***











 

www.resantiquae.nl

cursus Latijn

HIERONDER STAAT HET BEGIN VAN EEN CURSUS DIE IK OP DE HOGESCHOOL ROTTERDAM HEB GEGEVEN. HET VOLLEDIGE BESTAND KUNT U KOSTELOOS VIA DE E-MAIL TOEGESTUURD KRIJGEN. MAIL NAAR J.BAAN6@UPCMAIL.NL 

BASISCURSUS LATIJN
INHOUD

 

-       cursus                                      

p. 4-96

-       bijlage I :werkvertalingen    

p. 97-104

-       bijlage II : Carmina Burana, hymnen, tekst van de mis en het requiem         

p. 105-125

-       bijlage III : alfabetische lijst van extra uitdrukkingen voor zelfstudie 

p. 126-135

-       bijlage IV : teksten op openbare gebouwen

p. 136-221

-       bijlage V : emblemata van Alciatus

p. 221-292

-       bijlage VI L emblemata-motto’s

p. 292-329

-       bijlage VII : chronogrammen door de eeuwen heen

p. 329-340

-       bijlage VIII : grafschriften uit de Oudheid

p. 341-351

-       bijlage IX : opschriften in Pompeii

p. 351-363

-       bijlage X : een oud kerstlied

p. 363-364


TER   INLEIDING

 

Geervliet, Januari 2001 

 

Beste Studenten,

 

Als aanvulling op de beknopte reader hebben jullie hier een diskette in handen waarmee verder studeren mogelijk is.

 

Allereerst kun je oefenen met het programma Start Latijn.

 

Verder vind je een bestand waarin 200 internet-adressen zijn vermeld die info geven over de klassieke oudheid.

 

Tenslotte  vind je in de uitgebreidere versie van de reader allerlei aanvullend materiaal waaronder tekstjes uit de klassieke oudheid, neo-latijnse teksten uit kerken en overheidsgebouwen,  emblemata [teksten die in combinatie met een afbeelding een diepzinnige boodschap bevatten], chronogrammen [teksten waarin bepaalde letters ook als cijfers kunnen worden gelezen en gecombineerd een jaartal opleveren] en inscripties, met name uit Pompeii.

 

Met “zoeken”  kun je gemakkelijk woorden en grammaticale begrippen vinden. Soms verdient het de voorkeur een gedeelte van deze reader gewoon even uit te printen.

 

 

 

 

Veel leerplezier!

 

 

J.P. Baan

 

 

Doel van de cursus

 

            de student maakt kennis met de eigenaardigheden van de morfologie - de vormleer - en de syntaxis - de zinsleer - van de Latijnse taal en zal zich aan de hand van korte niet-authentieke tekstjes enige vertaalvaardigheid eigen maken. Daarnaast zullen enige relevante capita selecta worden behandeld uit de Latijnse literatuurgeschiedenis. Tenslotte  gaan we met elkaar na welke rol het Latijn  in West-Europa heeft gespeeld, met name op het kleinschalige vlak van teksten op openbare gebouwen, schilderijen en grafstenen.

 

      Tevens zullen in deze cursus de uitgangspunten van de Basisvorming expliciet aan de orde komen : gezien de bescheiden opzet van deze cursus

zullen we veel moeten afleiden uit onze voorkennis; we zullen in een zeer vroeg stadium onze kennis moeten gaan toepassen om enige vaardigheid te ontwikkelen in het  vertalen van eenvoudige teksten en bovendien zullen we met elkaar moeten nagaan in welke samenhang het Latijn is gebruikt.  Speciale aandacht zal dan ook worden gegeven aan het ontwikkelen van diverse leesstrategieën.

 

Studiebelasting : 

 

            Het totale aantal studiebelastingsuren bedraagt 80, te splitsen in 16 begeleide uren (werkcollege) en 64 niet-begeleide uren.

 

Studiepunten : 

 

            Het aantal te behalen studiepunten bedraagt : 2.

 

Toets :

            De cursus zal worden afgesloten met een schriftelijke toets over tijdens de colleges behandelde Latijnse  teksten.

 

Lesmateriaal :

 

 

     - Harm Pinkster, Caroline Kroon : Latijn, een eerste kennismaking,

                        ISBN 90 6283 706 9,Coutinho, Muiderberg, 1989.

     - grote ringband

     - geperforeerde werkbladen (tijdens de les uit te reiken)

 


Literatuurtentamen Keuzevak Latijn en receptie ['verwerkingsgeschiedenis'] van de Antieke Cultuur

 

       Het is mogelijk na het afsluitende tentamen van de cursus Latijn een literatuurtentamen te doen waarin titels ter sprake worden gebracht die direct of indirect met de Latijnse taal- en letterkunde van de Oudheid en daarna te maken hebben. Ook titels met betrekking tot de talige en niet-talige receptiegeschiedenis van de Oudheid mogen worden gekozen. In het kader van  receptiegeschiedenis  gaat men na op welke manieren en vanuit welke motieven men in later tijd de talen en culturen van de Oudheid heeft hergebruikt. 

 

Leerinhoud : het literatuurtentamen bestaat uit 600 pagina's literatuur naar keuze; suggesties zijn te vinden op onderstaande  lijst

 

Studiebelasting : de voorbereiding vereist 80 uren waarvan 4 begeleid en 76 onbegeleid; het tentamen telt voor 2 studiepunten.

 

Toetsing :  het tentamen zal mondeling worden afgenomen; de duur is een half uur.

 

Suggesties voor de boekenlijst :

 

- L. R. Palmer : The Latin Language, Faber & Faber Limited, London, 1968

 

- A.K. Bowman : Life and Letters on the Roman Frontier : Vindolanda and its people, British Museum Press, 1994

 

- Susini, G. : The Roman stonecutter, Blackwell, Oxford,  1973

 

- A.E. Gordon : Illustrated Introduction to Latin Epigraphy, University of California Press, 1989

 

- A.N. Zadoks-  Josephus Jitta : Muntwijzer voor de Romeinse tijd, Bussum , 1974

 

- P.H. Schrijvers : De mens als toeschouwer, essays over Romeinse literatuur en Westeuropese tradities, Ambo, Baarn -Polak & Van Gennep, Amsterdam, 1986

 

- M. Schipper (red.) : Onsterfelijke roem, het epos in verschillende culturen, Ambo, Baarn, 1989.

 

- Bzzletin 144 : Latijnse Dichters, BZZTôh, Den Haag, maart 1987

 

- G. Williams : Tradition and Originality in Roman Poetry, Oxford 1968

 

- G. Williams : The Nature of Roman Poetry, Oxford University Press, London, New York 1970

 

- G. Luck : The Latin Love Elegy, Methuen, London 1969

 

- W. Beare : The Roman Stage, Methuen, London, 1964

 

- G.E. Duckworth : The Nature of Roman Comedy, a Study in Popular Entertainment, Princeton University Press, Princeton, New Jersey 1971

 

- G. Cerri : History and biography in ancient thought, London 1987

 

- P. Cox, Biography in late Antiquity, a quest for the Holy Man, Berkeley/Los Angeles/London  1983

 

- C.W. Fornara : The nature of history in ancient Greece and Rome, University of California Press, 1988

 

- A. Momigliano : The Classical Foundation of modern History, University of California Press, Berkeley, 1990

 

- A.J. Woodman : Rhetoric in classical History, Routledge, London 1989

 

- P. Plass : Wit and the Writing of History, the Rhetoric of historiography in imperial Rome, Madison, Wisconsin, 1989

 

- B. Walker : The Annales of Tacitus, a study in the writing of history, Arno Press, New York 1981

 

- R. French, F. Greenaway : Science in the early Roman Empire; Pliny the Elder, his sources and his influence. Routledge, London, 1986.

 

- H.F. Jolowicz : Historical Introduction to the study of Roman Law, Cambridge, 1961

 

- G.J.M. Bartelink : De Geboorte van Europa, van laat-romeins imperium naar vroege middeleeuwen, Coutinho, Muiderberg,  1989

 

- G.J.M. Bartelink : Het vroege Christendom en de antieke cultuur, Coutinho, Muiderberg, 1986

 

- L.D. Reynolds, N.G. Wilson : Scribes and Scholars, a Guide to the Transmission of Greek and Latin Literature, Oxford University Press, Oxford, 1974 of latere druk

 

- P. Maas, Textual Criticism, Oxford 1958

 

- H. van Dijk, E.R. Smits (red.) : Dwergen op de schouders van reuzen. Studies over de receptie van de oudheid in de Middeleeuwen, Forsten, Groningen, 1990

 

- E.R. Curtius : Europäische Literatur und lateinisches Mittelalter, Bern 1948 (ook in Engelse vertaling beschikbaar)

 

- E. Auerbach : Mimesis, the Representation of Reality in Western Literature, Princeton University Press, Princeton, New Jersey, 1971 of latere druk

 

- C.H. Haskins : The Renaisssance of the twelfth Century, Harvard University Press, Cambridge, 1971 (5)

 

- G. Highet, The Classical Tradition, Oxford University Press, New York, London 1949 of latere druk

 

- D. Comparetti : Virgil in the Middle Ages, Sonnenschein/Mc Millan, 1908 (vele malen herdrukt)

 

 

- P. Brown, The World of late Antiquity, from Marcus Aurelius to Muhammed, London, 1976 (2)

 

- Th. Haarhof : Schools of Gaul, a study of pagan and Christian Education in the last century of the Western Empire, Oxford 1920

 

- E.K. Rand : Founders of the Middle Ages, Cambridge (Mass.) 1928

 

- G.A. Kennedy : Classical Rhetoric and its Christian and secular Tradition from ancient to modern times, London 1980

 

- J.J. Murphy : Rhetoric in the Middle Ages; a history of rhetorical theory from Saint Augustine to the Renaissance, Berkeley, 1974.

 

- J. Huizinga : Problemen der Renaissance, tien studiën, 1926

 

- E. Wind : Pagan Mysteries in the Renaissance, Penguin Books/ Faber & Faber, Harmondsworth, 1967

 

- J. Seznec : The Survival of the Pagan Gods, Princeton, 1972

 

- W.A.P. Smit : Kalliope : het renaissancistische-klassicistische epos 1550-1850, Van Gorcum, Assen, 1975

 


College-overzicht

 

College I :

 

            De opzet van het handboek van Pinkster/Kroon (voortaan afgekort als PK) : na een gedeelte  beschrijving, waarin de onderdelen morfologie (vormleer) (hoofdstuk  4) en syntaxis (zinsleer) (hoofdstuk 5) de meeste aandacht zullen vergen, volgt een onderdeel analyse met praktijkoefeningen (hoofdstuk 7) . De hoofdstukken 1, 2, 3 en 8 zijn van secundair belang. Heel nuttig zijn de appendices I t/m VI achterin het boek.

 

            Vandaag zijn uit PK aan de orde de hoofdstukken 1, 2 en 3. Deze behandelen de ontwikkeling van het Latijn, de beschikbare bronnen en de uitspraak.

            In 1.1. komt het werk Ab Urbe Condita van Livius ter sprake; omdat Livius abusievelijk niet in het overzicht achterin is opgenomen over hem kort het volgende :

            Titus Livius (59 v.C. - 17 n.C.), geboren in Padua,  wijdde zich na zijn studie filosofie en retorica aan het schrijven van de geschiedenis van het Romeinse volk in 142 boekrollen onder de titel  Ab Urbe Condita, letterlijk : vanaf de gestichte stad, dwz. vanaf de stichting van de Stad (Rome).  Het werk begint met Aeneas' aankomst in Italië en gaat tot de dood van Drusus in 9 v.C. Van het totaal zijn 35 boekrollen bewaard gebleven, o.a. die over de tweede Punische (Carthaagse) oorlog. Een belangrijk thema in het werk is  pietas : vaderlandsliefde, burgerzin en trouw. Het verleden houdt hij zijn tijdgenoten als een spiegel voor. Quintilianus karakteriseert Livius' stijl met de woorden  lactea ubertas : een rijkdom die aan volle melk doet denken.

           

            We lezen gezamenlijk de beroemde Claudia-inscriptie  uit 135 v.C. op PK p. 22 en 23. De opmerkingen iii a en b op PK p. 24  hebben al betrekking op de uitspraak, het onderwerp van hoofdstuk 3. Voordat we dit hoofdstuk systematisch behandelen, oefenen we de uitspraak aan de hand van de teksten op PK p. 34 en 35. We sluiten af met een authentieke tekst, een gedichtje van Catullus op PK p. 117.


 

College II :

 

             1.uitspraakoefening : de Petronius-tekst op PK  p. 121.

 

             2. kennismaking met de volgende termen :

           

             PK 4.1. :  verbuigbaar, niet-verbuigbaar, lexeem, enkelvoud (singularis) en meervoud (pluralis), subject (onderwerp) en object (lijdend voorwerp), nominativus (1e naamval), accusativus (4e naamval), predicatum (predikaat), congruentie, synthetische (flecterende)  en analytische talen, Indo-Europese talen.

           

            PK 4.2.1. :  nominale en verbale lexemen, nomen (naamwoord), verbum (werkwoord), getal (numerus singularis en pluralis), geslacht (genus masculinum, femininum, neutrum), naamval (casus : nominativus (1e nv), genitivus (2e), dativus (3e), accusativus (4e), ablativus (5e), vocativus (6e)), paradigma (rijtje), nomen substantivum( zelfstandig naamwoord), nomen adiectivum (bijvoeglijk naamwoord), declinaties (verbuigingen), stam, pronomen personale (persoonlijk voornaamwoord), pronomen reflexivum (wederkerend voornaamwoord), pronomen demonstrativum (aanwijzend voornaamwoord), pronomen determinativum (bepalend voornaamwoord), pronomen interrogativum (vragend voornaamwoord), pronomen relativum (betrekkelijk voornaamwoord), pronomen indefinitum (onbepaald voornaamwoord), pronomen possessivum (bezittelijk voornaamwoord).

            PK 4.2.2. :  conjugaties (vervoegingen), stam, stamtijden, infectumstam (onvoltooid) en perfectumstam (voltooid), finiete en niet-finiete vormen, participium (deelwoord), tempus praesens (o.t.t.), modus indicativus en coniunctivus (aantonende en aanvoegende wijs), actief en passief (bedrijvend en lijdend) genus, tempus en aspect, tempus praesens, praeteritum en futurum, gerundivum, gerundium, verba deponentia.

            PK 4.3.  :   adverbium (bijwoord), prepositie (voorzetsel), coniunctie (voegwoord), interiectie (tussenwerpsel), vraagpartikel (vraagwoord), negatiepartikel (ontkenning).

            PK 4.4.1. :  prefixen en suffixen (voorvoegsels en achtervoegsels), gradus comparionis (trappen van vergelijking) : positivus, comparativus, superlativus (stellende, vergrotende en overtreffende trap)

.

            3. analyse van de voorbeeldzinnen op PK  p. 34 en 35 en bespreking van het schema onderaan PK p. 35

 

          4. substantiva en adiectiva van de 1e en 2e declinatie, PK  p. 167.


           

 

College III : 

 

            1. uitspraakoefening : Livius-tekst op PK p. 122

            2. kennismaking met de volgende termen :

            PK 5. :  syntaxis (zinsleer), predikaat (gezegde), argument (noodzakelijke constituent), satelliet (niet-noodzakelijke constituent).

            PK 5.1. : predikaatsnomen (naamwoordelijk deel van het gezegde), appositie (bijstelling), agens (de handelende persoon), de patiens (de lijdende persoon).

            PK 5.2. :  tempus imperfectum (o.v.t.), tempus perfectum (v.t.t.), modus indicativus (de aantonende wijs), modus coniunctivus ( de aanvoegende wijs), modus imperativus (de gebiedende wijs).

           

            3. substantiva en adiectiva van de 3e declinatie, PK p. 168.

           

College IV :

 

            1. uitspraakoefening : een stukje neo-latijn op PK p. 123

            2. substantiva van de 4e en 5e declinatie, p. PK 168-9.

            3. verba in het tempus praesens (o.t.t.), p. PK 172 vv.

 

College V :

 

            1. uitspraakoefening

            2. samenvatting substantiva en adiectiva van de 1e t/m 5e  declinatie aan de hand van praktijkoefeningen.

            3. verba in het tempus imperfectum (o.v.t.), PK p. 172 vv.

 

College VI :

 

            1. uitspraakoefening

            2. de gradus comparationis, de trappen van vergelijking,  PK p. 52

            3. verba in het tempus futurum (o.t.t.t.), PK  p. 172 vv.

 

 

College VII:

 

            1. uitspraakoefening

            2. het adverbium (bijwoord), PK  p. 51, 52 en 53.

            3. verba in het tempus perfectum en plusquamperfectum (v.t.t. en v.v.t.), PK p. 174-175.

 

College VIII :

 

            1. uitspraakoefening

            2. de preposities (voorzetsels), PK  p. 51

            3. de verba deponentia, PK  p. 50.

            4. de participia, gerundium en gerundivum, PK p. 45,56,65; 49,50.

 

 

 

College IX :

 

            1. uitspraakoefening

            2. de pronomina demonstrativa, personalia, reflexiva en possessiva, PK p. 40-41; 169-170.

            3. de modus coniunctivus in hoofdzinnen, PK p. 62,  110-111.

 

College X :

 

            1.  uitspraakoefening

            2. de pronomina  relativa, definita en indefinita, PK p. 40-41; 169-170.

            3. de modus coniunctivus in bijzinnen, PK p. 62, 110-111.

 

College XI :

 

            1. uitspraakoefening

            2. het gebruik van het woordenboek, PK hoofdstuk 7.1.

            3. de a.c.i. - constructie, PK p. 66.

 

College XII :

 

            1. uitspraakoefening

            2. grammaticale hulpmiddelen

            3. de ablativus absolutus, PK p. 65.

 

College XIII  :

 

             1. uitspraakoefening

            2. het gebruik van vertalingen, de Loeb-editie.

            3. het verleden binnen de Latijnse letterkunde, de genres van epos en historiografie, receptie  PK p. 131 vv.

 

College XIV :

 

            1. uitspraakoefening

            2. het neo-latijn

            3. de problematiek van de betrekkelijke bijzin

 

College XV :

 

            1. uitspraakoefening

            2. latijnse teksten in de St. Laurenskerk te Rotterdam

            3. de problematiek van de periode-zin

 

College XVI :

 

            1. uitspraakoefening

            2. responsiecollege

 

Afsluitende Toets

 

 


TER INLEIDING

 

 

            Tijdens de oudheid, de middeleeuwen en de Renaissance heeft het Latijn een belangrijke rol gespeeld in West-Europa. In de Oudheid was het de levende taal waar je in het gehele Imperium Romanum mee uit de voeten kon. Tijdens de Middeleeuwen is het de taal geworden van de geleerde clerus, de geestelijkheid. In de Renaissance streefden de humanisten ernaar niet alleen het gedachtengoed van de Oudheid  na te volgen en uit te bouwen, maar ook het - met name Ciceroniaans - Latijn  te hanteren als door alle geleerden begrepen communicatiemiddel.

 

            Deze cursus heeft slechts de pretentie een inleiding te bieden in de eigenaardigheden van de Latijnse taal. We zullen de belangrijkste grammaticale verschijnselen behandelen aan de hand van spreekwoorden, grafschriften, gevelsteenteksten, fragmenten uit emblemata-boeken, teksten op schilderijen en gravures en enkele authentieke teksten uit de Oudheid.

 

            De geboden voorbeelden worden veelal niet door een contekst verduidelijkt. Op basis van onze kennis van vorm- en zinsleer moeten we proberen de uitdrukking vanuit zichzelf te verklaren. Dat kost tijd en energie; vandaar het motto bij deze lessen :   tempore   et   industria.

 

 

            Aan het eind van elk college neem ik een samenhangende Latijnse tekst op die ik - met enige, in enkele gevallen aanzienlijke,  aanpassingen - ontleen aan het oefenboek van de methode FABVLAE van G.L. Muskens en J. Ysebaert, uitgeverij J. Schenk, Maastricht, 12e druk. Telkens volgt op de Latijnse tekst een zo letterlijk mogelijke werkvertaling. Door het vergelijken van tekst en vertaling komen we de eigenaardigheden van de Latijnse zinsbouw op het spoor.  

 

 

COLLEGE I  

 

          Deze les staat in het teken van het gesproken Latijn ; we gaan oefenen in de uitspraak van Latijnse woorden en zinnen. We beginnen met twee inscripties. De eerste is lange tijd voor de oudste authentieke Latijnse tekst gehouden, totdat een scherpzinnige mevrouw de speld waarop hij was gekrast eens wat nader bestudeerde; het bleek een vervalsing te zijn waarmee de filoloog  Helbig in de tweede helft van de 19de eeuw zijn collega's voor de gek wilde houden.......

 

            Manios med fhefaked Numasioi

 

In "normaal'  Latijn zou dit geweest zijn :

 

            Manius me fecit Numerio

            Manius heeft me gemaakt voor Numerius (me : de speld zelf)

 


            De beroemde Claudia-inscriptie is wel echt; hij staat op PK p. 22 en 23; let op een merkwaardig dooreenlopen van traditie en moderniteit.

            Op PK p. 34 en 35 staan losse zinnen en uitdrukkingen aan de hand waarvan we de uitspraak inoefenen. Tenslotte lezen we een gedicht van Catullus, die leefde van 85 tot 55 v.C.

 

COLLEGE II 

 

Oefenstof 1e en 2e declinatie, cf. PK  p. 167 en het overzichtje op PK p. 35

                       

De declinatie van de zelfstandige  naamwoorden; de eerste en de tweede declinatie

 

1.1.1. De theorie

1.1.1.1. De naamvallen

 

            Het Latijn kent vijf naamvallen :

1. de nominativus met de functies onderwerp, naamwoordelijk deel van het gezegde en aanspreekvorm

2. de genitivus met de functie van bijvoeglijke bepaling : vertaling  : van, jegens

3. de dativus met de functie van meewerkend voorwerp : vertaling : aan, voor

4. de accusativus met (o.a. ) de functie van het lijdend voorwerp

5. de ablativus met de functie van bijwoordelijke bepaling : vertaling : met, door

(woorden op -us van de 2e declinatie hebben een aparte aanspreekvorm : amicus heeft  amice)

 

1.1.1.2. De zelfstandige naamwoorden van de eerste en tweede declinatie :

 

vrouwelijk :                         mannelijk :                         onzijdig :

mensa          mensae        hortus                        horti               bellum                      bella

mensae       mensarum   horti               hortorum      belli               bellorum

mensae        mensis                      horto              hortis             bello              bellis

mensam      mensas         hortum          hortos                        bellum                      bella

mensa          mensis                      horto              hortis             bello              bellis

 

1.1.2. De praktijk

 

n.b. bij veel spreuken kan als gezegde 'est' [is] of 'sunt' [zijn] worden aangevuld

 

alea iacta est alea : dobbelsteen  iacere : werpen    iactus : geworpen   est : is

 

amicus certus in re incerta amicus : vriend  certus : zeker  res : zaak, situatie

 

amicus usque ad aras  usque ad : tot aan    ara : altaar [hier gebruikt voor : godsdienstige overtuiging]

 

Amicus Plato sed magis amica veritas    magis : meer    veritas, -atis : waarheid

 

anxia divitiarum cura [est]  anxius : angstig  divitiae : rijkdom  cura : zorg

 

arcana imperii  arcanum : geheim   imperium : rijk, macht

 

CaroLVs DIVVs 666   divus : goddelijk   cf. Openbaring 13 : 18 [over herkomst en aard van het chronogram zie bijlage 4]

 

CLaVDIVs ferVs 666  ferus : woest

 

aVreLIanVs DaCVs 666  Dacus : Daciër, uit de provincie Dacië

 

heroDes LVCIfVgVs 666  lucifugus : voor het licht op de vlucht

 

Davus sum, non Oedipus  Davus : naam van een slaaf    sum : ik ben

 

circulus vitiosus    circulus : cirkel   vitiosus : slecht

 

Deus ex machina   deus : god   ex : uit   machina : hijstoestel

 

fervet olla, vivit amicitia  fervere : koken  olla : pot   vivere : leven   amicitia : vriendschap

 

fortuna vitrea est  fortuna : het lot  vitreus : van glas

 

habent sua fata libelli (Terentianus Maurus, de litteris 1286)  habere : hebben  suus : hun eigen  fatum : lot   libellus : boekje

 

imperium Manlianum   imperium : bevel    Manlianus : van Titus Manlius Torquatus, consul in 340 v.C.

 

liberum arbitrium   liber : vrij   arbitrium : oordeel, wil

 

Magna Charta   magnus : groot  Charta : wet   In deze tekst (Runnymede, 1215) van Jan zonder Land werden de burgerlijke vrijheden vastgelegd

 

magnificat anima mea Dominum  magnificare : groot maken   anima : ziel    meus : mijn   Dominus : Heer   cf. Lucas 1 : 46 vv.

 

mea maxima culpa   meus : mijn    maximus : zeer groot  culpa : schuld

 

periculum in mora   periculum : gevaar     mora : uitstel

 

poeta laureatus   poeta : dichter   laureatus : van lauwerkrans voorzien

 

pudica laboriosa religiosa univira unicuba   pudicus : kuis   laboriosus : vlijtig   religiosus :  vroom   univira : met één man gehuwd   unicuba : bij één man gelegen

 

tabula rasa   tabula : wastafeltje    radere : gladmaken

 

quinta essentia   quintus : vijfde    essentia : wezen

 

sera parsimonia in fundo (Rotterdam, Stadhuis, ter hoogte van monument voor Van Oldenbarnevelt)  serus : laat   parsimonia : spaarzaamheid   fundus : bodem

 

 

advocatus diaboli   diabolus : duivel (le diable)

 

anno domini    annus : jaar   dominus : heer

 

anxia divitiarum cura   anxius : angstig    divitiae, -arum : rijkdom   cura : zorg

 

arcana imperii    arcanum : geheim    imperium : macht

 

beatae memoriae    beatus : gelukzalig

 

gloriosae memoriae   gloriosus : roemrijk

 

calculus Minervae    calculus : stemsteentje

(Orestes was uiteindelijk door het stemsteentje van Minerva = Athena vrijgesproken van schuld; hij had Clytaemnestra en Aegisthus om het leven gebracht om zijn vader Agamemnon te wreken)

 

taedium vitae   taedium : walging   vita : leven

 

Musis sacrum    musa : Muze    sacer : gewijd aan

 

cedant arma togae     cedere : wijken  cedant : laten zij wijken   arma : wapens  

concedat laurea linguae   concedere : wijken   laurea : de lauwerkrans (van de overwinnaar)   lingua : de tong (van de orator)

 

Deo gratias     deus : god  gratia : dank

 

VIr phoebo et MVsIs gratVs VonDeLIVs 1679

(grafschrift van Jan Six voor het graf van  Vondel in de Nieuwe Kerk te Amsterdam)  vir : man   Phoebus (Apollo) : de Stralende   gratus : dierbaar

 

amicus usque ad aras  amicus : vriend   usque ad : tot aan   ara : altaar  [hier voor : godsdienstige overtuiging]

 

ante Christum natum    ante : voor   natus : geboren

 

aquila non captat muscas   aquila : adelaar    captare : vangen   musca : vlieg

 

arma virumque cano  vir, viri : man   canere : bezingen

(Vergilius, Aeneis 1,1)

 

balnea vina Venus  corrumpunt corpora nostra  balneum : bad  vinum : wijn     corrumpere : bederven    corpus, -oris : lichaam   noster : ons

sed vitam faciunt balnea vinum Venus. sed : maar   facere : maken

[graf van Claudius Secundus, gestorven op 52-jarige leeftijd, Palazzo Cafarelli, Rome    CIL 6, 15258 / B 1499]

 

Deo gratias   deus : god   gratia : dank

 

discite iustitiam   discere : leren   iustitia : rechtvaardigheid

 

habent sua fata libelli    habere : hebben    suus : hun eigen  fatum : lot     libellus : boekje

 

o fortunatam natam me consule Romam   fortunatus : gelukzalig   natus : geboren   me consule : tijdens mijn consulaat  [bij 'o' + uitroep volgt vaak een accusativus]

(Cicero, de consulatu suo)

 

paratae lacrimae insidias, non fletum indicant   paratus : klaar, gereed  lacrima : traan    insidiae : hinderlaag   fletus : gehuil, verdriet   indicare : aanwijzen, een teken  zijn van

(Publilius Syrus)

 

vivos voco, mortuos plango  vivus : levend   vocare : roepen  mortuus : dood  plango : beklaag

(opschrift op klok)

 

aequo animo   aequus : gelijkmatig, evenwichtig, gelijk    animus : geest

 

ex aequo [bij sport : gelijkstand] 

 

anno domini   annus : jaar    dominus : heer

 

auspicio tuo  auspicium : bekijken van vogeltekens, verantwoordelijkheid  tuus : van jou

 

ave, Maria, gratia plena, Dominus tecum   ave : gegroet    gratia : genade   plenus [+ ablat] vol van    tecum : met jou

 

epIphanIa DoMInI CaeLo eXaLtata    epiphania : verschijning   caelum : hemel     exaltare : tevoorschijn komen uit

(tekst uit 1714, Platielstraat 10, Maastricht)

 

erit sepulchro domini gloria   erit : futurum van est  sepulchrum : graf   gloria : roem

(tekst uit 1709 boven ingang Bonnefantenklooster Maastricht)

 

ex voto    ex [+ abl.]: overeenkomstig, op grond van   votum : gelofte

 

imperium in imperio    imperium : macht

 

folio recto, verso  folium : blad

 

loco citato, loco laudato  locus : plaats   citare/laudare : aanhalen, citeren

 

sine ira et studio   sine (+abl.) : zonder   ira : woede   studio : partijdigheid

 

sapientia vince, rex, noli vincere ferro     sapientia : wijsheid     vincere : overwinnen     noli : wil niet [wordt gebruikt om een verbod aan te geven]    ferrum : ijzer, zwaard

 

 

Tenslotte een Fabula waarin de substantiva van de eerste en tweede declinatie in ruime mate aan bod komen :

 

IVPPITER SVMMVS DEVS ROMANORVM

 

Saturnus deus et Rhea dea caelum et terram regunt. In caelo et in Olympo habitant. Olympus mons summus Graeciae est. Rhea  Saturno tres filios et tres filias parit. Ceres, Vesta , Iuno filiae sunt, Neptunus, Pluto, Iuppiter filii Saturni et Rheae sunt. Saturnus filios et filias timet; ideo eos devorare  cupit; sed Iuppiter Saturnum Olympo 5   pellit et in Latium fugat. In Latio Saturnus latet apud Latinos. Nunc Iuppiter regnat. Summus deus Romanorum fit. Fulmen (bliksem) telum est, aquila (adelaar)  nuntius, tonitrus (donder) vox dei est. Iuppiter caelum et terram regit. Neptuno dicit : :"Neptune, tibi mare do". Neptunus mare regit. Plutoni dicit : "Pluto, tibi Tartarum do".  Pluto Tartarum accipit. Ceres frumentum curat, Vesta domos protegit, Iuno uxor 10  summi dei et regina deorum fit. Iuno dea duos filios parit : Vulcanus et Mars filii deae sunt. Iuppiter et Iuno saepe litigant. Non semper dei Romanorum bonum exemplum Romanis dant. Tamen Romani eos hostiis et votis colunt.

 

            Werkvertaling :

 

Jupiter, de belangrijkste god van de Romeinen.

 

De god Saturnus en de godin Rhea besturen hemel en aarde. Ze wonen in de hemel en op de Olympus. De Olympus is de hoogste berg van Griekenland. Rhea schenkt Saturnus drie zonen en drie dochters. Ceres, Vesta en Juno zijn de dochters, Neptunus, Pluto en Jupiter de zonen van Saturnus en Rhea. Saturnus is bang voor zijn zonen en dochters; daarom verlangt hij hen te verslinden; maar Jupiter verdrijft Saturnus van de Olympus en verjaagt hem naar Latium. In Latium houdt Saturnus zich schuil bij de Latijnen. Nu is Jupiter koning. Hij wordt de belangrijkste god van de Romeinen. De bliksem is zijn wapen, de adelaar zijn boodschapper en de donder is de stem van de god. Jupiter heerst over hemel en aarde. Hij zegt tegen Pluto :"Pluto, ik geef de Tartarus (de onderwereld) aan jou". Pluto aanvaardt de Tartarus. Ceres zorgt voor het graan, Vesta beschermt de huizen en Juno wordt echtgenote van de belangrijkste god en koningin van de goden. De godin Juno brengt twee zonen ter wereld : Vulcanus en Mars zijn de zonen van de godin. Jupiter en Juno maken vaak ruzie. Niet altijd geven de goden van de Romeinen het goede voorbeeld. Toch vereren de Romeinen hen met offers en geloften.

 

           

 


- het werkwoord (verbum) staat meestal achteraan in de zin.

 

- let op de naamvalsuitgangen :  r.1   Saturnus........   r. 2 Saturno, r. 7 Neptuno......r.8 Neptunus