GUSTAV MAHLER, BRIEVEN


GUSTAV MAHLER

BRIEVEN

VERTAALD NAAR DE UITGAVE

VAN

HERTA BLAUKOPF

PAUL ZSOLNAY VERLAG,

WIEN/HAMBURG

1982

***

1

An Gustav Schwartz


RUM-, PUNSCH-, ROSOGLIO-, LIQUEUR - & ESSENZEN-FABRIK DES B. MAHLER IN IGLAU

Iglau, 28 augustus 1875

Weledelgeboren Heer,

In aansluiting op de brief van mijn geliefde vader dank ook ik u, geëerde heer, voor de eervolle opname en verzorging die u mij in de grootste mate ten deel liet vallen. Ik kan er slechts aan toevoegen, dat er nog wel een kleine woordenwisseling voor nodig zal zijn mijn vader tot overeenstemming met ons te bewegen met betrekking tot ons project. Hoewel hij al enigszins geneigd is voor ons partij te kiezen, toch is hij nog altijd niet hierover met zichzelf in het reine. Zoals in Bürgers “Wilder Jagd” staan ook hem twee ridders terzijde, links en rechts, die hem alle twee nu eens meesleuren naar de ene, dan weer naar de andere kant. Overigens hoop ik maar, dat bij ons de rechter ridder de overhand zal krijgen en “daarvoor moet jij, Werner, ons helpen”.

Mijn vader is er nu eens bang voor, dat ik mijn studies zal verwaarlozen of onderbreken, dan weer dat ik door slecht gezelschap in Wenen op het slechte pad zal raken. Ook wanneer hij naar mijn indruk onze kant gaat kiezen, moet u toch bedenken, dat ik in de strijd met zo veel ‘verstandige en respectabele lieden’ volkomen op mezelf ben aangewezen. Daarom verzoek ik u, mij op zaterdag 4 september een bezoek te brengen, want alleen door uw toedoen kan mijn vader helemaal worden overgehaald. Wilt u mijn groeten overbrengen aan uw vrouw en de dames en heren in Ronov?

Met oprechte hoogachting

Gustav Mahler


B. Mahler : Gustavs vader Bernhard (1827-1889)


Project : toelating tot het conservatorium van het Gesellschaft der Musikfreunde in Wenen


Studies : Gustav bezocht het gymnasium in Iglau


Bezoek : Schwartz kwam inderdaad naar Iglau en ging enkele dagen later met Mahler naar Wenen


Ronov : landgoed waarop Gustav Schwartz als domeinbeheerder werkte



***

2 Aan het conservatorium van het Gesellschaft der Musikfreunde

Zonder datum, Wenen 1876

Gewaardeerd schoolbestuur,

U wilt me wel verontschuldigen, dat ik het waag, mijn al eens afgewezen verzoek om vrijstelling van schoolgeld te hernieuwen. Mijn vader is namelijk niet in staat in mijn levensonderhoud te voorzien, laat staan, dat hij het schoolgeld voor mij zou kunnen opbrengen. Ik zelf ben niet in staat het te betalen, omdat mijn bestaan in Wenen bij gebrek aan lessen heel problematisch is. Mijn leraar, professor Epstein , heeft me beloofd me op zeer korte termijn enkele lesuren te bezorgen. In neem nu de vrijheid nog eens een verzoek te doen om vrijstelling van schoolgeld, omdat ik vanwege de eerder genoemde redenen niet in staat ben het schoolgeld te voldoen. Zo zou ik tot mijn zeer grote spijt gedwongen zijn af te zien van het voor mij zo waardevolle onderricht aan het conservatorium. Wanneer mijn omstandigheden het later zullen toelaten, zal ik met het grootste genoegen aan mijn verplichtingen voldoen.

Hoogachtend,

Gustav Mahler

___

Ik veroorloof me dit verzoek te ondersteunen en ben bereid voor de stipte betaling van het halve schoolgeld garant te staan.

Julius Epstein


Halve schoolgeld : uit de conservatoriumdocumenten blijkt, dat Mahler de resterende 60 gulden in termijnen mocht betalen.


***

3 Aan Julius Epstein


Zonder datum, Iglau, zomer 1877


Mijn beste en vereerde leraar!


U kunt zich niet indenken wat voor een vreugde uw gewaardeerde brief bij mij heeft veroorzaakt! Ik weet werkelijk niet, wat ik u moet zeggen om u te bedanken voor zoveel goeds. Ook al zou ik er vellen papier mee volschrijven, dan zou ik er niets anders mee willen zeggen dan : “Het typeert u”. Weest u er verzekerd van, dat deze woorden niet alleen maar loos gepraat zijn, maar dat ze oprecht zijn en echt gemeend. –

Uw ‘Wohltemperiertheit’ (~goede stemming) zal het me niet kwalijk nemen, wanneer ik vanuit dit tedere adagio van mijn gevoelens naar een wilde finale moduleer via de dissonanten van mijn woede, die werkelijk als ‘ongemeen rubato’ moet worden opgevat. Ik ben namelijk hier in Iglau een paar maten te laat ingevallen bij mijn toelatingsconcert, of eerder ben ik enkele dagen te laat gearriveerd, zodat ik de matura niet meer kon meemaken en gedwongen was die twee maanden te verschuiven. Ik hoop desalniettemin de door u opgegeven vakantie-opdracht tot uw volledige tevredenheid te voltooien.


Weest u verzekerd van mijn respect en dankbaarheid jegens u.


Uw toegewijde leerling


Gustav Mahler


P.S. Wilt u zo goed zijn bij gelegenheid mijn groeten over te brengen aan directeur Hellmesberger en professor Krenn? Mijn ouders groeten u van harte.



‘ongemeen rubato’: in het onvolledige pianokwartet uit 1876 gebruikte Mahler aan het einde van het eerste deel de voordrachtsaanduiding ‘ongemeen rubato en hartstochtelijk’




Enkele dagen te laat gearriveerd : in werkelijkheid was Mahler gezakt voor de examens in juli 1877 en slaagde hij pas in september.




Hellmesberger: het gaat om Joseph Hellmesberger (1828-1893)




Professor Krenn : Franz Krenn (1816-1897) : Mahlers compositiedocent aan het conservatorium



***

4 Aan Gustav Schwartz

Iglau, 6 september 1877

Weledelgeboren Heer,

Het zal u misschien niet weinig verbazen, dat er een zo treurige aanleiding voor nodig was om een briefwisseling met u te beginnen en u heeft het volste recht mij mijn grove ondankbaarheid en tactloosheid te verwijten. – Toen ik twee jaar geleden het geluk had uw eerbiedwaardige huis te leren kennen en toen u mij met de meest bereidwillige sympathie tegemoet kwam en mij misschien meer dan ik verdiende, ondersteunde, kon ik er nauwelijks van dromen, dat de man die als een Poseidon met zijn drietand de golven van mijn lot tot bedaren bracht en als een voortreffelijk stuurman het schip van mijn leven in een betere haven deed belanden, dat die man ooit redenen zou hebben zich bitter te beklagen over mijn gedrag tegenover hem. – Destijds, in die gelukkige en veelbetekenende dagen, toen u mij het land van belofte deed zien, drong bij mij, uw ijverige leerling, die aanblik binnen in de binnenste vezels van mijn hart om daar als een koning te heersen en mij op al mijn wegen te leiden. Door uw bemiddeling lukte het me later in Wenen een machtige vriend te verwerven die me nog altijd blijk geeft van zijn bijzondere sympathie en zijn warme welwillendheid. U was het die voor mij de poorten van de muzentempel opende en mij binnen leidde in het beloofde land. – Nu zult u vragen, hoe het kon gebeuren dat ik zozeer al mijn verplichtingen tegenover u kon vergeten en in plaats van u te berichten over mijn vorderingen en successen kon volharden in een volstrekt onbegrijpelijk stilzwijgen?...

Ik weet het zelf niet meer. Alleen een onzalig samenvallen van omstandigheden en verhoudingen maakte het me moreel gezien onmogelijk de geestelijke omgang met u af te breken en mij op die manier een schuld op me te nemen die ik twee jaar van mijn leven zou moeten dragen. – Nu ik rijper en volwassener ben geworden en er pas goed over nadenk, wat heel vaak gebeurt, komt mijn gedrag me gewoon kinderachtig en , wanneer ik er zelf geen deel aan zou hebben, belachelijk voor. Ik was destijds een jonge dwaas die zich door zijn hartstochten blindelings liet leiden en altijd alleen maar de ingevingen van het ogenblik volgde. Wat u nu nog een raadsel lijkt, zal ik u later nog eens, wanneer we oog in oog met elkaar staan, liever en gemakkelijker verklaren. Maar wat u ook wilt doen, beschuldig me niet van ondankbaarheid. Ik heb nooit vergeten, wat ik u schuldig ben en het is nooit in me opgekomen u ook maar in het minst te beledigen. Schrijft u datgene wat me al heel wat ellendige ogenblikken heeft opgeleverd, maar op het conto van mijn jeugdige onbezonnenheid. Verder hoop ik, dat u dit alles van mij zult willen aannemen. Dat het geen loze uitvluchten zijn verzeker ik u als kunstenaar op mijn erewoord, dat me heilig is. Wat betreft mijn vorderingen, kan ik u zeggen, dat ik me niet vergiste toen ik deze weg insloeg en dat ik aan de verwachtingen die mijn docenten van mij hadden, tot hun grote tevredenheid ben tegemoet gekomen. Misschien zult u, wanneer het lot het wil, binnenkort meer van mij horen. –

En nu over de aangelegenheid waarom ik me in naam van mijn vader moet bekommeren. Het spijt me heel erg dat het sympathieke aanbod dat u zo vriendelijk was in uw laatste brief aan ons te doen, niet voor eerder gold. Mijn vader was afgelopen week in Wenen en heeft een adres voor mij geregeld en dat voor de eerste maand ( en wel als aanbetaling) betaald. Wanneer ik naar Wenen kom , zal ik zo vrij zijn over deze kwestie mondeling te overleggen met mijn moeder en zus. Ik verzoek u bij voorbaat de laatstgenoemde mijn hartelijke groeten over te brengen.

Tenslotte vraag ik u dringend me niet met gelijke munt terug te betalen, maar me zo nu en dan wat regels te schrijven. Mijn adres in Wenen zal ik u over een paar dagen sturen.

Om dit alles liever mondeling af te handelen zou ik misschien de vrijheid hebben moeten nemen zelf voor één of twee dagen naar Morawan te komen, wanneer de matura die ik op de twaalfde van deze maand moet afleggen, mij dat niet verhinderd zou hebben.

Over de tragische gebeurtenis was ik werkelijk heel verdrietig, maar toch wil ik afzien van de gebruikelijke cliché’ s en troostformules, omdat deze regels aan een man en niet aan een vrouw zijn gericht. Ik verzoek u uw vrouw een handkus namens mij te geven. Ik denk ook nu nog met veel plezier aan de hartelijke en ongedwongen ontvangst waarin u me liet delen. Ik moet toegeven dat ik nog nooit een meer sympathieke gastvrouw heb leren kennen. Ook de mensen van Ronow wil ik van harte groeten. Ik hoop van u spoedig een reactie te ontvangen en teken met uitzonderlijke hoogachting

Gustav Mahler

Van mijn ouders volgen nog de hartelijke groeten


Land van belofte : het conservatorium in Wenen


Een machtige vriend : vermoedelijk professor Julius Epstein



***

5 Aan Josef Steiner

Puszta-Batta, 17 juni 1879

Beste Steiner!

Wees niet boos op me, dat ik je zo lang zonder antwoord heb gelaten, maar alles in mijn omgeving is zo naargeestig. Achter me breken de takjes van een dor, uitgedroogd bestaan. Met mij is veel gebeurd sinds ik je niet geschreven hen. Ik kan het je alleen niet zeggen. Alleen dit : ik ben een ander geworden; of ik een beter iemand ben geworden weet ik niet, gelukkiger in elk geval niet. De vurigste gloed van de vrolijkste levenskracht en het verterende doodsverlangen, beide wonen afwisselend in mijn hart. Ja, vaak wisselen ze elkaar per uur af. Eén ding weet ik zeker : zo kan het niet meer verder gaan! Wanneer me de afschuwelijke dwang van onze moderne hypocrisie en leugenachtigheid tot aan de zelfverloochening heeft gedreven, wanneer de onlosmakelijke samenhang met onze kunst- en levensverhoudingen in staat was mijn hart te vervullen met walging voor alles wat me heilig is, kunst, liefde, religie, is er dan nog een andere uitweg dan zelfvernietiging? Met geweld breek ik de banden die me aan het walgelijke moeras van het bestaan binden. Met de kracht van mijn vertwijfeling klamp ik me vast aan de smart, mijn enige trooster.

Daar lacht de zon me toe en weg smelt het ijs van mijn hart, ik zie de blauwe hemel weer en de wiegende bloem en mijn hoongelach gaat over in tranen van liefde. Ja, ik moet van haar houden, deze wereld met haar bedrog en lichtzinnigheid en haar eeuwige lach. O, dat God de sluier voor mijn ogen weggriste, zodat mijn heldere blik kon door dringen tot in het merg van de dingen! O, wat zou ik haar willen aanschouwen, deze aarde, in haar naaktheid, zonder opsmuk, zonder sier, zoals ze klaar ligt voor haar schepper. Ik zou dan voor haar genius willen verschijnen. ‘Nu ken ik je, leugenaar, met je huichelarij heb je me niet voor de gek kunnen houden, met je lichtglans heb je me niet verblind! O, kijk hier eens! Een mens, betoverd door het glibberige spel van je valsheid, getroffen door de vreselijkste slagen van je hoon, maar ongebogen, sterk! Laat angst je overvallen, waar je je ook verbergt! Uit het dal van de mensheid klinkt het je toe, naar de kilte van je eenzame hoogte. Begrijp je de onzegbare ellende die zich daar beneden door aeonen tot een berg heeft opgehoopt? En daar aan de top troon je en lacht! Hoe zal je je voor je wreker verantwoorden, jij die niet eens de smart van een enkele angstige ziel kan lenigen!!!

***

18 juni

Ik was gisteren te uitgeput en te aangedaan dat dat ik verder had kunnen schrijven. Nu heeft mijn wilde opgejaagde stemming van gisteren plaats gemaakt voor een mildere. Ik voel me als iemand bij wie na een langdurige woede de tranen van opluchting opwellen. Beste Steiner! Wil je weten, wat ik hier de hele tijd heb uitgevoerd? Slechts een paar woorden zijn daarvoor genoeg. – Ik heb gegeten en gedronken, ben wakker geweest en heb geslapen, gehuild en gelachen. Ik heb op bergen gestaan waar Gods adem waait, ik ben op de heide geweest en het gelui van de koeienbellen heeft me in slaap gezongen. Maar aan mijn lot ben ik niet ontsnapt. Twijfel volgt me op al mijn wegen en ik kan me over niets echt verheugen : mijn zaligste lach gaat met tranen gepaard. Ik leef hier nu op een Hongaarse poesta, bij een familie die me voor een zomer heeft in gehuurd. Ik moet de jongens pianoles geven en zo nu en dan de familie wat muzikaal plezier verschaffen. Zo zit ik hier als een mug in het web en stuiptrek nog wat. Maar de moor doet zijn plicht. Maar wanneer ik ’s avonds naar buiten ga de heide op en daar in een eenzame lindenboom klim en wanneer ik dan vanuit het topje van mijn vriend over de wereld uitkijk, dan trekt voor mijn ogen de Donau zoals altijd voorbij en in haar golven weerkaatst de gloed van de ondergaande zon. Achter me klinken in het dorp de avondklokken die een vriendelijke bries naar mij overbrengt. De takken van de boom wiegen heen en weer in de wind, ze wiegen me in slaap, zoals de dochters van de Erlkoning en de bladeren en bloemen van mijn lieveling vleien zich teder aan mijn wangen. – Overal rust! De heiligste rust! Alleen klinkt van verre de melancholieke roep van de pad die treurig in het riet zit. –

Zo trekken de bleke gestalten van mijn leven als de schaduw van een al lang vergaan geluk aan mij voorbij en in mijn oren klinkt het lied van het verlangen opnieuw. – En weer stappen we maar voort over bekende gebieden en daar staat de man van de draailier met zijn hoed in zijn magere hand. In de valse klanken hoor ik de groet van Ernst van Zwaben, hij treedt zelf naar voren en breidt zijn armen naar me uit en wanneer ik beter kijk, is het mijn arme broer, sluiers glijden naar beneden , de beelden en klanken worden vager:

Uit de grauwe zee duiken twee sympathieke namen op : Morawan en Ronow. En ik zie tuinen en daarin veel vriendelijke mensen en een boom waarin een naam staat ingekerfd : Pauline. Een blauwogig meisje buigt zich naar opzij en breekt voor mij lachend een druif van de tak af. Bij die herinnering begin ik voor de tweede keer te blozen. Ik zie de twee ogen die me ooit tot dief hebben gemaakt – en weer wijkt alles terug. Niets! Daar doemt de fatale paraplu op en ik hoor de profetische stem die me vanuit zijn ribben en ingewanden net als een Romeinse augur, ongeluk voorspelt. Plotseling komt uit de grond een tafel tevoorschijn. Aan die tafel een spookachtige gestalte, helemaal omhuld in blauwe wolken : het is Melion die de ‘grote geest’ bezingt en hem tegelijk met echte ‘driekoningen’ bewierookt! Daarnaast zitten wij als twee misdienaars die voor het eerst bij de heilige mis dienst hebben.

En achter ons zweeft grijzend, met speelkaarten bekleed, een kobold, met het gezicht van Buxbaum die ons met huiveringwekkende stem op de wijs van een etude van Bertini toeroept : “Buigt u! Ook deze heerlijkheid zal verdwijnen!’ Een wolkenmassa van Melion bedekt het toneel en wordt dichter en dichter, en daar – heel plotseling – kijkt een engelenkopje ons aan zoals op het schilderij van de Madonna van Rafael. Onder hem staat Ahasverus met al zijn leed. Hij zou willen opstijgen naar het engeltje en zijn zalige, verlossende nabijheid, maar de engel zweeft lachend weg en hij staart hem in onzegbare smart na en dan neemt hij zijn stok en trekt maar weer verder, zonder tranen, eeuwig, onsterfelijk!

O geliefde aarde, wanneer, ach wanneer neem je mij eenzame in je schoot op? Kijk! De mensen hebben hem weggestuurd en weg vlucht hij, weg van hun kille hart, hun harteloosheid, naar jou toe, naar jou! O, neem de eenzame op, de rusteloze, eeuwige moeder!

***

19 juni

Beste Steiner!

Weer kom ik bij je terug, de derde dag al, en nu om vrolijk afscheid te nemen. Het is de geschiedenis van mijn leven die op deze bladen is opgetekend. Een vreemd noodlot, dat me nu eens op de golven van mijn hartstocht in de storm meesleurt dan weer in lachende zonneschijn toe blaast. Ik ben alleen bang dat ik in de storm op de klippen loop – mijn kiel hebben ze al vaak te pakken gehad!

Het is zes uur ’s ochtends. Ik was buiten op de weide en ben bij Farkas, de herder, gaan zitten om naar de klanken van zijn schalmei te luisteren. Ach, wat klonk dat treurig en toch zo hartstochtelijk grillig, het volksliedje dat hij speelde. De bloem bij zijn voeten sidderde onder de dromerige gloed van zijn donker oog en het bruine haar waaide om zijn gebronsde wangen. Ach, Steiner! Jij ligt nog in je bed te slapen en ik heb al de dauw op het gras zien liggen. Nu ben ik door vrede en vreugde bevangen en het stille geluk om me heen glijdt ook mijn hart binnen als de lentezon op het winterse land. Wordt het nu lente in mijn hart? Zo laat je me afscheid nemen, trouwe vriend!

Schrijf gauw, heel gauw, want ik ben zo moederziel alleen en heb noch mensen noch boeken om me heen.

Het ga je goed!

Je

Gustav Mahler

Mijn huidig adres luidt : de Heer Moritz Baumgarten in Tétény, Hongarije.

***


Ernst van Zwaben, een jeugdopera van Mahler waarvoor Steiner de tekst schreef


Mijn arme broer : Ernst Mahler ( 1861-1874)


Morawan, Ronow, landerijen bij Caslau in Bohemen waar Mahler zijn vakanties van 1875 en 1876 doorbracht.


Melion was Mahlers repetitor toen hij in de periode 1875-1877 privélessen had aan het gymnasium.


Bertini : Henri Bertini (1798-1876)


***

6 Aan Emil Freund

Batta , juni 1879

Beste Emil!

Ik heb tot nu toe gewacht in de hoop dat de heer Baumgarten mij mijn maandgeld uitbetaalt. Dat is tot nu toe nog niet gebeurd, zo dat er voor mij niets anders over blijft dan hem, totdat ik deze brief af heb, op zijn huid te zitten en dan 11 florijnen aan deze bief toe te voegen. Toen je brief aankwam bevond ik me in een toestand van hevig verlangen. Ik houd het zo niet meer uit. Het doet me plezier dat ik je kan mededelen, dat de familie op 12 augustus naar Nordeney in het zeebad gaat en dat ik dan zo vrij als een vogeltje ben. Ik hoop je dan gauw in Seelau te kunnen opzoeken, of nog beter, door jou afgehaald te worden. Tot die tijd moet je maar stug doorbuffelen, zodat je je wat kunt ontspannen wanneer ik bij je ben. Het zou teveel overlast geven wanneer de profetische wijsheid van je ouders altijd achter ons zou staan ( namelijk voor wat betreft de diarree die je zal overvallen bij het staatsexamen).

Je vriend Mahler

***

7 Aan Anton Krisper

Wenen, Café Imperial (poststempel Wenen 22.9.1879)

Beste Anton!

Zojuist ben ik in Wenen gearriveerd en heb de plaatsen opgezocht waar we samen zoveel lief en leed hebben gedeeld. Ik ben de ongelukkigste geluksvogel die ooit op aarde geleefd heeft. Er staat nu een nieuwe naam in mijn hart geschreven, naast die van jou, nog wel fluisterend en blozend maar niet minder machtig. – Wanneer kom je naar Wenen? Schrijf dadelijk. Ik trek nu in een bekende woning in. Ach, ik zou me wel meer willen aansluiten bij de goede, oude tijd. Ik ben ook een echte dwaas, maar dat geeft niets : kinderen zijn beter dan opa’s.

Ik ben te onrustig om meer te kunnen schrijven. Ik groet je, ook namens mijn ouders,


Je

Trouwe Gustav Mahler

Wenen, III Rennweg 3

Parterre, ingang 10 B


Een nieuwe naam : waarschijnlijk gaat het om Josephine Poisl, dochter van een beambte bij de post in Iglau; de in februari en maart 1880 gecomponeerde liederen ‘Im Lenz’, ‘Winterlied’ , en ‘Maitanz im Grünen’ zijn opgedragen aan ‘Josephine’.



***





8 Aan Anton Krisper


(zonder datum, eind november en 14 december 1879)


Beste Anton,


Op gevaar af dat deze brief niet bij je aankomt, stuur ik hem naar je oude adres. Je moet je er niet over verbazen, dat hij een beetje kort uitvalt : ik heb altijd het idee dat ik hem toch maar voor niets schrijf.

Wat is er toch, dat je me nog geen teken van leven hebt gegeven? Daarom heb ik er geen idee van, waar je te vinden bent.

Mijn curriculum vitae van deze twee maanden is met weinig woorden te omschrijven : ik heb

Na een oponthoud van een half uur begin ik maar weer, omdat dat wicht van een kamermeisje vergeten heeft mijn lamp bij te vullen en ik gedwongen ben bij alle mogelijke petroleumhandelaars van de Cottageverein rond te rennen tot een meelevend mens zijn winkel heeft opengedaan – het is namelijk al half twaalf.

Goed, om terug te komen op mijn curriculum. Beste vriend, ik heb me vreselijk verstrikt in de zoete ketens van de godenlieveling – de held ‘zucht, wringt zijn handen, kreunt en smeekt ’etc.etc. Ik heb werkelijk de meeste tijd er mee doorgebracht dat ik me op steeds andere manier heb gewenteld in zoete smart. Ik ben met ‘ach’ opgestaan en met ‘o ‘ gaan slapen. In een droom heb ik geleefd en wakker heb ik gedroomd. Zo zijn twee maanden verstreken en daar is het Christuskind al. Dat zal me iets heel moois bezorgen. Binnen een week ben ik in Iglau en zal uit mijn rozige dromen ontwaken op een nog roziger dag.

Een nieuwe schim zweeft op de achtergrond van mijn droombeelden, maar ik moet eerst zijn drager afwachten. Wanneer hij zich laat zien, kan ik je meer over hem vertellen. Ik speculeer er maar op, dat hij een oeroude Noorse koning is die me met zijn helden en drinkgelagen van mijn rust wil beroven. Ik heb ook een beetje aan de Hippokrene genipt. Waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over.

Genoeg nu met dat irritante gelach – ik heb me er toe gedwongen een vrolijke pastorale stijl aan te nemen en niet te vervallen tot het oude, afgekloven lamento. Ik zal niet zuchten, maar lachen doe ik ook niet. In mijn geest) houden nog ettelijke eskadrons verwensingen en vloeken kwartier. Die wil ik laten uitmarcheren. “Moge de duivel dit hele schurkenbestaan halen!’. Mijn ogen zijn als uitgedroogde citroenen – er zit geen druppeltje meer in. Al de bekommernissen op aarde moet ik proeven en geen enkele zal me bespaard blijven. –

Dat zal je wel raadselachtig voorkomen - ik vrees, dat ik gauw in staat zal zijn je daarover een vreselijk uitsluitsel te geven. Tot die tijd ga het je goed. Schrijf gauw. Ik ga nu slapen, want ik heb rust nodig.

Goede nacht, beste Anton, goede nacht!

Je trouwe Gustav Mahler

Wenen, Cottageverein, Karl Ludwigstrasse 24

Scoor, als je kunt, vijf pegels voor mij, maar alleen als het geen enkel probleem is.

Wenen, 14 december. Deze brief draag ik al twee weken bij me. Antwoord onmiddellijk! Vrijdag ga ik naar huis.

***

9 Aan Anton Krisper

(zonder datum, poststempel : Wenen 3.3. 1880)

Beste vriend,

Waarom blijf je maar zwijgen? Heb je mijn brief niet ontvangen? Mijn leven gaat zijn gewone gangetje. Onverwacht is de lente gekomen en daarmee het oude verlangen en de weemoed. Ik heb zojuist een paar verzen geschreven waarin ik je laat delen omdat ze jou mijn innerlijk het beste kunnen onthullen :

VERGETEN LIEFDE

Hoe kil mijn hart, hoe leeg het al!

Hoe groot mijn verlangen!

O, wat strekt zich de verte

Dal na dal eindeloos uit!

Mijn zoete lief! Voor de laatste keer?

Ach, eeuwig moet deze pijn

In mijn hart branden!


Hoe straalde het ooit zo trouw en klaar

In jouw blik!

Het zwerven gaf ik helemaal op

Ondanks de grillen van de winter!

En toen de lente voorbij was

Liet mijn lief haar blonde haar

Met een mirte tooien!


Mijn wandelstok! Kom nu nog

Eenmaal uit de hoek!

Je sliep ook zo lang! Wees nu bereid!

Ik zal je wekken!

Ik droeg het lang, mijn liefdesverdriet

En ook al reikt de aarde nog zo ver –

Kom, mijn trouwe stok!


Hoe lieflijk lachen berg en dal

In een zee van bloesems!

Daar kwam met zijn zoet geschal

De lente binnen getrokken!

En bloemen bloeien overal

En kruisjes staan ook overal –

Die hebben niet gelogen!


Vooral geef ik je hier een plan voor een zomerreis die ik in juli met Heinrich en Rudolf Krzyzanowski wil maken. We rekenen er zeker op, dat ook jij meedoet.

Te voet door het Bohemerwoud (het enige oerwoud in Europa en een volkomen vreemde en eigenaardige volksstam met wonderschone vrouwen), dan door het Fichtelgeberge, Eger – Beireuth – Neurenberg en uiteindelijk naar Oberammergau voor de passiespelen. Binnen drie weken zit het erop en dan gaan we direct naar huis. Misschien kun je nog enkele dagen bij mij in Iglau blijven. Bevalt dit voorstel je niet? Het is toch een fantastisch plan? En bovendien : we hebben dit afgelopen zomer al met elkaar besproken. Ik vraag je nogmaals : antwoord gauw!

Je trouwe Gustav Mahler

***

10 Aan Albert Spiegler

(zonder datum, poststempel Hall 21.6.1880)

Als curiosum, beste vriend, schrijf ik je op dit bijzondere briefpapier. Het huis waarboven ik een kruis heb gezet, is mijn woning. Natuurlijk is de omgeving veel mooier dan uit deze houtsnede blijkt, alleen heeft hij ogen vol tranen, daarom ziet alles er zo somber en bleek uit.

Mij gaat het naar omstandigheden redelijk. Ik laat me niet overmeesteren door wrevel, zoals jij denkt – maar ik probeer ook niet mij door humor van deze pijn af te helpen. Ik sta nog steeds rechtop en ik hoop voor altijd. Het zou toch al te gek zijn, wanneer bromvliegen iemand van streek zouden maken. Wanneer ik klaag, heeft dat een andere reden – die jij niet kent – en die ook niet nu pas is ontstaan – en vooral – die niet zo onbeduidend is, dat je alleen maar je schouders erover kunt ophalen.

Waar is Lipiner? Het is zonder meer tactloos van hem , dat hij Rübezahl met zijn bagage de wereld rond sleept en mij, die daarom smeekt en soebat, niet eens een teken van leven geeft. Ik weet helemaal niet of hij nog in leven is. Het is namelijk het enige exemplaar dat ik bezit. Ik zou er graag nog aan verder willen werken, hoewel me door ergernis bijna de lust ertoe vergaan is. Ik vraag je hierbij om zijn adres. Doe ook zelf wat opdat ik mijn manuscript terug krijg.

Wanneer ik bij alle weerzinwekkende zaken ook nog deze zelf veroorzaakte over me heen moet laten komen, wordt het me echt te veel. Ik vraag je nogmaals, vergeet niet om onmiddellijk iets in deze zaak te doen. Ik zou Lipiner zelf willen schrijven als ik maar wist waar hij woont! Ook Krzyz(anowski) aan wie ik geschreven heb, schijnt vergeten te zijn dat ik nog op aarde ben. Toen ik uit Wenen weg ging, heb ik er niet aan gedacht de Index af te halen. Ik heb hem destijds in het begin van het zomersemester aan de faculteitsmedewerker overhandigd om de testimonia in orde te maken. Daar ben ik vergeten hem af te halen. Wanneer jij nog eens op de universiteit komt, vraag er dan naar. Kom je me niet een keer in Hall opzoeken? Hier kun je heel goedkoop en goed leven. Wat Jean Paul betreft, het genoemde exemplaar is voor mij voldoende, maar waar de vijf pegels vandaan te halen die het kost? Nog eens druk ik je op het hart mij het adres van Lipiner door te geven en zorg te dragen voor de retournering van ‘Rübezahl’.

Met hartelijke groet

Gustav Mahler

Daar waar de twee kruisjes staan – op het woord ‘bromvliegen’- ligt, wanneer het perspectief goed is aangehouden, het theater en Hall zelf.


Briefpapier : het briefpapier laat aan de bovenkant een aanzicht zien van Pfarrkirchen bij Hall. Mahler was in de zomer van 1880 als kapelmeester aangesteld in het Kurtheater van Hall.


Lipiner : dr Siegfried Lipiner (1856-1911), filosoof en schrijver, bibliothecaris van de Oostenrijks Rijksstaat. Beïnvloedde Mahler sterk met zijn geschriften.


Rübezahl : een door Mahler geschreven tekst voor een sprookjesopera die nooit werd gecomponeerd


Universiteit : na afsluiting van zijn studies aan het conservatorium in 1878 had Mahler zich laten inschrijven aan de filosofische faculteit van de Universiteit van Wenen.



***

11 Aan Emil Freund


Wenen 1 november 1880


Beste Vriend,

Ik heb de laatste tijd zoveel schokkende gebeurtenissen meegemaakt dat ik me niet er toe kan brengen met iemand te spreken die me in gelukkiger tijden heeft gekend.

Tegenover jouw bericht moet ik helaas een even schokkende mededeling doen : mijn vriend Hans Rott is waanzinnig geworden! Voor iets dergelijks moet ik ook vrezen bij Krisper. Tegelijk met jouw schrijven kwam dat bericht bij me aan – en dat nog wel op een tijdstip dat ik juist wat troost nodig had. Ellende is overal aan huis en kleedt zich in de vreemdste kledij om de arme mensenkinderen te bespotten.

Ken je één gelukkig mens op aarde? Noem hem dan maar vlug, voordat mij het beetje levensmoed is verdwenen. Wie het heeft meegemaakt hoe een volkomen edele en diepe natuur in de strijd met een volstrekt onbetekenende gemeenheid te gronde ging, kan nauwelijks zijn huiver bedwingen wanneer hij aan zijn eigen arme huid denkt. Vandaag is het Allerheiligen.

Vorig jaar om deze tijd was je ook al hier. Je weet dus in wat voor stemming ik de dag van vandaag begroet. Morgen is het de eerste Allerzielen van mijn leven. Ook ik moet een krans op een graf leggen. Ik ben sinds een maand volkomen vegetariër. De morele werking van deze levenswijze is ten gevolge van de vrijwillige beheersing van mijn lichaam en de daaruit voortvloeiende vrijheid van behoeften, immens. Je kunt je wel indenken, hoezeer ik daarvan doordrongen ben, want ik verwacht er een regeneratie van het mensengeslacht van.

Alles wat ik je te zeggen heb is : bekeer je tot een natuurlijke levenswijze, maar met doeltreffende voeding (Grahambrood) en je zult er gauw de vruchten van plukken.

Mijn sprookjesspel is eindelijk voltooid – een echt ongelukskind waaraan ik al meer dan een jaar werk. Maar het is wel iets goeds geworden. Mijn volgende project is de uitvoering ervan met alle denkbare middelen.


Gustav Mahler

Het is overigens niet noodzakelijk, dat je het Lakonisme te ver door voert. An


Hans Rott (1858-1884) en Anton Krisper waren samen met Mahler student aan het conservatorium


Sprookjes spel : Das klagende Lied



***

12 Aan Emil Freund

(zonder datum, 18.8.81 ?)

Beste vriend!

Dit maal overval ik je aan de rechterachterflank, dat wil zeggen, ik kom uit Wlaschim. Wees zo vriendelijk me morgen – op vrijdag – om negen uur ’s ochtends op te wachten in Czechtitz Gasthaus zur Post. Al het andere interesseert me niets. Tot ziens!

Gustav Mahler


Wischiem : plaats in Bohemen, waar Mahlers neef en vriend Gustav Frank woonde.


***

13 Aan Emil Freund

Iglau, september (1881)

Beste Emil,

Pas nu, vlak voor mijn afscheid van Iglau kan ik je wat regels sturen. Ik vertrek morgen.

Ik kan jou en je familie oprecht verzekeren dat ik de heerlijkste dagen sinds lang in Seelau heb doorgebracht, net als vroeger. Ik wil hierbij je geliefde ouders bedanken voor de sympathieke ontvangst. Nog één gebeurtenis moet ik met je delen. Kort geleden ga ik over het plein, of plotseling roept een stem van boven : meneer Mahler, meneer Mahler! Ik kijk omhoog en zie op de derde etage mejuffrouw Morawetz (de jongste die bij jou was) die zich in haar naiviteit en misschien ook de vreugde om me weer te zien niet kon inhouden om me te roepen. Ik heb me hier in Iglau ijverig over haar ontfermd en haar kris kras meegenomen, zodat ze me niet dankbaar genoeg kan zijn. Nu ik deze regels schrijf zit ze in de andere kamer met haar zus. Omdat ze al redelijk ongeduldig word, zeg ik je hierbij een hartelijk vaarwel.

Je

Gustav

Veel hartelijke groeten aan jouw familie en mejuffrouw Wiener.

Mijn adres luidt : G.M. Kapellmeister am Landschaftlichen Theater in Laibach

***

14 Aan Gustav Lewy

Triest, 4.4.82

Geachte Heer!

Ik arriveer komende week in Wenen en verzoek u om bij voorkomende gelegenheid weer aan mij te denken. Ik was nu al aangekomen, maar ik wilde gelegenheid zo dicht bij Italië te zijn niet ongebruikt voorbij laten gaan.

Met hoogachting,

Gustav Mahler

Weer aan mij te denken : de theateragent Lewy had bemiddeld bij Mahlers benoemingen in Hall en Laibach

6 Aan Gustav Lewy

Olmütz 6.1.83

Zeer geëerde heer!

Ik ben zo vrij u een referaat over de voorstelling van eergisteren van een onder mijn leiding ingestudeerde opera ‘Maskenball’ te zenden. Misschien kan men daaraan een des te duidelijker betekenis toekennen, wanneer men beseft dat deze krant al vanaf het begin een vijandige houding jegens mij heeft aangenomen, nog voordat ik voor het publiek was verschenen, kennelijk beïnvloed door een hier wonende kapelmeester die hier goed wortel heeft geschoten. Overigens verzwijgt de krant, ik weet niet om welke redenen, dat ik na de derde acte door het publiek in een stormachtig enthousiasme werd teruggeroepen. Ik beveel me gaarne aan uw sympathie aan en vraag u aan mij te denken.

Met hoogachting,

Gustav Mahler

Kapelmeester : mogelijk gaat het om Mahlers voorganger Emil Kaiser


***

17 Aan Friedrich Löhr

Olmütz, 12 februari 1883

Beste Fritz!

Met in spanning van alle krachten zet ik me ertoe aan om je te schrijven. Ik ben verlamd zoals iemand die door de bliksem is getroffen. Vanaf het ogenblik, dat ik de drempel van het theater van Olmütz over ging, was het me te moede als iemand die wacht op een strafgericht uit de hemel. Wanneer men het edelste ros met ossen voor zijn wagen spant, kan het niet anders of je moet onder het zweet mee trekken. Ik waag het bijna niet voor je te gaan staan, zo besmeurd voelde ik me.

Ik weet, dat jij en je familie het me niet euvel zullen duiden dat ik jullie niet voor jullie meer dan grote vriendelijkheid heb bedankt. Er gaat geen dag voorbij, zonder dat ik met innige gevoelens aan die heerlijke uren terug denk die ik bij jullie heb doorgebracht. Wat werd ik goed ontvangen! Nu is er sprake van een bitter contrast. Ik ben hier praktisch altijd alleen, dat wil zeggen wanneer ik geen repetities heb. Tot nu toe heb ik – God zij dank – bijna uitsluitend Meyerbeer en Verdi gedirigeerd. Wagner en Mozart heb ik consequent uit het repertoire weg gewerkt, want ik zou het niet kunnen verdragen hier bijvoorbeeld Lohengrin of Don Giovanni weg te dirigeren. Morgen gaat Jozef in Egypte! Een bijzonder charmant werk waarin iets van de gratie van Mozart steekt. Ik heb het stuk ook met veel genoegen ingestudeerd. Ik moet trouwens zeggen – en dit ondanks de onzegbare gevoelloosheid van mijn mensen - , dat ze zich echt wel voor mij inzetten en wat serieuzer gaan werken. Ondanks dat koesteren ze een zeker soort medelijden voor deze ‘idealist’ ( een zeer verachtelijke term trouwens). Ze kunnen maar niet begrijpen, dat een kunstenaar helemaal in het kunstwerk kan opgaan. Vaak, wanneer ik midden in het vuur van mijn dirigeren ben en ze zou willen optrekken naar een hoger niveau, zie ik dan de verbaasde gezichten van deze lieden, hoe ze elkaar met een blik van verstandhouding toelachen. Dan wordt mijn schuimend bloed voor even onbeweeglijk en ik zou voor altijd weg willen rennen. Alleen het gevoel dat ik voor mijn meesters lijd en toch misschien een enkele keer een vonk van hun vuur in de ziel van deze arme mensen kan werpen, wapent mijn moed zelf tegen hun spot, en dan beloof ik mezelf in menig beter uur met liefde vol te houden. Je zult moeten lachen wanneer je ziet met hoeveel pathos ik van deze kleinigheden spreek. Maar is dit eigenlijk niet het prototype van onze houding tot de wereld? Alleen laat het zich hier voor het eerst op één punt geconcentreerd zien. –

Wat de rest van mijn leven betreft, gaat het niet veel beter met me. In het restaurant heb ik honger, want hier wordt alleen maar vlees gegeten. In mijn woning bevinden zich maar twee piano’s die dagelijks ook maar enkele uren klinken. Helaas juist op die tijdstippen dat ik thuis ben. Om te lezen heb ik helemaal niets. Zou je me niet nog eens een beetje willen verzorgen? Doe de hartelijke groeten aan je familie. Het ga je goed!

Je

Gustav

Heinrich (Krzyzanowski) zal ik gauw schrijven. Doe hem vooral namens mij de groeten, net als zijn verloofde en haar zussen. Doe ook Reiff de groeten


Heinrich Krzyzanowski was schrijver, Rudolf Krzyzanowski was musicus; beide broers waren jeugdvrienden van Mahler


Josef Reiff was operazanger, theaterdirecteur en vroeger ook zangleraar.


Joseph in Egypte : opera van Etienne Méhul; tijdens zijn kapelmeesterschap aan het stedelijke theater in Olmütz dirigeerde Mahler acht verschillende operaproducties waaronder ook ‘Carmen’, ‘Il Trovatore’en ‘Rigoletto’.



***

18 Aan Freiherr Adolph von und zu Gilsa


Wenen, 19 mei 1883


Weledele Heer!

Dadelijk na ontvangst van het mij door de heer Lewy gestuurde en door de intendant van het koninklijke toneel in mijn aangelegenheid aan hem gerichte schrijven heb ik de eer te verklaren dat ik volledig kan instemmen met de door u gestelde bepalingen en ik veroorloof me gelijktijdig het verlangde curriculum vitae bij te voegen :

Ik ben in Iglau (Mähren) geboren en heb Duitse ouders, ik bevind me nu in mijn 23e levensjaar. Mijn eerste muzikale activiteiten verrichtte ik onder leiding van de dom-organist van mijn vaderstad, terwijl ik daar ook het gymnasium bezocht. Toen ik na beëindiging van mijn gymnasiale studies verder studeerde aan de Universiteit van Wenen, werd ik ook leerling aan het conservatorium van de Gesellschaft der Musikfreunde in Wenen. Aan deze instelling volgde ik met succes de cursussen compositie en pianospel en ontving bij de regelmatig aan het einde van het schooljaar gehouden concoursen twee maal de eerste prijs. Tevens ontving ik bij mijn afstuderen aan dit instituut de hoogste onderscheiding : het diploma met de medaille. Hierop aanvaardde ik de mij aangeboden positie van eerste kapelmeester aan het Landschappelijke Theater te Laibach, waar ik één seizoen werkzaam was. Het volgende jaar kreeg ik het aanbod om als eerste kapelmeester te werken aan het Koninklijk Theater in Olmütz, waar de heer Überhorst uit Dresden mij in mijn ambtspraktijk leerde kennen, die zo vriendelijk was mijn sollicitatie bij u te ondersteunen. Ik kan u verzekeren dat ik met nauwgezetheid en vlijt mijn ambt zal uitoefenen. Het past me niet over mijn andere vaardigheden te spreken. Op dit moment heb ik helaas geen foto voor handen, maar ik zal zo vrij zijn u de komende dagen er een op te sturen. Tenslotte veroorloof ik me nog de vraag of het noodzakelijk is dat ik me persoonlijk bij u in Kassel presenteer. De kosten die met de verre reis verbonden zijn, zijn tamelijk groot, zodat ik eigenlijk niet weet, hoe ik die zou moeten bestrijden. In het geval dat u het wenst, ben ik zonder meer dadelijk bereid dit offer te brengen. Ik verzoek u vriendelijk, hooggeëerde baron, mij via de heer Lewy een positief antwoord te doen toekomen.

Met bijzondere hoogachting

Uw toegewijde

Gustav Mahler


In Iglau geboren : Mahler werd in Kalischt in Bohemen geboren en groeide in Iglau op.


23e levensjaar : in werkelijkheid was Mahler 22 jaar oud.


Na beëindiging van mijn gymnasiale studies : Mahler legde in 1877 de matura af, maar studeerde al vanaf 1875 aan het conservatorium


De heer Überhorst : het betreft Karl Ueberhorst (1823-1899), operaregisseur aan het Hoftheater in Dresden. Hij had in Olmütz voorstellingen gegeven die door Mahler werden gedirigeerd.


***

19 Aan Friedrich Löhr

(zonder datum, einde juni 1883)


Wat zal ik je zeggen, mijn beste Fritz? Wat kan ik je zeggen, omdat ik geen woorden kan vinden en toch niet kan zwijgen? Ik weet, dat je

flink zult blijven en het zware kruis zult dragen dat God je op je schouders heeft gelegd. Hoe graag zou ik een stukje van je af nemen! Ik zal je spoedig weerzien. Blijf tot die tijd mijn sterke Fritz en vergeet niet

Je

Gustav


De oudere broer van dr Löhr was enkele dagen voor verzending van deze brief gestorven


***

20 Aan Friedrich Löhr

Iglau, zondag ? Juli 1883

Beste Fritz!

Zojuist uit Bayreuth teruggekeerd ontvang ik je geschenk op een ogenblik dat het als een lichtstraal van de hemel in mijn diepste duisternis binnenvalt.

Ik kan het niet zeggen, wat deze regels voor mij betekenen en wat jij voor mij geworden bent. Je kijkt met je onverzettelijke liefde door de woeste huls van het heden zo diep in mijn hart en je gelooft in me, wat ik ondertussen al heb verleerd. Ik kan je maar met moeite schilderen, hoe het er met me voor staat. Toen ik, niet in staat te spreken, uit het Festspielhaus naar buiten kwam, wist ik, dat voor mij het grootste, het smartelijkste geopenbaard was en dat ik het als iets heiligs mijn leven lang bij me zou dragen. Zo kwam ik weer thuis en vond degenen die ik lief heb, zo arm, zo mat - … mijn ouders met hun drie ijzeren ringen om de borst en hun arme, gekwelde hart – ik zelf, zo hard en wreed tegen hen – en toch kan ik niet anders en pijnig hen tot bloedens toe. En dan moet ik nu binnen drie weken weg zijn, mijn nieuwe ‘beroep’ tegemoet! –

In Eger ontmoette ik Heinrich; we hebben een beetje rondgedwaald in het Fichtelgebirge en kwamen ook bij Wunsiedel. Terwijl ik dit schrijf bevindt het jonge echtpaar zich in Thüringen en geniet van het leven. Wat zou ik je graag nog eens zien. Ik had het vaste voornemen je in Wenen op te zoeken, maar dat is helaas onmogelijk gebleken. Zodra ik in Cassel aankom, geef ik je mijn nieuwe adres, en stuur je bij gelegenheid ook nog een paar ansichtkaarten. In Iglau blijf ik tot 10 augustus. Hartelijke groeten aan je familie. Ik schrijf gauw meer.

Je trouwe

Gustav


Drie ijzeren ringen : verwijst naar de zware ziekten die in 1889 tot de dood van beide ouders leidden


Het jonge echtpaar : Heinrich Krzyzanowski was kort tevoren in het huwelijk getreden


Uit Bayreuth teruggekeerd : Mahler hoorde daar voor het eerst Parsifal


Je geschenk : een lang, door Löhr vervaardigd gedicht met de titel Symfonisch Fragment, gedateerd 7 juli 1883 en kennelijk bedoeld voor Mahlers verjaardag


Zijn nieuwe ‘beroep’ tegemoet : Mahler werd muziek- en koordirecteur aan het Koninklijk Theater in Kassel




Wunsiedel : geboorteplaats van Jean Paul



***

21 Aan Friedrich Löhr

Kassel, 19 september 1883

Mittlere Carlstrasse 17, 2e etage bij Frank


Beste Fritz!

Zoals het pleegt te gaan, wanneer twee mensen door een grote afstand van elkaar worden gescheiden, zo vergaat het ook mij. Ik was eraan gewend je alles rechtstreeks te zeggen. Ik vind het moeilijk te wennen aan dit onbevredigende middel.

Alles is weer zijn gewone weg gegaan. Gewillig heb ik me keten na keten laten aansmeden en ben zo in de oude, beschamende onvrijwilligheid terechtgekomen. Ik wil me er moedig doorheen slaan, hoewel de ‘krommen in het duister’ me toefluisteren : ‘Ga terug!’.

Het ligt me na aan het hart nogal wat toespelingen die je me in je brief hebt gemaakt, verduidelijkt te zien. Ik vermoed weliswaar, wat je bedoelt, maar zou het graag zelf van je willen horen. Vanavond dirigeer ik Robert le Diable. Mijnheer de hofkapelmeester heeft de klassieken gepacht; hij is de bestgemutste 4/4 slaander die ik ooit heb meegemaakt. Natuurlijk ben ik de ‘koppigste jonge vent’ die van hem absoluut niet de wijding in de kunst wil ontvangen. Rudolf Krzyzanowski is kapelmeester in Laibach, mijn eerste aanstelling. Van Heinrich weet ik helemaal niets! Niet eens zijn adres! Kun jij daar misschien aan komen? Hartelijke groeten aan je familie. Ik hoop je spoedig meer te kunnen schrijven.

Gustav

20 september

Ik kan me absoluut niet meer de naam herinneren van het straatje waarin jullie wonen. Ik moet dus wachten tot ik die van mijn ouders te horen krijg. Schrijf vlug!


‘de krommen…’: citaat uit Ibsens Peer Gynt


Hofkapelmeester : Wilhelm Treiber (1838-1899)


Aanstelling : het betreft de periode 1881-1882; het korte zomerengagement van 1880 in Hall ziet hij over het hoofd


Robert le Diable : opera van Giacomo Mayerbeer



***

22 Aan Friedrich Löhr


Kassel, 10 oktober 1883

Mittlere Carlstrasse 17, 2e etage


Beste Fritz,


Hartelijk dank voor je brief. Het gaat met mij net als met jou. Ik wil liever niet al te veel ophef maken van de bange uren die ik hier meer dan eens door maak. Daarvan heeft er één afscheid genomen.


Kun je me eens wat te lezen sturen? Dan zal je in een enorme behoefte voorzien. Berggeesten komen nu niet naar me toe, want ze weten dat ze toch weer weggestuurd zullen worden. Klopgeesten daarentegen – in mijn huis boven en onder me – de oude ellende!

Ik heb Heinrich geschreven, maar ik weet niet of hij die brief ontvangen heeft, want het adres dat hij me op een klein kaartje in kleine lettertjes heeft gestuurd, was nogal onduidelijk. Wanneer je me nog eens schrijft, vergeet dan niet mij uitvoerig over je familie te berichten, over ieder afzonderlijk – hoor je? Het geringste maakt me blij. Doe aan iedereen de groeten, aan ieder afzonderlijk. De brief van Basler heb ik ontvangen, maar ik kan helaas zijn wens momenteel niet vervullen, misschien later wel.

Hoe vaak denk ik niet met innige weemoed aan onze eerste wandeling naar Heiligenstadt en ook aan de volgende – tot aan de uitkijktoren in het mooie Wienerwald bij Perchtoldsdorf. Wat heb ik destijds lopen zweten. Ik moest zelfs een hemd van jou aantrekken! Dat was onze laatste wandeling! Wanneer maken we de volgende?

Dat is alles voor nu, wat ik aan het papier toevertrouw – alleen nog een innige groet van

Je Gustav



Berggeesten : heeft betrekking op de werkzaamheden aan Mahlers geplande opera ‘Rübezahl’


Basler : Ludwig Basler : ambtenaar en amateur zanger



***

23 Aan Gustav Lewy

(zonder datum, Kassel, eind oktober 1883)


Geëerde Heer!


Ik stuur u weer enkele recensies van mijn uitvoering van “Heremietenklokje”. Ik moet benadrukken dat juist deze beide critici heel streng zijn en mij bij elke gelegenheid tegenover de eerste kapelmeester Treiber zwart maken. Overigens is de situatie in zoverre veranderd, dat ik zowel door de intendant, het orkest en zangers, maar ook door de critici en het publiek een dominante positie op Treiber heb verworven. De critici zullen nooit nalaten dit uitdrukkelijk te onderstrepen. Het contract met de heer Treiber is op voorhand niet ongedaan te maken, zodat hij natuurlijk veel meer te dirigeren krijgt dan ik. Maar het is niet helemaal onmogelijk dat genoemde heer plotseling iets onaangenaams overkomt. Ik kan me niet duidelijker uitspreken. Het werd me al meegedeeld, dat ik binnenkort definitief word aangesteld, dat wil zeggen voor het leven. Ik verzoek u dit als een vertrouwelijke mededeling te beschouwen. U kunt zich wel voorstellen, dat ik het niet al te lang in de positie van een tweede kapelmeester zal uithouden. Heeft u niet een degelijke, eerste koortenor met een mooie stem? We zouden hem dan onmiddellijk of in elk geval vóór Palmzondag willen aanstellen. Overigens hebben we ook een vacature voor een bariton en een operasoubrette en binnenkort zullen we gastzangers op engagement in dienst nemen. Heeft u iets? U moet natuurlijk niet laten merken, dat ik u deze laatste mededeling heb gedaan, omdat ik van de intendant geen enkel mandaat heb en mij elk eigenmachtig optreden heel kwalijk zou worden genomen. Geef me spoedig bericht!


Uw toegewijde

Gustav Mahler



Heremietenklokje : Mahler dirigeerde deze opera van Louis Maillart voor het eerst op 22 oktober 1883





***

24 Aan de moeder van Friedrich Löhr


(zonder datum, eind december 1883)


Voor u allen mijn oprechte gelukwensen voor het nieuwe jaar


Van de verloren post uit Kassel


***

25 Aan Hans von Bülow


(zonder datum, Kassel, 25 of 26 januari 1884)


Zeer vereerde meester!


Vergeeft u me, dat ik, ondanks de afwijzing die ik van de portier van uw hotel kreeg, toch voor u treed, op gevaar af, dat u me voor een onbeschaamde kerel houdt. Toen ik u liet vragen om een gesprek, wist ik nog niet wat voor een vuur u door uw onvergelijkelijk kunstenaarschap in mijn ziel zou ontsteken. Zonder omhaal : ik ben een musicus die in de woeste nacht van de actuele muziekpraktijk zonder leid-ster mijn weg ga en volkomen vertrouwd ben met de gevaren van twijfel en dwaling. Toen ik tijdens het concert van gisteren het mooiste in vervulling zag gaan, waarop mijn vermoedens van hoop waren gericht, toen was het me duidelijk : hier is je vaderland, dit is je meester, nu moet je zwerftocht eindigen of anders nooit! En nu ben ik hier en vraag u : neem me mee, op welke manier dan ook, laat me uw leerling worden, ook wanneer ik mijn leergeld met bloed zou moeten betalen. Wat ik kan, kon, weet ik niet, maar dat zult u weldra ontdekken. Ik ben 23 jaar oud en was student aan de Weense Universiteit, heb op het conservatorium aldaar compositie en piano gedaan en ben na onzalige zwerftochten hier in het theater beland als tweede kapelmeester. Of deze bescheiden positie iemand kan bevredigen die met hart en ziel aan de kunst gelooft en haar op de onverdraaglijkste manier overal mishandeld ziet, zult u maar al te goed kunnen beoordelen. Ik geef me totaal aan u over en wanneer u dit geschenk wilt aannemen, zou ik niet weten wat me gelukkiger kon maken. Wanneer u me een antwoord gunt, ben ik bereid tot alles wat u met me van plan bent. Ach, antwoord u me tenminste! Op uw antwoord wacht

Gustav Mahler


Het concert van gisteren : Bülow concerteerde op 24 en 25 januari 1884 met de door hem geleide Meininger Hofkapelle in Kassel


Een antwoord gunt : Bülow antwoordde niet, maar overhandigde Mahlers brief aan hofkapelmeester Treiber



***

26 Aan Friedrich Löhr


(zonder datum, Kassel, april 1884)


Beste Fritz,


Je zult gaan lachen wanneer je er achter komt, dat ik je nu de vierde of vijfde brief schrijf en dat ze allemaal nog geduldig in mijn bureau liggen. Ook nu – zoals wel gebeurt wanneer men lang gezwegen heeft – weet ik niet waar ik moet beginnen. Laat ik dan maar beginnen je te zeggen met welke gevoelens ik altijd aan je denk en niets liever zou willen dan je spoedig terug te zien en samen met jou weer een paar dagen in oude, onveranderde vriendschap door te brengen. Hoe zou ik nu in kale woorden kunnen samenvatten, wat mij door het hoofd gaat, nu ik me tot je richt als in vroeger tijden. Dank, veel dank voor je lentegroet, voor je trouw!

Via Heinrich vernam ik, beste Fritz, welk leed je op eerste kerstdag getroffen heeft. Je moet nu ook weten, dat ik op dezelfde dag hetzelfde moest verdragen en dat sindsdien een tijd van een voortdurende, onverdraaglijke strijd over me uitbrak waarvan het einde voorlopig niet in zicht is. Elke dag, elk uur moet ik die strijd aangaan.

De vakantie begint hier op 24 juni. Ik hoop begin juli naar Wenen te komen. Ik vraag je me spoedig te laten weten hoe je leeft en hoe je familie het maakt. Je lieve moeder dank ik vriendelijk voor de hartelijke woorden die ik met Nieuwjaar ontving. Groet haar net als je vader hartelijk van mij en je zusters ook!


Je Gustav


***


27 Aan Friedrich Löhr


Kassel, 22 juni 1884


Beste Fritz,


In het kort geef ik je aan, dat ik zonder Stamberg of Kissingen aan te doen, naar Iglau kom en in de eerste dagen van juli naar Wenen reis en dan naar jullie in Perchtoldsdorf. Zoals je aan de datum kunt zien, had je volkomen gelijk. Je hebt me vooral door je hartelijke woorden een grote vreugde bereid. Ik heb de afgelopen dagen hals over kop muziek moeten schrijven bij de “Trompeter von Säkkingen”, die morgen met levende beelden in het theater wordt opgevoerd. Binnen twee dagen was het opus klaar en ik moet toegeven, dat ik er grote vreugde aan beleef. Zoals je je kunt indenken, heeft het niet veel gemeen met de geaffecteerdheid van Scheffel, maar het stijgt ver boven de librettist uit. Ik ontving je brief juist op het ogenblik, dat ik de laatste noot in de partituur schreef. Zoals je wel kunt aanvoelen, scheen hij me meer een hemelse dan een aardse stem te zijn. Nu onderbreken we al onze contacten tot ons spoedige weerzien. Hartelijke groeten aan je familie.


In trouw

Je Gustav



Trompeter von Säkkingen : een veel gelezen episch-lyrisch gedicht van Josef Victor von Scheffel. De uitvoering in Kassel van 23 juni 1884 werd op de volgende manier aangekondigd : ‘De trompettist van Säkkingen, voorgesteld in zeven levende beelden met verbindende declamatie. Met gebruik van het gelijknamige libretto van Victor von Scheffel. De begeleidende muziek is door de heer muziekdirecteur Mahler gecomponeerd’. Het is waarschijnlijk, dat Mahlers partituur verloren is gegaan.



***

28 Aan Friedrich Löhr

(zonder datum, Iglau, 29 juni 1884)


Beste Fritz,


Morgenvroeg vertrek ik, als er niets tussenkomt, naar Wenen en ik denk overmorgen ’s middags (dinsdag) bij jou in Perchtoldshof te arriveren en dan een paar dagen bij jullie te blijven. Ik verheug me er enorm op. In ieder geval laat ik je nog van Wenen uit het exacte tijdstip weten van mijn aankomst in Perschtoldsdorf. Hartelijke groeten aan je familie.

Van

Gustav


***


29 Aan Friedrich Löhr


Iglau, 20 juli 1884


Beste Fritz,


Vooral moeten jullie allemaal mijn oprechte dank aanvaarden voor jullie sympathieke ontvangst. Ik voelde me onder jullie echt thuis, ook al waren het ook inderdaad de eerste dagen die ik sinds lang weer in mijn vaderland doorbracht. Je vindt me onder een berg boeken die ik direct de volgende dag naar mijn aankomst kreeg. Veel plezier heeft me de ‘Ponce’ gemaakt hoewel maar al te gemakkelijk begrijpelijk te maken is dat dit theaterstuk van af de bühne op geen enkel publiek ter wereld indruk maken kan. Het is volkomen op de ‘lezer’ afgestemd. Het mooiste en geurigste moet de ‘luisteraar’ ontgaan. Ook in ‘Boisserée’ ben ik een heel eind gevorderd en weer heeft zich een groot en rijk stuk uit die periode voor mij geopenbaard. Voor mij zijn dan heel merkwaardig de paar blikken die iemand daardoor in het leven van Goethe zijn vergund. Wanneer ik het goed begrijp, blijkt uit het totaal, dat de ‘oude’ zoals hij hem vaker noemt, tot die tijd volkomen afwijzend stond tegen de Duits-Christelijke kunst. Hij geeft maar al te vaak blijk van zijn vreugde, dat hij Goethe bekeerd heeft. In die tijd begon Goethe zijn “Wahrheit und Dichtung” aan het papier toe te vertrouwen. Zo schijnt me werkelijk heel wat op hoogst opvallende manier gereconstrueerd te zijn, zoals bijvoorbeeld de passage uit het verblijf in Straatsburg, die vol staat met verwijzingen naar de Gotiek. Toch schijnt dat enthousiasme daarvoor toch meer van esthetische aard te zijn en deze eigenaardigheid is het waarschijnlijk die jou stoort. Ik zou nu best zin hebben (en helaas ook tijd) om een substantieel stuk van de Goethe-literatuur door te werken om uit de verschillende stralen het goede witte licht voor me samen te stellen. Het is onverdraaglijk voor mij om deze wanklank het laatste woord te laten over degene die ik zo oprecht vereer. Deze Dorothea Schlegel, die zo vaak optreedt, speelt voor mij geen bijzonder sympathieke rol. Ik zou ze de vrouwelijke Klein willen noemen wanneer haar geslacht niet te heilig zou zijn voor deze naam. Dat geldt ook voor haar man Friedrich, uit wie ik ook niet veel wijs kan worden. Merkwaardig genoeg geloof ik hen beiden niet zodra ze zich hartelijk betonen. Vriend Bertram is me van al diegenen die tot nu toe zijn opgetreden, het allerliefst.


Nee, dit papier zou een lam nog tot razernij kunnen brengen. Je moet begrijpen dat ik niet verder schrijven kan tot dat mijn kleine broertje Otto beter papier bij de winkel gaat halen.

Wanneer kom je? Schrijf gauw! Groet heel je familie hartelijk : mama, papa, Louise, Ernestine, Berta en Gretel.


Je

Gustav



Ponce de Leon : Blijspel in vijf akten van Clemens Brentano


Sulpiz Boisserée, Keuls kunsthistoricus en verzamelaar, vriend van Goethe


Dorothea etc : correspondentiepartners van Sulpiz Boisserée wier brieven Mahler in “Sulpiz Boisserée, Tagebücher und Briefwechsel’ Stuttgart 1862, had leren kennen.


Otto : Otto Mahler (1873-1895) was toen elf jaar oud



***

30 Aan Friedrich Löhr


(zonder datum, Iglau, zomer 1884)


Beste Fritz!

Met plezier ontving ik het definitieve bericht van jouw komst. Ik moest, gekke Fritz, lachen om je bedenkingen die ik ondanks herhaalde lectuur van je eerste brief niet kon begrijpen. Zouden er tussen ons tweeën nog misverstanden kunnen zijn? We zijn altijd helder en open tegenover elkaar geweest en kunnen zeker zijn van de meest zorgeloze en door geen twijfel gedempte vriendschap.

We verheugen ons er al op, jou in ons midden te zien. Wanneer ik je goed begrepen heb vertrek je maandag met de middagtrein van kwart voor één uit Wenen en bent dan ’s avonds om zeven uur hier in Iglau. Op dat tijdstip sta ik je op het station op te wachten, samen met mijn zuster Poldi en misschien ook haar man. Helaas moet je ook nog op een andere verrassing voorbereid zijn : voor de kamer waarin wij zullen verblijven (het is het enige volkomen afgescheiden vertrek, reden waarom ik het toch serieus neem als optie) heeft onze beste buurman een varkensstal geplaatst waarvan de minzame bewoners ons meestal in slaap zullen zingen en ons altijd met een morgenlied zullen plezieren. Daarbij legt nog een montere schare kippen elke ochtend haar eieren en kakelt deze gebeurtenis op de meest onuitstaanbare wijze de wereld in. Tot gauw!

Van mij en mijn familie de hartelijkste groeten aan allen.

Je

Gustav

Ik wacht je dus maandagavond op op het station van Iglau.


Leopoldine Mahler-Quittner (1863-1889)


***

31 Aan Friedrich Löhr

(zonder datum, Kassel, einde augustus 1884)

Beste Fritz!

Gisteren ben ik hier aangekomen en heb de eerste test al achter me. Nauwelijks had ik het plaveisel van Kassel aangeraakt, of ik werd weer door die oude vreselijke beklemming bevangen en ik weet niet hoe ik het evenwicht in mezelf moet herstellen. Ik ben h a a r weer tegengekomen en ze is even raadselachtig als altijd! Ik kan alleen maar zeggen : God helpe me! Je zult in de laatste periode van ons samenzijn al gemerkt hebben, dat ik van tijd tot tijd door een duistere stemming werd overvallen. Het was altijd de angst voor het onvermijdelijke. Vanmiddag ga ik naar haar toe, ‘op visite’, daarna zal mijn situatie een vaste vorm krijgen.

In Dresden heb ik twee dagen doorgebracht, zag eerst Così fan tutte in een meesterlijke uitvoering en dan de volgende dag Tristan! Helaas vroeg kapelmeester Schuch (de dirigent van de voorstelling) me tijdens de entr’actes naar hem toe naar boven te komen. Je kunt je voorstellen hoe ongelofelijk storend dat voor mij was. Hij zelf was uitermate vriendelijk, stelde me aan de kunstenaars voor en vroeg me hem te schrijven. Hij wil een keer naar Kassel komen om me te zien dirigeren. Het is niet uitgesloten dat ik toch nog in Dresden een positie vind. Over de voorstelling kan ik je zeggen, dat ze ‘een voortreffelijke samenhang vertoonde’ en dat mij de interpretatie van Isolde door mejuffrouw Malten in alle staten van bewondering bracht. Dat is helaas ook alles. Zo goed en voor mij soms verbluffend goed Schuch het dirigeerstokje ook weet te hanteren, zo weinig bevredigend was zijn interpretatie voor mij. Ik sprak ook met Überhorst. Hij was het trouwens die me met Schuch bekend maakte. Ik aanvaardde met veel dank zijn warme interesse in mij.

Ik woon nog in het hotel. Overigens is mijn adres simpel : Kassel, Koninklijk Theater.

Tenslotte wil ik je nog zeggen, hoezeer we jou allemaal missen en hoe heel mijn familie van je is gaan houden. Groet allen van mij en schrijf gauw terug.

Altijd je

Gustav


H a a r : Johanna Richter, zangeres aan het Theater in Kassel.


Überhorst : destijds regisseur aan de Hofopera te Dresden


Così fan tutte : de voorstelling van 23 augustus 1883


Tristan : de voorstelling van 24 augustus 1883


Schuch : Ernst von Schuch (1846-1914), Oostenrijks dirigent, vanaf 1872 aan de Hofopera te Dresden. Hij stond met Mahler tot aan diens dood in vriendschappelijk contact.


Malten : Therese Malten (1855-1930) : belangrijke sopraan, vanaf 1873 in Dresden; zij zong in 1882 bij de eerste uitvoering van Parsifal in Bayreuth de rol van Kundry.



***


32 Aan Friedrich Löhr


Kassel, 1 januari 1885


Beste Fritz!


Deze nieuwjaarsmorgen wijd ik mijn eerste gedachten aan jou. De eerste minuten van dit jaar heb ik op een ongewone manier doorgebracht. Ik zat gisteren avond alleen bij haar en wij wachtten bijna zonder iets te zeggen de komst van het nieuwe jaar af. Haar gedachten waren niet bij het heden en toen de klok sloeg en tranen in haar ogen stonden, werd ik door de angstwekkende gedachte bevangen dat ik, ik ze niet mocht drogen. Ze ging de zijkamer in en stond korte tijd zonder te spreken aan het raam en toen ze terug kwam, stil huilend, toen stelde de onnoembare smart zich als een eeuwige scheidingswand tussen ons op en ik kon niets anders dan haar de hand drukken en weggaan. Toen ik voor de deur kwam, luidden de klokken en vanaf de toren klonk het plechtige koraal.


Ach, lieve Fritz, het was allemaal alsof de grote wereldregisseur het heel kunstzinnig had willen doen. Ik heb de nacht dromend doorgehuild.

Mijn wegwijzers : ik heb een liederencyclus geschreven, voorlopig zes, die allemaal aan haar zijn opgedragen. Ze kent ze niet. Wat kan ze anders zeggen, dan wat ze weet? Het afsluitende lied zal ik meesturen, hoewel de schaarse woorden niet eens een kleine indruk kunnen geven. De liederen zijn zo ontworpen, alsof een rondtrekkende gezel die iets ergs heeft meegemaakt, nu de wereld in trekt en in alle vrijheid rond dwaalt.

Mijn “trompettenmuziek” is in Mannheim uitgevoerd en dat gebeurt ook nog in Wiesbaden en Karlsruhe. Alles natuurlijk zonder de geringste bemoeienis van mijn kant. Want je weet, hoe weinig juist dit werk van me vraagt. Kerstavond heb ik alleen doorgebracht hoewel ze me bij zich had uitgenodigd. Beste Fritz! Alles wat je van haar weet is alleen maar een misverstand. Ik heb haar voor alles om vergiffenis gevraagd en mijn trots en egoïsme ver van me geworpen. Ze betekent voor mij alles wat op deze aarde liefde verdient. Ik zou iedere bloeddruppel voor haar willen opofferen. Maar toch weet ik, dat ik weg moet. Ik heb er alles voor gedaan, maar nog altijd kan ik geen uitweg vinden. Het ga je goed! Ik moet nu op nieuwjaarsvisite. Schrijf me spoedig, beste Fritz. Bericht me ook over je familie!


Gustav



Liederencyclus : van de zes gedichten die Mahler schreef, heeft hij er vier op muziek gezet. De cyclus verscheen pas in 1897.



***

33 Aan Albert Spiegler

(zonder datum, poststempel : Kassel, 23 januari 1885)


Beste Albert!


Heel blij was ik om weer eens een teken van leven te ontvangen. Maar je bent wel erg zuinig geweest. Over jullie allen heb ik geen enkel bericht ontvangen en ik weet niet hoe de situatie nu is, of ik binnenkort één van jullie zal zien. Ik ben namelijk (hoogst waarschijnlijk al vanaf aanstaande zomer) als kapelmeester aangesteld aan het Stadstheater in Leipzig, naast Nikisch die een volledig gelijkwaardige positie bekleedt. Het contract geldt voor zes jaar en ik zal me gedurende deze periode maar moeilijk los kunnen maken, midden in de zomer hoogstens drie à vier weken, waar ik jullie allemaal niet zal kunnen vinden. Zoals je ziet is het geluk me om zo te zeggen gunstig gezind. Maar geloof me, ik word er geen greintje gelukkiger van.

Ik leef als een Hottentot. Ik kan geen verstandig woord met iemand spreken. De Kassellanen zijn zulke vreselijke mutsebollen dat ik aan een contact met een Weense Fiaker nog de voorkeur geef. Ik heb heel wat gewerkt, zij het alleen maar voor de ‘bureaula’. Ik zou nu de macht en de gelegenheid hebben mijn composities te laten uitvoeren, maar gezien de stupiditeit van de situatie hier is iedere uitvoering mij zo onverschillig, dat ik er geen vinger voor zou uitsteken.

Geef me het adres van Sax. Ik wilde hem al lang schrijven, maar waarheen? Hartelijk dank voor de nieuwjaarswens aan allen, de Adlers, Pernersdorfer en Bondi. Misschien lukt het u via Friedjung mijn avancement in de Weense kranten te publiceren, misschien met een kleine necrologie erbij. Dat zou me voor de toekomst heel veel steun kunnen geven hoewel ik vanaf nu niet veel trapjes meer hoef te klimmen. Maar mijn laatste doel is en blijft nu eenmaal Wenen, ik voel me nergens anders thuis. Schrijf me gauw terug, beste Albert, en bericht vooral uitvoerig over jou en je vrienden. Ik groet iedereen hartelijk! Je familie zend ik mijn oprechte wensen voor een genezing van de zware wond. Ik kan me voorstellen hoe grimmig het leven nu op je af komt.


Schrijf spoedig!

Je Mahler



Nikisch : Arthur Nikisch (1855-1922) : uit Hongarije stammende, in Duitsland werkende dirigent, later wereldberoemd.


Macht en gelegenheid : Mahler leidde sinds herfst 1884 de Chorverein in München.


Sax : Hans Emanuel Sax (1858-1896) : staatseconoom


Adlers : Victor Adler (1852-1918) de latere leider van de sociaaldemocratische partij in Oostenrijk en zijn vrouw Eva.


Permerstorfer : Engelbert Permerstorfer (1850-1918) : publicist en vriend van Adler, later ook sociaaldemocraat.


Bondi : dr Seraphin Bondi


Friedjung : Heinrich Friedjung (1851-1920) en vriend van Adler, destijds bij de in Wenen verschijnende ‘Deutsche Zeitung’ werkzaam.



***

34 Aan Julius Epstein


Kassel, 26 maart 1885

Wolfschlucht 13


Geachte Heer Professor!


U bent zo goed om nog altijd in uw herinnering een klein plaatsje voor mij te bewaren. Dit geeft me moed om u een mededeling te doen die tegelijkertijd een verzoek inhoudt. Zoals u uit bijgaand krantenartikel kunt opmaken, vindt hier in juni onder mijn leiding een groot muziekfeest plaats, waarbij onder andere ook de negende symfonie zal worden uitgevoerd. Omdat dit voor een jong iemand toch een ongewoon vertrouwensvotum is, dat bijna een heel land me aanbiedt, - het zijn de grote muziekverenigingen van Hessen en deels ook Hannover - zo koester ik de vergeeflijke wens , dat ook de Weners er wat van horen. Zou u zo goed willen zijn? Ik ben nog altijd even ‘arrogant’ als vroeger, niet waar? Overigens ga ik binnen de termijn van een jaar in op een aanbod voor een positie als kapelmeester in het Stadtheater in Leipzig.

Ik verzoek u de heren Hofkapelmeester Hellmesberger en professor Krenn namens mij te groeten en mij mijn vrijmoedigheid te vergeven.


Uw dankbare leerling die u als vanouds vereert.


Gustav Mahler



Negende symfonie : van een uitvoering van Beethovens negende symfonie op het Muziekfeest te Kassel (29 juni tot 1 juli 1885) is het nooit gekomen. Wel dirigeerde Mahler bij een uitvoering van ‘Paulus’ van Mendelssohn op 29 juni.



***


35 Aan Friedrich Löhr


Kassel, 1 april 1885


Mijn beste Fritz!

Ik kan niets zeggen [de moeder van Friedrich Löhr was kort tevoren gestorven]. Ik had de laatste dagen zo’n voorgevoel. Onnoembaar waren mijn angst en verdriet. Steeds wilde ik je schrijven en steeds kwam ik er maar niet toe.

De heiligheid van jouw gevoel laat mij over mijn gevoel zwijgen. Kort en goed wil ik je hierbij alleen maar zeggen, dat we het volgende jaar samen zullen doorbrengen. Vandaag heb ik om mijn ontslag gevraagd en naar het zich laat aanzien zal ik dat ook krijgen. Ik ben voor komend jaar niets anders van plan dan met jou samen te zijn. Ik ben zo verscheurd. Uit veel wonden bloedt mijn hart. Zeg je familie namens mij, dat ik met hen meeleef en met hen treur. Schrijf gauw en denk aan me.

Gustav

***

36 Aan Friedrich Löhr

(zonder datum; Kassel, april 1885)

Zondagmiddag

Beste Fritz!

Mijn vensters staan open en de zonnige, geurende lente kijkt bij me naar binnen, overal oneindige vrede en rust. Op dit mooie uur, dat mij geschonken is, wil ik met je samen zijn. Veel dank voor alles, brief, bloemen en verzen. Vooral ben ik geraakt door : ‘ik draag een gouden ringetje’ – vermoedelijk van recente datum - dan : ‘het was winter geworden’ en ‘ wat een afscheid deze nacht’ en ‘een blinde spreekt over kleuren’.

Je denkt te goed over me, wanneer je mijn besluit ‘groots’ noemt. De onvermijdelijke noodzaak heeft me gedwongen tot wat duidelijk inzicht niet heeft kunnen bewerken.

Er is veel gebeurd, sinds ik je naar Stamberg schreef; het pijnlijkste moest nog komen. Wanneer we samen zijn, zal je alles te horen krijgen. Nu mag je alvast weten, dat ik vlak bij de heerlijke vervulling was en toen opeens alles verloren heb, zonder schuld van wie dan ook. Lange tijd wist ik niet van in en uit – er leefde slecht één enkele vage wens : slapen – zonder droom.

Met de lente is het weer heel vredig in mij geworden. Van mijn raam uit kijk ik over de stad uit over de bergen en bossen en de vriendelijke Fulda stroomt behaaglijk verder. Wanneer de zon haar kleurige stralen uitzendt, weet je, hoe alles tot één geheel oplost. Zo is het mij nu te moede, terwijl ik aan mijn bureau bij het raam zit en van tijd tot tijd een blik van vrede werp op de plek van rust en onbekommerdheid. De mensen om mij heen die me met het lawaai van hun bezigheden ongelofelijk kwellen, zijn nu allemaal buiten. Deze dag lang dringt geen geluid tot me door, alleen verkondigt de klok dat mensen bij elkaar horen. En kijk, dan ben je opeens zo dicht bij me, dat ik nauwelijks besef dat we zo ver van elkaar gescheiden zijn. Ik zie ons op deze blinkende paden daar tussen weiden en bergen en ik ben bij je en heb je bij me. Je zult wel willen aannemen, dat ik je nu niets kan schrijven over de uiterlijke omstandigheden van mijn leven. Je zou misschien graag willen weten, of het ‘muziekfeest’ mij plezier heeft gebracht. , Daarmee staat het zoals met alle vervulling die men van buiten verwacht. Geloof je, wanneer een paar zangverenigingen samen gaan om aan kunst te doen, dat daaruit iets goeds kan voortkomen? Het is tegenwoordig nu eenmaal mode om muzikaal, patriottisch en in feeststemming te zijn. Mijn keuze heeft een enorme partijstrijd veroorzaakt en de hele zaak zou uiteindelijk daarop zelfs stukgelopen zijn. Met mijn jonge jaren kan men hier, zeker waar het vakgenoten betreft, geen rekening houden. Ons orkest is in staking omdat de kapelmeester zich geblameerd ziet. Zelfs heeft de intendant de euvele moed gehad een beroep te doen op mijn edelmoedigheid en mij willen bewegen om op te geven. Ik heb hem natuurlijk van repliek gediend, maar ben nu in het theater een levend lijk.

Maar over drie en een halve maand heb ik dat alles achter me, muziekfeest, theater, werkverplichtingen, en hoop ik bij je te zijn. Je weet, dat ik in de maand juli in Leipzig mijn proeftijd zal invullen. Wanneer die voorbij is, ga ik naar Wenen om eerst muzieklessen te geven en zo te zien dat ik gedurende de tijd tot de aanvaarding van mijn aanstelling in Leipzig (juli 1886) afwijzend sta tegenover mezelf en diegenen die mij goed gezind zijn. Ik denk grofweg augustus en september in Iglau door te brengen en ben er zeker van, dat je naar ons toe zult komen en daar samen met mij enige tijd zult doorbrengen. Dan gaan we samen naar Wenen. Zo heb ik het me uitgedacht. Waarom schrijf je me helemaal niets over je zusters? Hoe gaat het met je vader? Ik ben zo heel erg op jullie allemaal gesteld. Wat verheug ik me erop, weer eens aan jullie tafel te mogen zitten, waar ik me goed en veilig voel. Wanneer ik naar Wenen kom, moet ook Bertl wat fatsoenlijks leren. Schildert Louise nog bij Hofmann? Hoe gaat het met Ernestine en de kleine Gretl? Schrijf me vlug en vertel me hoe jullie leven.

Gustav


Proeftijd : hier kwam het niet van, omdat Mahler al in de zomer van 1885 werd geëngageerd in Praag.


Staking : omdat het theaterorkest niet tot zijn beschikking stond moest Mahler voor het muziekfeest een orkest samenstellen dat uit musici van de hofkapellen van Meiningen, Weimar en Braunschweig en de muziekkapel van het Infanterieregiment van Kassel bestond.


Intendant : Von Gilsa


Hofmann, vermoedelijk Joseph Hoffmann (1851-1904) , Weens schilder en toneeldecorateur.




***

37 Aan Friedrich Löhr

Kassel, 12 mei 1885

Beste Fritz!

Je stilzwijgen baart me zorgen. Schrijf me toch een enkel woord, hoe het met jou en je familie gaat. Ook over Heinrich ontvang ik geen enkel bericht.

Van mijn omstandigheden kan ik alleen maar zeggen, dat ze steeds verwarder worden. Vanaf 1 juli heb ik hier mijn ontslag. Dan ga ik voor een maand naar Leipzig. Wat dan volgt, is voor mij even duister als wat we over vijftig jaar zullen doen. Hier gaat het er heel fanatiek aan toe : ‘Leve Mahler’, ‘Leve Treiber’ , de partijen slaan elkaar om de oren en ik krijg de klappen. Met meneer de intendant ben ik ook wel klaar, dat wil zeggen, nadat ik hem openlijk gezegd had, dat ik op het vlak van kunst een andere mening heb dan hij, heeft hij mij als iemand die vreemd staat tegenover subordinatie, vogelvrij verklaard. Daarbij wordt ijverig aan het muziekfeest gewerkt. Ik moet me gedeisd houden en me toch ijverig met de muziekverenigingen bemoeien en repetities houden en omdat ik vaak in geldnood zit, kom ik ook op dat terrein in moeilijkheden.

Mijn sfinx houdt niet meer op mij met raadselachtige blik in de ogen te staren. Men gaat met mij als met een half-waanzinnige om, deels met welwillend medelijden, deels met gemene nieuwsgierigheid. Zo, hier heb je dan mijn meest recente bulletin dat je volgens beproefde methode kunt aanvullen en inkleuren.

Mei heeft zich niet aan zijn beloften gehouden : ik ben innerlijk en uiterlijk in een vriestoestand terechtgekomen.

Van mijn familie krijg ik heel verontrustende berichten : niets is, zoals het zou moeten zijn en ik die bij dat alles als het reddende anker word gezien, bevind me midden in een schipbreuk. Daarbij verlies ik echter niet mijn moed en evenwicht en weet dat ik het goede doe. Ik kon niet meer hier blijven, wanneer ik niet mijzelf wilde verliezen, en alleen maar de gedachte dat ik een uitweg heb gevonden houdt me in mijn problematische situatie staande. Schrijf me, wanneer je kunt, een paar regels over jullie en wat jullie van plan zijn in de zomer te gaan doen.

Aan jullie allemaal de hartelijkste groeten.

Je Gustav


Ontslag : Mahler had driemaal schriftelijk om voortijdig ontslag verzocht


Partijen : Mahlers benoeming tot leider van het muziekfeest in Kassel was door antisemitische krantenartikelen tot een politiek probleem geworden.



***

38 Aan Friedrich Löhr

Kassel, 28 mei 1885

Beste Fritz!

Wat doorzie je mijn ziekte goed! Je kunt wel zeggen, dat jij het goede medicijn biedt, want wie anders dan jij zou zo sympathiek zijn en vol aandacht voor anderen? Op de hele wereld ben jij de enige van wie ik houd, en die me toch nog niet verwond heeft. Mijn hele denken sluit hier maar één gedachte in : weg van hier en naar jou, naar jullie toe. Mijn omstandigheden en levensdraden worden hier steeds verwarder, alleen het zwaard van Alexander helpt hier nog. Toen ik je onlangs schreef dat mijn relatie met ‘haar’ in een nieuw en laatste stadium was getreden, was dat slechts de coup van een sluwe theaterdirecteur die aankondigt : ‘laatste voorstelling’ , om de volgende dag een allerlaatste aan te bieden. Van die laatste is een allerlaatste geworden en omdat me van het afscheid voor altijd nog drie weken scheiden, is het niet erg waarschijnlijk, dat er ‘op verzoek van velen’ nog een allerlaatste komt. Maar ik sta voor niets. Hoe staat het met mijn kansen in Wenen? Zal ik een paar muzieklessen krijgen? Het baart me niet geringe zorgen, omdat ik hier, zoals je je kunt voorstellen, niets gespaard heb. Ik zal alleen maar met de grootste moeite aan de ‘schuldgevangenis’ kunnen ontkomen. Wat het voor me betekent weer voor onbepaalde tijd, zonder ‘ambt’ , zonder ‘plichten’ bij je te zijn, kan ik niet onder woorden brengen. Maar al te graag zou ik nog een paar dagen naar jullie naar Perchtoldsdorf komen, maar dat zal deze keer niet lukken, omdat ik waarschijnlijk niet voor oktober in Wenen zal zijn. In plaats daarvan hoop ik je in september bij ons in Iglau te hebben. Je komt toch, niet waar? Naar Stamberg kom ik niet, omdat dit om ‘verschillende’ redenen onmogelijk is. Ik weet niet waar onze vriend Heinrich dit bericht vandaan heeft . Jouw bieven over Clothilde en de andere papieren heb ik goed opgeborgen en ik zal ze je bij ons eerste bezoek overhandigen. Stuur me nog het nummer van Deutsche Worte waarin je essay verschijnt.

Mijn hartelijke groeten aan allen!

Schrijf me nog één keer naar Kassel!

Hartelijke groeten

Ja Gustav

***

39 Aan Friedrich Löhr


(zonder datum, Kassel, juni 1885)


Beste Fritz!


Waarom schrijf je niet? Waar zijn jullie dan allemaal mee bezig? Ik moet je heel wat mededelen. Vooral moet je weten, dat ik vanaf 1 augustus door Angelo Neumann als eerste kapelmeester in Praag geëngageerd ben en dat ik vandaag voor de eerste keer , ‘Lohengrin’ dirigeer. In de loop van het jaar studeer ik de ‘Nibelungen’ in – ‘Tristan’ - ‘Meistersinger’! Om de proefrepetities te dirigeren moet ik daar op 15 juli al zijn, zodat ik begin juli maar enkele dagen thuis kan doorbrengen. Ik hoop echt, dat ik je dan zal ontmoeten. Ook kun je, wanneer ik me in Praag heb geïnstalleerd, voor een tijdje bij me komen. Zoals je ziet ‘maak ik snel carrière’! Onder leiding van Neumann zal het theater een belangrijke factor worden en mij een buitengewoon belangrijk werkveld bieden. Helaas zal denk ik dit feest maar een jaar duren, want daarna ben ik aan Leipzig gebonden. Directeur Staegemann schreef me onlangs, dat ik elke hoop moet opgeven dat hij mij van mijn verplichtingen zal ontheffen. Straks zullen de heren directeuren nog om me vechten!


Het muziekfeest is eveneens in aantocht en zal komende dagen met pracht en praal van stapel lopen. Ik ben ondertussen best wel populair geworden, een soort Held van de Dag. Zo, dat is er uit.


Afgezien van mijn geldzorgjes gaat het me ook in andere opzichten beter. De vele activiteiten en plannen hebben mij, die oude sanguinicus, over veel bitterheid heen getild. Van háár ga ik hoogstwaarschijnlijk zonder een woord van afscheid weg. Ik heb haar sinds een maand al niet meer gezien, behalve bij een repetitie. Hoe dat zo gekomen is, vertel ik je nog wel eens, wanneer we elkaar zien. Soms, wanneer ik ’s morgens opsta, kan ik het nog helemaal niet geloven.

Schrijf me toch een paar regels.

Ik heb nu zo veel te doen dat ik nauwelijks tijd en rust kan vinden om deze verwarde mededeling te doen.

Groet je familie van mij. Ook Seemüller, Bondi en Reiff!


Hartelijke groeten,


Je Gustav



Angelo Neumann (1838-1910), theaterdirecteur die door zijn ‘Fliegendes Richard-Wagner-Theater’ internationaal bekend werd. Mahler solliciteerde al op 3 december 1884 bij Neumann naar een functie als kapelmeester, toen deze nog directeur van de Opera in Bremen was. Midden augustus 1885 nam Neumann de leiding over van het Deitsches Theater in Praag.




Lohegrin : deze voorstelling werd door Anton Seidl (1850-1898) gedirigeerd, die Praag enkele weken later verliet.




Staegemann : Max Staegemann (1843-1905) : toneelspeler en zanger, sinds 1882 directeur van het Stadttheater in Leipzig , waar Mahler van 1886 tot 1888 naast Arthur Nikisch als kapelmeester werkte. Staegemann ondersteunde Mahler bij diens destijds nog onzekere ambities als componist en bleef nog veel jaar met hem in contact.




Seemüller, Josef Seemüller, germanist




Bondi , S. Bondi, advocaat



***

40 Aan Friedrich Löhr


München, 5 juli 1885


Beste Fritz,


In haast mijn hartelijke gelukwensen voor vandaag! Ik heb nog zoveel in mijn agenda staan, dat ik niet eens een uurtje kan gaan zitten en fatsoenlijk aan je kan denken. Tot nu toe heb ik met alles het grootst mogelijke succes gehad. Eer en liefde heb ik in rijke mate binnengehaald. Een grote ring met briljanten, een gouden horloge, een lauwerkrans, een album, etc.etc.! Overigens heb ik mijn oude horloge naar het pandhuis moeten brengen en zal waarschijnlijk tijdens mijn reis naar Iglau, die morgen begint, mijn zojuist verworven kostbaarheden weer moeten inleveren. Hartelijke groeten ana je familie! Blijf me trouw, beste Fritz!

Gustav


Donderdag arriveer ik in Iglau, op 13 juli ben ik in Praag





Eer en liefde : tijdens het grote Muziekfeest in Kassel op 29 en 30 juni en 1 juli. Mahler dirigeerde daar Paulus van Mendelssohn.



41 Aan Friedrich Löhr


Iglau, 10 juni (moet zijn: juli) 1885


Beste Fritz,


Nu ben ik weer thuis en om eerlijk te zijn ben ik verstrooid en slaperig. Tot mijn groot verdriet vond ik mijn brief aan jou toen ik bij mijn aankomst in Praag naar mijn bagagebewijs zocht. Je zult het me wel niet kwalijk nemen en het me vergeven als je weet dat ik niet alleen oververmoeid ben, maar ook nog een fikse keelontsteking heb opgelopen. Je kunt je indenken hoe graag ik en wij allemaal je hier bij ons zouden willen zien, maar het is misschien ook wel beter zo. Wanneer ik in Praag mijn zaken op orde heb, kom je naar me toe en kun je jezelf als mijn gast beschouwen voor zover de beschikbare middelen dat toelaten natuurlijk. Dan hebben we meer aan elkaar. Beste Fritz, het is hier echt heel aardig geworden, tenminste nadat de twee elektrische bedden zich hebben ontladen, wat de nodige vonken opleverde. Als je bij me bent, vertel ik je alles.

Ik verzoek je dringend met te berichten over je familie in het algemeen en jouzelf in het bijzonder, met betrekking tot perfectum, praesens en futurum. Over mij weet je alles! Ik sta op het punt om, zoals men zegt, carrière te maken. Alle goeds en groet je familie van me.


Je Gustav


***

42 Aan Friedrich Löhr


Praag, 28 november 85

Rittergasse 24


Beste Fritz,


Hoe gaat het met je? Dat kan ik je nu toch wel vragen? Het laatste wat ik over je weet, is, dat je in Starnberg was en ik dacht altijd maar dat het ooit bij je op zou komen mij te berichten. Wat ik allemaal uitspook, is moeilijk te beschrijven. Het liefst zou ik mijn brieven beginnen met geklaag, zoals de laatste tijd gebruikelijk. Dat ik ‘Meistersinger’ al drie maar heb gedirigeerd en binnenkort ook ‘Rheingold’ en ‘Walküre’ onder mijn leiding van stapel gaan, dat zijn toch wel positieve berichten. Dat dergelijke projecten een musicus helemaal opeisen, kan nu eenmaal niet anders, vooral wanneer hij, zoals ik, als strijder voor het heiligdom in het krijt moet treden. Maar ondanks alles is de tijd zoals altijd leeg voor me en somber, en ik heb er een diepgevoelde behoefte aan dit alles voor je uit te spreken. Wat hol kaatst de roep van de liefde op deze starre rots terug, zodat men voor zijn eigen stem terugdeinst. Vaak dacht ik bij mezelf : wanneer Fritz nu binnenkwam, wat kon je dan alles weer zeggen en duiken in het warme bad van de vriendschap! Wat veel is er gebeurd, sinds we elkaar de laatste keer zagen! Wat veel armer zijn we beide geworden! Wanneer je terug denkt aan de tijden dat ik van Olmütz kwam en bij de Italiaanse Stagione in Wenen koren instudeerde, dan zou je een redelijk betrouwbare indruk van me hebben, alleen met het onderscheid dat ik toen jonger en optimistischer was, nog onberoerd door aardse veranderingen. Zoals iemand die het stof van de reis niet opmerkt, die de frisse bron voor zich ziet. Beste Fritz, wat is er allemaal weer in me binnengekomen! Je moet hier komen en me


3 december 85


En me? Stevig door elkaar rammelen, waarschijnlijk! Ik verdien slaag! Ik bega de ene stommiteit na de andere. Zo heb ik me in deze korte tijd ellende op de hals gehaald, waar ik nog lang de gevolgen van zal ondervinden! Kom hier en ik zal je alles vertellen! Ik kan niets schrijven. Wist ik maar, hoe het met jullie allemaal gaat! Je vader en je zussen! Zoals je weet ben ik vanaf augustus 1886 aangesteld in Leipzig. Omdat het me hier zo ‘goed gaat’ en ik om zo te zeggen de eerste viool speel, terwijl ik in Leipzig in Nikisch een jaloerse en invloedrijke tegenspeler zal hebben, heb ik hier alles in het werk gesteld om me daarvan los te maken. Helaas heeft geen enkele poging resultaat gehad en daarbij blijft het dan.


***


28 december 1885


Wanneer het goed gaat, gooi ik deze brief nu in de brievenbus. Veel dank voor je cadeau! Het was voor mij bijna een stil verwijt! De productie van ‘Rheingold’ en ‘Walküre’ is geslaagd, vooral de laatste is heel goed gelukt : je moet eens hierheen komen en luisteren! Schrijf me toch, luiwammes! Schrijf onmiddellijk! Voor jullie allemaal mijn hartelijke groeten en een plezierig begin van 1886!


Je trouwe Mahler



De Italiaanse Stagione : van maart tot mei 1885 was Mahler werkzaam als koorleider bij de Italiaanse Stagione bij het Weense Carltheater.


De ene domheid na de andere : toespeling op een affaire die Mahler had met de zangeres Betty Frank, die werkzaam was bij het Deutsches Theater in Praag. Op 18 april 1886 zong Betty Frank tijdens een concert drie liederen van Mahler.


Rheingold en Walküre : op 19 en 20 december 1885 onder leiding van Mahler voor het eerst in Praag opgevoerd.



***

43 + Aan Freiherr Adolph von und zu Gilsa


Praag, 29 december 1885


Hooggeachte Heer Baron!


Staat u mij toe, dat ik u, hoewel van heel ver, bij deze jaarwisseling mijn eerbiedigste gelukwensen overbreng, zoals het al sinds twee jaar mijn aangename plicht was. Ik kan er niet omheen, bij deze gelegenheid uit te spreken hoe dankbaar ik denk aan alle goedheid en sympathie die u me in de loop van de tijd heeft laten blijken omdat ik het geluk had, onder uw leiding mijn artistieke idealen te kunnen nastreven. In uw school leerde ik, wat het aller moeilijkste is, te gehoorzamen om te kunnen bevelen, zijn plicht trouw te vervullen om dit ook van anderen te kunnen verlangen. Wat heeft de onbehouwen leerling het u vaak moeilijk gemaakt. Uw buitengewone mate van takt was nodig om niet met mij uw geduld te verliezen. Ik hoop u van nu af aan te bewijzen, dat ik mijn meester niet tot schande zal zijn en dat uw goedbedoelde vermaningen op vruchtbare bodem zijn gevallen. Het gaat hier heel goed met mij . Tot nu toe heb ik het volgende gedirigeerd : nieuw ingestudeerd : ‘Don Juan’, ‘Wasserträger’ , ‘Fidelio’, ‘Tannhäuser’, ‘Meistersinger’. Nieuwe stukken : ‘Trompeter’ , ‘Rheingold’, ‘Walküre’. Ik ben juist bezig Tristan (Nieuw) en een Mozart-cyclus voor te bereiden. Dat is voor vijf maanden een behoorlijke hoeveelheid werk. Ik zou graag mijn contract in Leipzig hebben ontbonden om hier te kunnen blijven, maar directeur Staegemann wilde daar absoluut niet op ingaan. Zo moet ik dan komende Augustus de zware reis naar Leipzig maken waar mij ongetwijfeld de meest pijnlijke rivaliteit met Nikisch te wachten staat. Weest u verzekerd van mijn niet aflatende respect.


Uw dankbare


Gustav Mahler



Wasserträger : opera van Cherubini


Trompeter : opera naar Scheffels “Der Trompeter von Säkkingen”, door Victor Nessler in 1884 in première gebracht.


Tristan : de Praagse opvoeringen van ‘Tristan und Isolde’ in 1886 werden niet door Mahler gedirigeerd.




44 Aan Friedrich Löhr


Briefkaart zonder datum, Praag, begin februari 1886


Beste Fritz, ik ben enorm blij je binnenkort hier te zien; geef aan hoe laat je arriveert; wanneer ik geen repetitie heb, wacht ik je op het station op. Ben ik er niet, kom dan direct naar mijn woning toe : Langegasse no 18, I. Alle voorbereidingen zullen getroffen zijn. Ik bewoon mijn woning samen met een collega – dan weet je er al vast van. Ik draag momenteel alleen nog maar een snor. Schrijf gauw!


Je Gustav



Met een collega : de Zweedse bassist Johannes Elmblad (1853-1910)


Alleen nog maar een snor : rond 1880 droeg Mahler een baard, in Kassel een snor.



45 Aan Max Staegemann


Praag, 3 juni 1886


Langegasse 18, I


Geachte Mijnheer de directeur!


Het moment nadert waarop ik onder uw leiding mijn nieuwe functie zal gaan vervullen en ik maak van de gelegenheid gebruik, me nu met u in verbinding te stellen.

Voor al wil ik u in alle onderdanigheid verzoeken mij als eerste optreden de directie van ‘Tannhäuser’ toe te staan. Deze opera biedt me gelegenheid mezelf zowel als orkestdirigent te introduceren als ook te laten zien dat ik met grotere koren en de opbouw van opera-ensembles kan omgaan. Omdat ik in goed overleg van directeur Neumann afscheid neem, zal het voor mij gemakkelijk zijn om, wanneer u dat wenst, mij hier nog vóór de afloop van mijn contractperiode (tot 1 Augustus) vrij te maken en waar nodig zo spoedig mogelijk in Leipzig te verschijnen. Dit moet wel zo snel mogelijk worden afgesproken. Daarom verzoek ik u, mij zo snel mogelijk van uw wensen op de hoogte te stellen.


Ik verblijf met bijzondere hoogachting :

Gustav Mahler


46 Aan Max Staegemann


Praag, 7 juni 1886


Geachte Mijnheer de directeur!


Heel veel dank voor uw vriendelijke antwoord en welwillende voorzorg. Ik zal, dankzij de toezegging die ik vandaag van de heer Neumann ontving, op 24 of 25 Juli in Leipzig kunnen arriveren en de tijd voor de mij door u beschikbaar gestelde voorbereidende repetities zo goed mogelijk kunnen besteden (‘Meistersinger’ etc). Overigens herhaal ik hier nogmaals mijn verzoek te mogen beginnen met “Tannhäuser” omdat dit in de huidige situatie geen problemen zal opleveren. Misschien wilt u de goedheid hebben mij bij gelegenheid hierover te informeren. Ook verzoek ik u zich tot mij te wenden wanneer ik u onderweg van Praag naar Leipzig van dienst kan zijn.


Ik verblijf met bijzondere hoogachting


Gustav Mahler



Te mogen beginnen met ‘Tannhäuer’ : op 3 augustus 1886 debuteerde Mahler met ‘Lohengrin’.




47 Aan Friedrich Löhr


(zonder datum, Praag 30 juni 1886)


Beste Fritz, heel kort! Tot 15 Juli blijf ik hier. Dan ga ik naar Iglau, blijf daar tot 24 juli en ga dan direct naar Leipzig door! Morgen gaat Glucks ‘Iphigenie’ in de bewerking van Wagner. Je kunt je indenken wat dat voor een dag wordt! Dan dirigeer ik waarschijnlijk ook nog ‘Fidelio’ ! Waar zien we elkaar? Nog hier in Iglau? Laat me het snel weten. Ik heb een brief van Heinrich ontvangen; het schijnt daar heel goed te gaan.


Hartelijke groeten aan je familie,


Je

Gustav


46 Aan Max Staegemann


(zonder datum, juni of begin juli 1886)


Praag, Langegasse 18, niet (hotel) Blauer Stern


Geachte mijnheer de directeur!


Een indispositie van mevrouw Hudl, waardoor ik pas gisteren met haar kon werken, is er schuld aan, dat ik u er zo laat over bericht. Haar stem is zonder meer mooi en heeft een warme klank. Haar midden- en lage register is niet slecht. Ik vraag me af of deze dame eigenlijk niet een mezzo-sopraan is. Ze is wel een volkomen beginneling! Ze was weliswaar een seizoen in Olmütz geëngageerd, maar heeft daar maar, ik weet niet waarom, drie rollen gezongen, en wel Agathe, Gretchen en Leonore-Troubadour! Ik heb haar verschillende fragmenten uit deze rollen en ook uit andere (Elsa, Elisabeth) laten voorzingen en daaruit heb ik opgemaakt, dat ze tot nu toe in slechte handen was, maar dat ze genegen is zich te verbeteren. Ik weet niet, waarvoor u deze dame nodig heeft, maar ik kon haar destijds voor de uitsluitend eerste termijn in Leipzig niet aanbevelen. De opera ‘Gioconda’ heb ik doorgezien, maar die is me absoluut tegengevallen. In elk geval staat ‘Dejanice’ waarover ik u geschreven heb, op een veel hoger plan. Ik weet niet of ‘Aida’ in de smaak zal vallen van het Leipziger publiek; in dit geval zou Dejanice ook een succes kunnen zijn.

Overigens was ik hier een paar keer in het Boheemse Nationaltheater en heb heel wat muziek gehoord van Smetana, Glinka, Dvorak en anderen en ik moet toegeven dat vooral Smetana me zeer de moeite waard lijkt. Ook al zullen zijn opera’s in Duitsland nooit op het vaste repertoire terecht komen, toch zou het zonder meer de moeite waard zijn om een ontwikkeld publiek, zoals dat van Leipzig, in contact te brengen met een origineel en oorspronkelijk musicus. Het zou ook heel interessant zijn een opera van Spontini te doen! Wel moet men met de omstandigheden rekening houden en zaken afstemmen op de ter beschikking staande zangers. Heel vaak maakt de bijzondere geschiktheid van een zanger voor een bepaalde rol het succes van een opera uit.


Met bijzondere hoogachting


Uw onderdanige Gustav Mahler



Mevrouw Hudl : volgens de Almanach der Genossenschaft deutscher Bühnen-Angehöriger, 1886, was in Olmütz een mevrouw Huld, dramatische sopraan, werkzaam. ‘Hudl’ is ofwel een drukfout of een grap, want ‘hudeln’ betekent in het Weens zoiets als ‘zich overhaasten’.


De opera Gioconda : ‘La Gioconda’van Amilcare Ponchielli


Dejanice : Italiaanse opera van Catalani, Milaan 1883



49 Aan Friedrich Löhr


Praag, 5 juli 1886


Beste Fritz,


Mijn hartelijke felicitaties voor vandaag. Ik kom zojuist van de Fidelio-repetitie naar huis en ben , zoals je je kunt indenken, gewoon versleten. De ‘Iphigenia’ is met het gebruikelijke succes uitgevoerd. Ik verwacht je heel zeker in de periode tussen 20 en 24 Juli in Iglau. Op de 25e vertrek ik! Ik verheug me er enorm op, je weer te zien. We hebben elkaar veel te vertellen.



Hartelijke groeten aan je familie.


Gustav


50 Aan Friedrich Löhr

(Zonder datum, Leipzig 18 augustus 1886)


Beste Fritz,


Ik stop er even mee aan je te schrijven, totdat de chaos van de eerste tijd voorbij is. Omdat het nu altijd maar verder zo schijnt te gaan, moet ik zonder bijzondere geschiktheid daartoe er toch toe overgaan, omdat ik er dringend behoefte aan heb, weer eens met je te spreken. Mijn positie heb ik snel verworven, hoewel het vaak ook een oppositie is, zoals je uit de ene bijlage kunt opmaken. Die is dubbel interessant, omdat daarin een vaag duister personage mijn eigen terrein binnensluipt om mij daarvandaan in de rug aan te vallen. Wie dit leest zal denken, dat ik zo’n elegante dirigent uit de school van Mendelssohn ben. Ik wil je alleen maar zeggen, dat de uitvoering werkelijk een kolossale indruk maakte en aan durf en vaart niets te wensen overliet. Schott zong Tannhäuser en leverde fantastische prestaties. Aan die originele en energieke kerel zou je plezier kunnen beleven. Omdat je wel niet zult geloven, dat er hier altijd op deze toon over mij wordt gesproken wordt, zend ik je hierbij nog een andere recensie mee, over ‘Rienzi’.

Ik ben nu weer zo eenzaam als altijd. Wat zou het me veel waard zijn je een paar dagen hier te hebben. Is het dan echt onmogelijk, dat je eventjes hier naar toe komt? Je woont en eet dan bij me.


Op het laatste moment heeft Rudolf zich nog bij mij geëxcuseerd, omdat hij niet meer in de gelegenheid was zijn reis te onderbreken. Hij is ondertussen, zoals je misschien weet, onderweg naar Starnberg. F. (~ Betty Frank) schrijft me heel vaak. Het doet me pijn , dat uit al haar brieven een opvallend treurige en opofferende toon kinkt. Van haar hoor ik ook, dat Elmblad met zijn vrouw uit Rome is gekomen. Hij maakt de indruk zeer gelukkig te zijn. Mij heeft hij nog niet geschreven. Hij heeft haar merkwaardigerwijze nog geen bezoek gebracht, maar wel vele van zijn collega’s. De foto’s van je zusters hebben me grote vreugde verschaft en staan nu samen met die van jou en Uda op mijn bureau en kijken mij allen in het gezicht dat treurig staan van heimwee en verlangen. De eerste tijd was ik altijd met Schott samen over wie ik je nog veel moet vertellen. Nu ben ik steeds alleen omdat hij al weg is. Vanavond dirigeer ik ‘Die Jüdin’ . Ik ben helemaal weg van dit prachtige, grootse werk en beschouw het als een van de grootste werken die ooit zijn geschreven. Kom toch hierheen, dan speel ik je eruit voor. Groet je zusters en je vader , je Uda – Lipiner en iedereen die je na aan het hart hebt. Schrijf snel!


Gustav


Hoe staat de aangelegenheid betreffende mijn vader er voor? Ik wijs je erop, dat jullie, wanneer het er met mijn vader slecht voor zou staan, dat voor hem verzwijgt. Dat geldt ook voor de arts. Alleen mij moet je op de hoogte stellen.



Schott : Anton Schott (1846-1913) : beroemd Wagnervertolker. Hij zong in de voorstelling van 11 augustus onder Mahler.


Rudolf : Rudolf Krzyzanowski


‘Die Jüdin’: opera van Halévy, door Mahler op 18 augustus gedirigeerd


Uda : verloofde van Friedrich Löhr




In de rug aan te vallen : Bedoeld is de recensie van M. Krause in het Leipziger Tagesblatt van 17 augustus 1886 betreffende een opvoering van ‘Tannhäuser’ op 16 augustus 1886



51 Aan Friedrich Löhr


(zonder datum, Leipzig, augustus 1886)

Gottschedstrasse no 4, II


Beste Fritz,


Hopelijk heb je mijn laatste brief ontvangen. In dit geval moet ik je duchtig de les lezen! Nu zal het niet meer worden als anders, omdat we elkaar lange tijd uit het oog verloren zijn. Ik beloof tenminste dat ik van nu af aan geen brief onbeantwoord zal laten. Hier ziet het er voor mij nogal onduidelijk uit. Ik verga van verlangen en heimwee. Ik heb hier fantastische mensen leren kennen en bijna overal een hartelijke ontvangst gekregen. De directeur heeft me laten kennismaken met zijn familie waar mee ik al heerlijke uren heb doorgebracht. Wanneer je die prachtige orgelpijpen zou zien met de liefelijke vox celesta helemaal bovenin dan zou je begrijpen, dat mij geen woord van dank aan mijn mond wilde ontsnappen en dat ik bijna een onsympathieke en kille indruk maakte. Daarnaast ben ik gedwongen om vanwege mijn ‘zakelijke belangen’ mijn oren met katoen tegen deze Sirenenstemmen vol te stoppen. Ik heb een paar fantastische kerels onder mijn mannelijk personeel. Ten eerste onze concertmeester, een jonge Hollander met de naam Petri, iemand met zijn hart op de goede plaats, die de meest obscure figuren van mijn stokje kan aflezen en in muziek kan veranderen. Dan ook Schelper en vele anderen. – Het zal je ‘interesseren’ dat het er in Praag tegenwoordig behoorlijk slecht voorstaat. De dappere duellist heeft bij de duels op het grote strijdperk al heel wat slagen opgelopen. Enkele dagen geleden heeft Neumann me aangeboden weer bij hem terug te komen. Ik zou wel willen, maar ik zou hier nooit worden vrijgelaten – ik wil het bovendien hier nog een tijdje uithouden. Denk je eens in, de arme F. heeft nog lange tijd met haar gevoelens geworsteld totdat ze me enkele dagen geleden op de man af vroeg of ik meer voor haar was dan een gewone vriend. Ik heb haar een eerlijk antwoord gegeven en nu schijnt ze, dapper en verstandig als ze is, zich in alles te kunnen vinden. Elmblad leeft met zijn vrouw in Praag op grote voet. Hij heeft mijn brief nog niet beantwoord. Doe de hartelijke groeten aan je lieve zusters, aan Uda en je vader! Schrijf snel!


Altijd je Gustav



Orgelpijpen : twee van Stägemanns dochters werden bekende vocalisten


Petri : Henri Petri (1856-1914)


Schelper : Otto Schelper (1840-1906), bariton bij het Stadttheater van Leipzig



52 Aan Friedrich Löhr


(zonder datum; Leipzig, 1 oktober 1886)


Beste Fritz,


Veel dank voor je lieve regels en ook voor de bijlagen die ik je hierbij terugstuur. Ik heb Elmblad geschreven en ontving van zijn vrouw de bijgesloten brief. Na bladzijde 1 moet bladzijde 4 worden gelezen. Het belangrijkste doel van deze brief is : stuur me onmiddellijk het precieze adres van Rudolf. Misschien heb ik wat voor hem, dat op stel en sprong in orde gemaakt moet worden. Ik verkeer in grote zorgen over mijn moeder die weer ziek is. Groeten aan je familie. Spoedig meer van

Je

Gustav


53 Aan Friedrich Lohr


DE DIRECTIE VAN HET STADT-THEATER TE LEIPZIG


(zonder datum, Leipzig, oktober 1886)


Beste Fritz,


Ik schrijf dit in alle haast (in het theater). Mijn vader komt over enkele dagen naar Wenen. Ik vraag je, ervoor te zorgen, dat hij, wanneer zijn toestand geen hoop overlaat op volledig herstel, daarover niets te horen krijgt. Dit is, voor zover ik zijn karakter ken, absoluut noodzakelijk! Natuurlijk vraag ik ook van je, de volledige waarheid zonder voorbehoud aan mij mede te delen! Helaas zijn mijn plannen met betrekking tot Rudolf voorlopig weer in het water gevallen, maar ik verzin wel weer wat anders. Hij moet alleen zijn rug recht houden. (Ik weet hoe moeilijk dat is). Groeten aan je familie, Uda, Rudolf, Sax, Lipiner.


Je Gustav



Sax: H.E. Sax : secretaris van de Weense Handelkamer, privaatdocent voor nationale economie.



***

54 Aan Friedrich Löhr


(zonder datum, Leipzig, Oktober 1886)


Beste Fritz,


Allereerst mijn hartelijke dank voor alles wat je voor mijn vader hebt gedaan. Wat voor pijn dat alles me doet, kun je je indenken. Ik kan niets betekenen voor mijn familie en moet toezien hoe de golven over hen heen slaan, zonder dat ik een hand uitsteek. Hoe vreemd en eenzaam kom ik mezelf soms voor! Mijn hele leven is één groot heimwee! Je wilt weten, hoe ik tegenover Nikisch sta? Vaak beleef ik een groot genoegen bij hem en kan zo op mijn gemak naar een voorstelling onder zijn leiding kijken, als of ik zelf dirigeerde, alleen blijft het hoogste en diepste voor hem verborgen. Maar hoe zelden kom ik er zelf toe dat aan het licht te brengen. Ik moet me er meestal mee tevreden stellen echt grote missers op te vangen en moet het links en rechts maar laten gaan. Ik heb geen enkel contact met hem als persoon; hij is kil en afstandelijk tegenover mij, ofwel uit eigenliefde of uit wantrouwen, geen idee. Kortom, we passeren elkaar zonder een enkel woord! Aan erkenning ontbreekt het me overigens niet en die komt vaak van heel sympathieke zijde. Ik studeer nu ‘Armida’ in. Onlangs ben ik samen met Rubinstein bij Reinecke op bezoek geweest, op privé bezoek. Helaas kende hij mij totaal niet zodat ik alleen maar ‘kijken en niets uitrichten’ kon. Bij een dergelijke gelegenheid is het alleen maar pijnlijk zo volkomen één uit velen te zijn. Het gaat met mij dan altijd zo, dat ik mijn mond houd om geen problemen te veroorzaken, omdat ik weet hoe lastig en belachelijk deze bewonderende anonymi voor me zijn. Toch heb ik sinds ik in Leipzig ben, een waardevol mens aangetroffen en – ik zeg het maar gelijk – een van diegenen door toedoen van wie men zijn stommiteiten onder ogen durft te zien. Je begrijpt me wel, mijn vriend. Toch wil ik nu voorzichtig zijn, anders loopt het weer slecht met me af. Ik heb veel gelezen en stuur je binnenkort een lijstje ervan op. Hoe is de zaak met Rudolf verlopen? Ik krijg er natuurlijk niets over te horen. Elmblad heeft me geschreven. Zijn brief ………

Helaas schijn je met je angstige vermoedens toch gelijk te hebben. Want zoals F(rank) me meedeelt, bevinden beiden zich op de meest geschikte weg om met elkaar heel ongelukkig te worden. – Ook van Heinrich heb ik wat nieuws ontvangen. Hij werkt ijverig. Voor jullie allen de hartelijke groeten. Schrijf gauw!


Je Gustav



Armida : opera van Gluck, door Mahler voor het eerst uitgevoerd op 6 december 1886


Reinecke : Karl Reinecke (1824-1910), componist, pianovirtuoos en kapelmeester; sinds 1860 dirigent van de Gewandhausconcerten te Leipzig.


Rubinstein : Anton Rubinstein (1829-1894) : Russisch hofpianist, stichter van het conservatorium te Sint Petersburg, populair componist


Een waardevol mens : vermoedelijk een verwijzing naar Mahlers sympathie voor Marion von Weber (1856-1931)



***


55 Aan Max Staegemann


Leipzig 6 november 1886


Geachte Mijnheer de directeur,


Ik zou me over uw verbazing verbaasd moeten opstellen, maar ik weet, dat dit niet bij mijn gezicht past. Ik verzoek u met mij openhartig en direct om te gaan omdat ik het volste vertrouwen in u heb. U weet zelf, dat het tussen ons beiden tot een bepaald tijdstip een uitgemaakte zaak was dat ik, wanneer bij ons de Nibelungen hun opwachting maakten, de leiding bij deze werken met mijn collega’s zou delen. Daarvoor bestaan bewijzen. U weet ook, dat ik gezien mijn capaciteiten en mijn artistieke positie onmogelijk in een positie zou kunnen verkeren waarin ik uitgesloten zou zijn van soortgelijke taken. Ik verzoek u te bedenken dat ook uit zakelijke overwegingen deze buitengewone gelegenheid niet van mij zou mogen worden afgenomen om het vertrouwen van het publiek te winnen. Ik waag het erop mij erop te beroepen, dat ik tot nu toe uw vertrouwen en welwillendheid niet onwaardig ben geweest. U kunt van me aannemen, dat ik er uit overtuiging naar streef dit voor altijd voor mezelf te bewaren. Ik hoop nu maar, dat ik voor u in deze brief tenminste niet onbegrijpelijk ben gebleven en verzoek u dringend om een antwoord. Tot die hoop ben ik gerechtigd door de goedheid waarmee u me tot nu toe hebt behandeld.


Met bijzondere hoogachting


Uw onderdanige Gustav Mahler


56 Aan Max Staegemann


Leipzig, 26 november 1886


Geachte Mijnheer de directeur,


Staat u me toe u in alle bescheidenheid te vragen, of de in het recente nummer van het ‘Leipziger Tageblatt’ verschenen notitie met betrekking tot de muzikale directie van de ‘Nibelungen’ met uw eigen overwegingen overeenkomt. Ik geloof nu wel het recht te hebben in deze voor mij dringende kwestie om opheldering te verzoeken.


Hoogachtend,


Uw onderdanige Gustav Mahler


***


57 Aan Max Staegemann


Leipzig, 27 november 1886


Hooggeachte Mijnheer de directeur,


Na ampele overwegingen betreffende de huidige situatie ben ik tot de conclusie gekomen, dat het van mij heel onrechtvaardig zou zijn, u in welke mate dan ook de schuld te geven voor de voor mij nu zo pijnlijk geworden situatie. Het is me integendeel volkomen duidelijk, dat u vanuit uw standpunt volkomen in uw recht staat en niet anders kunt optreden. Terwijl ik me beroep op mijn brief van december vorig jaar waarin ik al voorspeld had wat nu aan de orde is geef ik nu aan u persoonlijk uiting aan mijn oprechte spijt voor alle maatregelen waartoe ik me van nu af aan genoodzaakt zie. Ik verzoek u hierbij om mijn ontslag. Zodra ik dit naar buiten heb gebracht zult u naar ik hoop geloven dat het me volkomen ernst is en ik verklaar me mijnerzijds bereid tot elk offer voor deze – ik erken het – zeker ook door u duur gekochte gunst. Vanzelfsprekend laat ik graag de keuze van het tijdstip van mijn ontslag aan u over en richt ik me naar uw behoeften en welbevinden. Ik verzoek u in het belang van ons beiden positief op dit verzoek in te gaan.


Ik verzeker u van mijn niet aflatende hoogachting voor u,


Uw onderdanige Gustav Mahler



Mijn brief van december : deze brief is nooit bekend geworden


Mijn ontslag : Mahler ging al zo serieus uit van zijn contractontbinding, dat hij al in onderhandeling was met het Stadttheater van Hamburg.



58 Aan Friedrich Löhr

(zonder datum, Leipzig, 25 december 1886)


Beste Fritz,


Breng Rudolf er dadelijk toe om zich alle aanbevelingen die hij te pakken kan krijgen, te verschaffen en deze te sturen aan directeur Staegemann met een brief van de volgende inhoud : ‘Zeer Geachte Heer Staegemann, ik ben die en die, ik was twee jaar theaterkapelmeester in Laibach en Würzburg, vervolgens dirigent van de Koorvereniging te Hannover, ben eerder met de eerste prijs van het Conservatorium van Wenen gekomen, ik kan dat en dat en verzoek u bij een eventuele vacature mijn persoon in het oog te houden. Ik ben gaarne bereid een repetitie van welke aard ook te doen. Uw etc, R. Krz.’ Mijn eigen situatie is sinds gisteren weer wat gecompliceerder geworden, in zoverre , dat ik gisteren het volgende ontving : 1. Een tegencontract van Pollini (hij is gebonden, ik moet voor 18 januari 1887 een beslissing nemen) 2. Een positie aan het Hoftheater in Karlsruhe (als opvolger van Mottl), 3. Een geweldig aanbod van Neumann in Praag. Nu staat de ezel tussen vier bundels hooi. Wat moet ik doen? Door dit alles heb ik me voorgenomen niets meer zelf te doen, maar toe te kijken welk lot mijn toekomst zal bepalen. Gisteren heb ik een verdrietig kerstfeest gehad, ik zat weer eens alleen thuis en zag vanuit mijn raam de gehele tegenover liggende rij huizen vol kerstbomen en lichtjes. Toen zag ik mijn arme familie vol verdriet in het donker thuis afwachten, ook zag ik jullie, de oude vertrouwde kring die ik verloren heb. Toen zag ik niets meer, maar een sluier van dauw trok over mijn ogen en bedekte met een paar druppels de hele wereld waarover ik rusteloos zal moeten zwerven. Ik vraag je nog eens, beste Frits, om Rudolf eens duchtig door elkaar te schudden anders gebeurt er weer niets. Was hij bij de agent bij het Hotel Imperial? Voor het geval hij mijn brief niet heeft ontvangen, zet ik alles nog even bij elkaar : hij moet onmiddellijk naar de heer Ledner, vertegenwoordiger van agent Entsch in Berlijn, die zich in Hotel Imperial bevindt. Deze is door mij al van alles op de hoogte en is bereid hem eventueel naar Hamburg te brengen. Van Leipzig weet hij niets want daarom bekommer alleen ik me. Van alles wat hij onderneemt moet hij me onmiddellijk berichten. Ik ben in deze dagen bij jullie!


Hartelijke groeten


Je Gustav


Wat bedoel je met ‘absoluut niet meer lang uit te stellen’? Weet je, beste vriend, dat dit me veel zorgen baart? Ik vraag je om het, wanneer het nog korte tijd uit te stellen is, te doen en nog enige tijd te wachten. Ik verzoek je me de collectie van poëzie te sturen die je nu wilt publiceren, misschien kan ik er iets voor doen. Ik ken namelijk zo’n idioot van een uitgever die daar voor zou voelen!



Rudolf : Rudolf Krzyzanowski


Pollini : Bernhard (eigenlijk Baruch) Pollini (1838-1897), aanvankelijk zanger (1874-1897), directeur van het Stadttheater van Hamburg dat onder zijn leiding een van de leidende operahuizen van Duitsland werd. Onder zijn leiding was Mahler van 1891 tot 1897 eerste kapelmeester in Hamburg. Hun relatie was altijd moeizaam.


Als opvolger van Mottl : Felix Mottl (1857-1911) , kapelmeester afkomstig uit Wenen, sinds 1881 hofkapelmeester in Karlsruhe



***


59 Aan Friedrich Löhr


(zonder datum, Leipzig, begin januari 1887)

Gottschedstrasse 4 II


Beste Fritz,


Waarom schrijf je al zo lang niet? Je hebt toch wel mijn laatste brief?

In mijn uiterlijke situatie dreigt weer een nieuwe crisis. Om je lange uiteenzettingen te besparen, geef ik je de naakte feiten en het resultaat van de heftigste en meest gecompliceerde gebeurtenissen. Zoals je waarschijnlijk wel weet, heeft mijn collega Nikisch een schitterend aanbod gekregen. Wanneer hij opstapt, dan krijg ik als eerste kapelmeester zonder beperkingen zijn positie. Wanneer hij blijft, dan ga ik in op een werkelijk superieur aanbod als leider van de Opera in Hamburg. In het laatste geval krijg ik een gage van 6000 mark op jaarbasis en drie maanden verlof, het exclusieve recht op ‘Die Nibelungen’, ‘Meistersinger’, ‘Tristan’, ‘Fidelio’, en ‘Don Juan’ en het recht om na het eerste jaar op te zeggen. Je kunt je indenken, dat ik natuurlijk alleen maar kon wensen op zulke voorwaarden naar Hamburg te gaan. Toch ben ik niet vrij in mijn keuze : wanneer Nikisch opstapt naar Pest, geeft directeur Staegemann mij niet mijn ontslag. Uiterlijk 15 januari valt in deze zaak de beslissing. Ik heb in beide gevallen bedongen, dat Rudolf ook een engagement krijgt. Ik verzoek je hem daarvan op de hoogte te stellen en mij dadelijk zijn adres te geven. In het begin moet hij natuurlijk met een bescheiden positie genoegen nemen. Beetje bij beetje verschaf ik hem uiteindelijk een positie die hij verdient.

Door dit alles ben ik natuurlijk alle contact met ‘mezelf’ kwijt geraakt, hoewel ik in alles aan mezelf trouw gebleven ben, en weer van plan ben enkele ‘stommiteiten’ te begaan. Soms slaat de schrik me zo om het hart, dat ik er vandoor zou willen gaan. Aan thuis durf ik niet eens te denken. Beste Fritz, laat me toch weten hoe het met jullie allen gaat! Elmblads vrouw is weer naar Parijs! Neumann zou me heel graag willen hebben. Mevrouw Frank evenzo. De Leipzigers krijgen behoorlijk wat respect voor mij. Nikisch en ik zijn tijdens de laatste fase veel dichter bij elkaar gekomen en we gedragen ons als goede kameraden. Aan jullie allemaal de hartelijke groeten en schrijf toch snel aan


Je nu wat verbouwereerde Gustav


Schitterend aanbod : Nikisch zou directeur worden van het koninklijke Hongaarse operahuis in Budapest. Pas in 1893 was het zover.


***


60 Aan Friedrich Löhr


(zonder datum, Leipzig, Januari 1887)


Beste Fritz,


Het baart me werkelijk veel zorgen, dat je zo snel tot deze belangrijke stap hebt besloten! Wat zullen jullie dan gaan doen? Schrijf het me uitvoerig! Van thuis heb ik heel verdrietige berichten ontvangen. Ook mijn moeder is ziek en mijn arme, arme zuster staat er in deze moeilijke tijd helemaal alleen voor. Hier is de beslissing voor mij in zoverre wat dichter bij gekomen, dat Nikisch nu definitief besloten heeft te blijven en Staegemann zich bereid verklaart mij niets meer in de weg te leggen.


Ik was deze dagen bij Spiegler in Berlijn en in gezelschap van Braun. Ze zijn alle twee nog net als vroeger, alleen komt Spiegler veel rijper over dan voorheen. Hij is nu zo vrij en zelfstandig, dat ik echt veel plezier aan hem beleef. Helaas gaat hij er algauw weer vandoor en ik blijf weer alleen in mijn eigen treurige gezelschap. Gisteren ben ik in een nieuwe woning getrokken die bijna te luxueus voor me is. Ik gun mezelf die woning bijna niet. Wanneer een van jullie naar me toekomt, woont hij natuurlijk bij me. Vooralsnog is het niet onwaarschijnlijk, dat ik vanaf de herfst in Karlsruhe ben.

Ik verzoek je me spoedig te schrijven en te berichten.


Hartelijke groeten aan jullie allen!


Je Gustav


Veel dank aan Louise, dat ze aan me denkt


Ingesloten 20 mark



Zuster : Justine (1868-1938)


Braun : Heinrich Braun (1854-1927), beroemd socioloog, broer van Emma Adler


Louise, zuster van Friedrich Löhr



***


61 Aan Friedrich Löhr


(zonder datum, Leipzig, februari 1887)


Beste Fritz,


Een paar regels – Nikisch is plotseling ziek geworden en ik sta er nu helemaal alleen voor. Voor jou en je vrouw mijn welgemeende wensen voor altijd. Je weet hoe graag ik tenminste een paar ogenblikken bij jullie zou willen zijn. Helaas is het mijn lot, dat ik hele leven mijn geliefden alleen moet laten wanneer ze me misschien het meest nodig hebben. Ik denk de hele tijd aan jullie en stel me jullie Jean Paulse isolement voor –


Mijn situatie wordt steeds ondoorzichtiger. Hier heb ik ‘Walküre’ gedirigeerd (vanwege de plotselinge ziekte van mijn collega) en daardoor heb ik een zeer sterke positie veroverd. Tegelijkertijd heb ik een aanbod gekregen om in New York opvolger te worden van Anton Seidl. Misschien ga ik daar uiteindelijk op in!

Mijn hartelijke groeten aan jullie en schrijf me wat er te schrijven is, misschien kan Uda je er een beetje bij helpen. Ik moet er van door, naar de repetitie met Lucca die hier morgen als gastzangeres optreedt.


Hartelijke groeten


Je Gustav



Nikisch : leed aan een longontsteking die hem lang van het theater verre hield


Walküre : première op 9 februari 1887


Een zeer sterke positie : zelfs de negatieve criticus Martin Krause moest toegeven, dat de drie voorspelen ‘ganz herrlich’ werden uitgevoerd (Leipziger Tageblatt und Anzeiger, 11 februari 1887)


Anton Seidl (1850-1898) : sinds 1885 kapelmeester in New York waar hij tot zijn dood bleef


Luca : Pauline Luca (1841-1908) : beroemde sopraan, zong op 19 februari als Carmen en op 22 februari als Katharina in “Der Widerspenstige Zähmung”van Goetz.



***


62 Aan Emil Freund


Leipzig, april 1887


Beste Emil!


Je kunt je in denken met wat voor een innige deelname ik de verdrietige boodschap van je heb ontvangen. Ik stelde het – door mijn overvolle agenda – van dag tot dag maar uit om je een paar regels te schrijven. Ik verzoek je hierbij om, als je daartoe in staat bent, wat meer te schrijven over de gebeurtenis en tegelijkertijd je huidige bestaan in Seelau te beschrijven. Omdat ik van plan ben rond midden Juli naar Iglau te komen, hoop ik je in elk geval te zien en te spreken. Voor schrijven heb ik nog altijd geen tijd. Dat het goed met me gaat, weet je al, ook, dat ik mijn portie leed heb gekregen, dat moeten we allemaal op de koop toe nemen. Hartelijke groeten aan je familie en schrijf me eens


Je Mahler



Gebeurtenis : het overlijden van de broer van Emil Freund



***


Aan Friedrich Löhr


(zonder datum, Leipzig, begin mei 1887)

Gustav Adolfstrasse 12


Beste Fritz,


Ik heb er geen verklaring voor, dat je me nog geen paar woorden kunt schrijven, juist nu, nu ik er behoefte aan heb om iets over jou te weten. Je zult wel weten dat ik sinds ongeveer drie maanden in ongehoorde mate met werk overladen ben. Ik moet vanwege de ziekte van mijn collega de functie van twee mensen vervullen. Bijna dagelijks dirigeer ik grote opera’s en kom letterlijk nauwelijks het theater uit. Je kunt je voorstellen, hoe zwaar dat is voor iemand die het met de kunst serieus opvat en welke inspanning er nodig is, om zulke grote opgaven met de minst denkbare voorbereiding op een verantwoorde manier te vervullen. Nu sta ik op het punt om ‘Siegfried’ “uit te brengen”. In de publieke opinie ben ik behoorlijk gestegen en word vaak ‘teruggeroepen’.

Met mijn chef sta ik bijna in een vriendschappelijk relatie en in zijn gezin ben ik als kind aan huis. Het is bijna het enige contact dat ik hier heb. Waarschijnlijk komt Nikisch volgende maand uit Italië terug en dan kan mijn bestaan weer wat menselijker worden. Vanzelfsprekend is nu ook mijn aanblijven hier weer wat definitiever geworden, omdat ik feitelijk geen reden heb om te vertrekken.

Door de recente ontwikkelingen sta ik nu in feite met Nikisch op één lijn. Ik kan nu rustig met hem om de hegemonie strijden die me al vanwege mijn betere lichamelijke toestand moest toevallen. Ik denk, dat Nikisch het niet met me zal uithouden en op den duur het vrije veld zal zoeken. Om Rudolf maak ik me grote zorgen. Ik schrijf en praat maar en tot nu toe zonder resultaat. Het is vreselijk moeilijk om als beginneling aan de bak te komen. Maar ik geef de hoop niet op en zal hem uiteindelijk kunnen promoten.

Mijn familie bezorgt me zoals eerder veel zorgen en dat is ook de reden, dat ik me nu zo bereidwillig op dit werk heb gestort, want ik kan en wil niet over alles nadenken waar ik toch niet helpen kan. Zal het ooit beter worden?

Vaak denk ik nu aan jou en aan je lieve vrouw en vraag me af, waarom ik helemaal niets van jullie hoor. Misschien heeft mijn appèl aan je vrouw effect. Ze moet maar eens flink haar pen indopen. Groet je familie van harte van mij en bedank Louise voor haar groeten. Hoe graag zou ik ze allemaal weer eens willen zien! Groet allen heel hartelijk en schrijf eindelijk eens.


Je Gustav



“Siegfried’ “uitbrengen” : de première ‘met nieuwe enscenering’ vond plaats op 13 mei 1887



***

64 + Aan zijn ouders


(zonder datum, Leipzig, eind december 1887)


Lieve ouders,


Hierbij wens ik jullie met enkele woorden een gelukkig nieuw jaar en vooral een goede gezondheid. Ik heb er alle vertrouwen in dat ik voor het andere zelf zorg kan dragen. Zojuist is uit New York de directeur van de Duitse Opera, de heer Stanton, langs gekomen. Hij komt over met het oog op de uitvoering en zou graag de opera voor Amerika in de wacht willen slepen. Nou, dat kan een flink zakje dollars opleveren.

Op kerstavond was ik voor het eerst bij de familie Weber en dan samen met hen bij Staegemann. Ik heb van alle kanten zoveel cadeaus gekregen dat ik ze voor jullie nauwelijks kan opsommen. Van de Webers kreeg ik behalve veel andere geschenken ook een gouden medaillon, twee dozijn fijne zakdoeken, zijden halsdoeken etc. Van Staegeman een grote klok met wekker, een briefmachine etc. Een grote hoeveelheid aan kerstartikelen, boeken, fotostandaards, enveloppes etc. Van mevrouw Weber een tafeltje met borduursel erop.

In het theater studeren we ijverig ‘Pintos’ in. Iedereen is uiterst gemotiveerd, wat hier tot voor kort nog niet het geval was. Ik heb nog een nieuwe entree-acte geschreven die tot het beste behoort wat in de opera voorkomt. Voorlopig mag niemand weten wat van Weber is en wat van mij, anders zouden de recensenten een makkie hebben. Het geld heb ik nog niet in handen. Mochten jullie nu wat nodig hebben, dan kan ik met gemak 1000 Mark uitlenen. Die zend ik jullie dan onmiddellijk toe. Schrijf me daarover.


Hartelijke groeten van Gustav


Schrijf vlug!



De heer Stanton : Edmund Stanton leidde de Metropolitan Opera in New York van 1885 tot 1891.


Met het oog op de uitvoering : Mahler had in de zomer en herfst van 1887 uit Webers nagelaten schetsen bij de opera ‘Die drei Pintos’ een speelbare toneelversie samengesteld waarvan de eerste uitvoering op 30 januari 1888 in Leipzig plaatsvond


De familie Weber : Carl von Weber (1849-1897), kleinzoon van de componist, bewerkte het libretto van “Die drei Pintos’. Zijn echtgenote was Marion von Weber. (zie aantekening bij brief 54)



***


65 Aan Friedrich Löhr


(zonder datum, Leipzig, aankomstpoststempel 4 januari 1888)


Beste Fritz,


Ik moet je een paar regels schrijven. Het is alles wat ik kan opbrengen in deze trilogie van hartstochten en wervelwind van het leven! Alles in mij en om mij wordt, niets is! Laat me nu nog een beetje door! Dan zullen jullie alles te horen krijgen!


Hartelijke groeten


Gustav


Ik denk aan je!


66 Aan Max Staegemann


(zonder datum, Leipzig, 5 januari 1888)


Hooggeachte Mijnheer de directeur!


Neem het me niet kwalijk, dat ik u schrijf, omdat de weg naar u toe toch niet zo lang is. Sinds geruime tijd merk ik bij u een misnoegen op, dat zeker toe te schrijven is aan kleine zorgen en onaangenaamheden, waar mee u zo onafgebroken te doen heeft. Toch kan ik er niet omheen, de oorzaak ook een beetje bij mijzelf te zoeken.

Ik ben bang, dat dat ongenoegen zal groeien en tenslotte onze goede relatie in gevaar kan brengen die me zoveel vreugde heeft bezorgd en mijn situatie zo prettig heeft gemaakt. Ik geef graag toe, dat u reden genoeg heeft zich over mij te beklagen omdat ik er sinds lang mee opgehouden ben, mijn plicht zo te doen als u van mij gewend was.

Ik weet ook, dat ik het tegenover u niet nodig heb verontschuldigingen naar voren te brengen, omdat de oorzaak van mijn nalatigheid die voor u wellicht in een milder licht zal plaatsen. U zelf die de goede zaak van begin af aan zo daadkrachtig en belangeloos hebt ondersteund, bent zeker ook de eerste om voor haar succes een offer te brengen en een tijd lang af te zien van een kracht die u gerechtigd bent volop en totaal voor uw instituut op te eisen. Nog een klein beetje geduld! Geef uw onbehagen geen grond om te groeien en blijft u me een beetje trouw! Laat nog twee weken voorbij gaan en u zult zien dat ik weer ‘de oude’ zal zijn ! En nu, geen nare gedachten!

Ik wilde u weliswaar nog veel zeggen, maar ik besef dat het beter is hier te stoppen. Ik bewaar het tweede deel van mijn brief voor een gunstiger tijdstip. Ik verzeker u, dat uw waardering en sympathie voor mij tot het kostbaarste behoren dat ik bezit en zou willen behouden. Ik ben en blijf uw

Onderdanige


Gustav Mahler


P.S. (Ik schrijf hier dus als ‘gemoedsmens’. Goed, soms mag toch zelfs een kapelmeester zijn emoties hebben?)



‘de oude’ : in maart had Mahler zijn eerste symfonie voltooid


Twee weken : dit zou kunnen betekenen dat Mahler vanwege zijn bewerking van “die Drie Pintos’ zijn overige plichten in het theater verwaarloosde



***

67 Aan Emil Freund


Leipzig, 17 januari 1888


Beste Emil!


Kom liever niet op de première, omdat ik in dit geval noch iets aan jou, noch jij iets aan mij zou hebben. Ik heb deze dagen geen moment tijd, omdat hier, zoals je weet, de hele wereld samenkomt en ik ter beschikking van de hoge heren moet staan.

Kom liever in de week daarop waar we dan samen kunnen komen en ons over en weer kunnen uitspreken.

Ik reserveer dus voor de première geen zitplaats – er is misschien ook al geen plaats meer te krijgen.


Hartelijke groeten


Gustav Mahler



Première : van de door Mahler aangevulde opera ‘Die drei Pintos’. Mahler had Freund in eerste instantie voor de première op 20 januari 1888 uitgenodigd.



***


68 + Aan zijn ouders


(zonder datum, Leipzig, einde januari 1888)


Lieve ouders!


Nu in haast een kort bericht! Alles ging voortreffelijk! Het gejuich was enorm! Nu is het huis weer uitverkocht. Wees er niet verbaasd over wanneer mijn verdiensten in de kranten wat worden onderbelicht. Uit ‘zakelijke overwegingen’ moet voorlopig onduidelijk blijven welke muziek van mij is en welke van Weber. Ik kan jullie wel zoveel zeggen, dat twee lievelingsnummers, die overal in de kranten worden vermeld (het Studentenkoor en de Ballade van Kater Mensor) van mij zijn, zoals nog veel andere muziek ook. Dat moet helaas allemaal geheim gehouden worden, totdat de opera overal is opgevoerd. Nu geldt : hoe minder eer, des te meer geld! Dat komt dan, wanneer de onthullingen volgen.

In elk geval ben ik vanaf vandaag een ‘beroemd man’. Kapelmeester Levi van Bayreuth was er ook. Hij was tegenover mij enorm enthousiast. Hij vertelde me ook, dat Cosima Wagner aan hem over mij een brief van vier bladzijden heeft geschreven. Verder kreeg ik een massa kransen, waaronder één van directeur Staegemann en zijn vrouw met een prachtige opdracht. De 10000 mark van de uitgever zijn al voor mij in de Rijksbank opgeborgen. Stel je voor, dat Weber en zijn vrouw het geld absoluut niet aan mij ter hand willen stellen , maar het zelf naar de bank zouden brengen en mij alleen een depotbewijs zouden geven, uit angst dat ik het geld zou wegmoffelen. Daarbij komen nog de tantièmes waarvan men de hoogte nu nog helemaal niet kan berekenen, omdat het er juist op aankomt in hoeveel theaters en hoe vaak de opera wordt opgevoerd. Straks beschik ik over de genoemde som of nee, ik beschik er niet over, maar heb het depotbewijs in mijn bezit. Nu ga ik weer de ‘Pintos’ dirigeren. Zodra de opera in Wenen wordt opgevoerd moeten jullie komen luisteren. Binnenkort schrijf ik uitvoeriger.

Hartelijke groeten van Gustav



Kapelmeester Levi : Hermann Levi (1839-1900), hofkapelmeester in München, eerste dirigent van ‘Parsifal’ in Bayreuth.


Cosima Wagner : leefde van 1837 tot 1930, weduwe van Wagner


Uitgever : de opera werd door C.F. Kahnt in Leipzig uitgegeven


In Wenen wordt opgevoerd : dat gebeurde voor het eerst op 18 januari 1889



***


69 Aan Friedrich Löhr


(zonder datum, Leipzig januari/februari 1888)


Beste Fritz,


Het voelt voor mij moeilijk, dat ik je niets kan zeggen of schrijven. Vergeef me dit zwijgen, lieve vriend. Je zult alles nog wel horen. In elk geval mag je weten dat ik al menig vijfregelig systeem heb beschreven, en dat in dit opzicht alles heel goed geworden is, mijn God, misschien wel in elk opzicht! Ja! Alles gaat heel goed!


Het ga je goed, Fritz. Schrijf me gauw!


Je


Gustav


Groet je familie!


***



70 Aan Friedrich Löhr


DE REGIE VAN HET STADT-THEATER IN LEIPZIG


(zonder datum, Leipzig, maart 1888)


Beste Fritz,


Zo! Mijn werk is klaar! Nu zou ik je graag naast me willen hebben bij de piano en je het stuk voorspelen! Waarschijnlijk ben jij de enige voor wie daarin aan mij niets nieuw zal zijn; de anderen zullen zich over heel wat verbazen! Het is zo overweldigend geworden – zoals het als een bergstroom uit me vloeide. Een zomeroogst zul je horen! Als met één slag zijn alle sluizen in mij opengegooid! Hoe dat zo gekomen is, vertel ik je nog wel. Met dank zend ik je hier je werk terug Over jouw pasgeborene zou ik je graag enkele woorden willen zeggen, het komt me zo eigenaardig voor je als vader te zien! Vandaag kan ik niet! De lente laat me niet thuis! Ik moet naar buiten om weer eens met volle teugen frisse lucht in te ademen. Sinds zes weken zit ik alleen maar achter mijn bureau!

Schrijf me, hoe het met jou en je vrouw gaat.


Groet heel je familie hartelijk!


Je Gustav


Mijn werk : heeft betrekking op de eerste symfonie


***


71 Aan Max Staegemann


Leipzig, 16 mei 1888


Geachte Mijnheer de directeur!


In het u bekende conflict tussen mij en de heer Goldberg moet ik nogmaals terugkomen op mijn aan u gevraagde ontslag. Terwijl ik mijn desbetreffende verzoek staande houd en hierbij nog eens uitdrukkelijk herhaal, maak ik van de gelegenheid gebruik u de redenen op grond waarvan ik denk het recht te hebben ontbinding van mijn contract te verlangen, uiteen te zetten.

Allereerst beschouw ik het als onverenigbaar met de mij als kapelmeester toekomende en voor de uitoefening van mijn functie noodzakelijke autoriteit, dat ik zo maar op die manier voor het personeel belachelijk word gemaakt, zoals het geval geweest is door de handelwijze van de heer Goldberg tegenover mij. Daarom meen ik mijn dienst na dat incident niet meer met die autoriteit te kunnen vervullen die in mijn belang even noodzakelijk is als in dat van u en het kunstinstituut waarvan ik deel uitmaak. Ik huldig daarom in eerste instantie de opvatting, dat mij door dat incident de uitvoering van de met mijn functie verbonden taken vrijwel onmogelijk is gemaakt en dat ik daarom al om die reden het recht heb de ontbinding van mijn contract met u op te eisen.

Ten tweede ben ik ook van mening, dat u het verzoek om ontslag feitelijk reeds heeft ingewilligd. Zoals ik u al heb medegedeeld, heeft de heer Goldberg na het bewuste voorval met zoveel woorden en ten overstaan van het aanwezig personeel uitgeroepen : “U heeft vandaag voor het laatst gedirigeerd!’ Omdat niet zomaar kan worden aangenomen dat de heer Goldberg op het ogenblik dat hij die uitspraak deed, in uw uitdrukkelijke opdracht heeft gehandeld, heb ik het toch als mijn plicht beschouwd u er in mijn een dag erna gedateerde brief op die uitspraak te wijzen om er achter te komen of ook u het in zoverre met het optreden van de heer Goldberg eens bent.

U zult zich nu wel herinneren, dat u tijdens het gesprek dat ik diezelfde dag met u had, met verwijzing naar mijn brief uitdrukkelijk verklaard heeft : ‘Wat de heer Goldberg doet, doe ik, hij en ik vallen samen’ etc.

Hieruit meende ik de conclusie te mogen trekken dat ook u het met het door de heer Goldberg in die uitspraak zonder twijfel tegen mij uitgesproken ontslag eens bent.

Na bovenstaande uiteenzetting over de gang van zaken hoop en vertrouw ik erop, dat u mijn terechte standpunt wilt delen en afgezien daarvan dat u in het belang van iedereen in zult willen stemmen met het door mij gevraagde ontslag.


Met bijzondere hoogachting verblijf ik,


Uw onderdanige Gustav Mahler



De heer Goldberg : het betreft Albert Goldberg (1847-1905), hoofdregisseur van de opera bij het Stadttheater in Leipzig.



***





72 Aan Max Staegemann


Leipzig, 17 mei 1888


Kapelmeester Gustav Mahler verzoekt beleefd om dispensatie van zijn dienst tot aan de honorering van zijn verzoek.



Verzoek : Mahlers verzoek werd ingewilligd. De Leipziger kranten berichtten al op 24 mei 1888 over Mahlers ontslag bij het Stadttheater



73 + Aan Max Steinitzer


(zonder datum, Iglau, voorjaar 1888)


Mijn beste vriend!


Je hebt gelijk, spoedig houd ik op mens te zijn! Mijn beste vriend, wanneer je me zou zien, dan zou je me mijn stilzwijgen vergeven! Straks ben ik daar beland waar ongeveer het begin van het vierde deel van de betreffende symfonie te zoeken is. Wat aardig van je, dat je zo goed tegen me bent! Alsjeblieft, bericht me ook verder over de gang van zaken in Leipzig, over alles! Vanwege de symfonie weet ik me geen raad! Als première zou ik niet graag een bierconcert willen. Binnenkort wil ik toch ergens anders mijn geluk beproeven. Zou men het stuk dan niet eenmaal in Leipzig kunnen uitvoeren? Schrijf me, of daar iets gedaan kan worden. In Wenen zal ik in de herfst de nodige stappen doen. Steinitzer, het gaat slecht met me!

Van hieruit ga ik weer naar München terug. Daar verwacht ik onder mijn Stambergse adres je volgende brief. Beste Steinitzer, je laat je niet afschrikken, niet waar? We komen wel weer in rustig vaarwater, zodat we elkaar niet helemaal uit het oog zullen verliezen. Voorlopig ben ik echt niet in staat, over mezelf te berichten. Alleen dit, dat ik , naar zich laat aanzien, niet zo gauw weer een engagement zal krijgen. Ik kom er eerlijk voor uit, dat dit me grote zorgen baart! Ik heb nu behoefte aan een veeleisende activiteit om niet te gronde te gaan! Schrijf me snel! Blijf de vriend van je in chaotische omstandigheden verkerende


Gustav Mahler


Adres : poste restante



Het vierde deel : Mahlers eerste symfonie had destijds vijf delen. Het vierde deel was dus de treurmars.


Weer een engagement : in augustus 1888 studeerde Mahler bij het Duitse Theater in Praag zijn versie van ‘Die drei Pintos’ in.



***


74 Aan Friedrich Löhr


(zonder datum, Iglau, zomer 1888)


Mijn beste vriend,


Zondagavond kom ik naar Wenen in verband met een bijzonder belangrijke aangelegenheid. Mijn verzoek is, of je me in Hotel Höller een kort bericht kunt laten geven, wanneer ik je bij de eerstvolgende gelegenheid in de stad kan zien. We spreken dan al het nodige af. Waarschijnlijk komt mijn broer Otto mee.


Hartelijke groeten

Je Mahler


***


75 Aan de leden van de Opera van Budapest


(Budapest vóór 10 oktober 1888)


(Het betreft waarschijnlijk een concept voor de toespraak die Mahler op 10 oktober 1888 bij zijn officiële installatie hield)


Geachte Dames en Heren!


Ik heb de eer vandaag een topfunctie te mogen bezetten aan een instituut dat in elk opzicht ertoe geroepen is voedingsbodem en proeftuin van de nationale kunst van dit land te zijn. Allereerst dank ik onze hooggeëerde chef, staatsecretaris von Beniczky, voor het vertrouwen waarmee hij een zo veeleisend, maar ook eervol ambt in mijn handen heeft gelegd en ik geef u hiermee de belofte, dat ik mij met hart en ziel en met al mijn krachten zal wijden aan de mij gegeven opdracht. Ook tot u, mijne dames en heren, zou ik graag enkele woorden willen richten!

Met trots en vol vreugde zie ik een schare kunstenaars om me heen verzameld waarvoor geen legeraanvoerder zich hoeft te schamen op de weg naar de overwinning. Het moet een ieder van ons met trots vervullen deel uit te maken van een instituut dat door Zijne majesteit de Koning, verheven beschermer van de kunsten, op zo stimulerende en overvloedige wijze gesteund wordt , een instituut waarvoor de hoogste vertegenwoordiger van het rijk altijd zijn handen open heeft gehad en dat het middelpunt vormt van alle artistieke projecten van Hongarije en tegelijkertijd de trots van de natie is, of zou moeten zijn. Van welke hoge eisen aan ons zelf moeten we doordrongen zijn, dat wij diegenen zijn, op wier schouders de taak rust, de betekenis van een dergelijk instituut in stand te houden en te vergroten.

Mijne dames en heren, we zien onszelf in staat ons met hart en ziel en vol overgave aan de gewichtige taak te wijden die ons toevalt! De strengste discipline van elk individu en een volledig opgaan in het geheel, dat is het motto dat we op ons vaandel schrijven.

Verwacht u voorlopig geen beloften of maatregelen van mij. Ook zal ik u nu nog geen programma voorlezen. We willen elkaar eerst beter leren kennen en daarbij de krachten bundelen voor het moeilijke werk dat ons ten deel valt.

Wanneer ik u één belofte mag doen dan is het , dat ik bij u met het goede voorbeeld voorop wil lopen in de vreugde van de praktijk en de redelijkheid van het voornemen.

Laten we aan het werk gaan en doen wat van ons wordt verlangd! Dan zal ook succes ons werk bekronen!

Ik besluit nu in de vreugdevolle hoop, dat u mij allen als echte kunstenaars wilt stimuleren en mij ook bij de zwaarste taken zult ondersteunen.


Gustav Mahler



Benicky : Ferenc von Benicky (1833-1905), regeringscommissaris, later intendant van het operahuis


Koning : Franz Josef I, keizer van Oostenrijk en Koning van Hongarije.



***


76 Aan Max Staegemann


Budapest, 20 december 1888


Hooggeachte Mijnheer de directeur!


Bijgevoegde brieven geven u duidelijkheid over de situatie. Ik verzoek u deze brieven discrete te behandelen. Kunt u al tot een besluit komen? Hoe moet ik me in deze aangelegenheid opstellen? Ik lijd onder een ongelooflijke ‘soubretten-nood’.

Tegelijkertijd wens ik u en uw lieve familie gelukkige feestdagen en nodig ik u uit de bijgevoegde ‘echt Hongaarse’ specialiteiten te proberen. De worst moet gebraden worden. Ik verzoek u bij het openen van de afzonderlijke blikjes voorzichtig te zijn omdat een klein blikje met paprika gevuld is en al gauw voor neus en oren onaangename gevolgen kan hebben.

Komende Kerstavond zal ik wel heel eenzaam doorbrengen, omdat er geen theatervoorstelling is en ik nog absoluut geen contacten heb gelegd.

Momenteel ben ik druk bezig met de repetities voor ‘Die Nibelungen’ . Ik heb een enorm tekort aan tenoren en ervaar in alle hoeken en gaatjes de meest absurde problemen. Toch bijt ik me erin vast!

Ik verzoek u uw familie namens mij heel hartelijk te groeten. Ik neem ook aan, dat deze groet bij onze vriend Perron terecht komt. Ik wens u allen een paar rustige en gezellige dagen toe.


Uw Gustav Mahler


Verzoeke de pakketten niet al te lang bij de post te laten liggen, anders bederft het fruit. Voor de grap stuur ik u beide brieven van mevrouw Von Artner tegelijk, dan kunt u echt genieten.



Bijgevoegde brieven : vermoedelijk had Josephine von Artner ( 1867-1932) bij Mahler om een engagement gevraagd


Nibelungen : Mahler studeerde ‘Rheingold’ en ‘Walküre’ aan de opera van Budapest in het Hongaars in. De premières vonden plaats op 26 en 27 januari 1889


Perron : Karl Perron (1858-1928) : bariton aan het Stadttheater in Leipzig.



77 Aan Friedrich Löhr


(zonder datum, Pest, April 1889)


Beste Fritz!


Ik verheug me er al geweldig op!

Mijn hotel heet ‘Hotel Tiger’ en bevindt zich op Palatingasse (op zijn Hongaars Nádor-utcza). Ik wilde je vragen me in elk geval je aankomst tijdig mee te delen want dan kan ik je op het station opwachten. Mocht ik verhinderd zijn , ga dan direct naar mijn hotel, waar alles klaar zal staan.

Wat Otto betreft, vind ik het heel onaangenaam, dat hij zo lang wil wachten met werken.

Thuis kan hij niet spelen. Het zou me het liefst zijn, wanneer hij enige dagen in Iglau zou verblijven en dan naar Wenen terug zou gaan om daar de gewone draad weer op te pakken.


Tot spoedig ziens!


Je Mahler


Hartelijke groeten aan je familie


78 Aan Friedrich Löhr


(zonder datum, München, juli 1889)


Beste Fritz,


Eindelijk ben ik uit het ziekenhuis ontslagen. Ik heb nog altijd pijn en ben nogal gedeprimeerd. Hopelijk zal het er met mij heel gauw op vooruit gaan. Ik ga nu voor vijf dagen naar Bayreuth en van daar uit voor drie weken naar Marienbad. Midden Augustus hoop ik in Wenen te zijn.


Hartelijke groeten van Gustav



Ziekenhuis : heeft betrekking op een operatie


Bayreuth : op 22 juli bevond Mahler zich al in Bayreuth, op 31 juli was hij al meerdere dagen in Marienbad



***


79 Aan Friedrich Löhr


(zonder datum, Pest, herfst 1889)


Beste Fritz,


Ingesloten 47 fl, waarvan 31 fl 60 kr voor de kwartiervrouw, 10 fl voor Berta, en 5 fl zakgeld voor Otto. Binnen twee weken ben ik in Wenen.


Hartelijke groeten,


Ja Gustav


***


80 Aan Friedrich Löhr

(zonder datum, Pest, september 1889)


Beste Fritz,


Eind volgende week kom ik dus met Justi naar Wenen. Wanneer ik bij jou kan logeren zonder jou ook maar in enig opzicht te storen dan kom ik naar je toe, zo niet, dan verzoek ik je in een aangenaam hotel vlak bij jouw woning voor enkele dagen een rustige kamer te reserveren. Ik denk, dat die laatste oplossing mijn voorkeur heeft. Zeg niemand dat ik kom. Waarom? Dat leg ik je wel mondeling uit. Zo zullen we na lange tijd weer wat dagen met elkaar kunnen doorbrengen. Wanneer me dat lukt, richt ik het zo in, dat ik al op zondag (waarop je je zeker kunt vrijmaken) bij jullie ben.


Hartelijke groeten


Je Gustav



Justi : Justine Mahler



***


81 Aan Uda Löhr


(zonder datum, Pest vóór 15 september 1889)


Lieve vriendin!


Hartelijk dank voor je lieve brief. Bijgevoegd zijn 75 fl voor september en oktober.

Ik zit midden in het werk : zondag ‘Lohengrin’!

Van thuis heel slechte berichten : de katastrofe is een kwestie van uren. Onder geen voorwaarde kan ik hier vóór maandag weg.

Zou het voor jou mogelijk zijn, voor het geval het ergste zich eerder voordoet dan ik erheen kan, voor één of twee dagen naar Iglau te gaan om mijn zuster bij te staan?

Ik weet namelijk niet, wat die daar alleen moeten aanvangen!

In dat geval zal ik je telegraferen. Ik vraag je me aan te geven of je kunt of niet. In mijn toestand is helaas geen verbetering ingetreden. Om de repetities mogelijk te maken slik ik morfine.


Hartelijke groeten van je


Mahler


***


82 Aan Friedrich Löhr


(zonder datum, Pest, midden oktober 1889)


Beste Fritz,


Ik krijg juist post uit Iglau. Ik verzoek je mij per omgaande wat uitvoeriger te berichten over alles wat jou bekend is, vooral over de nu ontstane situatie


Naar ik hoor, gaat Justi voor korte tijd naar jullie toe. Waar laten we Emma? Eventuele kosten worden uiteraard vergoed. Mij is er nu alles aan gelegen, dat de korte overgangstijd tot aan het ogenblik, dat ik de beide zusters bij me neem, voor hen enigermate verdraaglijk wordt. Ik kan op dit ogenblik niet weg.


Hartelijke groeten


Gustav



Midden oktober : de dood van Mahlers moeder op 11 oktober laat de datering ‘midden oktober’ toe


Post uit Iglau : het bericht van het overlijden van Mahlers moeder.


Emma : Mahlers jongere zuster (1875-1933)



***


83 Aan Friedrich Löhr


(zonder datum, aankomststempel 1 november 1889)


Beste Fritz,


Ingesloten ontvang je 86 fl 69 kr. Ik verzoek je me met een overzicht aan te geven, omdat de omstandigheden nu onderhand vaste contouren hebben gekregen, hoeveel ik voor beide kinderen met maandelijkse regelmaat zal moeten opsturen, waarbij ik overigens een kleine zucht niet helemaal kan onderdrukken. Alois in Brünn moet ook voortdurend geld hebben en hier schijnen de uitgaven in verband met de overgevoelige en verzwakte constitutie van Justi ook aanzienlijk hoger uit te vallen dan ik aanvankelijk had gehoopt. Goed, God helpe ons verder.

Morgen neem ik een voorschot op!

De ingesloten brief is voor Emma.

Mijn toestand gaat er met de dag op vooruit.


Hartelijke groeten van Gustav


Momenteel onderhandel ik in München bij Levi voor Rudolf, die ik voor de vacature aldaar voor kapelmeester aan het Hoftheater met kracht zal aanbevelen. Ik hoop vast en zeker, dat deze poging succes heeft. Ik weet nog niets. Ik wil hem van daar laten verrassen.



Alois : boer van Mahler, destijds 22 jaar oud en koopman van beroep




Rudolf : Rudolf Krzyzanowski werd in augustus 1890 tot kapelmeester in München benoemd.



***


84 aan Friedrich Löhr


(zonder datum, Pest, begin november 1889)


Beste Fritz,


Ik zend je hierbij 60 fl met het verzoek voor Otto het nodige aan te schaffen. Ik verkeerde in de veronderstelling, dat Otto al een winterjas had. Die van mij heb ik niet meer. Wanneer het absoluut noodzakelijk is, vraag ik je ook dit voor hem te regelen (zo voordelig mogelijk) en mij de prijs mede te delen. Ik vraag je verder mij te berichten hoe het er met Otto’s gezondheid voor staat en ook met zijn plannen. Ik hoop je in elk geval op 6 november hier te zien.


Hartelijke groeten,


Gustav


Heeft hij mijn 20 fl gekregen?


***


85 Aan Friedrich Löhr


Even heel kort : hierbij zend ik je het certificaat en doe je het voorstel dat jullie beiden pas dinsdagmorgen vroeg hier arriveren. Otto kan vakantie nemen en dan langer, na zondag, blijven. Als je het anders wilt inrichten, is dat mij ook goed. Geef me duidelijk aan , wanneer jullie aankomen.

Hartelijke groeten,


Gustav

Kom jij ook mee!


***


86 Aan Friedrich Löhr


(zonder datum, Pest, winter 1889)


Beste Fritz,


Nu wil ik toch wel wat over jullie horen. Je briefkaarten waarop ik me zo verheugd had, bleven helaas tot één beperkt. Mijn excuses, dat ik je vandaag niets schrijf. Ik heb het zo druk. Justi vertelt alles wel. Overigens maak ik me zorgen, dat ik nog steeds geen bericht heb.

Hierbij zend ik je 100 fl en ik moet dus nog 300 fl aan je betalen. Geef aan, wanneer je het andere wilt hebben; het staat natuurlijk op elk moment tot je beschikking.

Schrijf gauw.


Groet Uda en je familie

Gustav


***


87 Aan Friedrich Löhr


(zonder datum, Pest, Kerstmis 1889)


Beste Fritz!


Ik kom maandagmiddag met Justi in Wenen aan ( met dezelfde trein als waarmee jij gereisd hebt). Justi blijft dan bij jullie en ik ga dan verder naar Iglau om daar de zaken te regelen. Misschien staat iemand ons op het perron op te wachten.


Hartelijke groeten


Je Mahler


***


88 Aan Friedrich Löhr


(zonder datum, Pest, februari 1890)


Bij ons is het altijd het één of het ander! Sinds weken ben ik van plan om ofwel zelf te komen of te schrijven, maar geloof me, ik kom er gewoon niet toe. Toch zou ik graag heel wat met je willen bespreken! Wat denk je? Kun je niet een paar dagen naar me toe komen, wanneer het uitkomt? Het zou je helemaal geen kwaad doen je een beetje te ontspannen. Zo niet, dan kom ik een keer naar jou toe. Het gedicht van Sax zal ik ‘componeren’. Ik zeg je erbij : een zware plicht!

Ik verzoek je streng om te gaan met Emma; de oude duivel steekt er nog een beetje in.

Tegelijk zend ik je hierbij de gewenste 50 fl. Voor de zomer heb ik een heel aardig plan dat ik je bij gelegenheid zal ontvouwen, het liefst mondeling, om samen met jou te overleggen.


Hier is het een dolle boel. Ik kom niet eens op adem.

Hartelijke groeten,


Je Mahler



Sax : het gedicht van Sax werd nooit op muziek gezet




***


89 Aan Friedrich Löhr


(zonder datum, Pest, voorjaar 1890)


Beste Fritz,


Hierbij het geld voor de minister van financiën. Ik heb het zo vreselijk druk en moet zoveel ergernis wegslikken, dat ik geen correspondentie aan kan. Hoe maakt Otto het eigenlijk? Kom hierheen. Wanneer ik hier weg kan, weet ik op dit moment niet.


Schrijf gauw aan je bezorgde Gustav


***


90 Aan Uda Löhr


(zonder datum Pest, mein 1890)


Lieve vriendin!


Ik zou je om een gunst willen verzoeken. Vanwege de kosten zal ik wellicht genoodzaakt zijn Justi alleen naar Franzenstad te sturen. Voor dit geval is mij een dokter aanbevolen wiens adres ik onderaan toevoeg. Zijn vrouw wil mijn zus in vol pension opnemen en onder haar hoede nemen. Ik wil je nu verzoeken er de komende dagen heen te gaan en de omstandigheden in ogenschouw te nemen en te informeren of en hoe dat gaat. Ik vraag je om je op mij te beroepen omdat ik hem straks ook schrijf.

Hartelijke groeten en graag tot spoedig ziens.


Je Mahler


Dr. Fellner, I. Grünangergasse


***


91 Aan Friedrich Löhr


(zonder datum, Pest, begin mei 1890)


Beste Fritz!


Ik ben woensdag en donderdag in Triest, Hotel Delorme. Schrijf me of Uda mijn laatste brief heeft ontvangen en wanneer ze me kan antwoorden. Van daar uit ga ik naar Venetië. Ik geef je van daar uit mijn adres. De reis met Justi maak ik gratis omdat ik van de Südbahn een gratis kaartje heb gekregen.

In haast

Je Gustav


***

92 Aan Friedrich Löhr

(zonder datum, Pest, Weens aankomststempel 9 mei 1890)

Beste Fritz,

Je verhelderende brief ontving ik pas kort voor mijn vertrek toen ik de expesse brief al verstuurd had. Voor Emma stuur ik 30 fl voor kleding. Maak in Hinterbrühl alles in orde zodat we begin juni naar buiten kunnen. Zodra ik mijn rondreis hier heb bepaald, zal ik je mijn adressen, waarheen brieven kunnen worden gezonden , sturen.

Hartelijke groeten van Gustav

***

93 Aan Friedrich Löhr,

GRAND HOTEL BRUN BOLOGNA

(zonder datum, Bologna, mei 1890)


Beste Fritz,


Over enkele dagen luidt ons adres : Milaan, ‘Hotel Milano’. We reizen daarheen via Florence en Genua. Vertel me hoe het met jullie gaat en of we op de 1e of 2e juni met de trein van de Südbahn al in Mödling kunnen uitstappen, wat heel handig zou zijn, omdat we daarbij veel kunnen besparen. We worden door de weersomstandigheden echt verwend.

Hartelijke groeten van mij en Justi aan allen.

Van je Gustav

Mödling : ten zuiden van Wenen aan de Südbahn, van waaruit men Hinterbrühl, Mahlers zomerverblijf in 1890 kon bereiken.

***

94 Aan Uda Löhr

Florence, 18 mei 1890

Lieve Uda,

We sturen nu een pakket kleding naar je toe die ons tijdens onze reis alleen maar tot last zou zijn. Ik verzoek je de kleding uit te pakken en uit te hangen. Ik schrijf ook naar Pest en laat 700 fl naar je toe sturen om daarmee de huur bij het betrekken van je woning te betalen. We komen waarschijnlijk op 31 mei in Mödling aan en kunnen hopelijk al in onze woning terecht. Ik hoop wat dit betreft in Milaan berichten van jullie aan te treffen. Is de woning al in orde? Dat zou fantastisch zijn! We hebben een heerlijke tijd achter ons en hopen op mooi weer in Genua, Milaan, Gardameer en Laibach. Justi bloeit helemaal op, de reis slaat perfect aan. Schrijf ook iets over jezelf en de kinderen.

Hartelijke groeten van mij en Justi.


Gustav Mahler

***

95 Aan Friedrich Löhr

MILAAN GRAND HOTEL DE MILAN

(Zonder datum, Milaan, eind mei 1890)

Beste Fritz,

We komen dinsdagavond in Hinterbrühl aan en treffen jullie daar hopelijk voor een deel al aan. Nog vandaag schrijf ik naar Pest en laat ik aan jou direct 800 fl voorschot toezenden. We rekenen dan tot we samen zijn. Dat vervloekte geld! Ik raak er hier ook al doorheen.

Gustav


Ik telegrafeer nog precies mijn aankomst

***

96 Aan Uda Löhr

(zonder datum, Pest, augustus 1890)

Lieve Uda!

Hopelijk ben je al in het bezit van de zending! Volgens een opmerking van Berta op de laatste briefkaart moet de brave Hinterbrühler Post met de brave heer Meier rijkelijk de tijd genomen hebben. Dat Fritz weer weg moest, is toch wel erg treurig! Hoe is het met de gezondheid van Otto? Hoe gedraagt Emma zich? Ik leef hier heel behaaglijk omdat de middagen voor mij nog vrij zijn. Zo maak ik ook eenzame wandelingen. Het geld voor september zal ik toch liever per post sturen. Dit keer heeft jullie mama gelukkig mooi weer getroffen. Je zult wel samen met haar uitgebreide wandelingen in het Kienthal maken.

Hartelijke groeten van Gustav Mahler

***

97 Aan Friedrich Löhr

(zonder datum, Pest, september 1890)

Beste Fritz,

Ik kan me er helaas alleen maar toe aanzetten enkele vluchtige regels te schrijven. Het zou me lief zijn, wanneer je het geld voor de vracht nu voor me klaarlegt. Ik ben je dan nog 412 fl schuldig. Bepaal de tijd dat je het geld wilt terug hebben naar eigen inzicht. Je kunt ofwel het totaalbedrag in één keer krijgen op 1 oktober, of, wanneer dat voor jou handiger is, in twee of drie termijnen. Schrijf me daarover. Ik vind het een vreselijk idee te weten dat je nu zo bepakt bent. Neem deze zorgen in elk geval niet mee naar Italië. Ook de verhuizing naar Wenen houdt me erg bezig. Zal dat alles niet erg schadelijk zijn voor Justi? Hebben jullie de meubels al? Wie is de dame die opgenomen is? Wanneer ga je op weg? Laat de kwitanties maar! Met korting op reizen is het magertjes gesteld. Ik heb een poging gedaan, maar ik verwacht er niets van.

Vóór je vertrek schrijf ik nog uitvoeriger.

In haast, je Gustav

***

98 Aan Bernhard Pollini

Budapest, 11 oktober 1890

Zeer geëerde heer Hofrat!

Helaas is het me niet mogelijk mijn voorwaarde overeenkomstig uw suggestie te modificeren. Ik zou het erg jammer vinden wanneer onze onderhandelingen daarop zouden vastlopen en wel des te meer, omdat ik reeds enkele voorbereidende stappen heb gedaan en gegronde hoop koesterde mijn plan te kunnen doorzetten.

Hoogachtend


Uw onderdanige Gustav Mahler


Onderhandelingen : kennelijk was Mahler door de toenemende vijandigheid van de Hongaarse pers en door dreigende binnen-politieke veranderingen er reeds in de vroege herfst van 1890 van overtuigd, dat hij zijn contract met de Opera van Budapest voortijdig zou moeten beëindigen.


***

99 Aan Bernhard Pollini

Budapest 14 oktober 1890

Aan de heer Hofrat directeur B. Pollini

In Hamburg, Stadttheater

Zeer geëerde heer Hofrat!

Naar aanleiding van uw schrijven van 9 oktober verklaar ik me bereid uw voorstel te accepteren, wanneer u zich akkoord verklaart met mijn gage, waarbij geen aftrek wordt toegepast, zodat u de belastingen, de pensioenbijdrage en eventuele andere kosten voor uw rekening neemt. Ik hoop bewezen te hebben, dat ik u duidelijk tegemoet gekomen ben en daarom wijs ik er met nadruk op, dat ik niet in de positie verkeer in te gaan op een verdere reducering van het door mij gevraagde salaris. Daarom zie ik uw definitieve besluit in deze aangelegenheid tegemoet.


Hoogachtend, uw onderdanige Gustav Mahler

***

100 Aan Bernhard Pollini

Budapest 7 november 1890

Zeer geëerde heer Hofrat!

Zojuist van een reis teruggekeerd vind ik uw brief van 2 november met het contract in de bijlage. Bij het lezen daarvan moet ik nog eenmaal op een punt terugkomen dat ten gevolge van de nieuwe koers in onze onderhandelingen door u waarschijnlijk niet verder bekeken is, waaraan ik echter, zoals u uit de betreffende brief kunt opmaken, veel belang hecht. Ik zou uw aanbod van 12.000 mark jaarsalaris hebben geaccepteerd onder de voorwaarde, dat u de gebruikelijke afdrachten, belasting- en pensienbijdragen voor uw rekening zou willen nemen. Omdat ik mijn bereidwilligheid tegenover u op alle fronten heb bewezen, verzoek ik u, dat u mij op dit punt tegemoet komt en mij toestaat dat ik deze toevoeging in het mij toegezonden verdrag opneem. Dan staat niets mijn intrede in het verband van uw instituut meer in de weg.

Hoogachtend,

Uw onderdanige Gustav Mahler


***


101 + Aan Richard Heuberger


DE DIRECTIE VAN DE KONINKLIJKE HONGAARSE OPERA


Budapest, 23 december 1890


Mijn beste vriend,


Ik verheug me er enorm op, dat u ons dat genoegen wilt doen. Het kaartje ligt voor u klaar, u kunt het in de kanselarij laten ophalen, of geeft u mij het hotel aan waar u verblijft, dan laat ik het naar u toesturen. In elk geval zou ik het op prijs stellen elkaar na de opera te zien. Misschien komt u ook op het toneel? Dat Brahms zo positief was, maakt me heel gelukkig. Ik beschouw dit als het grootste succes dat mij ooit ten deel is gevallen. Ik hoop de termijn van de uitvoering te kunnen aanhouden. Mocht er iets tussen komen, dan telegrafeer ik dadelijk. Tot ziens hier! Ik zou graag willen weten waar u verblijft.


Hartelijke groeten,

Uw oprecht toegewijde


Guistav Mahler


Zou ik bij deze gelegenheid niet uw ‘Manuel’ kunnen leren kennen?



Na de opera : Heuberger had aangekondigd bij de première van Mascagni’s ‘Cavalleria Rusticana’op 26 december 1890 aanwezig te zijn


Brahms : Johannes Brahms had op 16 december 1890 in Budapest een opvoering van Mozarts ‘Don Juan’ onder leiding van Mahler bijgewoond en zich daarover heel bewonderend uitgelaten


‘Manuel’ : Heubergers opera ‘Manuel Venegas’



***

102 Aan Friedrich Löhr


(zonder datum, Pest, aankomststempel : Rome 28 januari 1891)


Beste Fritz,


Het is echt een geluk, dat ik je nu moet schrijven, want anders zou je God weet hoelang op een brief moeten wachten. God weet, dat ik al een brief heb geschreven en dat ik zo lang wachtte om hem af te sluiten, dat hij verloren is geraakt.

Het is werkelijk misselijk van me, dat ik je daar beneden helemaal zonder groet laat. Wat heeft het echter voor zin, de redenen daarvoor nog eens aan het licht te brengen. Maar niet doen dus.

Ik leid een volkomen naar buiten gericht bestaan. In dit opzicht heb ik veel plezierigs tot stand gebracht en zelfs veel genoegen beleefd. Wat voor jou misschien interessant is: Brahms heeft ‘Don Juan’ onder mijn leiding gehoord en is sindsdien mijn meest enthousiaste vriend en bewonderaar. Hij heeft me op een voor hem heel ongebruikelijke manier geprezen en een echt vriendschappelijke verhouding met mij tot stand gebracht.

Van het ongeluk met Hausmann heb ik ook gehoord. Jij zult de komende tijd het plezier beleven met Berta op de Aventijn te gaan wandelen. Het is trouwens helemaal niet onmogelijk dat ook ik je daar plotseling overval. Hier doet zich momenteel al het mogelijke voor, wie weet welke wind plotseling uit Pest komt aanwaaien. Ik sluit maar snel af, anders gaat ook deze brief weer niet weg.


Groet Uda en het kind.


Hartelijke groeten


Gustav Mahler


***


103 Aan Géza graaf Zichy


(zonder datum, Pest, einde februari-begin maart 1891)


Hooggeachte Graaf Zichy!


Met betrekking tot ons recente gesprek en in lijn daarmee verklaar ik me – onder volledige bevestiging van mijn contractuele afspraken – bereid afstand te doen van mijn oude, nog geldende contract en met u een nieuw contract af te sluiten op basis van de nieuwe statuten.

De voorwaarden van dit nieuwe contract zouden de volgende moeten zijn :


De duur van het contract loopt van de dag van afsluiting tot 1 oktober 1892.

De voorwaarden zijn op hoofdlijnen de oude, afgezien van die afzonderlijke bepalingen die in tegenspraak zijn met de nieuwe statuten en die daarmee in overeenstemming moeten worden gebracht.

Op 15 mei 1892 krijg ik, tenzij ondertussen een nieuw contract met mij wordt afgesloten, een vergoeding van 25000 fl, zegge vijfentwintigduizend gulden, die me aan de kassa van de Koninklijke Opera zonder enige aftrek in contanten wordt uitbetaald.

Ook de stempellasten die ik al voor een periode van tien jaar vooruit heb betaald, als ook al die bedragen die ik gedurende de duur van mijn ambtsuitoefening aan het nog op te richten pensioenfonds van de Koninklijke Opera heb betaald, zullen me op diezelfde dag aan de kassa van het Koninklijke Theater worden terugbetaald….(het slot van deze brief ontbreekt)



Nieuwe statuten : Zichy die op 22 januari tot nieuwe intendant was benoemd, stelde nieuwe statuten op die zijn eigen rechten vergrootten, maar de vrijheid van handelen van Mahler als operadirecteur aanzienlijk beperkten.



***

104 Aan Friedrich Löhr


(zonder datum, Hamburg, september 1891)


Beste Fritz,


Welkom thuis in je vaderland! Graag zou ik je direct zien, nu je nog door de zuidelijke zon gebruind bent. Maar helaas, helaas! Negen maanden moeten we in elk geval nog wachten. (Denk je niet, dat dat juist tijd genoeg is om jongen te krijgen? Deze grap is natuurlijk niet voor je familie bestemd). Ik heb heimwee.

Veel begonnen brieven aan jou liggen - de meeste uit de periode van Pest – in mijn map. Ik weet niet hoe het zo gekomen is , maar mij schriftelijk uit te drukken is voor mij ondraaglijk geworden. Daarom wil ik me ook nu daartoe beperken, jou uit den vreemde, die me helaas mijn leven lang niet wil teruggeven, een hartelijke groet te sturen naar het land dat je nu na zo lange en voor jou heel ongewone afwezigheid met dubbele vreugde begroet hebt. Eén ding zou ik graag snel van je willen weten, namelijk hoe jouw uiterlijk leven binnenkort vorm zal krijgen.

Gelezen heb ik dit jaar heel veel en veel boeken hebben een blijvende indruk op me gemaakt. Ze hebben mijn visie op de wereld en mijn eigen leven een draai gegeven – eigenlijk eerder een verdere ontwikkeling. Daarover kan ik alleen mondeling met je spreken. In de zomer hoop ik je er veel over te zeggen. Ik hoop dat we, mijn beste Frits, de ouden zullen zijn. We kunnen ook niet anders, jij oud wrak. Is het nog niet bij je opgekomen, dat we nu al de komende generatie hebben zien opgroeien, dat de nieuwe ideeën waarvoor wij hebben gestreden, al gemeenplaatsen zijn geworden, ja, dat we zelfs in een strijd tegen de jongeren onze verworven positie moeten handhaven? Denk daar maar eens over na en je zult hoofdschuddend rondkijken in deze wereld, zoals ik ook, wanneer ik er zo nu en dan mijn kop in steek. Laat gauw wat van je horen!

Hartelijke groeten van je oude Gustav


In de zomer was ik in het gezelschap van Heinrich en Rudolf


***


105+ Aan Ludwig Strecker, Verlag Schott


(zonder datum, stempel : 16 oktober 1891)


Geachte Heer Strecker,


Sinds enkele jaren heb ik een aantal uiteenlopende composities van eigen hand verzameld, onder andere een symfonie, een groot ´Märchen´ voor koor, orkest en soli, een symfonisch gedicht en ongeveer twintig geselecteerde liederen.

Nadat ik me eniger mate had laten leiden door de bekende eis van Horatius en nu bij strenge zelfkritiek constateer, dat deze zaken wellicht de eer verdienen bij bredere kringen bekend te zijn, denk ik eraan om te zien naar een uitgever.

Omdat ik me onze persoonlijke ontmoeting in Leipzig herinner naar aanleiding van de première van ´ Die Drei Pintos’ in het huis van Hauptmann Von Weber, is het in eerste instantie uw firma die ik daarbij op het oog heb.

Ik bemerk, dat in de komende tijd met name mijn liederen door verschillende eersterangs zangers in Berlijn, Leipzig, Dresden en Hamburg gezongen worden en denk dat het een groot voordeel is, wanneer deze liederen dan in gedrukte vorm beschikbaar zijn.


Hierbij vraag ik u of u eventueel genegen bent hierover met mij in contact te treden en welke zakelijke voorwaarden bij u in dit soort gevallen geldig zijn.


Ik verzoek u binnenkort positief op dit verzoek te reageren.

Uw toegewijde Gustav Mahler

Verbonden aan het Stadttheater te Hamburg



Symfonie : de eerste symfonie die zijn première had beleefd in Boedapest


Een groot ‘Märchen’ : ´Das klagende Lied´


Een symfonisch gedicht : ‘Todtenfeier’, nu het eerste deel van de tweede symfonie


Twintig geselecteerde liederen : uitgeverij B. Schott’s Söhne publiceerde begin februari 1892 veertien van deze liederen onder de titel : ‘Lieder und Gesänge (aus der Jugendzeit)´



***


106 Aan Heinrich Krzyzanowski


(zonder datum, Hamburg herfst 1891)


Beste Heinrich!


Je zult niet geloven hoeveel genoegen dit levensteken van jou me bezorgt. Ik heb me vooral de laatste tijd veel zorgen om je gemaakt. Ik weet helemaal niets meer over je, niet eens de richting die mijn gedachten en zorgen moeten gaan. Van één ding wil ik je snel verzekeren, namelijk dat ik nog steeds je oude vriend ben en dat je in elke levenssituatie op mij kunt rekenen. Ik weet ook, hoe moeilijk het juist voor jou is tot iemand anders een woord uit te spreken als : ‘help me!’. Op gevaar af jou, oude slak die zich helemaal in zijn huis heeft terug getrokken, te kwetsen, zeg ik toch : wanneer het aan de orde is, dat je mijn hulp een beetje kunt gebruiken, zeg het me en reken op me.

Jouw aanbod betreffende een opera kan ik niet zo direct beantwoorden. Stuur me je ideeën, je plannen op. Wanneer ik daardoor word geïnspireerd, ga ik met vreugde aan het werk! Je weet, dat ik me nooit zo maar voorneem ‘iets te maken’. Soms doet zich op mijn zigzagweg door het leven, waarvan de draden voor ons allemaal zo onophoudelijk in de war raken, een impuls voor, die me dan een bepaalde richting op drijft. Dan ‘maak ik gewoon wat’. Omdat ik nu zoveel sprookjes, liederen en symfonieën op mijn ‘lessenaar’ heb liggen, is het goed mogelijk, dat ik plotseling op het punt kom een opera te componeren. Dat deze dan alle kans heeft uitgevoerd te worden is vanzelfsprekend. Deze ‘aanwijzing’ vat ik als zodanig op, dat ik je een ‘voorschot’ zou moeten geven. Mijn omstandigheden zijn zeer gecompliceerd. Het zou te ver voeren je alles uiteen te zetten. Een ‘voorschot’ kan ik je niet geven. Dat zou in onze relatie ook niet passend zijn. Het weinige dat er voor mij over blijft om met je te delen zal voor mij het grootste genoegen betekenen, of je me een tekst aanlevert of niet. Schrijf me, oude kerel, hoe het met je gaat, en wel nu!

Hoe kom je dan in Innsbruck terecht? Heb je geen zin om voor korte tijd naar mij toe te komen, naar Hamburg? Een goed bed, een aangeruimd bureau en de onontbeerlijke boterhammen vind je bij mij.

Misschien vind je hier een gat waardoor je in een bij jou passende houding heen kunt kruipen. Wil je echter in Innsbruck blijven en kan ik je met iets anders van dienst zijn, geld of boeken e.d., laar me dat dan per omgaande weten.

Schrijf me in elk geval eindelijk eens, hoe het met je gaat, wat je voornemens zijn, waaraan het je ontbreekt.


Hartelijke groeten van je Gustav Mahler


(in haast)


***


107 Aan Friedrich Lohr


(zonder datum, Hamburg, 28 november 1891)


Beste Fritz,


Nu is het werkelijk wel tijd, dat ik je na zo veel gedachte brieven weer eens een geschreven brief stuur.

Nu breekt al weer de tweede Kerstavond aan, die we ver van elkaar zullen doorbrengen. Ik ook dit keer weer alleen, zoals destijds in Leipzig in het eerste jaar! Hoeveel is er sindsdien gebeurd en wat is alles anders geworden! Alleen ben ik , heel vreemd, geloof ik helemaal niet veranderd. Alleen is er nu veel winter in me, hopelijk keert gauw de lente terug.

Ik wil je hierbij toch meedelen, dat ik een bescheiden levensteken van Heinrich uit Innsbruck heb gekregen. Over zich zelf schrijft hij helemaal niets, hij biedt me alleen aan een operatekst te schrijven, in vage bewoordingen die alleen maar een aanduiding van de zakelijke aspecten van dit eventuele contact bevatten. Ik begrijp, dat hij daar beneden in alle eenzaamheid probeert te overleven en met die ellendige misere de strijd moet aanbinden die ons allemaal zo vertrouwd is. Rudolf is, zoals hij me kort aangaf, vanaf volgend jaar in Praag aangesteld. Of dat is als mijn directe opvolger, in de positie is die ik eerst bekleedde, kan ik nog niet met zekerheid vaststellen. Het is wel te hopen voor hem.

Ik wens van harte , dat Otto op zijn minst binnen afzienbare tijd klaar is met zijn keuring en zijn jaar als militair, omdat daarmee voor mij dit eindeloos gecompliceerde geldaanmaakapparaat heel wat eenvoudiger wordt. Ik ben al behoorlijk murw en verlang ernaar , niet meer zo veel geld te moeten verdienen. Ook is het zeer de vraag, hoe lang ik daartoe nog in staat ben.

Graag zou ik met Kerstmis bij jullie zijn. Ik zou er wel tijd voor hebben, maar het is me te kostbaar. In de Kerstmaand worden er hier geen grote opera´s uitgevoerd. Ik kan dus gewoon gaan wandelen. Dat zou op zich niet eens zo onaangenaam zijn, wanneer ik er maar een goede vriend bij had. Zoals je wel zult hebben gehoord, is het daarmee hier slecht gesteld.

Gisteren gaf ik een groot orkestconcert in Lubeck. Het programma vind je hierbij ingesloten. Ik verzoek je het aan Justi te geven, omdat ik het andere dat ik voor dit doel heb apart gelegd, niet meer vinden kan.

Bulow is hier neergestreken en ik bezoek ieder concert van hem. Het is merkwaardig mee te maken hoe hij op zijn abstruse manier mij bij iedere gelegenheid op opzienbarende wijze coram publico ´de hemel in prijst´. Bij elke mooie passage koketteert hij met mij (ik zit op de eerste rij). Hij reikt me vanaf het podium de partituren van de onbekende werken aan, zodat ik ze tijdens de uitvoering kan meelezen. Zodra hij mij in het oog krijgt, maakt hij ostentatief een diepe buiging! Soms spreekt hij vanaf het podium mij zelfs aan. Ondanks dat liep mijn poging een van mijn werken door hem uitgevoerd te krijgen, op niets uit. Toen ik hem mijn ´Totenfeier´ voorspeelde, werd hij ontzettend nerveus en verklaarde, dat ´Tristan´ vergeleken bij mijn stuk een symfonie van Haydn is. Hij gedroeg zich als een dwaas.

Je ziet, ik begin zelf al te geloven of wel zijn mijn zaken abstruse onzin, of, nou ja! Vul maar aan en kies zelf! Ik word er gewoon moe van!


Hartelijke groeten, ook aan Uda,


Je Gustav



Rudolf Krzyzanowski was als opvolger van Muck van 1892 tot 1895 eerste kapelmeester in Praag.


Totenfeier zo noemde Mahler destijds nog het eerste deel van zijn tweede symfonie.



108


Aan Emil Freund


(Zonder datum Hamburg, late herfst 1891 of winter 1891/1892)


Beste Emil,


Veel dank voor je brief en je vriendschappelijke hulp. In verband met de militaire dienstbelasting heb ik, helaas helemaal zonder aan jou te denken, aan Spitz geschreven, die me op heel nonchalante toon aangaf dat hij een herziening wilde proberen, zonder op zeker succes te rekenen.

Ook met betrekking tot mijn vervangende aanspraak op Otto´s vermogen ten gunste van Justi gebeurt schijnbaar niets en toch is die zaak belangrijker voor mij dan je je kunt voorstellen. Geloof me, beste Emil, ik zal echt rustiger slapen wanneer deze zaak eenmaal geregeld is, doe er alles voor wat je kunt.

Deze dr Spitz bekommert zich totaal nergens om.

Hoe staat het met de rekenfouten en met de termijnen die ik nog moet krijgen.

Ik ben er razend over, dat mijn advocaat mijn wens en wil permanent negeert. Alsjeblieft, Beste Emil, dring zo veel mogelijk aan en bericht me daarover.

Over mijn ´stemming´ heb je je al uit mijn brieven een redelijk juist beeld kunnen vormen. Ik heb de afgelopen weken zoveel meegemaakt, zonder duidelijke uiterlijke aanleiding, het verleden heeft me te pakken, alles, wat ik verloren heb, het heden met zijn eenzaamheid, en wat niet al. Ook uit vroegere jaren ken je die stemmingen van mij, wanneer ik vroeger te midden van mijn vrienden door een dergelijke treurigheid overvallen, toen ik nog in het volle bezit was van mijn jeugd, mijn frisheid en herstellingsvermogen. Je kunt je dus wel voorstellen hoe ik hier deze lange, eenzame middagen en avonden doorbreng. Geen mens met wie ik ook maar iets, een gemeenschappelijke ervaring, visie of hoop gemeen heb.

Ook heb ik deze weken hoogst merkwaardige boeken gelezen die een definitieve invloed op mijn leven zullen blijken te hebben. Daarover misschien nog eens wanneer we elkaar spreken. Alles is te dragen, alleen niet dit eeuwige, eeuwige alleen-zijn! Dat was al zo in Noorwegen toen ik wekenlang ronddwaalde zonder mijn mond open te doen, nadat ik al eerder meer dan genoeg gezwegen had, nu weer in diezelfde atmosfeer, waarin ik geen gezonde lucht meer kan inademen.

Laat deze brief niet aan Justi zien! Dat ik overigens graag alle mogelijke offers breng, kun je je indenken, maar ik verzeker je, dat ik dat niet lang kan volhouden.

Ik moet me hier zo inperken als ik dat sinds de tijd in Wenen niet meer gedaan heb.

Otto moet nu zijn keuring door komen! Die schijnt helemaal in de puberteit te zijn. Jouw gedachten over Justi doen me veel genoegen. Schrijf me toch vaker en bericht me over alles!


Hartelijke groeten van

Je Gustav



Belasting betaling voor niet gedane militaire dienst. Onduidelijk is of Mahler voor zichzelf moest betalen of voor zijn broer Otto


Dr Spitz vermoedelijk de jurist die de nalatenschap van Bernhard en Marie Mahler afwikkelde.



109 Aan Emil Freund


(zonder datum, Hamburg 1892)

Bundesstrasse 10 III


Beste Emil,


Ik had je al lang de bijlage moeten sturen. Wat jou en mij in deze zaak te doen staat, daar zulk je gemakkelijk achter kunnen komen.

Het zou me heel aangenaam zijn (ik had het ook al heel lang verwacht) van jou een visie te horen over het verloop van de zaken die Otto betreffen en verder gewoon over alles. Wat heeft je eigenlijk gescheeld, dat je zo lang op je kamer vast zat. Hopelijk ben je weer helemaal opgeknapt.

Je kunt je indenken wat voor zorgen ik heb, bij deze eeuwige beweging van de ´moleculen´ in mijn familie. Schrijf me gauw wat terug.


Hartelijke groeten, ook aan je moeder


Je Mahler


110 Aan Anton Bruckner


Hamburg, 16 april 1892


Hooggeëerde meester en vriend!


Eindelijk ben ik zo gelukkig aan u te kunnen schrijven. Ik heb een werk van u uitgevoerd. Gisteren, op Goede vrijdag, dirigeerde ik uw meesterlijk en geweldig Te Deum. Zowel de medewerkenden als ook het gehele publiek waren diep onder de indruk door de machtige opbouw en de waarlijk nobele gedachten en ik ervoer aan het einde van de uitvoering wat ik voor de grootste triomf van een werk houd, het publiek bleef stil zitten zonder zich te bewegen en pas nadat de dirigent en de medewerkenden hun plaatsen hadden verlaten barstte er een storm van bijval los. U zou aan de uitvoering veel genoegen hebben beleefd. Ik heb zelden musici met zoveel enthousiasme zien werken als gisteren.

De recensies verschijnen in verband met de feestdagen pas over enkele dagen. Ik zal er aan denken ze u toe te sturen. ´Bruckner´ heeft nu zijn triomftocht in Hamburg gehouden.

Ik druk u heel hartelijk de hand, vereerde vriend, en ben , in de ware zin van het woord,.


De uwe

Gustav Mahler

Bundesstrasse 10 III


***


111 Aan Arnold Berliner


(zonder datum poststempel 9 juni 1892, Londen)

69 Torrington Square W.C.


(in het Engels)


Beste Berliner!


Ik zal u het adres van mijn verblijfplaats geven omdat ik hoop van u over uw leven te horen en over andere omstandigheden in Hamburg. Ik ben zelf te moe, opgewonden en niet in staat een brief te schrijven.

Alleen vond ik hier de omstandigheden van het orkest slechter dan ik dacht en de cast beter dan ik hoopte.

Komende woensdag vindt de uitvoering plaats van ´Siegfried´ die God moge zegenen.

Alvary, Siegfried, Grengg, Wotan, Sucher, Brùnhilde, Lieban Mime.

Dit is de voortreffelijkste cast die ik ooit heb gehoord en dit is mijn enige vertrouwen in deze zeer zorgelijke tijden.


Vertelt u me over alles


Mahler


Ik maak steeds meer vorderingen in het Engels zoals u in deze brief kunt zien



Londen : Mahler verbleef destijds als gastdirigent aan het Drury Lane Theatre


Engels : zodra tot de reis naar Londen besloten was, begon Mahler Engels te leren. Hij had uit zijn woordenboek aantekeningen gemaakt van woorden en zinswendingen die hij in het theater nodig zou kunnen hebben. Berliner moest hem tijdens dagelijkse wandelingen ´overhoren´ en hem stimuleren om soortgelijke zinnen te vormen. Mahler benutte elke gelegenheid om te oefenen. Vandaar zijn brieven en kaarten in het Engels.


Alvary : Max Alvary (1856/1898) heldentenor aan het Stadttheater te Hamburg


Grengg : Karl Grengg (1853/1904) basbariton aan de Berlijnse Hofopera


Sucher : Rosa Sucher (1849/1927) dramatische sopraan uit Berlijn


Lieban : Julius Lieban (1857/1940) tenor aan de Hofopera te Berlijn



***

112 Aan Arnold Berliner


(Briefkaart zonder datum, Londen

Tussen 9 en 14 juni 1892)

Bedford-Street S.O.


Beste Berliner!


Siegfried – groot succes! Ik ben zeer tevreden over de uitvoering. Orkest : mooi. Zangers : excellent. Publiek : overrompeld en zeer dankbaar.

Woensdag : Tristan (Sucher)

Ik ben helemaal op!


Je Mahler


***

113 Aan Arnold Berliner

(briefkaart zonder datum

Poststempel : Londen 29 juni 1892)


L.B.

Tristan in voortreffelijke uitvoering met nog groter succes. Alles bij alles genomen gewoonweg fameus! Mijn positie hier : een ‘ster’. Pollini uiterst welwillend. H. = 0 Woensdag : Rheingold

Laat nog eens iets van je horen.


M.



Pollini : van wiens theater Mahler en (de altzangeres) Frau Schumann-Heink deel uitmaakten


H = 0 dwz : (Schumann-) H(eink) = nul. Frau Schumann wier genialiteit Mahler altijd had onderstreept, had Mahler tijdens repetities met opzet geïrriteerd, hoewel ze de grootheid van Mahler had moeten respecteren, In Londen had zij volgens de vergelijking H = 0 Mahler geen reden tot ergernis gegeven.





***


114 Aan Arnold Berliner


(zonder datum, Londen, 14 juli 1892)


Beste berliner!


Gisteren is eindelijk na het overwinnen van de meest ongelooflijke problemen Götterdämmerung opgevoerd. De voorstellingen worden van dag tot dag middelmatiger. Het succes des te groter! ‘Ik was gewoon weer de beste!’. Zaterdag de 23e vertrek ik van hier en ga direct naar Berchtesgaden waar ik je hoop te zien.

Wat heb je ondertussen gedaan? Wat doet “Beethoven”? À propos mijn uitvoering van ‘Fidelio’ - vooral de Leonore-ouverture is hier door de helft van de critici neergesabeld. Het publiek heeft me door een ware orkaan van bijval absolutie gegeven voor mijn blasfemie, zoals trouwens het publiek me zonder uitzondering met uitbundige blijken van sympathie overlaadt. Ik moet in feite na elke acte voor het voetlicht. Het hele huis brult zo lang “Mahler!’ tot ik verschijn. In de Hamburgse kranten moet al het denkbare gestaan hebben. Waarom schrijf je me daar niets over? Of hou je ook als een boekhouder brieven en antwoorden bij?

Wanneer je me per omgaande nog wat terug schrijft, krijg ik je brief nog hier.

Adres : W.C. Alfredplace 22


Hartelijke groeten,


Je Mahler




‘Beethoven” Wagners publicatie over Beethoven die Mahler voor zijn vertrek naar Londen aan Berliner had gegeven. Mahler heeft meermalen gezegd, dat over het wezen van de muziek behalve Wagner in “Beethoven” alleen Schopenhauer in de ‘Wereld als wil en voorstelling’ waardevolle opmerkingen had gemaakt. De passage bij Schopenhauer heeft Berliner ooit als het diepste horen aanduiden wat voor zover hij wist ooit daarover geschreven was.



***

115 Aan Friedrich Löhr


(Zonder datum, Berchtesgaden, augustus 1892)


Beste Fritz!


Wat het eerste deel van je brief betreft : laat het je geen grijze haren bezorgen. Ik heb met Justi al alles in orde gebracht, maak je je er verder dus niet druk over.


In München was ik twee dagen in gezelschap van Heinrich en een tijdlang met Gustl en Marie samen. Je weet dat men over iets dergelijks alleen maar mondeling berichten kan.


Wat een ellende hier in Hamburg! Het is vreselijk. Wat voor deel daarvan ik op me moet nemen, weet ik nog niet. Op 16 augustus gaat het theater weer open. Ik heb nog geen besluit genomen . Moet ik erheen of niet? Welnu, komt tijd (16 augustus) dan komt misschien ook raad!

Jammer, jammer, dat we niet nog een paar uurtjes voor onszelf hebben! Of kun je het misschien toch op een of andere manier mogelijk maken?-, heel misschien? Misschien dat we elkaar in Salzburg kunnen zien en daar een dag doorbrengen. Denk daar maar eens over na, ouwe kerel!

Hier altijd maar regen, mar daar geven we helemaal niets om en we stekkeren naar het voortdurende voorbeeld van onze lieve kerel Natalie ijverig rond. Met Justi is het nog een drama, ieder ogenblik stort ze in en is nog altijd maar niet de oude. Groet Uda van mij en laat snel een woordje over het bovenstaande horen.


Hartelijke groeten,


Je Gustav



Ellende : een zware cholera-epidemie


Natalie Bauer-Lechner ( 1858-1921), violiste en altvioliste in het Soldat-Roeger-kwartet. Ze hield van 1893 tot 1901 een dagboek over Mahler bij waaruit na haar dood belangrijke passages werden gepubliceerd.



***

Aan Arnold Berliner


(zonder datum, poststempel Berlijn, 27 augustus 1892)


Beste vriend,


Juist toen ik op het punt stond te vertrekken komt de heer Bertram me tandenklapperend tegemoet en vertelt, dat hij, zoals verschillende andere leden van Reissau, door de vreselijke paniek die plaats gevonden heeft etc.

Ik lijd sinds twee weken aan een totale maag- en darmindispositie, en vraag me serieus af, of het onder deze omstandigheden niet verstandig zou zijn nog een paar dagen ver van Hamburg te blijven tot mijn acute ziektebeeld is verdwenen. Beste vriend, adviseer me alsjeblieft na ontvangst van deze brief door middel van een telegram op mijn kosten uitvoerig wat me te doen staat. Je telegram zou hier vóór de middag in mijn handen moeten zijn, dan kan ik nog over mijn vertrek dat eventueel ’s middags zou kunnen plaatsvinden, een beslissing nemen. Hoe gaat het met jullie? Zijn jullie niet bezorgd?

Hartelijke groet en dank van je

Gustav Mahler



Te vertrekken : op de terugreis van vakantie van Berlijn naar Hamburg omdat de vakantie ten einde was


Paniek : de cholera-epidemie in Hamburg


Bertram : Theodor Bertram (1869-1907), was sinds 1891 in Hamburg aangesteld



***


117 Aan Arnold Berliner


(Zonder datum. W. Berlijn, 29 augustus 1892)


Kurfürstendamm 148


In het leven hangt alles toch met elkaar samen en zo koppel ik nu aan het middaguur in het verschrikkelijke Hotel Royal bij gaslicht en ‘Feld’ een gezellig koffierondje op de jou misschien welbekende veranda bij zonneschijn en Lö – Li- en Rosenfeld. We staan allemaal verbaasd om je dappere houding en zijn blij. We zijn minder bezorgd om onszelf dan tijd en omstandigheden met zich brengen. Je aanbod een tijdje bij jou in Uhlenhorst te wonen neem ik aan voor mijn terugtocht op ongeveer 10 september. Vandaag hoop ik hier je zuster nog te leren kennen en in de nacht ga ik weer naar Berchtesgaden terug. Mijn zuster schijnt half buiten zinnen van angst te zijn en heeft zojuist een telegram aan kapelmeester Frank gestuurd dat ik uiteindelijk in handen kreeg.


Hartelijke groeten van


Je toegenegen Mahler



Royal : klein, al lang verdwenen hotel in Hamburg (Hohe Bleichen) waarin Mahler in het seizoen 1891-1892 verbleef en waarin hij Berliner bij het middageten had leren kennen door bemiddeling van kapelmeester Feld van het Stadttheater.


Lö Li : Löwenfeld, Lilienfeld en Rosenfeld, drie leden van het koffierondje. Löwenfeld was de stichter van het Schiller-theater in Berlijn.




Uhlenhort : stadsdeel van Hamburg



***

118 Aan Arnold Berliner


(briefkaar zonder datum, poststempel Berchtesgaden 4 september 1892)


Beste vriend,


Nu zit ik weer hier en zal de tijd van de dit keer heel onzacht afgedwongen vakantie hier afwachten. Vermoedelijk ben ik op 12 september weer in Hamburg. Mocht de epidemie nog steeds om zich heen grijpen dan neem ik je voorstel bij jou buiten te wonen, graag aan. Schrijf me met een paar woorden hoe het met je gaat en hoe de zaken er daar voor staan.


Hartelijke groeten


Je Mahler


***


119 Aan Emil Freund


Hamburg, 28 oktober 1892


Beste Emil,


Je kunst je voorstellen hoe ik me zorgen maak. Alsjeblieft, let erop dat Justi onder geen beding ’s nachts op is, maar neem gewoon een verpleegster!

Schrijf elke dag, al was het maar een kaartje.


Hartelijke groeten, in haast,


Je Mahler



Zorgen : Mahlers broer Alois lag destijds met longontsteking in het huis van zijn zuster



***


Aan Friedrich Löhr


(zonder datum, Hamburg, november-december 1892)


Beste Fritz,


Het doet me ongelofelijke veel plezier om van jou, ouwe vriend, weer eens een briefje te krijgen! Ik zou graag willen antwoorden maar voor de derde maal stuurt Bülow me een bericht met het verzoek zijn derde concert te dirigeren. Dit keer zal het wel ernst zijn en ik moet weer hals over kop uit mijn hoofd gaan leren!

Had ik daarbij maar niet zo veel zorgen, met meer rust in mijn hart zou ik de strijd met Bülow zo aangaan!

Voor nu mijn hartelijke groeten. Je hebt gelijk, we moeten elkaar van tijd tot tijd korte berichtjes sturen. Uit veel kleine draadjes laat zich uiteindelijk een heel touw knopen en menig gevangene is met een dergelijk touw via een gat ontsnapt.


Je Gustav



Derde concert : Mahler verving de zieke Bülow op 12 december 1892 in Hamburg



***


121 + Aan Gisela Tolnay-Witt

Hamburg 7 februari 1893


Beste mejuffrouw Tolnay,


Hoewel ik niet zo maar tot een ‘briefwisseling’ te bewegen ben en mijn beste vrienden zich in dit opzicht over mij moeten beklagen, voel ik me nu toch wel gedwongen een vraag in uw laatste brief te beantwoorden, ‘of er wel een zo groot apparaat als een orkest voor nodig is om een dergelijke grote gedachte tot uitdrukking te brengen’ . Ik moet nogal uitweiden om voor u begrijpelijk te maken, hoe ik deze zaak zie.

Het schijnt , dat u op de hoogte bent van de muzikale literatuur en ik neem aan dat ook de oude en nog oudere muziek tot aan Bach u niet helemaal onbeknt is. Zijn u daarbij niet twee zaken opgevallen?

Ten eerste, dat, hoe verder u in de tijd terug gaat, des te primitiever de aanduidingen voor de voordracht worden, dat wil zeggen des te meer de auteurs de uitleg van hun gedachten aan de interpreet toe vertrouwen.

Bij Bach bijvoorbeeld vind je heel zelden een tempo-aanduiding of überhaupt een aanwijzing van hoe hij het stuk voorgedragen wil hebben. Zelfs de doodgewone onderscheidingen als p en ff ontbreken (waar u ze wel aantreft zijn ze meestal pas door de uitgevers, en dan nog meestal volkomen onjuist, toegevoegd).

Ten tweede : hoe verder de muziek zich ontwikkelt, des te gecompliceerder wordt het apparaat dat de componist voorschrijft om zijn ideeën uit te drukken. Vergelijk maar eens het orkest dat Haydn in zijn symfonieën gebruikt (dat wil zeggen, zoals u het in de Redoute in de filharmonische concerten meemaakt, klonk het destijds niet, immers meer dan de helft van de instrumenten is erbij gekomen) met het orkest dat Beethoven in zijn negende symfonie voorschrijft. Om maar niet te spreken van Wagner en de nieuwe garde.

Hoe komt dat? Gelooft u dat dat toeval is of zelfs een onnodige, uit pure aanmatiging voortgekomen, spilzucht van de componist?

Nu zal ik u mijn opvattingen daarover zeggen. De muziek was in haar beginstadium alleen maar ‘kamermuziek’. Ze was erop berekend in een kleine ruimte voor een klein auditorium (dat vaak alleen uit de medewerkenden bestond) te klinken. De emoties die eraan ten grondslag lagen, waren overeenkomstig de tijd eenvoudig, naief, en de muziek gaf de gevoelens van het gemoed alleen maar op de meest grove manier weer: vrolijkheid, verdriet etc. De ‘musicantes’ waren zeker van hun zaak en bewogen zich volgens een vaste kring van ideeën op grond van een nauw begrensde en binnen deze grenzen stevig gegrondveste kunstzinnigheid! Daarom schreven de componisten niets voor, het was vanzelfsprekend dat alles juist gezien, gevoeld en gehoord werd. ‘Dilettanten’ waren een zeldzaam verschijnsel, voorbeelden als Frederik de Grote en anderen kwamen sporadisch voor. De voorname en bezittende klasse liet zich hoogstens in eigen kamer door betaalde en ‘geleerde’ lieden voor zijn genoegen voorspelen en daarom werden de composities ook niet door onverstandige lieden verminkt. Gewoonlijk waren componist en ‘musicans’ één en dezelfde persoon.

In de kerk die natuurlijk het hoofddomein van deze kunst was, en waar die kunst ook van afstamt, was van oudsher alles door het ritueel precies vastgelegd. De componisten hoefdenber kortom niet bang voor te zijn te worden misverstaan en stelden zich tevreden met schetsmatige aantekeningen voor het eigen gebruik, zonder er in het bijzonder aan te denken, dat ook anderen diezelfde muziek moesten uitvoeren of onjuist konden interpreteren.

Met de tijd kunnen ze vervelende ervaringen hebben meegemaakt en werden ze erop bedacht hun intenties door niet mis te verstane tekens aan de uitvoerenden mee te delen. Zo ontstond

gaandeweg een groot systeem van een tekentaal die, net zoals de notenkoppen voor de toonhoogte, een voor tempo en toonsterkte bepaald houvast gaf.

Hand in hand daarmee ging echter ook het opnemen van nieuwe gevoelselementen als onderwerpen van nabootsing in tonen, dat wil zeggen, de componist begon steeds diepere en gecompliceerdere kanten van zijn gevoelsleven te betrekken bij het gebied van zijn scheppende activiteit, totdat met Beethoven een nieuw tijdperk in de muziekgeschiedenis aanbrak.

Van nu af aan zijn niet meer alleen de grondtonen van de stemming – vreugde, verdriet – maar ook de overgang van het ene naar het andere – conflicten- de uitwendige natuur en haar invloed op ons – humor en poëtische ideeën de onderwerpen van muzikale nabootsing.

Hier waren tekens, hoe gecompliceerd ze ook waren, niet meer voldoende, maar in plaats van aan één afzonderlijk instrument een zo rijk palet aan kleuren (zoals de heer August Beer zou zeggen) , koos de componist voor elke kleur een instrument (de analogie ligt nog besloten in ‘klankkleur’) . Zo groeide geleidelijk aan uit deze behoefte het moderne, het ‘Wagneriaanse’ orkest. Ten derde zou ik nog de uiterlijke noodzaak tot vergroting van het muzikale apparaat moeten vermelden: de muziek werd meer en meer gemeengoed, de luisteraars en spelers werden steeds talrijker en uit de kamer groeide de concertzaal en uit de kerk met haar ene instrument, het orgel, ontstond het operatheater.

U ziet dus, wanneer ik nog eens resumeer : wij modernen hebben behoefte aan zo groot apparaat om onze gedachten, groot of klein, tot uitdrukking te brengen, ten eerste omdat we gedwongen zijn ons te beschermen tegen een onjuiste interpretatie en de talrijke kleuren van onze regenboog op verschillende paletten te verdelen, ten tweede, omdat ons oog in de regenboog steeds meer en meer kleuren en altijd maar zachtere en fijnere modulaties leert zien en ten derde omdat wij om in de bijzonder grote ruimtes van onze concertzalen en operatheaters door velen gehoord moeten worden, ook veel lawaai moeten kunnen maken.

U zult nu misschien naar de aard van vrouwen die bijna nooit overtuigd, hoogstens overreed kunnen worden, tegenwerpen : “ Ja maar, was Bach dan kleiner dan Beethoven of is Wagner groter dan hij? ‘ . Dan zal ik u zeggen, kleine ‘plaaggeest’ (werkelijk plaaggeest, want ik beul me al een uur met het schrijven van deze brief af) : ‘om deze vraag te beantwoorden moet u zich tot iemand wenden die de gehele cultuurgeschiedenis van de mensheid met één blik kan overzien’. Wij zijn nu eenmaal zo, zoals we zijn, wij modernen! . Zelfs u bent zo! Wanneer ik u nu bewijs, dat u, kleine plaaggeest, een groter apparaat voor uw leven kan opeisen dan de koningin van Engeland in de zeventiende eeuw die zoals ik onlangs gelezen heb, voor ontbijt een pond spek en een pint bier kreeg, en ’s avonds bij het schijnsel van een talgkaars in haar kemenade de verveling verdreef met spinnen of iets dergelijk, wat heeft u daarop te zeggen?

Weg dus met de piano! Weg met de viool! Die zijn goed voor de ‘kamer’ wanneer u alleen of in gezelschap van een goede kameraad de werken van de grote meesters tot klinken wilt brengen – als echo – ongeveer zoals een ets u het kleurrijke schilderij van een Raffaello of Böcklin in de herinnering terugroept.


Hopelijk heb ik me voor u begrijpelijk uitgedrukt en in dit geval vind ik het ook helemaal niet erg aan u die zo’n sympathiek vertrouwen in een onbekende stelt, een uur van mijn leven te hebben gewijd.

Nu deze brief zo lang geworden is, zo ik graag willen weten of ik hem niet tevergeefs heb geschreven en daarom verzoek ik u mij te laten weten, of hij in goede orde bij u is aangekomen.


Met hartelijke groeten


Gustav Mahler



Redoute : bedoeld is de Redoutenzaal in Boedapest


August Beer : muziekkriticus aan de “Pester Lloyd” (1850-1915)




***


122 Aan Friedrich Löhr


(Hamburg), 18 mei 1893


Beste Fritz,


Je kunt er niet omheen – je moet minstens een paar dagen bij mij aan de Attersee komen! Misschien kom ik naar Wenen. Ik kan dat op dit moment nog niet besluiten.

Justi is hier en neemt nu weer alle ruimte in. Je moet daarom afzien van een brief. Ook ben je me nog het antwoord op de vorige ‘schuldig’.


Schrijf over bovengenoemde aangelegenheid.


Hartelijke groeten aan Uda


Je Gustav



Attersee : in de zomer van 1893 bracht Mahler voor het eerst zijn vakantie door in een pension in Steinbach am Attersee



***


123 Aan Friedrich Löhr


(Briefkaart zonder datum, poststempel : Berlijn, 16 juni 1893)


Beste Fritz,


We komen morgenavond (zaterdag 17 juni) om ongeveer tien uur aan op het Noordwest-station. Zou je ons daar kunnen afhalen?

Otto zal er ook bij zijn om Justi naar Nina te begeleiden.


Hartelijke groeten,


Gustav



Nina mevrouw Nina Hoffmann-Matscheko (1844-1914), echtgenote van de schilder Josef Hoffmann, schrijfster van een biografie over Dostojewski.



***


124 Aan Arnold Berliner


(Steinbach), 21 juni 1893


Beste vriend,


We zijn dus hier en het is hier heerlijk! Je zult verrukt zijn wanneer je hier in augustus ook naartoe komt. Ik lees in verschillende bladen, zelfs in het Hamburger Fremdenblatt, dat ik een engagement in Boston gekregen heb.

Om verschillende redenen is het voor bij erg belangrijk, dat dit bericht wordt ontkend. Doe mij een plezier en laat dit opnemen in de bladen van Hamburg en indien mogelijk ook van Berlijn. Dit dementi moet heel lakoniek worden geformuleerd, zonder enkele toelichting. Wat zeg je van de verkiezingen. Ik heb aan je gedacht. Te vertellen heb ik helemaal niets. Ik leef hier als een vis in het water. Schrijf alsjeblieft per omgaande of en wat je in deze kwestie hebt kunnen doen. Kom zo spoedig mogelijk!

Hartelijke groetrn van mij en mijn zuster.

Je Mahler


Adres : Steinbach am Attersee im Salzkammergut


***


125 Aan Friedrich Löhr


(Briefkaart zonder datum, poststempel Steinbach am Attersee, 4 juli 1893)


Beste Fritz,


Het is dus all right! Ik verwacht je op zaterdag 8 juli hier. Geef me nog het juiste tijdstip van je aankomst aan, dan kan ik je afhalen.


Hartelijke groeten,


G


***


126 Aan Arnold Berliner


(zonder datum, poststempel Hamburg, 30 april 1894)


Beste Berliner,


Het spijt me erg dat ik je gisteren in mijn drift heb gekrenkt en ik vraag je om excuus, mocht dat nodig zijn. Je hebt trouwens wel een talent om mij tot mateloosheid op te hitsen als geen ander. In dit geval is het werkelijk p = qu. Van Weimar nog geen antwoord, dus een slecht voorteken.

Gekrenkt : bij een gesprek over vivisectie waarbij Mahler het standpunt van Richard Wagner ondersteunde, Berliner het tegenovergestelde

Antwoord : betreffende het accepteren voor een uitvoering van de eerste symfonie bij het toonkunstenaarscongres

Weimar : het dertigste Toonkunstenaarscongres van de Algemene Duitse Muziekvereniging vond tussen 1 en 3 juni 1894 in Weimar plaats. Mahlers eerste symfonie was door bemiddeling van Richard Strauss geaccepteerd en werd op 3 juni onder Mahlers leiding uitgevoerd.


***



127 Aan Otto Lessmann


15 mei 1894


Hooggeachte Heer!


Aanvaard mijn allerhartelijkste dank voor uw sympathiek aanbod. Toch gaat het helemaal tegen mijn muzikale principes in het publiek bij een muiekuitvoering met technische opmerkingen in de war te brengen. Volgens mij is het niet iets anders wanneer men het publiek een ´programmaboek´ in handen geeft en het zo dwingt te zien in plaats van te horen!

Natuurlijk houd ik het voor noodzakelijk dat de motiefgebonden structuur voor iedere luisteraar helder is. Maar gelooft u werkelijk, dat bij een modern stuk de weergave van enkele thema´s daarvoor voldoende is? De kennis van en het inzicht in een muziekwerk moet men zich eigen maken door een verdiepende studie en hoe dieper een werk gaat, des te moeilijker is dat en des te langer duurt het. Bij een première is de hoofdzaak dat men zich op genade of ongenade aan het werk uitlevert en het algemeen menselijk-poëtische volkomen op zich laat inwerken. Wanneer men zich dan tot het werk aangetrokken voelt, kan men er nog dieper op ingaan. Wat zou men moeten doen, wanneer men de mens leert kennen die nog dieper en beter is dan zijn werk? Waar is dan het programmaboek=? Ook dan is de boodschap : intensief met hem omgaan, opmerkzaam en vol liefde in zijn binnenste kijken. Natuurlijk groeit en verandert hij terwijl het werk altijd hetzelfde blijft. Maar vergelijkingen gaan altijd ergens mank!

Nogmaals mijn hartelijke dank en tot spoedig ziens in Weimar!

Uw toegewijde


Gustav Mahler


Lessman : Lessmann die deel uitmaakte van het bestuur van de Algemene Duitse Muziekvereniging, had Mahler kennelijk verzocht om voor het programmaboekje voor het concert in Weimar een analyse van zijn eerste symfonie te schrijven


***



128 Aan Arnold Berliner


Hotel Erbprinz, Weimar, 5 juni 1894


Beste Berliner,


Hierbij ontvang je twee pakketten met mijn symfonie en de orkestpartijen daarbij en mijn frak en claquehoed, beide om op te bergen. Kun je me de ontvangst bevestigen, dan kan ik daarover gerust zijn. De belevenissen hier laten zich als volgt samenvatten : Hänsel und Gretel van Humperdinck is een meesterwerk en betekent voor mij een sympathieke uitbreiding van de dramatische literatuur. Mijn symfonie werd deels met woedende tegenstand, deels met onvoorwaardelijke steun ontvangen. De opinies stootten midden op straat en in de salons op vermakelijke wijze op elkaar. Nou ja, wanneer de honden blaffen is het duidelijk, dat we rijden. ´Natruurlijk was ik weer de beste!´ . )volgens mezelf dan, want die mening werd nauwelijks door een paar anderen gedeeld. De hoogweledelen, weledelen en edelen waren me uiterst genadig, ook door het uitdelen van voortreffelijke boterhammen en sekt. De uitvoering was, ook vanwege de uiterst gebrekkige repetities, schandalig slecht. Het orkest was vanwege een vat bier naderhand absoluut tevreden met mijn symfonie en erg onder de indruk van mijn manier van dirigeren. Mijn broer was erbij en was over de halve mislukking meer dan tevreden. Ik ook, maar dan over het halve succes. Wanner je recensies onder ogen komen (Voss etc) zend die dan naar Steinbach.

Morgen ga ik er naartoe!

Met hartelijke groeten,


Je zelfverzekerde Gustav mahler



Broer Otto had zich laten ontvallen dat de (eerste) symfonie niet zou deugen wanneer ze succes zou hebben.




Hänsel und Gretel, opera van Engelbert Humperdinck op 23 december 1893 in Weimar in première gegaan en bij het 30e toonkunstenaarscongres in een feestelijke voorstelling uitgevoerd.




Voss De in Berlijn verschijnende gerespecteerde ´Vossische Zeitung´



129 Aan Friedrich Löhr


(briefkaart), Steinbach am Attersee, 29 juni 1894


Beste Fritz,


Hierbij meld ik je de voorspoedige geboorte van een gezond, krachtig laatste deel van de tweede. Vader en kind maken het naar omstandigheden goed. De laatste is nog niet buiten levensgevaar. Bij de heilige doop kreeg hij de naam Lux lucet in tenebris. Stil medeleven wordt op prijs gesteld, uitgaven voor kransen niet. Andere geschenken zijn welkom.


Hartelijke groeten


Gustav


Dit wens ik je voor je verjaardag!



Tweede symfonie : het eerste deel , oorspronkelijk ‘Totenfeier’ genoemd, ontstond in 1888, de beide middendelen in 1892 en 1893. De inspiratie voor het laatste deel kreeg Mahler bij de rouwdienst voor Bulow in maart 1894



***

130 Aan Arnold Berliner


(zonder datum, Steinbach, 10 juli 1894)


Zojuist lees ik, beste Berliner, in Eckermann de volgende uitspraak van Goethe, die ik je ter herinnering aan onze eerdere nachtelijke excursie in de esthetiek moet mededelen.

Goethe ‘over de betekenis van de aanduiding van klassiek en romantisch. Het klassieke noem ik het gezonde, het romantische het zieke. Het meest recente is niet romantisch omdat het nieuw, maar omdat het zwak is en ziek en het oude is niet klassiek omdat het oud is, maar omdat het sterk en fris is, positief en gezond. Wanneer we overeenkomstig deze kenmerken het onderscheid maken tussen klassiek en romantisch, zijn we het gauw met elkaar eens’. Eckermanns Gesprekken met Goethe, deel II bladzijde 63 (Brockhaus 76). De innerlijke band tussen mijn visie en die van Goethe zal iedereen duidelijk zijn. In elk geval iets anders dan de irritante platitude in het Konversationslexikon.

Ik ben uiteraard druk aan het werk. Het vijfde deel is grandioos en sluit af met een koorpassage, op tekst van mezelf. Dit blijft strikt onder ons (de hele mededeling). De schetsversie is tot in het kleinste detail voltooid en ik sta op het punt de partituur te schrijven. Het is een gedurfd stuk van kolossale proporties. Dat geldt ook voor de climax. Begin Augustus ben ik in Bayreuth. In Ischl ontmoette ik Brahms. Dat was heel interessant , ik vertel er nog wel over. Birrenkoven baart in Bayreuth opzien, Cosima en de anderen kunnen het helemaal aan hem overlaten. Hij zingt trouwens de openingsvoorstelling, niet Van Dyck!


Laat van je horen!


Hartelijke groeten,


Je Mahler



Cosima : Mahler had op verzoek van Cosima Wagner met (Willy) Birrenkoven Parsifal ingestudeerd. Na de eerste repetitie droeg Cosima Birrenkoven op aan Mahler te zeggen, dat nog nooit een vertolker van die rol zo voortreffelijk voorbereid naar Bayreuth was gekomen. Alleen die passages moesten nog herhaald worden die niet zonder kostuum konden worden ingestudeerd, bijvoorbeeld het afleggen van de wapenrusting in de derde acte. Birrenkoven had zoveel succes, dat Cosima hem ook meermalen Lohengrin liet zingen.




Van Dyck : Ernest van Dyck (1861-1923), tenor, zong in de periode 1888-1901 de rol van Parsifal in Bayreuth.



***


Aan Emil Freund


(zonder datum, Steinbach an Attersee, zomer 1894?)


Beste Emil,


Veel dank voor je bericht en je inspanningen! Ik blijf tot 20 augustus hier en hoop je zeker voor enkele dagen hier te zien. Ik verzoek je het geld niet op de vermelde manier aan te wenden, maar het direct na ontvangst naar mijn bank in Budapest te sturen, nadat je 500 fl apart gehouden hebt om dat aan de oude L. te geven die me verzocht heeft hem deze som voor te schieten. Hij wil in september terug betalen. Het tijdstip is me om het even, doe maar wat hem het best schikt. Graag binnenkort een bericht hierover en ook wanneer je hierheen komt.


Hartelijke groeten,


Je Mahler



L. misschien de vader van Friedrich Löhr, Hermann Löwi



***


132 Aan Arnold Berliner



Steinbach, 25 juli 1894


Beste Berliner,


Morgen reis ik hiervandaan naar Bayreuth.













***











 

www.resantiquae.nl