***











 

www.resantiquae.nl

Goethe over muziek

GOETHE   OVER     MUZIEK

(Onder elke tekst is de bron ervan aangegeven)

Muziek in de beste zin van het woord heeft geen behoefte aan vernieuwingen. Hoe ouder ze is, hoe meer men eraan gewend is, des te meer effect heeft ze.

Maximen und Reflexionen.

Het waardevolle van de kunst doet zich bij muziek misschien wel het meest opvallend voor omdat ze geen stof heeft  waarop ze afgerekend moet worden. Ze is één en al vorm en gedaante en verheft en veredelt alles, wat ze uitdrukt.

Maximen und Reflexionen.

Wanneer de taal niet onbetwistbaar het hoogste is, wat we hebben, dan zou ik muziek nog hoger aanslaan dan taal en haar helemaal bovenin plaatsen.

Schriften zur Natur-  und Wissenschaftslehre.

 

Zoals  zekerheid van uitdrukking vleugels geeft aan de gedachte van de redenaar, zo geeft muziek vleugels aan het gevoel.

Fragment van een Roman in Brieven.

Muziek kan zich het langst staande houden. Dit talent kan met succes tot op hoge ouderdom worden geoefend. Ook is het, wat de afzonderlijke instrumenten betreft, algemener en bereikbaar voor jongelui. 

Aan Hertog Carl August, 15 september 1797.

Wie niet van muziek houdt, verdient niet, een mens genoemd te worden. Wie er alleen maar van houdt, is een half mens. Wie aan muziek doet, is een volledig mens.

Aan J. Pleyer, augustus 1822

In poëzie schuilt iets demonisch en dat vooral bij onbewuste poëzie waarbij  alle verstand en alle scherpzinnigheid te kort schieten en die daarom ook zo boven elke vorm van begrip werkt.  Zo is het ook in de muziek, en wel in extreme mate, want ze staat zo hoog , dat geen verstand haar kan benaderen. Er gaat een werking vanuit die alles beheerst en waarvan niemand zich rekenschap kan geven. De religieuze cultus kan dan ook niet zonder haar. Ze is één van de belangrijkste en wonderlijkste middelen om op mensen in te werken.

Aan Eckermann, 8 maart 1831

Muziek is heilig of profaan. Het heilige is helemaal in overeenstemming met haar status en hier heeft ze de grootste invloed op het leven dat door alle tijden en periodes hetzelfde blijft. Profane muziek moet zonder meer opgewekt van karakter zijn.

Muziek, die een heilig en een profaan karakter dooreen mengt, is goddeloos, en een halfhartige muziek die geacht wordt zwakke, jammerlijke en erbarmelijke gevoelens uit te drukken, is smakeloos. Want ze is niet ernstig genoeg om heilig te zijn en het hoofdkarakter van het tegenovergestelde, de vrolijkheid, is haar vreemd.

De heiligheid van de kerkmuziek en het vrolijke en ondeugende van de volksmelodieën zijn de beide polen, waaromheen de ware muziek draait.  Op deze beide terreinen bewijst ze telkens weer een niet te missen werking: eerbied of dans.  De vermenging ervan  leidt tot verwarring, de muziek verliest haar kracht en wordt onbeduidend. Wanneer de muziek zich leent voor leerdichten of beschrijvende teksten en dergelijke, dan wordt ze koud. 

Maximen und Reflexionen.

We zijn het met u (Zelter) eens, dat muziek eerst en vooral door het zingen in de kerk te helpen is en dat voor een gouvernement in die zin  niets  méér te wensen is dan tegelijkertijd een kunst en hogere gevoelens te voeden en de bronnen van een religie te reinigen, die voor de ontwikkelden en minder ontwikkelden even toegankelijk is. 

Aan Zelter, 13 juli 1804.

Wanneer Hummel ophoudt, staat daar niets anders dan een gnoom die met hulp van belangrijke demonen dergelijke wonderen verrichtte waarvoor men hem nauwelijks durft te bedanken.

Aan Zelter, 24 augustus 1823.

Napoleon behandelde de wereld zoals Hummel zijn vleugel. Beide zaken komen ons wonderlijk voor, we begrijpen het ene evenmin als het andere, en toch is het zo en gebeurt het voor onze ogen. De grootheid van Napoleon bestond juist daarin, dat hij elk uur dezelfde was. Vóór de slag, tijdens de slag, na een overwinning, na een nederlaag, hij stond altijd vast op zijn voeten en het stond hem altijd duidelijk voor ogen wat er gedaan moest worden.  Hij was altijd in zijn element en tegen ieder moment en iedere situatie opgewassen, zoals het Hummel niet uitmaakt, of hij een adagio speelt of een allegro, in de bas of in de discant. Dat is een gave, die  men overal aantreft, waar van een dergelijk talent sprake is, in de kunsten van de vrede even goed als in die van de oorlog, aan de piano evenzeer als achter de kanonnen.

Tegen Eckermann, 7 april 1829

Wanneer men oud is denkt men over wereldlijke zaken anders dan toen men jong was. Zo kan ik niet vrijkomen van de gedachte dat de demonen om de mensheid te plagen en voor zich in te palmen, van tijd tot tijd enkele personen laten optreden die zo aanlokkelijk zijn,  dat ieder hen tracht te evenaren, en zo groot, dat niemand hen  bereikt.  Dat deden ze bijvoorbeeld met een Raffaello bij wie denken en doen even volmaakt waren. Enkele voortreffelijke schilders hebben hem nadien benaderd, maar niemand heeft hem geëvenaard.  Zo presenteerden ze Mozart als iets onbereikbaars in de muziek, en Shakespeare in de poëzie.  Ik weet wat u me tegen deze personen kunt inbrengen, maar ik bedoel alleen maar de natuurlijke toestand, het grote aangeborene van de natuur.

Tegen Eckermann, 6 december 1829

Het is toch merkwaardig, zei ik (Eckermann) dat van alle talenten het muzikale talent zich als eerste aandient, zodat Mozart in zijn vijfde jaar, Beethoven in zijn achtste en Hummel in zijn negende jaar hun naaste omgeving door hun spel en composities verbaasd deden staan. Goethe zei daarop : het muzikale talent kan zich het vroegst manifesteren omdat de muziek iets is dat aangeboren is, dat innerlijk werkt, en het niet nodig heeft van buitenaf uitgebreid gestimuleerd te worden of te worden ondersteund door levenservaring.  Maar inderdaad, een verschijning als Mozart blijft altijd een wonder dat niet verder te verklaren is. Maar hoe zou de godheid overal gelegenheden vinden om wonderen te verrichten, wanneer ze het niet soms bij uitzonderlijke individuen probeerde, die we vol verbazing aangapen en niet begrijpen waar ze vandaan komen.

Tegen Eckermann, 14 februari 1831

Toen ik (Eckermann) vandaag weer bij Goethe aan tafel zat, kwamen we wederom te spreken over het demonische en om het nader te preciseren voegde hij nog het volgende toe : “Het demonische is datgene wat door verstand en scherpzinnigheid niet op te lossen is. Het ligt niet in mijn natuur, maar ik ben er aan onderworpen” Ik zei daarop, dat Napoleon demonisch van aanleg was. “Dat was hij zeker”,  zei Goethe, “ en wel in de hoogste mate, zodat nauwelijks iemand anders met hem te vergelijken is. Ook de overleden groothertog was demonisch van nature, vol onbegrensde daadkracht en onrust, zodat zijn eigen rijk hem te klein was en ook het grootste rijk hem nog te klein geweest zou zijn. Demonische naturen van dien aard werden door de Grieken onder de halfgoden gerekend”. Manifesteert zich,  zo zei ik, het demonische ook niet in  bepaalde situaties?  “Zonder twijfel”’ antwoordde Goethe, “ en wel in al die gebeurtenissen die we door verstand en scherpzinnigheid niet kunnen doorzien. Overigens manifesteert het zich op de meest uiteenlopende wijze in de gehele natuur, in de onzichtbare even goed als in de zichtbare. Heel wat schepselen hebben een heel demonische aard, in veel zijn er ook delen van werkzaam”. Heeft, zo zei ik, ook niet Mephistopheles demonische trekken?m “Nee”, zei Goethe, “Mephistopheles is een veel te negatieve persoon. Het demonische manifesteert zich in een positieve daadkracht zonder meer. Onder kunstenaars is het meer bij musici te vinden, minder bij schilders. Bij Paganini toont het zich in hoge mate. Daardoor sorteert hij ook zo’n  bijzonder effect”.

 In gesprek met Eckermann, 2 maart 1831.

Ik verbeeld me niet een groot acteur of zanger te zijn, maar dat weet ik wel : wanneer de muziek de bewegingen van het lichaam leidt, hun leven inblaast en hun tegelijker tijd de maat voorschrijft, wanneer  declamatie en uitdrukking al door de componist op me worden overgebracht, dan ben ik een totaal ander mens dan wanneer ik in het drama in proza dat alles zelf moet creëren  en maat en declamatie zelf moet bedenken, waarbij me bovendien elke mede-acteur kan storen.

Wilhelm Meisters Lehrjahre

Vaak schijn me een geheime genius in mijn hart iets ritmisch voor te fluisteren, zodat ik me bij het wandelen telkens op de maat beweeg en tegelijkertijd  daar zachte muziek bij denk te horen, waardoor een of ander lied wordt begeleid, dat me op een of andere manier op aangename wijze nabij is.

Wilhelm Meisters Wanderjahre

Tegenover het ritme van de poëzie plaatst de componist maatindeling en maatbeweging. Hier manifesteert zich al gauw de superioriteit van de muziek boven de poëzie. Want terwijl die, zoals ook vanzelfsprekend en noodzakelijk, haar kwantiteiten altijd zo zuiver mogelijk wil realiseren, zijn voor de musicus  maar weinig lettergrepen zuiver lang of kort. Naar eigen inzicht verstoort die het ritme van de scrupuleuze dichter, ja, hij verandert zelfs proza in lied, waarbij zich dan ook de wonderlijkste mogelijkheden voordoen. De dichter zou zich al gauw uitgerangeerd voelen, wanneer hij niet in staat zou zijn om van zijn kant door lyrische teerheid en gedurfdheid de musicus respect in te boezemen en nieuwe gevoelens op te roepen, soms  bij  een soepele opeenvolging, soms ook door de meest abrupte overgangen.

Wilhelm Meisters Wanderjahre

Zodra de muziek haar eerste krachtige stap zet om zich naar buiten te manifesteren, dan prikkelt ze het ons aangeboren ritmegevoel in hoge mate, in stap en dans, zingen en juichen.  Geleidelijk aan gaat ze in de richting van het Transoxanische (vulgo de Janitscharenmuziek) of van het jodelen en de liefkozerijen van de vogels. Dan treedt een hogere cultuurfase in, de zuivere cantilene behaagt en ontroert. Geleidelijk aan ontwikkelt zich het harmonische koor en zo streeft de muziek  na zich volledig ontvouwd te hebben, weer naar haar goddelijke oorsprong terug.

Aan Zelter, 21 juni 1827

Muziek werkt alleen maar rechtstreeks en in het heden.

Aan Zelter, 28 sep1821

Het is hoogst merkwaardig, dat de muziek, zodra ze uit haar eerste eenvoudige diepte naar voren komt, dadelijk toebehoort aan de vluchtige tijd en het lichtvaardige oor moet strelen.

Aan Zelter, 21 juni 1827

Wanneer men zou vragen wat kopieën van Pompeiaanse wandschilderingen voorstellen, dan zou men wellicht in verlegenheid zijn om te antwoorden. Voorlopig zou ik het volgende willen zeggen : deze gestalten geven ons het gevoel dat het ogenblik pregnant moet zijn en zichzelf genoeg om een waardige incisie in tijd en eeuwigheid te worden. Wat hier over de beeldende kunst is gezegd, is nog beter toepasbaar op muziek en u kunt, oude vriend, bij het overdenken van uw streven en uw instituut, deze wonderlijke woorden heel goed laten gelden. Voorwaar, de muziek vult in dat opzicht het ogenblik het duidelijkst, zij het, dat ze in de rustige geest eerbied en aanbidding opwekt of  het beweeglijke lichaam tot een dansende jubel oproept.

Aan Zelter, 19 oktober 1829

De musicus is gelukkiger dan de schilder : hij schenkt zijn gaven die welkom zijn, persoonlijk en rechtstreeks, terwijl de schilder slechts geeft terwijl de gave zich van hem verwijdert.

Met meer energie dan de schilder beweegt de musicus zich, want hij is het eigenlijk die voor een nieuw oor een nieuwe verrassing bereidt,  voor een fris gemoed een nieuwe verbazing.

Wilhelm Meisters Wanderjahre

Ik heb het vermoeden, dat elke kunstbegrip gecombineerd moet worden met begrip van  muziek. Ik zou deze bewering door theorie en ervaring willen ondersteunen.

Aan Zelter, 6 september 1827

Serlo hield erg veel van muziek en beweerde dat een acteur zonder liefde voor muziek nooit tot een duidelijk begrip en gevoel van zijn eigen kunst kon komen. Zoals men ook veel gemakkelijker en passender acteert wanneer de gebaren door een melodie worden begeleid en geleid, zo moet de acteur zijn prozaische rol voor zichzelf componeren, in die zin,  dat hij die rol niet eentonig naar zijn individuele aard opdreunt,  maar ze in de vereiste afwisseling naar de muzikale maat behandelt.

Wilhelm Meisters Lehrjahre

Ik heb tussen mijn papieren een blad gevonden waarop ik de bouwkunst een verstarde muziek noem. En werkelijk, dat heeft wel iets. De sfeer die van een bepaald gebouw uitgaat, komt in de buurt van het effect van een stuk muziek.


Tegen Eckermann, 23 maart 1829

Een edele filosoof sprak van de bouwkunst als een verstarde muziek en nam het hoofdschudden van menigeen voor lief.  We denken deze mooie gedachte niet nog eens beter onder woorden te kunnen brengen dan wanneer we de architectuur een verstomde toonkunst noemen.  Denk maar aan Orpheus die, toen hem een grote woeste bouwplek was aangewezen, zich wijselijk op de meest geschikte plaats neerzette en door de levenwekkende tonen van zijn lier de ruime marktplaats om hem heem vormde.  De rotsblokken die door de krachtig gebiedende en vriendelijk lokkende tonen werden gegrepen en uit de rotsmassa werden losgerukt, moesten, terwijl ze enthousiast naderbij kwamen, volgens kunst en ambacht hun uiteindelijke vorm krijgen om zich dan naadloos  in ritmische lagen en wanden te ordenen. Zo voegt straat aan straat zich aaneen! Het zal ook niet ontbreken aan beschermende muren. De tonen verklinken, maar de harmonie blijft. Het reilen en zeilen van de burgers van een dergelijke stad beweegt zich tussen eeuwige melodieën. De geest raakt niet in  verval, de dadendrang zakt niet in, het oog neemt de functie en de plicht van het oor over en op een doordeweekse dag voelen de burgers zich in een ideale toestand : zonder reflectie, zonder te vragen naar de oorsprong worden ze het hoogste zedelijke en religieuze genot deelachtig. Men moet er een gewoonte van maken in de Sint Pieter op en neer te wandelen en men ervaart een analogon van datgene wat we waagden uit te spreken. Burgers in een slecht gebouwde stad waar het toeval met grove bezem de huizen bijeenveegt, leven  onbewust in de woestijn van een duistere toestand.  Wie als vreemdeling zo’n stad binnenkomt is het te moede, alsof hij doedelzakken, toeters en beltrommels zou horen en zich erop zou moeten voorbereiden, berendansen en apensprongen te aanschouwen.

Uit de Nachlass : Kunst en Kunstgeschiedenis

Niet onterecht zou men een schilderij met een machtige uitstraling kunnen vergelijken met een muziekstuk in majeur en een schilderij met een teder effect met een stuk in mineur, zoals men voor de modificatie van deze beide belangrijkste effecten andere vergelijkingen zou kunnen maken.

Farbenlehre

Het schijn mij tenminste toe, dat de toon veel meer mogelijkheden van nuancering in zich bergt dan de kleur en hoewel ook daarin de eenvoudigste natuurwet van de dualiteit plaatsvindt, hoewel hij ook, waargenomen in zijn eerste oorsprong,  door veel alledaagser aanleidingen dan de kleur wordt opgeroepen, heeft hij toch een ongelooflijke buigzaamheid en flexibiliteit die al mijn begrip te boven gaat en mijn leven lang te boven zal gaan.

Schriften zur Natur-  und Wissenschaftslehre

Hij kon niet zonder muziek en zeker niet zonder gezang leven en had daarbij de eigenaardigheid dat hij de zangers niet wilde zien. Hij placht te zeggen : het theater verwent ons  veel te veel, de muziek dient daar alleen maar het oog, ze begeleidt de bewegingen, niet de gevoelens. Bij oratoria en concerten stoort ons altijd de gestalte van de musicus. De ware muziek is er alleen voor het oor. Een mooie stem is het algemeenste wat zich laat denken en doordat het beperkte individuum dat ze presenteert, voor onze ogen opdoemt, vernietigt het het zuivere effect van die algemeenheid.  Ik wil iedereen zien met wie ik moet praten, want hij is een afzonderlijk mens wiens gestalte en karakter het gesprek waardevol of waardeloos maakt. Wie daarentegen voor me zingt, moet onzichtbaar zijn, zijn gestalte moet me niet van de wijs brengen. Hier spreekt slechts het ene orgaan tot het andere, niet geest tot geest, niet een duizendvoudige wereld tot het oog, niet een hemel tot de mens. Zo wilde hij ook bij instrumentale muziek het orkest zoveel mogelijk verborgen houden om dat men door het mechanische gedoe en door de altijd merkwaardige gebaren van de instrumentalisten in verwarring raakt. Hij was gewoon om een muziekstuk alleen maar met gesloten ogen te beluisteren om zijn totale wezen te kunnen concentreren op het afzonderlijke pure genot van het oor.

Wilhelm Meisters Lehrjahre

De musicus moet altijd in zichzelf gekeerd zijn, zijn innerlijk ontwikkelen om het naar buiten te kunnen keren.  Het zintuig van het oog hoeft hij niet te charmeren.  Het oog bevoordeelt heel gemakkelijk het oor en lokt de geest van binnen naar buiten. Omgekeerd moet de beeldende kunstenaar in de buitenwereld leven en zijn innerlijk quasi onbewust manifesteren in het uiterlijke.

Wilhelm Meisters Wanderjahre

Hoeveel lof verdienen de toonkunstenaars, hoezeer genieten ze, hoe precies zijn ze, wanneer ze gemeenschappelijk repeteren! Hoezeer zijn ze erop uit hun instrumenten te laten overeenstemmen, hoe secuur blijven ze in de maat, hoe subtiel weten ze de sterkte en de zwakte van een toon tot uitdrukking te brengen! Het komt bij niemand op zich bij een solo van iemand anders op de voorgrond te dringen met een veel te luide begeleiding. Iedereen probeert in de geest van de componist te spelen en iedereen probeert datgene wat hem opgedragen is, of dat nu veel of weinig is, goed uit te drukken.  Waarom is de kapelmeester zekerder van zijn orkest dan de directeur van zijn toneelstuk? Omdat daar iedereen zich moet schamen over een fout die het oor beledigt.

Wilhelm Meisters Lehrjahre

Wanneer het aanleren van muziek autodidactisch plaats vindt en niet onder de strenge regie van een meester, ontstaat een benauwde, altijd onzekere en onbevredigde situatie  omdat de muziekdilettant niet zoals in de andere kunsten zonder kunstregels effect kan sorteren.

Über den Dilettantismus, 1799, samen met Schiller

Gesprek over de kunst, in het bijzonder de schilderkunst. Waarom het altijd bij dilettantisme blijft. “Het ontbreekt aan een geformuleerde en aanvaarde theorie, zoals de muziek die heeft, waar niemand de basso continuo mag negeren zonder dat de meesters het corrigeren en onze oren het min of meer merken”.

Dagboek, 19 mei 1807

Wanneer ik me niet vergis hebben jullie, meesters van de toonkunst, daardoor een groter voordeel, dat jullie gelijk al bij het begin je leerlingen kunt dwingen de erkende regels in acht te nemen.

Aan Zelter, 28 juni 1818

Wat je over Felix Mendelssohn meldt, is ontroerend en wensenswaard, als tekst en commentaar beschouwd. Kon ik ook maar van mijn leerlingen hetzelfde zeggen!  Helaas hebben poëzie en beeldende kunst geen erkend fundament zoals de kunst van de muziek. Overal verschijnt de meest absurde empirie, kunstenaars en dilettanten missen evenzeer een vast fundament, de ene maakt zonder verstand en de andere oordeelt zonder verstand. Men kan niet anders dan afwachten totdat een uitgesproken talent zich manifesteert en het verstandige buiten zich om gewaar wordt omdat het in zijn binnenste verborgen ligt.

Aan Zelter, 8 maart 1824

Men bracht de noodzakelijkheid van vaststaande grondregels in andere kunsten ter sprake. Zou de musicus het zijn leerling toestaan wild tekeer te gaan op de snaren of intervallen naar eigen ingeving te bedenken? Hier valt duidelijk op, dat niets moet worden overgelaten aan de willekeur van de leerling. Het element waarin hij zijn activiteiten ontplooit, is een gegeven, het werktuig dat hij daarbij hanteert, is hem in handen gegeven, zelfs de  manier waarop hij zich daarvan bedient, ik bedoel de vingerzetting, vindt hij voorgeschreven, opdat de ene vinger de andere uit de weg gaat en voor zijn opvolger  de juiste weg mogelijk maakt.  Wat ons het meeste recht geeft om strenge eisen te stellen en vaste regels te geven  is, dat juist het genie, het aangeboren talent ze als eerste begrijpt, en er het gewilligst gehoor aan geeft. Alleen de dilettant zou graag wensen dat hij zijn beperkte eigenheid in de plaats zou kunnen stellen van het onbeperkte geheel en zijn foute grepen zou kunnen goed praten  onder het voorwendsel van een onbedwingbare originaliteit en zelfstandigheid. Dat laten we echter niet gebeuren, maar we behoeden onze leerlingen voor alle misstappen waardoor een groot gedeelte van het leven, soms zelfs een heel leven in verwarring wordt gebracht. Met het genie hebben we het liefste van doen omdat het juist door die goede houding wordt bezield om direct te herkennen wat hem van nut is. Het begrijpt, dat kunst juist daarom kunst is, omdat ze geen natuur is.  Het legt zich toe op respect, zelfs voor datgene wat men conventioneel zou kunnen noemen. Want wat is dit anders dan dat de meest voortreffelijke mensen met elkaar overeenkwamen om het noodzakelijke en het onmisbare voor het beste te houden?. Is dat niet overal voldoende voor geluk?

Wilhelm Meisters Wanderjahre

Dit hebben jullie musici vóór op alle andere kunstenaars, dat er een algemene  en algemeen aanvaarde basis klaar ligt, zowel voor het geheel als voor de onderdelen en dat dus iedereen een partituur kan schrijven in de volkomen zekerheid te worden voorgedragen, wat voor een stuk het ook is.  Jullie hebben je eigen terrein, je eigen wetten en jullie eigen symbooltaal die iedereen moet verstaan.  Ieder individu moet,  ook wanneer hij het werk van zijn aartsvijand uitvoert, op deze plaats het vereiste doen. Er bestaat geen kunst en eigenlijk ook geen handwerk dat zich op iets dergelijks kan beroemen.  Zonder pedanterie mogen jullie vasthouden aan het oudste, zonder ketterij of hindernis mogen jullie genieten van het nieuwste. Wanneer ook het individu in jullie midden iets wonderlijks of merkwaardigs voortbrengt, dan moet dat toch uiteindelijk overeenstemmen met het totaal van het orkest.

Aan Zelter, 28 juni 1831

De aangename tonen die de harpenaar aan zijn instrument ontlokte brachten het gezelschap al gauw in een vrolijke stemming. “U bent ook gewoon te zingen, oude vriend? “, zei Philine. “Geef ons iets dat hart en geest samen met de zintuigen laat genieten”, zei Wilhelm. “Het instrument moet alleen de stem begeleiden want melodieën, passages en loopjes zijn voor mij als vlinders  of bonte vogels die in de lucht voor onze ogen rond zweven en die we kunnen pakken en bij ons houden. Het gezang daarentegen stijgt als een genius ten hemel en spoort het betere ik in ons aan het te begeleiden”.

Wilhelm Meisters Lehrjahre

“Het is wonderlijk waarheen de tot in het extreme ontwikkelde techniek en mechanica de componisten van  nu brengt. Hun werken blijven geen muziek meer, ze gaan het niveau van menselijke gevoelens te boven en men kan aan deze zaken uit eigen geest en hart niets meer als basis toevoegen. Hoe gaat u daarmee om?  Bij mij blijft alles in de oren hangen”. Op deze woorden van Goethe antwoordde ik, dat het me in dit geval niet beter vergaat.  “Maar het allegro”, zo ging hij verder, “heeft karakter.  Deze eeuwige werveling voerde me de heksendansen van de Blockberg voor ogen en ik vond dus toch een voorstelling die ik als basis kon gebruiken voor deze wonderlijke muziek”.

Tegen Eckermann over een kwartet van Mendelssohn, 14 januari 1827

Wanneer ik in Berlijn zou zijn, dan zou ik de kwartetavonden bij Möser zelden missen. Deze soort van demonstraties waren voor mij vroeger al het meest begrijpelijke van de instrumentale muziek. Men luistert naar vier verstandige lieden die met elkaar converseren, meent iets van dit discours te kunnen meenemen en de eigenaardigheden van de instrumenten te leren kennen.

Aan Zelter, 9 november 1829

Om je een nieuw gedicht te sturen heb ik mijn oriëntaalse ‘Divan’ doorgenomen. Daarbij zag ik overduidelijk hoe deze manier van dichten leidt tot reflectie, want ik vond er niets zingbaars onder, in het bijzonder niet voor de liederentafel, waarvoor toch eigenlijk gezorgd moet worden. Want wat niet in gezelschap kan worden gezongen is eigenlijk geen gezang, zoals een  monoloog geen drama is.

Aan Zelter, 17 mei 1815

Ik denk eraan hoe we deze winter afwisselend de dagen zullen doorbrengen. Een beetje muziek zou zeer te wensen zijn,  muziek  is het onschuldigste en aangenaamste bindmiddel van de samenleving

Aan zijn vrouw Christiane, 12 september 1815

Gravin Bombelles zong buitengewoon mooi en ontroerde ons allemaal. Onder andere was ook Goethe aanwezig en ook hij was helemaal in vervoering. Hij sprak het eerste aardige woord sinds hij in Karlsbad is : “We zijn  nauwer verwant met deze tonen; het is het Duitse hart, dat tot ons klinkt”.  Bombelles, ook ontroerd door de indruk die ze maakte, zong ontroerend mooi en begon, aan de piano begeleid door haar man, ‘Kennst du das Land’. Het hele gezelschap raakte in intense vervoering. Bij Goethe stonden de tranen in de ogen.

Verteld door Friedrich von Gentz, Karlsbad, 6 augustus 1818

Ze speelt een melodie op de piano met de kracht van een engel, zo eenvoudig en vol inhoud! Het is haar favoriete lied en het bevrijdt me van alle pijn, verwarring en stress, wanneer ze er de eerste noot van laat klinken.  Geen woord over de oude toverkracht van de muziek klinkt me onwaarschijnlijk in de oren.  Wat grijpt dat eenvoudige zingen mij aan!  En wat weet ze de muziek te laten klinken, vaak op momenten dat ik me een kogel door mijn kop zou willen schieten! De verwarring en duisternis van mijn ziel trekken weg en ik adem vrijer.

Die Leiden des jungen Werther

Zoals een  zoete melodie ons van de aarde tilt en met een zachte wolk onze zorgen en pijn te niet doet  , zo is jouw wezen en jouw liefde voor mij.

Aan Charlotte von Stein, 25 augustus 1782

Ik wil bepaald niet beweren, dat die hartstochtelijke tonen die men in een adagio en largo pleegt aan te wenden, mij ooit tegen gestaan hebben, maar in de muziek heb ik toch een voorkeur gehad voor het opwindende, omdat onze eigen gevoelens, ons nadenken over verlies en mislukking ons maar al te vaak dreigen te overweldigen.

Italienische Reise

Innig versmolten met muziek heelt de dichtkunst alle zielenleed om die reden, dat ze dat leed in hoge mate oproept en  in oplossende smarten laat vervluchtigen.

Wilhelm Meisters Wanderjahre

Aristoteles heeft in zijn Politica uitgesproken, dat de muziek bij de opvoeding voor  ethische doeleinden kan worden aangewend. Zo worden door heilige melodieën de bij de orgiën opgehitste gemoederen weer tot rust gebracht en zo kunnen ook andere hartstochten daardoor in evenwicht worden gebracht. Dat hier van een analoog geval sprake is, willen we niet ontkennen, maar het geval is niet identiek. De werkingen van muziek zijn grofstoffelijker zoals bij Handel in zijn ‘Alexandersfest’ en zoals we op elk bal kunnen waarnemen waar een wals die volgt op een zedig-galante polonaise de jeugd en bloc tot een Bacchische vervoering brengt.  Evenmin als welke kunst dan ook kan de muziek op de zedelijkheid inwerken en het is altijd onjuist wanneer men dergelijke effecten van haar vraagt. Alleen filosofie en religie kunnen dat.  Piëteit en plichtsbesef moeten worden opgeroepen en dat gebeurt bij de kunsten alleen maar bij toeval. Ze zijn er wel toe in staat ruwe zeden bij te schaven, wat overigens spoedig tot weekheid kan leiden.

Nachlese zu Aristoteles’ Poetik, 1827

Zoals muziek niets is zonder menselijke stem, zo zou  mijn leven niets zijn zonder jouw liefde.

Aan Charlotte von Stein, augustus 1782

Verhouding van de muziekinstrumenten tot de menselijke stem : ze zijn er een surrogaat van. Ze staan er onder.  Maar door een gevoelige en inventieve behandeling kunnen ze op het zelfde niveau komen.

Tonlehre

Dat ik u kan geven wat uw verlangt en meer dan u wellicht hoopt,  doet mij een plezier dat u evenmin als een oprecht enthousiasme bij mij zou verwachten, gezien de voorstelling die u ondertussen van mij heeft. Genoeg, ik heb nog uit de Elzas twaalf liederen meegebracht die ik op mijn zwerftochten uit de keel van de oudste moedertjes heb kunnen opvangen.  Wat een geluk, want hun kleinkinderen  zingen allemaal : ‘Ich liebte nur Ismenen’ (een tophit uit die tijd). Ze waren voor u bestemd, voor u alleen,  zodat ik ondanks hun aandringen mijn beste vrienden er geen kopie van heb gegeven. Ik wil er niet bij stilstaan om iets over hun voortreffelijkheid en hun uiteenlopende waard te zeggen, maar ik heb ze tot nu toe als een schat aan mijn borst gedragen. Alle meisjes die bij mij in het gevlij willen komen, moeten ze leren zingen. Mijn zus zal de melodieën (dat zijn nota bene de oude melodieën zoals God ze geschapen heeft) voor u overschrijven.

September 1771


Denken we ons eens in, dat een harpspeler aanwezig wil zijn  bij de oogst van hooi, koren en aardappels, stellen we ons eens voor, dat hij de mensen die  zich om hem heen verzamelen, op datgene opmerkzaam maakt wat hun als iets alledaags overkomt, dat hij het gewone, doordat hij dat observeert, in poëzie uitspreekt en op hoger niveau brengt, en ieder  genot van de gaven Gods en van de natuur met een waardige voorstelling inscherpt, dan kan men zeggen dat hij zijn natie een grote weldaad bereidt.  Want de eerste graad van een ware verlichting is, wanneer de mens eraan gewend raakt over zijn toestand na te denken en die de moeite waard te vinden. Het aardappellied moet men ook werkelijk op de akker zingen waar de wonderbaarlijke  vermeerdering,  die zelfs natuuronderzoekers tot diepgaande bespiegelingen brengt,  na een langdurig en stil groeiproces tevoorschijn komt en een volkomen onbegrijpelijk zegen uit de aarde opkomt, dan pas zal men de verdienste van deze en dergelijke gedichten voelen waarin de dichter de ruwe, lichtzinnige, verstrooide, alles voor bekend aannemende mens opmerkzaam maakt op de hem dagelijks omringende alles voedende hoge wonderen.

Uit Goethes recensie van de lyrische gedichten van Johann Heinrich Voss, 1804

Naar onze mening moet de kritiek zich vooralsnog niet met deze bloemlezing bezig houden. De uitgevers hebben  die met zoveel sympathie, vlijt, smaak en gevoel samengesteld dat hun landgenoten als dank voor die liefdevolle moeite hun goede wil, belangstelling en leesplezier moeten tonen. Van rechtswege zou dit boekje  in elk huis waar  vitale mensen wonen, bij het raam , bij de spiegel  of waar anders lied- en kookboeken plegen te liggen , te vinden moeten zijn om te kunnen worden opengeslagen op elk moment van positieve of negatieve stemming waar men altijd wel iets gelijkgestemds of inspirerends kan vinden, ook al moet men een paar keer een bladzijde omslaan. De beste plek voor dit boekje is op de piano van de muzikale kenner of liefhebber om de daarin opgenomen liederen ofwel met de bekende traditionele melodieën tot hun recht te laten komen, of  er passende melodieën bij te zoeken, of, zo God dat zou willen, nieuwe veelzeggende melodieën aan hen te ontlokken. Wanneer dan deze liederen geleidelijk aan in hun eigen toon- en klankelement van oor tot oor, van mond tot mond overgebracht zouden worden en wanneer ze uiteindelijk in een volmaakte vorm tot het volk zouden terugkeren waaruit ze in zekere zin voor een deel ook zijn voortgekomen, dan zou men kunnen zeggen dat het boekje zijn doel heeft bereikt. Het zou in zijn geschreven en gedrukte vorm ook weer verloren kunnen gaan, omdat het deel uitmaakt van het leven en de cultuur van ons volk.

Uit Goethes recensie van ‘Des Knaben Wunderhorn’, een collectie oude Duitse liederen, uitgegeven door Achim von Arnim en Clemens Brentano., 1806

Al een halve eeuw houdt men zich in Duitsland serieus en met genoegen ermee bezig en ik kom er graag voor uit, dat ik tot diegenen behoor die een op deze voorliefde gebaseerde studie onafgebroken zelf proberen voort te zetten, op alle mogelijke manieren te verbreiden en te bevorderen. Zoals ik trouwens ook niet naliet heel wat gedichten die verwant zijn aan deze soort van gedachten en liederen van tijd tot tijd aan te bieden aan de daarvoor gevoelige componist. We geven graag toe, dat die zogenaamde volksliederen met name ingang vinden door aantrekkelijke melodieën die in eenvoudige tonen voortglijden , waar een in regels gevatte muziek niets mee van doen heeft. Ze staan meestal in een weke  toonaard en brengen daarmee het gemoed in een toestand van empathie waarin we met een weldadig genoegen, overgegeven aan een zeker algemeen en onbepaald welbehagen  als aan de klanken van een aeolusharp, graag vertoeven en er nadien steeds weer hartstochtelijk naar terug verlangen.

Uit Goethes recensie van een verzameling Servische Volksliederen, 1826

Neem nou Burns.  Waardoor anders is hij groot geworden dan doordat de oude liederen van zijn voorgeslacht in de volksmond leefden, doordat hij ze om zo te zeggen in de wieg kreeg voorgezongen, dat hij als jongen bij deze liederen opgroeide en de voortreffelijkheid van deze voorbeelden hem zo vertrouwd werd, dat hij daarin een inspirerende basis had waarop hij verder kon gaan. –

En verder : waardoor is hij groot behalve doordat zijn eigen liederen bij zijn eigen volk onmiddellijk een welwillend oor kregen?  Ze klonken hem al vanuit het veld tegemoet, gezongen door hooisnijders en schovenbindsters. In de kroeg werd hij er door zijn vrolijke vrienden mee begroet. Zo kon dat nog heel wat worden!

Wat armzalig ziet het er daarentegen bij ons Duitsers uit! Wat leefde in mijn jeugd van onze niet minder belangrijke liederen bij het eigenlijke volk?  Herder en zijn navolgers moesten nog beginnen ze te verzamelen en aan de vergetelheid te ontrukken. Toen had men ze tenminste in gedrukte vorm in bibliotheken liggen.  En later, wat hebben Bürger en Voss niet voor liederen gedicht! Wie zou willen zeggen, dat die  minder belangrijk en minder volksliedachtig waren dan die van de voortreffelijke Burns?  Alleen, wat is er van tot leven gekomen zodat het ons vanuit het volk tegemoet klinkt?  Ze zijn opgeschreven en gedrukt en staan in bibliotheken, het algemene lot van Duitse dichters. Wat leeft er van mijn eigen liederen?  Zo nu en dan wordt er wel het een of andere lied gezongen door een aardig meisje bij de piano, maar in het volk als zodanig is het stil.  Met welke gevoelens moest ik denken aan de tijd dat Italiaanse vissers mij passages uit  ‘Tasso’ voorzongen!  Wij Duitsers lopen achter. We hebben weliswaar al een eeuw lang heel ijverig aan cultuur gewerkt. Toch kunnen er nog een paar eeuwen voorbijgaan voordat er bij onze landgenoten zoveel geest en hogere cultuur binnendringt en algemeen wordt, dat ze net als de Grieken de schoonheid hulde brengen, dat ze enthousiast worden voor een aardig lied en dat men van hen zal kunnen zeggen, dat het lang geleden is, dat ze nog barbaren waren.

Tegen Eckermann, 3 mei 1827

Felix Mendelssohn, leerling van  Zelter, was meermaals bij Goethe te gast in Weimar. Over het eerste bezoek in 1821 vertelt Ludwig Rellstab:

In de gezelschapskamer van Goethe bevond zich een voortreffelijke vleugel van Streicher die Rochlitz hem bezorgd had. Daar kwamen we ’s avonds bijeen, want Goethe had weer een vrij groot gezelschap uitgenodigd om zijn vrienden in Weimar, vooral zijn  muzikale vrienden, bekend te maken met het verbazingwekkende talent van het kind over wie Zelter hem al zo veel had verteld, en eerder al heel wat geschreven. Onder de genodigden bevond zich ook Regierungsrat Schmidt uit Weimar, een hartstochtelijk vereerder van Beethoven wiens sonates hij allemaal speelde met vuur en een behoorlijke dosis techniek, grotendeels uit het hoofd. Goethe was een groot liefhebber van de fuga’s  van Bach. Daarom werd ook aan Felix Mendelssohn gevraagd een fuga van de grote meester te spelen.  Zelter koos ze uit de band met fuga’s die binnengebracht werd, en de jongen speelde ze, totaal onvoorbereid, met volkomen zekerheid. Goethe werd er vrolijk van. Hij vroeg Felix onder andere een menuet voor hem te spelen. “Zal ik voor u het mooiste menuet spelen dat op de hele wereld bestaat?” “Goed, en wat is dat dan?” Hij speelde het menuet uit ’Don Juan’  (Don Giovanni).  Goethe bleef aandachtig luisterend bij de piano staan; de vreugde straalde uit zijn ogen. Na het menuet wilde hij ook de ouverture horen, maar Felix ging niet op dat verzoek in met het argument dat dat stuk zich niet op de piano liet spelen zoals het genoteerd stond. Men mocht er niets aan veranderen.  Wel bood hij aan de ouverture bij de ‘Figaro’ te spelen. Hij begon te spelen, licht, trefzeker, de passages mooi afgerond en duidelijk, zoals ik later nooit meer heb gehoord. Goethe werd steeds vrolijker, steeds vriendelijker en begon de jongen een beetje te plagen : “Tot nu toe heb je alleen maar stukken gespeeld die je kende, maar nu willen we eens kijken of je ook iets kunt spelen wat je niet kent. Ik ga je een beetje op de proef stellen”. Hij ging even weg en kwam enkele minuten later weer in de kamer terug. Hij had enkele bladen beschreven muziekpapier meegebracht. “Kijk, ik heb wat uit mijn manuscriptencollectie gehaald om je te testen. Denk je, dat je dit kunt spelen?” Hij legde een blad met duidelijke, maar klein geschreven noten op de lessenaar. Het was Mozarts handschrift. De jonge kunstenaar speelde met volkomen trefzekerheid, zonder ook maar de kleinste fout te maken, het niet gemakkelijk leesbare manuscript van het blad.  Het stuk klonk, alsof Felix het sinds jaar en dag uit het hoofd kende, duidelijk en afgewogen in de voordracht.  Iedereen applaudisseerde luid en Goethe sprak op dezelfde geamuseerde toon : “Dat betekent nog niets! Dat zouden anderen ook best kunnen lezen. Nu ga ik je iets geven waarin je zeker zult blijven steken. Wees op je hoede!”  Met deze woorden haalde hij een ander blad tevoorschijn en legde het eveneens op de lessenaar. Het zag er inderdaad erg merkwaardig uit. Waren het noten  of was het alleen een gelinieerd blad met inktvlekken?  Felix lachte verbaasd: “Hoe is dat nu geschreven? Hoe moet dat nu gelezen worden?”. Maar plotseling werd hij serieus, want terwijl Goethe hem vroeg : “Raad eens, wie dat geschreven heeft”, riep Zelter al uit : “Dat heeft Beethoven geschreven!  Dat zie je al op een mijl afstand! Die schrijft altijd als met een bezemsteel en wrijft met zijn mouwen over de pas geschreven noten. Ik heb veel manuscripten van hem.  Je haalt ze er zo uit”.  Bij deze naam was Felix plotseling ernstig geworden, ja, meer dan dat. Van zijn gezicht was een heilige verbazing af te lezen. Met onderzoekende blik keek Goethe hem aan. De jongen hield zijn ogen gespannen op het manuscript gericht en ontdekte vol verrassing hoe uit de chaos van doorgestreepte, half uitgewiste, erboven en ertussen geschreven noten en woorden een muzikale gedachte opdoemde van schoonheid, van diep en edel gevoel. Dat alles duurde maar enkele seconden, want Goethe wilde geen tijd voorbij laten gaan en Felix geen tijd gunnen voor voorbereiding. “Zie je wel”, riep hij uit, “zei ik het niet, je zult er in blijven steken! Probeer maar! Laat zien wat je kunt!” Felix begon onmiddellijk te spelen. Het was een eenvoudig lied, duidelijk geschreven, kinderlijk gemakkelijk, helemaal geen moeilijke opgave, zelfs voor een middelmatig speler, maar het ging er wel om uit de tien, twintig doorgestreepte en half uitgewiste noten de juiste te vinden met een snelheid van blik die maar aan weinigen vergund is.  Zo speelde hij het een keer door, over het algemeen correct, maar toch op sommige plekken aarzelend, met veel misslagen die hij verbeterde : “Nee, zo!”. Toen riep hij : Nu zal ik het voor u voorspelen!”.  Deze keer miste hij geen enkele noot. De zangstem zong hij nu eens mee, dan weer speelde hij hem op de piano.  Hierna vond Goethe het welletjes. De jonge pianist kreeg de hoogste lof van hem, die zich bij Goethe ook nu weer in plagerijtjes verborgen hield : “ hier moest je toch even stoppen en daar was je ook niet helemaal zeker”  De oude schrijver voorspelde het muzikale wonderkind een grote toekomst. Daarover praatte hij met me in warme bewoordingen, ook later nog.

Over het laatste bezoek dat Mendelssohn aan Goethe bracht, schreef hij zelf :

Goethe gaat zo vriendelijk met me om dat ik hem daar niet  genoeg dankbaar voor kan zijn. ’s Morgens speel ik hem een uurtje stukken van verschillende grote componisten voor op de piano. Dat doe ik in chronologische volgorde en vertel hem daarbij,  hoe ze zich hebben ontwikkeld. Hij zit in een donker hoekje als een Jupiter Tonans (donderende Jupiter) en zijn oude ogen schieten vuur. Van Beethoven wilde hij eerst niets weten. Ik zei hem echter, dat ik hem daarbij niet kon helpen, maar speelde hem het eerste deel uit de symfonie in c voor. Dat maakte een enorme indruk op hem. Hij zei : “ Dat ontroert totaal niet, het overdondert, het is grandioos!”.  Zo bromde hij verder en sprak na lange tijd opnieuw : “ Dat is grootse muziek,  wat extreem! Je zou vrezen dat het huis zou instorten. Stel je voor dat alle mensen dat samen spelen!” . Bij het eten, midden in een ander gesprek, begon hij er weer over.

Felix Mendelssohn aan Zelter, mei 1830

Goethe zelf schrijft erover :

Zojuist is om half tien bij heldere hemel en stralende zon de voortreffelijke Felix vertrokken, samen met Ottilie , Ulrike en de kinderen. Hij heeft veertien dagen in de beste stemming  bij ons doorgebracht en alles met zijn sympathieke kunstenaarschap doen stralen. Hij gaat naar Jena om ook daar zijn vrienden een  plezier te doen en in onze omgeving een aandenken achter te laten, dat ons altijd bij zal blijven. Zijn aanwezigheid deed me veel goed, omdat ik merkte, dat mijn verhouding tot de muziek nog altijd dezelfde is. Ik luister er met genoegen en aandacht naar, en houd van de geschiedenis erachter, want wie kan iets begrijpen wanneer hij niet diep doordrongen is  van de oorsprong ervan? Voor mij was het dan ook hoofdzaak, dat Felix oog heeft voor deze trapsgewijze ontwikkeling en hij uit het hoofd allerlei voorbeelden kan laten horen. Zo bracht  hij voor mij eerst  de periode van Bach en daarna die van Haydn, Mozart en Gluck tot leven. Daarna gaf hij me een uitvoerige blik op de werken van de recente technische componisten en uiteindelijk ook op zijn eigen composities.

Aan Zelter, 1 juni 1830

In oktober 1829 speelde Paganini in Weimar, nadat hij ook al in het voorjaar in Berlijn was opgetreden. Hier leerde Zelter hem kennen.

Over Paganini schrijft Zelter aan Goethe :

Paganini jaagt hier met zijn vermaledijde vioolconcerten bij mannen en vrouwen het hoofd op hol en zal er wel weer met 10000 Taler uit Berlijn van door gaan,  wanneer hij ze tenminste al niet eerder in de ‘Pharao’ heeft verloren. Ik heb het geld niet om hem voor zijn kunsten elke keer twee Taler te geven en ik heb nog niets van hem gehoord, alleen zijn portret gezien, dat lijkt op een heksenkind. Het eigenlijke ongeluk dat hij over ons afroept bestaat daarin, dat hij bij ons de jonge violisten in het orkest totaal ruïneert.

Goede Vrijdag 1829

Afgelopen dinsdag heeft Paganini mij in de academie een bezoek gebracht en over onze producties gehoord. Daags daarop heb ik hem dan eindelijk gehoord. Het is buitengewoon, wat deze man presteert. Daarbij moet ik opmerken, dat  iedereen vol verwachting is over het effect van zijn spel dat voor andere virtuozen op zijn instrument totaal onbegrijpelijk is.  Zijn optreden brengt meer dan muziek, zonder dat het ook hogere muziek inhoudt en ik denk dat ik, ook wanneer ik hem vaker hoor, bij die mening blijf.  Ik had een plaats van waaruit ik alle bewegingen van zijn handen en armen kon zien.  Bij iemand van zijn kleine postuur moesten die bewegingen wel van een bijzondere buigzaamheid, kracht en elasticiteit zijn, omdat hij zonder blijken van vermoeidheid als een uurwerk met een ziel naar een adembenemende climax toe werkt.  De honderden kunstgrepen  met zijn strijkstok en zijn vingers die allemaal apart zijn uitgedacht en ingeoefend, manifesteren zich in een smaakvolle volgorde en maken ook zijn kwaliteit als componist duidelijk. 

1 mei 1829

Gisteren heb ik Paganini weer gehoord. Die kerel is een echte rariteit : hij valt samen met zijn viool. Men schrikt, moet lachen, men houdt zijn hart vast bij de gevaarlijke salto’s en slaloms. Hij heeft bij iedereen succes vanwege de complexiteit van zijn spel.   Het ontbreekt hem niet aan charme en esprit en ook wat niet helemaal lukt, is toch nog nieuw en interessant.

14 mei 1829

Goethe schrijft aan Zelter :

Allereerst mijn grote dank voor uw uitvoerige beschrijving  van Paganini. Wanneer ik die vergelijk met wat in de Berliner Zeitung is te lezen, dan ontstaat er bij mij in mijn voorstelling toch wel een duidelijk beeld en wat men eigenlijk zou moeten horen wordt in hogere zin tot op zekere hoogte aanschouwelijk. Ik gun hem zo’n luisteraar en u zo’n virtuoos.

17 mei 1829

Nu heb ik Paganini ook gehoord en direct daarna uw brief tevoorschijn gehaald waardoor ik me kon inbeelden wat verstandigs over dit fenomeen te denken. Wat ik miste  was echt genieten en wat bij mij altijd tussen zinnelijkheid en verstand zweeft, een basis voor deze vlammen- en wolkenzuil. Wanneer ik in Berlijn zou zijn, dan zou ik de kwartetavonden bij Möser zelden missen. Deze soort van demonstraties waren voor mij vroeger al het meest begrijpelijke van de instrumentale muziek. Men luistert naar vier verstandige lieden die met elkaar converseren, meent iets van dit discours te kunnen meenemen en de eigenaardigheden van de instrumenten te leren kennen. Deze keer misten mij hart en oor een dergelijk fundament, ik hoorde slechts iets meteoor-achtigs en ik kon er geen rekenschap over geven. Het is interessant de mensen, met name de vrouwen, erover te horen praten. Het zijn eigenlijk bekentenissen die ze in het volste vertrouwen uitspreken.

9 november 1829

In de Revue de Paris, no 1 van 1 mei, derde jaargang, staat een merkwaardig essay over Paganini.  Het is van een arts die  Paganini meerdere jaren heeft gekend en verzorgd.  Hij zet op uiterst vernunftige wijze uiteen, hoe het muzikale talent van deze merkwaardige man  door zijn lichaamsbouw en de proporties van zijn ledematen is bepaald en begunstigd,  en dat hij daardoor het ongelofelijk en onmogelijke wel tot stand móest brengen.  Dit onder andere brengt ons weer bij de overtuiging, dat het organisme in zijn determinaties de wonderlijke manifestaties van  levende wezens voortbrengt.  Omdat er nog ruimte is, wil ik hier nog één van de grootste woorden neerschrijven die onze voorvaderen aan ons hebben overgeleverd : “De dieren worden door hun organen onderricht”.  Wanneer men bedenkt hoeveel er van het dier in de mens over blijft, en dat de mens de mogelijkheid heeft zijn organen te onderrichten, dan keert  men maar al te graag naar deze zienswijze terug.  En nu snel in de enveloppe, opdat ik er geen spijt van krijg zoiets wonderlijks aan het papier te hebben toevertrouwd.

9 juni 1831

Lieve vriend, veel dank voor datgene wat u voor de jonge (Karl) Eberwein kon en wilde doen.  De kunstwereld is er zo erg aan toe, dat  een jong iemand  niet zo gemakkelijk kan bedenken, waarop het aankomt.  Ze zoeken het altijd ergens anders dan daar waaruit het voortkomt en wanneer ze eenmaal de bron ontwaren, kunnen ze de weg ernaartoe niet vinden.  Daarom brengen me ook een half dozijn jongere poëtische talenten tot vertwijfeling die ondanks hun buitengewone natuurlijke aanleg nauwelijks iets tot stand brengen wat me plezier kan doen. Werner, Oehlenschläger, Arnim, Brentano en anderen gaan steeds maar verder, maar al hun werk   mist vorm en karakter.  Niemand wil begrijpen, dat het belangrijkste en unieke aspect van natuur en kunst de vormgeving is en in de vorm de specificatie om iedere zaak zijn eigen bijzondere belang te geven. Het is geen kunst zijn talent zomaar voor de grap naar eigen voorkeur in te zetten.  Er moet altijd íets uit ontstaan, zoals uit het verstrooide zaad van Vulcanus een mooie  slangenjongen ontstond.  Wanneer u een kwartiertje de tijd heeft, doe me dan het plezier, lieve vriend,  voor mij met enkele karakteristieken de waanvoorstellingen bij de muzikale jeugd te schetsen. Ik zou ze met de misgrepen van de schilders willen vergelijken. Want men moet eens en vooral over deze zaken een evenwichtig standpunt innemen,  het hele gedoe links laten liggen, niet denken aan de ontwikkeling bij anderen en men moet de korte tijd die er nog overschiet aan het eigen werk wijden. 

Aan Zelter, 30 oktober 1808

In de staat bestaat het ongeluk, dat niemand wil genieten van het leven, maar dat iedereen wil regeren. In de kunst bestaat het ongeluk, dat niemand wil genieten van wat voortgebracht is, maar dat iedereen iets van zijn kant wil voortbrengen. Ook denkt niemand eraan zich door een stuk poëzie  op zijn eigen weg te laten inspireren, maar iedereen wil dadelijk hetzelfde tot stand brengen.  Verder ontbreekt het aan een serieuze houding  die op het geheel betrekking heeft,  een streven om iets in het belang van dat geheel te doen. Men is er alleen maar op uit,  om zijn eigen ik in de openbaarheid te plaatsen. Deze kwalijke neiging is overal te zien waarbij men de virtuozen van nu imiteert die niet zulke stukken voor een uitvoering kiezen die de toehoorders een puur muzikaal genot bereiden, maar eerder stukken waarin de musicus zijn virtuositeit kan laten bewonderen.  Overal is het het individu dat met zichzelf pronken wil en nergens treft men het redelijk streven aan om zichzelf weg te cijferen ten gunste van het geheel en de zaak zelf.

Tegen Eckermann, 20 april 1823

Ik kan niet afsluiten zonder nog even stil te staan bij die overvolle muziek in Spontini’s  opera Alcidor. Alles is tegenwoordig ultra en onophoudelijk transcendeert het in denken en in doen.  Niemand kent zichzelf meer,  niemand begrijpt het element waarin hij zweeft en werkt, niemand de stof die hij bewerkt.  Van pure eenvoud kan geen sprake zijn; echt simpel spul is er genoeg.

Aan Zelter 6 juni 1823

Ik heb een bief van Zelter. Hij schrijft onder andere dat de uitvoering van “Messias” door een van zijn leerlingen is bedorven omdat ze een aria te week, te zwak en te sentimenteel gezongen had.  Dat sentimentele is een karaktertrek van onze eeuw.  Ik houdt het bij de hypothese dat het in Duitsland een gevolg is van de inspanning die het kostte om de Fransen krijt te raken.  Schilders, natuurwetenschappers, beeldhouwers, musici, dichters, het is op enkele uitzonderingen na, allemaal zwak en ook in de grote massa staat het er niets beter voor.

Tegen Eckermann, 12 februari 1829

“Ik kan me niet herinneren”, zei Goethe, “dat ik met zoveel plezier en emotie naar pianospel heb geluisterd als dat van u” en hij weidde uit over muziek en voordracht. Tegen kanselier von Müller had hij gezegd dat hij verwacht had een van die jonge kunstenaressen te horen die de meeste energie besteden aan het inoefenen van moeilijke passages.  Dat is men tenslotte bij virtuozen gewend. Hij vergiste zich echter en had diep doorvoelde muziek gehoord.

Medegedeeld door de pianiste Caroline von Pentheler, 9 maart 1829

Een vader bracht zijn pianospelende dochter (Clara Wieck) bij me die nieuwe Parijse composities voordroeg. Ze zou immers ook naar Parijs gaan. Haar manier van spelen was nieuw voor mij : die verlangt een grote virtuositeit in voordracht, maar is altijd vrolijk. Men gaat er graag in mee en laat het zich aanleunen.

Aan Zelter, 5 oktober 1831

Over Schuberts zetting van ‘Erlkönig’ :

Goethe zei onder andere : “ Kort geleden was madame Devrient hier en heeft me een romance voorgezongen; welnu, men moet zeggen, dat de componist het paardengetrappel voortreffelijk tot uitdrukking heeft gebracht. Het is niet te ontkennen, dat in deze door velen bewonderde compositie het huiveringwekkende tot in het extreme is opgevoerd, vooral wanneer de zangeres de bedoeling heeft zich te laten horen”.

Genoteerd door J.G. von Quandt, 1826

In snelde op Goethe af om te vragen of hij mevrouw Schröder-Devrient wilde ontvangen. “Het zal me een plezier doen deze kunstenares over wie ik al veel positiefs heb gehoord, te leren kennen”, antwoordde hij. Ik vroeg hem nog, of ze hem wat mocht voorzingen, omdat hij immers vanwege de rouwperiode  (vanwege de dood van de groothertogin) het theater niet bezocht. “Dat zal mijn plezier alleen maar vergroten”, zei hij.  Ik merkte nog op, dat hij dan wel een goede begeleider zou mogen uitnodigen en dat mijn vrouw die taak wel op zich zou willen nemen, en hij antwoordde lachend : “Kijk, kijk! Ik leer weer een nieuw talent bij uw vrouw kennen”. De volgende dag ontving hij madame Devrient persoonlijk en vol sympathie. Ze zong onder andere Schuberts ‘Erlkönig’ voor en hoewel Goethe geen vriend van doorgekomponeerde strofeliederen was, greep de hoog dramatische voordracht van de onvergelijkelijke Wilhelmine hem zo geweldig aan, dat hij haar hoofd in beide handen nam en haar op het voorhoofd kuste met de woorden : “Duizendmaal dank voor deze fantastische prestatie!”.  Toen vervolgde hij : “Ik heb vroeger deze compositie als eens gehoord en toen sprak het stuk me totaal niet aan, maar wanneer het zo wordt voorgedragen ontwikkelt het geheel zich tot een zichtbare voorstelling. Ook u, mevrouw Genast”, - hij wendde zich tot mijn vrouw -  “dank ik voor uw karakteristieke begeleiding”.

Genoteerd door de zanger Eduard Genast, april 1830

De stukken van Schiller (bedoeld zijn liederen van Zelter voor de Musenalmanach 1797 van Schiller) zijn voortreffelijk gelukt. De compositie vult ze aan, zoals eigenlijk het lied door de erbij gecomponeerde muziek pas volledig afgerond is. Hier is echter van iets heel eigenaardigs sprake. Het denkende of gedachte enthousiasme wordt nu pas  opgenomen in het vrije en liefelijke element van de zinnelijkheid en versmelt daarmee. Men denkt en voelt en wordt erdoor meegesleept.

Aan Zelter, december 1809

Een componist moet een gedicht begeleiden, dragen, op hoger plan brengen en goed laten uitkomen.

Aan Zelter, 17 april 1813

Uw composities ervaar ik onmiddellijk als identiek aan mijn liederen, de muziek neemt alleen maar als instromend gas, de luchtballon mee de hoogte in. Bij andere componisten moet ik eerst nagaan hoe ze het lied hebben opgevat en wat ze ervan gemaakt hebben.

Aan Zelter, 11 mei 1820

Een diep gevoeld aandeel in een poëtische productie kan niet mooier tot uitdrukking worden gebracht, dan wanneer een musicus  zich erin onderdompelt om het gedicht het echte leven in te blazen en het door zijn persoonlijkheid te individualiseren. Daardoor ontstaat een nieuw poëem dat de dichter zelf verrast.

Aan Carl von Schlözer, 27 augustus 1820

Het geeft aanleiding tot interessante bespiegelingen wanneer men ziet, hoe de componist, doordat hij zich een  lied toe eigent en het op zijn manier tot leven wekt, aan de poëzie een zekere veelzijdigheid geeft, die ze op zich genomen niet kan bezitten. Daaruit wordt duidelijk, dat iets eenvoudigs en schijnbaar beperkts tot de meest uiteenlopende producties aanleiding kan geven, wanneer het maar inspirerend werkt.

Aan Moritz von Dietrichstein, 23 juni 1811

Ik zou met enkele eenvoudige, oprechte woorden willen uitspreken, dat ik bij mijn zo uiteenlopende, onder de meest verschillende aanleidingen ontstane gedichten een innerlijke overeenstemming en ideële totaliteit waarneem, wanneer de toonkunstenaar ze ook in de eenheid van zijn gevoel opneemt en naar zijn eigen idee bewerkt, alsof ze ook een geheel vormden. 

Aan Wenzel Joseph Tomaschek, 18 juli 1820

Ik heb alle waardering voor uw respectvolle houding ten aanzien van muziek en ik geef graag toe, dat zettingen van liederen en andere teksten, op de keeper beschouwd, vaak alleen maar een qui(d) pro quo opleveren. Zelden wordt de dichter in zijn bedoelingen volledig doorzien. Men leert alleen maar de stijl en de stemming van een compositie kennen. Toch heb ik ook daar heel wat waardevols gevonden, waarin men zich veelvoudig weerspiegeld ziet,  gecomprimeerd, uitgebreid, zelden helemaal zuiver. Beethoven heeft hier wonderen verricht.

Aan Marianne von Willemer, 12 juli 1821

Tenslotte gaf ik  Goethe enkele zettingen van mij bij enige van zijn gedichten en ik vertelde hem over het ontstaan van mijn twee zettingen van het “Heidenröslein” en vroeg hem, welke kleur, de sentimentele of de humoristische, de juiste was. Hij gaf me – typisch voor hem – een objectief antwoord. Beide mogelijkheden zijn juist, men kan het gedicht opvatten zoals men wil.  Bij mijn gedichten stel ik niet de eis dat iedereen ze door dezelfde bril moet bekijken. Ieder kan eraan ontlenen wat hij erin aantreft en dat is dan voor hem de waarheid.

Genoteerd door Xaver Schnyder von Wartensee, 11 juli 1829

Uw zetting van mijn ballade ‘Johanna Sebus’ heb ik voor het eerst in een minder geslaagde uitvoering gehoord. Het was wel voldoende om u te kunnen verzekeren, dat ze op mijn een voortreffelijke indruk maakt. Het zou me teveel woorden kosten wanneer ik alles zou willen zeggen wat mij bij deze gelegenheid door het hoofd geschoten is.  Ik noem slechts één aspect, dat u namelijk op een heel opvallende manier van datgene gebruik heeft gemaakt, waarvoor ik geen naam heb, dat men echter imitatie, schildering en ik weet niet wat noemt en dat bij anderen zeer gebrekkig wordt toegepast met ongewenst resultaat. Het is een soort symboliek voor het oor, waardoor het onderwerp, of het nu in beweging is of niet, noch geïmiteerd wordt noch nageschilderd, maar op een volstrekt unieke en onbegrijpelijke manier in de verbeelding wordt opgeroepen, terwijl het aangeduide nauwelijks in betrekking lijkt te staan  tot het aanduidende. Dat op een heel natuurlijke manier in muziek de donder kan voortrollen en de golven kunnen opbruisen, is vanzelfsprekend. Het is verrassend, hoe treffend u de ontkenning ‘Kein Damm, kein Feld’ door de afgemeten, onderbroken voordracht hebt uitgedrukt, net als de anticipatie van het aangename voor de plaats ‘Doch Suschens Bild’.

Aan Zelter, 6 maart 1819

Op uw vraag, wat een musicus mag schilderen, waag ik het met een paradox te antwoorden : “Niets en alles. Niets mag hij nabootsen voor zover hij het via de uiterlijke zintuigen ontvangt, maar alles mag hij tot uitdrukking brengen wat hij bij deze zintuigelijke indrukken aan gevoelens ervaart.  Donder in muziek nabootsen is geen kunst, maar de musicus die  het gevoel in me opwekt zoals wanneer ik het hoorde donderen, verdient groot respect.  Zo hebben we in tegenstelling daarmee voor volkomen rust, voor zwijgen, ja, voor ontkenning als zodanig een bepaalde uitdrukking in de muziek waarvan ik volmaakte voorbeelden zou kunnen noemen. Ik herhaal : het is het grote en waardevolle voorrecht van muziek om het innerlijk gevoel tot klinken te brengen zonder de algemene uiterlijke middelen daarbij te gebruiken”.

Aan de liederencomponist Adalbert Schöpke, 16 februari 1818

De meest volmaakte vorm van schildering in de muziek is die welke u ook hanteert. Het komt erop aan de toehoorder in de stemming te brengen die het gedicht aangeeft.  In de verbeelding vormen zich dan de gestalten naar aanleiding van de tekst. Hoe ze daarop komt, weet ze niet. Treffende voorbeelden daarvan heeft u gegeven in uw zettingen van ‘Johanna Sebus’, ‘Mitternacht’, ‘Über allen Gippfeln ist Ruh’ en waar niet al.  Laat me zien wie afgezien van uzelf iets dergelijks heeft gepresteerd.  Klanken (Töne) door tonen schilderen, te donderen, te klateren, is verfoeilijk. Een minimum daarvan wordt wijselijk  in de genoemde gevallen als puntje op de i toegepast, zoals u ook doet.

Aan Zelter, 2 mei 1820

Hierop bracht Goethe het gesprek weer op Zelter en vroeg me wat ik van diens composities vond. Dat zou voor velen een listige vraag zijn geweest, want het was algemeen bekend ,  wat voor hoge dunk Goethe van zijn vriend had. Ik kende Goethe vanuit zijn boeken al voldoende goed om te weten, dat  hij via de meningen van anderen hun visie wilde leren kennen.  Iedere visie bezag hij met de grootste tolerantie, of het moest om echt smakeloze standpunten gaan.  Daarom voelde ik geen aarzeling om mijn standpunt duidelijk uit te spreken en zei : “ Ik ken van Zelter alleen zijn liedzettingen. Qua behandeling van de inhoud lijken ze me belangrijk toe, maar hun vorm is passé”.  “Leg dat eens uit”,  zei Goethe.  “ Onze muzikale taal”, antwoordde ik, “ is sinds Haydn en Mozart bloemrijker , sprekender en charmanter geworden. Bij Zelter wordt de melodie altijd met veel karakter  gedeclameerd, geaccentueerd en geritmiseerd, maar zijn toonfiguren die nauw verwant zijn aan die van Schulz en Reichardt, zijn nu verouderd. Bij eenvoudige zangmelodieën die nog tegen volksmuziek aanliggen, valt dat niet zo op, maar bij de begeleidingsfiguren treedt het sterk naar voren. Bij Zelter vinden we zelden iets meer dan de nodige opvulling van de harmonie en de aanvulling van de ritmische stroom.  De jongere componisten hebben het in hun beste werken verheven tot een spreekbuis van het gevoel. Wanneer u wilt proberen de bas- en middenstem van veel liederen van Zelter zonder de melodie te laten spelen, zult u nauwelijks iets waarnemen van een stemming die overeenkomt met een gevoel. Wanneer u hetzelfde experiment doet met een lied van Mozart, Weber of Beethoven, blijkt iets anders: daar voelt men al  leven en het opkomen van een bepaald gevoel, ook zonder de melodie en toch is dat nog maar gestamel. De muziek zal hopelijk zover komen, dat iedere nevenstem een bijdrage, hoe gering ook, kan leveren aan de uitdrukking van het gevoel”. Ik was in het vuur van mijn betoog en schrok bijna van mijn woordenstroom. Goethe had me met peinzende blik opmerkzaam en, naar ik me verbeeldde, niet zonder belangstelling aangehoord. Nadat ik gestopt was, bleef hij een ogenblik in gedachten verzonken.  Plotseling ging hij naar de vleugel toe die in de ontvangstkamer stond, opende hem en zei : “ Doe het voorgestelde experiment nu gelijk maar! Wat men deduceert, moet men, wanneer het helder en duidelijk is, ook met bewijzen kunnen staven”.  Ik speelde eerst de begeleiding van een lied van Zelter, dan, wanneer ik me goed herinner, de begeleiding bij Klärchens lied uit ‘Egmont’ “Trommeln und Pfeifen”, en tenslotte de melodieën van beide liederen. “Goed!”, zei Goethe, nadat ik was gestopt, “de wereld blijft nu eenmaal niet stilstaan, ook al berooft  haar voortgang ons soms tot ons ongenoegen van onze gewoontes. Ik wil het u maar eerlijk zeggen, dat uw voorbeelden niet zo’n indruk op me hebben gemaakt als ik van uw nieuwe principe verwachtte,  dat best geldig kan zijn, wanneer muziek überhaupt daartoe in staat is. Maar daarin ligt voor jullie jongere componisten de gevaarlijk demon: jullie zijn gauw klaar met het scheppen van nieuwe idealen, maar hoe staat het met de uitvoering ervan? Jullie eis, dat elke stem iets te zeggen moet hebben, klinkt heel goed. Je zou denken, dat die al lang elke componist voor ogen stond en ook toegepast werd, omdat ze het verstand zo aanspreekt. Maar of het muzikale kunstwerk het doorvoeren van dit principe kan verdragen en of daardoor niet andere nadelen voor het muziekplezier ontstaan, is een andere kwestie.  U zult er goed aan doen wanneer u dit principe gestaag blijft doordenken en uitproberen.  In alle kunsten zijn er zwakheden qua idee, die echter in de praktijk getolereerd moeten worden omdat men anders de natuur te dichtbij komt en de kunst  in haar tegendeel ontaardt.

In gesprek met de musicus Christian Lobe, 1820

In veel rollen was Ehlers bruikbaar en aangenaam, zowel als acteur als in zijn hoedanigheid van zanger, vooral wanneer hij in gezelschap balladen en andere dergelijke liederen bij de gitaar voordoreg  met de uiterste precisie betreffende de tekst.  Hij richtte zich onvermoeibaar  op de uitdrukking van de eigenlijke tekstinhoud die daarin bestaat dat de zanger op één melodie de meest verschillende  betekenissen van de afzonderlijk strofen laat doorklinken en zo de plicht van epicus èn lyricus weet te vervullen.  Hiervan doordrongen, liet hij het graag gebeuren, wanneer ik hem de suggestie deed ’s avonds urenlang, ja tot diep in de nacht, hetzelfde lied met alle schakeringen zo nauwkeurig mogelijk te herhalen. Wanneer dat lukte kwam hij zelf tot de overtuiging,  hoe verwerpelijk het is om strofische liederen dóór te componeren, waardoor het lyrische karakter ervan te niet wordt gedaan en een onterechte nadruk op het detail komt te vallen.

Annalen 1801

Door zijn zettingen van enkele liederen van Schiller en mij heeft Zelter onze winterse uren zeer veraangenaamd. Hij treft het karakter van zo’n lied met gelijke terugkerende  strofen voortreffelijk, zodat het in elke afzonderlijk deel opnieuw wordt gevoeld, daar waar anderen door een zogenaamd doorcomponeren de indruk van het geheel door in het oog springende details verstoren.

Aan Wilhelm von Humboldt, 14 maart 1803

Ik kan niet begrijpen hoe Beethoven en Spohr een zo volkomen foute opvatting van een lied hadden,  waardoor zij het door componeerden. De in iedere strofe op dezelfde plaats voorkomende onderscheidingstekens waren volgens mij voor de componist voldoende  hem te laten zien dat ik van hem alleen maar een lied verwachtte.  Mignon kan met haar karakter wel een lied, maar geen aria zingen.

Aan Tomaschek over Mignons lied ‘Kennst Du das Land”, 6 augustus 1822

Waarschijnlijk wilde Goethe zich ervan overtuigen of ik vorderingen had gemaakt bij de voordracht, die voor hem de hoofdzaak was.  Ik zong voor hem eerst  ‘Jägers Abendlied’, gecomponeerd door Reichardt. Hij zat erbij in een leunstoel en bedekte met zijn  hand zijn ogen. Tegen het einde van het lied sprong hij op en riep: “Dat lied zing je slecht!”. Toen liep hij een beetje voor zich heen neuriënd de kamer op en neer en zei : “Het eerste en derde vers moeten kernachtig, met een soort van wildheid worden voorgedragen, het tweede en vierde zachter, want daar is sprake van een ander gevoel. Zie je?  Het gaat zo : da ram, da ram, da ram, da ram! “ Daarmee gaf hij tegelijkertijd met zijn armen op en neer zwaaiend, het tempo aan. Nu wist ik wat hij wilde. Op zijn verzoek herhaalde ik het lied. Hij was tevreden en zei : “Zo is het beter. Geleidelijk aan zal het je wel duidelijk worden, hoe men zulke strofische liederen moet voordragen”.

Genoteerd door de anger Eduard Genast, januari 1815

Mijn zondagse huismuziek loopt heel goed. Alleen lopen  de jongelui, zoals u wel weet,  heel graag volgens hun eigen plan en iedereen voelt zich beter in zijn vel, wanneer hij als solo een lamentabel graflied of een jammerklacht zingt over een  verloren liefde.  Ik laat dergelijke dingen best toe, tegen het einde van elke bijeenkomst, en ik verwens daarbij de Mathissons, Salis, Tiedgens en de hele clerus die ons, mismoedige Duitsers, zelfs in liederen verwijst naar bovenwereldlijke regionen, waaruit we trouwens weer heel vlug tevoorschijn komen.  Daar bij doet zich nog het geval voor, dat de musici zelf hypochondrisch zijn en dat zelfs vrolijke muziek tot zwaarmoedigheid kan leiden. Ik ben blij met wat, lieve vriend, van uw hand is.  Ook gisteren weer was het bij ‘Niemals erscheinen die Götter allen’ , bij ‘Lieben Freunde, es gab bessre Zeiten’ alsof iedereen de stof en de as van een eeuw van zijn hoofd schudde.

Aan Zelter, 22 januari 1808

Spaarzaam, maar toch weldadig werd muziek mijn deel.  Mijn vriend Zelter gaf me een kinderlied dat voor het Nepomuksfeest in Karlsbad was geschreven en enkele andere liederen van soortgelijk naief karakter, op hoger niveau bewerkt, terug. Muziekdirecteur Eberwein wijdde zijn talent met succes aan de ‘Divan’ en zo beleefde ik door de allerliefste voordracht van zijn vrouw heel wat gezellige uurtjes.

Annalen 1820

Een heerlijke zomeravond bij Goethe in de tuin. De stadsmusici speelden voortreffelijk. Toen ze ‘Einsam bin ich, nicht alleine’ uit ‘Preziosa’ van Weber speelden, was Goethe uiterst ontevreden : “Zulke huilerige, sentimentele melodieën  deprimeren me. Ik heb behoefte aan  krachtiger en vitaler muziek om me te herpakken. Napoleon die een tiran was, hield, naar men zegt, van zachte muziek. Ik houd, vermoedelijk omdat ik geen tiran ben, van  ruisende, levendige, vrolijke muziek. De mens verlangt altijd naar datgene wat hij niet is”.

Genoteerd door kanselier Friedrich von Müller, 24 juni 1826

Krijgsliederen schrijven en in de kamer zitten! Dat zou mijn manier geweest zijn! Weg uit het bivak, waar men ’s nachts de paarden van de vijandelijke voorpost hoort hinniken, dat had ik me laten welgevallen!  Dat was dus niet mijn leven en mijn ding, maar wel die van Theodor Körner. Zijn krijgsliederen passen dan ook volkomen bij hem.  Bij mij echter die geen krijgshaftige natuur heb, zouden krijgsliederen een masker zijn geweest dat me heel slecht gestaan zou hebben.

Tegen Eckermann, 14 maart 1830

Sprekend over de oogst van uw liederentafel waarover u niet ontevreden bent, zou ik willen zeggen, dat deze jongelui in overeenstemming met de voortgaande tijd, natuurlijk ook verder willen, maar waarheen? Dat is de vraag. Wij voor onszelf verlangden, zoals al onze liederen laten zien, naar een beschutte vrolijkheid en voerden een onschuldige oppositie tegen de Filistijnen.  Deze zijn weliswaar niet overwonnen en verdelgd, maar ze krijgen geen aandacht meer.  Nu zoeken de nieuwe optimisten hun tegenstanders op een hoger plan en het zou me verbazen wanneer uw leerlingen niet op het terrein  van Béranger zouden komen. Dat is inderdaad een gebied waarop nog wat te doen is en waarheen ze ons zouden kunnen meenemen, verondersteld, dat ze even veel talent hebben als de zojuist genoemde. Deze en vele andere zaken vertrouwen we maar toe aan de demonen die hun poten al in deze materie hebben gestoken.

Aan Zelter, 6 november 1830

Met de opera zoals die bij ons is georganiseerd, laat ik me niet in, vooral omdat ik op deze muzikale dingen geen volledig zicht heb.  Ik zou daarom het saeculum aan zichzelf willen overlaten en mij in het sacrale terugtrekken.  Ik zou elke week bij mij thuis meerstemmige geestelijke gezangen willen laten uitvoeren op de manier van uw instituut, hoewel slechts als een vage afspiegeling daarvan. Helpt u mij daarbij en zend me vierstemmige, niet al te moeilijke gezangen, in losse partijen uitgeschreven.

Aan Zelter, 27 juli 1807

Goethe had Handels ‘Messias’ al in 1780, 1781 en 1811 gehoord. In 1824 las hij in het destijds door Friedrich Rochlitz uitgegeven boek ‘Für Freunde der Tonkunst’ een interpretatie van dit oratorium. Hij merkt daarbij het volgende op :

Ze wekte in mij het onweerstaanbare verlangen van het werk dat me ooit in contact heeft gebracht met de meest serieuze toonkunst, opnieuw zoveel te beluisteren,  dat de oude half verklonken gevoelens zich weer ontwikkelden en het jeugdige plezier zich  in hart en ziel zou vernieuwen. Dat doel bereik  ik nu onder begeleiding van de energieke muziekdirecteur door de deelname van toonkunstenaars en liefhebbers. Ik volg nu het onschatbare werk in zijn verloop via de analyse die voor me ligt. Men gaat een stukje verder, men herhaalt   wat.    Binnen enige tijd hoop ik weer helemaal van Handels prestatie doordrongen te zijn.

Uit Goethes recensie 1824

Op een wonderlijke manier ben ik weer met Handel in contact gekomen : Rochlitz’  analyse van ‘Messias’ die opgenomen is in de eerste band van “Für Freunde der Tonkunst” , pag, 227, heeft me weer de partituur van Handel in een bewerking van Mozart ter hand laten nemen.  Daar kan ik vooralsnog alleen de ritmische  motieven uit lezen. Binnenkort hoop ik door de uitvoering van Eberwein ook de harmonische kant te leren kennen.

Aan Zelter, 8 maart 1824

’s Avonds had ik bij Goethe een bijzondere muzikale ervaring doordat ik highlights uit  de  ‘Messias’ van Handel hoorde uitvoeren waartoe enige voortreffelijke zangers onder leiding van Eberwein  zich hadden verenigd. Ook gravin Caroline von Egloffstein, Fräulein von Froriep, mevrouw Von Pogwisch en mevrouw Von Goethe hadden zich bij de zangeressen aangesloten en werkten van harte mee aan het vervullen van deze al zo lang door Goethe gekoesterde wens.  Goethe zat op enige afstand, luisterde aandachtig en bracht zo een gelukkige avond door, vol bewondering voor dit grootse werk.

Genoteerd door Eckermann op 14 april 1824

Goethe was met het werk van Bach in contact gekomen door organist Johann Schütz in Bad Berka bij Weimar, Carl Friedrich Zelter en Felix Mendelssohn.

In Bad Berka speelde mij inspecteur Schütz dagelijks drie tot vier uur voor en wel, op mijn eigen verzoek, in chronologische volgorde, van Bach tot Beethoven via Carl Philipp Emanuel Bach, Händel, Mozart, Haydn en Dussek en dergelijke componisten meer.  Tegelijkertijd bestudeerde ik Marpergers ‘Vollkommene Kapellmeister’(feitelijk geschreven door Mattheson) en moest telkens lachen wanneer hij me de les las. Wat was die tijd toch serieus en degelijk  en hoe voelde zo’n man niet de ketenen van de filisterij waarin hij gevangen was. Nu heb ik das ‘Wohltemperierte Klavier’ gekocht samen met Bachs koralen. Ik geef ze de inspecteur met Kerstmis, dan kan hij me daarmee bij zijn bezoeken opbeuren en wanneer ik weer naar hem toega, opbouwen.

Ik zou me, door uw  hand geleid,  graag willen verdiepen in die koralen, die afgrond waarin men zich niet alleen kan helpen. De oude intonaties en muzikale grondbewegingen worden steeds op nieuwe liederen toegepast en door jongere organisten aangepast aan een nieuwere tijd, de oude teksten worden verdrongen, er worden minder belangrijke onder gezet etc. Hoe anders klinkt het oude  lied ‘Wie schön leuchtet der Morgenstern!’ dan het recentere, gecastigeerde, dat men nu op dezelfde melodie zingt. Toch zou  de authentieke oudste versie, waarschijnlijk in het Latijn, nog passender zijn. U ziet, dat ik weer rondsluip bij de grenzen van uw rijk, daaruit kan echter bij mijn  achterstand in dit opzicht niets voortkomen.  Dit is overigens niet het enige punt waarover men moet leren in vertwijfeling te zijn.

Aan Zelter, 4 januari 1819

Goethe schrijft de volgende opdracht in een exemplaar van het Wohltemperierte Klavier :

Denn aus Geringem wächst das Tüchtige,

Dem Hälmchen gleich, das sich zur Sonne kehrt.

Es sondert sich wie Spreu das Nichtige;

Das Korn des Geists allein hat Erntewert.

 

Na het eten speelde Schütz enige fuga’s van Bach waarmee hij Goethe een groot plezier deed. Hij vergeleek ze met mathematische opgaven, waarvan de thema’s zo precies waren en toch zulke geweldige poëtische resultaten voort brachten.

Dagboek van de zanger Eduard Genast, 6 juni 1814

Bij deze gelegenheid herinnerde ik me de goede organist van Berka. Want daar voor het eerst kreeg ik bij een volmaakte gemoedsrust en zonder uiterlijke afleiding, inzicht in het werk van uw grootmeester. Ik sprak tot mezelf : zoals wanneer de eeuwige harmonie zich met zichzelf onderhield,  zoals het er  bijvoorbeeld  in het binnenste van God, kort voor de schepping van de wereld aan toe ging,  zo bewoog het ook in mijn binnenste en het was me alsof ik noch oren bezat noch ogen, noch overige zintuigen bezat of nodig had. Zodra de muziek haar krachtige eerste schrede zet om naar buiten toe te kunnen werken,   stimuleert ze het ons aangeboren ritme enorm, dat zich uit in stap en dans, zingen en juichen. Geleidelijk aan gaat ze over naar het Transoxanische (vulgo janitscharenmuziek) of het jodelen, het geliefkoos van de vogels.  Nu doemt echter een hogere cultuur op, de zuivere cantilene verleidt en ontroert en geleidelijk aan ontwikkelt zich het harmonische koor en zo streeft het geopenbaarde geheel weer naar zijn goddelijk oorsprong terug.

Aan Zelter, 21 juni 1827

Uw laatste brief met het verslag van de succesvolle uitvoering van de Mattheus-passion zet me aan het denken.  Het is me, alsof ik van verre de zee hoor bruisen.  Mijn gelukwens geldt   de meer dan geslaagde  uitvoering van iets bijna onuitvoerbaars.  In het hart van de kenner van zulke muziek kan  het bij het beluisteren van dergelijke werken gebeuren, wat mij in deze dagen overkwam, toen ik me de nalatenschap van Mantegna weer voor ogen stelde.  Het is al de kunst als geheel, het mogelijke en onmogelijke ervan, volkomen levendig en toch nog niet helemaal ontwikkeld.  Zou ze dat zijn, dan zou ze niet datgene zijn wat ze nu is, niet zo eerbiedwaardig niet zo rijk aan hoopvolle grondgedachten. Wat u met Felix meemaakt, gun ik u van harte.  Onder mijn vele leerlingen  heb ik maar enkele even goede gekend.

Aan Zelter, 28 maart 1829

Goethe werkte aan zijn ‘Epimenides’ en liet zich ten behoeve  van zijn concrete en aanschouwelijk poëzie die met het oog op het creëren van een opera-achtig drama nog het muzikale element nodig had, door de uitstekende pianist en organist Schütz aldaar verschillende muziekstukken voordragen, meestal sonates van Bach die hij met een heel bijzondere uitdrukking en een opvallende dosis techniek kon spelen. Daaronder was ook een stuk dat wij met de naam  ‘Het trompetterstukje’ aanduidden en waarvan ik de officiële titel niet ken. Het betrof een prachtige, tot de verbeelding sprekende eenvoudige melodie, een fanfare, die echter door variaties zo werd uitgebreid, dat men de trompetter niet alleen vlakbij hoorde, maar ook veraf, nu eens in het veld rijdend, dan weer op een heuveltje zittend, zich nu eens naar alle vier windrichtingen wendend en dan weer zich omkerend . Je kreeg er geen genoeg van daarnaar te luisteren.

Genoteerd door Friedrich Wilhelm Riemer, Bad Berka, juni 1814