***











 

www.resantiquae.nl


DE ARME SPEELMAN
Door Franz Grillparzer

Vertelling (1847)

In Wenen is de zondag na de volle maan in de maand juli van ieder jaar met de daaropvolgende dagen een typisch volksfeest, wanneer ooit een feest deze naam verdiend heeft. Het volk bezoekt het en geeft het zelf;  wanneer voornamere mensen daar verschijnen kunnen ze dat eigenlijk alleen maar als onderdeel van het volk.  Er is geen mogelijkheid zich af te zonderen; tenminste enige jaren terug was dat zo.

Op deze dag viert de met de Augarten, Leopoldstadt en Prater in ononderbroken feesttooi samenhangende Brigittenau haar kerkwijdingsfeest. Van Brigittakerkdag tot Brigittakerkdag telt het werkende volk zijn goede dagen. Lang verwacht breekt eindelijk het saturnalische feest aan. In de gemoedelijk rustige stad ontstaat beroering. Een golvende menigte vult de straten. Geluid van voetstappen, zacht praten en hier en daar een luide kreet. Het standsonderscheid is verdwenen; burger en soldaat deinen in de menigte mee.  Bij de stadspoorten is het echt dringen. Ingenomen, verloren en weer ingenomen is eindelijk de uitgang veroverd. Maar de Donau-brug biedt nieuwe moeilijkheden.  Ook hier zegevierend trekken eindelijk twee stromen, de oude Donau en de aanzwellende golf van het volk elkaar kruisend dwars over en onder elkaar, de Donau in haar oude bedding, de stroom van het volk, niet meer ingeklemd op de brug, een breed kolkend water dat zich uitstort en alles bedekt. Wie pas aan zou komen zou de situatie bedenkelijk vinden.  Het inderdaad een oproer, maar dan wel een oproer van vreugde, van ongedwongen plezier.

 

 

Tussen stad en brug staan mandewagens opgesteld voor de eigenlijke hiërofanten van dit inwijdingsfeest: de kinderen van dienstbaarheid en arbeid. Overvol en toch in galop schieten ze door de mensenmassa heen die zich pal voor hen opent en achter hen sluit, zorgeloos en zonder schade. Want er bestaat in Wenen een stilzwijgende band tussen wagens en mensen : niet te overrijden, zelfs in volle draf niet en ook niet overreden te worden, ook zonder ook maar een beetje op te letten. Van seconde tot seconde wordt de afstand tussen wagens en wagens kleiner. Daar mengen zich al afzonderlijke sierkoetsen  van de aanzienlijken in de vaak onderbroken stoet. De wagens vliegen niet meer. Totdat eindelijk vijf tot zes uur voor het invallen van de nacht de afzonderlijk paarden- en koetsatomen zich tot een compacte rij verdichten, die zichzelf afremmend en door toelopers uit alle dwarsstraatjes geremd, het oude spreekwoord “beter slecht gereden dan te voet gegaan” duidelijk belachelijk maakt. Aangestaard, beklaagd en bespot zitten de opgedofte dames in de schijnbaar stilstaande koetsen. Niet gewend aan het voortdurende inhouden, steigert het Holsteiner paard als wilde het zijn door de voor hem rijdende mandewagens geblokkeerde weg overstijgen, wat ook de schreeuwende vrouwen- en kinderbevolking in het plebejervoertuig kennelijk schijnt te vrezen. De snel wegschietende huurkoets, voor het eerst ontrouw aan zijn natuur, berekent nors het verlies drie uren op een weg te moeten talmen die hij anders in vijf minuten doorvliegt. Schelden, schreeuwen, beledigingen van de koetsiers over en weer, zo nu en dan een slag met een zweep.

Zoals in deze wereld iedere nog zo hardnekkige stagnatie neerkomt op een onmerkbaar verder gaan, gloort ook voor deze status quo een straal van hoop. De eerste bomen van de Augarten en de Brigittenau worden zichtbaar. Land! Land! Land! Alle leed is vergeten. Wie met de wagen is gekomen, stapt uit en mengt zich onder de voetgangers. Tonen van dansmuziek klinken uit de verte, beantwoord door de vreugdekreten van wie zojuist aangekomen is. En zo voort en steeds verder tot eindelijk de brede haven van het plezier zich presenteert en woud en weide, muziek en dans, wijn en lekkers, schaduwspel en koorddansers, verlichtingen en vuurwerk zich verenigen tot een pays de cocagne, een eldorado, een typisch Luilekkerland, dat helaas of gelukkig maar, hoe men het ook neemt, slechts één en de daaropvolgende dag duurt en dan weer verdwijnt als de droom van een zomernacht en alleen maar in de herinnering achterblijft en in elk geval in de hoop.

 

 

Ik verzuim niet gauw dit feest bij te wonen. Als een hartstochtelijk liefhebber van mensen, vooral die uit het volk, zodat voor mij zelf als dramatisch dichter het  ongeremde enthousiasme van een overvol theater altijd tienmaal interessanter en bovendien leerzamer is dan het samengeflanste oordeel van een qua lichaam en ziel kreupele en door het bloed van uitgezogen auteurs als een spin opgezwollen literaire matador; als een liefhebber van mensen, zeg ik, vooral wanneer ze en masse voor enige tijd hun afzonderlijke doelen vergeten en zich als deel van het geheel voelen, waarin uiteindelijk toch het goddelijke ligt – als zodanig is mij ieder volksfeest een eigenlijk feest van de ziel,  een pelgrimage, een eredienst. Zoals uit een opgerolde, reusachtige, de grenzen van een boek overschrijdende Plutarchus lees ik uit de vrolijke en heimelijk bekommerde gezichten, de energieke of aarzelende gang, het wederzijdse gedrag van de familieleden, de afzonderlijke half onwillekeurige uitingen de biografieën van de  mensen zonder roem  bijeen en waarachtig! : men kan de beroemde niet begrijpen wanneer men de obscure niet doorvoeld heeft.

Van de woordenwisseling van benevelde karrenschuivers loopt een onzichtbare maar ononderbroken draad naar de twist van de godenzonen en in de jonge maagd die, half tegen haar zin, de opdringerige minnaar terzijde van het gewoel van de dansenden volgt liggen als embryo de Julia’s, de Dido’s en de Medea’s.

Ook twee jaar geleden had ik me tijdens het kerkwijdingsfeest zoals gewoonlijk als voetganger aangesloten bij de enthousiaste gasten. De voornaamste problemen van de tocht erheen waren overwonnen en ik bevond me al aan het einde van de Augarten met de zo verlangde Brigittenau voor me liggend. Hier moet nog één strijd , zij het een laatste, worden gestreden.  Een smalle dam, lopend door ondoordringbare versterkingen, vormt de enige verbinding tussen de beide lustoorden waarvan de gemeenschappelijke grens wordt gevormd door een houten traliepoort in het midden. Op gewone dagen en voor gewone wandelaars biedt deze verbindingsweg overvloedige ruimte; tijdens het kerkwijdingsfeest echter was zijn breedte ook in viervoud nog altijd te smal voor de eindeloze menigte die in een hevig gedrang en in tegengestelde richting doorkruist door wie  al terugkwam,  uiteindelijk met enige moeite toch weer in de goede stemming kwam door de goedmoedigheid van de plezierwandelaars rondom.

Ik had me overgegeven aan de stroom van de menigte en bevond me midden op de dam, reeds op klassieke bodem, alleen helaas nog steeds telkens opnieuw genoopt tot stilstaan, uitwijken en afwachten. Zo had ik tijd te over om te kijken naar wat zich aan de zijkant van de weg afspeelde.  Opdat het de genotzuchtige menigte niet zou ontbreken aan een voorsmaak  van de te verwachten zaligheid,hadden zich links bij de rand van de verhoogde damstraat enkele muzikanten opgesteld, die, waarschijnlijk beducht voor de grote concurrentie, hier bij de propyleeën de eerstelingen van de nog onaangesproken vrijgevigheid wilden oogsten. Een harpiste met griezelig starende ogen. Een oude invalide steltloper  die op een erbarmelijk, kennelijk door hemzelf vervaardigd  instrument, half hakkebord half draaiorgel, de pijn van zijn verwonding op een analoge wijze aan het algemene medelijden kenbaar wilde maken. Een verlamde misvormde knaap, hij en zijn viool  vergroeid tot een onontwarbare knoop,  die eindeloos voortkabbelde walsen wegspeelde met al de hectische heftigheid van zijn misvormde borst. 

Tenslotte – en hij trok al mijn aandacht naar zich toe – een oude man van ongeveer zeventig in een sleetse, maar niet vuile molton overjas met een lachend gezicht waarmee hij zichzelf  bijval gaf. Daar stond hij, zonder  hoed en kaal,  en hij had, zoals deze lui meestal doen,  zijn hoed als geldkistje voor zich op de grond staan. Zo bewerkte hij een oude beschadigde viool waarbij hij de maat niet alleen door het op en neer bewegen van zijn voet aangaf maar tegelijk ook door een overeenstemmende beweging van zijn hele gebukte lichaam.

Maar alle pogingen om eenheid in zijn prestatie te brengen waren vruchteloos, want wat hij speelde scheen een onsamenhangende reeks van tonen te zijn zonder maat en melodie. Daarbij ging hij volkomen in zijn spel op : zijn lippen trokken, zijn ogen waren star op het voor hem liggende muziekpapier gericht. Ja, een echt blad met noten!  Terwijl alle andere muzikanten met veel meer bijval uit hun geheugen speelden, had de oude man midden in het mensengewoel een kleine gemakkelijk draagbare muziekstandaard  voor zich geplaatst met vlekkerige en verbleekte noten die datgene in de mooiste ordening  zouden kunnen bevatten wat hij zo zonder enige samenhang te beluisteren gaf. Juist het ongebruikelijke van deze uitrusting had mijn aandacht getrokken, net zoals de vrolijkheid van de voorbij stromende menigte die hem uitlachte en de voor geldinzameling geplaatste hoed van de oude man leeg liet, terwijl het overige orkest hele kopermijnen binnenhaalde.

 Ik was, om het origineel ongestoord te kunnen bekijken op enige afstand op de helling van de zijkant van de dam gaan staan. Hij speelde nog een poosje verder. Eindelijk hield hij op, keek, als het ware na een lange afwezigheid weer tot zichzelf gekomen, naar het firmament dat al de sporen van de naderende avond begon te tonen, daarna naar beneden in zijn hoed. Hij vond die leeg en zette hem met onverstoorbare vrolijkheid op, stak de strijkstok tussen de snaren en zei : Sunt certi denique fines, greep zijn muziekstandaard en werkte zich moeizaam door de menigte feestgangers in tegengestelde richting, als iemand die thuiskomt.

Het gehele wezen van de oude man was er eigenlijk voor gemaakt om mijn antropologische honger  tot het uiterste te prikkelen. Zijn onaanzienlijke en toch edele gestalte, zijn onoverwinnelijke vrolijkheid, zoveel artistieke ijver bij zoveel onbeholpenheid, dat hij net op dat moment terugging waarop voor anderen van zijn soort van de eigenlijke oogst sprake was; tenslotte de enkele, maar met correct accent en met volkomen beheersing uitgesproken Latijnse woorden. De man had kennelijk een veelzijdige opvoeding genoten, zich kennis eigen gemaakt, en nu - een bedelmuzikant! Ik sidderde van begeerte om de samenhang te weten te komen. Maar reeds vormde  zich een dichte mensengolf tussen mij en hem. Klein als hij was en door de muziekstandaard in zijn hand iedereen tot last, schoof de één hem aan de ander door  en reeds had het uitgangshek hem opgenomen terwijl ik nog midden op de dam met de tegemoet stromende mensenmassa streed. Zo ontsnapte hij me en toen ik eindelijk zelf in rustig vaarwater terecht kwam,  was in geen heinde of verre nog een speelman te bekennen.

Het mislukte avontuur had me de lust aan het volksfeest ontnomen. Ik doorkruiste de Augarten in alle richtingen en besloot uiteindelijk naar huis terug te keren. In de buurt van het kleine deurtje gekomen dat van de Augarten naar de Taborstrasse  leidt, hoorde ik plotseling de bekende toon van de oude viool opnieuw. Ik versnelde mijn pas en zie daar! het voorwerp van mijn nieuwsgierigheid stond te spelen of zijn leven ervan afhing, te midden van een paar jongens die hem ongeduldig om een wals vroegen. "Een wals moet je spelen! "riepen ze, "een wals, hoor je ?"  De grijsaard speelde door,  schijnbaar zonder op hen te letten, tot de kleine schare toehoorders hem scheldend en spottend verliet om rondom een orgeldraaier  te gaan staan die zijn draaiorgel in de nabijheid had neergezet.

 "Ze willen  niet dansen " , zei de oude man quasi beteuterd terwijl hij zijn muziekspullen bij elkaar legde. Ik was vlak bij hem gaan staan. "De kinderen kennen nu eenmaal geen enkele andere dans dan de wals", zei ik. "Ik speelde een wals", antwoordde hij,  terwijl hij met zijn strijkstok de plek van het zo even gespeelde stuk op het muziekpapier aanwees. "Zulke stukken moeten we nu eenmaal  spelen om de massa een plezier te doen. Maar de kinderen hebben geen oor", zei hij, terwijl hij weemoedig zijn hoofd schudde. -   "Laat mij dan tenminste hun ondankbaarheid weer goedmaken", zei ik en ik nam een zilverstuk uit mijn jaszak en reikte hem dat aan. "Alstublieft, alstublieft!", riep de oude man en maakte met beide handen angstig afwerende bewegingen, "in de hoed, in de hoed!" - Ik legde het geldstuk in de voor hem staande hoed waar de oude het onmiddellijk daarop uit haalde  en volmaakt tevreden bij zich stak. "Dat is nog eens met rijke buit naar huis gaan", zei hij voldaan. - "Juist nu", zei ik, doet u me denken aan een omstandigheid die vroeger al mijn nieuwsgierigheid wekte! Uw inkomsten van vandaag schijnen niet bepaald goed geweest te zijn en toch breekt u net op dat ogenblik op waarop de eigenlijke oogst kan worden binnengehaald. Het feest duurt de hele nacht, dat weet u ook wel,  en u zou daar makkelijk meer kunnen verdienen dan op acht gewone dagen. Wat moet ik daarvan denken?".

"Wat u daarvan moet denken", antwoordde de oude, " neem me niet kwalijk, ik weet niet wie u bent, maar u moet wel een mensenvriend èn een muziekvriend zijn". Hij nam het zilverstuk nog eens uit zijn zak en drukte het tussen zijn tegen zijn borst geklemde handen. “Ik wil u daarom best de redenen geven hoewel ik er vaak om ben uitgelachen. Om te beginnen was ik nooit een nachtbraker en ik houd het ook niet voor juist om anderen door spel en gezang tot een dergelijk walgelijk gedrag aan te sporen, en ten tweede moet een mens zich in alle opzichten een bepaalde orde opleggen, anders vervalt hij tot onverbeterlijke wanorde. Ten derde tenslotte : mijnheer, ik speel de hele dag voor de tierende massa en verdien er met moeite  een karige boterham mee, maar de avond behoort mij toe en mijn arme kunst. 's Avonds blijf ik thuis en " - daarbij sprak hij steeds zachter, een blos kwam over zijn gezicht en hij richtte zijn blik naar beneden - "daar speel ik vanuit mijn verbeelding, voor mezelf , zonder bladmuziek. Fantaseren heet dat geloof ik in de muziekboeken".

We waren beide heel stil geworden. Hij uit schaamte over het verraad van zijn  eigen diepste  geheim,  ik, vol verbazing deze man te horen spreken van de hoogste niveaus van kunst , terwijl hij niet eens in staat was de gemakkelijkste wals herkenbaar weer te geven. Hij maakte zich op om weg te gaan. "Waar woont u?", vroeg ik, "ik zou wel eens uw eenzame oefeningen willen bijwonen". "O'", antwoordde hij bijna smekend ,  "u weet wel, het gebed hoort in het kamertje". "Dan wil ik u graag een keer overdag bezoeken"  zei ik. - "Overdag" antwoordde hij, "ga ik voor mijn levensonderhoud bij de mensen langs" - "Goed, 's morgens dan" - "Het lijkt er bijna op" zei de oude lachend, "alsof u, vereerde heer, de begunstigde was en ik, als het me geoorloofd is dat te zeggen, de weldoener, zo vriendelijk bent u en zo onwaardig trek ik me terug. Uw voorname bezoek zal mijn woning altijd tot eer strekken, alleen vraag ik u dat u mij de dag van uw bezoek goedgunstig vooraf bepaalt om te voorkomen dat u door een onregelmatigheid wordt opgehouden en ik genoodzaakt word een net begonnen activiteit op een ongelegen moment te onderbreken. Mijn ochtend namelijk heeft ook zijn bestemming. Ik houd het in ieder geval voor mijn plicht mijn begunstigers en weldoeners voor hun geschenk een niet helemaal onwaardige wedergift aan te bieden. Ik wil, vereerde heer, geen bedelaar zijn. Ik weet heel goed, dat de overige officiële muzikanten er  tevreden mee zijn een uit het hoofd geleerd deuntje, een Duitse wals, ja zelfs melodieën van ordinaire liedjes steeds  weer van begin af aan keer op keer af te draaien. Men geeft hun wat om hen kwijt te raken of omdat hun spel de herinnering wakker maakt aan genoten danspleziertjes of ander ongeregeld vermaak. Daarom spelen ze vaak uit het geheugen en grijpen er vaak naast, ja heel vaak. Het zij verre van mij om te bedriegen. Daarom heb ik,  deels omdat mijn geheugen niet bepaald best is en deels omdat het voor iedereen lastig zou zijn complexe composities van geachte muziekschrijvers noot voor noot vast te houden, dit boek voor mezelf in het net geschreven".

Hij bladerde daarbij zijn muziekboek door om het me te laten zien. Tot mijn ontsteltenis zag ik daarin in een zorgvuldig maar ongelooflijk stijf handschrift moeilijke composities van oude beroemde meesters staan, helemaal zwart van loopjes en dubbelgrepen. Dat soort stukken speelde de oude man met zijn stramme vingers!

 "Doordat ik nu deze stukken speel", ging hij verder, " geef ik van mijn verering blijk voor de naar stand en waarde geachte, allang niet meer levende meesters en componisten, maar geef ook mezelf voldoening en leef in de aangename verwachting dat de mij rijkelijk geschonken giften niet zonder gevolg blijven door veredeling van de smaak en het hart van de toch al in veel opzichten gestoorde en misleide toehoorders. Omdat nu eenmaal dergelijke stukken, om niet af te dwalen" en daarbij kwam er een zelfvoldaan lachje op zijn gezicht, " omdat nu eenmaal dergelijke stukken ingeoefend moeten worden, zijn mijn morgens uitsluitend aan dit exercitium gewijd. De eerste drie uren van de dag voor oefening, het midden voor de inkomsten en de avond voor mezelf en de lieve God, dat is toch niet oneerlijk verdeeld?"

Zo sprak hij en daarbij glansden zijn ogen als van tranen,  maar hij bleef glimlachen. "Goed dan", zei ik, "dan zal ik u een keer op een morgen verrassen. Waar woont U?' Hij noemde me de Gaertnergasse. "Huisnummer?" - "Nummer 34 op de eerste etage"- "Werkelijk?" riep ik uit, " op de etage van de elite? ". "Het huis", zei hij, "heeft eigenlijk alleen  maar een begane grond; maar boven de benedenkamer is er nog een kleine kamer die ik samen met drie ambachtslui bewoon" . “ Eén kamer met zijn drieën?" - "Het is afgeschermd". zei hij, "en ik heb mijn eigen bed". "Het wordt laat", zei ik, "en u wilt naar huis. Tot ziens dan!"en daarbij greep ik in mijn  zak om het eerdere gegeven wel erg kleine geldgeschenk in elk geval te verdubbelen. Maar hij  had met één hand de muziekstandaard en met zijn andere zijn viool gepakt en riep gehaast :" Dat kan ik met alle respect niet toestaan. Het honorarium voor mijn spel is mij al volledig ten deel gevallen en ik ben me nu niet bewust van een andere verdienste" . Daarbij maakte hij met een karikatuur van voorname luchtigheid een tamelijk onhandige buiging en verdween zo snel zijn oude benen hem konden dragen.

Zoals gezegd was me de lust vergaan om voor deze dag het volksfeest nog langer bij te wonen. Daarom ging ik naar huis, sloeg de weg naar Leopoldstadt in en, uitgeput door hitte en stof,  ging ik één van de vele theetuinen  in die , overvol op gewone dagen, nu hun hele klandizie aan de Brigittenau hadden overgedaan De stilte van de plek, ver van de tierende volksmassa, deed me goed. Terwijl ik in uiteenlopende gedachten was verzonken waarin de oude speelman niet de minst belangrijke  rol speelde , was het volkomen nacht geworden,  toen ik er eindelijk aan dacht naar huis te gaan, het bedrag van de rekening op de tafel legde en naar de  stad ging.

In de Gaertnergasse, had de oude man gezegd, woonde hij.  "Is hier in de buurt een Gaertnergasse?', vroeg ik aan een kleine jongen die over de weg liep. "Daar, meneer!" antwoordde hij, terwijl hij een dwarsstraat aanwees die van de huizenmassa van de voorstad doorliep tot aan het vrije veld. Ik liep in die richting. De straat bestond uit verspreide afzonderlijke huizen die tussen grote moestuinen lagen en de activiteiten van de bewoners en de oorsprong van de naam Gaertnergasse overduidelijk lieten blijken. In welk van deze ellendige hutten kon mijn typ nu wonen? Ik was het huisnummer gelukkig vergeten, ook viel in de duisternis aan het herkennen van een of andere aanduiding nauwelijks te denken.

Daar kwam een man met een hele vracht groenten op mij af. " Is die ouwe weer eens aan het krassen", bromde hij "en stoort  fatsoenlijke mensen in hun nachtrust". Tegelijk toen ik verder ging,  trof een zachte lang aangehouden toon van een viool mijn oor, die uit het openstaande dakraam van een armoedig huis vlakbij scheen te komen, dat laag en zonder verdieping zoals de overige zich door dit in de lijst  van het dak rondom  liggende dakraam van de andere onderscheidde. Ik bleef staan. Een zachte maar zeker gegrepen toon zwol sterk aan, werd zachter en verklonk om direct daarop weer schel en  luid  op te stijgen. Het was echter steeds dezelfde toon, herhaald met een soort van weldadige vasthoudendheid. Eindelijk volgde een interval. Het was een kwart. Had de speler zich voordien gewijd aan de klank van een enkele toon, nu was het bijna wellustige proeven van deze harmonische verhouding nog veel voelbaarder. Met sprongen gegrepen, tegelijk gestreken, door de ertussen liggende intervalreeks hoogst onhandig verbonden, de terts gemarkeerd, herhaald. De kwint er aan toegevoegd, eenmaal met sidderende klank als een stil wenen, aangehouden, wegstervend, dan in wervelende vaart steeds maar weer herhaald, steeds dezelfde verhoudingen, dezelfde tonen. En dat noemde de oude man fantaseren! Hoewel het inderdaad in de kern  een fantaseren was, voor de speler namelijk, maar niet voor de toehoorders.

Ik weet niet hoe lang dat geduurd kan hebben  en hoe erg het geworden zou zijn, toen plotseling de deur van het huis openging en een man, slechts gekleed in hemd en losjes vastgeknoopte beenbedekking, van de drempel af midden op straat ging staan en naar het raam boven riep  :" Kan dat nu eens een keer ophouden?". De toon van de stem was geïrriteerd, maar niet hard of beledigend.  De viool verstomde voordat de man was uitgesproken. De man ging terug het huis in, het raam sloot zich en spoedig heerste er een door niets onderbroken doodse stilte om mij heen. Ik ging op huis aan, terwijl ik met moeite mijn weg vond in de mij onbekende steegjes, waarbij ik ook fantaseerde, maar voor mezelf, zonder iemand te storen, in mijn hoofd.

De ochtenduren hebben voor mij altijd een eigen waarde gehad. Het is alsof het voor me een behoefte was om door bezig te zijn met iets verheffends, iets belangrijks, in de eerste uren van de dag de rest ervan in zekere zin te heiligen. Ik kan er daarom maar moeilijk toe komen 's ochtends vroeg mijn kamer te verlaten en wanneer ik zonder echte noodzaak mij eens ertoe zet dan heb ik voor de rest van de dag alleen maar de keuze uit gedachteloos  vermaak of somberheid vol zelfkwelling.

Zo kwam het dat ik het bezoek aan de oude man dat volgens afspraak in de morgenuren zou plaatsvinden, uitstelde. Uiteindelijk won mijn ongeduld het en ik ging. Het was niet moeilijk de Gaertnergasse en het bewuste huis te vinden. De tonen van de viool  lieten zich ook nu horen,  maar waren  door het gesloten venster nauwelijks te onderscheiden. Ik trad het huis in. Een van verbazing half sprakeloze vrouw wees me naar een trap naar boven. Ik stond voor een lage en half gesloten deur, klopte, maar kreeg geen antwoord. Uiteindelijk drukte ik de deurklink naar beneden en ging naar binnen. Ik bevond me in een tamelijk ruime, maar overigens heel armoedige kamer waarvan de muren overal de contouren van het spitstoelopende dak volgden. Pal naast de deur een walgelijk smerig, onopgemaakt bed,  omgeven door een chaotische wirwar van spullen.  Tegenover mij vlak naast het smalle venster een tweede slaapplaats, eenvoudig maar schoon en uiterst zorgvuldig opgemaakt. Bij het raam een klein tafeltje met muziekpapier en schrijfgerei, in het venster een paar bloempotten. Het midden van de kamer was van muur tot muur op de grond met een dikke krijtstreep aangegeven en men kan zich nauwelijks een scherpere afgrenzing  van viezigheid en reinheid voorstellen dan links en rechts van deze getrokken lijn heerste , deze equator van een wereld in het klein.

 

 

Vlak bij deze lijn had de oude man zijn muziekstandaard neergezet en hij stond er zelf voor, zorgvuldig aangekleed, en -  oefende. Er is al tot vervelens  toe zoveel sprake geweest van de wanklanken van mijn, en ik vrees bijna, alleen míjn lieveling sprake geweest, dat ik de lezer de beschrijving van dit concert in de hel wil besparen.  Omdat hij grotendeels alleen maar passages oefende,  viel niet te denken aan het herkennen van de gespeelde stukken,  wat overigens anders ook niet gemakkelijk geweest zou zijn. Na enige tijd luisteren begon ik eindelijk de draad door dit labyrint te ontdekken als een weg in de waanzin.  

De oude genoot terwijl hij speelde. In zijn manier van spelen onderscheidde hij slechts twee zaken, de consonant en de dissonant, waarvan de eerste hem verheugde, ja zelfs ontroerde , terwijl hij de laatste, ook wanneer het harmonisch klopte, voor zover mogelijk uit de weg ging. In plaats van in een muziekstuk betekenis en ritme te onderstrepen, accentueerde en verlengde hij de tonen en intervallen die goed in het gehoor lagen en had er geen probleem mee die willekeurig te herhalen waarbij zijn gezicht vaak bijna de uitdrukking van een extase liet zien. Omdat hij nu tegelijkertijd de dissonanten zo kort als mogelijk hield, en bovendien de voor hem te moeilijke passages, waarvan hij heel gewetensvol geen enkele noot liet schieten, in een,  gezien het geheel,  veel te langzaam tempo voordroeg, kan men zich heel gemakkelijk een beeld vormen van de verwarring die daaruit voortkwam.  Het werd me bijna  te veel. 

Om hem terug te roepen uit zijn afwezigheid liet ik met opzet mijn hoed vallen, nadat ik eerder al verschillende manieren had geprobeerd. De oude man dook ineen, zijn knieën knikten, hij kon nauwelijks de viool die de vloer bijna raakte, vasthouden.

Ik trad nader. “O, U bent het, genadige heer!”, zei hij, terwijl hij een beetje tot zich zelf kwam. “Ik had niet gerekend op de vervulling van uw edele belofte”. Hij nodigde me uit te gaan zitten, ruimde op, legde neer, keek enkele keren verlegen de kamer rond, greep dan plotseling een op een tafel naast de kamerdeur staand bord en ging daarmee naar buiten naar de vrouw toe.  Ik hoorde hem buiten met de vrouw spreken. Kort daarop verscheen hij weer verlegen bij de deur waarbij hij het bord achter zijn rug verborg en heimelijk weer neerzette. Hij had kennelijk om fruit gevraagd om mij iets  te kunnen aanbieden, maar  had het niet kunnen krijgen. “U woont hier heel aardig”, zei ik om een einde te maken aan zijn verlegenheid. “De chaos is verdwenen. Ze neemt haar terugtocht door de deuren, ook al is ze nog niet helemaal over de drempel. – Mijn woning loopt slechts tot die streep”, zei de oude waarbij hij op de krijtlijn in het midden van de kamer wees. “Daar verderop wonen twee handwerkslui”. “En respecteren ze deze aanduiding?” – “Zij niet maar ik wel”, zei hij, “alleen de deur is gemeenschappelijk”- “ En wordt U door uw buren niet gestoord?”. “Nauwelijks”, meende hij, “ ze komen ’s nachts laat naar huis en maken me dan wel in bed een beetje aan het schrikken, maar het plezier van het weer inslapen is dan des te groter. ’s Morgens maak ik hen wakker, wanneer ik mijn  kamer in orde breng. Dan mopperen ze wat en gaan weer”. 

Ondertussen had ik hem geobserveerd. Hij was erg netjes gekleed, zag er voor zijn jaren nog heel goed uit, allen waren zijn benen wat te kort. Zijn handen en voeten waren opvallend slank. “U kijkt naar me”, zei hij. “Heeft U daarbij zo uw gedachten?” – “Dat ik erg benieuwd ben naar uw geschiedenis”, antwoordde ik. – “Geschiedenis?” herhaalde hij, “Ik heb geen geschiedenis. Vandaag is als gisteren en morgen als vandaag. En overmorgen en verder daarna, ja, wie kan dat nu weten? Maar God zal zorgen, die weet het”  - “Uw leven nu zal wel eentonig genoeg zijn”, ging ik verder; “maar uw vroegere lotgevallen. Hoe het zo kwam dat – “”Dat ik onder muzikanten terecht gekomen ben? “ onderbrak hij me toen ik onwillekeurig ophield met spreken. Ik vertelde hem nu, hoe hij me bij de eerste blik al was opgevallen; de indruk die de door hem uitgesproken Latijnse woorden op mij hadden gemaakt. “Latijns” bromde hij me na. “Latijn?  Dat heb ik inderdaad ooit ook geleerd of liever, ik had het moeten en kunnen leren. Loqueris latine?” , zo richtte hij zich tot mij, maar ik kon daar niet op antwoorden.  Het was veel te lang geleden. “Dus dat noemt u mijn geschiedenis? Hoe het kwam? -  Ach ja, er is inderdaad van alles gebeurd, niets bijzonders maar toch van alles. Ik zou het graag mezelf nog eens willen vertellen. Kijken, of ik niet alles vergeten ben. Het is nog vroeg in de morgen”, ging hij verder, terwijl hij in zijn horlogezakje greep waar zich geen horloge bevond. Ik trok het mijne, het was nauwelijks negen uur. – “We hebben tijd genoeg  en mij bekruipt de lust om te gaan kletsen”. Hij was bij die laatste woorden zichtbaar ongedwongener geworden. Zijn gestalte leek te groeien. Zonder al te veel omslag nam hij me mijn hoed uit de hand en legde die op het bed, sloeg zittend een been over het andere en nam een houding aan om alles eens op zijn gemak te gaan vertellen.

“U heeft “ , zo begon hij, “ongetwijfeld gehoord van hofraad …..?” Hier noemde hij de naam van een staatsman die in de (tweede) helft van de vorige eeuw met de bescheiden titel van bureauchef een geweldige invloed had uitgeoefend, bijna als een minister. Ik gaf toe dat ik de man kende. “Hij was mijn vader”, ging hij verder. – Zijn vader? Van die oude speelman? Van die bedelaar? Die invloedrijke en machtige man zijn vader? De oude scheen mijn verbazing niet op te merken,  maar spon zichtbaar vergenoegd de draad van zijn verhaal verder. “Ik was de middelste van drie broers die het ver geschopt hebben in staatsdienst, maar nu alle twee dood zijn; ik alleen leef nog”, zei hij en plukte  daarbij aan zijn dun geworden beenbekleding, terwijl hij er met neergeslagen ogen wat veertjes van verwijderde. “Mijn vader was eerzuchtig en opvliegend. Over mijn broers had hij niets te klagen.  Mij noemde hij een trage geest en ik wàs langzaam. Wanneer ik me goed herinner”, sprak hij verder, en daarbij  liet hij, opzij leunend als kijkend in de verre verte, zijn hoofd rusten op de ondersteunende linkerhand – “wanneer ik me goed herinner was ik best in staat geweest allerlei dingen te leren wanneer men mij maar tijd en rust had gegund. Mijn broers sprongen als gemzen van top naar top in de leerstof, ik kon echter niets achter me laten. Wanneer ik een enkel woord miste, moest ik van voren af aan beginnen. Zo was ik altijd gehaast. Het nieuwe moest op de plaats komen die het oude nog niet had verlaten en ik begon achterop te raken. Zo hadden ze de muziek die nu voor mij tegelijk de vreugde en de steun van mijn leven is, voor mij gewoonweg gehaat gemaakt. Wanneer ik ’s avonds in de schemering mijn viool oppakte om mezelf op mijn manier zonder noten een plezier te doen, namen ze het instrument af en zeiden dat het de vingerzetting bedierf. Ze klaagden over pijn aan hun oren en deden me op les waar de marteling voor mij pas goed begon. Ik heb mijn leven lang niets en niemand zo gehaat als ik destijds mijn viool haatte. Mijn vader, tot diep in zijn hart ontevreden, ging vaak tegen me tekeer en dreigde mij een ambacht te laten leren. Ik waagde het niet te zeggen, hoe gelukkig me dat zou hebben gemaakt. Een houtdraaier of letterzetter was ik maar wat graag geworden.  Hij zou het toch niet toegelaten hebben, uit trots. Eindelijk gaf een openbaar schoolexamen waarvoor men mijn vader, om hem gunstig te stemmen, had uitgenodigd, de doorslag. Een oneerlijke  leraar bepaalde vooraf wat hij mij zou vragen en alles ging voortreffelijk. Aan het einde miste ik – het waren uit het hoofd op te zeggen verzen van Horatius – één woord. Mijn leraar, die mij  instemmend knikkend en mijn vader toelachend had aangehoord, hielp me toen ik  stokte en fluisterde het me toe. Ik echter die het woord  bij mezelf en in samenhang met de overige zocht, hoorde hem niet. Hij herhaalde het verschillende keren, tevergeefs. Eindelijk verloor mijn vader zijn geduld. Cachinnum!  (dat was het woord) schreeuwde hij mij als een donderslag toe. Nu was het gebeurd. Wist ik het ene dan had ik daarbij het overige vergeten. Alle moeite mij op het rechte pad te brengen, was verloren. Ik moest met schande opstaan en toen ik zoals gewoonlijk op mijn vader toeliep om hem de hand te kussen, stootte hij mij van zich af, verhief zich, maakte voor het gezelschap een korte buiging en ging. Ce gueux ! Zo schold hij me uit, wat ik toen nog niet was, maar nu wel. Ouders profeteren, wanneer ze praten!  Overigens was mijn vader een goede man. Alleen opvliegend en eerzuchtig.

Vanaf die dag sprak hij geen woord meer met mij. Zijn bevelen ontving ik via mijn huisgenoten. Zo kondigde men mij direct de volgende dag aan, dat het met mijn studie afgelopen was. Ik schrok geweldig, omdat ik wist hoe diep dit mijn vader moest krenken. Ik deed de hele dag niets dan huilen en tussendoor die Latijnse verzen opzeggen die ik nu wel kende met de voorafgaande en volgende erbij. Ik beloofde, door vlijt mijn gebrek aan talent te compenseren, wanneer men mij de school nog verder liet bezoeken. Mijn vader kwam echternooit op een besluit terug.

Enige tijd verbleef ik doelloos in mijn vaderlijk huis. Uiteindelijk deed men mij op proef bij een rekenkamer. Maar rekenen was nooit mij sterkste kant geweest. Het voorstel in militaire dienst te gaan, wees ik met afschuw af. Ook nu nog kan ik geen uniform zien zonder inwendig te huiveren. Dat men lieve verwanten in alle gevallen zelfs met levensgevaar beschermt, is goed en begrijpelijk; maar bloedvergieten en verminken als stand, als beroep, nee, nee, nee!”

En daarbij wreef hij met beide handen over zijn armen als voelde hij eigen en vreemde wonden steken. “Ik kwam nu in het kantoor te midden van de afschrijvers. Daar was ik goed op mijn plek. Schrijven had ik altijd graag gedaan en ook nu ken ik geen plezieriger bezigheid dan met goede inkt op goed papier op- en neerhalen aaneen te voegen tot woorden of ook alleen maar letters. Muzieknoten zijn helemaal mooi. Toen dacht ik echter nog aan geen muziek. Ik was vlijtig, maar ook veel te angstig. Een onjuist onderscheidingsteken, een weggelaten woord in een concept bezorgde me bittere uren, ook wanneer het uit de context kon worden aangevuld. In twijfel of ik me precies aan het origineel moest houden of van uit mezelf mocht toevoegen, bracht ik een bange tijd door en ik kreeg de reputatie nalatig te zijn terwijl ik in werkelijkheid mij bij mijn werk afbeulde als  geen ander. Zo bracht ik een paar jaar door en dat nog wel zonder salaris omdat mijn vader, toen ik aan de beurt was voor bevordering, in de raad een ander zijn stem gaf waarbij de anderen hem uit respect bijvielen.

Rond deze tijd – Kijk!”, onderbrak hij zich zelf, “er is toch een soort geschiedenis. Laten we die geschiedenis vertellen! Rond deze tijd deden zich twee gebeurtenissen voor : de verdrietigste en de fijnste van mijn leven. Namelijk mijn afscheid van het vaderlijk huis en de terugkeer naar de edele toonkunst, naar mijn viool die me tot op deze dag trouw is gebleven.  Ik leefde in het huis van mijn vader zonder door mijn huisgenoten te worden opgemerkt, in een achterkamertje dat uitliep op de hof van de buren. In het begin at ik aan de familietafel waar niemand een woord tot mij richtte. Toen echter mijn broer promotie had gemaakt en mijn vader bijna dagelijks als gast werd uitgenodigd – mijn moeder leefde al lang niet meer – vond men het onhandig er alleen voor mij nog een eigen keuken op na te houden. De bedienden kregen kostgeld; ik ook, maar men gaf het me niet in de hand maar men betaalde per maand in het eethuis. Daarom was ik maar weinig op mijn kamer, uitgezonderd in de avonduren. Mijn vader verlangde namelijk, dat ik op zijn laatst een half uur na de sluiting van het kantoor thuis zou zijn. 

Daar zat ik dan en wel in de schemering zonder licht vanwege mijn toen al aangetaste ogen. Ik dacht aan dit en dat, was niet verdrietig en niet vrolijk. Toen ik nu zo zat , hoorde ik in de hof van de buren een lied zingen, meerdere liederen eigenlijk, waaronder er één me bijzonder beviel. Het was zo eenvoudig, zo ontroerend en had de klemtoon zo op de juiste plaats, dat men de woorden helemaal niet hoefde te horen.  Overigens geloof ik dat woorden de muziek bederven”. Nu opende hij zijn mond en liet enkele hese, rauwe klanken horen. “Ik heb van nature geen stem”, zei hij en greep naar zijn viool. Hij speelde  inderdaad nu met de juiste uitdrukking, de melodie van een gemoedelijk en verder helemaal niet bijzonder lied waarbij zijn vingers op de snaren trilden en tenslotte enkele tranen over zijn wangen liepen. “Dat was het lied”, zei hij en legde zijn viool neer. “Ik hoorde het steeds maar met nieuw plezier. Ook al was het in mijn geheugen gegrift, toch lukte het me nooit met mijn stem ook maar twee tonen daarvan goed te treffen. Hoe meer ik luisterde, des te ongeduldiger ik werd. Toe viel mijn blik op de viool die  sinds mijn jeugd als een oud stuk gereedschap ongebruikt aan de muur hing. Ik pakte hem en  - misschien had de bediende hem in mijn afwezigheid gebruikt -  merkte, dat hij goed gestemd was. Toen ik met de strijkstok over de snaren ging, o mijnheer, toen was het  alsof de vinger Gods mij had aangeraakt. De toon drong diep in mijn binnenste en uit dat binnenste weer naar buiten. De lucht om mij heen was zwanger van dronkenschap.  Het lied beneden in de hof en de tonen van mijn vingers bij mijn oor, medebewoners van mijn eenzaamheid. Ik viel op mijn knieën en bad luid en kon maar niet begrijpen dat ik het goddelijke instrument ooit geminacht had, in mijn jeugd zelfs gehaat, en ik kuste de viool en drukte haar aan mijn hart en speelde steeds maar door.

Het lied in de hof, het was een vrouw die zong, klonk toen onophoudelijk. Met het naspelen ervan ging het echter niet zo gemakkelijk. Ik had het lied namelijk niet in notenschrift. Ook merkte ik wel, dat ik het kleine beetje vioolspelen dat ik ooit had geleerd , behoorlijk vergeten was.  Ik kon daarom niet iets bepaalds, maar alleen maar voor de vuist weg spelen. Trouwens mij is iedere keer de betekenis van de muziek, dat lied dan uitgezonderd, altijd tamelijk onverschillig gebleven tot op de dag van vandaag. Ze spelen Wolfgang Amadeus Mozart en Sebastian Bach, maar niemand speelt de lieve God. De eeuwige weldaad en genade van toon en klank, zijn wonderlijke overeenstemming met het dorstige, hunkerende oor, dat “ – fluisterde hij beschaamd – “de derde toon samen hoort bij de eerste en de vijfde evenzo en de nota sensibilis opstijgt als een vervulde hoop, terwijl de dissonant wordt omgebogen als opzettelijk kwaad of vermetele trots en het wonder van binding en omkering waardoor ook de secunde genadig wordt opgenomen in de schoot van de harmonie. – Mij heeft dat alles, hoewel veel later, een musicus uitgelegd. En ook zaken waar ik niets van begrijp, de fuga en het punctum contra punctum en de canon a due, a tre en zo voort, een volledig hemelpaleis, het één in het ander grijpend, zonder mortel verbonden en vastgehouden door Gods hand. Daarvan wil niemand,  op een enkeling na, weten.  Ze verstoren eerder dit in- en uitademen van de zielen door toevoeging van te sprekende woorden  zoals de kinderen Gods zich verbonden met de dochters van de aarde. Zo kan het aardig ingrijpen in een vereelt gemoed, mijnheer”, besloot hij tenslotte half uitgeput, “de taal is voor de mensen noodzakelijk als voedsel, men moet echter ook de drank zuiver houden die immers van God afkomstig is”.

 Ik kende mijn man bijna niet meer, zo levendig was hij geworden. Hij hield een beetje in.  “Waar was ik in mijn geschiedenis gebleven?, zei hij tenslotte. “Ach ja, bij het lied en mijn pogingen het na te spelen. Het ging gewoon niet. Ik ging naar het venster om beter te kunnen horen. Daar ging juist de zangeres over de hof. Ik zag haar op haar rug en toch kwam ze me bekend voor. Ze droeg een mand met, naar het scheen, nog ongebakken stukken koek. In de hoek van de hof ging ze een poortje door waar vermoedelijk een oven was, want ik hoorde haar, terwijl ze altijd maar doorzong, met houten gereedschap aan de gang, waarbij de stem nu eens donkerder, dan weer lichter klonk als van iemand die zich bukt en in een put zingt, zich dan weer verheft en rechtop staat.

Na een poosje kwam ze terug en nu merkte ik pas waarom ze me al eerder bekend voorkwam. Ik kende haar namelijk inderdaad al langere tijd en wel van kantoor.

 Dat kwam zo. De werkuren begonnen vroeg en duurden tot na de middag. Verschillende van de jongere beambten die ofwel werkelijk honger hadden of een half uur voor zich zelf wilden hebben, plachten tegen elf uur een kleinigheid tot zich te nemen. De ambachtslui die uit alles voordeel weten te trekken maakten het voor de smulpapen mogelijk er niet op uit te hoeven gaan en brachten hun koopwaar  in het kantoor waar ze zich bij de trap en op de gang opstelden. Een bakker verkocht kleine witte broodjes, de groentevrouw kersen. Vooral waren bepaalde koeken in trek die de dochter van een kruidenier in de buurt zelf bakte en ze nog warm naar de markt bracht. Haar klanten gingen op de gang naar haar toe en zelden kwam ze op afroep in de werkkamer waar de wat korzelige bureaujchef wanneer hij haar gewaar werd, haar in de meeste gevallen de deur wees, een gebod waar ze zich mokkend en boos aan hield.

Het meisje ging bij mijn vrienden niet voor mooi door.  Ze vonden haar te klein en konden de kleur van haar haren niet thuisbrengen. Dat ze kattenogen zou hebben, ontkenden sommigen, maar dat ze pokkenlittekens had gaven allen toe. Alleen over haar rijzige gestalte spraken allen met waardering, maakten haar echter uit voor grof en één van hen wist veel van een oorvijg te vertellen waarvan hij de sporen nog acht dagen later zou hebben gevoeld. Ik zelf hoorde niet bij haar klanten. Deels ontbrak het me aan geld, deels heb ik eten en drinken altijd – vaak maar al te zeer – als een  behoefte leren kennen. Om daar plezier en genoegen in te zoeken is nooit bij me opgekomen.  Daarom namen we geen notitie van elkaar.

Eenmaal speldden mijn kameraden, om mij voor de gek te houden, haar op de mouw dat ik om eetwaren van haar gevraagd  zou hebben. Ze kwam bij mijn werktafel staan en stak mij haar mand toe. Ik koop niets, lieve juffrouw, zei ik. Wat? Waarom roepen de mensen me dan bij u?, riep ze boos. Ik verontschuldigde me en zodra ik de streek door had, legde ik het haar zo goed mogelijk uit. Goed, geeft U me dan tenminste een stuk papier om mijn koeken daarop te leggen, zei ze.  Ik maakte haar duidelijk, dat het kantoorpapier was en  dus niet van mij , maar thuis had ik nog wat dat wel van mij was en daarvan zou ik naar haar toe brengen. Thuis heb ik zelf genoeg, zei ze spottend en lachte zachtjes voor zich heen terwijl ze wegging.

Dat was maar een paar dagen geleden gebeurd en ik meende uit dit contact tegelijk profijt te kunnen trekken voor mijn wens. Ik verstopte daarom de volgende morgen een hele bundel papier waaraan het bij ons thuis niet ontbrak, onder mijn jas en ging naar het kantoor  waar ik om mezelf niet te verraden mijn harnas met groot ongemak op mijn lijf liet zitten totdat ik tegen de middag uit het in- en uitgaan van mijn kameraden en het geluid van hun kauwende kaken merkte, dat de koekenverkoopster gekomen was en kon aannemen, dat de grootste drukte van klanten voorbij was. Toen ging ik naar buiten, trok mijn papieren tevoorschijn, vatte moed en liep op het meisje toe dat daar stond, de mand voor zich op de grond geplaatst en haar rechter voet op een bankje, waarop ze meestal zat. Ze neuriede zachtjes en sloeg er met haar op het bankje steunende voet de maat bij.  Ze nam me van top tot teen op toen ik haar naderde, wat mijn verlegenheid alleen maar groter maakte. Lieve juffrouw, begon ik uiteindelijk, u heeft me onlangs om papier gevraagd, toen er geen papier aanwezig was dat mij toebehoorde. Nu heb ik wat van huis meegebracht en – daarmee reikte ik haar het papier aan.  Ik heb u pas nog gezegd, antwoordde ze, dat ik thuis zelf papier heb. Maar goed, men kan alles gebruiken. Tegelijk nam ze met een kleine hoofdknik mijn geschenk en legde dat in haar mand. U wilt niet van de koeken?, zei ze, terwijl ze in haar waren rondzocht, trouwens, het beste is  al weg. Ik bedankte haar, maar zei dat ik een ander verzoek had. Goed, zeg het maar, zei ze, terwijl ze haar arm in het hengsel stak en rechtop was gaan staan, waarbij ze me met felle ogen aankeek.  Ik reageerde snel, dat ik een liefhebber van de toonkunst was, hoewel pas sinds kort en dat ik haar zulke mooie liederen had horen zingen, vooral één. U? Mij? Liederen?, barstte ze los. Waar dan? Ik vertelde haar verder, dat ik vlak bij haar woonde en dat ik haar in de hof bij het werk had beluisterd. Dat één van haar liederen mij speciaal beviel, zodat ik het al geprobeerd had het op de viool na te spelen. Bent u dan misschien dezelfde, riep ze uit, die zo op zijn viool krast? – Ik  was toen, zoals ik al vertelde, nog maar een beginneling en heb pas veel later met veel moeite de nodige precisie in deze vingers gebracht. “, zo onderbrak de oude man zichzelf, waarbij hij met zijn linkerhand, als iemand die viool speelt, in de lucht gebaarde. “Het werd me ”,  zette hij zijn vertelling voort, “ heel warm in mijn gezicht en ik merkte ook bij haar dat ze spijt had van haar harde woorden. Waarde juffrouw, zei ik, het krassen komt daarvandaan dat ik het lied niet in notenschrift heb en daarom wil ik u allerbeleefdst om een kopie daarvan vragen. Om een afschrift?, zei ze. Het lied is gedrukt en wordt op de straathoeken verkocht. – Het lied? antwoordde ik. Dat zijn alleen maar de woorden. – Nu ja, de woorden, het lied. – Maar de melodie waarop men het zingt, schrijft men die dan ook op? vroeg ze. – Natuurlijk! was mijn antwoord, dat is juist de hoofdzaak. en hoe heeft U het dan geleerd, waarde juffrouw? – Ik hoorde het zingen en toen zong ik het na.  -  Ik was verbaasd over dat natuurlijke ingenium; hoe vaak hebben toch ongeschoolde mensen de meeste talenten. Toch is het niet helemaal je ware, niet de eigenlijke kunst. Ik verkeerde opnieuw in vertwijfeling. Maar welk lied is het dan eigenlijk? , zei ze. Ik ken er zo veel – allemaal zonder noten? – natuurlijk; dus welk lied was het dan?  - het is zo fantastisch mooi, verklaarde ik me nader. Stijgt eerst in de hoogte en keert dan in zijn inwendige terug en houdt heel zachtjes op. U zingt het ook het vaakst. O, maar dan zal het wel dit lied zijn!, zei ze, en ze zette de mand weer neer, zette haar voet op het bankje en zong nu met heel zachte en toch heldere stem het lied, waarbij ze haar hoofd naar beneden boog, zo mooi, zo liefelijk, dat ik, voordat ze aan het einde was, naar haar afhangende hand greep. Oho!, zei ze, en trok haar arm terug, want ze zal wel gedacht hebben dat ik haar hand met kwalijke bedoelingen wilde grijpen, maar nee, ik wilde ze alleen kussen, hoewel ze maar een arm meisje was. – Welnu, ik ben nu ook een arme man. Omdat ik nu buiten zinnen was van begeerte om het lied in bezit te hebben, troostte ze me en zei : dat de organist van de Pieterskerk  meermalen om muskaatnoot in de kelder van haar vader kwam. Die zou ze vragen alles in notenschrift vast te leggen. Ik zou het na een paar dagen daar kunnen afhalen. Hierop nam ze haar mand en ging terwijl ik haar tot aan de trap begeleidde

Toen ik op de bovenste trede een laatste buiging maakte, verraste mij de bureauchef die me aan mijn werk liet gaan en op het meisje begon te schelden waaraan, zoals hij beweerde, geen greintje goedheid te vinden was.  Ik was daar vreselijk boos over en wilde hem juist antwoorden, dat ik met alle respect van het tegendeel overtuigd was, toen ik merkte dat hij al naar zijn kamer was teruggegaan. Ik probeerde me te beheersen en ging ook naar mijn schrijftafel. Maar sinds die tijd liet hij zich niet de kans ontnemen mij toe te bijten, dat ik een liederlijke beambte was en een teugelloos mens.

Diezelfde dag en de daaropvolgende dagen kon ik ook werkelijk nauwelijks iets fatsoenlijks tot stand brengen, zo maalde dat lied in mijn hoofd rond en ik was als verloren. Een paar dagen verstreken, maar ik wist niet zeker, of het al  tijd was de muziek af te halen of niet. De organist, had het meisje gezegd, kwam in haar vaders winkel om muskaatnoot te kopen: die kon hij alleen maar voor bier gebruiken. Nu was het sinds enige tijd koel weer en daarom waarschijnlijk, dat de wakkere toonkunstenaar zich eerder aan de wijn zou houden en daarom zo gauw geen muskaatnoten nodig zou hebben.  Te snel vragen scheen me onbeleefde opdringerigheid toe, al te lang wachten kon als onverschilligheid worden gezien. Met het meisje op de gang  spreken  waagde ik niet omdat onze eerste ontmoeting bij mijn kameraden bekend was geworden en ze van begeerte brandden om mij een poets te bakken.

Ondertussen had ik met ijver mijn viool weer opgepakt  en oefende allereerst de basis grondig door, maar stond mezelf wel toe van tijd tot tijd uit het hoofd te spelen, waarbij ik wel het raam zorgvuldig sloot omdat ik wist, dat mijn voordracht niet in de smaak viel. Maar ook wanneer ik het raam opende, kreeg ik het lied toch niet meer te horen. De buurvrouw zong misschien helemaal niet of zo zachtjes en met de deur gesloten dat ik geen twee tonen kon onderscheiden.

Eindelijk – er waren ongeveer drie weken verstreken – kon ik het niet meer uithouden. Twee avonden lang was ik al heimelijk het straatje in gegaan – en dat nog wel zonder hoed, zodat de dienstknechten zouden geloven dat ik naar iets in huis zocht – zo vaak ik echter in de buurt van de kruidenierszaak kwam werd ik door een zo hevig sidderen overvallen dat ik moest omkeren, of ik wilde of niet.

Tenslotte kon ik het – zoals gezegd – niet meer uithouden. Ik schraapte al mijn moed bijeen en ging op een avond – ook nu zonder hoed – uit mijn kamer de trap af en met vaste tred door het steegje tot de kruidenierswinkel waar ik eerst bleef staan en overlegde wat verder te doen. De winkel was verlicht en ik hoorde binnen stemmen. Na enige aarzeling boog ik me naar voren en loerde van de zijkant naar binnen. Ik zag het meisje vlak voor de winkeltafel zitten bij het licht om in een houten bak erwten of bonen uit te zoeken. Voor haar stond een stevige, rijzige man, zijn jasje over zijn schouder, een soort van knuppel in zijn hand, ongeveer als een slager. Beiden spraken, kennelijk in goed humeur, want het meisje lachte enkele keren luid zonder zich bij haar werk te laten storen of ook maar op te kijken. 

Of het nu mijn ongemakkelijke voorovergebogen houding was of wat dan ook, het sidderen begon terug te komen, toen ik ineens voelde dat ik plotseling met ruwe hand van achteren werd vast gepakt en naar voren gesleept. In een mum van tijd stond ik onder het gewelf en toen ik, eenmaal weer losgelaten, om me heen keek, zag ik dat het de eigenaar zelf was die van elders naar huis teruggekomen was en mij bij het spieden had verrast en  als verdacht had aangehouden. Dat is mooi! schreeuwde hij, zo zie je maar waar de pruimen terechtkomen en de handvol erwten en rolgerst die in het donker uit de manden van de etalage worden verdonkeremaand. Van mij mag nu de donder inslaan. En daarmee kwam hij op mij af, alsof hij werkelijk op me wilde inslaan.  Ik stond aan de grond genageld maar kwam door de gedachte, dat men aan mijn eerlijkheid twijfelde, gauw weer bij zinnen. Daarom maakte ik een korte buiging en zei tegen de bruut dat mijn bezoek niet te maken had met zijn pruimen en rolgerst, maar met zijn dochter. Toen begon de slager in het midden van de winkel luid te lachen en draaide zich om  weg te gaan, nadat hij even eerder zachtjes het meisje een paar woorden had toegefluisterd die ze, eveneens lachend, door een  klinkende slag van haar vlakke hand op zijn rug beantwoordde. De kruidenier deed de man uitgeleide tot de deur.

Ik had ondertussen al mijn moed weer verloren en stond tegenover het meisje, dat onverschillig haar erwten en bonen uitzocht alsof het haar allemaal niets aanging. Daar stommelde de vader weer naar de deur. Verdraaid nog aan toe, zei hij, meneer, wat moet dat met mijn dochter? Ik probeerde hem de samenhang en de reden van mijn bezoek te verklaren. Wat lied?, zei hij, ik zal je liedjes laten zingen! Een daarbij bewoog hij zijn arm heel dreigend op en neer.  Daar ligt het, sprak het meisje, terwijl ze zonder de bak met peulvruchten neer te zetten zich met haar stoel naar opzij vooroverboog en met haar hand op de tafel wees. Ik snelde er naar toe en zag een blad muziek liggen. Het was het lied. De oude was me echter vóór.  Hij hield het mooie papier verkreukelend in zijn hand. Ik vraag, zei hij, wat dat te betekenen heeft.  Wie is die man? Het is een heer van het kantoor antwoordde ze terwijl ze een wormstekige erwt wat verder dan de andere van zich wierp.  Een man van het kantoor? , riep hij, in het donker, zonder hoed?  Het gemis van de hoed verklaarde ik uit de omstandigheid dat ik vlakbij woonde, waarbij ik het huis aanwees. Dat huis ken ik, riep hij, daar woont niemand in behalve de hofraad – hier noemde hij de naam van mijn vader -   en de bedienden ken ik allemaal.  Ik ben de zoon van de hofraad, zei ik zachtjes als of het een leugen was. Ik ben in mijn leven van veel veranderingen getuige geweest, maar nog nooit van een zo plotselinge als bij deze woorden in het hele wezen van de man plaats had. Zijn mond, open om me uit te schelden, bleef open staan, zijn ogen dreigden nog altijd, maar in het onderste deel van zijn gezicht speelde een lachje, dat groeide tot een volle lach. Het meisje bleef onverschillig in gebukte houding zitten, alleen streek ze haar loshangende haren achter haar oren terug. De zoon van mijnheer de hofraad? schreeuwde de oude tenslotte in wiens gezicht de vrolijkheid volledig de overhand had gekregen.  Wil uwe genade het zich wellicht gemakkelijk maken? Barbara, een stoel! Het meisje bewoog zich onwillig op de hare. Wacht, gluiper! Zei hij terwijl hij zelf een mand van zijn plaats tilde en de daaronder geplaatste stoel met zijn voorschoot van stof reinigde. Zeer vereerd, ging hij verder. Mijnheer de hofraad – mijnheer zijn zoon bedoel ik, praktiseert ook muziek?  U zingt misschien zoals mijn dochter of misschien heel anders, van het blad, naar de kunst? Ik legde hem uit dat ik van nature geen stem had. Of u slaat op het klavecimbel, zoals de voorname lui plegen te doen? Ik zei, dat ik viool speelde. ‘k heb in mijn jeugd ook op een viool gekrast, riep hij. Bij het woord krassen viel mijn blik onwillekeurig op  het meisje  en zag dat ze heel spottend lachte wat me veel verdriet deed. Neem het meisje maar onder je hoede, in de muziek wel te verstaan, ging hij verder. Ze heeft een goede stem en ook op ander vlak haar kwaliteiten, maar de finesse, lieve God, waar moet dat vandaan komen? Daarbij schoof hij duim en wijsvinger van zijn rechterhand telkens over elkaar. Ik was enorm beschaamd dat men mij onverdiend zulke muzikale kennis toedichtte. En wilde zojuist de ware stand van zaken uitleggen, toen iemand die buiten voorbijging de winkel in riep : Goeienavond allemaal! Ik schrok want het was de stem van een van de bedienden van ons huis. Ook de kruidenier had haar herkend. Met het puntje van zijn tong net zichtbaar en met opgetrokken schouders fluisterde hij dat hij één van de bedienden van de weledele papa was.  Ik kon u echter niet herkennen omdat ik met mijn rug tegen de deur stond. Dat laatste was ook werkelijk het geval. Maar het gevoel van het stiekeme en onterechte maakte zich pijnlijk van mij meester.  Ik stamelde ten afscheid een paar woorden en ging. Ja, ik was zelfs mijn lied vergeten, ware het niet dat de oude mij op straat nagesprongen was waar hij het me in de hand stak.

Zo belandde ik weer bij mijn huis op mijn kamer en wachtte de dingen af die zouden volgen. Ze bleven inderdaad niet uit. De bediende had mij immers herkend. Een paar dagen later kwam de secretaris van mijn vader op me af op mijn kamer en meldde me, dat ik het ouderlijk huis moest verlaten.  Al mijn protesten waren zonder effect. Men had in een voorstad ver weg een kamertje gehuurd en zo was ik verbannen uit de nabijheid van mijn verwanten. Ook mijn zangeres kreeg ik niet meer te zien. Men had een einde gemaakt aan haar  koekenhandel op het kantoor  en ik kon er niet toe komen de winkel van haar vader te betreden, omdat ik wist dat de mijne daar niets van wilde weten. Ja, toen ik de oude kruidenier toevallig op straat tegenkwam keerde hij zich  met een nors gezicht van mij af en ik was als verpletterd. Toen haalde ik, halve dagen lang alleen, mijn viool tevoorschijn en speelde en oefende.

Maar het zou nog erger worden. Het ging met ons huis bergafwaarts. Mijn jongste broer, een eigenwijze, opvliegende kerel, officier bij de Dragoniërs, de cavaleristen, , moest een onbezonnen weddenschap ten gevolge waarvan hij oververhit door de rit met paard en uitrusting door de Donau zwom, - het was diep in Hongarije – met zijn leven bekopen. De oudere, meest geliefde, was in een provincie aangesteld bij de Raadstafel. In een voortdurend protest tegen de autoriteiten van zijn land en, naar ze zeiden, daartoe heimelijk door onze vader opgestookt, veroorloofde hij zich zelfs onjuiste opgaven om zijn tegenstanders te schaden. Het kwam tot een onderzoek, en mijn broer vertrok stiekem uit het land. De vijanden van onze vader – en dat waren er vele – maakten van de aanleiding gebruik hem ten val te brengen. Van alle kanten aangevallen en toch al verstoord over de vermindering van zijn invloed, hield hij dagelijks de aangrijpendste redevoeringen in de Raadszitting.  Tijdens één daarvan trof hem een beroerte. Toen hij naar huis werd gebracht, kon hij niet meer spreken. Zelf heb ik daarvan niets gehoord.

De volgende dag merkte ik op kantoor wel dat ze heimelijk fluisterden en mij met hun vinger nawezen. Daar was ik al aan gewend geraakt en ik had er geen erg in.  De vrijdag daarop – het was op woensdag gebeurd – werd me plotseling een zwart kostuum met rouwband op mijn kamer gebracht. Ik was verbaasd, vroeg en hoorde het nieuws.  Mijn lichaam is anders sterk en bestand tegen spanningen, maar toen overviel het me enorm. Buiten bewustzijn viel ik tegen de grond. Ze droegen me naar bed waar ik de hele dag en nacht met koorts wartaal uitsloeg. De volgende morgen had de natuur de overhand gekregen, maar mijn vader was dood en begraven. Ik had hem niet meer kunnen spreken en niet om vergiffenis kunnen vragen vanwege al het verdriet dat ik hem bezorgd had., kon hem niet meer bedanken  voor de onverdiende genade, ja, genade! Want hij had een goed hart en ik hoop hem eens terug te vinden waar we naar onze bedoeling worden beoordeeld en niet naar onze werken.

Ik bleef verscheidene dagen op mijn kamer en had nauwelijks iets om te eten.  Eindelijk kwam ik toch naar buiten, maar direct na het eten weer naar huis. Alleen ’s avonds zwierf ik in de donkere straten rond als een Cain, de broedermoordenaar. De vaderlijke woning was me daarbij een schrikbeeld dat ik heel oplettend  uit de weg ging. Op een keer kwam ik, gedachteloos voor me uitstarend, terecht in de buurt van het gevreesde huis. Mijn knieën sidderden zodat ik langzamer moest gaan. Ik grijp naar de muur achter me en herken de deur van de kruidenierswinkel en daarin zie ik Barbara zitten, een brief in haar hand, naast haar het licht op de winkeltafel en vlak daarbij stond haar vader kaarsrecht en hij leek haar toe te spreken. Ook al zou ik er mijn leven mee op het spel zetten, ik moest naar binnen. Niemand te hebben aan wie men zijn leed kan klagen, niemand die medelijden voelt!           

De oude, dat wist ik wel, was boos op mij, maar het meisje zou voor mij toch een goed woordje kunnen doen. Maar het tegendeel bleek waar. Barbara stond op, toen ik binnenkwam, wierp me een hoogmoedige blik toe, ging de zijkamer in en sloot de deur. De oude greep echter mijn hand en verzocht me te gaan zitten, troostte me, maar meende ook, dat ik nu een rijke man was en dat ik me om niemand meer te hoefde bekommeren. Hij vroeg, hoeveel ik had geërfd. Ik wist het niet.  Hij spoorde me aan het voor het gerecht te brengen, wat ik beloofde. Op kantoor, meende hij, is niets te doen.  Ik moest mijn erfenis in de handel steken. Galappels en vruchten zouden  goed profijt opleveren; een compagnon die er verstand van had, zou Groschen in guldens kunnen veranderen.  Hij zelf had zich daarmee intensief beziggehouden. Daarbij riep hij  herhaaldelijk naar het meisje dat echter van geen reactie blijk gaf. Toch scheen het me toe alsof ik de deur van tijd tot tijd hoorde bewegen. Omdat ze echter niet verscheen en de oude alleen maar van geld sprak, nam ik afscheid en ging, waarbij de man zei het te betreuren dat hij mij niet kon begeleiden, omdat hij alleen in de winkel was.

Ik was verdrietig omdat mijn hoop niet in vervulling was gegaan, maar daarnaast voelde ik me op wonderbaarlijke wijze getroost. Toen ik op straat bleef staan en naar boven keek naar het huis van mijn vader, hoorde ik plotseling achter me een stem die gedempt en met een toon van wrevel klonk : Je moet niet iedereen vertrouwen, men meent het niet goed met je. Ik draaide me bliksemsnel om, maar zag niemand; alleen het getik op  een raam op de benedenverdieping dat bij de kruidenierswoning hoorde, maakte me duidelijk dat, hoewel ik de stem niet had herkend, Barbara een geheime waarschuwing gaf. Ze had kennelijk gehoord wat in de winkel was besproken. Wilde ze me voor haar vader waarschuwen? Of was het haar ter ore gekomen dat direct na de dood van mijn  vader deels collega’s van kantoor, deels andere volstrekt onbekende lieden mij met verzoeken om ondersteuning en noodhulp hadden benaderd en dat ik ook had toegezegd zodra ik aan geld zou komen.

Aan wat eenmaal beloofd was, moest ik me houden; ik besloot echter in de toekomst voorzichtiger te zijn. Ik meldde me vanwege mijn erfenis. Het was minder dan men had geloofd, maar toch nog erg veel, bijna elfduizend gulden. De hele dag puilde mijn kamer uit van behoeftigen met hun smeekbeden. Ik was echter zo goed als onvermurwbaar geworden en gaf alleen maar waar de nood het hoogst was. Ook Barbara’s  vader kwam. Hij verweet me dat ik haar al drie dagen niet een bezoek had gebracht,waarop ik naar waarheid antwoordde, dat ik vreesde zijn dochter tot last te zijn. Hij zei echter dat ik me daarom niet moest bekommeren, dat hij haar al goed onder handen genomen had, waarbij hij op zo’n boosaardige manier lachte, dat ik ervan schrok. Ik moest daardoor denken aan Barbara’s waarschuwing en toen we er in het gesprek al gauw op kwamen, hield ik het bedrag van mijn erfenis voor me; ook zijn voorstellen om zaken te doen ontweek ik handig.

In werkelijkheid waren mijn gedachten op heel andere perspectieven gericht. Op kantoor waar men mij alleen maar vanwege mijn vader had geduld, was mijn plaats al door een ander bezet. Dat kon me weinig schelen, want er was geen salaris aan verbonden. Maar de secretaris van mijn vader die door de laatste ontwikkelingen brodeloos was geworden maakte mij deelgenoot van een plan om een informatie-, kopieer- en vertalingskantoor op te richten, waarbij ik de eerste inrichtingskosten zou kunnen voorschieten, terwijl hijzelf bereid was het directeurschap op zich te nemen. Op mijn aandringen zouden de kopieerwerkzaamheden ook  muziekzaken gaan betreffen en nu kon ik mijn geluk niet op. Ik gaf het vereiste geld, maar, voorzichtig geworden, liet ik er wel een aantekening boven plaatsen. Het onderpand voor de inrichting dat ik eveneens voorschoot, scheen, hoewel een aanzienlijke som, nauwelijks de moeite waard omdat ze gedeponeerd moest worden bij het gericht en daar mijn eigendom bleef, als had ik het thuis in mijn kast.

De zaak was geregeld en ik voelde me opgelucht, uit de put, voor de eerste maal in mijn leven zelfstandig, een man. Aan mijn vader dacht ik nauwelijks meer. Ik betrok een betere woning, veranderde iets aan mijn kleding en ging, wanneer het avond was geworden door de vertrouwde straten naar de kruidenierswinkel waarbij ik mijn pas inhield en mijn lied tussen mijn tanden zoemde, hoewel niet helemaal goed. De Bes in de tweede helft heb ik met mijn stem nooit kunnen treffen. 

Opgewekt en blij kwam ik aan, maar een ijskoude blik van Barbara wierp me onmiddellijk in mijn vroegere  onzekerheid terug. Haar vader ontving me allerhartelijkst, zij deed echter alsof niemand aanwezig was en ging onverdroten door papieren zakken te wikkelen en mengde zich met geen woord in ons gesprek . Alleen toen we te spreken kwamen over mijn erfenis richtte ze zich half op en zei bijna dreigend :”Vader!”, waarop de oude dadelijk van onderwerp veranderde. Verder zei ze de hele avond niets, keurde me geen tweede blik waardig en toen ik uiteindelijk afscheid nam, klonk haar “Goeienavond” bijna als een ‘God zij dank!”.

Maar keer op keer kwam ik langs en ze gaf geleidelijk aan toe. Niet dat ik in haar ogen iets positiefs gedaan had. Ze ging onophoudelijk tegen me tekeer. Alles was fout : God had me met twee linkerhanden geschapen, in mijn jas zag ik er als een vogelverschrikker uit; ik waggelde als een gans en deed denken aan een huishaan. Wat haar in het bijzonder tegenstond was mijn beleefdheid tegen de klanten. Omdat ik namelijk tot de opening van het kopieerbedrijf zonder bezigheden was en bij mezelf overlegde, dat ik daar met een klantenkring van doen zou hebben, deed ik als vooroefening in de kruidenierswinkel  mee met de kleinhandel, wat me vaak voor halve dagen bond. Ik woog kruiden af, deelde aan jongens noten en gedroogde pruimen uit, gaf kleingeld uit; dat laatste niet zonder talrijke vergissingen, waarbij Barbara steeds tussenbeide kwam, weggriste wat ik net in mijn handen hield, mij in bijzijn van de klanten uitlachte en bespottelijk maakte.

Maakte ik voor de koper een buiginkje of zei ik netjes “tot  genoegen”, dan zei ze bars, nog vóór de mensen de deur uit waren : “ onze koopwaar is genoeg!” en keerde me de rug toe. Soms echter was ze één en al goedheid. Ze hoorde me aan, wanneer ik vertelde wat in de stad plaats vond, uit mijn kinderjaren, over de bediendes op kantoorwaar we elkaar het eerst hadden leren kennen. Daarbij liet ze me altijd alleen spreken en gaf slechts  met een enkel woord blijk van haar instemming of – wat vaker het geval was – afkeuring.

Over muziek of zingen werd nooit gesproken. Om te beginnen meende ze, dat men ofwel moest zingen of zijn mond houden, er viel niets te praten. Van echt zingen was geen sprake. In de winkel was het ongepast en de achterkamer waarin zij en haar vader samen woonden, mocht ik niet binnen. Op een keer echter, toen ik ongemerkt binnenkwam, stond ze juist op het puntje van haar tenen uitgerekt met de rug naar mij toe, en tastte  met haar handen omhoog rond op één van de hogere planken alsof ze naar iets zocht. Daarbij neuriede ze zachtjes iets voor zich heen. – Het was het Lied, mijn Lied! – maar ze kwetterde als een grasmusje dat bij een beek zijn halsje wast en het kopje schudt en zijn veertjes opstrijkt en weer glad maakt met zijn snaveltje. Het was als of ik op een groene weide liep. Ik sloop nader en nader en was al zo dichtbij dat het lied niet meer van buiten kwam, maar dat het uit mezelf scheen op te klinken, een zingen van zielen!

Toen kon ik me niet meer inhouden en raakte met beide handen haar lichaam aan terwijl ze zich vooroverboog   met haar schouders tegenover mij. Toen gebeurde het. Ze draaide rond als een tol. Met een gezicht vuurrood van woede stond ze voor  me; haar hand spande zich en voor ik mij kon verontschuldigen – ze hadden zoals ik al eerder vertelde, op kantoor  al vaker over een oorvijg verteld die Barbara nog als koekenverkoopster een opdringerig iemand had gegeven. Wat ze toen zeiden over de kracht van het eerder klein te noemen meisje en de slagkracht van haar hand, leek hoogst overdreven, als een grap. Maar het was werkelijk onvoorstelbaar. Ik stond daar als door de bliksem getroffen. Lichtjes dansten voor mijn ogen, maar het waren hemellichtjes, als zon, maan en sterren, als engeltjes die verstoppertje spelen en daarbij zingen. Ik kreeg visioenen, ik was perplex.

Zij echter, nauwelijks minder geschrokken dan ik, ging met haar hand als verontschuldigend  over de geslagen plek. Dat ging wat te hard, zei ze en – als een tweede bliksemschicht – voelde ik plotseling haar warme adem op mijn wang en haar twee lippen en ze kuste me, maar zachtjes, heel zachtjes, maar het was een kus op mijn wang hier, hier!”  Daarbij sloeg de oude man op zijn wang en de tranen sprongen hem in de ogen. “Wat er verder gebeurde, weet ik niet”, ging hij verder, “behalve dat ik op haar losstormde en zij de woonkamer inliep en de glasdeur dichthield, terwijl ik aan de andere kant duwde.  Toen ze zo ineengedoken en met alle macht zich schrap zettend als aan de glasdeur kleefde, vatte ik moed, vereerde heer, en gaf haar de kus vurig terug, door het glas.

Oho, hier gaat het gezellig toe!, hoorde ik achter me roepen. Het was de kruidenier die net thuis kwam. Nu, wie plaagt – zei hij. Kom maar naar buiten, Barbie, en haal geen domheden uit.  Een kus met ere kan niemand weren. Maar ze kwam niet. Ik zelf verwijderde me na enige half bewusteloos gestotterde woorden waarbij ik de hoed van de kruidenier nam in plaats van de mijne die hij me lachend ruilde.

Dat was, zoals ik hem al vroeger noemde, de geluksdag van mijn leven. Bijna had ik gezegd : de enige, wat niet waar zou zijn want de mens krijgt van God veel genade. Ik wist niet goed hoe het meisje over mij dacht. Moest ik me haar meer boos indenken of juist welwillend? Het volgende bezoek  vereiste een moeilijk besluit. Maar ze was me welgezind, deemoedig en stil, niet opvliegend zoals anders zat ze daar bij haar werk. Ze wees me met haar hoofd op een dichtbijstaand bankje dat ik moest gaan zitten en haar komen helpen. Zo zaten we dan te werken. De oude wilde opstappen. Blijf nog even, vader, zei ze. Wat u wilt regelen is al afgehandeld. Hij stampte hard met zijn voet op de grond en bleef. IJsberend sprak hij van dit en dat zonder dat ik me in het gesprek waagde te mengen.

Plotseling slaakte het meisje een kreetje. Ze had zich bij het werk een vinger geschaafd en hoewel ze anders helemaal niet kleinzerig was bewoog ze haar hand heen en weer. Ik wilde kijken, maar ze wenkte me weg te gaan. Flauwekul zonder einde! bromde de oude. Hij ging voor het meisje staan en zei met luide stem : wat geregeld moest worden, is nog helemaal niet gedaan! En zo ging hij luid stampend de deur uit. Ik wilde nu  beginnen mij voor gisteren te verontschuldigen, maar ze onderbrak me en zei : dat laten we liever rusten; nu verder over zinniger zaken. Ze richtte haar hoofd omhoog, nam me van top tot teen op en ging op rustige toon verder : ik weet me nauwelijks iets te herinneren van het begin van onze kennismaking maar u komt sinds enige tijd vaker en vaker en we zijn aan u gewend geraakt. Een eerlijk hart zal niemand u betwisten, maar u bent zwak en altijd op bijzaken gericht, zodat u nauwelijks in staat was in te staan voor uw eigen zaken. Zo wordt het tot plicht en verantwoordelijkheid van vrienden en bekenden zich eerlijk op te stellen om u geen schade te berokkenen. U zit hier maar halve dagen in de winkel, u telt  en weegt, meet en merkt; maar daaruit komt niets voort. Wat denkt u in de toekomst te gaan doen om uw weg te vinden? Ik noemde de erfenis van mijn vader. Die zal wel behoorlijk groot zijn, zei zij. Ik noemde de som. Dat is veel èn weinig, antwoordde ze. Veel om iets mee te beginnen, weinig om breeduit op te teren. Mijn vader heeft u een voorstel gedaan dat ik echter heb ontraden. Want ooit heeft hij zelf al geld bij dat soort dingen verloren en verder, voegde ze met zachte stem toe,  is hij er zo aan gewend om van vreemden profijt te trekken dat hij vrienden misschien ook niet zou laten profiteren. U moet iemand naast u hebben die het eerlijk meent. – Ik wees op haar. – Eerlijk ben ik wel, zei ze. Daarbij legde ze haar hand op haar borst en haar ogen die anders in een  lichtgrijs stonden, glansden helblauw, hemelsblauw.  Maar ik moet mijn eigen weg gaan. Onze zaak brengt weinig op en mijn vader speelt met de gedachte om als kastelein verder te gaan. In een herberg  is geen plaats voor mij.  Voor mij zou alleen maar handenarbeid over blijven, want dienen wil ik niet. En daarbij zag ze er als een koningin uit. Men heeft mij ondertussen een ander voorstel gedaan, ging ze verder, terwijl ze een brief uit haar schort tevoorschijn haalde en half onwillig op tafel wierp, maar dan zou ik weg van hier moeten. – Ver weg? vroeg ik. Waarom? Wat kan U dat schelen? Ik maakte haar duidelijk dat ik naar dezelfde plaats zou verhuizen. – U bent een  kind! zei ze. Dat zou niet gaan en dat was trouwens iets heel anders.  Maar wanneer u vertrouwen in mij heeft en graag in mijn nabijheid bent, koopt u dan de modezaak die hiernaast te koop staat. Ik versta dat werk en u kunt absoluut rekenen op redelijke winst uit uw geld.  Ook zou U zelf met rekenen en schrijven  een fatsoenlijke tijdspassering  kunnen vinden. Wat het verder nog zou kunnen opleveren, daarover zullen we het nu niet hebben. Maar U moet echt veranderen! Ik haat verwijfde mannen. Ik was opgesprongen en greep naar mijn hoed. Wat is er? Waar wilt U heen? vroeg ze. Alles afzeggen, zei ik hijgend. – Wat dan? – ik vertelde haar nu over mijn plan om een schrijf- en informatiekantoor op te richten. Daar komt niet veel uit, meende ze. Informatie inwinnen kan iedereen zelf wel en schrijven heeft ook iedereen geleerd op school. Ik merkte op, dat ook muziekstukken gekopieerd konden worden wat niet ieders zaak is. Komt u nu alweer met zulke gekkigheid?, riep ze me toe. Laat het musiceren en denk aan urgentie! Ook zou u niet eens in staat zijn zelf een bedrijf te leiden. Ik maakte duidelijk, dat ik een compagnon had gevonden. Een compagnon? , riep ze uit. Dan wil men u zeker bedriegen! U heeft toch nog geen geld gegeven? – ik sidderde, zonder te weten waarom. – Hebt u geld gegeven? vroeg ze nog eens. Ik noemde de drieduizend gulden voor eerste inrichting. – Drieduizend gulden? riep ze, zo veel geld! – De rest, ging ik verder, is bij het gerecht gedeponeerd en in ieder geval veilig. – Dus nog meer? schreeuwde ze luid. – Ik noemde het bedrag van het onderpand. En heeft U dat zelf bij het gerecht gedeponeerd? -  Het was door mijn compagnon gebeurd. – U heeft er toch een kwitantie van? – Die had ik niet. – En hoe heet die mooie compagnon van u? vroeg ze verder. Tot mijn geruststelling kon  ik haar de secretaris van mijn vader noemen. God allemachtig! riep ze en sprong op en sloeg haar handen ineen. Vader! Vader!  - De oude trad binnen. – Wat heeft u vandaag in de krant zien staan? – Over de secretaris? zei hij, wel, wel, die is er vandoor gegaan, heeft schulden op schulden nagelaten en de mensen bedrogen. Ze achtervolgen hem met arrestatiebevelen! – Vader, riep ze, hij heeft hem ook zijn geld toevertrouwd. Hij is te gronde gericht. Verdraaid nog aan toe, riep de oude, heb ik het niet altijd gezegd?. Maar daar wil ik tussen komen! Ik wil laten zien wie hier in huis de baas is. Jij, Barbara, verdwijn in die kamer. En u, meneer, maak dat u weg komt en bespaar ons in de toekomst uw visites. Hier worden geen aalmoezen gegeven. – Vader, zei het meisje, wees niet hardvochtig tegen hem, want hij is al ongelukkig genoeg. – Juist daarom, riep de oude, straks ben ik het ook. Dát, meneer, ging hij verder, terwijl hij wees naar de brief  die Barbara eerder op de tafel had gegooid, dát is  een man! Heeft een hoofd met hersens en een zak met geld. Bedriegt niemand, laat zich ook niet bedriegen en dat is bij eerlijkheid de hoofdzaak. – Ik stamelde dat het verlies van het onderpand nog niet vaststond. – Ja , riep hij, die secretaris zal gek zijn! Een schurk is hij, maar wel slim. En verdwijn nu meteen, misschien haalt u hem nog in! Daarbij had hij zijn vlakke hand op mijn schouder gelegd en duwde me in de richting van de deur. Ik ontweek zijn duwen door opzij te gaan en draaide me naar het meisje dat daar stond, leunend op de tafel, de ogen op de grond gericht, waarbij haar borst heftig op en neer ging. Toen ik dichtbij haar wilde komen stampte ze boos met haar voet op de grond en toen ik mijn hand uitstrekte, hield ze de hare half omhoog als of ze me weer wilde slaan. Daar ging ik dan en de oude sloot de deur achter me toe.

 

 

Ik wankelde door de straten naar de poort, naar buiten, naar het veld.  Soms overviel vertwijfeling me, dan kreeg ik ook weer hoop.  Ik herinnerde me bij het deponeren van de borgsom de secretaris naar het handelsgerecht te hebben begeleid. Daar had ik onder de poortweg gewacht en hij was alleen naar boven gegaan. Toen hij naar beneden kwam zei hij, dat alles in orde was en dat de kwitantie naar mijn huisadres zou worden gestuurd. Dat was weliswaar niet gebeurd, maar de mogelijkheid bestond nog altijd.

Bij het aanbreken van de dag keerde ik terug naar de stad. Mijn eerste gang was naar de woning van de secretaris. Maar de mensen moesten lachen en vroegen of ik de kranten niet gelezen had. Het handelsgerecht lag maar een paar huizen verderop.  Ik liet het nakijken in de boeken, maar noch mijn naam noch de zijne kwamen er in voor. Van een betaling geen spoor.  Zo viel aan mijn ongeluk niet meer te twijfelen. Ja, bijna was het nog erger geworden. Omdat er namelijk een firmacontract bestond wilden verschillende van zijn schuldeisers hun vorderingen op mijn persoon verhalen. Maar het gerecht gaf daarvoor geen toestemming. Lof en dank zij  daarvoor gezegd! Hoewel het toch op hetzelfde neer gekomen zou zijn.

Bij al deze ellende waren, ik beken het, de kruidenier en zijn dochter totaal op de achtergrond getreden. Nu het rustiger werd en ik begon na te denken over wat verder zou moeten gebeuren, kwam me  de herinnering aan de laatste avond weer levendig voor de geest. Voor de oude, egoïstisch als hij was, kon ik alle begrip hebben, maar het meisje… Soms  kwam het me voor, dat ze, wanneer ik zuinig zou zijn geweest op mijn bezit en haar een levensonderhoud had kunnen aanbieden, dat ze dan – maar ze zou me toch niet hebben gemogen”. – Daarbij  bekeek hij met zijn  handen opzij  zijn armzalige gestalte. -  “Ook stond haar mijn hoffelijk optreden tegen iedereen tegen”

Zo bracht ik hele dagen door met piekeren en nadenken. Op een avond bij schemering – het was de tijd die ik gewoonlijk in de winkel placht door te brengen – zat ik daar weer en verplaatste me in gedachten op de gebruikelijke plek. Ik hoorde haar spreken, op mij schelden, ja, het leek erop dat ze me uitlachte. Toen was er  plotseling iets bij de deur te horen, de deur ging open en een vrouwspersoon kwam binnen. – Het was Barbara – Ik zat als aan mijn stoel genageld als of ik een spook zag. Ze was bleek en droeg een bundel onder haar arm. In het midden van de kamer bleef ze staan, keek om zich heen langs de kale wanden en toen naar beneden op de armzalige spullen en zuchtte diep. Toen ging ze naar de kast die aan de zijkant tegen een muur stond, wikkelde haar pakket uiteen, dat enkele hemden en doeken bevatte – ze had de laatste tijd mijn was gedaan – trok de schuiflade open  en sloeg haar handen ineen toen ze de armoedige inhoud zag, maar begon gelijk daarop de was in orde te brengen en de meegebrachte stukken op te ruimen. Daarop deed ze enkele passen terug van de kast  en zei, de ogen op mij gericht waarbij ze met haar vinger op de open lade wees : vijf hemden en drie doeken. Zo veel heb ik gekregen, zo veel breng ik terug. Toen drukte ze langzaam de schuiflade toe, steunde met haar hand op de kast en begon luid te huilen. Het leek er bijna op, dat zij zich niet goed voelde, want ze ging zitten op een stoel naast de kast, verborg haar gezicht in een doek en ik hoorde uit haar hortend en stotend ademen, dat ze nog altijd verder huilde. Ik was zachtjes vlak bij haar gaan staan en greep haar hand, wat ze zonder protest toeliet. Toen ik echter om haar blik op me te richten langs haar slap neerhangende arm omhoog ging tot aan haar elleboog, stond ze snel op, maakte haar hand los en zei op bedaardere toon : Wat heeft dat alles voor zin? Het is nu eenmaal zo. U heeft het zelf gewild, u heeft zichzelf en ons ongelukkig gemaakt, maar u zelf het meest. Eigenlijk verdient u geen medelijden – hier sprak ze steeds nadrukkelijker – wanneer men zo zwak is dat men zijn eigen zaken niet eens op orde kan houden; zo lichtgelovig dat men iedereen vertrouwt of het nu een kwajongen is of een eerlijk iemand. – En toch heb ik met u te doen. Ik ben gekomen om afscheid te nemen. Ja schrikt u maar. Dat hoort nu eenmaal bij u. Ik moet me nu buiten onder de lompe lieden begeven waartegen ik me zo lang heb verzet. Maar daar is niets aan te doen. Ik heb u al een hand gegeven, dus het ga u goed – voor altijd. Ik zag, dat ze weer tranen in haar ogen kreeg, maar ze schudde onwillig met haar hoofd en ging. Het was me of ik lood in mijn leden had. Bij de deur gekomen draaide ze zich nog eenmaal om en zei: de was is nu in orde. Zorg ervoor dat er niets verdwijnt. Er zullen harde tijden komen. En nu hief ze haar hand op, maakte een kruisteken in de lucht en riep : God zij met je, Jacob! – in alle eeuwigheid, amen!, voegde ze er zachtjes aan toe en ze ging.

Nu kreeg ik weer gevoel in mijn lijf. Ik snelde haar na en in het trapportaal riep ik haar na : Barbara! Ik hoorde, dat ze op de trap bleef staan. Toen ik echter een tree naar beneden ging, sprak ze van onder op : blijf daar! En ze ging de trap af en de poort door.

Sindsdien heb ik harde dagen beleefd, maar geen zoals deze. Zelfs de daaropvolgende dag was het minder. Ik wist namelijk toch niet zo goed hoe ik eraan toe was en sloop daarom de volgende morgen in de buurt van de kruidenierswinkel rond om te zien of ik wat meer duidelijkheid kon krijgen.  Omdat ik niets kon ontdekken, keek ik tenslotte naar opzij de winkel in en zag een vreemde vrouw die afwoog en geld gaf en bijtelde.

Ik waagde het binnen te gaan en vroeg of ze de winkel gekocht had. Voorlopig nog niet, zei ze – En waar de inboedel was? – Die is vanmorgen vroeg naar Langenlebarn verhuisd. – De dochter ook? stamelde ik. – Inderdaad , zei ze, ze gaat daar trouwen. De vrouw zou me alles verteld kunnen hebben wat ik in het vervolg van andere mensen hoorde. De slager van de genoemde plaats namelijk – dezelfde die ik ten tijde van mijn eerste bezoek in de winkel aantrof – had het meisje sinds lang huwelijksaanzoeken gedaan die ze steeds maar uit de weg ging totdat ze tenslotte in de laatste dagen op aandringen van haar vader en in volledige vertwijfeling, instemde.

Diezelfde morgen waren vader en dochter daarheen afgereisd en op het moment dat we met elkaar spraken, was Barbara de vrouw van de slager. De verkoopster zou me, zoals gezegd, dat alles verteld kunnen hebben, maar ik hoorde niets en stond als verlamd totdat tenslotte klanten binnen kwamen die me terzijde schoven en de vrouw me toesnauwde of ik anders nog wat wilde, waarop ik me verwijderde.

“U zult wel geloven, vereerde heer” ging hij verder, “dat ik me nu als de ongelukkigste van alle mensen voelde en zo was het ook op het eerste ogenblik. Toen ik echter de winkel uitging, me omdraaide en terugkeek naar de kleine raampjes waar Barbara zeker vaak gestaan had en naar buiten had gekeken kwam een zalig  gevoel over me. Dat ze nu bevrijd was van alle zorgen, vrouw in eigen huis en  geen kommer en ellende zou hoeven dragen zoals wanneer ze haar dagen aan een dak- en landloze had verbonden, dat legde zich als een verzachtende balsem op mijn borst en ik zegende haar en haar wegen.

 

 

Omdat het met mij steeds meer bergafwaarts ging , besloot ik met muziek mijn boterham te verdienen. Zo lang de rest van mijn geld nog over was, oefende en studeerde ik de werken van grote meesters in, bij voorkeur de klassieke, die ik kopieerde. Toen mijn laatste Groschen uitgegeven was, maakte ik me op van mijn kennis profijt te trekken en wel eerst in besloten gezelschappen waartoe een gastoptreden in het huis van mijn verhuurster de eerste aanleiding gaf. Toen echter de door mij voorgedragen composities daar geen weerklank vonden, nam ik plaats op de binnenhoven van de huizen omdat onder zo vele bewoners er toch altijd wel zouden  zijn die het serieuze naar waarde wisten te schatten. Tenslotte zocht  ik de openbare wandelroutes op waar ik dan ook werkelijk het genoegen smaakte dat enkelen bleven staan, luisterden, mij iets vroegen en niet zonder belangstelling verder gingen. Dat ze daarbij wat geld neerlegden, maakte me niet beschaamd. Want  was dat nu juist mijn bedoeling, en verder zag ik ook, dat beroemde virtuozen die iets bereikt hadden waar ik niet aan kon tippen,  zich voor hun prestaties – soms met heel hoge bedragen -  lieten honoreren.

Zo heb ik me, weliswaar krap, maar in elk geval eerlijk, weten te redden tot op de dag van vandaag. Jaren later zou mij nog een geluk ten deel vallen. Barbara kwam terug. Haar man had geld verdiend en in één van de voorsteden een slagersbedrijf gekocht. Ze was moeder van twee kinderen van wie de oudste Jacob heette, zoals ik.  Mijn soort werk en de herinnering aan oude tijden stonden me niet toe al te opdringerig te zijn, maar uiteindelijk werd ik zelf in huis ontboden om de oudste jongen vioolles te geven. Hij heeft alleen weinig talent, kan ook alleen op zondag spelen omdat zijn vader hem doordeweeks nodig heeft op de zaak. Maar Barbara’s lied dat ik hem heb geleerd, gaat al heel goed. En wanneer we zo oefenen en bezig zijn zingt zijn moeder soms mee.

Ze is sterk veranderd in die vele jaren, is fors geworden en geeft weinig meer om muziek, maar het klinkt nog altijd zo aardig als toen”.  En daarmee greep de oude zijn viool en begon het lied te spelen, en hij speelde al maar door, zonder zich verder om mij te bekommeren. Tenslotte had ik genoeg gehoord, stond op en legde enige zilverstukken op de tafel vlakbij en ging weg terwijl de oude ijverig altijd maar verder speelde.

Kort daarop ging ik op reis om pas bij het intreden van de winter terug te komen. Nieuwe indrukken  hadden de oude verdrongen en mijn speelman was eigenlijk helemaal vergeten.  Pas bij gelegenheid van de vreselijke ijsgang in het volgende voorjaar en de daarmee verband houdende overstroming van de laaggelegen voorsteden herinnerde ik me hem weer. De omgeving van de Gaertnergasse was tot een meer geworden. Voor het leven van de oude man scheen niets te vrezen te zijn omdat hij hoog onder het dak woonde, terwijl de dood onder de bewoners van de benedenverdiepingen zijn maar al te talrijke slachtoffers had uitgezocht.  Maar, verstoken van alle hulp, hoe groot moest zijn nood wel niet zijn!  Zolang de overstroming voortduurde kon er niets worden gedaan. De autoriteiten hadden trouwens naar vermogen op schepen voedsel en hulp naar de geïsoleerde mensen gestuurd. Toen het water was gezakt en de straten weer begaanbaar waren geworden besloot ik mijn aandeel in de op gang gebrachte en tot ongelooflijke sommen gegroeide collecte persoonlijk aan het voor mij belangrijkste adres te bezorgen.

 

 

De aanblik van Leopoldstadt was gruwelijk. In de straten gebroken schepen en gereedschap. In de benedenverdiepingen deels nog stilstaand water en ronddrijvende spullen.  Toen ik, het gedrang mijdend, afging op een klemmende hofpoort, gaf deze mee en toonde me op de poortweg een rij van lijken, kennelijk voor ambtelijke inspectie bijeengebracht en neergelegd. Ja, binnen in de kamers waren hier en daar nog, rechtop staand en  zich vastklampend aan de tralievensters, verongelukte bewoners te zien – het ontbrak nu eenmaal aan tijd en beambten om de gerechtelijke vaststelling van zoveel sterfgevallen te bewerkstelligen.

 

 

Zo stapte ik verder en verder. Aan alle kanten gehuil en kreten van rouw, zoekende moeders en verdwaalde kinderen. Eindelijk kwam ik in de Gaertnergasse. Ook daar hadden zich de zwarte begeleiders van een lijkstoet opgesteld, maar, naar het scheen, ver weg van het huis dat ik zocht. Toen ik echter nader trad merkte ik een keten op van mensen die heen en weer gingen tussen de uitvaartstoet en de tuinderswoning.  Bij de huisdeur stond een flink uitziende, oudere, maar toch nog krachtige man. In hoge laarzen, gele lederhosen en een lange jas zag hij eruit als een plattelandsslager. Hij gaf opdrachten en sprak tussendoor tamelijk onverschillig met de mensen naast hem. Ik ging hem voorbij en trad in de ruime hof. De oude tuinierster kwam me tegemoet, herkende mij op slag en begroette me onder tranen. “ Vereert u ons ook met een bezoek?” , zei ze. “Ja, onze arme oude speelman! Die musiceert nu met de lieve engelen die ook niet veel beter kunnen zijn dan hij was. De eerlijke ziel zat daar boven veilig in zijn kamer. Toen echter het water kwam en hij de kinderen hoorde schreeuwen sprong hij naar beneden en redde en sleepte en droeg  en bracht in veiligheid, dat zijn  adem klonk als een balg in een smidse. Ja – men kan nu eenmaal niet overal zijn ogen hebben  - toen op het laatst bleek dat mijn man zijn belastingboeken en de paar gulden papiergeld in de kast vergeten had, nam de oude een bijl, ging het water in dat hem al tot aan de borst reikte, brak de kast open en bracht alles eerlijk mee.  Toen heeft hij kou gevat en toen er op het eerste ogenblik geen hulp beschikbaar bleek, kreeg hij waanvoorstellingen en het ging hem slechter en slechter hoewel we hem naar vermogen bijstonden en daarbij meer leden dan hij zelf. Want hij musiceerde alsmaar door, met zijn stem namelijk, en sloeg de maat en gaf les. Toen het water wat was gedaald en wij de heelmeester en de geestelijke konden halen, richtte hij zich plotseling in bed op, keerde zijn hoofd en oor naar opzij  alsof hij in de verte wat moois hoorde, glimlachte, zonk terug in bed en was dood. Gaat u maar naar boven. Hij heeft vaak over u gesproken. Madame is ook boven.  We hebben hem op onze kosten willen laten begraven, maar de vrouw van de slager liet dat niet toe”

 

 

Ze duwde me de steile trap op tot aan het dakkamertje dat open stond en helemaal uitgeruimd was afgezien van de doodkist in het midden die al gesloten was. Alleen de drager wachtte nog. Aan het hoofdeinde zat een tamelijk forse vrouw van middelbare leeftijd in een bontgekleurde katoenen overjas maar met een zwarte halsdoek en een zwarte band op haar muts.

Het leek er bijna op of ze nooit mooi geweest kon zijn. Voor haar stonden twee tamelijk grote kinderen, een jongen en een meisje, die ze kennelijk uitlegde hoe ze zich bij een uitvaartstoet moesten gedragen. Juist toen ik binnentrad duwde ze de arm van de jongen die als een knulletje op de kist leunde, naar beneden en streek zorgvuldig  het uitstaande kant van de lijkdoek  weer recht.  De tuindersvrouw leidde me naar voren; toen begonnen beneden de trombones te blazen en tegelijkertijd klonk de stem van de slager vanaf de straat : Barbara, het is tijd! De dragers verschenen, ik trok me terug om plaats te maken. De kist werd opgetild en naar beneden gebracht en de stoet zette zich in beweging. Voorop de schooljeugd met kruis en vlag, de geestelijke met de kerkdienaar. Onmiddellijk na de kist de beide kinderen van de slager en achter hen het echtpaar. De man bewoog voortdurend zijn lippen als bij een gebed, maar keek daarbij links en rechts om zich heen. De vrouw las ijverig in haar gebedenboek, alleen moest ze zich telkens met de kinderen bemoeien die ze nu eens naar voren duwde, dan weer tegenhield. Aan de orde van de rouwstoet scheen haar trouwens erg veel gelegen te zijn. Steeds weer keek ze weer terug in haar boek. Zo kwam de stoet aan bij de begraafplaats. Het graf lag open. De kinderen wierpen de eerste hand aarde naar beneden, de man deed staande hetzelfde. De vrouw knielde en hield haar boek vlakbij haar ogen. De doodgravers volbrachten hun taak en de stoet, half opgelost, keerde terug. Bij de deur vond nog een kleine woordenwisseling plaats omdat de vrouw de som die de lijkbezorger vroeg, te hoog vond. De begeleiders verspreidden zich naar alle kanten. De oude speelman was begraven.

 

 

Een paar dagen daarop – het was een zondag – ging ik ,gedreven door mijn psychologische nieuwsgierigheid, naar de woning van de slager met als voorwendsel dat ik de viool van de oude man als aandenken wilde hebben. Ik trof de familie samen aan zonder spoor van een bijzondere indruk na de trieste gebeurtenis. Daar hing de viool met een soort symmetrie gerangschikt naast de spiegel en een crucifix aan de muur tegenover. Toen ik mijn voornemen toelichtte en een naar verhouding hoge prijs bood, scheen de man niet ongenegen een profijtelijke handel te doen. 

De vrouw echter vloog van haar stoel op en zei : “Ja, waarom ook niet? De viool behoort onze Jacob toe en op een paar gulden meer of minder komt het niet aan!”. Daarbij nam ze het instrument van de muur, bekeek het van alle kanten, blies er het stof af en legde het in de schuiflade die ze met een klap dichtschoof en s, alsof ze bang was beroofd te worden. Haar gezicht was daarbij van mij afgekeerd, zodat ik niet kon zien wat zich daarop afspeelde. Omdat op het zelfde ogenblik het meisje met de soep binnen kwam en de slager zonder zich door het bezoek te laten storen, met luide stem het tafelgebed aanhief waarmee de kinderen schel  instemden, wenste ik hun een gezegende maaltijd en ging naar buiten. Bij de deur trof mijn laatste blik de vrouw. Ze had zich omgedraaid en de tranen stroomden over haar wangen.

Geervliet, dinsdag 12 juni 2012