***











 

www.resantiquae.nl

Mattheson, Orchestre

http://nl.wikipedia.org/wiki/Johann_Mattheson



Mattheson: DAS NEU-ERÖFFNETE  ORCHESTRE

(als geleerde had mattheson er plezier in deftig te schrijven, daarbij zijn zinnen lang te maken en  van alle mogelijke niet-duitse termen gebruik te maken. Deze termen geeft hij in hoofdletters aan. ik ben bij het vertalen zo vrij geweest alles in een leesbaar en modern nederlands te vertalen)

PARS TERTIA, JUDICATORIA.
DERDE DEEL : HET BEOORDELEN VAN MUZIEK

De Italianen die tegenwoordig door de schoonheid van hun muziek en de overdadige kunstgrepen in hun composities op muzikaal gebied hoger staan aangeschreven dan alle andere landen en de algemene smaak aan hun kant hebben, verschillen qua stijl van de Fransen, Duitsers en Britten, maar ook van elkaar onderling.

Zo schrijft men in Rome zwaardere muziek,  met meer aandacht voor de harmonie dan in Venetië, waar een lichte melodie het oogmerk is. De muziek van Rome ligt niet zo gemakkelijk in het gehoor als de Venetiaanse, waar de galante stijl opgeld doet.  In Napels en op Sicilië wordt op een opvallend nonchalante manier gezongen. Specialiteiten daar zijn een langzaam soort Engelse gigue van een onopgesmukte tederheid, en een type allegro dat meestal een barcarole-lied bevat. Meer dan elders in de wereld staat de muziek in Italië in aanzien. Frequentie en diversiteit van de uitvoeringen zijn er enorm. Om deze reden  willen alle overige volkeren zich in de muziek onderscheiden door de Italianen in alle opzichten na te doen.

De voorsprong van de Italianen hangt voor een belangrijk gedeelte samen met de prachtige uitvoeringen van hun muziek.  De beste stemmen worden door hen van kindsbeen af gecultiveerd en ook in kloosters, kerken en hospitalen gevormd. Wanneer men naar deze stemmen luistert, doet men dat met de grootste aandacht, wat voor de zangers een grote stimulans betekent.

In Duitsland worden dergelijke zuivere stemmen ( behalve aan enkele vorstenhoven) niet gepresenteerd en wanneer dat al gebeurt ,wordt er niet zo’n drukte om gemaakt als in Italië. Goede vocalisten worden als voetveeg behandeld, verdienen slecht en lopen bij al hun kunstzinnig talent de kans te creperen.

Fransen zijn heer en meester op het gebied van de instrumentale muziek, vooral de dansmuziek. Ze worden overal geïmiteerd zonder geïmiteerd te worden. Wanneer men MUSICAM GALLICAM, RESPECTU ITALICAE, ALTERAM AB ILLÁ (de Franse muziek als verschillend van die van Italië ) zou willen noemen , dan zou dat bepaald niet ten onrechte zijn omdat beide soorten muziek iets origineels en specifieks hebben en daardoor het voorbeeld zijn voor andere landen die de Italiaanse en Franse stijl nadoen en vermengen.

Les goûts-réunis: de Franse en Italiaanse stijl verbonden

 
Arcangelo Corelli

Couperin  werkte eind 17e eeuw  aan een verzameling van zes sonates waarin hij de Italiaanse stijl imiteerde. Behalve La Steinquerque, La sultane en La superbe werden de andere drie later in 1726, onder een andere naam, opgenomen in de verzameling Les Nations: La pucelle, La visionaire et L'Astrée (respectievelijk in Les Nations opgenomen als La Française, L'Espagnole en La Piémontoise). In het voorwoord van de sonates, waarvan hij de naam verfranste tot sonade, vertelt hij smakelijk over de oorsprong van de sonates. Het betrof zogenaamd nieuwe werken van een Italiaanse componist die hem door zijn neef Marc-Roger Normand Couperin, in dienst aan het hof van Napels, waren opgestuurd. Couperin maakte een anagram van zijn naam waaronder hij ze aanvankelijk wilde uitbrengen. De werken zijn Couperins eerste composities in navolging van de door hem zeer gewaardeeerde Arcangelo Corelli, een bewondering die in 1724 zijn hoogtepunt bereikte met Le Parnasse, ou L'apotheose de Corelli. Italiaanse muziek was in Frankrijk door de invloed van de – overigens van origine Italiaanse – componist Jean-Baptiste Lully niet bon ton. In Italiaanse muziek had de viool een vooraanstaande plaats; in Frankrijk was de viool een instrument voor minstrelen en voor dansmeesters, huispersoneel of 'd'autres gens de labeur' (Beaussant, 66), de adel speelde luit of viola da gamba.  De viool werd wel als ensemble-instrument voor opera en ballet gebruikt, maar niet als zelfstandig en volwaardig instrument. Het aandeel in de erkenning van de viool als serieus instrument door Couperin, van deze 'serviteur passionné de l'Italie' (deze toegewijde dienaar van Italië, zoals Lecerf hem noemde, was daarmee in zekere zin baanbrekend in Frankrijk. Couperin slaagde er echter daarbij goed in een stijl te creëren met behoud van Italiaanse èn Franse elementen in een juiste menging, waarlijk 'goûts réunis' [verenigde smaken].Vooral in zijn motetten is de muzikaal evenwichtige wijze te zien waarop hij dit deed, zonder imitatie van 'la manière italienne'. Frans zijn de korte frases, het ritme en de melodische formules afkomstig uit de airs sérieuix of dansen, de zorgvuldige versieringen, Italiaans de levendige muzikale beelden die de tekst ondersteunen en die de dramatiek helpen schilderen, de invoeging van vocalises in de melodielijn, de abrupte verandering van tonaliteit en de veelgebruikte chromatiek. Soms zijn delen puur Italiaans in stijl, soms heel Frans. Couperin schreef geen enkele grand motet, zoals Delalande, Lully of Campra deden, met hun volledige psalmzettingen met en hun veel pregnantere pracht en praal, maar had de voorkeur voor het weergeven van intiemere lyrische gevoelens binnen het petit motet 


Zo doen met name de Duitsers hun best de Italiaanse en Franse stijl te combineren en zetten  de Britten  alles op alles om  de Duitsers op alle mogelijke manieren te imiteren.  Niemand is er beter in geslaagd beide stijlen te verenigen dan [Jean Baptiste] Lully, met wie overigens deze mooie kunst tenminste in Frankrijk dood en begraven schijnt te zijn. Toch kan men uit zijn composities goed opmaken, dat hij meer Franse dan Italiaanse neigingen  had. Hij moest wel, omdat hij zich naar de smaak van de Fransen moest richten met wie hij het meest te doen had.

http://en.wikipedia.org/wiki/Jean-Baptiste_Lully

Wat de voormalige specifiek-Engelse muziek voor effect heeft gehad, daarover komen we maar heel weinig te weten. In elk geval imiteren de Engelsen van nu op platte manier de Italiaanse smaak en geven kapitalen uit aan knappe virtuozen, kortom, wie vandaag de dag iets in de muziek denkt te presteren , begeeft zich naar Engeland. In Italië en Frankrijk is wat te horen en te leren; in Engeland is wat te verdienen; in ons goede vaderland is wat te verteren.

Onder ontwikkelde Duitsers is de waardering voor de muziek niet erg klein, maar ook nooit erg groot geweest; we zijn er altijd wat onverschillig en onoplettend mee omgegaan. Onder mijn landgenoten hebben zich dan ook geen omwentelingen op muzikaal terrein voorgedaan zoals in andere landen (enkele vorstenhoven uitgezonderd). De situatie van nu geeft een goede virtuoos ook geen hoop met zijn beroep veel geld te verdienen, omdat hier toch nog geldt : wapens leggen wetten en kunsten het zwijgen op. Anderzijds zijn er in Duitsland muzikale talenten van die kwaliteit, dat ze menig buitenlander zand in de ogen kunnen strooien. De Duitser heeft dit aangeboren voordeel dat hij, wanneer  hij zich op een activiteit richt, in het bijzonder op de muziek,  vindingrijkheid en een degelijke basis heeft en voor de uitwerking van een zaak duizend maal meer geduld bezit dan wie dan ook ter wereld (inclusief het bedachtzame en diepzinnige Spanje). Hij moet een beetje onder de armen worden gegrepen,  anders wordt hij traag en futloos. Die Duitse virtuozen die met ere deze naam dragen, zijn werkelijk hoger in te schatten dan hele cohorten buitenlanders.  Hun aantal zou waarachtig veel groter zijn wanneer de meeste en voornaamste sponsors juist in ons Duitsland zich er niet toe zouden laten verleiden zulke nietswaardige castraten en andere Italiaanse drop-outs die Italië uitkotst veel liever met megakosten te onderhouden  dan een echte Duitse kunstenaar een stuk brood te gunnen.  Er is bij ons bijna op alle gebieden een kwalijke gewoonte gegroeid om alles wat uit den vreemde komt , niet altijd omdat het mooi en goed is, maar alleen maar omdat het vreemd is, te prefereren boven onze eigen mensen en dingen, niet omdat ze minder zouden zijn, maar alleen maar omdat ze bij ons thuis horen.

Ik vat het bovenstaande kort samen :  De Italianen geven de mooiste uitvoeringen, de Fransen schenken het fijnste vermaak, de Duitsers componeren en werken het best en de Britten hebben de beste smaak.  De Italianen schijnen ons bewonderenswaardig toe , de Fransen beminnelijk, de Duitsers onvermoeibaar en de Engelsen voornaam. De Italianen zijn knap, de Fransen spiritueel, de Duitsers principieel en de Engelsen delicaat. De Italianen verheffen de muziek, de Fransen verlevendigen haar, de Duitsers doen er hun best op en de Engelsen hebben er wat voor over. De Italianen dienen de muziek, de Fransen maken de muziek tot hun metgezel, de Duitsers ontleden haar en de Britten hebben haar als dienares. De Italianen zijn erg vindingrijk en ijverig in het onijverig zijn, de Fransen gebruiken hun vlijt op de onjuiste manier, de Duisters hebben veel vlijt en vindingrijkheid en de Engelsen hebben de beste smaak. De Italianen verrassen, de Fransen willen charmeren, de Duitsers willen studeren en de Engelsen willen compenseren.

[Mattheson schrijft, pronkend met zijn talenkennis : Die Ersten machen sich ADMIRABLES; die Andern AIMABLES; die Dritten INFATIGABLES, und die Vierten EQUITABLES. Die Ersten sind INGENIEUX, die Andern SPIRITUELS, die Dritten FONDAMENTELS, und die Vierten DELICATS. Die Ersten erheben die MUSIC; die andern beleben sie; die Dritten bestreben sich darnach / und die Vierten geben was rechtes davor.Die Ersten dienen der MUSIC; die Andern machen eine COMPAGNE daraus; die Dritten ANATOMIren sie; und den Vierten dienet sie. Die ersten haben viel INVENTION, wenden aber mit Fleiß wenig Fleiß und die andern den ihren nicht zum besten an; die Dritten haben viel INVENTION und ungemeinen Fleiß / die Vierten aber den besten GOUT. Die Italiäner SURPRENNIren; die Frantzosen wollen CHARMIren; die Teutschen STUDIren und die Engelländer RECOMPENSIren].

Over de kerkmuziek

Op het vlak van de kerkmuziek hebben de Fransen een specifieke maar niet zo geslaagde en gestructureerde stijl. Toch zijn hun motetten absoluut het aanhoren waard, hoewel ze niet aan de Italiaanse kunnen tippen vanwege een zeker gebrek aan gravité. Tussen haakjes merk ik nog op dat de Italianen en Duitsers bij hun kerkmuziek naast het tutti, vooral op de solozang gericht zijn, de Fransen daarentegen meestal aandacht hebben voor tuttipassages en stemmen niet graag alleen laten zingen.

Over de vocale muziek

De vocale muziek van de Italianen is superieur aan die van de andere landen, de Fransen hanteren een delicate stijl die Duitse kracht mist, terwijl de Italiaanse stemmen beide in hoge mate bezitten.  Duitsland heeft de beste voorraad aan tenoren en bassen, deels vanwege klimatologische omstandigheden, omdat het weer de stemorganen meer doet uitzetten dan de hitte in de zuidelijke landen, deels vanwege het bier en de voeding die zich van andere landen onderscheidt, deels ook omdat onze religie castratie niet toestaat waardoor onze stemmen volledig tot bloei kunnen komen.

Italianen kunnen wel trots zijn op hun stemmen en met hun vocale kunsten pronken, maar een goede Franse ouverture schrijven of uitvoeren, dat kunnen ze niet. Dat wil zeggen, dat over het algemeen de instrumentale muziek van de Fransen die van de anderen overtreft. Wat voor moeite de Italianen ook doen met hun symfonieën en concerti, die overigens ook best mooi zijn, toch heeft een nieuwe Franse ouverture boven die stukken  de voorkeur. Want afgezien van de compositie van een Suite à la Françoise is de uitvoering die de Fransen zelf daarvan geven zo bewonderenswaardig en uit één stuk, dat er niets mooiers te bedenken is.

Over de muziek voor het theater

Op het gebied van het theater overtreffen de Fransen de Italianen door hun prachtige machinerieën . Ze maken hun opera’s extra indrukwekkend door de majesteitelijke en goedbezette koren  die er voortdurend in opduiken en die fantastisch zijn om naar te luisteren. Daar hebben de Italianen dan weer weinig mee, want de meeste van hun opera’s hebben niet eens een slotkoor aan het eind, maar in plaats daarvan een kleine gavotte of een ander air de mouvement, ten hoogste met twee of drie stemmen bezet. De Britten doen hier net als bij hun andere muziek  de Italianen na. De Duitsers maken meer werk van hun koren en volgen daarmee op verantwoorde wijze de middenweg. De Fransen poetsen hun opera’s op met veel massa-scènes en balletten, die  de Duitsers en Britten met mate nadoen. De Italianen maken daarentegen heel spaarzaam gebruik  van zulke decoraties en muzikale intermezzi omdat ze plezier voor het oor belangrijker vinden dan plezier voor het oog dat volgens hen de muziek verstoort.


http://www.library.yale.edu/~rcastong/projects/lully_recitative.htm

Het Franse recitatief of récit heeft altijd een bepaalde melodie en verschilt alleen maar in beweging van een aria. Het Italiaanse – en dus ook Duitse en Engelse  - recitatief  wordt gekenmerkt door een ongebonden, vrij en vertellend karakter. Een Frans air  heeft alleen maar een melodie en wat kleine niemendalletjes in de begeleiding. Een Italiaanse aria heeft een ingenieus bedacht thema, dat goed wordt uitgewerkt,  en naast de melodie ook een belangrijke portie harmonie. De Franse airs kan men met een zekere nonchalance zingen, de Italiaanse aria’s vereisen meer aandacht (uitgezonderd muziek van het niveau van een barcarole).  De Franse kunnen meestal zonder begeleiding worden gezongen, terwijl bij de Italiaanse  de begeleiding bijna onontbeerlijk is. De Fransen houden er niet van afzonderlijke of een paar woorden als maar te herhalen, de Italianen doen dat juist graag. Een Frans air heeft samenhang en wordt alleen maar in het midden en aan het einde herhaald.

http://en.wikipedia.org/wiki/Aria


Een Italiaanse aria heeft vaak segmenten of pauzes en heeft (afgezien van de Venetiaanse en de zogenaamde galanterie-ariëtta’s ) zelden hele reprises ( of men zou het Da Capo voor een reprise willen houden). De Fransen componeren weinig passages of loopjes voor de zangstem omdat hun stemmen daarvoor ongeschikt zijn; soms moeten ze wel bij woorden als gloire en victoire en dergelijke woorden meer. De Italianen zijn uitzinnig dol op dit soort passages waarover Fransen het hoofd schudden, vooral wanneer de Duitsers hen  willen nadoen  in hun moedertaal die overigens lang niet zo sonoor klinkt en lang niet zoveel a’s en o’s heeft als de Italiaanse.

hoofdstuk II : over de eigenschappen van de muziektonen en hun werking bij het uitdrukken van effecten.

Het is zeker dat iedere toon iets specifieks heeft en qua effect enorm verschilt van een andere toon, wanneer men rekening houdt met tijd, omstandigheden en personen. Er is veel verschil van mening over de vraag  wat iedere toon nu eigenlijk voor affecten oproept en hoe en wanneer ze dat doet. Om aan het speekwoord De  voorouders lopen voorop recht te doen onderzoeken we eerst wat men van oudsher voor oordeel heeft uitgesproken over de eigenschappen van de twaalf modi [toonsoorten] en welke verschillen er tussen de diverse auteurs bestaan.

Zo houdt Lucianus de Dorische toonsoort voor heilig, serieus en geschikt voor de eredienst. Apuleius daarentegen vindt diezelfde modus krijgshaftig en geschikt om een heldenlied in te componeren omdat het naast zijn energie ook een wonderlijke ernst met zich voert. De hypodorische modus hebben de ouden van nature nors gevonden zonder een greintje gemoedelijkheid.  De Phrygische toonsoort maakt volgens sommige mensen eerbiedig, volgens anderen zo woedend dat het tot een handgemeen kan komen. De hypophrygische moet doorgaan voor deemoedig en klagelijk; dat is vreemd, omdat hij grote gelijkvormigheid heeft met de voorafgaande modi waarmee hij toch volkomen contrasteert. De lydische toonladder noemt Plato in hoofdstuk 50 van zijn dialoog De Staat de tuimelende. Lucianus ziet er iets bacchantisch in met brutale en harde trekken. De hypolydische toonsoort roept tranen tevoorschijn en wordt de vrome modus genoemd. De mixolydische ziet men als uiterst beweeglijk. Bij de hypomixolydische  stelt men zich natuurlijke vrolijkheid voor.  De Aeolische zou aangenaam en zoet zijn. De Ionische ladder wordt door Lucianus opgewekt genoemd,  door Apuleius wellustig, terwijl hij toch in werkelijkheid de allernatuurlijkste, onschuldigste en niet de geringste onder de modi is. De hypoionische wordt voor verwijfd en week gehouden. Van de hypoaeolische heb ik alleen kunnen vinden (namelijk bij Corvinus , in heptachordo Danico p.70) dat hij het best bij treurige zaken past.

Wanneer we beginnen met de Dorische toonladder van d kleine terts, vinden we dat deze devoot van karakter is, rustig, aangenaam en tevreden. Tijdens kerkdiensten bevordert hij de aandacht,  in het gewone leven bevordert hij de gemoedsrust, maar ook kan men er charmante , maar niet bijzonder uitbundige ,  wel vloeiende stukken met succes mee schrijven.  Voor het heldendicht is hij het meest geschikt, want hij is energiek maar ook waardig. Aristoteles noemt hem serieus en standvastig.

G klein is bijna de allermooiste toonsoort, omdat hij ernst met een montere liefelijkheid combineert en  een bijzondere charme en bevalligheid  kan laten blijken. Hij is daarmee geschikt voor tedere, opwekkende, verlangende, vergenoegde stukken, voor  een bescheiden klacht en getemperde vrolijkheid. [Athanasius] Kircher vindt, dat hij een bedachtzame  en fatsoenlijke vrolijkheid als kenmerk heeft, dat hij vrolijk is en vol serieuze sprongen.

A klein is wat klagelijk, eerbaar en gelaten, slaapverwekkend, maar daarbij niet onaangenaam. Erg geschikt voor instrumentale muziek inclusief die voor toetsinstrumenten. Kircher zegt : ad commiserationem citandam aptus, dwz. geschikt om medelijden op te wekken. Deze toon heeft een prachtig en ernstig affect en kan daarbij vleierij suggereren. De natuur van deze toon is gematigd en kan bijna voor alle gemoedsbewegingen worden gebruikt. Hij is soepel en buitengewoon zoet.

E klein is bepaald niet opgewekt, eerder bedachtzaam, bedroefd en treurig, maar zo, dat troost nog mogelijk is. Er kan een energiek stuk in worden gecomponeerd, maar dat is dan niet meteen vrolijk. Kircher zegt : hij houdt van verdriet en smart. Lucianus ziet er iets onstuimigs in en Gloreanus iets klagelijks.

C groot is qua karakter nogal ruw en brutaal maar is geschikt voor de rejouissance en andere stukken waarin men de vreugde de vrije teugel geeft. Een goed componist  kan er ook charmante en tedere stukken in schrijven.

F groot drukt de mooist denkbare gevoelens uit, zoals grootmoedigheid, standvastigheid, liefde of wat ook maar meer bovenaan staat in het register van  deugden, en dat alles volkomen natuurlijk en gemakkelijk, zonder dat er dwang bij nodig is.  Het sympathieke van deze toonsoort  kan niet beter worden omschreven dan door de vergelijking met een aardige persoon  bij wie alles perfect past wat hij doet, hoe gering het ook maar is,  en die wat de Fransen noemen bonne grace heeft.

D groot is van nature wat scherp en eigenzinnig en bijzonder geschikt voor opgewekte , krijgshaftige en opmonterende zaken met veel lawaai. Toch zal niemand kunnen ontkennen, dat ook in deze harde toon heel aardige en delicate zaken kunnen worden geschreven.

G groot is indringend en overtuigend, niet weinig briljant en even goed voor serieuze als vrolijke stukken geschikt. Kircher noemt hem amorosum et voluptuosum, verliefd en wellustig. Maar ook honestum & temperantiae custodem, een eerlijke hoeder van de matigheid. Corvinus houdt het erop, dat hij past bij vrolijke en verliefde stukken.

C klein  is uitermate liefelijk, maar ook droevig. Omdat de eerste kwaliteit nogal kan overheersen  en men ook van zoetheid verzadigd kan raken,  is het aan te bevelen wanneer men deze toonsoort door het tempo aan te passen wat meer levendigheid geeft, anders zou men erbij in slaap kunnen vallen. Moet het stuk juist de slaap bevorderen dan  kan  de laatste opmerking als waardevolle suggestie worden opgevat.

F klein schijnt een gelaten, diepe, zware, ook met vertwijfeling gepaard gaande  dodelijke angst voor te stellen en is daarbij bovenmate beweeglijk [misschien hier bedoeld als : in staat gemoedsbewegingen op te roepen]. Op fraaie wijze drukt hij een zwarte, hulpeloze melancholie uit en wil bij de toehoorder soms een huiver veroorzaken.

Bes groot is onderhoudend en pralend, behoudt graag wat bescheidens en kan dus tegelijkertijd voor magnifiek  en delicaat doorgaan. De volgende suggestie van Kircher is niet te verwerpen : ad ardua animam elevans : hij verheft de ziel tot moeilijke zaken.

Es groot heeft veel pathetisch in zich en wil graag van doen hebben met serieuze en klagelijke onderwerpen en staat haaks op alles wat lichtzinnig is.

A groot is aangrijpend en briljant en is geschikter voor klagelijke en treurige stemmingen dan voor gebruiksmuziek. Vooral leent deze toonsoort zich prima voor vioolmuziek.

E groot drukt ongelofelijk goed een vertwijfelde en dodelijke treurigheid uit en is voor extreem verliefde hulpe- en hopeloze zaken het passendst en heeft in bepaalde situaties iets snijdends, lijdends en doordringends, zodat hij kan worden vergeleken met de fatale scheiding van lichaam en ziel.

B klein is bizar, juist niet vrolijk, maar melancholisch en wordt dan ook zelfen gebruikt. Dat is er misschien de oorzaak van, dat de Ouden hem uit hun kloosters en cellen hebben verbannen om hem uit hun herinnering weg te houden.

Fis klein leidt tot grote bedroefdheid, maar meer van een kwijnende en verliefde soort dan dodelijk. Deze toon heeft verder iets van verlatenheid, mensenhaat en eenzaamheid in zich.

Deze opmerkingen over het karakter van elke toonsoort kunnen  nieuwsgierigheid bevredigen , maar ook een grote discussie op gang brengen over de vraag  of hiermee alles gezegd is.  Elke nieuwe uitspraak zal dan weer tot een reactie leiden  omdat de meningen op dit terrein ontelbaar zijn. Dat kan ook niet anders, omdat de karakters van de mensen zelf erg uiteenlopen. Een bepaalde toon kan voor mensen met een sanguinisch temperament vrolijk en stimulerend overkomen, maar voor een flegmaticus juist traag en klagelijk. Iedereen moet uiteindelijk zelf maar de toonsoorten hun betekenis geven, afhankelijk van hun eigen stemming.

 http://ne.wikipedia.org/wiki/Toonsoort