***











 

www.resantiquae.nl

muziek in proza

MUZIEK IN LITERATUUR

Calvin S. Brown, The Relations Between Music and Literature as a Field of Study, in : Comparative Literature XXII, 2, University of Oregon 1970

*** 

ANNA ENQUIST : KWARTET , 'een partituur van eenzaamheid'

 Kees 't Hart over Anna Enquist, Kwartet: 'Weg ermee, met dat gezever, moet ze gedacht hebben. Einde. Stoppen. Maar ondertussen had ze al een fijn boek geschreven, een echte Enquist, wonderlijk, gevoelig en meeslepend.'

.

Is het mogelijk verdriet over het verlies van een geliefde ooit echt te verwerken? Moet dat wel? En hoe werkt dat dan? Op het ogenblik zijn deze vragen actueler dan ooit. In het oeuvre van Anna Enquist spelen ze vanaf het begin een belangrijke rol.

In haar debuutbundel Soldatenliederen (1991) is angst voor rouw en verdriet een belangrijk thema. Hoe kun je de onherroepelijke dood van geliefden bezweren, uitstellen, wegdenken? Neem het gedicht ‘Mijn zoon’ waarin de zoon van de ik bang is voor de nacht en de dood. De ik troost hem en dan staat er dit: ‘Ik lieg hem voor en red hem/ tot wij beiden slapen in gestolen veiligheid’. De angst blijft dus.

Kenmerkend en tegelijk hartverscheurend in dit verband is het gedicht ‘De meisjeskamer’, jaren geleden geschreven voordat de dochter van Enquist verongelukte. Met zinnen als: ‘Zij is een acrobaat, hoog in/ de lucht doet zij kunsten/ aan de trapeze. Vijftien jaar’. En verder­op: ‘Wij wiegen haar als toen, ontwricht/ als zij weer opveert en ons/ achterlaat’. Met als slotregels: ‘Vergeefse spanning in mijn armen,/ verbazing om het zelfvertrouwen,/ het geluk op haar gezicht’. De angst afscheid te nemen is er al, ongeloof van de ik dat deze levensacrobatiek niet kan voort­duren. Rouw is in dit gedicht al begonnen, terwijl het geluk nog voortduurt.

Enquist stelt in haar nieuwe roman opnieuw de vraag naar rouwverwerking aan de orde. Deze keer vermomd als de geschiedenis van de leden van een strijkkwartet die alle vier muziek aangrijpen om verdriet, angst en onzekerheid op afstand te houden. Is het mogelijk om bij de verwerking van verdriet hulp van anderen te aanvaarden? Geen van vieren zijn ze in staat hun problemen bespreekbaar te maken, ze cirkelen om elkaar heen, vluchten min of meer in muziek. Ze weigeren elkaars hulp, maar in de loop van de geschiedenis komen er langzamerhand kleine barsten in hun pantser.

Enquist zoomt in korte hoofdstukken via innerlijke monologen afwisselend in op de verschillende personages. Ze expliciteert deze levens niet al te veel, laat al te grote gevoelens rusten, die moet je er als lezer zelf maar bij bedenken. Dat maakt van deze roman een caleido­scoop van typische Enquist-karakters. Zwijgers zijn het, ze zijn wars van grote gevoelens, ze moeten niets hebben van aanstellerij. Stille wateren, diepe gronden. Ze willen geen zeikerds zijn, zich niet blootgeven, zich onkwetsbaar maken, maar juist daarin zijn ze zo kwetsbaar als de pest. En steeds dat gepeins of ze niet bezig zijn zichzelf een rad voor ogen te draaien. Carolien, de moeder die rouwt om haar verongelukte zonen. Jochem, haar man die Carolien wil helpen. Heleen die alleen het goede wil, Hugo die zijn kop overal voor in het zand steekt.

De roman is een fraaie uitwerking van het gedicht ‘Strijkkwartet’ uit de al eerder genoemde bundel Soldatenliederen (zie het gedicht onderaan deze tekst). De schatplichtigheid aan Nijhoff is evident. Let vooral op de laatste zes regels uit dit kerngedicht. Enquists werk is altijd, en zeker in deze peinzende nieuwe roman, een ‘partituur van eenzaamheid’. Carolien beschouwt het als haar dure plicht de rouw over haar zonen nooit te verwerken. Geen hulp te aanvaarden, haar eigen weg te zoeken, al weet ze dat Jochem, haar man, zijn uiterste best doet haar bij te staan. Haar onzekerheid hierover is fraai geformuleerd in de volgende zin: ‘Misschien ben ik een aanstelster, denkt ze, een martelares, een triomferende masochiste die met haar schitterend verdriet op een rots staat, onaantastbaar en door niemand te bereiken.’ In het gedicht ‘Vier mei’ uit Soldatenliederen vind je eenzelfde onzekerheid over verdrietverwerking: ‘Niet de doden heb ik herdacht/ maar mijzelve, ik dus, (…)’ Angst voor egoïsme. Enquist laat voortreffelijk zien hoe deze zwijgzame figuren om elkaar heen cirkelen. Ze zijn op de vlucht: ze willen elkaar geen pijn doen en juist daarom doen ze elkaar pijn. De kernzin staat tegen het einde: ‘Waarom zeg ik niet gewoon: help mij?’

Dit klinkt allemaal zwaar op de hand, maar op de een of andere manier is ze erin geslaagd een lichte toon in deze roman te monteren, ik zat te grijnzen om de laconieke beschrijvingen van een dokterspraktijk, of het gedoe rondom bezuinigingen op cultuur. Laconiekheid is Enquists middle name, het is de grote drijfveer van haar stijl. Ze heeft er duidelijk zin in de ernst van het geheel af en toe te doorbreken. Dan heeft ze het ineens over ‘kampeerwetenschap’ of over het inderdaad totaal krankzinnige woord ‘probleemeigenaar’. Ook blinkt Enquist uit in de creatie en beschrijving van het sentimentele. De hoofdstukken over het contact tussen de oude muziekleraar Reinier en een Marokkaans gezin zijn adembenemend voorzichtig en gevoelig. Jaloersmakend. Het sentimentele is in de Nederlandse romankunst tot mijn spijt steeds verder ondergesneeuwd. Een flink potje huilen bij een boek, ik kan ernaar verlangen en ik bedoel dit absoluut niet ironisch. Uitermate fraai wat dit betreft is het plotselinge gezoen tussen Hugo en Carolien, dat je niet aan ziet komen, of toch wel, en dan gebeurt het. En ineens is het ook weer weg. Een topscène.

Over het einde van de roman ga ik nog even klagen. Blijkbaar had Enquist ineens genoeg van het voorzichtige geschuif met emoties dat deze roman zo breekbaar maakt. Ze laat alles eindigen met veel geknal en geraas rondom een gijzeling van het strijkkwartet. Een schurk dringt binnen et cetera et cetera. Echt wat je noemt een kamikaze-einde van haar verder zo uit­gebalanceerde roman. Weg ermee, met dat gezever, moet ze gedacht hebben. Einde. Stoppen. Maar ondertussen had ze al een fijn boek geschreven, een echte Enquist, wonderlijk, gevoelig en meeslepend.

Strijkkwartet

Zij zitten in de hoge kamer, harmonie,
als ruit, als geometrische figuur.
Tegen de gouden instrumenten vouwt
zich het avondlicht; dit alles is structuur

waarbinnen pijn en bloedbad rafelloos
hun plaats innemen. Mozart als chirurgijn
staat op en plaatst het mes. Snijdt
de perfecte lijn.

Met ernst en overgave spelen zij
elkander toe, zij voelen nog geen pijn.

Straks zullen zij gaan bloeden. Mettertijd
wordt de muziek tot troost: geenszins
als streling, maar als schema van de wanhoop,
glanzende partituur van eenzaamheid.

uit: Soldatenliederen


***


F. Bordewijk:  Eiken van Dodona

In Bordewijks literatuuropvatting kan kunst pas dan ontstaan als angst er een bewuste of onbewuste rol in speelt. Dat is het thema van zijn roman Eiken van Dodona (1946). Daarbij heeft Bordewijk steeds sterke affiniteit getoond met het magische dat zich uit in onverklaarbare gebeurtenissen, relaties tussen personages onderling of verbanden tussen personen en zaken (huizen spelen bij Bordewijk die rol bijvoorbeeld). Om die reden is Bordewijk wel een magisch-realist genoemd, temeer omdat hij dat type onverklaarbaarheden weet op te dienen in een vaak volstrekt zakelijke context. Zijn belangstelling voor magisch-realistische schilders als Willink en Delvaux is dan ook niet toevallig.

 

***

Jeroen Brouwers : Zomervlucht

Een bespreking door Paul de Wispelaere

Jeroen Brouwers'  roman Zomervlucht  (1990) is gebouwd als een kadervertelling, waarvan het breed uitgesponnen binnenverhaal ontstaat uit een opeenstapeling van herinneringsbeelden, die cruciale episodes weergeven uit het leven van de hoofdpersoon, de bijna vijftigjarige musicoloog Reinier Saltsman. Het kader zelf, dat dit levensverhaal omsluit en ook afsluit, bestaat uit één zwarte herfstnacht, waarin de hele film zich in Saltsmans hoofd ontrolt, terwijl hij fysiek en mentaal de instorting nabij is. Hij is omringd door het desolate landschap van de Achterhoek en aan het eind van het verhaal verklaart hij, verzonken in totale lethargie, dat hij ‘de nacht heeft ingeslikt’. Ik weet niet, of er een nóg somberder roman bestaat in de Nederlandse literatuur, maar zeker bestaat er geen waarin die somberheid, als vorm gekregen door zwarte toverkunst, tegelijk zoveel artistieke schittering bevat. ‘Zwart’ en ‘nacht’ zijn sleutelwoorden erin. Ze komen niet alleen in letterlijke maar ook in symbolische en metaforische en bovendien in omgekeerde en tegenstrijdige betekenissen voor, zoals trouwens alle andere motieven eveneens voortdurend met elkaar verweven en verknoopt worden. In dit als een

 
 

partituur gecomponeerde boek is, anders dan in het leven, volstrekt niets aan het toeval overgelaten, maar zijn, conform Brouwers' bekende poëtica, alle onderdelen tot in de details functioneel op elkaar betrokken. Daarom is het, ondanks contrapuntisch aangebrachte luchtiger scènes, geen realistische probleemroman te noemen, maar als geheel een uiterst kunstzinnige metafoor van de nachtzijde van het bestaan. Zo komt het zwart erin voor als symbool van de dood, maar evengoed als symbool van de absolute liefde, die het onafscheidelijke begrippenpaar Eros en Thanatos vormen. Die beschouw ik dan ook als de twee elkaar spiegelende hoofdthema's van de roman.

Noemen we Saltsman een ‘nachtheld’, dan is hij dat in twee betekenissen die overeenstemmen met de twee tegengestelde gedaanten waarin de dood zich aan hem voordoet. De eerste is de gevreesde, de tweede de begeerde dood, en in de mate waarin Saltsman de tweede net niet bereikt, is hij reddeloos overgeleverd aan de eerste. In beide gevallen is de dood verbonden met liefde en artistieke creativiteit, de twee grote drijfveren van zijn leven. De eerste dood wordt veroorzaakt door de Tijd, als brenger van slijtage en verval, de tweede wordt bereikt door een bevrijdende sprong in de Tijdeloosheid. Deze tegenstelling is nauw verwant met wat ik in mijn eigen werk als het dualisme van geschiedenis en mythe heb uitgebeeld. Het is de allesoverkoepelende tegenstelling waarin Saltsman gevangen zit en waaruit hij aan het eind van de roman ook niet is weggekomen. Een scène waarin de contrasten elkaar even raken, vindt plaats op het moment dat Saltsman, vlak voor hij naar New York vertrekt, op de vlieghaven aan zijn vrouw Karin de vraag stelt, waarom zij jaren geleden, in de eerste tijd van hun liefde, niet samen zijn gestorven, voordat zij elkaars gewoonte werden. Een verschrikkelijke vraag eigenlijk, waarop geen antwoord mogelijk is, maar die het failliet van een leven uitdrukt. Saltsman zit in de wurggreep van de Tijd, voelt zich ‘wegzakken en stikken in vettige, donkere drab’. Zo'n twaalf jaar geleden was hij met Karin gevlucht uit de dodelijke saaiheid van een mislukt huwelijk met de moederfiguur Tilda, maar ook dit nieuwe samenleven was inmiddels aangevreten door sleur en banaliteit. Beklemmend van ironie is in dit opzicht de scène waarin Reinier Karin voor haar verjaardag een magnetronoven cadeau doet. Ooit was hij een gevierd pianist die op wereldtournee ging. Na zijn huwelijk met Karin had hij in zijn nieuwe huis in de Achterhoek enkele composities geschreven en vooral zijn wereldberoemde boek De kunst van de fuga. Maar dat alles ligt nu achter hem en speelt dus geen rol meer, integendeel zelfs: vanuit zijn huidige gevoel van fysieke en geestelijke uitgeblustheid ervaart hij zijn hele leven als een mislukking: ‘Ik ben theoreticus geworden in plaats van kunstenaar, nadat ik een vertolker was geweest in plaats van schepper’. Deze toestand van zelfverachting leidt tot depersonalisatieverschijnselen die vooral in karakteristieke spiegelscènes beschreven worden. De grenssituatie die Saltsman heeft bereikt is op zichzelf uiteraard psychologisch verklaarbaar, maar krijgt in haar extreemheid pas haar volle betekenis op een abstracter en universeler niveau, doordat zij als thema in het kunstwerk van de roman, in de fugatische compositie ervan, contrasteert met de tegenstem die de even extreme andere kant van Saltsmans persoon uitdrukt. Juist doordat hij in het volstrekte contrast van die beide thema's opgesloten zit, lijdt hij aan zelfverlies en is er voor hem geen uitkomst.

Het andere thema is dat van de droom van een romantische, absolute liefde die paradoxaal samenhangt met de tweede dood, waarover ik het eerder had. Het is de vrijwillige gekozen dood van de gelieven, die hen op het hoogtepunt van hun erotische beleving behoedt voor de ondergang in de trivialiteit van het bestaan. Arche-typische voorbeelden ervan zijn de verhalen van Tristan en Isolde of Romeo en Juliet, waarnaar Brouwers dan ook, benevens naar andere gevallen uit de Europese literatuur en muziekkunst, geregeld verwijst. Behalve tal van expliciete referenties en citaten zitten in de roman ook verborgen toespelingen. Eén ervan is het feit, dat Saltsman al door zijn geboortedag als 't ware voor die dramatische hartstocht was voorbestemd. Die dag valt op 21 november, en dit is exact de datum (in 1811) waarop Heinrich von Kleist zelfmoord pleegde met zijn vriendin Henriette Vogel. (De Duitse dichter had toen bovendien praktisch dezelfde leeftijd als Saltsman toen hij Karin leerde kennen; deze coïncidentie maakt Saltsmans eerder vermelde vraag op de vlieghaven des te prangender).

In Saltsmans herinnering begon zijn leven op zijn dertiende, het jaar dat hij zijn eerste vervoerende en schokkende erotische ervaring beleefde met een tweeëntwintig jarig kermismeisje in een schommelschuit, waarbij zijn eerste orgasme de betekenis van zijn eerste hergeboorte had, die toen al samenging met een verlangen om dood te gaan. Twee jaar later volgt een soortgelijke ervaring met een andere onbekende jonge vrouw, die opnieuw als uit het niets opduikt, om er daarna weer in te verdwijnen. Ook dit is een zinrijk motief, dat scherp contrasteert met de bekende en vertrouwde vrouw, die tot het domein van de vaste woning en het verval behoort. Bij die tweede erotische belevenis wordt sterker dan bij de eerste het accent op de verbinding van de geliefde met de moederfiguur gelegd. Dat komt ongetwijfeld doordat Reinier intussen was geconfronteerd met tastbare herinneringen aan zijn dode moeder, die hij zelf nooit had gekend. In het hotel van zijn grootvader had hij op zolder een hutkoffer van zijn ouders ontdekt met kleren en andere rekwisieten, zoals sieraden en een zwarte ‘tovermantel’. Deze hadden als een beroemd paar van jongleurs en goochelaars de we-

 
  

reld bereisd en amper een jaar na de geboorte van hun zoontje waren zij omgekomen bij een scheepsramp op de oceaan. Ook deze ontdekking wijst de jongen op een voorbestemdheid: hij herkent zich als ‘een kind van dode magiërs’, wat als een tweevoudige prefiguratie gelezen kan worden. Voor Saltsman zelf als een aankondiging van zijn gedroomde maar uiteindelijk gerateerde kunstenaarschap, voor zijn auteur Jeroen Brouwers als de voorafschaduwing van de literaire ‘toverkunst’ die hij in deze roman daadwerkelijk beoefent. In zijn aangestoken verbeelding benoemt Reinier zijn verdwenen ouders, die dus samen de hem fascinerende gedeelde dood hadden gevonden, steeds als He and She (ongetwijfeld, eventueel via het werk van J. Daisne, ontleend aan de ‘magische’ roman van Rider Haggard of een verfilming ervan) en in deze gedaante doorkruisen zij de hele roman. Met hun verhaal komen de her en der opduikende motieven van het zwerven en het vergane schip samen, zoals ze ook weerspiegeld worden door de Odyssea, Saltsmans lijfboek dat hem geen ogenblik verlaat. Eerder en verder ook door het wiegende kermisschuitje en door het vliegtuig of luchtschip waarmee Saltsman voor zijn onverwachte en laatste zwerftocht, zijn ‘zomervlucht’, naar New York, d.i. de Nieuwe Wereld, reist.

De roman begint enkele maanden, nadat Saltsman totaal ontredderd van dat avontuur weer is thuisgekomen. Naar New York was hij uitgenodigd door zijn oude Vlaams-Amerikaanse studievriend Jef Doornik om daar met een lezing over de kunst van de fuga op te treden in diens televisieprogramma Music Notes. In de gebeurtenissen die hij daar meemaakt, worden alle thema's en motieven uit zijn hele levensloop in een ultieme, paroxystische samenhang bij elkaar gebracht. Het is een groot schrijver, die dat op zo'n indrukwekkende wijze vermag. In een Italiaans restaurant annex jazzclub ontmoet Saltsman de jonge zwarte pianiste Mariëlle Vargas, die hem herkent en hem uitnodigt aan het klavier. Eerst speelt hij samen met haar om daarna, in de vervoering die eruit ontstaat, los te barsten in een schitterende improvisatie waarin hij zijn verloren gewaande virtuositeit hervindt. Hier weer gaat de heropflakkering van de erotiek, beschreven in extatische liefesscènes, bij Saltsman hand in hand met een tijdelijk teruggekeerd vertrouwen in zijn creativiteit. Voor het eerst - maar evengoed voor het laatst: ook in dit opzicht vallen de uitersten samen - krijgt hij weer de illusie dat het schrijven van zijn gedroomde meesterwerk, een monumentale opera over Heinrich von Kleist, binnen zijn bereik ligt. Maar ook dit keer gaat die droom niet in vervulling evenmin als het pendant van die opera in de realiteit: bij een ongeluk tijdens een zeiltocht komen hij en Mariëlle - He and She - in het water terecht, maar worden op het nippertje van de verdrinkingsdood gered. Al die verbijsterende dagen in New York heeft Saltsman in een labiele toestand van geestelijke en emotionele verwarring doorgebracht, die hem telkens naar zijn paspoort deed zoeken als om er zich van te vergewissen dat hij ook werkelijk bestond. Als hij daarna weer op Schiphol is geland, blijkt bij de douane dat zijn identiteit op dat officiële document door het water is uitgewist.

Een recensie over Zomervlucht is onbegonnen werk. Van deze ongewoon vernuftig geconstrueerde en rijk aangeklede roman heb ik vrijwel niets dan het skelet laten zien. Ik wijs nu nog op een paar essentiële structuurelementen. Behalve de verspreide citaten uit de Odyssea bevat de roman nog twee uitgesproken spiegelthema's of mises-en-abyme. Het zijn Saltsmans boeiende New Yorkse lezing over de abstracte kunst van de fuga, en zijn gedroomde romantische opera. Beide vinden hun weerspiegelde realisatie in de compositie van de roman zelf. En dan is er de overvloed van crossreferenties of tekstrijmen, waarvan

 
  

ik er maar enkele heb kunnen aanduiden. Zo is de samenhang van de motieven van de schommel en het schip met die van dood en hergeboorte veel suggestiever dan ik heb beschreven. En ik heb niets gezegd over de verbluffende, gevarieerde taalkracht waarvan de auteur hier opnieuw getuigt. Met name de grote scènes uit New York, soms van een trefzeker en humoristisch realisme, soms van een aangrijpende emotionele en sensuele intensiteit, flonkeren van literaire pracht.

 

***

Louis de Bernières

De mandoline van kapitein Corelli

Wanneer kapitein Antonio Corelli geconfronteerd wordt met “Heil Hitler”, antwoordt hij : “Heil Puccini”. Rond 1995 werd dit boek dat de macht van de muziek als thema heeft een enorm succes. De auteur roept een wereld in oorlogstijd op en concentreert zich op het Griekse eiland  Cephalonia dat de dreigingen, trauma’s en tragedies van het conflict en daarna van een alles verwoestende aardbeving ondergaat, en waar de muziek in de vorm van het mandolinespel van Corelli het enige is wat nog hoop geeft.  De muziek maakt , ook al is het maar voor even, vrienden van vijanden en het geeft zijn relatie met het Griekse meisje Pelagia zoveel diepte dat zijn liefde voor haar een leven lang duurt.

***

J. Bernlef : De Pianoman

Het verhaal van ‘de pianoman’ is gebaseerd op de casus van een identiteitsloze man die in Engeland opdook, niets zei en alleen piano speelde. Hij bleek uiteindelijk een homofiele boerenzoon uit Beieren te zijn, niet bijzonders, maar de media hypeten hem als briljante pianist, die al jaren vermist zou zijn geweest. Bernlef zag hier elementen voor een verhaal in, en de vraag om het boekenweekgeschenk te schrijven kwam op het juist moment. De pianoman verschijnt samen met een Boekenweek-cv over Bernlef. [2006]

De echte pianoman kwam uit Beieren, Bernlef laat zijn hoofdpersonage Thomas, ook een homofiele boerenzoon, uit een noest dorpje in het Noorden van Friesland komen. Van alle bewoners uit dit dorpje zijn zijn ouders, Jelle en Tsjitske, nog het stugst en zwijgzaamst.In zo’n gebrekkige talige omgeving moet Thomas wel op achterstand komen. Zijn Juf Jenny komt met haar bijlessen niet verder dan hem te doordringen dat hij naar zichzelf moet verwijzen met ‘ik’, niet met zijn naam. Maar haar piano wekt Thomas’ interesse wel, en daarom leert ze hem de weinige liedjes die ze kent. Het baat hem niet; uiteindelijk gaat hij aan de slag in een fietsenfabriek.Dan, uit angst voor de onderhuidse woede van zijn vader, loopt Thomas van huis weg. Met wat spaargeld vertrekt hij naar Amsterdam, waar hij het Engelse meisje Chris ontmoet. Zij verdient haar geld als levend standbeeld, en ontfermt zich over Thomas. Hij betaalt het eten, en nog eens, en langzamerhand ziet Chris in hem een ticket naar huis. Ze reizen naar Parijs, naar Dover, en daar laat ze hem achter zonder geld of paspoort. Thomas lift zelf verder en belandt in Sheerness, waar hij wordt opgenomen in een psychiatrische kliniek omdat hij rondzwerft, geen woord spreekt en niemand eigenlijk weet wat ze met hem aanmoeten. Hij speelt alleen de wijsjes die Jenny hem heeft geleerd op een piano. De pianoman is geboren.Bernlef baseerde zich voor Thomas op de autistische trekjes van zijn jongere broer. Thomas staat nauwelijks in contact met zijn omgeving, temeer omdat hij het Engels, waarin hij gedwongen wordt te spreken, niet beheerst. Hij voelt zich op zijn gemak bij het stilzwijgende reizen. De sobere stijl van Bernlef zit het verhaal, waarin taal een ondergeschikte rol speelt, als gegoten.Als Jenny Thomas uiteindelijk op komt halen in Engeland – hij is herkend door de hoofdmeester, die de berichtgeving over hem leest in de kant – valt Thomas echter wel uit zijn rol als taalstamelaar door het hoofdmotief iets te mooi te verwoorden: ‘Ze wilden dat ik iemand anders werd […]. Wat kon ik anders doen dan zwijgen, mijn eigen naam bewaren?’ Hij spreekt weer, en zegt terug te willen keren naar Nederland.En dat doet hij ook. Zijn vader is een verdrinkingsdood gestorven, waarvan de toedracht allerminst duidelijk is, en Thomas neemt de lege plaats naast zijn moeder in. Bernlef weet zo in kort bestek de transformatie van Thomas tot stand te brengen: hij groeit op op een terp, is er kortstondig vandaan, ontdekt dat hij op de terp hoort, en keert ernaar terug.

***

Jilly Cooper

Appassionata

De auteur duikt hals over kop in de intriges die zich binnen orkesten voordoen waarbij het lastig wordt bij te houden wie met wie het bed deelt. De macht van de muziek is hier het thema, maar muziek voedt ook de machthonger van enkele grote ego’s. Abby, bijgenaamd  l’Apassionata, is een stervioliste die het waagt het dirigeerstokje te gaan hanteren  en  die  als dirigente  met allerlei dubieuze karakters wordt geconfronteerd. Maar ondanks al hun eigenaardigheden geven al deze musici zich volledig over aan de muziek.

***

Anna Enquist : Het Geheim

Het verhaal begint met de geboorte van Wanda, de dochter van Emma. Egbert is getrouwd met Emma, maar hij toont niet veel liefde voor het kind. Emma is opera-zangeres, haar leraar is de joodse meneer De Leon. Emma is vaak van huis en dan wordt Wanda opgevangen door Stina, de meid van de familie. Wanda speelt vaak piano en haar moeder beseft dat ze een groot talent is. Egbert vindt echter dat ze eerst naar school moet. Emma raakt zwanger en Wanda krijgt een broertje, Frank. Hij blijkt het Downsyndroom te hebben en Wanda geeft Egbert daar de schuld van. Frank is een onhandelbaar kind en alleen als hij de pianomuziek van Wanda hoort, wordt hij rustig. Wanda is daar heel trots op, maar voelt niet de waardering van Egbert waar ze zo op hoopte.

Als de oorlog uitbreekt, loopt meneer De Leon gevaar. Emma wil dat hij onderduikt, maar Egbert wil dat niet. Wanda ziet hoe hij door Duitse soldaten wordt meegenomen. Na de hongerwinter gaat ze naar het platteland om bij te komen. Ze kan nu een tijd lang niet op de piano spelen. Frank wordt in een inrichting geplaatst, waardoor het hele gezin tot rust komt. Wanda gaat weer naar hartelust pianospelen. Ze gaat terug naar school en krijgt een vriendje, de broer van Gonnie, haar vriendin. Eigenlijk is ze niet in de jongen geïnteresseerd, ze denkt alleen maar aan zichzelf. Ze krijgt pianoles en speelt zo vaak, dat haar vader boos is dat ze nooit bij Frank op bezoek gaat. Ze gaat echter door en wordt uiteindelijk op het conservatorium toegelaten.

Wanda speelt in concerten vaak met Lucas samen, met wie ze veel succes oogst. De relatie die ze hebben, is echter zeer onbevredigend. Later blijkt dat hij homoseksueel is. Haar 'vader' krijgt een kankergezwel in zijn keel en overlijdt hieraan. Na een tijdje krijgt haar moeder een nieuwe vriend, Guido. Wanda heeft het hier heel moeilijk mee en wordt ziek. Ze kan een tijdje niet pianospelen, waardoor ze tijd heeft om over zichzelf na te denken.

Ze gaat naar Frank om voor hem te spelen. Daar ontmoet ze zijn arts, Bouw, met wie ze een verhouding krijgt. Hij spoort haar aan om in Londen te gaan studeren. Zij maakt daar een slippertje en gaat eerder dan verwacht terug, omdat Bouw dat wil. Wanda en Bouw gaan trouwen en verwachten een kind. Wanda krijgt echter een miskraam, de vrucht blijkt mongolisch te zijn. Ze wil nooit meer zwanger worden van Bouw en gaat bij hem weg.

Ze gaat op tournee in de Verenigde Staten en speelt beter dan ooit. Ze stort zich helemaal op haar carrière. Dan hoort ze dat haar moeder ernstig ziek is. Op haar sterfbed vertelt ze dat Egbert niet de echte vader van Wanda is. Ze sterft voordat ze kan zeggen wie dan wel haar vader is, maar Wanda weet dat dat meneer De Leon moet zijn. Na de crematie gaat Wanda weer pianospelen, maar ze moet stoppen omdat ze reuma heeft.

Bouw is inmiddels hertrouwd. Zijn vrouw is in het buitenland en terwijl hij alleen thuis zit, leest hij een artikel over Wanda Wiericke. Hij probeert haar adres te achterhalen en het blijkt dat ze zeer afgelegen in de Franse Pyreneeën woont. Ze heeft geen familie meer en in tegenstelling tot haar vroegere leven, geniet ze van de rust. Ze heeft nu zelfs angst voor de piano. Uiteindelijk durft ze toch achter het instrument te gaan zitten. Wanda ontvangt het bericht dat Bouw naar haar op weg is en ze ziet tegen de ontmoeting op. Intussen is Bouw aangekomen in de woonplaats van Wanda. Vanaf het kerkhof kijkt hij op haar huis en hij ziet en hoort haar spelen.

***

Jules Deelder : Modern Passé

Zoals de titel al aangeeft is dit een verhalenbundel, waarin het nabije verleden centraal staat. Onderwerpen zijn een bezoek aan Oost- en West-Berlijn, groten uit de jazz van met name de jaren '50 en de bijbehorende scene, een reisje van een viertal dichters naar Jakarta en een sinistere huwelijksreis naar Verdun, de stad van talloze gevallenen uit W.O.-I. De sterke kant van Deelder is ook in "Modern Passe" de karikatuur. Schijnheiligheid, schijnbeleefdheid en spitsburgerij worden genadeloos doorgeprikt. De verhalen lijken tirades die in sneltreinvaart afgestoken worden, ze zijn bij uitstek geschikt voor een performance. Het laatste verhaal over Verdun was het uitgangspunt voor de film "Het Veld van Eer".

***

Jessica Duchen : Rites of Spring

'Rites of Spring' by Jessica Duchen is published in paperback by Hodder & Stoughton on 27 July, price £6.99. ISBN 0 349 83931

The idea for my book Rites of Spring struck me during a performance of Stravinsky's ballet score The Rite of Spring. With terrifying energy, it portrays a ritual in which a prehistoric tribe forces a young girl to dance herself to death, a human sacrifice to ensure the return of spring. Well, families are today's tribes; and when emotional winter sets in, children suffer most.In my novel, a young girl with balletic aspirations, Liffy, begins to starve herself when her parents' marriage crumbles. She is virtually trying to dance herself to death to save her tribe.

I've no idea whether the galvanising power of music shines out from the background of my tale as I'd intended. But I do know that this book wouldn't have existed without it, so it seems a good time to look at some of the musical fiction on the shelf - much of it distinctly intimidating.

Louis Ferron, Toonkunst

De transformatie van het lage naar het hoge is het onderwerp van Ferrons novelle Toonkunst (1987). Hoofdfiguur is een oude operazangeres, afkomstig uit de kleinburgerlijke Haarlemse Bomenbuurt, niet toevallig de plek waar zoveel figuren uit Ferrons Hollandse romans vandaan komen. Haar keuze voor de kunst lijkt op het eerste gezicht een afscheid van haar bescheiden afkomst, maar in feite is haar carrièrezucht een extreme versie van de kleinburgerlijke drang naar aanvaarding en respect. Alles is hier paradoxaal. Haar kunst groeit uit het gewone leven maar vernietigt dat ook. Haar streven is een bevestiging én een transcendentie van het kleinburgerlijke plichtsbesef. Het is ingegeven door het moederlijke fatsoen, maar het gaat daar ook aan voorbij: 'Ik had van mijn moeder de drang naar het hogere geërfd. Om haar domheid te erven, daar was ik te intelligent voor.' (p.21) Geen wonder dat zijzelf geen goede moeder zal blijken.

De ironie wil dat deze vrouw, die de paradox en de dubbelzinnigheid tot kunst heeft verheven, een afkeer heeft van de componist die bij Ferron de paradox belichaamt. 'Ik heb Mahler nooit willen zingen,' zegt ze. (p.80) Om niet geconfronteerd te worden met haar eigen onzuiverheid en haar eigen bescheiden afkomst, laat ze Mahler links liggen. Dat kan ook makkelijk in de Tweede Wereldoorlog, de periode waarin zij haar grootste triomfen viert. Zij laat zich inpalmen door de nazi's en dan valt de joodse Mahler uiteraard af: 'Werd hij in die tijd niet uitgevoerd? Tja, als ik daar zo over nadenk, dan is het heel goed mogelijk. Het is natuurlijk ook heel afschuwelijke muziek. Perverse muziek. Ein wildes Durcheinander. Barbarij. Vergelijkt u dat eens met Johan [sic] Strauss. Of zelfs maar diens naamgenoot, Richard.' (p.80)

E M Forster

Het einde van Howard

Geen auteur zou vandaag de dag het scherzo van Beethovens vijfde symfonie  beschrijven  in termen van een ‘aardmannetje dat rustig door het universum wandelt van begin tot eind’. Toch blijft deze passage waar de zussen Margaret en Helen Schlegel een uitvoering van dit werk bijwonen, een van de beroemdste beschrijvingen van muziek in de Engelse literatuur. De symfonie zorgt ervoor dat Margeret Leonard Blast ontmoet, een jonge kantoorbediende van een lagere sociale klasse. De muziek leidt niet alleen tot de vervulling van het thema dat aan deze novelle ten grondslag ligt ‘ alleen maar verbinden’, maar verbeeldt ook  de hartstocht die Margaret ertoe brengt de knellende banden met haar familie te verbreken.  Het aardmannetje is er niet zo maar : Forster wil dat we Beethoven door Margarets oren ervaren en voelen dat het haar verbindt met zaken die buiten het tastbare liggen, met name haar eigen onderbewuste.

Franz Grillparzer, Der arme Spielmann

 

http://www.gutenberg.org/ebooks/8961

 

Der Erzähler mischt sich bei einer Kirchweih in der Wiener Brigittenau  unter das Volk. Er begegnet einem alten Spielmann, der auf seiner Geige eine Art Katzenmusik spielt. Als er ihm eine Münze gibt, kommen sie kurz miteinander ins Gespräch. Dadurch wird der Erzähler neugierig auf dessen Schicksal und besucht ihn eines Morgens in seiner ärmlichen Behausung. Dort erzählt ihm der alte Musikant seine Lebensgeschichte. Nach diesem Morgen verliert der Erzähler den Mann aus den Augen. Als er nach längerer Zeit wieder in Wien  ist, sind Teile der Stadt durch eine Überschwemmung verwüstet. Der alte Mann ist, nachdem er Kinder des Nachbarn aus der überschwemmten Wohnung gerettet hat, an einer Erkältung gestorben.

Binnenerzählung

Als Sohn eines hohen und einflussreichen Staatsbeamten versagt Jakob, weich, träumerisch und nach innen gewandt, vor den Anforderungen der Wirklichkeit. Er wird vom ehrgeizigen und jähzornigen Vater von der Schule genommen und muss als kleiner Schreiber in einem Büro arbeiten. Aber auch hier entzieht er sich der lauten und rohen Umwelt; nur sein Geigenspiel und Barbara, die Tochter eines Kuchenbäckers, die er schüchtern liebt, sind ihm Zuflucht und Lebensinhalt. Barbara ist von seiner Liebenswürdigkeit und seinem Charakter angezogen, verachtet ihn aber wegen seiner Lebensuntüchtigkeit. Als er sich nach dem Tod seines Vaters vom väterlichen Sekretär, dem er deswegen völlig vertraut, um seine Erbschaft betrügen lässt, heiratet Barbara einen Metzger aus Langenlebarn in Niederösterreich. Von nun an zieht der arme Spielmann geigend durch Wien.

***

Maarten ’t Hart :

Droomkoningin

Midden in de nacht verlaat Metten Anker het huis van Angela. Hij keert huiswaarts, dwars door het volkstuinencomplex en gaat daar op een bankje zitten en denkt aan de vrouwen en meisjes die in zijn leven een rol hebben gespeeld. Tot zijn veertiende jaar is hij gelukkig geweest, maar dan ontdekt hij opeens dat hij naar meisjes verlangt, terwijl hij een beetje een hekel heeft aan vrouwen. Dit verlangen maakt hem onrustig en dat beheerst hem sinds zijn veertiende. Op het eerste bankje denkt hij aan tante Riekie, vroedvrouw en baker. Zij is de vrouw die hem het eerst in de armen heeft gehouden. Hij bewaart slechte herinneringen aan haar, zij legde namelijk wel eens een gloeiend strijkijzer tegen zijn kuit. Op de volgende bank denkt hij aan Heiltje. Zij is het dochtertje van de dominee. Bij haar thuis hoort Metten het eerste deel van het Italiaans concert van Bach, gespeeld door de moeder van Heiltje. Hij denkt ook aan oma Witsenburg, die op hem past als zijn ouders weg zijn; hij draait dan aan de radio in de hoop iets van Bach te kunnen beluisteren. Dan begint het hevig te regenen. Hij ziet dan een tuinhuisje en duikt daarin om er te schuilen. Het getik van de regen doet hem denken aan het ritme waarin de oude schooljuffrouw hem met een liniaaltje op zijn achterwerk timmerde. Ze bleek later, net als hem, een bewonderaar van Bach te zijn. Als hij het tuinhuisje wil verlaten, blijkt het bewoond te zijn door een vrouw die door haar man bedrogen is. Ze vraagt Metten nog wat te blijven, maar dit doet hij niet. Buitengekomen weet hij dat de vrouw hem aan Marian doet denken. Zij heeft gelijk met hem eindexamen gedaan. Na afloop van het examenfeest heeft hij haar naar huis gebracht, maar heeft haar niet gezoend omdat hij kort daarvoor het Largo uit Bachs Dubbelconcert heeft gehoord. Omdat hij verdwaald is, klimt hij in een electriciteitsmast om zich te oriënteren. Na enige tijd versperren twee ganzen hem de weg. Ze doen hem denken aan de ganzen die Irene en hem eens de weg op een boerenerf hebben versperd. Deze Irene was de dochter van een havenmeester. Doordat Metten in de vakantie zijn vader meehelpt met het bezorgen van brood,leert hij haar kennen. Ze speelt piano, ook werken van Bach, maar ze houdt niet van Bach. Hij klimt weer in een electriciteitsmast om zich te oriënteren. Dan ziet een man met een hond hem en deze neemt hem mee naar zijn huis. Deze man is jurist die een studie wil maken van misgelopen huwelijken. Hij dringt er bij Metten op aan het verhaal van zijn huwelijk met Renske te vertellen. Dan begint dus het verhaal in het verhaal. Metten zit op een bankje in het park. Er loopt een meisje met een rood mutsje langs. Zij blijkt op het leerlingenconcert van de muziekschool de Chaconne van Bach te spelen. Na afloop heeft Metten even contact met haar. Later vraagt hij haar haar naam en adres. Ze heet Renske. Als blijkt dat ze een pianist zoekt om samen mee te spelen, meldt Metten zich onmiddellijk. Ze spelen enige tijd samen, waarbij hij duidelijk de mindere is. Na enige tijd bekennen ze elkaar hun liefde. Metten maakt kennis met haar ouders. Haar vader is directeur van een slachthuis, haar moeder is zeer burgerlijk en vindt Metten ongemanierd. Dit doet Renske veel verdriet. Later beseft hij dat vrouwen niet houden van mannen om wat ze zijn, maar om wat ze er van kunnen maken. Ze willen een man beschaven, vormen, bevoogden en betuttelen. Metten en Renske trouwen. Nu neemt zijn onrust nog niet af. Renske slaapt zeer lang, terwijl hij al vroeg actief is, wat spanningen geeft. Renske gaat een maand lang naar Engeland om daar op te treden. Tijdens deze periode gaat hij naar een hoer, maar voelt zich bekocht. De ouders van Renske melden dat het tijd wordt om een kind te krijgen. Metten zal leraar moeten worden en Renskes vader zal een huis voor hen kopen, maar ze willen kinderloos blijven en 's morgens vroeg verlaten ze stil het ouderlijk huis. Hier eindigt het verhaal in het verhaal. Hij verlaat de jurist en loopt verder. Hij denkt na over hetgeen hem vandaag is overkomen. Zijn schoonmoeder belt hem op en vraagt of Renske en hij hun koperen bruiloft ook vieren. Metten is woedend en gaat naar een bijeenkomst waar een platenmaatschappij alle pianotrio's van Haydn presenteert. Daar ontmoet hij Angela Enzerink, die net als hem muziekkritieken schrijft. Ze mogen elkaar wel en hij vraagt of hij met haar mee kan rijden. Ze eten samen in een restaurant en maken daarna een wandeling langs het meer. Als Angela een arm om hem heen slaat, komt er een visser langs. Dan gaan ze beiden naar het huis van Angela, waar zij enige liederen zingt terwijl Metten haar begeleidt op de piano. Ondanks duidelijke tekenen van Angela betuigt hij haar geen liefde. Als hij weg wil gaan, ontstaat er een gevecht waarbij Metten wint. Ze hebben twee keer gemeenschap; daarna draait zij haar mooiste muziek: de afscheidsscene uit Cosi fan tutte van Mozart. Als hij tegen het hek van de volkstuinen plast, komt hij weer tot bezinning. Uiteindelijk vraagt hij de weg aan de eigenaar van een koffiekeet. Om zeven uur 's morgens komt hij thuis. Renske wordt wakker. Ze vertelt dat ze heeft gedroomd dat hij op straat een meisje heeft gezoend. Ze barst in snikken uit en Metten probeert haar te troosten. Hij haat zichzelf op dit moment, omdat hij nu hoopt dat ze lang en vast zal slapen. Snel erna valt ze inderdaad in slaap.

 

***

 

W.F. Hermans : Filip’s  Sonatine

Filip bevestigt de verwachting van zijn pleegvader Hondijk, pianist, dat hij een wonderkind (een bekend motief van Hermans) is, door voor diens 50e verjaardag een sonatine te componeren en uit te voeren. Deze climax wordt reeds na 7 pagina's bereikt. Daarna ontvouwt de afstand tussen droom en werkelijkheid zich zo, dat het beeld van de hoop volstrekt wordt vergruizeld. Filip komt, van Hondijk gescheiden, in Amerika terecht, zegt de muziek vaarwel en wordt een platvloerse garagehouder. Na jaren bekent hij Hondijk, dat de sonatine geschreven was door degene die de oorzaak was van de scheiding tussen Hondijk en Filip. Ontluistering en desillusie staan tegen de achtergrond van aftakeling en dood. Het verhaal is simpel, het verloop voorspelbaar : geen hoogtepunt in H.'s werk. Op zich is het echter een vlotte, zakelijk en goed vertelde novelle.

***

Hoffmann, Kreisleriana

 

http://gutenberg.spiegel.de/buch/3108/1

 

http://www.geocities.jp/imyfujita/kreisleriana/page01.htm

 

***

 

Heinrich von Kleist, Die heilige Cäcilie

 

http://gutenberg.spiegel.de/buch/5598/1

Den historischen Hintergrund für die Erzählung bietet ein Bildersturm in den Niederlanden, bei dem radikale Calvinisten im August 1566 über 400 Kirchen verwüsteten.

Kleist beschreibt das Vorhaben von vier Brüdern aus Holland, als Bilderstürmer den Dom von Aachen zu verwüsten. Die Erzählung wird als Sage ausgegeben, da in der Erzählung ein Wunder, das im Aachener Dom im 16. Jahrhundert stattfand, beschrieben wird: trotz der Kenntnis über das Vorhaben der Bilderstürmer lassen die Nonnen nicht davon ab, das Fronleichnamfest im Dom zu feiern. Das Wunder besteht darin, dass die Brüder von der Musik derart bezaubert werden, dass sie von ihrem Vorhaben ablassen und die Kirche nicht verwüsten. Sie schwenken ins andere Extrem, denn sie werden extrem gläubig. Als die Mutter der vier Brüder später bei der Äbtissin nachfragt, erfährt sie, dass Schwester Antonia, die Kantorin der Nonnen, an diesem Tag unter Zeugen auf ihrem Zimmer war. Dem Glauben der Nonnen nach hatte die heilige Cäcilia ,die Patronin  der Kirchenmusik, statt der erkrankten Kantorin den Gottesdienst geleitet.

***

Elfriede Jelinek, Die Klavierspielerin

The novel follows Erika Kohut, a piano teacher in her late thirties who teaches at the Vienna Conservatory  and still lives in an apartment with her very controlling mother, who Erika shares her parents' marriage bed with. The very strained relationship between Erika and her mother is made clear in the opening scene, in which Erika rips out some of her mother's hair when her mother attempts to take away a new dress that Erika has purchased for herself. Erika's mother wishes the money to be used toward a new, future apartment with her, and resents Erika's spending of her money on possessions distinctly for herself; her mother cannot wear Erika's clothing. Erika herself does not wear it, but merely strokes it admiringly at night.

Erika expresses this latent violence as well and need for control in many other scenes throughout the book. Erika takes large instruments on trains so that she can hit people with them and call it an accident, or kicks or steps on the feet of other passengers so that she can watch them blame someone else. She is a voyeur who frequents peep shows, and on one occasion catches a couple having sex in a park, being so affected that she urinates. Childhood memories are retold throughout the novel and their effects on the present suggested—for instance, the memory of a childhood visit from her cousin, an attractive and athletic young man, whom Erika's mother praised while she makes her daughter practice piano, results in Erika's self-mutilation.

Walter Klemmer, an engineering student, is introduced very early on. He comes early to class and watches Erika perform. He eventually becomes Erika's student and develops a desire for his instructor. Erika sees love as a means of rebellion or escape from her mother and thus seeks complete control in the relationship, always telling Klemmer carefully what he must do to her, although she is a sexual masochist. The tensions build within the relationship as Klemmer finds himself more and more uncomfortable by the control, and eventually Klemmer beats and rapes Erika in her own apartment, her mother in the next room. When Erika visits Klemmer after the rape and finds him laughing and happy, she stabs herself in the shoulder and returns home.

***

Hubert Lampo : Kasper in de Onderwereld

Kasper Bentheim, vermaard concertpianist, raakt teleurgesteld in de liefde. Hij krijgt een zenuwinzinking en wordt opgenomen in de huisverpleging voor geesteszieken in Geel. Hij leeft ten onrechte in de veronderstelling dat hij zijn geliefde heeft vermoord. Het verhaal start wanneer Kasper Geel verlaten heeft en door Antwerpen  dwaalt. In zijn waan ziet hij de stad als de werkelijkheid geworden mythische onderwereld , waarin hij als Orpheus  op zoek is naar de overleden geliefde Eurydice. Het mythische gegeven wordt voortdurend doorkruist door zuiver realistische omstandigheden, een werkstaking bijvoorbeeld, en gebeurtenissen en ontmoetingen waaraan Kasper al dan niet een mythische connotatie verleent. Zo zwerft hij in de eerste scène door een gebied waarin havenwerken plaatsvinden, in zijn geest een doorgangsgebied naar de onderwereld. Bij de Schelde, de Styx, vindt hij een onderkomen in een woonschuit, hem ter hand gesteld door een goedmoedige herbergier. Hij vat een zekere sympathie op voor de dochter van de herbergier, Heleen. In de menagerie van een circus openbaren zich zijn magische gaven wanneer hij door zijn mondharmonicaspel een zieke tijger tot rust brengt en zo een dierenarts de gelegenheid geeft het dier te onderzoeken. Door middel van tussenpersonen, Alex bijvoorbeeld, komen we beetje bij beetje meer te weten over zijn verleden. Zijn zoektocht naar Eurydice, in werkelijkheid een stripteaseuse, brengt hem onder meer in contact met een alchemist en met Simon, de bewaker van de doden en ten slotte vindt hij Eurydice in een goedkope nachtclub. Inmiddels is zijn dokter hem op het spoor gekomen. Wanneer Kasper nog steeds in zijn rol van Orpheus musicerend aan de kop gaat lopen van een betoging, wordt hij neergeschoten door de oproerpolitie.

***

Aart van der Leeuw : Ik en mijn speelman


Ik en mijn speelman, de titel van mijn boek, staat voor de vriendschap tussen Claude, de jonge edelman, en Valentijn zijn speelman.


Het is zomer in Frankrijk van de achttiende eeuw. Claude de Lingendres moet dit jaar verplicht trouwen met een meisje dat hij nog nooit gezien heeft; Mathilde d’Almonde. Zijn vader en Mathilde’s familie hebben alles al geregeld. Maar op een dag ontmoet Claude Valentijn, een gebochelde speelman die rondtrekt met zijn gitaar. Door Valentijns muziek beseft Claude dat hij eigenlijk een nutteloos bestaan leidt. “Alles, wat ik tegemoet trad, maakte mij licht en gelukkig; het scheen me, of mij lang geleden een belofte gedaan was, welke nu eindelijk werd ingelost.”
Als Claude’s vader hem laat kiezen tussen de gevangenis of een huwelijk met Mathilde d’Almonde, trekt hij samen met Valentijn de wijde wereld in.


Hun eerste halte is het dorpje Floreuse. Alle dorpenaars kennen Valentijn en zijn liedjes en dansen en zingen met veel plezier mee. Hun muziek wordt hun broodwinning en ze reizen verder. Tijdens hun tocht door een bos worden ze overvallen door struikrovers, die Frido verplichten zijn kleren in te ruilen met die van hen. “’Ja, met je klederen ben je de man kwijt,’ voegde Valentijn eraan toe, ‘tenminste je staat en je titel.”.
Vanaf dan is Frido echt een ander iemand. Diezelfde dag ontmoeten ze Tiberius, een zwerfhond die met hen meereist. Ze overnachten in de boerderij waar Valentijn opgroeide en zijn zieke moeder verblijft. Herinneringen over Catharina komen naar boven. “Ik heb Catharina’s graf willen opzoeken. Ik kon het niet vinden.” Die nacht worden ze aangevallen, maar weten ze te ontsnappen. Tiberius wordt de volgende dag gedood  en beiden zijn ze er kapot van.


Ze trekken voort en schuilen in een herberg voor Frido’s boze vader en zijn mannen. Daar werkt een meisje dat diepe indruk maakt op Frido. Het meisje, Madeleen, is net als Frido op de vlucht voor haar vader. Dit weten ze niet van elkaar. Alle drie vluchten ze en leven een tijdje samen in een grot in het bos.
Madeleen en Frido worden hevig verliefd op elkaar. Dan vertrekt Valentijn en Frido’s vader komt Frido op het spoor. Hun wegen scheiden en er begint een kat- en muisspel tussen Claude’s vader en Claude. Claude, weer herenigd met Valentijn, weet altijd op het nippertje te ontsnappen. In Floreuse vindt Claude Madeleen terug en ze zijn zo dolblij dat ze meteen trouwen. Tijdens de huwelijksplechtigheid waar ook Claudes vader onverwachts aanwezig is, ontdekt Claude dat hij met Mathilde d'Almonde trouwt. Iedereen is blij, Claude en Mathilde worden gelukkig, hun ouders zijn tevreden en Valentijn zet zijn zwerversbestaan voort.

 

***

 

Thomas Mann,  Dr. Faustus

 

http://nl.wikipedia.org/wiki/Doctor_Faustus

 

In de filosofische roman Doctor Faustus vertelt Mann achter het masker van de burgerlijk pedante pianoleraar Serenus Zeitblom het leven van de fictieve demonische componist Adrian Leverkühn, die zijn ziel net als Faust verkoopt aan de duivel om volmaakte composities te kunnen schrijven. Leverkühn laat zich min of meer bewust besmetten met syfilis om in perioden van opspelende ziekte krachtige inspiratie deelachtig te worden. In een pathologisch te interpreteren visioen ontmoet hij op een gegeven moment de duivel ook in eigen persoon.

 

***

 


Eduard Mörike , Mozart auf der Reise nach Prag

 

http://www.gutenberg.org/ebooks/7503

 

Der Komponist ist mit seiner Gattin Konstanze auf dem Weg von Wien nach Prag, wo die Uraufführung seiner neuen Oper Don Giovanni stattfinden soll. Als man auf dem Land, nahe dem Schloss des Grafen von Schinzberg, Rast macht, spaziert Mozart durch den Schlosspark und pflückt gedankenverloren eine Orange vom schönen Pomeranzenbäumchen des Parks, wobei er vom gräflichen Gärtner überrascht wird. Die Auseinandersetzung endet damit, dass Mozart an die Gräfin schreibt und ins Schloss geladen wird. Dort feiert das gräfliche Paar soeben die Verlobung ihrer Nichte Eugenie. Mozart und seine Frau fügen sich emotional dem kultivierten Kreis ein und schließlich spielt der gefeierte Maestro der heiteren Runde aus der fast fertigen Oper vor. In Eugenie aber ruft gerade die begeistert aufgenommene Musik die Ahnung vom baldigenTod Mozarts hervor: „Es ward ihr so gewiß, so ganz gewiß, daß dieser Mann sich schnell und unaufhaltsam in seiner eigenen Glut verzehre, daß er nur eine flüchtige Erscheinung auf der Erde sein könne, weil sie den Überfluß, den er verströmen würde, in Wahrheit nicht ertrüge.“ Am nächsten Tag reisen Mozart und Konstanze, die vom Grafen eine Kutsche geschenkt bekommen haben, in Richtung Prag weiter. Die Novelle schließt mit dem berühmten Mörike-Gedicht Denk es, o Seele!, in dem die Todesahnung Eugeniens gewissermaßen eine prophetische Bestätigung erfährt, da es dieser, als böhmisches Volkslied vorgestellt, beim Aufräumen der Noten zufällig in die Hand kommt.

 

***

 

Margriet de Moor , De virtuoos

Hoofdpersoon is een Italiaanse aristocrate uit het midden van de achttiende eeuw die verliefd wordt op zoiets vreemds als een castraatzanger bij de opera. Het verhaal speelt zich voor een groot deel af in de nabijheid van de Napolitaanse opera, het Teatro San Carlo, in een tijd dat het daar wel zeer vrolijk toeging. De achttiende eeuw was de bloeiperiode van de Italiaanse opera, met Napels als onbetwist middelpunt. Karel van Bourbon, de nieuwe koning, had er in 1737 naast zijn koninklijk paleis het grootste operagebouw van Europa laten neerzetten en sindsdien werd alles wat elders in de wereld onmogelijk was, in Napels opgevoerd. Uit de roman blijkt bijvoorbeeld hoe tijdens een voorstelling honderden cavaleristen de paarden uit de nabijgelegen koninklijke stallen de planken op konden jagen, waarna ze zich in slagorde opstelden om onder aanzwellend kabaal van trompetten en pauken op elkaar in te gaan hakken. Behalve als een cultureel centrum van de eerste orde laat De virtuoos het achttiende eeuwse Napels ook herleven als een centrum van vrijzinnigheid. Virtuositeit, zo zegt iemand in het boek tegen een verbaasde Fransman, is voor ons het hoogste wat bereikt kan worden. En ook: ‘Wij hier hebben grote waardering voor profetieën en bezwering, voor zielsverhuizing, blinde vlekken, voor naïeve en wonderbaarlijke leerstellingen en voor denkbeelden die niet altijd even helder zijn.’

Tegen deze achtergrond beschrijft Margriet de Moor in De virtuoos de liefde voor één van de grote sterren van de opera, de castraatzanger Gasparo Conti, bijgenaamd il virtuoso. Hij is een typisch product van het libertijnse klimaat in Napels. In de stad wordt een voortdurend spel der vergissingen gespeeld. Jongens betreden het toneel, verkleed als meisjes, en meisjes doen zich weer als jongens voor die zich daarna als meisjes verkleden. Niemand weet meer wie of wat hij voor zich heeft en daar geniet men van. Ook de castraatzanger brengt met zijn hoge sopraan menige toeschouwer in verwarring. Hij brengt een toon voort die aan een vrouwenstem doet denken, hij heeft geen baardgroei, maar zijn stemvolume en zijn lichaamsbouw zijn voor een vrouw veel te krachtig. Hij is een wezen dat eigenlijk niet kan bestaan.
De liefde voor de castraat wordt van begin af aan voorgesteld als een tijdelijke affaire, maar daarin ligt in de voorstelling van de vrouw nu juist het zuivere. De affaire krijgt meteen het karakter van een toekomstige mooie herinnering.

Het grootste deel van De virtuoos wordt achteraf door de vrouw verteld, nadat ze van de zanger afscheid heeft genomen. Ze beschrijft haar herinneringen aan het dorp bij Napels waar ze hem op haar tiende als jongen in een kerkkoor heeft horen zingen. Ze beschrijft haar eerste ontmoeting in een weelderige Napolitaanse salon, en het verloop van hun kortstondige verhouding.

De virtuoos is om drie redenen een rijk boek. Het is, zeker voor een roman, buitengewoon informatief. We worden uitvoerig geïnformeerd over het leven van de castraatzanger. We lezen hoe de fatale ingreep wordt uitgevoerd (bedwelmd door het dichtdrukken van een slagader), onder welke voorwaarden de operatie plaatsvindt (de jongetjes moeten er zelf mee instemmen), we zien hoe het lichaam van de gecastreerde zich daarna ontwikkelt (met een mooi klein jongenslid’), en we horen hoe zijn seksuele leven verloopt .Het boek geeft een interessante interpretatie van de beschreven periode. En ten slotte is De virtuoos te lezen als een reeks lofzangen. Het is een ode aan de muziek, en aan een cultuur waarin deze gedijen kan. Het is een ode aan de menselijke stem als de hoogste vorm van expressie .En het is een lofzang op de zuivere liefde.

***

Margriet de Moor, Kreuzersonate

De blinde muziekcriticus Marius van Vlooten is sinds een fataal verlopen verhouding in zijn jeugd nooit meer verliefd geweest. Vele jaren later reist hij naar een masterclass in Bordeaux in het toevallige gezelschap van de jonge musicoloog die hem een levendig portret van de violiste Suzanna Flier schetst en haar aan hem voorstelt. Als Van Vlooten haar de eerste vioolpartij hoort spelen uit Janaceks strijkkwartet Kreutzersonate, verandert hij tegen wil en dank in een personage uit een tragedie die zijn eigen onontkoombare verloop heeft.

Janacek, strijkkwartet Kreuzersonate


http://www.youtube.com/watch?v=1u10R3IgHNg

***

Ann Patchett

Bel Canto

Tijdens een concert door een beroemde Amerikaanse sopraan in een Latijn Amerikaanse bananenrepubliek, belegeren terroristen het gebouw en maken iedereen tot gijzelaar. Maar de zaken lopen anders dan men zou verwachten. Het verschil wordt gemaakt door de zangeres, Roxanne, wier stem en persoonlijke uitstraling bij iedereen respect afdwingen. De macht van de muziek  tilt gijzelnemers en gijzelaars tot een hoger vlak van bestaan. In afzondering van de buitenwereld hebben de terroristen en hun gevangenen van vele nationaliteiten één taal gemeen : de muziek, vooral het zingen van Roxanne. Hierdoor worden ze er uiteindelijk toe gebracht samen te werken en elkaar onderling te steunen. Natuurlijk kan een dergelijke bizarre symbiose tegenover de echte wereld niet lang bestaan. Dit idealistische verhaal heeft de kracht van een mythe gewijd aan de omvormende kracht van de muziek.

***

Marcel Proust

De kant van Swann

Een ‘kleine frase’ van een  vioolsonate van ‘Vinteuil’ brengt Swann in een heel bijzondere stemming die meer is dan verlangen of nostalgie. Bijna elke Franse vioolsonate die gedurende het fin-de-siècle is gecomponeerd (die van Saint-Saëns, Franck, Fauré etc.) is genoemd als inspiratiebron voor Proust en elk stuk komt er inderdaad voor in aanmerking. Met opmerkelijke precisie heeft Proust de kwaliteit  van het onuitspreekbare verlangen, deels sensueel, deels pseudo-religieus, beschreven, waartoe componisten van die tijd zich voelden aangetrokken. Hij geeft heel beeldend het effcet weer dat deze muziek heeft op Swann’s gedachtenstromen terwijl deze grip probeert te krijgen  op de emoties die hem bevangen. Welke muziekliefhebber is niet op enig moment betoverd door een klank die direct tot zijn diepste zelf sprak? 

***

Vikram Seth

Een evenwichtige muziek

Deze novelle roept op een gevoelige manier het leven van musici in Londen op waarin angst en voor verlies en de fases waarin zich dat verdriet voltrekt een belangrijke plaats innemen. De violist Michael wordt bedreigd met de toekomsithe confiscatie van zijn dierbare viool. Julia, zijn vroegere vriendin, is ene pianiste die lijdt aan toenemende doofheid. Michael heeft Julia al verloren aan een andere man met wie ze is getrouwd en bij wie ze een kind heeft. Het hele boek is doordrongen van de betekenis van muziek en de intense toewijding waarmee de hoofdfiguren zich aan die muziek overgeven, opofferen.  Het verhaal komt tot een eind in de muziek van Bach wiens Kunst der Fuge wordt beschreven als ‘een evenwichtige muziek’. Michael constateert : “ Het is genoeg, je bent genoeg gezegend om elke dag naar deze muziek te mogen luisteren, niet te veel, want je ziel zou dat niet kunnen verdragen, maar van tijd tot tijd’.

***

Leo Tolstoy : De Kreuzersonate

Geen andere schrijver heeft zo indringend geschreven over de seksuele kracht van muziek als Tolstoy. In dit beroemde verhaal richt de auteur zich op de gelijkstelling van muzikaal partnerschap en seksueel partnerschap.  Hij laat zich inspireren door de elementaire power  in Beethovens sonate voor viool en piano die de bijnaam ‘Kreuzer’ heeft. Tolstoy zet de muziek in het centrum van zijn verhaal over jaloezie en geweld tussen mensen wier gedrag al vanaf het begin gestoord is. De vrouw en haar minnaar spelen samen de Kreuzer Sonate ; hij is bepaald onaantrekkelijk, maar niet meer dan de gekwelde echtgenoot.  De kracht van Beethovens muziek symboliseert de lichamelijke passie waar de echtgenoot naar hunkert maar waarvan hij ook walgt en de muzikale eenwording waar hij buiten staat.

Beethoven, Kreuzersonate door  Anne Sophie Mutter, viool; Lambert Orkis, piano

http://www.youtube.com/watch?v=COGcCBJAC6l


***

Joanna Trollope

Het koor

De verfijnde muziek van een kathedraalkoor vormt de rode draad in deze novelle die in werkelijkheid gaat over de onverbiddelijke manier waarop veranderingen kunnen plaatsvinden.  Alles in Aldminster is in beweging : de kathedraal, de raad en het koor dat met opheffing wordt bedreigd.  Toewijding aan de muziek verenigt de hoofdpersonen, van de jonge koorknaap, Henry, tot de opgefokte Ianthe, dochter van de deken en verliefd op de minnaar van Henry’s moeder die erop aandringt een opname te maken om het koor te redden. Muziek brengt allen er toe dingen te doen die ze anders nooit gedaan zouden hebben. De macht van de muziek brengt mensen samen.

***

Ivan Turgenev

Het Lied van de Triomfantelijke Liefde

Turgenev was verliefd op de  beroemde zangeres Pauline Viardot en trok uiteindelijk bij haar en haar echtgenoot in. Het is niet onmogelijk dat één van haar kinderen van hem waren.  Dit korte verhaal geeft muziek weer als een soort zwarte magie in een driehoeksverhouding die erg doet denken aan zijn eigen situatie. In de tijd van de Italiaanse Renaissance moet de jonge Valeria kiezen tussen twee aanbidders, een musicus en een kunstenaar. Ze trouwt met de kunstenaar. Na vijf jaar komt de musicus terug. Hij speelt op een vreemde, Oosterse viool en betovert daarmee Valeria, die vreemde dromen krijgt en gaat slaapwandelen. Aan het einde van het verhaal voelt ze nieuw leven in haar buik ontstaan. Het verhaal suggereert dat ze zwanger is geworden door de occulte krachten van de musicus. Turgenev geeft aan, dat muziek krachtiger is dan menselijke passies.

***

Simon Vestdijk : De koperen tuin

Het verhaal speelt zich af in W..., waar Vestdijk waarschijnlijk Leeuwarden mee bedoelt. De tuin, waar een deel van het verhaal zich afspeelt, is waarschijnlijk de huidige Prinsentuin. Wanneer Nol op 8-jarige leeftijd in deze tuin komt met zijn moeder, is er veel blaasmuziek afkomstig van een orkest. Nol danst op deze muziek met de dochter van de dirigent. Hij krijgt later pianolessen van de dirigent, Cuperus, en de liefde tussen diens dochter en Nol ontwikkelt zich in het verloop van het verhaal en kan daardoor de belangrijkste verhaallijn genoemd worden. In het boek behandelt Vestdijk uitgebreid een uitvoering van de opera Carmen van Bizet. Het boek kent een vrij dramatisch einde, waarin zowel de moeder als de vriendin (Trix) van Nol overlijden.

***

Wilhelm Heinrich Wackenroder ,  Das merkwürdige musikalische Leben des Tonkünstlers Joseph  Berglingers

 

http://www.goethezeitportal.de/wissen/projektepool/intermedialitaet/autoren/wackenroder/aspekt-der-musik.html

 

http://www.gutenberg.org/files/38707/38707-h/38707-h.htm

Mit Musik beschäftigt sich Wackenroder in der letzten Geschichte der „Herzensergießungen eines kunstliebenden Klosterbruders“, die mit „Das merkwürdige musikalische Leben des Tonkünstlers Joseph Berglinger"  überschrieben ist.

Joseph Berglinger wächst in einem kunstfeindlichen Umfeld auf, das sich ausschließlich den Anforderungen des Alltags widmet. Sein Vater, nach dem Tod von Josephs Mutter allein für Joseph und seine fünf Schwestern verantwortlich, hat Mühe, die Familie mit seinem Arzt-Gehalt durchzubringen. Auch Joseph wäre von seinem Vater für den Beruf des Arztes bestimmt gewesen. Doch dieser flieht vor dem Alltag in eine Welt der Phantasie, die er im Anhören von Musik findet. Als Josephs Vater ihn mit aller Gewalt zur ärztlichen Ausbildung zwingen will, flieht dieser in die benachbarte Bischofsstadt zu einem Verwandten, der ihm die Ausbildung zum Musiker ermöglicht. Obwohl Joseph sogar Kappellmeister wird, ist er dennoch nicht glücklich. Das Publikum scheint sich seiner Musik und seinem emotionalen Ausdruck zu verweigern.

Für Joseph Berglinger ist Musik Gefühl, für sein Publikum ist Musik ausschließlich ein Medium der gesellschaftlichen Repräsentation und der Unterhaltung. Als Berglinger an sich selbst und seiner Berufung zu zweifeln droht, gelingt ihm endlich doch ein von seinen Hörern akzeptiertes Werk. Die Freude währt allerdings nicht lange, denn er wird an das Sterbebett seines Vaters geholt. Zwar versöhnt sich Joseph noch mit seinem Vater, doch der Schmerz über seine Nutzlosigkeit überwältigt ihn. Denn das Geld, das er seinem Vater gesandt hatte, hatte seine Schwester unterschlagen. So hatte er nicht einmal die Lebensumstände seiner Familie verbessern können. Zudem verzweifelte er an seinen musikalischen Fähigkeiten und der prinzipiellen Kunstfähigkeit der allzu sinnlichen Musik. Doch schließlich komponiert er sein letztes Werk, die Passionsmusik, die „den Weg für alle nachfolgenden fiktiven ‚romantischen’ Künstler bereitet“.

***