***











 

www.resantiquae.nl



                           

          De Onze Lieve Vrouwekerk  te Geervliet

U treft meer afbeeldingen aan op de afbeeldingenpagina

 


Kerk Geervliet

https://www.youtube.com/watch?v=GwVd9U6gHew&spfreload=10

Geervliet 2014

https://www.youtube.com/watch?v=zZ8rEEqIkWY&spfreload=10

Geervliet vanaf de toren

https://www.youtube.com/watch?v=YxJyUUaBhbs&spfreload=10

Geervliet heden en verleden

https://www.youtube.com/watch?v=s3--ci6hGFI&spfreload=10

Kerk van Geervliet met pianist

https://www.youtube.com/watch?v=KLT74Ql22uA&spfreload=10

STEEDS MEER MUSICI ONTDEKKEN DE AKOESTISCHE KWALITEITEN VAN HET GEBOUW :

Boni, sonata Liene Madern Stradina, Pauline Ptak

https://www.youtube.com/watch?v=-21MvmzrFR0&spfreload=10

Marais, Sarabande en rondeau, Pauline Ptak https://www.youtube.com/watch?v=2nnpDe1J-SE&spfreload=10

Boni, sonate 2  Liene Madern Stradina   Pauline Ptak

https://www.youtube.com/watch?v=FvLLGWg8JmE&spfreload=10

Boni, sonate 2 Liene Madern Stradina  Pauline Ptak

https://www.youtube.com/watch?v=EM09FI8Emks&spfreload=10


 

 De kerk van Geervliet  is van oorsprong gewijd aan de maagd Maria. Het gebouw is georiënteerd (gericht) naar het oosten. De kerk verkreeg  in 1307 van Nicolaas van Putten, Heer van Putten en Strijen, zeer vele privileges, landerijen , recht van bedijking, tienden en een kapittel (college) van tien kanunniken.  Deze geestelijken die onder leiding stonden van een deken, hadden tot taak zielemissen voor Nicolaas en zijn vrouw Aleida te houden en daarnaast dagelijks drie missen, de hoogmis en de getijdengebeden te verzorgen.  Ze vormden een vrije gemeenschap waarbinnen persoonlijk bezit was toegestaan.



Doordat het aantal priesters  werd uitgebreid, moest ook het  koor waar de vieringen werden gehouden, worden vergroot. Het is daarom ongewoon lang in verhouding tot het schip.  De kerk stond  aan de rand van het dorp, zo vlakbij het  Hof van Putten,


  dat er voor het zuidelijk deel van het dwarsschip  geen ruimte meer was.  Dit Hof was eerst de woonplaats van Heer Nicolaas, later zetel van de ruwaard en centrum van de rechtspraak ( de  tot 1854 gebruikte schandpaal (1788) staat naast de kerk). Het Hof werd in 1823 gesloopt.


 

De toren  is driemaal herbouwd en kreeg in 1650 zijn huidige vorm. De hoogte is 37 m. Omstreeks 1730 brandde de toren, getroffen door de bliksem, geheel af, samen met 23 huizen en 11 schuren in de Kerkstraat.

In alle steden en dorpen van Holland en West-Friesland mocht een collecte worden gehouden om de nood in Geervliet te lenigen. 




Het  hoofdorgel  werd in 1874 door J.F. Witte gebouwd voor de Geertekerk in Utrecht. Het kwam in 1985 naar Geervliet en werd herbouwd door Orgelbouw Ernst Leeflang te Apeldoorn. In 2010-2011 heeft Orgelmakerij Reil b.v. te Heerde het instrument gerestaureerd. 


Het koororgel werd in 1973 vervaardigd door firma Fonteijn-Van Gaal. De grafzerken uit het  schip  zijn overgebracht naar het koor. De  preekstoel   dateert van 1641; de aanduiding  Pause  diende om een combinatie van opeenvolgende psalmverzen aan te geven.


De twee zes-armige kroonluchters zijn in 1688 door Joris van  Wesel geleverd.

In de  vitrine   liggen o.a. een raamspuit en de schedel van Aleida's hondje tentoongesteld.  Van het oorspronkelijke meubilair zijn alleen de luifelbanken voor de consistoriekamer  over. De rechterbank dateert van 1610 en heeft een laat-18e eeuwse luifel; de luifel van de linkerbank wordt ondersteund door twee consoles in Lodewijk XIV-stijl. Boven de deur naar de consistoriekamer is in 1729 een opzetstuk in diezelfde stijl aangebracht met daarop een gekroond wapen.


In de consistoriekamer zijn op zwarte borden de namen te lezen van alle predikanten die op Geervliet hebben gestaan; ook bevindt zich hier een fraaie 17e eeuwse kast.


Tussen schip en koor bevindt zich het oude koorhek  dat in 1540 werd vervaardigd.


Van 50 jaar later dateren de kerkborden met (van links naar rechts) de teksten van de Geloofsbelijdenis, de Tien Geboden en het Onze Vader.


Het grote koor  was  de plaats waar tot de reformatie de eredienst werd uitgeoefend. In de nissen hebben vermoedelijk altaren gestaan.




Geestelijke en wereldlijke autoriteiten werden hier begraven,bv. kanunnik Gijsbrecht Egberts die een zerk met Latijnse tekst liet aanbrengen waarvan de vertaling luidt :

 

 
Ziet, hier rust Gijsbertus Dalblas in deze urn [=dit graf] die kortelings nog een edel sieraad was in  deze kerk.  Hij was op wetenschappelijk gebied overladen met uitzonderlijke gaven,   waardig om te leven tot de dagen van Nestor [= tot zeer hoge ouderdom te geraken] .[Hij was] een sieraad van godsdienst,  levend volgens een vrome regel van zeden, in uiterste vroomheid tot aan zijn laatste brandstapel [= tot aan zijn laatste uur].Gij, reiziger, wie ook maar deze weg aflegt,  laat daarom uw voet halt houden en ga heen na met zwijgende stem te hebben gebeden.  Hij overleed  in bovengemeld jaar 1559 op de eerste dag van  juni.Zijn ziel ruste in vrede

 

Toen het begraven in de kerk in de 18e eeuw werd verboden is om de kerk een begraafplaats aangelegd.  In 1311 liet Beatrix voor haar ouders Nicolaas en Aleida de tombe  maken.  Deze stond aanvankelijk midden in het koor.


De klaagfiguren uit de nissen zijn verdwenen. De delen van witte zandsteen waren oorspronkelijk beschilderd. De vertaling van de Latijnse tekst op de rand luidt :

Aleida die een spiegel en bloem der zeden en een  moeder der ere onder het mensdom was, ligt nu in het graf. Zij was een edele heerseres in Putte en Strijen. Ik bid, o Christus, dat zij U genieten en loven moge. Zij stierf in 't jaar 1316 na Uw geboorte, o Christus, op de  dag van Paulus en Johannes.

 

De sacristie  heeft ook gediend als librye en baljuwshuis. Het is het oudste gedeelte van de kerk. De piscina-nis  waar de priester voor en na de  eucharistie zijn handen kon wassen, is nog te zien. 

*** 

DE BOUWGESCHIEDENIS VAN DE KERK 

 

          Het kerkgebouw in zijn huidige gedaante is vrijwel volledig het resultaat van de herbouw en vergroting na de 14e eeuw. Van voorafgaande bouwfasen is door archeologisch onderzoek globaal iets bekend. In 1988 zijn in het schip funderingsresten van twee stenen voorgangers aangetroffen. De oudste daarvan, gebouwd in de 13e eeuw, was eenbeukig met zijmuren op de plaats van de tegenwoordige zuilenrijen;  over een bijbehorend koor is niets bekend. Rond 1300 is een driebeukig schip gebouwd ‑ even lang als het huidige schip ‑ met smalle zijbeuken en steunberen tegen de zijgevels. De hoogte ervan is nog af te lezen aan de onderbreking in de natuurstenen waterlijst tegen de oostzijde van de toren achter het orgel.

 

     Naar aanleiding van de kapittelstichting werd begin 14e eeuw een nieuw koor gebouwd, even breed als het huidige, maar vermoedelijk nog langer, blijkens in 1960 aangetroffen funderingen aan de oostzijde, en wellicht evenals het koor in Abbenbroek, recht afgesloten. Misschien staan de funderingen in verband met een wijziging van het bouwplan van het huidige koor.

     Tegen de muren stonden de banken van de kanunniken die na de lezing van psalmen elkaar in beurtzang afwisselden. Van de banken zelf is niets bewaard gebleven, maar de nissen waarin ze stonden zijn er nog

     Tegen de zuidzijde van het koor werd de sacristie gebouwd met daarboven een verdieping met schouw tegen de westwand en daarboven een zadeldak. Boven het tegenwoordige lessenaarsdak is in de transeptmuur de daklijn van het zadeldak nog zichtbaar.

      De verdieping diende mogelijk als librye, maar werd in 1379 door de heer van Putten verhuurd,  wellicht aan de ruwaard of baljuw blijkens de tekst "des baliuus huysken teghens der kercken" in 1385.

De toren dateert uit de eerste helft van de 15e eeuw en staat enigszins scheef ten opzichte van de as van de huidige kerk. De torenromp is onvoltooid.

   De privileges van Geervliet worden in 1515 door Karel V bevestigd; daarbij wordt van de kerk gezegd dat ze zo bouwvallig is, dat in plaats van restauratie beter tot volledige nieuwbouw kan worden overgegaan. Tussen toren en koor werd een nieuw, breder en hoger schip gebouwd met een aan de noordzijde uitstekend transept. Uitbreiding aan de zuidzijde was niet mogelijk of gewenst hetzij vanwege de ligging van het door een gracht omgeven Hof van Putten of vanwege de financiële gevolgen van de overstromingen die na 1530 deze streken hebben geteisterd. De dakruiter op de kruising ‑ nog aanwezig in 1798 ‑ is nu verdwenen. Zuilen van schip en transept werden opnieuw gefundeerd.

 

     In 1540 werd het koor volledig vernieuwd met een driezijdige sluiting en een uitbouwtje aan de zuidzijde tussen twee steunberen, vermoedelijk voor een graf.

     Kort na de hervorming werden koor en noorder-dwarsarm afgeschoten. Met het verdwijnen van de altaren (gewijd aan de Heilige Maagd (het altaar in de torenkapel)  St Antonius (waarvan het Necrologium van het Geervliets Kapittel melding maakt op 17 januari, feestdag van de heilige, waarop voor de zielenrust van Willem van Almonde een mis moest worden gelezen in altari S. Anthonii) , Joris, Barbara en het Heilig Kruis) verloren koor en kapel hun functie.

De preekstoel met erop de geopende bijbel was voortaan zowel het centrum van de eredienst als van de inrichting van de kerk.

       Het koor  diende vanaf 1723 als plaats waar de vierschaar van Putten werd gespannen en dus het recht werd gesproken; in de Franse tijd werden er volksvergaderingen gehouden. In de 19e eeuw verhuurde de kerkvoogdij het koor of de kapel als turfopslagplaats voor de diakonie. In 1907 is het dan geheel lege koor vrijwel geheel dichtgemetseld. In 1928 is het koor in gebruik als opslagplaats voor wagens en landbouwwerktuigen.  In 1933 werd door de kerkvoogdij een eind aan deze praktijken gemaakt in verband met nieuwe restauratieplannen.

     Na een storm in 1717 werden nieuwe houten ramen aangebracht. In 1730 verbrandde de torenspits vanwege blikseminslag. Govert van der Linde uit Dordrecht ontwierp een nieuwe.  In 1779 werden de onbeschoten gewelfconstructies van schip en transept van een beschot voorzien. Het koor werd onbeschoten gelaten.

DE RESTAURATIES IN VERLEDEN EN HEDEN

Rond 1670 vond de eerste restauratie plaats. Op verzoek van de stedelijke magistraat stelden de Staten van Holland fl. 1000 beschikbaar, waarvan een resterend bedrag van fl. 300 kon worden gebruikt voor herstel van het havenhoofd.

 

       In 1680 werd het colven, het gooien van clothen en het werpen van stenen op dak of ramen uitdrukkelijk verboden. In 1688 stelden de staten fl. 2500 ter beschikking voor kerk en  toren. In 1717 werden nieuwe houten ramen aangebracht.

        In 1730 werd de toren beroofd van houten spits ‑ afgebeeld op een tekening van Roelant Roghman uit 1647 ‑, uurwerk en torenklok; ook het dak werd door de brand ernstig beschadigd.  De restauratie van 1733 kostte fl. 2200, waarvan fl. 1200 in de vorm van subsidie beschikbaar was. De huidige bovenbouw is ontworpen door Govert van der Linde uit Dordrecht en begroot door de stadsfabriek van Brielle, Cornelis Schuyt.

         In 1779 werden de tot dan toe onbeschoten gewelfconstructies van schip en transept van een beschot voorzien. In 1795 wordt gemeld dat ze witgekalkt zijn.

Vanwege het toenemende verval in de 19e eeuw werd in 1908 door de Provinciale Zuidhollandse Archeologische Commissie een eerste plan vervaardigd voor restauratie van de kerk. Dit plan werd niet uitgevoerd. Pas in 1929 werden door het Rijksbureau voor de Monumentenzorg nieuwe restauratietekeningen en een begroting gemaakt. De restauratie werd in handen gegeven van architect J.W. Janzen. Zijn voorstel van 1934 om het uitstekende deel van de noorderdwarsarm te slopen werd door de Rijkscommissie van Monumentenzorg overgenomen maar door het lokale restauratiecomité verworpen.

        In 1961 werd de graftombe en in 1966‑67 de kerk gerestaureerd. In 1985 werd een orgel vanuit de Julianakerk te Utrecht, die vanwege afnemend kerkbezoek werd gesloten,  naar de kerk van Geervliet overgebracht en in de kerk geplaatst voor een bedrag van fl. 210.000.

De aanvankelijke plannen van architect Van der Zwan uit Middelharnis  betroffen een restauratie in twee fasen. Tijdens een eerste fase van vier maanden zou ‑ voor een budget van fl. 300.000 ‑ aan het binnenwerk worden gewerkt , waarbij het zand onder de kerk zou worden vervangen door een ondergrond van beton; het interieur zou worden teruggebracht in oorspronkelijke stijl en tenslotte zou een vloerverwarming  worden aangebracht waarbij vanuit een ketel in een aanbouw van de toren via kunststof slangen tussen beton en plavuizen de vloer zou worden verwarmd. 

 

      Het buitenwerk zou in de jaren 1992 en 1993 worden verricht.  In 1988 werd een nieuwe vloerverwarming in schip en transept aangelegd.

         De laatste restauratie van kerk en koor werd afgesloten in 1995. Daarbij werd het dak vernieuwd, inclusief trekbalken, korbelen en sleutelstukken. De trap van de kansel werd volledig vervangen. De kerkborden werden door Pieter de Ruyter uit Delft volledig hersteld en geconserveerd. Nieuwe glas‑in‑lood‑ramen werden geïnstalleerd. In het koor is een beschot voor de gewelfconstructie aangebracht en de zerken werden deels horizontaal, deels verticaal tegen de koorwanden geplaatst. Het exterieur van de kerk is eveneens volledig hersteld en geconserveerd.

***

DE KERKBORDEN

 

Bij de inrichting van hun kerken hebben de gereformeerden in ruime mate gebruik gemaakt van  kerkborden. Het valt op dat ze vooral in de na 1578 overgenomen kerken voorkomen en veel minder in de nieuwgebouwde gereformeerde kerken. In de oude kerken moesten ze dienen om de open plaatsen op een zinvolle wijze op te vullen. Het officiële standpunt van de gereformeerde kerk was, dat verrijking van het interieur met borden een ' onverschillige'  zaak was : het mocht, maar het hoefde niet. De aanschaf van borden was dan ook een plaatselijk initiatief en gebeurde niet volgens algemeen erkende regels of voorschriften. Wel kan gesproken worden van een gewoonte waarin de kerken elkaar navolgden.

Ook al hadden de borden geen liturgische functie, toch waren ze bedoeld als illustratie van het belijden en als een vorm van verkondiging. Daarom is de plaats waar ze werden opgehangen en de liturgische functie daarvan toch wel van belang. Probleem is wel, dat we vaak niet meer weten waar de borden oorspronkelijk hebben gehangen.

We kunnen de volgende typen van borden onderscheiden :  

1. borden van geloof, gebod en gebed :

1.1. De Apostolische Geloofsbelijdenis

1.2.De Tien Geboden

1.3. Het Onze Vader

2. borden met Bijbelteksten die betrekking hebben op sacramenten of bepaalde leerstukken

3. borden met exempelsgewijs bijeengezette bijbelteksten als illustratie van een bepaald thema, bv. het ambacht van een gilde

 4. overige borden met Bijbelteksten tot stichting en vermaning

5.    borden met stichtelijke verzen 

Over de vervaardiging van kerkborden zijn archiefstukken maar zeer beperkt voorhanden. Het beste zijn we ingelicht over de opdrachtgevers. Het kon daarbij gaan om gilden, stedelijke bestuurderen en kerkmeesters, een erflater etc.

 

Wapenschildjes met een huismerk in een hoekje aan de voet van het bord kunnen een teken zijn van de maker. Soms wordt wel eens de kistenmaker, schrijnwerker of (kerk)timmerman genoemd, die het bord heeft vervaardigd. De belangrijkste bijdrage kwam echter van de schilder. Er zijn meestal verschillende personen werkzaam geweest bij het 'scripsit'  en ' pinxit' 

De tekst stond in alle gevallen centraal; een omlijsting completeerde het zgn tafereel; deze omlijsting of  retabel  kon ofwel classicistisch zijn, ofwel elementen van de Noordelijke renaissance bevatten. Ook een combinatie was mogelijk; Geervliet heeft daarvan voorbeelden.

Een bord heeft volume; bovendien werd soms een onderdeel driedimensionaal op het tafereel aangebracht, wat reliëfwerking gaf en het volume vermeerderde. Zo sprongen vaak de kolommen uit het vlak naar voren.  Soms werd het muurvlak achter het bord gemaakt tot een zwarte achtergrond waartegen de grillige contouren duidelijk uitkwamen en waardoor het bord nog meer los kwam van de wand.

 

http://ne.wikipedia.org/wiki/Hans_Vredeman_de_Vries

 

http://ne.wikipedia.org/wiki/Cornelis_Floris_de_Vriendt


Ontwerpers in de Nederlanden, zoals Cornelis Florisz, maar ook andere ( in de tweede helft van de 16e eeuw vooral Vredeman de Vries) hebben bijgedragen tot het ontstaan van een fantasievolle, ornamentrijke vormentaal. Daarbij is geput uit het arsenaal van de Italiaanse Renaissance, bv. de grotesk of de arabesk, maar ook zijn middeleeuwse elementen vrij verwerkt : metaal‑ of leerbeslag met zware doppen op de ondergrond gehecht, of stroken dan wel vlakken vol gezet met kostbare stenen. Om het geheel nog mooier te maken wordt het ene onderdeel van het ornament door het andere heengeschilderd waardoor op het platte vlak een 3D- effect wordt bereikt. . Door naar voren krullende delen ontstaat driedimensionaliteit.

3. De plaats en functie van de kerkborden

Borden kunnen voorkomen op pilaren, op de muur, in het schip of het koor, in een transeptarm of een zijbeuk, rond de preekstoel (wanneer deze aan een blinde muur was bevestigd) of op het koorhek. Soms waren ze aan twee kanten beschreven en konden ze aan twee kanten worden bekeken.  Vaak werd een reeks samengesteld, vermoedelijk ter vervanging van een samenhangende beeldengroep.

Ook voor de gereformeerden stond de Wet van Mozes als samenvatting van het Oude Verbond tegenover het evangelie als het Nieuwe Verbond.  Samen vertegenwoordigden ze de geschiedenis van de openbaring. De Wet overspant het Oude en Nieuwe Verbond. Door Christus worden het Nieuwe Testament en de Wet met elkaar verbonden : Christus heeft de Wet voor ons volbracht. In de gereformeerde catechismus wordt het thema als volgt uitgewerkt : de gelovige kent en belijdt door de wet zijn zonden, en heeft besef van de noodzaak van de verlossing die Christus heeft gebracht; tenslotte bezit hij in de wet een leefregel om in dankbaarheid voor de verlossing naar Gods wil te leven.

 

4.  De Geervlietse borden

4.1. Het Tien Gebodenbord

 [De volgende gegevens zijn ontleend aan een artikel van Felix van Hoorn in Oud Nieuws XVIII,4 [november 1997]

Doordat het oudste boek met kerkenraads-handelingen over de periode 1585-1625 verloren ging, is er uit een dergelijke bron geen documentatie over opdracht en financiering van de kerkborden van Geervliet beschikbaar. Hoewel het niet ongebruikelijk was dat stadsbesturen de plaatselijke kerken op kosten van de stadskas verfraaiden, lijkt dit in het geval van de Geervlietse borden niet waarschijnlijk. De stadsrekeningen over 1588 en 1599 [de op de borden geschilderde jaartallen] vermelden geen uitgaven die daarop wijzen. Het zal blijken dat de schenkers van deze borden voor een groot deel lid waren van het stadsbestuur, maar niet gelijktijdig.

Schenkingen in een dergelijke vorm werden destijds zelden anoniem gedaan. De gulle gevers wilden graag dat iedereen van hun gebaar kennis nam. Het vergrootte het prestige binnen de gemeenschap. Zo is bv. op menig gebrandschilderd raam de schenker zelf afgebeeld. Vermelding van naam en titulatuur kwam regelmatig voor, evenals het aanbrengen van een wapen.

Bij het bekijken van de afbeeldingen op de Geervlietse borden moeten we bedenken dat lang niet alle burgers een wapen voerden. Als schepen zegelden ze vaak met een huismerk, een eenvoudig teken dat van vader op zoon overging, soms met een kleine toevoeging per generatie. Het is zeer wel denkbaar dat de maker van het bord hier zijn diensten heeft aangeboden.  Bij zogenaamde 'sprekende' wapens was dit niet moeilijk. In andere gevallen werd gewoon het huismerk wat opgesierd.

 Boven het koorhek, tegen de glaswand die het koor scheidt van het schip, is een breed kerkbord aangebracht, geflankeerd door twee tegen de oostelijke transeptmuren opgehangen borden.

Het middelste bord met de tien geboden en een aantal andere gebodsteksten, draagt het jaartal 1588. De tekst op het bord luidt:

 

Boven :  Exodus XX    THORAH    Deuteron V

 

 

 

 

Ick ben de heere uwe

Godt die U uit Egyptenlandt

wt den diensthuyse gheleyt

hebbe

  

Dat I ghebodt

 

Ghy en sult gheen ander Godt voor myn

aengesicht hebbe.

 

Dat II ghebodt

 

Ghy en sult geen beelde noch eenige gelyckenisse

maken, noch van 't gene dat boven in de hemelen is noch

dat in de wateren van dat daer onder op aerde is (?)[]

Want ick ben de Heere Uwe Godt sterck en jaloers die daer

bezoeke der vadere(n) misdaet in den kinderen tot in dat

derde en vierde lidt denghgenen die mij haten; en doe

bermhertigheyt aen veel duysende(n) die mijn liefhebben en

mijne gebode houde

 

Dat III Ghebodt

 

Ghy en sult den name des Heere Uwes Godts niet

te vergeefs ofte lichtvaerdelick gebruycke(n); want de Heere

en sal die niet onghestraft laten die sijne name

misbruickt

 

Dat IIII Ghebodt

 

 

 

Sijt ghedachtich des Sabbathsdach dat ghij dien

heyliget. Ses dagen sult ghy arbeyde(n) en alle uwe wercke

doen maer den sevenste dach is den sabbath des Heeren

Uwes Godts. dan sult ghy geen arbeyt doen noch

u sone noch

u dochter noch u knecht noch u dienstmaecht

noch u vee noch de

vreemdelinck die in uwe stadtpoorte(n) is. Want

in ses dage(n) heeft

de Heere hemel en aerde(n) gemaeckt en de zee

en al datter in is

en Hij rustede de(n) sevenste dach daerom

segende de Heer de sabbath

dach ende heylichden den selven

  

Dat V Ghebodt

Ghy sult u vader ende moe

der eeren opdat ghy lange leeft

in den lande dat u de Heere uwen

God gheven sal

 

 

 

Dat VI Ghebodt

Ghy en sult niet dooden

 

Dat VII Ghebodt

Ghy en sult niet Ebreken

Dat VIII Ghebodt

Ghy en sult niet stelen

Dat IX Ghebodt

 

 

 

Ghy en sult gheen valsche ghetuygenisse

spreken teghen uwe naesten

 

 

 

Dat X Ghebodt

 

Ghy en sult niet begheere uwes naesten

Soo vaer (?) nu dese woerden ter herten ende in

uwe zielen ende bintse ten teeken op uwen

handen dat zij een denckteecke(n) voor uwen

ooghe(n) zijn. Ende leertse uwen kinderen dat

ghy in uwe(n)

huijse sittet oft opden wege gaet wanneer

ghy u nederlegt. Ende wanneer ghij op

staet. Ende schrijftse opde posten uwes

huijs. Ende aen uwe poorten dat

ghij ende uwe kinderen lange levet op de(n)

lande dat de Heere uwen vaderen ghe

sworen heeft hem te gheven soo lange

als de daghen van de hemel op

aerden dueren

 

 

 

DEUTRO . XI . XVIII

 

DEVTRONO XII VEERS VIII

 

Ghijlieden en sult diergheen doen dat wij heden hier

doen een ijeghelijck wat hem recht dunck

 

(diergheen : geenszins)

 

Wacht u uw (?) dat ghij het verbont des Heere(n)

uwes Godts niet en vergeettet dat hij met

u gemaeckt heeft ende geen beelden en

maeckt van eeniger

leij gestalte als de

Heere uwe Godt gebode(n) heeft. Want de

Heere uwe Godt is een verteerende vier

ende een ijverich Godt wanneer ghij uw (?)

kinderen gheynereert en kintskinderen

en het lant bewoont  ende verderft u en

maeckt u beelde(n) van eenigerleij gestalte

dat ghij quaet doet voor de Heere uwe(n)

Godt ende hem vertoornt soo roepe

ick hedendaech over u tot getuyge(n) hemel

en aerde dat ghij geringe sult o(m)come(n)


DEVT IIII. XXIII

 

DEUTRONO XII   VEERS XXXII

Alles wat ick u lieden ghebiede, sult ghij houden, dat ghij

daer naer doet, ghij en sult daer niet toe doen, noch daer van doen.

 

 

 

Het bord toont op het middengedeelte de wapens van de toenmalige hoogwaardigheidsbekleders. Linksboven bevindt zich het wapen van ruwaard/ baljuw  en schout  Pieter van Rhoon. Hij volgde in 1573 zijn vader Gerrit van Rhoon op als ruwaard‑dijkgraaf van Putten. Deze functie was vanaf 1581 gelijk te stellen met die van baljuw in andere rechtsgebieden. De ruwaard was rechtsvorderaar in de Hoge Vierschaar van Putten die op het Slot of Hof van Putten zitting hield. Tevens was hij schout van Geervliet, een functie waarin de ruwaards zich altijd door een substituut lieten waarnemen, die gewoonlijk ook weer als 'schout' werd aangeduid. Het is onwaarschijnlijk dat Pieter van Rhoon zelf op het Hof heeft gewoond. Zijn primaire belangen lagen elders. Hij overleed op 7 juli 1599.

Rechtsboven bevindt zich het wapen  van zijn substituut (plaatsvervangend)‑ schout Cornelis Maartensz. Deze was landbouwer en bezat veel land in Hoenderhoek, een polder tussen Geervliet en Abbenbroek in. Hij woonde aan het einde van de Langpoortstraat. Al in 1558 wordt hij genoemd als schepen van Geervliet, later als burgemeester en vanaf 1584 als schout. In het Dijkcollege van de Ring van Putten treedt hij op als heemraad. In 1596 wordt zijn totale landbezit gesteld op ruim 169 gemeten, ca. 80 hectare. Cornelis Maartensz overleed in 1600; zijn weduwe Pietertje Ariens zet het bedrijf nog voort tot haar dood in of kort voor 1606. Ondanks het imposante helmteken is het wapen niet meer dan een huismerk met initialen.  

Direct daaronder zijn het wapen van Holland en de wapens van burgemeesters en schepenen van Geervliet te zien. Allereerst bekijken we

het wapen van Cornelis Cornelisz  Backer, een bakkersplank met drie broden; met een dergelijke spaan werden de broden de hete oven " ingeschoten". Het kan zijn dat een van zijn voorvaderen bakker is geweest. Mogelijk ook bedacht de schilder dit wapen bij de naam.  Backer was landbouwer van beroep en was van 1563 tot 1614 schepen en burgemeester van Geervliet. Zijn boerderij stond aan de Langpoortstraat en werd aangeduid met de naam 'Coninxhol' [Konijnenhol], maar werd ook naar de eigenaar 'Backers stee' genoemd. In de stads- en armenrekeningen duikt zijn naam in 1563 voor het eerst op; hij is dan schepen van Geervliet. Deze functie en soms ook die van burgemeester vervulde hij tot zijn dood in 1611. In alle hoeken van de Geervlietse en omliggende polders vinden we hem met landbezit vermeld, met de nadruk op de zogenaamde Noordelandekens, waarvan hij in 1575 ook waarsman [penningmeester] is.  Zijn handtekening is op vele documenten te vinden. In 1600 wordt hij vermeld als 'gegoed burger'. Men taxeert zijn vermogen op 12.000 pond.

Daarnaast een wapen van Adriaen Lenertszoon met de tekst :  Het is nu den tijt datter is veel haet en nijt; tevens bevat het wapen het teken 

 

                                     A    X    L

Adriaen werd al in 1573 genoemd als schepen van Geervliet. Vanaf 1580 trad hij jarenlang op als burgemeester. In deze functie was hij o.a. belast met de financiële administratie. Hij was landbouwer van beroep en woonde aan de westzijde van Kerkstraat. Hij overleed voor  1 september 1591. Vermoedelijk is hij identiek met Adriaan Lenaertsz Schoonkarre die als landbouwer wordt vermeld.

Vervolgens treffen we de Hollandse Leeuw aan; dit hangt samen met het feit dat het gebied in 1581 is overgegaan van Philips II naar de Staten van Holland. Misschien heeft het 'Geestelijk Comptoir' dat namens de Staten de na 1572 geconfisqueerde kerkelijke goederen beheerde, een bijdrage geleverd.

Het nu volgende wapen  betreft het geslacht De Labye. Boven de afbeelding van een abdijkerk staat de tekst : dra gestorve(n), dra verlost. De abdij in het  wapen kan duiden op de oorspronkelijke betekenis van de naam. De familie zou kunnen afstammen van Robert de Labbaye, Heer van Oostkerk en de Cemeri, in 1405 raadsheer van de hertog van Bourgondië. Jehan de Labbeye wordt in 1438 vermeld te Doornik. Zijn zoon Colard de Labye was in 1463 Raad van Brugge. Diens zoon Jehan de Labye stierf in 1489. Diens zoon Pieter Lodewyck de Labye, geboren 1482 was koopman en dreef vanuit Brugge en Antwerpen handel op Geervliet. Hij stierf vermoedelijk voor 1540. Diens zoon Lodowic de Labye werd vermoedelijk te Brugge geboren in 1520 en stierf in 1585 te Geervliet. Met deze Geervlietse Lodewijk neemt het Zuidhollandse geslacht een aanvang.  De prebende was Lodewijk toegekend door Karel V, Heer der Nederlanden etc. De eerste vermelding van 'Heer Lodewijk' dateert van 1542.  In 1548 wordt hij Mr. Lodewijk de Labye canonick  genoemd. De toevoeging  Mr ,  meester , is in die tijd gebruikelijk voor een chirurgijn of heelmeester. Als seculier geestelijke woonde ook Lodewijk in een eigen huis, tot 1553 aan de Visserszijde, vanaf 1555 aan de St. Anthoniesplaats, ter hoogte van de huidige bebouwing aan Landpoortstraat nr. 1. Lodewijk had ten minste één zoon, mogelijk bij Annetje Ariens. Wellicht heeft Lodewijk na de verhuizing van het kapittel naar Haarlem tot de achterblijvers behoord en heeft hij zich aangesloten bij de gereformeerde kerk. Hij is vele jaren burgemeester van Geervliet geweest.  Het kan ook zijn dat het meesterloon, vermeld in rekeningen van 1584 tot 1603, bestemd was voor zijn zoon Lodewijk Lodewijksz.

 

Op het volgende wapen is een knol, raap, biet of radijs afgebeeld.  Vermoedelijk gaat het hier om een 'sprekend' wapen en zouden we kunnen denken aan namen als Knol, Rapenburg of Radix. Het zijn allemaal bestaande familienamen, maar enige relatie tot het laat-16e eeuwse Geervliet is [nog] niet ontdekt.

Adiaen  Aelbrechtszoon  was schepen van Geervliet. Mogelijk was hij ongeletterd, in die tijd overigens geen belemmering om schepen te worden. Welstand, ervaring en wijsheid, gepaard aan een goed geheugen, telden zwaarder dan geletterdheid. Daar had je een secretaris voor.  Hij ondertekent alle stukken [zoals bv. de stadsrekening van 1559]  met het karakteristieke brilletje. Hij was landbouwer van beroep en bewoonde in de Nieuwstraat [de huidige v.d. Minnelaan] een boerderij. Hij behoorde tot de belangrijkste ingelanden van Hoenderhoek. In 1607 wordt hij nog vermeld. In hetzelfde jaar is ook sprake van zijn erfgenamen. Nazaten van hem droegen in de zeventiende eeuw de naam Compeer.

Teunis Pieterszoon de Hont (TPDH), huistimmerman, woonde aan de oostzijde van de Kerkstraat. Passer en schrijfhaak duiden zijn beroep aan.  Was schepen van Geervliet en ondertekende als schepen de stadsrekening van 1598 met de letters 't'  en 'p', waartussen hij drie haken tekende. Met collega Pieter Nout bouwde Teunis Pietersz in 1599 een van de vroegere versies van de huidige molen. In 1600 is sprake van zijn erfgenamen.

Het volgende wapen heeft betrekking op Cornelis Janszoon, kleermaker en secretaris van Geervliet, Het wapen bevat een schaar, een huismerk en de initialen  C  I. Cornelis woonde in de Kerkstraat. Vanaf 1587 wordt hij als schepen vermeld. Van 1600 tot 1625 wordt hij vermeld als secretaris van Geervliet. Dit was een functie die vaak naast een ander beroep werd uitgeoefend. Het secretariaat leverde nogal eens wat voorkennis op die kon leiden tot winstgevende transacties in onroerend goed. Nog tot 1638 duikt zijn naam op bij dit soort  transacties, steeds met de toevoeging " oud‑secretaris" .  Merkwaardig is dat hij nergens vermeld wordt met een familienaam. Tenminste een van zijn zonen gaat later de naam Witsand voeren.

Het volgende wapen bevat vijf Franse lelies op zwarte achtergrond en betreft vermoedelijk een familie van zuidelijke afkomst. Mogelijk was het wapen dat van Rochus de la Cauchie, oudkanunnik en na de reformatie te Geervliet woonachtig aan het Anthonieplein.

Tenslotte een wapenschildje met een huismerk dat tot nu toe aan geen Geervlieter uit die tijd is te koppelen. Het is heel goed mogelijk dat hier volstaan is met een voorstelling die ook op een zegel voorkwam. Helaas zijn de meeste zegels verloren gegaan. Ze bekrachtigden immers de akten die aan de belanghebbenden zelf ter hand gesteld werden en niet de kopieën die in het archief werden bewaard.

 Onderaan in de kleine tekstpaneeltjes  links en rechts treffen we twee kleinere schilden aan: 

Het linkse bevat drie vogels en een naar links kijkende ossenkop: waarschijnlijk betreft het een boerenfamilie, misschien een familie die een bedrijf heeft in de polder Hoenderhoek, sinds 1455 bedijkt. Veel families uit deze vruchtbare polder hebben in Geervliet een rol gespeeld. Ene Dirk Jansz laat in 1600 en 1603 zoons Arie en Dammis dopen die onder de familienaam Hoenderhoek in de 17de eeuw tot de schepenen van Geervliet zullen gaan behoren.

 

 


Ist dat ijemandt onder u gebreck

heeft aen wijsheijt die begheertse

van Godt diese alle menschen

overvloedelijck gheeft ende en

verwijtse niemant ende sij sal

hem ghegheven worden

 

Biddet en u lieden sal gegeven

worden soeckt en ghij sult vinden

clopt en u liede(n)

sal opgedan worden

  

Dit bord  met het Onze Vader en nog enkele andere Bijbelteksten stamt waarschijnlijk  uit 1599; het toont het wapen van Geervliet.

De teksten op de borden hebben een rijke renaissance‑omlijsting met pilasters en hoofdgestel en met deels uitgezaagde en deels geschilderde ornamenten in de trant van Vredeman de Vries.

 

4.3. Het bord met de tekst van de geloofsbelijdenis

 

 

Het bord links, met de Artikelen des Geloofs, dateert uit 1599. Drie  jaar eerder stierf de op het bord vermelde 'Ioncker Pieter van Roon ende Duijvelant', die ruwaard en baljuw was van het land van Putten en uit wiens nalatenschap dit bord zal zijn bekostigd. De tekst is in gotische letters. De initialen zijn goudkleurig.

 

  

 

De tekst luidt :

 

 

Ick gheloove in Godt den Vader

den almachtighen Schepper des hemels

ende der aerden.

 

II

 

Ende in Iesum Christum synen eenighen

gheboren sone onsen Heere

 

III

 

Die ontfanghen is vanden H. Geest

gheboren uut de maghet Maria

IIII

Gheleden heeft onder pontio pilato ghecruyst ghestorven ende begraven

 

V

 

Nedergedaelt ter hellen ten darden daghe

wederom opghestaen vanden dooden

 

 

 

VI

 

Opghevaren ten hemel sit ter rechterhandt

godts des almachtighen vaders

VII

Vandaer hy comen sal te oordelen die levende

ende die dooden

VIII

 

Ick gheloove in den heylighen Gheest

IX

 

Ick gheloove een heylighe alghemeyne Chri

stelycke kercke de ghemeynschap der heylighe(n)

verghevinghe der sonden

Opstandinghe des vlees

                                                          ende een eewich leven Amen

 

Onder aan het bord staat de tekst :

 

Ioncker Pieter van Roon ende

Duyvelant In syn leve(n) Ruwaert

en Balliu slans van Putte(n) sterf

den 7 Iuli 1599

 

***  

DE GRAFTOMBE VAN NICOLAAS VAN PUTTEN EN ALEYDA VAN STRIJEN



 

De tombe wordt in kunsthistorische handboeken vermeld als zijnde van middelmatige kwaliteit. Tweemaal is het praalgraf uitvoerig beschreven. In 1781 verscheen het vijfde deel van de Werken van de Maetschappij der Nederlandsche letterkunde te Leyde  met daarin een artikel van H. van Wijn "Schetze van het praalgraf van heer Nikolaes, heer van Putten en zijner gemalinne Aleide vrouwe van Strijen".

 

       De graftombe die circa 1320 vermoedelijk op instigatie van Beatrix zal zijn opgericht stond oorspronkelijk vrij, ongetwijfeld midden in het koor, maar werd enige tijd na de hervorming verplaatst naar de nis in het lage uitbouwtje aan de zuidzijde van het koor. Daar is thans van de vier zijden nog slechts één lange zijde zichtbaar.

       Deze is versierd met negen nisjes waarin oorspronkelijk pleurants kunnen hebben gestaan. Men mag aannemen dat ook de achterzijde en de korte zijden nisjes hebben bevat. Bij opvulling met beeldjes moet de gehele tombe 26 pleuranten hebben geteld.  De nisjes, overhuifd door kleine wimbergen met driepasboogjes, worden van elkaar gescheiden door in pinakeltjes uitlopende steunbeertjes. Rechts op de hoek staan twee zwaardere steunbeertjes; links zijn die verdwenen op het moment dat de tombe voor de bestaande, iets te kleine nis passend werd gemaakt. De tombe is dus oorspronkelijk langer geweest. 

        De dekplaat, die destijds aan de rechterzijde werd ingekort, is samengesteld uit twee langwerpige stukken steen, elk met een van de beide graffiguren uit een stuk gehouwen. Los toegevoegd zijn de hoofden en de handen van de figuren en de boven de hoofden aangebrachte baldakijnen. De dekplaat is van Doornikse steen, de zijkant met de nisjes en de los toegevoegde onderdelen zijn van Ledesteen.

      Nicolaas van Putten is uitgebeeld als ridder, gekleed in een halsberg te zien aan de armen waar de rijen maliën lopen van schouder naar pols en met de maliënkap opengeslagen neerhangend op schouders en borst.  Vooral de neerhangende flap op de borst, die, als de kap over het hoofd werd getrokken, de kin bedekte en aan de zijkant van het hoofd werd vastgemaakt, lijkt een nauwkeurige weergave van de werkelijke  kleding. Ook de benen en de voeten zijn bedekt met maliën weergegeven in verticale lijnen.  Apart schoeisel is niet aangegeven, wel zijn er korte sporen te zien.  Over de halsberg draagt de ridder een mouwloze en korte tot de kuiten reikende wapenrok. Zijn vrouw aan zijn linkerzijde draagt een lang gewaad met daaroverheen een iets kortere mantel. De hoofden van de beide figuren onderscheiden zich door steensoort en kleur. De gezichten van Nicolaas en Aleida waren oorspronkelijk in natuurlijke kleuren geverfd. De baldakijns hadden oorspronkelijk een rode kleur.  De dekplaat heeft een geprofileerde rand met een rondom lopende en daardoor thans slechts zeer ten dele zichtbare inscriptie betreffende de echtelieden, hun hoedanigheden en hun sterfdata.

 Aan de zijkant van de tombe bevindt zich het volgende " monnike‑vaers" :  

 Et festum praiens, necis, heu tulit estum.

 

Van Wijn vertaalt in 1781 : "Op den dag welke het feest van Simon en Judas voorafging, de woede van de dood, helaes!, ondergaan heeft".  Deze woorden bevonden zich onder het voetstuk van de ridder en vormen het laatste gedeelte van de nu verdwenen tekst die betrekking had op de man.  De tekst kan worden aangevuld uit het Necrologium van Geervliet. Daar is te lezen dat Nicolaas III, heer van Putten, in 1311 stierf, dat hij de eerste stichter van het kapittel was en dat hij 13 Hollandse ponden jaarlijks ter beschikking stelde van het kapittel te zijner gedachtenis.

 De aanvulling luidt als volgt :

 

Aleydis.morum.speculum.flos mater.honorem [honora?]

 que. fuit.in. populo.nunc.jacet. hoc. tumulo.

 Nobilis.in Putte.Strijene.que

fuit dominatrix

 Christe Fruens ut te rogo sit laudum quoque datrix

 milleno treceno sexto quoque deno

 Christe tuis omnis obbiit Pauli que Johannis.

 

De vertaling van dit Latijnse grafschrift van Aleida luidt bij Van Wijn

 

Aleida die een spiegel en bloem der zeden en een  moeder der eere, onder het menschdom was, ligt nu in het graf. Zij was een edele heerscheresse in Putte en Strijen. Ik bidde, o Christus, dat zij U geniete en loven mogen. Zij stierf in 't jaar 1316 na Uw geboorte, o Christus, op den  dag van Paulus en Johannes.

Gedurende vele jaren is het monument schromelijk verwaarloosd. Bij een inspectie in 1812 spreekt een onderprefect er schande van dat glas, lood en een wan met zaad tussen de beelden worden aangetroffen. De kerkenraad stelt,  dat niemand er wat mee te maken heeft hoe de kerkelijke eigendommen beheerd worden. In die 'Franse jaren' was er een voortdurend touwtrekken om de bezittingen van de kerken. De regering wilde maar al te graag de vaak rijke kerkelijke fondsen naasten. 

In 1961 werd de restauratie ter hand genomen. Doordat de tombe niet uit de nis genomen is ging de kans om ook het grafschrift aan de achterzijde (het grootste deel van dat van Nicolaas III) te bestuderen  verloren. 

***

 

Verder verscheen in 1907 in het Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundige Bond VIII van de hand van A. Mulder "Het praalgraf van Heer Nicolaes van Putten  en van diens gemalin Aleida van Strijen".Het rechtse bevat de initialen C  D  die een kruisanker flankeren. Het is waarschijnlijk het wapen van Cornelis Dirkszoon, schipper te Zuidland. De keuren van Drenkwaard noemen in 1588 een schepen met deze naam.  Dit 'wapen'  bevestigt het vermoeden dat de schenking van de borden een prive aangelegenheid was van gegoede personen en niet uitging van het Geervlietse stadsbestuur. In de stadsrekeningen van de jaren waarin de borden tot stand kwamen (1588‑1599) wordt hiervoor geen uitgave vermeld.  Hoewel de meeste schenkers te eniger tijd een bestuursfunctie in Geervliet vervulden, waren ze in geen enkel jaar gelijktijdig in functie.

 

 

 

4.2. Het Onze Vader bord uit 1599

 

1599 

wapen Geervliet

 

 

 

MAT  6‑9

 

Onse vader die daer sijt in

de heemelen uwen name werde

gheheijlicht u rijcke come

 uwe wille geschiede op der aerden

als in den hemel gheeft ons hu

yden ons daghelix broot en

vergheeft ons onse schulden

ghelijck oock wij vergeven onse

schuldenaren. Ende leijdt ons

niet in versoeckinghe maer

verlost ons vanden quaden

want uwe is dat rijck die cracht

ende die heerlickheyt inder eewich& Amen

 

 

 

IACOBI  I  . V

Zo was het Tien Gebodenbord vaak het eerste ( soms ook het enige) dat werd aangeschaft.  Het werd veelal geplaatst op het koorhek, op de plaats waar zich in de rooms-katholieke tijd het kruisbeeld bevond. De wet verwijst naar Christus, is " leidsman tot Christus " . Zo is het Tien Gebodenbord een zinvolle decoratie van de toegang tot de koorruimte waar het sacrament van het Heilig Avondmaal wordt gevierd. In het avondmaalsformulier hebben ook de Geloofsbelijdenis en het Onze Vader een plaats. Het was dus zinvol dat in de ruimte waarin werd gecommuniceerd de tekst hiervan op  borden stond te lezen. Vaak werd de achterzijde van het Tien Gebodenbord hiervoor gebruikt

 


In 1936 werd de gehele kerk gerestaureerd : de koorvensters werden heropend, alle vensters weer van bakstenen harnassen voorzien, zuilen en pijlers werden opnieuw gepleisterd en  gewelven van schip en transept opnieuw beschoten.  De houten afscheidingen van koor en kapel werden door glaswanden vervangen met daarin enkele teruggevonden gedeelten van het oude koorhek. Een knekelhuisje aan de buitenzijde van de koorsluiting werd gesloopt.

       De toren werd pas in 1961 onder leiding van P.J.W.C. Bolt gerestaureerd;  de 19e eeuwse pleisterlaag werd afgenomen en de aanbouwsels aan weerszijden vrijwel geheel vernieuwd. De spitsboognissen van de tweede torengeleding kregen gotische traceringen naar het voorbeeld van een bewaard gebleven exemplaar.



HET  BÄTZ-WITTE-ORGEL [1874]

IN DE  KERK VAN GEERVLIET

 

DE   ORGELMAKERS    WITTE

Op voettocht op zoek naar werk

In 1824 verlaat de jonge orgelmaker Christian Gottlieb Witte (1802-1873) zijn geboortestreek in Duitsland om via een voettocht door Duitsland en Nederland uiteindelijke Amsterdam te bereiken. Witte had zijn opleiding genoten bij de in Hannover gevestigde “Königlicher Hoforgelbauer” Christian Baethmann (1785-1833). Gebrek aan werk bij Baethmann  doet hem besluiten zich breder te oriënteren. Op het Duitse gedeelte van zijn trektocht komt hij in contact met verscheidene vakgenoten. Niemand kan hem echter aan werk helpen. In Nederland treft hem aanvankelijk hetzelfde lot : orgelmakers zoals de in Utrecht werkzame A. Meere en J. Bätz, zijn welwillend, het werk is interessant, maar er zijn geen vacatures. Witte besluit naar Duitsland terug te keren, maar één dag voor zijn voorgenomen vertrek neemt de Amsterdammer P.J. Teves hem in dienst. Dit dienstverband zou de opmaat worden voor een permanent verblijf in Nederland.

Het ontstaan van de firma Bätz & Co

In 1826 blijkt Witte in dienst te zijn bij de gebroeders Bätz. Janathan en Johan Martin Willem Bätz leiden dan het in 1739 door Johann Heinrich Hartmann Bätz gestichte orgelmakershuis dat zich in Nederland een uitstekende reputatie had verworven. Midden jaren twintig voerden de gebroeders Bätz besprekingen in Amsterdam en Utrecht over de bouw van drie-klaviers-instrumenten in de Nieuwe (Ronde) Lutherse kerk en de Domkerk. De positieve rol die Witte speelde bij de bouw van met name het  orgel in de Ronde Lutherse Kerk zal voor Jonathan Bätz aanleiding zijn geweest, Witte te vragen zich met hem te associëren. Na enige bedenktijd reageert Witte positief op dit verzoek; in 1833 komt de firma J. Bätz & Co tot stand.

Het werk van vader en zoon Witte

Na het overlijden van Jonathan Bätz in 1849 zet Witte de ‘orgelmakersaffaire’ voort onder dezelfde firmanaam. In 1869 neemt hij zijn oudste zoon als firmant op. De door zijn vader opgeleide Johann Frederik Witte (1840-1902) continueert op zijn beurt de tradities van het huis Bätz/Witte.In de jaren 1850-1902 hebben Christian en Johann Witte ruim tachtig orgels gebouwd, in grootte variërend van vijf tot vijfentwintig registers. Vele orgels werden door hen gerenoveerd, waaronder de kapitale instrumenten in de Oude en Nieuwe Kerk te Amsterdam, de Grote Kerk in Dordrecht, de St. Janskerk te Gouda en de St. Bavokerk te Haarlem. Niet alleen door de kwantiteit, maar ook door de kwaliteit moeten de ‘orgelmakers van Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden’ worden beschouwd als de meest toonaangevende van hun tijd in de protestantse sector.

Het primaire doel waarvoor vader en zoon Witte hun instrumenten vervaardigden was de begeleiding van de gemeentezang. Met de gemeentezang was het in het midden van de negentiende eeuw droevig gesteld. Het orgel werd beschouwd als het geschikte middel om daarin verbetering te brengen. De orgelmakers Witte streefden daarbij naar een klank zie zowel kracht en waardigheid als liefelijkheid uitstraalde. Bovendien moesten er voldoende mogelijkheden tot afwisseling zijn.

Qua mensurering van het pijpwerk sloot men aan bij het werk van de derde generatie Bätz. De ‘windweg’  dwz. de windvoorziening, windkanalen en windladen, werd door de verandering in speelwijze anders geconstrueerd. Volgrepig spel en gebruik van koppelingen maakten ‘overvloedigen’ en stabiele wind noodzakelijk. De orgelmakers Witte gingen daarbij uit van de theoretische verhandelingen en empirische gegevens van de Duitse componist en orgeldeskundige Johann Gottlob Töpfer. Zo ontstond een klankbeeld dat enerzijds aansloot bij een Nederlandse traditie en anderzijds wetenschappelijke wortels had in Duitsland. Dit klankbeeld wordt ook heden ten dage nog als monumentaal ervaren. In de jaren vijftig, maar met name in de jaren tachtig van de negentiende eeuw gingen de orgelmakers Witte van nieuwe, in het buitenland ontwikkelde elementen gebruik maken : magazijnbalg, zwelkas, treden voor het in- en uitschakelen van sterke stemmen, vrijstaande speeltafel etc. Ook deze elementen stonden primair ten dienste van het kerkelijk gebruik van het orgel. Daarnaast werd er incidenteel op Witte-orgels geconcerteerd, waarbij de nieuwe verworvenheden eveneens hun diensten bewezen.

Bovenstaande gegevens zijn ontleend aan : dr. T. den Toom De orgelmakers Witte, Heerenveen 1997 ISBN 9050307671 (twee delen

Voorgeschiedenis

 

Op 21 november 1985 vond in de kerk van Geervliet de ingebruikneming plaats van een orgel van de gebroeders Witte dat oorspronkelijk voor de Geertekerk te Utrecht was gebouwd. Volgens het op 10 maart 1873 getekende contract waren de kosten fl. 4800, exclusief   kast, blaasbalgkamer en tribunes. Op 14 mei 1874 werd het orgel in de Geertekerk in gebruik genomen. Richard Hol bespeelde toen het instrument. Het jaarlijkse onderhoud werd eveneens door Witte uitgevoerd voor een bedrag van fl. 50,00. Na opheffing van de firma Bätz ging het onderhoud over op fa. J. de Koff die in 1904 herstelwerkzaamheden uitvoerde.

 

In 1931 werd het orgel zonder noemenswaardige wijzigingen overgebracht naar de nieuw gebouwde Hervormde Julianakerk te Utrecht. Het werd daar opgesteld in een orgelkamer boven de kansel, aan de kerkzijde gecamoufleerd met een open front van loze pijpen. Hierachter bevond zich het complete instrument, inclusief het front. Na sluiting van de Julianakerk werd het orgel door Flentrop Orgelbouw gedemonteerd en vervolgens overgebracht naar de werkplaats in Assendelft.

 

Overplaatsing naar Geervliet

 

Het orgel werd daarop aangekocht door de Kerkvoogdij van de Hervormde Gemeente te Geervliet. Deze zocht naar een passend historisch instrument ter  vervanging van een één-klaviers pneumatisch orgel van Maarschalkerweerd. Het Witte-orgel bleek voortreffelijk te passen, zij het dat een geheel nieuw orgelbalkon moest worden gebouwd. De herbouw van het orgel werd opgedragen aan Orgelbouw Leeflang te Apeldoorn. Adviseur bij dit proces was A.J. Keijzer.  In 2010/2011 is het orgel door Orgelmakerij Reil b.v. te Heerde gerestaureerd. Daarbij werd o.a. de tractuur verbeterd, de windvoorziening geoptimaliseerd en een gedeelte van de pijpen ontdaan van aangetaste voetjes. Tevens is het gehele pijpwerk door Jan Koelewijn opnieuw geïntoneerd.  Op zondag 13 maart 2011 is het orgel  in gebruik genomen met een orgelconcert dat werd verzorgd door adviseur Aart Bergwerff.

 

Kas en windvoorziening

 

De kas van grenen en vurenhout is in het kader van de herbouw in licht-crème geschilderd, terwijl de biezen donker zijn gehouden. De ornamenten zijn verguld. Er zijn 24 frontpijpen, geplaatst volgens het schema 7 – 5 – 5 – 7. Aan de zuidkant van het balkon is de windvoorziening opgesteld, bestaande uit een originele magazijnbalg met daaronder twee schepbalgen, te bedienen door middel van een balans-trapinstallatie. Ook is een windzicht aanwezig.

 

Klankbeeld

        

          Wat het klankbeeld betreft valt op, dat er in de klankopbouw maar weinig echte prestant-klank te vinden is, nl. in de beide prestanten 8 voet op onder- en bovenmanuaal, de Octaaf 4 voet en in de bas van de Quint 3 voet. De rondheid van toon, het visitekaartje van deze orgelbouwer vanaf eind jaren vijftig van de 19e eeuw, is optimaal.  We horen een mooi dragende en duidelijk klank, ideaal voor de begeleiding van de gemeentezang. Al met al kan dit klankbeeld uniek worden genoemd : het heeft geen enkele band meer met de klassieke plenumklank met zilverachtig-snijdende Quinten, 2-voeten en mixturen. Op dit punt verschilt de modernist Witte enorm van de traditionalist Van Dam.

 

De dispositie van het orgel luidt :

 

hoofdmanuaal :

prestant 8 v, bourdon 16 v, cornet discant, roerfluit 8 v, octaaf 4 v, quint 3 v, octaaf 2 v, mixtuur, trompet bas en discant

bovenwerk :          

prestant 8 v, viola 8 v, holfluit 8 v, salicet 4 v, gemshoorn 2 v, fluit 4 v,dulciaan 8 v

pedaal :

bourdon 16 v

 

http://www.resantiquae.nl    

 

ENKELE GEGEVENS BETREFFENDE HET VOORMALIGE MAARSCHALKERWEERD-ORGEL

 

        In december  1901 stelde Hendrik Marius Preuijt, zoon van burgemeester Jan Dirk Preuijt, Kerkvoogden en Notabelen in kennis van zijn plan een bedrag van fl. 2500, - te schenken voor de aanschaf van een orgel en nog eens fl. 1000, - waarvan de rente moest worden gebruikt voor onderhoud van het instrument en betaling van de organist. Volgens de notulen werd zijn voornemen met langdurig en stormachtig applaus begroet. Adam Barendregt en Jacob Trouw vormden met dominee Jan de Zeeuw een commissie die aan het plan uitvoering moest geven. Van hun werkzaamheden zijn weinig aantekeningen gemaakt. Na ruim  een maand vertoont men de vergadering een tekening van het front en deelt mede dat de bouw is gegund aan de heer [Maarschalkerweerd] te Utrecht. In de notulen is wonderlijk genoeg de naam niet ingevuld. In mei 1902 wordt de procedure gestart om een organist aan te stellen. Maar eerst wordt Isaak de Jong aangesteld als orgeltrapper, tegen een jaarwedde van fl. 15 00. In oktober 1902 is het orgel klaar. Uit de kandidaat-organisten wordt uiteindelijk P. de Bak uit Nieuw-Helvoet gekozen. Volgens de ‘instructie voor den organist’ moet de organist op zondagen en zoveel vaker als men hem nodig heeft behoorlijk gekleed aanwezig zijn. Alleen met toestemming van de kerkvoogdij mag hij zich – op eigen kosten – laten vervangen. Iedere nalatigheid leidt tot een korting van fl 2,50 op zijn jaarwedde van fl. 75,00. In 1904 waagt De Bak het een geringe verhoging van zijn beloning te vragen met als reden '‘dat in verhouding toch met andere organisten zelfs met minder drukke diensten zijn salaris werkelijk niet hoog te noemen is’. Ondanks een negatieve reactie blijft hij tot 1921 in dienst.

 

        In de vergadering van 16 oktober 1902 werd het instrument officieel aan de kerkvoogdij aangeboden. Er is weinig archiefmateriaal over rond de aanschaf van dit Maarschalkerweerd-orgel : de ontwerptekeningen voor het benodigde console zijn er nog. Verder is er een offerte van Maarschalkerweerd uit 1914. Hij verwacht zoveel onderhoud te moeten verrichten dat het totale bedrag op fl. 60,00 komt.

 

        Het orgel was éénmanualig en geheel pneumatisch, voor die tijd een nieuwigheid.

 

        Uiteindelijk bleken technische problemen , met name die wat de windvoorziening betreft, niet via een restauratie te kunnen worden opgelost. Het orgel werd gedemonteerd, lag nog geruimte tijd in het koor van de kerk en werd toen afgevoerd.

 

HET HUIDIGE BAETZ-WITTE-ORGEL [1874]

 

        Op 21 november 1985 vond in de kerk van Geervliet de ingebruikneming plaats van een orgel van Witte dat oorspronkelijk voor de Geertekerk te Utrecht was gebouwd. Volgens het op 10 maart 1873 getekende contract waren de kosten fl. 4800, exclusief kast, blaasbalgkamer en tribunes. Op 14 mei 1874 werd het orgel in de Geertekerk in gebruik genomen. Richard Hol bespeelde toen het instrument. Het jaarlijkse onderhoud werd eveneens door Witte uitgevoerd voor een bedrag van fl. 50,00. Na opheffing van de firma Baetz ging het onderhoud over op fa. J. de Koff die in 1904 herstelwerkzaamheden uitvoerde. In 1931 werd het orgel zonder noemenswaardige wijzigingen overgebracht naar de nieuw gebouwde Hervormde Julianakerk te Utrecht. Het werd daar opgesteld in een orgelkamer boven de kansel, aan de kerkzijde gecamoufleerd met een open front van loze pijpen. Hierachter bevond zich het complete instrument, inclusief het front. Na sluiting van de Julianakerk werd het orgel door Flentrop Orgelbouw gedemonteerd en vervolgens overgebracht naar de werkplaats in Assendelft.

 

        Het orgel werd daarop aangekocht door de Kerkvoogdij van de Hervormde Gemeente te Geervliet. Deze zocht naar een passend historisch instrument ter  vervanging van een éénklaviers pneumatisch werk van Maarschalkerweerd. Het Witte-orgel bleek voortreffelijk te passen, zij het dat een geheel nieuw orgelbalkon moest worden gebouwd. De herbouw van het orgel werd opgedragen aan Orgelbouw Leeflang te Apeldoorn. In het kader van deze herbouw werd niet gerestaureerd. Adviseur was Arie J. Keijzer die het orgel bij de ingebruikneming ook bespeelde met werken van Clérambault, Mendelssohn en een improvisatie terwijl de vaste organisten Arij Huijser en Arjen Noordzij de Phantasie in d-moll van Adolph Hesse lieten horen.

 

        De kas van grenen en vurenhout is in het kader van de herbouw in licht-crème geschilderd, terwijl de biezen donker zijn gehouden. De ornamenten zijn verguld. Er zijn 24 frontpijpen, geplaatst volgens het schema 7 – 5 – 5 – 7. Aan de zuidkant van het balkon is de windvoorziening opgesteld, bestaande uit een originele magazijnbalg met daaronder twee schepbalgen, te bedienen door middel van een balans-trapinstallatie. Ook is een windzicht aanwezig.

        Wat het klankbeeld betreft valt op dat er in de klankopbouw maar weinig echte prestant-klank te vinden is, nl. in de beide prestanten 8 voet op onder- en bovenmanuaal, de Octaaf 4 voet en in de bas van de Quint 3 voet. De rondheid van toon, het visitekaartje van deze orgelbouwer vanaf eind jaren vijftig van de 19e eeuw, is optimaal.  We horen een mooi dragende en duidelijke klank, ideaal voor de begeleiding van de gemeentezang. Al met al kan dit klankbeeld uniek worden genoemd : het heeft geen enkele band meer met de klassieke plenumklank met zilverachtig-snijdende Quinten, 2-voeten en mixturen. Op dit punt verschilt de modernist Witte enorm van de traditionalist Van Dam.

 

        De dispositie van het orgel luidt :

 

hoofdmanuaal : prestant 8 v, bourdon 16 v, cornet discant, roerfluit 8 v, octaaf 4 v, quint 3 v, octaaf 2 v, mixtuur, trompet bas en discant;

 

bovenwerk : prestant 8 v, viola 8 v, holfluit 8 v, salicet 4 v, gemshoorn 2 v, fluit 4 v,dulciaan 8 v;

 

pedaal : bourdon 16 v.

 

Enige aanvullingen op F. van Hoorn :  Orgels in de kerk van Geervliet

 

De ontwikkeling van het orgel tijdens de middeleeuwen

 

        Het vroeg-middeleeuwse orgel heeft zich gaandeweg ontwikkeld van een  onhandig plomp instrument tot een vernuftig stuk technologie.

 

Bedroeg aanvankelijk de omvang van het toetsenbord niet meer dan twee octaven, na 1300  is het vermoedelijk tot de volle drie octaven aangevuld. De tonen volgden elkaar zuiver diatonisch op, dat wil zeggen zonder chromatische tussennoten, uitgezonderd de bes. Omdat er nog geen witte en zwarte toetsen werden vervaardigd, duidden letters van het alfabet  de toetsen aan, waarbij de C, de laagste noot op het klavier, met de hoofdletter A werd aangegeven. Aanvankelijk werden de toetsen naar buiten getrokken waardoor het verlengde van de toets een opening in de orgelkast deed ontstaan, waardoor de wind toegang kreeg tot de pijpen. Dit in- en uitschuiven van deze registerachtige handgrepen maakte een muzikale behandeling van het orgel feitelijk onmogelijk. Wanneer de organist een eenvoudige tonenreeks wilde spelen had dat al heel wat voeten in de aarde. Meer dan twee toetsen tegelijk gebruiken, was onmogelijk. Vanaf ca 1180 werden toetsen niet meer als registers uitgetrokken, maar eerst neergedrukt en daarna vanzelf weer gesloten. Overigens waren ook deze toetsen zo moeilijk te hanteren dat ze met de elleboog of de vuist naar beneden moesten worden geslagen, vandaar de uitdrukking  organum pulsare [het orgel slaan]. In de 14e eeuw wordt tevens het pedaal ontwikkeld.

 

        Een begeleiding van het gezang hield slechts in het meespelen van de langzame  cantus planus van het Gregoriaans. Het instrument zweeg bij cadensachtige  jubili  en snellere gezangen. Als alternatief kon bij wijze van orgelpunt een lage toon aangehouden worden waarboven zich de melodie afspeelde Het gebruik van deze lage  bourdons was al in de oudheid erg geliefd. In de latere middeleeuwen ontstonden de dubbelbourdons . Aan beide zijden van het orgel werden de twee grootste pijpen opgesteld. Boven de toetsen van de laagste tonen waren verschuifbare houtjes  aangebracht, waarmee deze zolang als men wilde konden worden ingedrukt.

 

        Het orgel diende niet op de eerste plaats om de zang te begeleiden. Eerder was het zo, dat het instrument werd gebruikt om voor en  na de dienst de feestelijkheid ervan te vergroten, een functie die ook de kerkklokken hadden. Overigens bleef het gebruik beperkt tot hoge feestdagen.

 

Keer op keer werd tijdens de middeleeuwen getracht het orgel vanwege zijn onvolmaaktheid definitief uit de kerk te verwijderen. Met name het lawaai dat de blaasbalgen veroorzaakten was velen een doorn in het oog. In sommige gevallen werden de balgen dan ook buiten het kerkgebouw opgesteld.

Pas na 1400 kreeg het orgel een plaats tussen de overige begeleidingsinstrumenten.

 

        Lange tijd vond het orgel een plaats naast of boven het altaar. Dit was met name in kapittelkerken het geval. Later ontstond de traditie het orgel achter in de kerk op het zangkoor te plaatsen.

 

 

 

 

HET HUIDIGE BAETZ-WITTE-ORGEL [1874]

 

        Op 21 november 1985 vond in de kerk van Geervliet de ingebruikneming plaats van een orgel van Witte dat oorspronkelijk voor de Geertekerk te Utrecht was gebouwd. Volgens het op 10 maart 1873 getekende contract waren de kosten fl. 4800, exclusief   kast, blaasbalgkamer en tribunes. Op 14 mei 1874 werd het orgel in de Geertekerk in gebruik genomen. Richard Hol bespeelde toen het instrument. Het jaarlijkse onderhoud werd eveneens door Witte uitgevoerd voor een bedrag van fl. 50,00. Na opheffing van de firma Bätz ging het onderhoud over op fa. J. de Koff die in 1904 herstelwerkzaamheden uitvoerde. In 1931 werd het orgel zonder noemenswaardige wijzigingen overgebracht naar de nieuw gebouwde Hervormde Julianakerk te Utrecht. Het werd daar opgesteld in een orgelkamer boven de kansel, aan de kerkzijde gecamoufleerd met een open front van loze pijpen. Hierachter bevond zich het complete instrument, inclusief het front. Na sluiting van de Julianakerk werd het orgel door Flentrop Orgelbouw gedemonteerd en vervolgens overgebracht naar de werkplaats in Assendelft.

 

        Het orgel werd daarop aangekocht door de Kerkvoogdij van de Hervormde Gemeente te Geervliet. Deze zocht naar een passend historisch instrument ter  vervanging van een éénklaviers pneumatisch werk van Maarschalkerweerd. Het Witte-orgel bleek voortreffelijk te passen, zij het dat een geheel nieuw orgelbalkon moest worden gebouwd. De herbouw van het orgel werd opgedragen aan Orgelbouw Leeflang te Apeldoorn. In het kader van deze herbouw werd niet gerestaureerd. Adviseur was Arie J. Keijzer die het orgel bij de ingebruikneming ook bespeelde met werken van Clérambault, Mendelssohn en een improvisatie terwijl de vaste organisten Arij Huijser en Arjen Noordzij de Phantasie in d-moll van Adolph Hesse lieten horen.

 

        De kas van grenen en vurenhout is in het kader van de herbouw in licht-crème geschilderd, terwijl de biezen donker zijn gehouden. De ornamenten zijn verguld. Er zijn 24 frontpijpen, geplaatst volgens het schema 7 – 5 – 5 – 7. Aan de zuidkant van het balkon is de windvoorziening opgesteld, bestaande uit een originele magazijnbalg met daaronder twee schepbalgen, te bedienen door middel van een balans-trapinstallatie. Ook is een windzicht aanwezig.

        Wat het klankbeeld betreft valt op dat er in de klankopbouw maar weinig echte prestant-klank te vinden is, nl. in de beide prestanten 8 voet op onder- en bovenmanuaal, de Octaaf 4 voet en in de bas van de Quint 3 voet. De rondheid van toon, het visitekaartje van deze orgelbouwer vanaf eind jaren vijftig van de 19e eeuw, is optimaal.  We horen een mooi dragende en duidelijk klank, ideaal voor de begeleiding van de gemeentezang. Al met al kan dit klankbeeld uniek worden genoemd : het heeft geen enkele band meer met de klassieke plenumklank met zilverachtig-snijdende Quinten, 2-voeten en mixturen. Op dit punt verschilt de modernist Witte enorm van de traditionalist Van Dam.

 

De dispositie van het orgel luidt :

 

hoofdmanuaal : prestant 8 v, bourdon 16 v, cornet discant, roerfluit 8 v, octaaf 4 v, quint 3 v, octaaf 2 v, mixtuur, trompet bas en discant;

bovenwerk : prestant 8 v, viola 8 v, holfluit 8 v, salicet 4 v, gemshoorn 2 v, fluit 4 v,dulciaan 8 v;

pedaal : bourdon 16 v.

 

 

Bij de 125-jarige verjaardag van het orgel

 

 

Ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van het Bätz-Witte-orgel heeft de Geervlietse Muziekmiddag in 1999 maandelijks in het teken gestaan van orgelgeschiedenis en orgelmuziek. Deze activiteiten mondden uit in een Geervlietse orgelmaand in november met daarin tien orgelbespelingen en een concours voor amateurorganisten uit de regio Voorne-Putten-Rozenburg. Dit concours werd gesponsord door de Stichting Bernisseland. Uitgangspunt was laagdrempeligheid. De jury, bestaande uit Arjen Noordzij, vaste organist van de kerk, Lyda van Baak en Jan Pieter Baan, lette eerder op het muzikale dan op het technische niveau. Met name de door de deelnemers gebruikte registratie kreeg bijzondere aandacht. Elke deelnemer speelde een koraalbewerking en daarnaast een vrij stuk orgelliteratuur, beide naar eigen keuze. Als bijlage is het programma van het concours toegevoegd. Onder grote publieke belangstelling gaven de deelnemers van hun niet geringe gaven blijk. Uiteindelijk stelde de jury unaniem de drie prijzen ter beschikking aan Wiert van den Bos uit Oostvoorne  voor zijn mooie Buxtehude-vertolking, Peter de Rijke uit Spijkenisse, vurig pleitbezorger van het werk van zijn leraar L. Bergwerff  en tenslotte Jan Willem Baggerman, eveneens uit Spijkenisse, die een fraaie Telemann neerzette. Arjen Noordzij opende met de vijfde Franse Suite van Bach, een clavecymbelwerk dat het ook op orgel uitstekend doet. De luisteraars kregen met dit werk al een goede indruk wat qua registercombinaties  op het Geervlietse orgel mogelijk is. Jan Pieter Baan sloot af met twee anonieme Spaanse composities uit de 17e en 18e eeuw. Voor zeer uiteenlopende muzikale stijlen bleek het Geervlietse orgel een voortreffelijk medium te zijn. Felix van Hoorn gaf tussen de bedrijven door een doorwrocht exposé over de orgelgeschiedenis van Geervliet.

 

 

          

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geervlietse Muziekmiddag

zondag 14 november 14.00-17.00 uur  :

125 jaar Bätz-Witte-orgel

amateurorganistenconcours

*gesubsidieerd door de Stichting Bernisseland*

PROGRAMMA

 

- Woord van welkom door Jan Pieter Baan

- Muzikale opening  door Arjen Noordzij:

 

-Jan Willem Baggerman, Spijkenisse :

G.Ph. Telemann : Nun freut euch, lieben Christen g'mein [zwei Variationen]

Th. Dubois : Offertoire

- Wim Ambachtsheer, Spijkenisse :

 

P. van Egmond : "Ere zij aan God de Vader",

koraal 'Ere zij aan God de Vader'   Johannes de Heer nr 21

A.  Moortgat : "Avondstilte in de kerk"

 

 

Felix van Hoorn :  "Deze kerk en de oudste muziekbeoefening daarin"

 

- Wiert van den Bos, Oostvoorne:

 

-W. van Twillert : Psalm 49, koraal en trio

- D. Buxtehude : Praeludium en Fuga in D

 

                        Pauze : koffie , thee en cake

 

Felix van Hoorn :  "Het vorige orgel van Maarschalkerweerd"

 

- Peter de Rijke, Spijkenisse :

L.J.Bergwerff : Thema, vijf variaties en koraal over Lied 326 :

"Een rijke schat van wijsheid"

L.J.Bergwerff : Psalm 25 [Lied 379 : 'O mijn ziele looft den Heere']

 

- Adrie van der Padt, Spijkenisse :

J.S. Bach : Jesu meine Freude

L.J.A. Lefébure-Wely  :  Recit de hautbois nr. 3,

uit : Meditaciones Religiosas

 

Felix van Hoorn : "Het huidige orgel van Bätz-Witte"

 

- Ron van Halen, Oostvoorne :

J.S. Bach : Wachet auf, ruft uns die Stimme, BWV 645

J.S. Bach :  Christ lag in Todesbanden, BWV 625

G. F. Handel : Symphonia : The Arrival of the Queen of Sheba

 

-      Muzikale afsluiting  door Jan Pieter Baan, Geervliet

-       

                Juryberaad, wijn, frisdrank  en hartige hapjes

                Uitslag en afsluiting