***











 

www.resantiquae.nl

grieks



 IN NIEUWE VERTALING EEN MOPPENBOEKJE UIT DE LATE OUDHEID: 

PHILOGELOOS    LACHEBEK

UIT DE PAPIEREN VAN HIEROKLES EN DE GRAMMATICUS PHILAGRIOS

VERMOEDELIJKE TIJD VAN ONTSTAAN : VIERDE EEUW NA CHRISTUS

In de verhaaltjes die volgen speelt de ‘scholastikos’ de hoofdrol . Daarbij moeten we denken aan iemand die ofwel onderwijs geeft, de leraar, ofwel  onderwijs volgt, de student. Om persoonlijke redenen kies ik voor de invulling met ‘leraar’. Hoewel je bij zo iemand een  redelijk IQ mag verwachten, blijkt in de mopjes hieronder juist een  ongelooflijke stomheid zijn meest karakteristieke eigenschap te zijn. In de uitgave die ik voor me heb (Philogelos, der Lachfreund, herausgegeben von Andreas Thierfelder, Heimeran Verlag München 1968) staan 265 verhaaltjes.  Ik maak een keuze.

 

1.      Een leraar gaf een zilversmid de opdracht een lamp te vervaardigen. De smid vroeg, hoe groot die moest zijn. De leraar antwoordde : “Ongeveer voor acht personen”.

 

2.      Komt iemand bij de dokter (die tussen haakjes ook leraar is) en zegt : “Dokter, wanneer ik uit bed op sta, ben ik altijd een half uur duizelig. Pas daarna voel ik me beter”. Antwoordt de arts : “Sta dan een half uur later op!”.

 

3.      Een leraar wilde een paard verkopen. Iemand vroeg hem of het dier zijn eerste ‘worp’  (van zijn gebit) al achter de rug had. De leraar antwoordde : “Ja, en de tweede ook, omdat hij eerst mij heeft afgeworpen en daarna ook mijn vader”.

 

4.      Iemand kwam een leraar tegen en zei : “Heer leraar! Ik heb u in mijn droom gezien en begroet”. Deze antwoordde : “ Excuus! Ik heb het – bij de goden – niet gemerkt omdat ik druk was”.

 

5.      Een leraar kwam zijn huisarts tegen en verstopte zich achter een muur. Toen men hem naar de reden vroeg, antwoordde hij : “Ik ben een hele tijd niet ziek geweest en schaam me voor hem”.

 

6.      Een leraar die aan zijn huigje was geopereerd, kreeg van de arts het verbod om te praten. Daarom droeg hij zijn bediende op de begroetingen van de mensen te beantwoorden.  Maar zelf voegde hij er telkens aan toe : “ Mensen, beschouw het niet als arrogantie, dat mijn dienaar u groet en niet ik. De dokter heeft me namelijk het spreken verboden”.

 

7.      Een leraar wilde een ezel leren, niet te eten. Daarom gaf hij hem niet meer te eten. Toen de ezel van de honger was gestorven, zei de leraar : “Wat jammer nou! Net nu hij geleerd heeft niet te eten, is hij doodgegaan!”.

 

8.      Een leraar die wilde zien of het slapen hem goed stond, keek met zijn ogen dicht in de spiegel.

 

9.      Toen een leraar op reis wilde gaan, zei zijn vriend tegen hem : “ Doe me een plezier en koop twee jonge slaven, elk van vijftien jaar”. Hij antwoordde : “Wanneer ik die niet kan vinden, zal ik er wel één van dertig jaar kopen”.

 

10. Twee leraren die als zoons liefdeloos en brutaal waren, beklaagden zich er bij elkaar over, dat hun vaders nog in leven waren. Toen de ene zei : “ Zal dan ieder van ons zijn eigen vader  wurgen?” , antwoordde de andere : ”Dat zij verre van ons, want dan wordt het etiket ‘vadermoordenaar’ op ons geplakt. Als je wilt moet jij de mijne en ik de jouwe ombrengen”.

 

11.Een leraar had een  huis gekocht, leunde uit het raam en vroeg aan de voorbijgangers of het hem goed stond.

 

12.Een leraar was dagenlang op zoek naar een bepaald boek, maar kon het niet vinden. Toen hij eens toevallig sla aan het eten was, draaide hij zich om en zag het boek in een hoek liggen. Later kwam hij een vriend tegen die erover jammerde dat hij al zijn kleren was kwijtgeraakt . “Schiet niet in de stress”, zei hij tegen hem, “ Koop wat sla, eet en kijk in de hoek. Dan zul je alles vinden”.

 

13. Aan een leraar die op reis was in Griekenland,schreef een vriend of hij hem boeken wilde bezorgen. De leraar vergat dat en toen hij bij terugkeer zijn vriend tegenkwam zei hij : “De brief, die je me over de boeken hebt geschreven, heb ik niet ontvangen”.

 

14.Iemand kwam een leraar tegen en zei “De slaaf die je me hebt verkocht is overleden”. “Bij de goden!”, antwoordde hij, “zolang hij bij míj was, heeft hij dat nooit gedaan!”.

 

15.Twee leraren brachten elkaar na een avondfeestje wederzijds naar huis en kwamen zo niet aan slapen toe.

 

16.Een leraar wilde slapen, maar had  geen hoofdkussen. Hij vroeg zijn bediende hem een aardewerken kruik te bezorgen. Toen de dienaar zei, dat de kruik te hard zou zijn, verzocht hij hem, deze op te vullen met veren.

 

17.Een leraar kwam een kennis tegen en zei : “Ik heb gehoord, dat je overleden bent”.  De ander zei : “Maar je ziet toch, dat ik nog leef?” Zei de leraar : “Maar degene die het me heeft gezegd, was veel geloofwaardiger dan jij”.

 

18.Tijdens een zeereis kwam een leraar in een enorme storm terecht. Toen al zijn slaven jammerden, zei hij : “Geen paniek! Ik laat jullie namelijk allemaal in mijn testament vrij!”.

 

19.Een leraar zocht naar een goede plek om te worden begraven. Toen de mensen zeiden “Die plek daar is geschikt”, antwoordde hij :”Nee hoor, daar is het me te ongezond”.

 

20.Van twee tweelingbroers stierf er één. Toen een leraar de overlevende tegenkwam, zei hij : “Ben jij nou gestorven, of je broer?”

 

21.Een leraar die een rivier wilde oversteken reed  de veerboot op en bleef op zijn paard zitten. Toen men hem vroeg, waarom hij niet afstapte,  antwoordde hij : “Ik heb haast!”

 

22. Een leraar die voor een maaltijd was uitgenodigd, at niet mee. Toen één van de gasten hem vroeg : ”Waarom eet je niet?”, antwoordde hij : “ Om niet de schijn te wekken, dat ik alleen voor het eten ben gekomen”.

 

23. De zoon van een leraar speelde met een bal. Toen de bal in het water was gevallen, boog hij zich voorover, zag zijn eigen spiegelbeeld en vroeg de bal terug. Daarop klaagde hij bij zijn vader, dat hij de bal niet had teruggekregen. Ook de vader boog zich voorover, zag zijn eigen spiegelbeeld en zei “Meneer, geef de jongen onmiddellijk zijn bal terug!”.

 

24.Een leraar ging op bezoek bij zijn zieke vriend en vroeg, hoe het met hem ging. Toen hij geen antwoord kreeg, zei hij bij het weggaan: “Hopelijk word ik ook gauw ziek. Als jij bij mij komt, zal ik jou ook niet antwoorden”.

 

25.Een leraar, wiens oude vader ernstig ziek was, vroeg zijn vrienden hem kransen te brengen voor de begrafenis. De volgende dag ging het beter met zijn vader. Toen de vrienden problemen maakten, zei hij :  “Voor mij is het ook pijnlijk, dat jullie schade lijden. Breng de kransen morgen maar. Ik breng hem dan in elk geval naar het kerkhof, hoe hij er ook aan toe is”.

 

26.Een leraar had zijn zoontje verloren. Toen hij zag dat er bij de begrafenis vanwege zijn hoge status veel belangstellenden gekomen waren, zei hij : Ik vind het pijnlijk, dat zo’n grote menigte voor zo’n klein kindje is gekomen”.

 

27. Een leraar die zijn huis wilde verkopen droeg een steen daarvan als monster mee.

 

28. Tegen een student hadden enkele mensen  gezegd : “Je baard komt al”. Gauw ging hij naar de deur om hem op te wachten. Een andere student vroeg naar de reden en zei : “Terecht houdt men ons voor stom. Want hoe weet je of hij niet door de andere deur komt?”

 

29.Een leraar zag op zijn landgoed een bron en vroeg, of het water goed was. Toen de boeren antwoordden : “ Het water is prima, want jouw eigen ouders hebben uit deze bron gedronken”, zei hij : “Wat voor lange halzen moeten ze dan niet hebben gehad, dat ze uit zo’n diepe bron hebben kunnen drinken!”

 

30.Een leraar was in een diepe greppel gevallen en riep voortdurend om hulp. Toen  hij geen antwoord kreeg, zei hij : “ Ik ben dom, als ik er niet uit kom en ze allemaal een pak ransel geeft, zodat ze hierheen komen en een ladder brengen”.

 

31.Een student schreef zijn vader uit Athene en gaf hoog op van zijn studie-rendement. Hij voegde eraan toe : “Ik hoop maar, dat jij, wanneer ik thuis kom, onder verdenking van moord of doodslag staat. Dan kan ik mijn deskundigheid als advocaat bewijzen”.

 

32.Een humoristische student verkocht al zijn boeken, omdat hij geen geld had. In een brief aan zijn vader schreef hij : “Je kunt me feliciteren, vader, want mijn boeken onderhouden me al!”

 

33.Een leraar, een kaalkop en een kapper waren met elkaar op reis. Ze moesten op een eenzame plek overnachten en spraken af, dat ieder van hen afwisselend vier uur zou waken. De kapper die de eerste wacht kreeg toebedeeld, wilde een grap uithalen en schoor de leraar in zijn slaap kaal. Toen de uren om waren, wekte hij hem. De leraar krabde zich bij het wakker worden op zijn hoofd, merkte, dat hij kaal was, en zei : “Verdraaid nog aan toe, nu heeft die gemene kerel van een kapper zich vergist en in plaats van mij de kaalkop wakker gemaakt!”

 

34.Een leraar bij het basisonderwijs keek plotseling in de hoek en zei : “Verdorie, Dionysios in de hoek weet zich weer eens niet te gedragen”.  Toen een leerling zei, dat Dionysios er nog helemaal niet was, zei hij : “Wanneer hij komt”.

 

35.Bij het jubileumsfeest dat elke duizend jaar in Rome wordt gevierd, zag een leraar een deelnemer huilen, omdat hij verloren had. Hij troostte hem met de woorden : “Maak er nou niet zo’n drama van!  Bij het volgende jubileum win jij!”.

 

36.Een leraar was assistent bij een rechter die aan het rechter oog blind was. Toen deze met hem een wijnberg op ging en de wijnstokken aan de linker kant prees, zei de leraar : “Op de terugweg zal ook de andere kant je bevallen”.

 

37.Een leraar had zich een broek aangeschaft. Omdat die te nauw was en hij zich er maar met moeite in kon wurmen, liet hij zijn benen harsen.

 

38.De zoon van een leraar moest ten strijde trekken en werd door zijn vader begeleid. De zoon beloofde terug te komen met het hoofd  van een vijand. Daarop zei zijn vader : “Ook wanneer je zonder hoofd terugkomt, zal ik blij zijn”.

 

39.Een leraar zag op een rivier een schuit vol graan die door de lading diep werd neergedrukt. Toen zei hij : “Wanneer het water maar een beetje stijgt, gaat het schip ten onder”.

 

40.Een leraar kwam zijn schoonvader tegen die net van een reis terugkwam en hem vroeg, hoe het met zijn collega ging. Hij antwoordde : “Het gaat prima met hem en hij is in zijn nopjes. Hij heeft namelijk zijn schoonvader begraven”.

 

41.Een leraar kwam om een zieke vriend te bezoeken. Toen diens vrouw zei, dat hij al ‘buiten’ was, zei de leraar : “Goed, maar wanneer hij terugkomt, zeg hem dan, dat ik hier geweest ben”.

 

42.Een leraar die aan een bruiloftsmaal had deelgenomen, zei bij het weggaan : “Ik wens jullie toe, dat je dit feest nog maar vaak mag vieren”.

 

43.Een zieke leraar had honger. Toen hem gezegd was, dat het nog niet vier uur was, verzocht hij vol ongeloof, hem de zonnewijzer te brengen.

 

44.Een leraar die net zijn zoon had begraven, kwam de rector tegen en zei :” Excuus, dat mijn zoon niet op school is geweest. Hij is namelijk gestorven”.

 

45.Een leraar voer op zee en  het schip kwam in een vreselijke storm terecht. De medepassagiers wierpen delen van hun bagage in zee om het schip lichter te maken. Ze riepen de leraar op hetzelfde te doen. Deze had een cheque van 1000 euro en streepte een nul door. Hij zei : Moet je eens kijken met hoeveel geld ik jullie schip lichter heb gemaakt!”

 

46. Toen op de Rijn een schip kapseisde ging een leraar het benedendek op en dacht dat hij het schip naar boven kon drukken. Een ander die dagt zag, zei tegen hem : “Begrijp je dan niet dat jij, hoe meer je je schrapzet, het schip met je voeten nog meer naar beneden drukt?”

 

47.Een leraar betrok zijn nieuwe woning. Nadat hij het voortuintje had gereinigd, zette hij een bord neer met de tekst : “Wie hier zijn afval neergooit, krijgt het niet meer terug!”

 

48.Een leraar vroeg tijdens een zeetocht aan de stuurman, hoe laat het was. Toen deze zei, dat hij dat niet wist, vroeg hij : “Hoe lang stuur je al dit schip?” De stuurman antwoordde : “Drie jaar”. Daarop zei de leraar :”Hoe is dat nou mogelijk? Ik heb zes maanden geleden een huis gekocht en wanneer de zon in de binnenhof opkomt, weet ik gelijk hoe laat het is. En jij kunt aan je schip niet eens zien hoe laat het is, hoewel je het al zolang stuurt!”

 

49.Een leraar die als ‘sofist’ de eervolle taak had lijkredes op gestorvenen te houden, schreef een lijkrede voor iemand die nog leefde. Toen deze zich daarover beklaagde, antwoordde hij :”Wanneer jullie me niet van tevoren zeggen, wanneer jullie overlijden, willen jullie dan, dat ik improviseer en een flater sla?’

 

50.Een leraar had enkele collega’s voor de maaltijd uitgenodigd. Ze waren heel enthousiast over de varkenskop die hij hun had voorgezet en uitten de wens de volgende dag weer bij hem te eten. De leraar ging richting slager en zei : “Geef mij van hetzelfde varken nog een andere kop, want die van gisteren heeft ons bijzonder goed gesmaakt!”

 

51.Van twee laffe leraren verborg de ene zich in een bron, de andere in het riet. Toen soldaten een helm in de bron lieten zakken om water te putten, geloofde de ene, dat een soldaat naar beneden kwam, vroeg om excuus en werd gepakt. Toen de soldaten zeiden, dat ze aan hem voorbijgegaan waren, wanneer hij maar gezwegen had, riep de andere die in het riet verstopt zat : ”Ga dan maar aan mij voorbij! Want ik zwijg.”

 

52.Een leraar wiens vrouw was gestorven, kocht een doodkist, maar werd het niet eens over de prijs. De verkoper hield bij hoog en bij laag vol, dat hij hem niet voor minder zou verkopen. De ander zei : “Goed, als je dat per se wilt, neem het geld dan maar, maar geef mij als bonus een kleine kist cadeau. Dan staat die vast klaar voor het geval ik hem nodig heb voor één van mijn kinderen”.

 

53.Een leraar reisde met een wagen. Toen de muildieren moe waren en niet meer verder konden, spande de koetsier ze uit om even op adem te komen.  Toen ze uitgespannen waren, liepen ze weg. Toen zei de leraar tegen de koetsier : “ Zie je nou wel, jij gemene kerel, dat de muildieren lopen en dat de wagen er schuld aan is, die niet lopen kan?”

 

54.Een leraar zag twee tweelingbroers. Toen mensen zich verbaasden over hun gelijkenis, zei de leraar : “Deze lijkt niet zo op die als die op deze. “

 

55.Iemand zei tegen een leraar : “Demeas,  eergisteren heb ik je in mijn droom gezien”.  Hij antwoordde : “Liegbeest! Gisteren was ik op het land”.

 

Niet alleen docenten golden als spreekwoordelijke domkoppen. Ook de inwoners van Abdera, de Abderieten hadden zo’n reputatie.

 

56.De stad Abdera viel in twee delen uiteen, een westelijk en een oostelijk deel. Toen de stad plotseling door vijanden  werd aangevallen en iedereen in paniek raakte,

 zeiden de bewoners van de oostelijke stadshelft : “Wij maken ons niet druk, want de vijanden komen door de Westpoort binnen!”

 

57. In Abdera was ongemerkt een ezel het sportcentrum binnengelopen en had per ongeluk een vaatje olie omgeduwd. De burgers kwamen bijeen en lieten alle ezels van de stad halen en op één plek samenkomen. Toen lieten ze de schuldige ezel voor de ogen van de andere geselen om zich voor de toekomst veilig te stellen.

 

58.Een Abderiet wilde zich ophangen, maar de strop knapte en hij viel een gat in zijn hoofd. Hij ging naar de arts om een pleister en legde die op de wond. Toen ging hij terug en hing zich op.

 

59.Een Abderiet zag een man die aan een waterbreuk leed uit het zwembad komen en riep : “Schud het er maar uit, want anders roep ik de badmeester!”

 

60.Een Abderiet zag een eunuch en vroeg hem, hoeveel kinderen hij had. De ander zei, dat wie geen ballen had, ook geen kinderen kon krijgen. Toen  zei hij : “Dan zal hij toch wel veel kleinkinderen hebben”.

 

61.Een Abderiet zag een eunuch met een vrouw spreken en vroeg een ander , of dat zijn vrouw was. De ander antwoordde hem, dat een eunuch geen vrouw kon hebben. Toen zei hij : “O, dan is het zeker zijn dochter”.

 

62.Een Abderiet sliep samen met een breuklijder in één bed. Hij moest ’s nachts even een plasje en bij terugkeer stapte hij per ongeluk op die breuk, zodat de ander het uitschreeuwde. Toen zei de Abderiet tegen hem : “Waarom slaap je dan ook met je hoofd naar beneden?”

 

63.Een Abderiet die ging wandelen, zag een breuklijder een plasje doen en zei : “Die is vanavond nog niet uitgeplast”.

 

64.Een Abderiet had gehoord dat uien en bonen  wind veroorzaken. Toen op een zeetocht windstilte intrad, hing hij een zak vol aan de achterzijde van het schip.

 

65.Een Abderiet zag een loper die gekruisigd was en zei : Bij de goden! Deze loopt niet meer, maar vliegt!”

 

66.Een Abderiet wilde een pan verkopen die geen ‘oren’ had. Toen iemand vroeg, waarom hij de oren had afgenomen, zei hij “Dat ze niet wegloopt, zodra ze hoort dat ze verkocht wordt”.

 

67.Een Abderiet had naar oud gebruik zijn overleden vader gecremeerd. Toen liep hij naar huis naar zijn zieke moeder en zei “: Er is nog wat hout over. Als je wilt laat ik je met dat hout verbranden!”

 

68.Een Abderiet wilde in zijn droom een varkentje verkopen en vroeg honderd euro. Iemand bood vijftig, maar hij wilde die niet aannemen. Toen werd hij wakker. Hij sloot zijn ogen weer, strekte zijn hand uit en zei : “Geef tenminste die vijftig!”

 

69.Het parkietje van een Abderiet was doodgegaan. Toen hij na langere tijd een struisvogel zag lopen, zei hij :”Als mijn parkietje nog leefde, zou hij al zo groot geworden zijn”.

 

70.Een Abderiet die naar Rhodos was gereist, snuffelde daar – vanwege de naam – aan de huismuren (rhodos = roos)

 

71.Een Abderiet was iemand een ezel schuldig. Omdat hij er geen had, vroeg hij, of hij in plaats daarvan twee muildieren (‘halfezels’) mocht geven.

 

Ook bewoners van Sidon waren niet bijzonder slim.

 

 

72. Een koopman uit Sidon reisde eens samen met een ander. Deze was vanwege een natuurlijke behoefte iets achtergebleven en liet op zich wachten. Zijn reisgenoot ging verder en schreef op een mijlpaal : ”Schiet op en haal me in!”. Toen de ander dat las, schreef hij eronder : “Wacht dan even op mij!”.

 

73.Een leraar uit Sidon vroeg zijn

leerling :”Hoeveel kan er in een vijflitervat?” Antwoordde de leerling : “Bedoelt u wijn of olie?”

 

74.Iemand zei tegen een slager uit Sidon : “Leen mij een mes tot Smyrna”.  Die antwoordde :”Ik heb geen mes dat zo ver reikt”.

 

75.Een hoofdman uit Sidon zag een voerman met zijn ossenwagen over de markt rijden en beval hem er van langs te geven. De voerman zei : “Ik ben Romeins burger en mag vanwege de wet  niet geslagen worden.” Toen liet de hoofdman de ossen er van langs geven.

 

 

Veel mopjes gaan over een eutrapelos, een grapjurk.

76. Een grappenmaker zag, hoe een minder begaafde leraar leerde lezen en schrijven. Hij ging op hem af en vroeg :”Waarom ga je niet leren citherspelen?”. De ander antwoordde : “Omdat ik dat niet kan”. De ander zei : “Waarom leer je dan wel lezen en schrijven zonder het te kunnen?”

 

77. Aan een humoristische stuurman werd gevraagd, wat voor wind er waaide.  Hij antwoordde : “Uien en bonen”.

 

78. Bij een droogkomiek die ziek was aan zijn ogen bestreek   een kleptomane arts  de ogen met zalf en stal toen een zilveren lamp. Op een dag vroeg de ander :”Hoe gaat het eigenlijk met je ogen?” De grappenmaker antwoordde : “ Sinds je me hebt gezalfd hebt, zie ik de lamp niet meer”.

 

79.Tegen een komieke dokter zei iemand:”Dokter, ik heb veel karbonkels”. De ander zei : “Als je ook nog een ketel koopt, heb je altijd warm water”. (het woord anthrax betekent : kool en karbonkel)

 

80. Een grappige marktkoopman vond een politie-agent op zijn vrouw en zei : “Ik heb gevonden wat ik niet zocht”.

 

81.Een grappenmaker had een varken gestolen en liep er mee weg. Toen achtervolgers hem inhaalden, zette hij het op de grond, gaf  het klappen en zei : “Ga daar maar de grond omwoelen en niet bij mij thuis!”

 

82.De leukste thuis zag een citherkunstenaar die slecht speelde en slecht zong. Hij zei : “Goedendag,  heer haan!”.  Toen de ander vroeg, waarom hij hem zo groette, antwoordde hij :”Omdat iedereen  opstaat als jij kraait”.

 

83.Een humorist ging bij een kletskous van een kapper op de stoel zitten. “Hoe zal ik u scheren?” vroeg deze. De grappenmaker zei : “Zwijgend”.

 

84.Een grapjurk zat in het zwembad en twee mensen wilden van hem een kam lenen. De ene kende hij niet, de ander kende hij als dief. Toen zei hij : ”Ik leen hem jou niet omdat ik je niet ken, en jou niet, omdat ik je wel ken”.

 

Ook inwoners van Cumae golden als minder slim.

 

85.Toen in Cumae een voorname man werd begraven, liep een vreemdeling toe op degenen die meeliepen in de lijkstoet en vroeg : ”Wie is de  dode?”. Een Cumaeër draaide zich om, wees met zijn hand en zei : “Die man daar op de baar”.

 

86. Een Cumaeër had een grote dorsvloer gemaakt. Hij zette zijn vrouw aan de tegenoverliggende kant en vroeg, of zij hem kon zien. Toen ze zei, dat ze hem met moeite zag, antwoordde hij :”Bij gelegenheid zal ik een zo grote dorsvloer maken, dat ik jou niet zie en jij mij niet ziet”.

 

87.Een Cumaeër wilde een bekende bezoeken en riep hem voor zijn huis bij zijn naam. Een ander zei :”Je moet harder roepen, dan hoort hij het”.  Toen liet hij de naam die hij kende, weg, en riep :”Meneer Harder!”.

 

88.Toen een Cumaeër in het zwembad was, ging het regenen. Daarom dook hij onder, om niet nat te worden.

 

89. Een Cumaeër reed op zijn ezel langs een tuin. Hij  zag een tak vol vijgen over de weg hangen en pakte die vast. De ezel liep onder hem weg en hij bleef aan de tak hangen. De tuinman kwam er aan en vroeg, wat hij daar deed en waarom hij daar hing. Hij antwoordde :”Ik ben van de ezel gevallen” (dubbelzinnig ~ ik ben gek geworden).

 

90.Een Cumaeër zag een schaap waarvan de poten waren vastgebonden en dat in die toestand werd geschoren. Hij zei :”Ik ben mijn kapper dankbaar dat hij me nooit in de boeien heeft geschoren”.

 

91.Een Cumaeër werd, toen zijn vader op reis was,  vanwege  een zware misdaad aangeklaagd en ter dood veroordeeld.  Toen hij van de rechtbank kwam zei hij alle omstanders, het niet tegen zijn vader te zeggen, want die zou hem doodslaan.

 

92.Een Cumaeër bracht zijn vader die in Alexandrië was gestorven, naar de mummificeerders. Later wilde hij hem ophalen. Omdat de man nog andere lijken had liggen, vroeg hij de Cumaeër naar de kenmerken van zijn vader. Toen zei hij : “Hij hoestte”.

 

93. Een Cumaeër bood honing te koop aan. Iemand kwam, proefde en vond hem zeer goed. “Ja”, zei de Cumaeër,  “wanneer er niet een muis in was gevallen, zou ik hem niet verkopen”.

 

94.Een arts had een zieke Cumaeër opgegeven. Toen die toch weer gezond geworden was, liep hij steeds met een boog om de arts heen. Toen hem naar de reden werd gevraagd, zei hij :”Omdat u gezegd heeft, dat ik zou sterven, schaam ik me, dat ik nog in leven ben”.

 

95.Een Cumaeische arts verruilde bij een operatie, toen zijn patiënt het uitschreeuwde van de pijn, zijn mes voor een botter exemplaar.

 

 

Een ander type is dat van de lomperik, de dyskolos.

 

96.Iemand kam bij een lomperik van een arts en zei :”Ik kan noch liggen, noch staan, noch zitten”. De arts antwoordde :” Dan blijft er niets over dan je maar op te hangen”.

 

97.Een  lompe arts die eenogig was, vroeg een zieke:”Hoe gaat het met je?”. Deze antwoordde : “Zoals u ziet”.  Daarop zei de arts :”Wanneer het zo met je gaat zoals ik zie, ben je voor de helft dood”.

 

98.Een lompe astroloog trok de horoscoop van en zieke jongen en voorspelde dat hij een lang leven zou hebben. Daarna vroeg hij om zijn loon.  Toen de moeder zei : ”Ik zal je dat morgen geven”, antwoordde hij: ”O ja? En als hij vannacht doodgaat? Dan kan ik zeker naar mijn geld fluiten!”

 

99. Een lomperik was aan het schaken en iemand zat er op zijn gemak bij en gaf adviezen. Toen werd hij boos en zei: ” Wat voor werk doe je eigenlijk en waarom doe je niets?”. De ander zei :”Ik ben kleermaker, maar heb geen werk”.  Toen maakte hij een scheur in zijn jas, gaf die aan hem en zei : “Neem dit, ga aan het werk en mond dicht!”

 

100.                    Een lomperik wilde bij iemand op bezoek gaan. Toen hij aanklopte en riep, klonk het :”Ik ben er niet”.  De ander moest lachen en zei :”Dat is niet waar. Ik hoor je stem!”  Toen zei de ander :”Gemenerik! Wanneer mijn dienaar het je had gezegd, zou je hem hebben geloofd. Maar ik kom jou niet geloofwaardiger voor dan hij”.

 

Weer een andere groep is die van de nietsnutten, de aphyeis.

 

 

101.                    Aan een onbevoegde leraar werd gevraagd :” Hoe heette de moeder van Priamos?”  Hij antwoordde verlegen :”Uit respect noemen we haar “Mevrouw”.

 

102.                    Een onhandige kapper voorzag zijn klant, die hij gesneden had, met pleisters.  Toen die problemen maakte, zei hij :”Ondankbare kerel! Je hebt je voor vijf euro laten scheren en je krijgt er voor tien euro pleister bij!”

 

103.                    Een onhandige leerling-kapper had iemand slecht geknipt en hem bij het nagelknippen verwond. Toen de klant hem wegduwde, zei hij “Meester, waarom laat hij mij niet leren?”

 

104.                    Iemand belandde bij terugkeer van en lange reis bij een ondeskundige waarzegger en vroeg naar zijn verwanten. De waarzegger zei :”Ze zijn allemaal gezond, ook je vader”.  De ander zei :”Hoe kan dat nou?  Mijn vader is al tien jaar dood”.  De waarzegger antwoordde : ”Je  weet niet, wie je echte vader is”.

 

105.                    Iemand kwam bij een ondeskundige waarzegger met de vraag of zijn vriend van een reis zou terugkomen. De waarzegger voorspelde, dat hij niet zou terugkomen. Toen hij na enkele dagen er achter kwam dat hij toch teruggekomen was, zei hij : ”Hoe durft hij!”.

 

106.                    Een ondeskundige astroloog trok iemands horoscoop en zei: “Volgens jouw geboorte-uur krijg je geen kinderen”.  De ander zei : ”Ik heb zeven kinderen”.  “Pas dan maar goed op ze”.

 

Ook erg zijn mensen die stinken.

107.                    Een man met stinkende adem die zelfmoord wilde plegen, wikkelde een doek om zijn hoofd en deed zijn mond open.

 

108.                    Een man met stinkende adem kuste voortdurend zijn vrouw en zei :”O lieverd, O Hera, O Aphrodite!” . Ze keerde zich van hem af en zei “O Zeus! O Zeus!”  (het woord ozeus betekent ‘stinker’)

 

109.                    Een man met stinkende adem kwam een dove tegen en zei :”Goedendag!”. De dove zei :”Bah!”. De eerste zei :”Wat heb ik dan gezegd?” “Je hebt gepoept”.

 

110.                    Een man met stinkende adem vroeg zijn vrouw :”Lieverd, waarom haat je me?” Ze antwoordde : ”Omdat jij van me houdt”.

 

111.                    Een man met stinkende adem kwam een arts tegen en zei :”Dokter! Kijk, mijn huigje is gedaald!” Daarbij deed hij zijn mond open. De arts draaide zich om en zei: “Je huigje is niet gedaald, maar je anus is omhoog gekomen”.

 

112.                    Een jonge man zei tegen zijn vrouw: “Vrouw, wat doen we? Gaan we eten of vrijen?”  Ze antwoordde :”Zoals je wilt, maar brood is er niet”.

 

Er bestaan misantropen, mensenhaters. Sommigen van hen zijn alleen maar misogynaioi, vrouwenhaters.

 

113.                    Een vrouwenhater ging op de markt staan en zei : “Ik verkoop mijn vrouw zonder BTW”. Toen men vroeg “Waarom dan?” antwoordde hij :”Dan wordt ze in beslag genomen”.

 

114.                    Een vrouwenhater begroef zijn vrouw. Toen men hem vroeg : ” Wie is er uit haar lijden verlost?”, antwoordde hij : “Ik”.

 

115.                    Een vrouwenhater was doodziek. Zijn vrouw zei : ”Als jou iets overkomt, hang ik me op”.  Hij antwoordde : ”Doe me dat plezier nu ik nog leef”.

 

116.                    Een vrouwenhater had een vrouw die veel zeurde en zanikte. Toen ze gestorven was, droeg hij haar op een schild naar haar graf.  Iemand zag dat en vroeg waarom. Hij antwoordde: ”Ze was strijdbaar”.

 

Tenslotte komen we weer bij de leraar uit.

 

117.                    Een leraar had een vaatje prima wijn en verzegelde dat. Zijn bediende boorde onderin een gat en nam wat van de wijn. De heer verbaasde zich erover, dat er minder wijn was, terwijl de zegels onbeschadigd waren. Een collega zei : “Misschien is er van onder afgetapt”. De leraar antwoordde : “Domkop! Niet het onderste deel ontbreekt, maar het bovenste!”

 

118.                    Een leraar die had gehoord dat een raaf wel tweehonderd jaar oud kan worden, kocht er een  en deed hem in een kooitje om het uit te proberen.

 

119.                    Een gymnastiekleraar had over een leerling gehoord, dat hij ziek was. De volgende dag hoorde hij, dat hij koorts had. Toen hij daarna van zijn vader hoorde, dat de jongen gestorven was, zei hij :” Zo heb je altijd maar uitvluchten en houd je kinderen van het leren af”.

 

120.                    Een leraar die net zijn zoon had begraven, kwam de rector tegen en vroeg :”En,  is mijn jongen nog op school geweest?” De rector zei “Nee”.  Toen zei de leraar :”Dat kan kloppen, meneer, want hij is overleden”.

 

                               ***