht over Ma’at”.

 

De koning treedt wat de moraal betreft , op als een bemiddelaar tussen  god en de mensen.  Een ambtenaar verzekert in zijn graf te Achetaton dat hij “Ma’at gedaan heeft voor de koning” en toont zich daarmee in de eerste plaats verantwoordelijk tegenover de vorst. Hoge ambtenaren ”doen Ma’at opstijgen naar de koning” en “vullen zijn oren met Ma’at”, zij “spreken in Ma’at” en “treden in met Ma’at” tot de farao.

 

 Anderzijds geeft de farao “Ma’at in het lichaam” van zijn dienaars die van hem “Ma’at horen”. Doden zijn “ma’ati”, “gerechtvaardigd”, niet op grond van het dodengericht, maar wegens hun dienst aan de vorst. Uit genoemde citaten blijkt hoe centraal het begrip Ma’at, evenwicht en harmonie, in de cultuur van Egypte stond en hoe Echnaton dit begrip moeiteloos in zijn ideologie kon inpassen.

 

Veel accent krijgt het goddelijke koningschap van de farao. De vorst wordt niet alleen “ de schone zoon van Aton” genoemd, maar tot Aton wordt bijvoorbeeld gezegd :

 

Gij brengt Zijne Majesteit voort gelijk gij u zelf dagelijks voorbrengt, zonder ophouden.

 

De ka, de vitaliteit van de heerser, verzekert het welzijn van zijn onderdanen. In een gebed in het graf van Panehsy staat te lezen :

 

Geloofd zijt gij, mijn god, die mij gebouwd heeft, die mij weldaden heeft beschikt, die mij heeft geschapen, die mij voedsel heeft gegeven en in mijn onderhoud heeft voorzien door zijn ka….want zijne majesteit is Re, die de geringste doet opklimmen door zijn gunst, die ambtenaren maakt door zijn ka, het Noodlot dat leven schenkt, heer van bevelen en gezondheid.

 

In dit licht moeten ook uitspraken worden gezien die Echnaton als een levenschenkend principe weergeven . Hij is “ de adem voor iedere neus”, degene “door wie men ademt”. Hij “maakt beiden landen levend”, hij is “het voedsel van alle mensen, de overstroming van het gehele land die dagelijks vloeit”.

 

 

De Egyptenaren waren al lang vertrouwd met de monotheïstische of henotheïstische opvatting die Re als de hoogste dan wel de enige god beschouwde. In de  oorspronkelijke leer van Heliopolis werd Re eerst met Atum en geleidelijk aan met alle andere goden geïdentificeerd.

 

Het overboord werpen van de mythen is in de revolutie van Echnaton de belangrijkste factor. De verhalen gaven de Egyptenaren de enige geldige verklaring voor het ontstaan en van het instandhouden van het heelal, van de bewegingen van de hemellichamen en het ritme van de seizoenen en van de vestiging van het koningschap.

 

6.2.1. De Aton-hymne

 

 

Nu wordt de zon het enige verklaringsbeginsel van dit alles. De rationalistische zienswijze van Echnaton komt goed tot uiting in de grote Aton-hymne :

 

AANHEF

 

 

 

Aanbidding van “Re-Harachte leeft, die juicht in de horizon in zijn naam : Sju die Aton is”, die leeft in alle eeuwigheid, Aton, de levende, de grote die het jubileumfeest viert, heer van alles waar de zon, Aton, omheen draait, heer van de hemel, heer van de aarde, heer van de tempel van Aton in Achetaton,

door de koning van Opper- en beneden-Egypte, die leeft van Ma’at, de heer der beide landen “Re is schoon van gedaanten, de enige van Re”, de zoon van Re die leeft van Ma’at, de heer der kronen, Echnaton, lang van levensduur,

en door de grote gemalin van de koning, zijn beminde, de Vrouwe der Beide Landen,  “Schoon is de schoonheid van Aton; Nofretete”, die leeft, gezond en jong is in alle eeuwigheid.

 

 

 

 

DE HYMNE

 

 

 

Gij verschijnt prachtig in de lichtwoning des hemels, o Aton, levende, die het eerst hebt geleefd!

Wanneer gij opgaat in de oostelijke lichtwoning, vult gij alle landen met uw schoonheid.

Wanneer gij blinkend en groot zijt, schitterend en hoog boven alle landen, omvatten uw stralen de landen tot de uiterste zone van al wat gij gemaakt hebt.

 

 

 

Omdat gij de zon zijt, bereikt gij hun uiterste zone.

Gij knecht ze voor uw beminde zoon.

Ofschoon gij ver zijt, zijn uw stralen op de aarde.

Hun ogen zien u, hoewel men uw gangen niet kent.

 

 

 

Wanneer gij ondergaat in de westelijke lichtwoning,

ligt de aarde in duisternis, als was zij dood.

De slapers bevinden zich in hun kamer met omhulde hoofden.;

het ene oog ziet het andere niet.

Wanneer al hun bezittingen gestolen worden, zelfs al liggen zij onder hun hoofd, zij merken het niet.

Alle roofdieren komen uit hun holen tevoorschijn,

al het kruipend gedierte bijt.

Wordt het verlichte huis verduisterd,

dan ligt de aarde in zwijgen,

want hij, die hen gemaakt heeft, is ondergegaan in zijn lichtwoning.

 

 

 

In de ochtendschemering gaat gij weer op in de lichtwoning.

Gij straalt als Aton bij dag, gij verdrijft de duisternis,

Gij zendt uw stralen neer en de beide landen zijn in feeststemming.

De mensen ontwaken en gaan staan  op hun voeten :

Gij hebt hen opgericht.

Zij wassen hun lichaam en trekken hun kleren aan.

Hun armen zijn in aanbidding geheven voor u, wanneer gij verschijnt.

De gehele mensheid verricht haar werk,

Alle dieren doen zich tegoed aan hun weide.

Bomen en planten worden groen.

De vogels die opvliegen uit hun nesten,

hun vleugels zijn in aanbidding geheven voor uw wezen.

Alle gedierte huppelt op zijn voeten,

Al wat opvliegt en neerstrijkt, zij leven, wanneer gij voor hen opgaat.

De schepen varen stroomaf en stroomop en ook alle wegen liggen open,

wanneer gij verschenen zijt.

De vissen in de rivier springen op voor uw aangezicht,

want uw stralen dringen door tot in het binnenste der zee.

 

 

 

O, Gij die zaad herschept tot vrouwen,

die vocht tot mannen maakt,

die het kind in leven houdt in de schoot van zijn moeder,

die het sust zodat het niet schreit,

Voedster in de moederschoot,

die lucht schenkt om leven te geven aan al wat gij maakt.

Verlaat het de moederschoot op de dag van zijn geboorte,

dan opent Gij zijn mond geheel en zorgt voor zijn behoeften.

 

 

 

De jonge vogel in het ei, die in de schaal reeds spreekt,

gij geeft hem daarin lucht om hem in leven te houden.

Gij hebt hem in het ei zijn bepaalde tijd gesteld om het te breken

en op zijn bepaalde tijd kruipt hij uit het ei om te spreken.

Hij loopt op zijn voeten zodra hij eruit gekropen is.

 

 

 

Hoe talrijk is wat Gij gemaakt heeft, het is teveel om te zien.

O, enige god, die door geen ander wordt geëvenaard,

gij hebt de aarde om uwentwil geschapen, gij alleen :

Mensen en alle klein en groot gedierte,

al wat zich op aarde bevindt, dat zich voortbeweegt op voeten,

Wat er in de hoge is en vliegt met zijn vleugels,

de vreemde landen, Syrië en Nubië en het land Egypte.

 

 

 

Gij hebt ieder mens op zijn plaats gesteld,

gij hebt in zijn behoeften voorzien,

zodat ieder zijn voedsel heeft.

 

 

 

Hun levensdagen zijn geteld.

Tongen en oren zijn gescheiden door de talen,

Hun karakter en ook hun uiterlijk is verschillend.

 

 

 

Gij hebt onderscheid gemaakt tussen Egypte en de vreemde volkeren.

Gij hebt een Nijl gemaakt in de onderwereld,

Gij brengt die, naar het u behaagt, om de Egyptenaren in leven te houden

omdat Gij hen gemaakt hebt voor U, hun aller heer,

die moeite voor hen geeft, heer van alle landen, die voor hen opgaat.

Aton van de dag, ontzagwekkende!

Doch ook van alle verre vreemde landen maakt Gij de leeftocht :

Gij hebt een Nijl in de hemel geplaatst die voor hen neerdaalt

En die op de bergen waterstromen vormt als de zee om hun akkers

te bevochtigen met hetgeen hun toekomt.

Hoe uitnemend is uw voorzienigheid, o Heer der eeuwigheid!

De Nijl in de hemel, hij is bestemd voor de vreemde volkeren,

Voor al het gedierte in den vreemde,

Dat zich voortbeweegt op voeten.

Egypte daarentegen bezit de Nijl die uit de onderwereld komt.

 

 

 

Uw stralen voeden alle tuinen.

Wanneer gij opgaat leven en groeien zij voor u.

Gij maakt de seizoenen om op te kweken al wat gij gemaakt hebt,

De winter om hun koelte te geven,

De hitte, opdat zij u ervaren.

Gij hebt de hemel verre gemaakt om daarin op te gaan

Om te zien alles wat gij gemaakt hebt, gij alleen.

 

 

 

Wanneer gij opgaat in uw gedaante als levende Aton,

Schitterend en stralend, ver en toch dichtbij,

Maakt gij talloze gedaanten uit u, de ene:

Steden, dorpen en akkers, weg en rivier.

Alle ogen aanschouwen u tegenover zich,

Zolang gij de Aton van de dag zijt boven de aarde.

 

 

 

Zijt gij dan heengegaan, dan zullen alle ogen,

Wier gezicht gij geschapen hebt, u niet meer zien,

Noch iets wat gij gemaakt hebt.

Doch ook dan zijt gij in mijn hart.

 

 

 

Er is geen ander die u kent, behalve uw zoon.

Re is schoon van gedaanten, Re is alleen.

Gij hebt hem uw raad en uw sterkte doen kennen.

De aarde rust in uw hand, want gij hebt hen gemaakt:

Wanneer gij opgaat leven zij,

Wanneer gij ondergaat sterven zij.

Gij zijt de levensduur in eigen persoon, men leeft van U.

 

 

 

De ogen zijn op uw schoonheid gericht, tot gij ondergaat.

Alle werk wordt neergelegd, wanneer gij ondergaat in het Westen.

Wanneer gij weer opgaat, sterkt gij mijn armen voor de koning

En ik rep mij uit alle macht, want gij hebt de aarde gegrondvest

En gij richt hen telkens weer op voor uw zoon,

Die uit uw lichaam is voortgekomen,

De koning van Boven - en Beneden-Egypte,

Die leeft van de waarheid,

De heer der beide landen Re is schoon van gedaanten,

Re is alleen,

De zoon van Re,

Die leeft van de waarheid,

De heer der kronen Echnaton,

Lang van levensduur

en voor de grote gemalin des konings, zijn beminde,

De vrouwe der beide landen  - Aton is overschoon- ,

Nefertete, zij leeft,

Zij is jong in alle eeuwigheid.

 

 

6.3. Van Echnaton naar Toetanchamon

 

Toen Echnaton in 1354 stierf hebben zijn opvolgers, de generaals Ay en Horemheb militairen als priesters voor de tempel van Amon aangesteld. Wellicht was de jonge Smenkhare, een van de kinderen die Echnaton bij Kiya had,  al in de laatste regeringsjaren van Echnaton aan het bewind gekomen en  hem opgevolgd. De sarcofaag waarin Schmenkhare is bijgezet was mogelijk bedoeld voor Kiya. Veel onzekerheden dus.

 

 

 

De jonge Tut-anch-aton [“aangenaam is het leven van Aton”] en zijn echtgenote Anchasenpaaton [“moge zij leven voor Aton”] werden verplicht naar Thebe terug te keren en  hun namen in die van Tutanchamon en Anchasenamon te veranderen. De eredienst van Amon en van alle andere goden werd hersteld en alles keerde tot de vroegere toestand terug. Achetaton werd aan de vernietiging prijsgegeven. Echnaton leefde voort onder de naam “misdadiger van Achetaton”.

 

Een stèle van Toetanchamon met daarop het z.g. Restauratie-decreet, geeft een beeld, hoe na Echnatons dood de traditionele Egyptische religie werd hersteld. Toetanchamon is aan het woord:

 

Hij heeft wat vervallen was hersteld als een monument voor de eeuwigheid. Hij heeft het onrecht uit beide landen verdreven, zodat het recht [Ma’at]  weer in stand blijft en hij heeft gemaakt, dat de leugen de afschuw van het land was als in de oertijd. Toen nu Zijne Majesteit de troon besteeg, waren de tempels van goden en godinnen van Elephantine af tot aan de moerassen van de Delta toe verwaarloosd. Hun kapellen waren in puin gevallen en geworden tot een woestenij begroeid met onkruid. Hun zalen waren als hadden zij nooit bestaan. Hun afgesloten heilige terreinen waren een openbare weg geworden.

 

 

 

Terwijl het land ondersteboven was gekeerd, hadden de goden dit land de rug toegekeerd. Wanneer troepen naar Syrië werden gezonden om de grenzen van Egypte uit te breiden, hadden zij in het geheel geen succes. Wanneer men bad tot een god om hem om raad te vragen, kwam hij volstrekt niet. Wanneer men desgelijks zich smekend tot een godin richtte, kwam zij volstrekt niet. Zij waren gramstorig en deden mislukken wat er gedaan werd.

 

 

 

Toe nu enige tijd hierover heengegaan was, verscheen zijne Majesteit op de troon van zijn vader. Hij aanvaardde de heerschappij over Egypte. Egypte en het buitenland waren onder zijn toezicht. Alle landen stonden gebogen voor zijn macht. Toen ging Zijne Majesteit bij zich zelf te rade. Hij bedacht allerlei voortreffelijke daden en vorste uit wat nuttig was voor zijn vader Amon. Hij vervaardigde zijn heerlijk beeld van echt goud. Voorts heeft Zijne Majesteit monumenten gemaakt voor de andere goden, terwijl hij hun beelden vervaardigde van echt bladgoud, het uitgelezenste van het buitenland en terwijl hij hun zalen opnieuw bouwde als monumenten voor de eeuwigheid.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

COLLEGE 7 :  Egyptomanie : het doorwerken van de Egyptische cultuur in West-Europa

 

7.1. Een stukje receptiegeschiedenis : de Egyptische cultuur in West-Europa

Sigmund Freud, the founder of psychoanalysis, was hooked on Egypt. His desk was covered with a small army of Egyptian gods, goddesses, and noblemen. Over the famous couch hung a print of Rameses the Great's temple at Abu Simbel. Fragments of mummy cases were suspended from the bookcase. What was it about Egypt that attracted Freud so strongly? In a letter to a lifelong friend, Freud confessed that he had "picked up a few Egyptian antiquities. These things put me in a good mood and speak to me of distant times and lands." Freud is not alone in that.

I succumbed to Egyptomania decades ago. My life has been spent studying ancient Egypt, but that doesn't explain why my house is packed with Egyptian kitsch-pseudo-Egyptian lamps, teapots decorated with hieroglyphs and crocodiles, and mummy movie posters on the walls. Do used-car salesmen have their walls plastered with vintage ads for Model Ts or Edsels? It is easy to be consumed by Egyptomania, but far harder to explain it.

Our fascination with ancient Egypt and its appearance in popular culture stems from several factors. There is, foremost, the civilization's antiquity. One of the first to suffer from Egyptomania was Herodotus, the Greek historian and tourist who visited Egypt around 450 B.C., when the pyramids and sphinx at Giza were already two thousand years old. In his Histories he exclaims that "nowhere are there so many marvels in the world." Of the Egyptians he wrote, "They have existed ever since men existed upon the earth." Herodotus was clearly fascinated by this almost mythical antiquity.

For an ancient civilization to have an impact on modern culture, it must also be accessible. That's where Egyptian art comes in, as a window through which everybody, not just scholars, can see something of life along the Nile thousands of years ago. There are statues of gods and goddesses, reliefs of pharaohs and queens, and tomb paintings with scenes of daily activities. And what do people look for in this inviting ancient landscape? Egyptomania seems to have three focal points: the Egyptian pursuit of immortality, a belief that the Egyptians had secret or profound knowledge, and simple escapism.

Modern history, too, has added to the Egyptomaniacal mix. In the 1820s, the encyclopedic Description de l'Égypte, compiled by the scholars who had accompanied Napoleon's expedition, brought the monuments and people of the Nile to the European public. In the 1840s, steamships made travel to Egypt convenient, bringing tourists there and unleashing a flood of travel books eagerly read by those who could not afford the journey. Finally, in 1922, King Tut's tomb and its treasure were discovered. These events brought Egypt to the masses, and the masses to Egypt, fueling Egyptomania.

Bob Brier is an Egyptologist on the C.W. Post Campus of Long Island University and contributing editor of ARCHAEOLOGY.

 

7.1.1.  Egyptische kunst in het Romeinse Rijk

Dat het Romeinse Rijk een grote invloed op Egypte heeft gehad, is vanzelfsprekend. Octavianus veroverde het land aan de Nijl immers in 30 voor Christus, en maakte het tot Romeinse kolonie.

Minder vanzelfsprekend is echter de omgekeerde invloed van Egypte op het Romeinse Rijk. In zijn proefschrift 'Aegyptiaca Romana, aspecten van een cultureel fenomeen' onderzoekt archeoloog Miguel Versluys de betekenis van Egyptische en 'egyptiserende' monumenten en kunstwerken in Italië en de overige delen van het Imperium Romanum.


Versluys richt zich hierbij vooral op de zogeheten 'Nijlscènes': afbeeldingen van de overstroomde Nijl en de oevers van de rivier met de flora, fauna, bebouwing en bezigheden van de bevolking.


Aanvankelijk kwamen deze Nijlscènes of 'nilotische landschappen' sinds het eind van de tweede eeuw voor Christus voornamelijk voor in Italië en de oostelijke helft van het Middellandse Zeegebied. In de eeuwen daarna wint het genre aan populariteit, en bereikt in de tweede eeuw na Christus een hoogtepunt.
Je ziet ze voornamelijk op mozaïeken in woonhuizen en villa's.

Omdat het altijd om de overstroomde, levensschenkende Nijl gaat, lijken het dan ook in de eerste plaats vruchtbaarheids- en overvloedscènes zijn, zoals afbeeldingen met een Dionysische thematiek, stelt Versluys: 'Het zijn truphè (overvloed-)motieven die op die wijze uitstekend bij de functie van de ontspanningsruimten in het Romeinse huis aansluiten.'


Toch is deze algemene interpretatie te beperkt, meent de archeoloog. Volgens hem moet er gekeken worden naar de specifieke context waarbinnen het overvloedsmotief functioneert. 'Voor een aanhanger van de Isiscultuur, bijvoorbeeld, zal de afbeelding verwijzen naar de godin van de overstroming en haar almacht; voor een Romeinse graanhandelaar zinspeelt de voorstelling wellicht op de overvloed die hem en zijn familie door Egypte ten deel valt' – de graantoevoer uit Alexandrië was immers cruciaal voor de Romeinse economie – 'in het bescheiden huis van een Pompejaan verwijst de scène naar een algemeen gevoel van overvloed en levensgeluk; in een keizerlijke context zal de voorstelling naar de slag bij Actium en de Romeinse verovering op Egypte verwezen hebben, etcetera.'

In de kunstgeschiedenis en de archeologie wordt de aanwezigheid van Egyptische elementen in het Romeinse Rijk over het algemeen verklaard door de in de Romeinse wereld populaire culten van de Egyptische goden, maar uit Versluys' onderzoek naar Nijlscènes bleek dus dat de context van de gevonden voorwerpen van belang is. Daarom zijn los gevonden religieuze voorwerpen op meerdere manieren te duiden.

Versluys: 'Een klein bronzen beeldje van Isis kan hebben behoord tot een heiligdom, kan getuigen van privé-devotie, kan voor een soldaat of reiziger als souvenir gediend hebben, kan voor een koopman handelswaar vertegenwoordigen en door een willekeurige Romein als oosterse exotica beschouwd zijn.' Kortom: Aegyptiaca zijn een cultureel fenomeen.

 
Toch legt Versluys zich niet zonder meer neer bij de ruime en ook wel gemakkelijke conclusie: het kan van alles betekenen.

 
Een uitvoerig onderzoek naar alle gevonden Aegyptiaca (dus niet alleen de Nijlscènes) in de stad Rome wees uit dat de kunstvoorwerpen in drie groepen te verdelen zijn: religieus, exotisch/decoratief en politiek getint.

Daarnaast is Egypte ook gewoon mode geweest in de Romeinse Oudheid. 'Egyptomanie', noemt de archeoloog het. Zelfs in latere tijden leefde deze egyptomanie nog. Zo hergebruikte de zeventiende-eeuwse beeldhouwer Gianlorenzo Bernini bijvoorbeeld af en toe de Egyptische beeldelementen, zoals in zijn grote obelisk op het Piazza Navona in Rome.

Behalve naar van de functie die de Aegyptiaca in verschillende contexten hadden, keek Versluys ook naar de vorm. De afbeeldingen leren immers veel over de manier waarop de Romein naar de Egyptenaar keek.

Versluys: 'De afbeelding of weergave van een andere cultuur zegt ook (of misschien wel vooral) iets over de eigen cultuur van de afbeelder.' In de Nijlscènes gebeurt dit veelal door 'negatieve zelf-definitie': de ander wordt afgebeeld als tegenovergestelde van de eigen, ideale vorm. Egyptenaren worden in de Nijlscènes doorgaans weergegeven als 'feestvierende dwergen die zich overgeven aan seksuele uitspattingen: in alle opzichten tegenovergesteld aan de (ideale) Romeinse norm.'

Ook in literaire teksten schept de Romein vanuit zijn etnocentrisme zo'n beeld. Versluys: 'Egyptenaren worden door de Romeinen met dezelfde stereotypen gekenschetst als de inwoners van de Amerika's door de 16e en 17e eeuwse Europeanen: als kannibalen, aanbidders van de duivel, seksueel overactief en pervers.'

Miguel John Versluys: Aegyptiaca Romana. Aspects of a cultural phenomenon.' 2001

 

 

7.1.2. Egypte in de opera’s van  Mozart, Thamos, König von Aegypten,

Die Zauberflöte : muziekvoorbeelden met mondelinge toelichting tijdens het college

 

 

 

 

 

 

 

 

7.1.3. Egyptomanie in de 19e en 20e eeuw

 

De Egyptomanie bloeide vooral in de 19de eeuw, vanaf de herontdekking van Egypte door de Egyptische veldtocht van Napoleon (1798-1801).
België was veel meer dan Nederland georiënteerd op Frankrijk waar het Empire een eerste golf van Egyptiserende ontwerpen liet zien.
België is als katholiek land ook meer beïnvloed door de Barok en ontvankelijker voor de Romantiek, terwijl Nederland door het protestantisme veel gereserveerder was op dat punt.
Nederland moest niet veel hebben van de sensuele, mysterieuze en megalomane uitstraling van het Oude Egypte, en alleen de band met de wereld van het Oude Testament werd interessant gevonden.
Egyptiserende/oriëntaliserende kunstenaars zoals Alma Tadema en De Famars Testas emigreren daarom naar Londen resp. Brussel om van hun kunst te kunnen leven. Bouwwerken zoals het olifantenhuis in de Antwerpse Zoo zijn volstrekt ondenkbaar in het steile Holland, waar hooguit hier en daar een zuinig obeliskje verrijst. In Nederland is ook veel minder invloed van de voormalige feodale adel, en een kasteel zoals dat van Sint Niklaas met zijn Egyptische interieur kan in Nederland in deze periode niet gebouwd worden. Ook de invloed van de vrijmetselaars is bij Nederland geringer en de uitbundige Egyptiserende loges van Brussel en Antwerpen zijn alleen in België mogelijk.

 


De ontdekking van het graf van Toetanchamon in 1922 gaf niet alleen de aanzet tot een nieuwe golf van Egyptomanie maar stimuleerde ook de ontwikkeling van de Egyptologie als wetenschap.
 
Voor het eerst werd Egyptomanie iets voor de massacultuur. Dankzij de moderne druktechnieken verspreidde het nieuws over de ontdekking van het graf zich direct over de hele wereld en kon iedereen de ontwikkelingen van dag tot dag in de krant volgen. Dat was dus een heel andere situatie dan bij de Napoleontische veldtocht (toentertijd een vergelijkbare eye-opener), toen de verslagen van de geleerden (Description de l'Egypte) pas jaren later uitkwamen in lithografische atlassen die alleen voor specialisten en rijken toegankelijk waren.

 
Door de industrialisatie kon de wereld tegelijk worden overspoeld door goedkope producten van bakeliet, plastic, blik, textiel en dergelijke, niet alleen door ontwerpen in kostbare materialen zoals tijdens het Empire.


De nieuwe stijl van Art Deco lijfde de Egyptiserende tendenzen direct in en verspreidde deze via b.v. de Parijse tentoonstelling van 1925.


Daarnaast deed ook de amusementsindustrie veel voor de verspreiding van de Egyptomanie (cinema, revue, pretparken). In een Europa dat uitgeput was door de ellende van de Eerste Wereldoorlog  bood de ontdekking van het graf van Toetanchamon een welkome afleiding en een nieuw optimisme.

 

 

 

 

 

 

7.1.4. Egypte in een lied van Schubert : Memnon, tekst van Johann Baptist Mayrhofer [1787-1836]

 
 Den Tag hindurch nur einmal mag ich sprechen,
 Gewohnt zu schweigen immer und zu trauern:
 Wenn durch die nachtgebor'nen Nebelmauern
 Aurorens Purpurstrahlen liebend brechen.
 
 Für Menschenohren sind es Harmonien.
 Weil ich die Klage selbst melodisch künde
 Und durch der Dichtung Glut das Raube ründe,
 Vermuten sie in mir ein selig Blühen.
 
 In mir, nach dem des Todes Arme langen,
 In dessen tiefstem Herzen Schlangen wühlen;
 Genährt von meinen schmerzlichen Gefühlen
 Fast wütend durch ein ungestillt Verlangen:
 
 Mit dir, des Morgens Göttin, mich zu einen,
 Und weit von diesem nichtigen Getriebe,
 Aus Sphären edler Freiheit, aus Sphären reiner Liebe,

 Ein stiller, bleicher Stern herab zu scheinen.

 

 

 

 

 

 

7.1.5. Alexander Puschkin, Kleopatra und ihre Liebhaber

 

Das Haus erglänzt. Im Chore dröhnte
zur Flöt' und Zymbel der Gesang,
mit Stimme und mit Blick verschönte
die Königin des Festes Gang.
Zum Thron schlägt jedes Herz im Saale;
- da beugt sie dämmernd, sprachberaubt,
in Sinnen auf die goldene Schale
hinab das wundervolle Haupt.
Und Brüten schwelt überm Gelage,
der Chor will schweigen, keines spricht:
- doch wieder hebt sie, gleich dem Tage,
zum Wort das klare Angesicht:
"Ihr fleht um jede meiner Nächte,
kein Preis sei euch zu hoch, zu schwer;
so hört: ich stell' die gleichen Rechte
unter euch Männern wieder her.
Die Liebe will ich euch verkaufen...
Wer ist so reich, wer hat die Macht,
wer zahlt aus eurem ganzen Haufen
mit seinem Tod für eine Nacht?"

Sie schweigt - und Schauer faßte jeden,
die Herzen zittern im Verzicht -
und sie vernimmt die Flüsterreden
mit stolzer Kälte im Gesicht,
und streift das mutlose Gedränge
der Anbeter mit einem Blick...
Doch schon tritt einer aus der Menge,
zwei andre bleiben nicht zurück:
Sie kommen kühn, sind keine Knechte -
die Königin erhebt sich stumm.
Und also sind gekauft drei Nächte,
und also sterben sie darum.

Und zu Gesang aus Priestermunde
entnimmt man aus der Urne Schoß
vor der bewegungslosen Runde
die Reihenfolge nach dem Los.
Und Flavius steht als erster schon -
ergraut in römischer Legion,
ertrug er nicht an einer Frau
das triumphierende Verachten.
Fest wollte er den Tod betrachten,
der Ruf der Lust klang ihm genau
wie einst der Ruf der großen Schlachten.
Und ihm folgt Kriton, den im Hain
die Musen schwesterlich berieten,
sein junges Denken diente rein
der Göttin Cypris, den Chariten.
So kaum erblüht und heiß und groß,
nahm er das ganze Herz gefangen.
Der letzte wandelt namenlos
durch die Jahrtausende. Die Wangen
beschattete ein erster Flaum,
das Auge strahlte durch den Raum,
in seinem jungen Herzen kochte
die ungeübte Leidenschaft -
und ihren Blick nahm er in Haft,
so daß sie ihn nicht lassen wollte.

"Ich schwör, o Mutter aller Wonnen,
ich will dir dienen unerhört,
aufs Purpurlager, lustgesponnen
steig' ich als Sklavin, ganz entehrt!
Du, starke Cypris, wirst nicht schelten,
und ihr, ihr Könige vom Tod,
ihr Götter dunkler Unterwelten!
Ich schwör' euch - bis zum Morgenrot
komm' ich der Gier meiner Bezwinger
mit grenzenloser Wollust nach,
jedes Geheimnis der Umschlinger
und jedes Süße ruf' ich wach!
Doch kaum entflieht in rosiger Eile
Aurora morgendlich dem Grab,
so schwör' ich - fällt unter dem Beile
das Haupt des Glücklichen herab!"

Und nun versank der Tag im Westen;
es steht der goldgehörnte Mond,
und schmachtend tiefer Schatten wohnt
in Alexandriens Palästen.
Die Wasser plätschern, Flammen leuchten,
der Weihrauch steigt empor in Ruh,
und Kühlung schwebt aus allen Feuchten
den Göttern dieser Erde zu;
es schimmert das Gemach, das holde,
wo jeder Duft Verführung schien,
unter dem Purpurbaldachin erglänzt die Lagerstatt im Golde...

- Uit het Russisch in het Duits vertaald door Sigismund von Radecki -

7.2. De Egyptische taal

 

We sluiten af met een kijkje te nemen in het Little Egyptian Reading Book van S.Fryer dat te vinden is op :

 

http://home.prcn.org/sfryer/Egyptian/intro.html

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

BIJLAGE I : BIBLIOGRAFIE

 

Adkins, L. and R. The Keys of Egypt, The Obsession to Decipher Egyptian Hieroglyphs, Harper Collins 2000

 

Adkins, L. en R. Egypte ontraadseld, Kosmos 2000

 

Aldred, Cyril. The Development of Ancient Egyptian Art. London:

            Academy Editions, 1973.

 

Aldred, Cyril. Egyptian Art in the Days of the Pharaohs 3100 B.C.-320 B.C. New York/Toronto: Oxford University Press, 1980.

 

Aldred, Cyril. Egyptian Art. Thames & Hudson, 1986.

 

Aldred, Cyril. The Egyptians, Thames & Hudson, 1998

 

Allen, J.P.  Middle Egyptian : An Introduction to the Language and Culture of the Hieroglyphs 2000

 

Andrews, Carol. The British Museum Book of the Rosetta Stone. New

            York: Dorsett Press, 1981.

 

Baines, J., Malek, J. Atlas of Ancient Egypt, Facts on File 1983

 

Bard, K. A.  Encyclopedia of Archeology in Ancient Egypt, Rubicon Press, Londen  1998

 

Betro, M.C. Hieroglyphs : The Writing of Ancient Egypt 1996

 

Bianchi, Robert S. and Richard A. Fazzini., et al. Cleopatra's Egypt , Age of the Ptolemies. New York: The Brooklyn Museum, 1988.

 

Biannuci, R.  : David Roberts : Voyage en Egypte, Firenze 1994

 

Bierbrier, M.L. : The Tomb-builders of the Pharaos, Cairo 1989

 

 

Bowman, A.K. Egypt after the Pharaos, 332 BC-AD 642, Oxford 1990

 

Brier, B. The Encyclopedia of Mummies, New York 1998

        

Clayton, P. Chronicle of the Pharaohs : The Reign-by-reign Record of the Rulers and Dynasties of Ancient Egypt 1994

 

Clayton, P. The Rediscovery of Ancient Egypt; Artists and Travellers in the 19th century, Londen 1982

 

Collier, M. Manley, B. How to Read  Egyptian Hieroglyphs : A Step by Step Guide to Teach Tourself 1998

 

David, R. Discovering Ancient Egypt, Facts on File 1993

 

Davies, V., Friedman, R. Egypt Uncovered, New York 1998

 

Desroches-Noblecourt, C. Tutankhamun. New York: Penguin Paperbacks.

 

Dodson, A. De hierogliefen van het oude Egypte, Veltman Uitgevers 2002

 

Drower, M. Flinders Petrie : A Life in Archaeology, University of Wisconsin Press

1985

 

Dunand, F.,Zivie-Coche, Ch. Gods and Men in Egypt. 3000 BCE to 395 CE. Ithaca, 2004. 

 

 

Egizi, T. Kunstschatten uit Egypte, Davidsfonds 2000

 

Ellis, W.M. Ptolemy of Egypt, Londen 1993

 

Fletcher, J. Het oude Egypte : leven, mythen en kunst, Bosch & Keuning 2000

 

Forman, W., Quirke, S. Hieroglyphs and the Afterlife in Ancient Egypt 1996

 

Freed, Rita E. Egypt's Golden Age, The Art of Living in the New

            Kingdom, 1558-1085 B.C. Boston: Museum of Fine Arts, 1981.

 

Gahlin, L. Egypte : goden, mythen en religie, Veltman Uitgevers 2001

 

Guadalupi, G. The Discovery of the Nile, Stewart, Tabori & Chang 1997

 

Hagen, R.M. en R. Egypte : mensen, goden, farao’s, Taschen 1999

 

Harris, W.V., G. Ruffini, Ancient Alexandria between Egypt and Greece.

Columbia Studies in the Classical Tradition, vol. XXVI.  Leiden  2004. 

 

Hart, George. Egyptian Myths. Austin, TX: University of Texas Press,

            1990.

 

Hobson, C. World of the Pharaohs, Thames & Hudson 1998

 

Hogervorst, B. en Wolterman, C. Confrontatie met de dood in Oud-Egypte, Ex Oriente Lux1995

 

Hornung, E. Conceptions of God in Ancient Egypt : The One and the Many 1983

 

Hornung, E. Over de oud-Egyptische denkwereld, Davidsfonds 1995

 

Ibrahim, F.N. Egypt. An Economic Geography, Londen/New York 2003

 

Ikram, S., Dodson, A. The Mummy in Ancient Egypt: Equipping the Dead for Eternity 1998

 

James, T.G.H. and W.V. Davies. Egyptian Sculpture. London: British

            Museum Publications, 1983.

 

James, T.G.H. Howard Carter : The Path to Tutankhamun, Kegan Paul, 1992

 

Kemp, B. J.   Ancient Egypt : Anatomy of a Civilization, New York 1993

 

Kleiner, D.E.E. Cleopatra and Rome.  Cambridge, MA 2005. 

 

Lacovara, P. The New Kingdom Royal City, Londen 1997

 

Lehner, M. The Complete Pyramids, Londen 1997

 

Lichtheim, M. Ancient Egyptian Literature, A Book of Readings, 3 vols. Berkeley 1980

 

Lunsingh Scheurleer, R.A. Egypte : geschenk van de Nijl, Concept + Design 1992

 

Malam, J. Het oude Egypte, Corona 2000

 

Malek, J. ABC of Egyptian Hieroglyphs 1994

 

Malek, J. Egypt : 4000 Years of Art, Londen 2003

 

Manniche, L. Sexual Life in Ancient Egypt, Londen 1987

 

Manning, J.G. Land and Power in Ptolemaic Egypt. The Structure of Land Tenure, Cambridge 2003  TVG 118, 2, 282

 

Millard, Anne. Pyramids. London: Aladdin Books Ltd., 1989.

 

Moorhouse, G. The Nile, Oddesey 1998

 

Morley, J. First Facts about ancient Egyptians, Peter Bedrick Books 1996

 

Neret, G. [red.] Description de l’ Egypte, Taschen, Köln 1994

 

Parkinson, R. Voices from Ancient Egypt: An Anthology of Middle Kingdom Writings 1991

 

Parkinson, R., Quirke, S. Papyrus 1995

 

Parkinson, R. The Tale of Sinuhe and Other Ancient Egyptian Poems 1940-1640 BC 1997

 

Parkinson, R. Cracking Codes :The Rosetta Stone and Decipherment 1999

 

Quirke, S. Who were the Pharaohs? A History of their Names with a List of Cartouches 1990

 

Quirke, S., Spencer, J. : The British Museum Book of Ancient Egypt, Thames & Hudson 1996

 

Raven, M.J. Schrift en schrijvers in het oude Egypte, De Bataafsche Leeuw 1996

 

Redford, D.B. Egypt, Canaan and Israel in Ancient Times, Princeton 1992

 

Reeves, N. The Complete Tutankhamun. The King – The Tomb – The Royal Treasure, Londen 1990

 

Reeves, N. Wilkinson, R.H. The Complete Valley of the Kings 1996

 

Reeves, N. Ancient Egypt, the great discoveries, Thames & Hudson 2000

 

Robins, G. Women in Ancient Egypt, Londen 1993

 

Romano, James F. Daily Life in Egypt of the Pharaohs. New York: Henry Holt and Co., 1984.

 

Sandison, D. Beeld en schrift in het oude Egypte, Schuyt & Co 1997

 

Seidel, M. , Schulz, R. Egypte, Kunst & Architectuur  Koenemann 2005

 

Shaw, I. Nicholson, P. British Museum  Dictionary of Ancient Egypt 1994

 

Shaw, I. Exploring Ancient Egypt, Oxford University Press, Oxford 2003

 

Siliotti, A. Egypt, Lost and Found : Explorers and Travellers on the Nile, Thames & Hudson, 1999

 

Siliotti, A. A Guide to the Valley of the Kings 1996

 

Siliotti, A. The Pyramids 1997

 

Siliotti, A., Egypt : Splendour of an Ancient Civilization, Thames & Hudson 1998

 

Silverman, D.P. Het geheime Egypte, Anthos 1997

 

Spencer, A.J. Death in Ancient Egypt. Penguin Books, Ltd. 1982.

 

Starkey, P. And J. Travellers in Ancient Egypt, Rubicon Press 1998

 

Steegmuller, F., Flaubert in Egypt ; A Sensibility On Tour, Penguin 1996

 

Strouhal, E. Leven in het oude Egypte, Becht, 1993

 

Strudwick, N. and H.  Thebes in Egypts : A Guide to the Tombs and Temples of Ancient Luxor Londen 1999

 

 

Traunecker, C. De goden van Egypte, Aristos 1998

 

Vercoutter, J. The Search for Ancient Egypt, Harry N. Abrams 1992

 

Weeks, K. The Valley of the Kings. The Tombs and the Funerary Temples of Thebes West, New York 2001

 

White, J., E. Manchip. Ancient Egypt: Its Culture and Its History. New York: Dover Publications, Inc. 1970.

 

Wildung, D. Egypte : van de prehistorie tot de Romeinen, Keulen 1997

 

Wilkinson, R.H. Reading Egyptian Art : A Hieroglyphic Guide to Ancient Egyptian Painting and Sculpture 1992

 

Wilson, H. Understanding Hieroglyphs, A Complete Introductory Guide 1995

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

BIJLAGE II : EGYPTISCHE GODEN

Amon [mythologie], hoofdgod van de Egyptische stad Thebe vanaf het Nieuwe Rijk. Amon komt met zijn gezellin Amaoenet al in de vroegste funeraire literatuur voor in combinatie met de oergod Noen, de oeroceaan. Zijn naam kan worden geïnterpreteerd als ‘Verborgene’ of ‘Schepper’. Oud-Egyptische woordspelingen benadrukken de eerste betekenis. De godheid heeft in de oudste teksten geen duidelijk profiel en egyptologen betwisten zijn afkomst. K. Sethe trachtte aan te tonen dat Amon oorspronkelijk een windgod uit Hermopolis is geweest die deel uitmaakte van een groep van acht oergoden.

1. Middenrijk

In het vroege Middenrijk bestond er een tempel van Amon en Amaunet in Thebe en vanuit deze stad zou de god onder de naam Amon-Re, een verschijningsvorm van de zonnegod, uitgroeien tot staatsgod. Zijn hoofdtempel bevindt zich thans nog te Karnak. Hier vormde Amon een triade met de lokale (gier)godin Moet en de maangod Chons. Te Luxor werd hij vereerd als Amenopet, ‘Amon van de Harem’, en versmolt met de vruchtbaarheidsgod Min van Koptos.

De oudste afbeelding toont de god antropomorf met twee struisveren op het hoofd. Vanaf de 18de dynastie verschijnt hij ook als een ram (de ramsfinxenallee bij de Karnak-tempel), een stier of een nijlgans. De laatste vorm was ook een zelfstandige oergod en schepper.

2. Late periode

In de Late Periode werd Amon ook afgebeeld als een ‘pantheïstische Bes, een meerkoppige dwerg met dierlijke lichaamsdelen en andere goddelijke attributen. In deze gedaante van de Alheer diende hij vooral een magisch, apotropaeïsch (onheilafwerend) doel.

De hogepriester van Amon was een zeer invloedrijk persoon, mede door de rijkdom van de tempel, zodat hij onder de zwakke laatste koningen van de 19de dynastie de werkelijke macht in handen had.

3. Grieken en Romeinen

De Grieken en Romeinen noemden de god Ammon en identificeerden hem wel met Zeus resp. Jupiter. Beroemd was het orakel van Amon in de Siwa-oase dat ook door Alexander de Grote werd bezocht.

Ra [mythologie] (Egypt., = zon of dag) of Re (Koptisch), naam van de Egyptische zonnegod. Men vereerde hem in de zonneschijf aan de hemel, maar hij werd ook wel antropomorf opgevat. Hij werd in geheel Egypte vereerd. Zijn heilige stad bij uitstek was Heliopolis. Ra is reeds vroeg verbonden met een andere zonnegod en heette in combinatie met hem Re-Horachte of Re-Harachti, voorgesteld als een man met een valkekop. Men maakte onderscheid tussen de verschillende fasen van de zon: Chepre (scarabee, kever) in de morgen, Re in de middag en Atoem in de avond. Ra, aan wie men licht, warmte en groei te danken had, werd beschouwd als schepper. Hij was een oergod, die in den beginne ontstond door opgang uit het oerwater, Noen. Hij schiep zichzelf. Naar een andere mythe was hij de zoon van de aardgod Geb en de hemelgodin Noet. Elke avond slikte zij hem in en elke morgen baarde zij hem opnieuw. De dochter van Ra was Ma-a-t, de godin van de kosmische orde en van de gerechtigheid. Met zijn godencollege vormde Ra het hoogste goddelijke gerechtshof. De koningen van de vijfde dynastie noemden zichzelf zonen van Ra en verhieven Ra tot rijksgod. Zij hebben merkwaardige zonnetempels gebouwd, zonder godenbeeld, met een altaar in de openlucht, waarop rechtstreeks aan de zon als hemellichaam werd geofferd en met een grote obelisk als symbool. Bij deze cultus heeft later Achnaton, de zonnevereerder, aangeknoopt.

Geb, Oud-Egyptische god van de aarde en het dodenrijk, wordt voorgesteld op de rug liggend, terwijl zijn echtgenote, de hemelgodin Noet, zich over hem heen buigt. Geb was de vader van Osiris en Isis. Het Egyptisch dodenboek, op mythologische papyri en sarcofagen, toont Geb in de gedaante van een mens (soms met een slangenkop), liggend onder de hemelgodin Noet, die zich over hem heen buigt, terwijl zijn lichaam groen kan zijn of gevuld met tekens voor riet of graan. Gewas groeit ook ‘op de rug van Geb’. Een overledene rustte beschermd in Geb, die voor hem zijn ‘kaken’ of ‘poorten’ opende. De aardgod was een vader der slangen en werd in magische spreuken tegen deze ondieren vaak te hulp geroepen. Sinds de vroege 3de dynastie werd Geb zittend als een vorst voorgesteld en in de kosmogonie van Heliopolis richtte hij in de godenstrijd tussen Horus en Seth. Later wijzigde zich de iconografie: als drager van mannelijke vruchtbaarheid kon hij ook worden vereenzelvigd met o.m. de krokodilgod Sobek, de ramgod Chnoem en de rijksgod Amon. Als ram kon Geb tevens een verschijningsvorm zijn van de zonnegod en in de ptolemaeïsche tijd werd Geb in zijn aspect van koninklijk erfgenaam een jeugdige vorm van de zonnegod te Isna.

Noet, Oud-Egyptische hemelgodin, voorgesteld als vrouw die zich over de aarde (of over haar gemaal, de aardgod Geb) heen buigt, met de voeten en met de vingertoppen de aarde aanrakend. De luchtgod Sjoe heeft haar van de aarde opgetild en blijft haar dragen. Haar gezicht is naar rechts gewend, waar de Egyptenaren zich het westen dachten. Zon en maan bewegen zich langs haar lichaam, waarop zich ook de sterren bevinden. Elke avond slikt zij de zon, haar kind, in, die iedere morgen opnieuw uit haar schoot geboren wordt. Ook de sterren slikt zij in, om deze later herboren te doen worden. Noet wordt geïdentificeerd met de hemelkoe. Zij werd afgebeeld aan de binnenzijde van het deksel van doodkisten. Zij doet de dode, evenals haar kinderen de zonnegod Ra en de god der doden Osiris, uit haar moederlichaam herboren worden.

 

Osiris, een van de belangrijkste Oud-Egyptische goden, was gehuwd met zijn zuster Isis. In het oude Egypte was hij een zeer populaire god, die trekken van allerlei goden in zich verenigde. Reeds vroeg werd hij verbonden met de god Anedjti uit Boesiris in de delta, een god van de geitenherders aldaar. Aan hem ontleende Osiris de attributen van de herdersstaf en het flagellum (gesel). Als ‘goede herder’ was Osiris koningsgod. Hij zou in de voortijd ook werkelijk als koning hebben geheerst, gedood zijn door zijn vijandige broer Seth, die zich van de erfenis wilde meester maken, maar gewroken zijn door zijn zoon Horus. Talrijk waren de mythen rond dit gebeuren. Een samenhangend geheel wordt meegedeeld door Plutarchus en is in brokstukken terug te vinden in de Egyptische bronnen. Volgens dit verhaal organiseerde Seth een feest, waarbij hij een verrassing beloofde aan degene die precies in een doodkist zou passen. De kist was van tevoren voor Osiris op maat gemaakt. Toen Osiris in de kist had plaats genomen, wierp Seth het deksel dicht en dat betekende de dood van Osiris. De kist dreef op de Nijl en over zee af naar Byblos. Daar groeide er een boom omheen, die de koning van die stad in zijn paleis aanbracht als balk. Isis, op zoek naar haar broer en echtgenoot, vond de kist en vloog er als een vogel omheen. Het gelukte haar de kist naar Egypte terug te brengen. Door hun zangen wekten Isis en Nephthys Osiris uit de doden op. Seth doodde Osiris echter opnieuw en sneed zijn lichaam in veertien stukken, die op verschillende plaatsen in Egypte werden begraven; vandaar dat er zoveel Osirisgraven in Egypte zijn. Bij deze Osirisgraven groeide een heilige boom of bevond zich een woud. Dit wijst op Osiris als god van vegetatie. Hij manifesteerde zich in het graan, dat in de aarde begraven wordt, maar door spontane scheppende kracht in de opschietende aar verrijst en vrucht draagt. In de zgn. Osirismysteriën werd bij het lijk van Osiris gewaakt en werd een beeldje van Osiris gemaakt uit aarde en graan. Wanneer het bevochtigd werd, botte het graan uit: een symbool van de stervende en herrijzende vegetatie. Osiris was voorts god van de afnemende en wassende maan en van de overstroming van de Nijl. Volgens een bepaalde mythe verdronk hij in de Nijl door toedoen van Seth, maar, aangespoeld op de oever van Nedit, werd hij door Isis en Nephthys tot nieuw leven gewekt. Daarmee hangt het gebruik samen om uit de wassende Nijl water te scheppen onder de roep: Osiris is gevonden! In Abydos, waar Osiris hoofdgod was, werd een soort ‘passiespelen’ gehouden, waarbij de Nesjemt-boot van Osiris door de deelnemers tegen de bende van Seth werd verdedigd.

In alle verschijnselen (de herlevende koning, het wassende water en de wassende maan, de opgroeiende vegetatie) gaat het om het leven dat zichzelf uit de dood verheft. Osiris werd geïdentificeerd met de god Wenen-nefer, ‘die voortdurend jeugdig is’, hetgeen past bij een stervende en herlevende god. Velen richtten in Abydos bij het graf van Osiris een stèle op of lieten hun mummie erheen transporteren, om aldus in het lot van Osiris te kunnen delen. Iedere dode werd een Osiris, dwz. een uit de dood verrijzende. Er is geen wezenlijke tegenstelling tussen Osiris als koningsgod en als vegetatiegod. Het gaat niet om de koning in het algemeen, maar om de stervende en in zijn zoon (Horus) herlevende koning. Evenals bij de vegetatie betreft het hier de gedachte van het leven uit de dood. Volgens een bepaald onderdeel van de mythe ontving Isis bij de dode Osiris haar kind Horus. Als mummie werd Osiris ithyphallisch afgebeeld, dwz. hij behield in de dood zijn verwekkende kracht: het leven handhaaft zich door de dood heen.

Isis, godin van de oude Egyptenaren, waarschijnlijk het eerst vereerd in de Nijldelta. Haar naam wordt geschreven met het teken voor troon. Zij is een personificatie van de troon als moeder van de koning. Als echtgenote van Osiris ontvangt zij bij hem, nadat hij door zijn vijandige broer Seth gedood is, haar zoon Horus: een mythe over het leven dat uit de dood verrijst. Zij brengt haar kind groot in de moerassen van Chemmis in de delta, waar zij hem verbergt voor Seth. Diens aanvallen worden, met hulp van de goden, door Isis met magische spreuken afgeweerd. Door hem met haar vleugels koelte toe te wuiven, wekt zij Osiris op uit de dood. Zo wordt zij de goddelijke moeder en beschermster van de doden. Zij heette ‘groot in toverkracht’ en kon door haar spreuken bescherming verlenen. In magische teksten helpt zij een patiënt, zoals zij het haar zoon Horus heeft gedaan. Zij liet de zonnegod door een slang bijten en dwong hem aldus haar zijn geheime naam te zeggen, waardoor zij macht over hem kreeg. In de hellenistische wereld was haar verering het meest verbreid. In Egypte handhaafde zich haar eredienst tot 552 n.C., toen haar grote tempel op het eiland Philae op last van keizer Justinianus gesloten werd. De voorstelling van Isis met het kind Horus op schoot kreeg iconografisch een voortzetting in de madonna met het kind Jezus. In Alexandrië was Isis de patrones van de zeelieden, te vergelijken met Maria stella maris (sterre der zee).

 

Horus, Egyptische god (oorspronkelijk hemelgod) in de gedaante van een bontgekleurde valk (Koptisch: hôr; Arab.: hûr = valk), waarvan het linkeroog de maan, het rechteroog de zon symboliseert. Als Re-Horachte werd hij met de zonnegod in Heliopolis gelijkgesteld. Hij heerste als koning over de hemel en de sterren. In het bijzonder in Hiëraconpolis gold de koning als zijn evenbeeld op aarde. Reeds aan het begin van de eerste dynastie was Horus koningsgod en beschermer van de farao, die op aarde zijn zichtbare incarnatie was. Dit wordt uitgedrukt door de naam van de koning te schrijven in een serech, een tekening van het paleis waarop de valk rust.

De Egyptische mythologie kent de strijd tussen de vijandige goden Horus en Seth, waarbij Horus' linkeroog werd verminkt (de maanfasen), waarschijnlijk samenhangend met een oude politieke en godsdienstige tegenstelling. Volgens een bepaalde overlevering kwam het tot een vergelijk en verenigde de koning de macht van de ‘beide heren’ in zijn persoon. Op de zijkant van de troon zijn Horus en Seth afgebeeld, terwijl zij de wapenplanten van Boven- en Beneden-Egypte samensnoeren. In de Osirismythen is Seth de broer van Osiris en Horus de zoon van deze god en van de godin Isis. Zij procederen samen voor de rechtbank van de goden om het vaderlijk erfdeel, dat na allerlei intriges aan Horus wordt toegewezen. Horus wordt de koning van de gehele aarde en het luchtruim komt aan Seth, die als dondergod van de hemel zijn stem doet horen. Door Seth belaagd, verbergt Isis haar zoon Horus in de deltamoerassen bij Chemmis. Zie voor Horus in de gedaante van een kind Harpocrates.

Harpocrates of Harpokratès, vergriekste vorm van het Oud-Egyptische Har-pe-chjrad (= Horus, het kind), ter onderscheiding van de volwassen Horus als klein kind met de vinger in de mond afgebeeld. Sedert het einde van het Nieuwe Rijk werd Harpocrates meer en meer een populaire volksgod. In de Grieks-Romeinse periode werd zijn cultus sterk uitgebreid. Vele beeldjes uit deze tijd zijn gevonden, die Harpocrates voorstellen rijdend op een dier, bijv. de ram en de gans van de god Amon, met wie Harpocrates gelijkgesteld werd. Ook beschouwde men hem als verschijning van andere zonnegoden. Als zoon van Osiris staat hij met de vruchtbaarheid in verband en is hij vegetatiegod; als zodanig wordt hij met een kruik of met een hoorn des overvloeds afgebeeld.

Chnoem, Oud-Egyptische godheid, schenker van water (= vruchtbaarheid) en schepper van de mens, die hij vormde op een pottenbakkersschijf. Hij werd afgebeeld in de gedaante van een ram met horizontaal gewonden hoorns; later ook afgebeeld als antropomorfe god met ramskop of als een vierkoppige ram. De vierkoppigheid duidt op de vereniging van de vier verschijningsvormen van Chnoem in zijn belangrijkste cultusplaatsen Elefantine, Isna, Hypselis en Hûr.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

BIJLAGE III : HET EGYPTISCHE DODENBOEK

Egyptisch dodenboek, geschrift op papyrus in verkorte hiërogliefen, dat een verzameling spreuken, verdeeld in een aantal hoofdstukken, bevat en sinds de 18de dynastie (1580 v.C.) aan de dode bij de mummie werd meegegeven. De spreuken moesten de dode het voortbestaan in het hiernamaals mogelijk maken; ze dragen een titel in rood en bevatten aan het eind soms aanwijzingen voor magisch gebruik. Niet elk exemplaar omvat alle hoofdstukken. Vele handschriften zijn versierd met gekleurde vignetten. De Egyptische titel was Spreuken van het uitgaan overdag. Men geloofde namelijk dat de dode bij zonsopgang de tombe kon verlaten om de zon te aanbidden en de offers in ontvangst te nemen. De tekst is op vele plaatsen corrupt en daardoor onbegrijpelijk geworden. De nummering van de hoofdstukken is modern en gaat terug op Lepsius’ uitgave uit 1842. Hoofdstuk 15 bevat zonnehymnen, 17 gaat over de zonnegod, diens verschijnen uit het oerwater en de schepping van de wereld, 125 gaat over het dodengericht (waarin de dode zich voor de rechter, de god Osiris, onschuldig verklaart); de hoofdstukken 76–88 behandelen gedaanteverwisselingen (o.a. in verschillende goddelijke wezens). Andere onderwerpen zijn: bezwering van slangen; het verblijf op de Rietvelden, waar overvloed is; een spreuk om de dode lichaamsdelen weer te laten bewegen, om poortwachters in het hiernamaals te passeren, om over een veerboot te beschikken, om in de zonneboot plaats te nemen, om met zijn familie verenigd te worden, om geen zwaar werk te hoeven verrichten, enz. In het dodenboek zijn ook oudere teksten uit de piramiden en van de houten sarcofagen van ca. 2000 v.C. verwerkt. De boeken werden in massaproductie vervaardigd; op de open plaatsen kon de naam van de koper worden ingevuld.

UITG: Het Egyptisch dodenboek, d. M.A. Geru (1975); Le livre des morts des anciens Égyptiens, d. G. Kolpaktchy (1979); selectie van teksten in Textes égyptiens, d. J.C. Mardrus (1979).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

BIJLAGE IV : HET DAGELIJKS LEVEN IN DE EGYPTISCHE LITERATUUR

 

In de Egyptische wijsheidsliteratuur worden gedetailleerde  aanwijzingen gegeven hoe men zich, als schrijver, dient te gedragen, met name in aanwezigheid van een superieur:

 

Buig uw rug voor uw superieur, uw chef in staatsdienst. Dan zal uw huis voortdurend in welstand zijn en uw loon op zijn rechte plaats. Wie als superieur weerstaan wordt, is lastig. Men leeft, zoals hij mild is gestemd. Als gij de gast zijt aan de tafel van iemand die voornamer is dan gijzelf, neem dan wat hij u zal geven, wanneer het voor uw neus is gezet. Kijk niet naar wat voor hem is. Kijk naar wat voor u is. Doorboor hem niet met uw blikken. Spreek niet tot hem voordat hij u uitgenodigd heeft. Men weet niet wat kwaad is in de opinie van een ander. Richt uw gezicht naar beneden, totdat hij u aanspreekt. Spreek, wanneer hij het woord tot u richt! Dan zal wat gij zult zeggen goed zijn in zijn hart. Lach nadat hij heeft gelachen.

 

Een levendig genre van teksten zijn die welke speciaal voor de leerling-schrijvers zijn opgesteld. Deze worden gemaand tot hard studeren onder vooruitzicht van het toekomstige heerlijke leven als schrijver, dat scherp gecontrasteerd wordt met dat van andere beroepen.

 

Deze brief wordt je gebracht wegens het volgende : men hEeft mij verteld, dat je de schrijfoefeningen verwaarloost, dat je maar raak leeft en dat je je hebt toegelegd op het werk op de akkers.  Herinner jij je niet de toestand van de landarbeider, die oogstbelasting moet betalen, nadat de slang de helft van het graan heeft weggenomen en het nijlpaard de andere helft heeft opgegeten? Muizen zijn talrijk in het veld, de sprinkhaan komt, het vee vreet het koren. De mussen veroorzaken hongersnood. Nu is de belastinginspecteur geland en hij registreert de belasting over de oogst. Zijn helpers hebben roeden en palmtwijgen. Zij zeggen : Geef koren! Er is geen koren. Zij slaan hem heftig. Hij wordt  gebonden en languit in de sloot geworpen. Zo wordt het koren ingezameld. Maar een schrijver leidt een ieders arbeid. Hij hoeft geen belasting te betalen. Bedenk dit alles wel.

 

Een voorbeeld van een particuliere brief met kenmerkende beleefdheidsuitingen is de volgende :

 

De schrijver Mehi groet de schrijver Eje, de jongere, met leven, geluk en gezondheid, geloofd zij Amon-Re, de koning der goden!

Verder : hoe is uw toestand? Hoe maakt u het? Hoe voelt gij u? Zijt gij in orde? Ik ben namelijk in orde. Ik zeg tot Amon, Ptah, Re-Harachte en tot alle goden van het huis van Thot : moge u gezondheid beschoren zijn! Moge u leven geschonken worden! Moge Ptah, uw goede heer, u zijn gunst schenken! Moge u werk gegeven worden, moge het gelukken, moge u om alles wat gij doet, lof worden geschonken! Iets anders : Wilt gij als het u belieft voor de heer Merimes zorgen? Zie ik heb Merimes naar de vorst gezonden om de beide schepen te zoeken die de farao – hij leve, zij welvarend en gezond! – hem heeft gegeven. Laat hem ze overal zoeken! En zorg voor Merimes, terwijl hij bij u is, zodat hem niet overkomt wat gij mij hebt aangedaan, toen ik in Memphis was en gij de helft van de mondvoorraad hebt weggenomen om te gelde te maken. Iets anders : de zangeres van Amon Iset-Nofret [“schone Isis”] zegt : hoe maakt u het? Hoe verlangend ben ik u te zien. Mijn ogen zijn zo groot als Memphis, omdat ik er naar verlang u te zien! En ik zeg hier tot Thot en tot alle goden van het huis van Thot : Moge u gezondheid beschoren zijn! Moge u leven geschonken worden! Moge u om wat ge doet, lof worden geschonken! Iets anders : Zorg alstublieft voor Merimes. U heeft de opdracht gehoord, waarover de chef [de afzender] u heeft geschreven. Schrijf hem over uzelf en schrijf mij alles over uw gezondheid. Blijf goed gezond! Nog iets van schrijver Mehi : laat Merimes een papyrusrol en wat zeer goede inkt voor mij meebrengen. Laat hem geen slechte meebrengen. En schrijf mij alles over uw gezondheid. Blijf goed gezond!.

 

Een vrouw verklaart in een opschrift op het beeld van een Amon-priester uit Karnak haar echtgenoot haar onwankelbare liefde :

 

Wij zullen samen wonen,

God kan ons niet scheiden.

Zo waar als jij voor mij leeft,

Ga ik niet van jou weg,

Of je moet genoeg van mij hebben.

 

 

 

Niets doen, elke dag,

En geen enkel kwaad ondervinden.

Wij zijn naar het land van de eeuwigheid gegaan

Opdat onze namen niet worden vergeten.

 

 

 

Schoon is de tijd

Als men het licht der zon

In alle eeuwigheid ziet

Als heer der begraafplaats.

 

Een stukje liefdeslyriek uit de 19e dynastie

 

De van deugd glanzende, met stralende huid,

Met ogen die helder staan

Met lippen die het zoete zeggen

Zij heeft geen woord te veel…

 

 

 

Met lange hals en stralende borst

Heeft zij haar van echt lapis lazuli

Haar armen overtreffen die

Van de godin der liefde

Haar vingers zijn als de bloembladeren der lotus

 

 

 

Met zware lendenen en smalle heupen

Zij wier dijen om haar schoonheid strijden

Van edele gang als ze op aarde schrijdt

Steelt mijn hart met haar groet

Ze maakt, dat alle mannen het hoofd omdraaien

Om naar haar te kijken

 

Een Ethiopisch koningsdochter wordt door haar vader op een aan de godin Moet van Karnak gewijde gedenksteen als volgt geprezen :

 

De lieve, lieftallige, de priesteres van Hathor Moer-er-das,

De lieve,  lieftallige, zegt koning Mencheperre,