***











 

www.resantiquae.nl

Marpurg, Anweisung

Methode

tot het aanleren van het klavierspel

met het oog op de tegenwoordige

meer verfijnde uitvoeringspraktijk

ontworpen door

Friedrich Wilhelm Marpurg

Berlijn

Bij Haude en Spener

1765

* * *







Marpurg: Anleitung zum Clavierspielen

hoofdstuk 1 over de theoretische principes van het klavierspel

* 1 Er zijn klavierspelers die goed op de hoogte zijn van de principes van de muziek, maar niet weten, waar ze moeten beginnen om ze een ander bij te brengen. Ze hanteren een foute volgorde en vertellen hun leerlingen te weinig of te veel in één keer. Wanneer die leerlingen niet begrijpen wat hun wordt verteld, dan is dat geen wonder, omdat de docenten het onderling niet met elkaar eens zijn. Men kan hieruit gemakkelijk begrijpen, hoe het komt, dat de knapste koppen geen vorderingen maken en waarom ze, wanneer ze na bittere inspanningen na veel jaar iets begrijpen, wat ze in één maand hadden kunnen leren, zich toch niet eens van het weinige dat ze dan geleerd hebben, rekenschap kunnen geven.

* 2  De voorliggende methode waarin die beginselen van de muziek, die men nodig heeft om goed te kunnen spelen,  in hun natuurlijke volgorde worden gepresenteerd, zal tot bewijs dienen dat men minder moeite hoeft te besteden aan het les geven, maar dat men ook de studietijd voor de leerlingen aanmerkelijk kan verkorten. Deze voordelen zijn belangrijk genoeg om onder de aandacht te worden gebracht. Voordat we de bedoeling van dit boek nader toelichten,  maak ik vooraf de volgende opmerkingen.

* 3 Hoe vroeger men met de klavierstudie begint, des te verder zal men het er zonder twijfel in brengen, hoewel de ervaring ook vaak genoeg heeft geleerd dat veel personen ook bij een late start heel goede klavierspelers zijn geworden en anderen bij een heel vroege start niets geleerd hebben. Vóór het zesde of zevende jaar hoeft men van het onderricht meestal geen bijzonder succes te verwachten.

* 4 Het harde toetsenbord kan schadelijk uitwerken op de tere handen van een kind omdat het wordt genoodzaakt zijn spieren  met alle macht in te spannen om de toetsen te kunnen indrukken, een omstandigheid waardoor het ruwe en luide spel ontstaat evenals de onjuiste positie van de hand. Daarom is het juist zo nuttig de vingers vanaf het begin al op de vleugel [bedoeld wordt het klavecimbel] te oefenen om wat sterker te kunnen worden.  Wel moeten in dat geval de dokken van zwakke plectra voorzien zijn. Ook kan men zich tot een enkel register beperken.  Het klavecimbel verdient de voorkeur boven het clavichord, omdat de toon niet zo snel wegsterft en men eerder kan horen of de leerling na het spelen van de toon volgens de opgegeven notenwaarde zijn vinger snel van de toets opheft of niet, en men hem daardoor kan behoeden voor een kleverige manier van spelen.

* 5 Men moet precies voor het midden van het klavier gaan zitten, omdat de linker hand zowel de verste toetsen aan de rechter zijde en de rechterhand de uiterste toetsen aan de linkerzijde moet kunnen bereiken.  Men moet er dus ook niet te ver van af gaan zitten want anders raakt het lichaam uit balans, wanneer de handen de verste toetsen moeten bereiken, maar ook niet zo dichtbij dat de ellebogen naar achteren worden teruggetrokken  en de bovenarm loodrecht naar beneden wijst. Men moet ongeveer 25 tot 40 cm van het toetsenbord af gaan zitten,  gerekend   van af het midden van het lichaam, al naar gelang iemand kortere of langere armen heeft.

* 6 Men moet ook op de juiste hoogte voor de piano zitten, niet zo hoog of laag, dat de handpalm   met de elleboog een schuine lijn vormt. In beide gevallen raakt de hand vermoeid om maar niet de spreken over de slechte indruk die zoiets maakt. Van de juiste hoogte is ook een element, dat het onderste deel van de elleboog met het onderste deel van het gewricht dat de hand afzondert van de arm, en de neergebogen vingertoppen een horizontale lijn vormt.  Zo hoog als men de ene bovenhand boven het klavier laat gaat, zo hoog moet ook de andere bovenhand erboven gaan zonder dat het handgewricht uitsteekt of ingetrokken is.

* 7. Wanneer jonge mensen nog niet met hun voeten op de grond komen, moeten ze een voetenbankje krijgen waarop ze hun voeten kunnen plaatsen zodat niet hun lichaam heen en weer beweegt en daardoor uit balans raakt.

* 8 Men moet met gelijke druk en gelijkmatige aanslag de opeenvolgende toetsen indrukken, zonder heftige bewegingen en sprongen en zonder de handen op de toetsen te werpen, zonder de vingers uit hun gebogen houding te brengen en deze nu eens te strekken en dan weer samen te trekken, zonder een deel van de vinger van het klavier naar de handpalm te bewegen en een vinger als een aanwijsstokje op een toets gestrekt te houden, zonder nu eens slordig weg over de toetsen te roetsen en ze dan weer meer te mishandelen dan ze fatsoenlijk neer te drukken.  Men moet niet geloven, dat het niets uitmaakt op welke manier de toetsen van een klavecimbel worden aangeslagen en dat alleen bij een fluit of viool, vanwege de verscheidenheid van het aanblazen of aanstrijken,  ten aanzien van de toonvorming een onderscheid kan bestaan. Het is waar, op een klavecimbel is de toon op zichzelf altijd dezelfde, of de toetsen nu zachtjes worden aangeslagen of zo hard dat men de bijgeluiden van het hout erbij hoort. Toch is de manier om een grote hoeveelheid van op elkaar volgende tonen in samenhang te laten horen, zo verschillend als  handen verschillend kunnen zijn. Omdat de ene manier nu eenmaal altijd meer of minder aangenaam is dan de andere, volgt daaruit, dat er eigenlijk maar één echte manier kan zijn om de toetsen in een zodanige beweging te brengen dat het gehoor er plezier aan beleven kan.  Dat bij een clavichord het verschil op dit punt nog merkbaarder is, spreekt vanzelf.

http://en.wikipedia.org/wiki/Harpsichord

http://en.wikipedia.org/wiki/Clavichord

Omdat jongeren die beginnen te leren, de gewoonte hebben  dat  ze , in het bijzonder bij trillers en mordenten, hun spieren sterk aantrekken en ze dwingen een toon tot stand te brengen, zo licht ook de toetsen spelen, toch moet er gelijk al bij de eerste les op worden toegezien dat de spieren volkomen ontspannen blijven en de vingers zo veel vrijheid laten, alsof ze er niets mee van doen hadden.

* 9  Ook moet men letten op het maken van grimassen en gebaren, dat men geen gekke gezichten trekt,niet met het hoofd knikt, niet snuivende geluiden maakt, met de mond trekt, met de tanden knarst en wat er voor belachelijke gedragingen meer zijn. Bij afwezigheid van de leraar kan een leerling die in deze valkuil pleegt terecht te komen, een spiegel op zijn lessenaar plaatsen om zo deze fouten te corrigeren.

* 10. De trillers en mordenten die onder de verschillende manieren als de lastigste worden beschouwd, en die bij maar weinig klavierspelers  helemaal naar wens gaan, moet men een leerling direct al in het begin met alle vingers laten oefenen. De spieren worden daardoor trefzekerder en soepeler. Om duidelijk te kunnen horen of de aanslag gelijkmatig en niet nu eens sneller, dan weer langzamer plaats vindt, wat men mekkeren noemt , moet men de leerling deze manieren altijd lang laten aanhouden in overeenstemming met de natuurlijke graad van snelheid die zijn hand heeft, zonder die te willen overdrijven.  De duidelijkheid van toon verwerft men zich mettertijd  wanneer de spieren zich overigens daartoe lenen. Het is altijd beter een minder snelle triller gelijkmatig te spelen dan een zeer snelle triller ongelijkmatig. Bij snelle passages en op korte noten merken onze oren deze ongelijkheid niet op, maar op langere noten wordt ze als ondragelijk ervaren, vooral wanneer de triller soms zelfs wordt onderbroken wanneer de vingers niet meer verder willen.

* 11. Tijdens de eerste lessen is het niet aan te bevelen kinderen in afwezigheid van hun leraar te stimuleren tot een overdreven oefening van hun lesstof. Ze zijn te vluchtig dan dat ze zich de moeite kunnen getroosten hun handen in de hun voorgeschreven positie kunnen houden. Ze kunnen door een foutieve herhaling in een ogenblik vernielen wat een kundig docent hun in drie kwartier tijd zorgvuldig heeft aangeleerd.

* 12. Men moet zich eraan gewennen de toetsen snel te grijpen om, wanneer men van het blad speelt, niet gedwongen te zijn elk ogenblijk met zijn ogen over te springen op het toetsenbord en daarna weer op het papier.

* 13. Men moet niet eerder beginnen kinderen van het blad te laten spelen, dan wanneer ze allerlei kleine vooroefeningen in de vingers hebben. Het kan bijna niet voorkomen worden dat hun vingers, wanneer zij zelf hun blik richten op de noten, de weg krijt raken en het spelen van trillers en andere versieringen eronder te lijden heeft. In het begin moet men ze alle stukken  uit het hoofd laten spelen.  Spelen met smaak en sierlijkheid is bijna nog belangrijker dan spelen naar de noten. Het verstrijken van drie of vier maanden tijd maakt dan ook niet uit.  Iemand die pas begint moet men  met iedere hand afzonderlijk van blad laten leren spelen voordat hij beide handen samen neemt.

* 14. Sommige docenten hebben de gewoonte hun leerlingen van begin af aan te plagen met moeilijke stukken oefenstof. Ze gebruiken daarbij als argument, dat het gemakkelijke zonder moeite te doen is, wanneer men het moeilijke beheerst. Deze mening is onjuist.  Alles hangt af van de beschikbare oefentijd. Het zal niet gebeuren dat men later succes heeft, wanneer men in het begin geen benul heeft van wat men doet. Bovendien vindt een leerling het fijn wanneer hij stukken op krijgt die hij zich gemakkelijk kan aanleren. Dat vergroot zijn motivatie. Geleidelijk aan en, om zo te zeggen, met een zekere ironie, brengt men hem in contact met moeilijke stukken en uiteindelijk met de allermoeilijkste.  Ook de grootste optimist kruipt in zijn schulp wanneer hem te  moeilijke stukken worden voorgelegd.

* 15. Men moet erop toezien alle vingers zonder onderscheid door hiervoor geschikte stukken soepel te maken. Noch de pink, noch de duim mag hier van worden uitgesloten.  Men kan er zeker van zijn dat die docenten die één van de twee uit hun vingerzetting verbannen, hun leerlingen bij de neus nemen. Zou men nog meer vingers hebben, dan zou men ook die kunnen gebruiken.

* 16. In het begin is te snel spelen uit den boze. Dit is namelijk de eerste stap naar onduidelijkheid en verwarring. Vaak is daarbij ook de correcte vingerzetting in het geding.

*  17. Men mag een hoofdstuk pas ter zijde leggen wanneer men de inhoud daarvan volledig beheerst. De vorderingen van een leerling zijn niet af te lezen uit het aantal stukken dat hij speelt, maar uit zijn vaardigheid ze volkomen juist en vloeiend te spelen.