ARTHUR  ELSON


WOMAN’S  WORK IN MUSIC


1903


HOOFDSTUK VI


ENGELAND


Ooit heeft men als  belangrijkste periode van de Engelse muziekgeschiedenis genoemd  het verleden en de toekomst. In haar bloeitijd floreerde de muziek in Engeland  als nooit tevoren of nadien, en naast de literaire bloeitijd van Shakespeare ontwikkelde zich een muzikale periode die daar nauwelijks voor onder deed. Tijdens de Restoration kon de muziek zich op hoog niveau handhaven dankzij het genie van Purcell op het terrein van de opera. Uit die periode zijn geen vrouwelijke componisten bekend. Pas in de 18e eeuw, met name de tweede helft daarvan, verschijnen zij op het toneel.

Het jaar 1755 was getuige van de geboorte van twee vrouwen die begaafd genoeg waren om belangrijke werken na te laten, Maria Parke en Mary Linwood. Maria was de dochter van een beroemd hoboïst die  haar een voortreffelijke muzikale opleiding gaf. Ze werd beroemd als pianiste en zangeres en componeerde o.a. liederen, pianosonates, stukken voor viool en zelfs een piano- of eerder klavecimbelconcert.  Mary Linwood wijdde zich geheel aan vocale composities en publiceerde een aantal liederen en het oratorium ‘David’s  First Victory’. Ze heeft twee opera’s in manuscript nagelaten.

Miss Chazal, die nog een generatie eerder actief was, ontwikkelde een reputatie als orkestdirigente. De positie van dirigent lag natuurlijk in het algemeen buiten het bereik van vrouwen, maar de vele koor- en orkestfestivals in Engeland gaven haar in dit opzicht meer kansen dan aan haar zusters in de andere landen van Europa.  Onder haar werken tellen we ouvertures en een orgelconcert, maar ook piano- en vioolmuziek.

In 1798 publiceerde Ann Valentine ‘Ten Sonatas for Harpsichord and Violin’.

Composities voor orgel waren in het Engeland van de 18e en 19e eeuw vrij talrijk; ook vrouwen hebben zich op dit gebied actief getoond. Jeanne-Marie Guest, dochter en leerlinge van een beroemd organist, schreef een aantal voluntaries, concerten en pianomuziek. Deze stukken zijn in handschrift overgeleverd. Een andere goede organiste was Jane Clarke die in 1808 een reeks van psalmbewerkingen , zoals die in Oxford werden gezongen, uitgaf.

Elizabeth Stirling, gestorven in 1895, werd als een van de beste organisten van haar tijd beschouwd. Onder haar orgelwerken vinden we twee grote voluntaries, zes voortreffelijke pedaalfuga’s, acht langzame stukken en nog heel wat meer.  Daarnaast selecteerde ze stukken van Bach en andere oude meesters en bewerkte die. Van haar hand zijn ook bekend liederen, duetten en pianostukken. In 1856 probeerde ze in Oxford een muzikale graad te halen met een orkestrale versie van Psalm 130. Ze oogstte er veel lof mee, maar niemand waagde het in die tijd aan een vrouw een graad te verlenen.

Marian Miller, componiste van liederen en werken voor koor en orkest, had in dit opzicht meer geluk : van Victoria University kreeg ze de titel Mus. Bac. 

Augusta Amherst Austen, ook organiste, schreef liederen en gezangen, terwijl Elizabeth Mounsey liederen, piano- een orgelwerken publiceerde.

Ann Shepard Mounsey (1811-1891) , later mevrouw Bartholomew, zuster van genoemde Elizabeth, wordt door Louis Spohr als wonderkind genoemd. Ze was bevriend met Mendelssohn, die zijn ‘Hymn of Praise’ voor haar muziekuitvoeringen in Londen schreef.  Haar  ‘Thirty-four Original Tunes and Hymns’ zijn voor orgel geschreven, maar haar belangrijkste werk is een oratorium, ‘The Nativity’. Ook schreef ze een kerkcantate, kleinere vocale werken, waaronder voortreffelijke liederen voor solostem of vocaal ensemble.

Emma Mundella (1858-1896) kreeg een uiterst degelijke muzikale opleiding wat resulteerde in het schrijven van koorliederen, pianomuziek, kerkmuziek en een oratorium, ‘The Victory of Song’.

Elizabeth Annie Nunn (1861-1894) schreef eveneens liederen en kerkmuziek, waaronder een mis in C groot.

In de vroege 19e eeuw maakte het technisch vernuft van Sebastien Erard de harp buitengewoon populair. In die tijd   was er in vele Engelse huishoudens wel een harp te vinden zoals tegenwoordig een piano. Het instrument leende zich er bijzonder toe door vrouwen te worden bespeeld. Er werd door vrouwen ook veel voor gecomponeerd. We noemen in dit verband  Elizabeth Anne Bisset, Hannah Binfield en Olivia Dussek, de latere mevrouw Buckley.

Veel vrouwen hebben liederen geschreven. Ellen Dickson (1819-1878)  die schreef onder de nom de plume Dolores, verwierf op dit terrein grote faam. Haar liederen worden nog steeds gezongen. Het meest populaire is haar versie van ‘Clear and Cool’ .

Eenvoudig qua stijl, maar vol mooie melodieën, waren de liederen van Miss Charles Barnard (1834-1869) die grote bekendheid genoot onder de naam ‘Claribel’.

Veel vrouwen schreven ballads, zoals Miss Jordan (Dora Bland) die ‘Blue Bells of Scotland’ schreef of Lady Scott (Alicia Anne Spottiswoode), de componiste van ‘Annie Laurie’. 

Mary Ann Virginia Gabriel (1825-1877) was vooral om haar melodieuze liederen bekend, maar schreef ook aan aantal koorliederen, pianostukken en een aantal Cantates en operettes.

Charlotte Sainton-Dolby (1821-1885), beroemd zangeres en vriendin van Mendelssohn, schreef naast liederen ook cantates als ‘The Legend of St. Dorothea’ en ‘The Story of the Faithful Soul’ die meermalen werden uitgevoerd.

Sophia Julia Woolf (1831-1893) kreeg bekendheid met haar liederen, pianostukken en de opera ‘Carina’, en enkele orgelwerken.

Kate Fanny Loder stelde zich niet tevreden met liederen, maar schreef ook de opera ‘l’Elisir d’Amore’, een ouverture voor orkest, twee strijkkwartetten, een pianotrio, piano- en vioolsonates, kleine stukjes voor piano.

Caroline Orger (1818-1892) schreef werken die vaak werden uitgevoerd, zoals tarantella’s, een pianosonate, een cellosonate, een trio en een pianoconcert.

Alice Mary Smith (1839-1884) kan gelden als de belangrijkste componiste van die tijd. Ze was leerlinge van Sterndale Bennett en Sir George A. Macfarren en leefde van het componeren.  Haar muziek is helder en goed uitgebalanceerd, haar thema’s  zijn heel origineel en haar melodieuze rijkdom is uitzonderlijk. Onder haar werken noemen we een symfonie in c klein en een symfonie in G, vier ouvertures, ‘Endymion’, ‘Lalla Rookh’, ‘The Masque of Pandora’ en ‘Jason, or the Argonauts and the Sirens’, een klarinetconcert, een ‘Introduction and Allegro’ voor piano en orkest. Ook haar kamermuziek is van hoge kwaliteit. Ze schreef  vier kwartetten voor piano en strijkers in Bes groot,  D groot, E groot, en g klein. Onder haar werken voor orkest noemen we twee intermezzi voor ‘The Masques of Pandora’. Ze publiceerde een aantal cantates waaronder ‘Rüdesheim’, ‘Ode to the Northeast Wind’  een voortreffelijk werk, ‘The Passions’ (Collins), ‘Song of the Little Baltung’ (Kingsley) en ‘The Red King’ (Kingsley). Haar talrijke koorliederen, duetten en sololiederen kenmerken zich door melodieuze rijkdom, wat bijvoorbeeld blijkt uit het duet ‘Oh, that we two were maying’. Haar carrière, kort in jaren, was er één van een voortdurende creatieve activiteit.

Sommige Engelse componisten hebben zich toegelegd op repertoire voor groot orkest, en wel met groot succes. Dat geldt bijvoorbeeld voor Edith Greene, die een symfonie componeerde die in 1895 in Londen heel gunstig werd ontvangen. Van haar hand is ook een belangrijke vioolsonate.

Amy Elsie Horrocks, afkomstig uit Brazilië, publiceerde haar symfonisch gedicht ‘Undine’ in 1897. Ze schreef ook de intermezzi bij ‘An Idyl of New Year’s Eve’, een cellosonate, variaties voor piano en strijkers, verschillende dramatische cantates, liederen en veel stukken voor viool en piano.

Miss Julian Marschall, geboren in Rome, schreef verschillende orkestwerken en verschillende cantates, een operette, een nocturne voor klarinet en orkest en een aantal liederen.

Oliveria Louisa Prescott, afkomstig uit Londen en leerlinge aan de Royal Academy of Music , is de auteur van twee symfonieën, verschillende ouvertures, een pianoconcert, kortere orkeststukken en koorwerken.

Dora Bright, in 1863 in Sheffield geboren, ook studente aan de Royal Academy, is een van de meest getalenteerde componistes van deze tijd (1900). Ze werd assistent-docente in piano, harmonieleer en contrapunt en won vele prijzen. Ze was de eerste vrouw die de Lucaspenning voor compositie in de wacht sleepte. Haar twee pianoconcerten worden alom geprezen vanwege de grote ideeënrijkdom en melodische vondsten, gepaard met grote ambachtelijkheid. In de reeks van de Londense Philharmonische Concerten werd haar Fantasie voor piano en orkest uitgevoerd, de eerste keer dat dit orkest het werk van een vrouw uitvoerde. Haar strijkkwartetten hebben alom waardering gevonden, net als haar pianoduo’s, een vioolsuite, wat stukken voor fluit en piano en enkele solostukken voor piano.

Alice Borton heeft een ‘Andante and Rondo’ voor piano en orkest gepubliceerd, een pianosuite in oude stijl en enkele liederen.

Edith A. Chamberlayne componeerde twee symfonieën, een opera (in manuscript), een sextet voor harp, fluit en strijkers en veel muziek voor harp, orgel en piano.

Edith Swepstone heeft in 1897 in Londen de uitvoering kunnen meemaken van enkele delen van een onvoltooide symfonie, samen met een ouverture, ‘Les Ténèbres’. Verder heeft ze en pianokwintet geschreven en een strijkkwartet, korte cantates en kleinere stukken.

Marie Wurm, in 1860 in Southampton geboren, is zowel als componiste als in de hoedanigheid van pianiste succesvol. Haar concert in b klein heeft veel lof gekregen voor de originaliteit en de melodische kwaliteit ervan. Van haar hand stammen verder nog een concert ouverture, een strijkkwartet, sonates voor viool en cello, enkele vijfstemmige madrigalen, pianostukken en liederen.

Rosalind Frances Ellicott verdient in dit gezelschap een ereplaats. Ze werd in 1857 geboren als dochter van de bisschop van   Gloucester.  Haar muziek ademt niet zozeer een kerkelijke sfeer, maar bevat juist veel wereldse elementen. Onder haar belangrijke werken zijn dramatische, concert- en festivalouvertures en een fantasie voor piano en orkest, uitgevoerd tijdens verschillende Engelse festivals. Van haar verschillende cantates zijn ‘The Birth of Song’, ‘Elysium’ en ‘Henry of Navarre’ heel gunstig onthaald door het publiek. Twee pianotrio’s, een strijkkwartet, en veel stukken voor cello, piano en zangstem hebben we aan haar te danken.

Ethel M. Smyth is onlangs in Amerika bekend geworden door de uitvoering van haar opera ‘Der Wald’ . Voor orkest heeft ze  een serenade in D gecomponeerd en een ouverture ‘Antony and Cleopatra’. Beide stukken werden in 1890 in het Crystal Palace gebracht. Haar belangrijkste werk is een Mis in D groot. Dit breed opgeztte werk is modern van stijl en doet qua expressie denken aan Gounod. Haar strijkkwintet is in Leipzig uitgevoerd. Haar opera heeft veel bijval gevonden maar bij nader inzien wordt het stuk beschouwd als onevenwichtig en niet dramatisch, ondanks alle goede muziek die in de partituur staat.

Veel vrouwen hebben zich aan het schrijven van opera´s gewaagd, maar niet met meer dan tijdelijk succes. In Engeland waren Gilbert en Sullivan hun voorbeelden bij het schrijven van lichte opera’s en operettes.

Mary Grant Carmichael oogstte een bescheiden succes met haar operette ‘The Snow Queen’, maar ze schreef  net als Ethel Smith belangrijker muziek in een miscompositie.

Ethel Harraden, zuster van de romanschrijver, liet met enorm succes in het Trafalgar Square Theatre in Londen haar opera ‘The Taboo’ opvoeren. Ook componeerde ze een operette ‘His Last Chance’.

Harriet Maitland Young zette twee geslaagde operettes op haar naam, waarvan ‘ An Artist’s Proof’ en ‘The Queen of Hearts’ de belangrijkste zijn.

Anne Fortescue Harrison bracht de productie van ‘Ferry Girl’ en ‘Lost Husband’ naar Londen

Louisa Gray maakte mee, hoe haar ‘Between Two Stools’ op veel plaatsen werd opgevoerd.

Ida Walter schreef een opera in vier actes, ‘Florian’ die in 1886 in Londen werd gebracht.

Florence Marian Skinner liet haar stukken in Italië spelen. Haar serieuze ‘Suocera’ verscheen in Napels in 1877, terwijl haar ‘Mary, Queen of Scots’ eerst in St Remo en Turijn, later  ook in Londen een voorstelling kreeg.

Engeland is met name het land van muziekfestivals waar koormuziek een belangrijke rol speelt. Londen en andere grotere steden hebben hun reguliere concertreeksen en de omvang van de hoofdstad trekt veel artiesten van buiten aan. Veel van de kleinere steden hebben jaarlijks hun activiteiten waar  alle ruimte wordt geboden aan lokaal talent. Dat alles heeft ervoor gezorgd, dat de productie van cantates in het Engelse repertoire aanzienlijk is. Allerlei soorten onderwerpen passeren de revue, dramatische, romantische , maar ook eenvoudige pastorale thema’s komen voor in de werken die door de diverse zangverenigingen worden gebracht.

Lizzie Harland liet in 1888 haar dramatische cantate ‘Coeur de Lion’ verschijnen, gevolgd door ‘Queen of the Roses’ voor vrouwenstemmen.

Ethel Mary Boyce, die verschillende muziekprijzen heeft gewonnen,  componeerde ´Young Lochinvar’, ‘The Sands of Corriemie’ en andere cantates, maar ook een mars in E voor orkest.

Miss Heale heeft ‘Epithalamion’ en ‘The water Sprite’ op haar naam staan.

Emily M. Lawrence schreef voor vrouwenstemmen ‘Bonny Kilmeny’ en ‘The Ten Virgins’.

Caroline Holland produceerde ‘Miss Kilmansegg’, en de ballade ´After the Skirmish´ voor koor en orkest. Ze werd ook als dirigente gelauwerd.

Alle genoemde dames hebben zich ook uitgebreid bezig gehouden met het componeren van kleinere werken voor zangstem, piano, of viool.

De lijst van vrouwen die zich uitsluitend aan  de kleinere genres hebben gewijd, is nog langer. Ze deden dat niet uit gebrek aan muzikaal talent, want de roem van veel van Engelands beroemdste componistes berust op enkele korte stukken. Er is een groot verschil tussen goede muziek en grote muziek en een waardevol lied overleeft vaak een ambitieuze symfonie die na één enkele uitvoering op de plank terecht komt.

Zo zijn er vrouwen die vooral vioolmuziek aandacht hebben gegeven. Margaret Gyde, prijswinnares en beloond met scholarships, componeerde twee meer dan voortreffelijke vioolsonates, naast pianowerken, liederen en orgelmuziek.

Een belangrijke eigentijdse organiste is Kate Westrop die vier korte voluntaries voor orgel heeft gepubliceerd.

Laura Wilson Barker, vrouw van Tom Taylor, heeft de klassieke arena betreden met een vioolsonate en meer ambitieus werk in de muziek bij ´As You Like It´ en de cantate ´Oenone´.

Caroline Carr Moseley schreef verschillende stukken voor cello en piano en daarnaast twee stukjes voor kinderinstrumentjes.

Beatrice Parkyns, geboren in Bombay uit Britse ouders, heeft verschillende charmante vioolstukken op haar naam staan, wat ook gezegd kan worden van Kate Ralph.

Emily Josephine Troup valt ook in deze categorie.

Maggie Okey, gedurende enige tijd de echtgenote van pianist De Pachmann, en nu gehuwd met Maitre Labori,  beroemd  als advocaat van Dreyfus, componeerde een vioolsonate en een vioolromance.

Alma Sanders schreef een pianotrio, een vioolsonate en een pianokwartet.

Vandaag de dag is Ethel Barns de belangrijkste componiste van vioolmuziek.

De allerbelangrijkste naam die in dit verband genoemd kan worden is die van Agnes Zimmermann, in 1847 in Keulen geboren en muzikaal opgeleid in Londen. Ze studeerde piano aan de Royal Academy of Music bij Pauer en Potter en werd een beroemd pianiste. Bij Steggall en George Macfarren leerde ze componeren.  Ze won de zilveren medaille van de Academy en ontving twee maal een scholarship, in 1860 en 1862.  In 1863 maakte ze haar Londense debuut en in 1864 speelde ze met het Gewandhaus orkest in Leipzig. Ze leverde een grote prestatie door de sonates van Beethoven en Mozart uit te geven. Tot haar composities behoren een pianotrio, drie vioolsonates, een suite en andere stukken voor piano en een aantal liederen. Het niveau van haar muziek maakt haar tot één van de leidende componistes van Engeland.

Goede pianistes hebben vaak mooie muziek voor piano geschreven.  Dat is het geval met Arabella Goddard, bij St Malo geboren in 1838. Daar speelde zal op vierjarige leeftijd.  Toen ze zes was ging ze in Parijs bij Kalkbrenner studeren. Op achtjarige leefde tijd speelde ze voor koningin Victoria en publiceerde zes walsen. Onder haar rijpere werken zijn een meesterlijke ballade en enige pianocycli.

Dora Schirmacher, geboren in 1862, ontwikkelde zich op wat latere leeftijd dan Goddard, maar won wel de Mendelssohn prijs in Leipzig waar ze studeerde bij Wenzel en Reinecke. Ze heeft o.a. een suite, een valse-caprice, een sonate, een serenade en een reeks symfonische gedichten gecomponeerd.

Amina Beatrice Goodwin speelde als wonderkind voor het eerst in het openbaar toen ze zes jaar was.  Ze studeerde bij Reinecke en Jadassohn in Leipzig, Delaborde in Parijs en uiteindelijk bij Liszt en Clara Schumann.  Ze richtte een piano-instituut op en schreef een aantal boeken over techniek en aanslag.

Wanneer we ons focussen op componistes van liederen springt allereerst Liza Lehmann in het oog, die onlangs beroemd is geworden door haar liederen cyclus ‘In a Persian Garden’. Ze stamde uit een kunstzinnige familie, want haar vader Rudolph   was een voortreffelijk kunstenaar en haar moeder was liedcomponiste die haar liederen publiceerde onder de initialen A.L.  Haar grootvader was Robert Chambers, beroemd door zijn Encyclopedie. Ze werd in Londen geboren, studeerde zang bij Randegger, en later compositie bij Freudenberg in Wiesbaden en de Schotse componist MacCunn. Ze wilde aanvankelijk als zangeres carrière maken, maar bleek voor elk optreden zo verschrikkelijk nerveus te zijn, dat ze haar plannen in deze richting maar opgaf.  Later zette zij toch door en was vaak in Engeland en Duitsland te horen. In 1894 stopte ze met haar optredens en trouwde met Herbert Bedford. Pas toen begon ze met componeren. Haar werken hadden een grote aftrek. Dat geldt voor haar piano- en vioolmuziek, haar liederen in het algemeen,  maar de liedcyclus op teksten van de Perzische dichter Omar Khayyam in het bijzonder. Toen ze deze liederen componeerde was ze nog weinig bekend. De uitgevers in Londen zagen niets in het werk. Uiteindelijk vond bij haar thuis een uitvoering plaats door enkele vrienden van haar, Ben Davies, Albani, Hilda Wilson en David Bispham. De muziek sloeg zo aan, dat ze die uitvoerden op de Maandag ‘Pops’ , waarna succes verder verzekerd was.  Ook schreef ze de cyclus ‘In Memoriam’, die gekenmerkt wordt door uitzonderlijke schoonheid en een sterke uitdrukking.

Frances Allitsen groeide eenzaam op in een Engels dorpje, waar ze voor haar eigen plezier krijgshaftige ballades improviseerde.  Ze hoopte met zingen haar carrière te maken, maar raakte ongelukkig genoeg haar stem krijt. Haar familie verzette zich tegen een muzikale loopbaan en had een afkeer van haar smaak.  Ze beschrijft de sfeer waarin ze haar jeugd doorbracht als volgt : ‘ Wanneer een meisje ging wandelen, werd ze ervan beschuldigd dat ze jongens wilde ontmoeten, wanneer er gepraat werd ging dat altijd over kleding. Het spannendste wat er te beleven viel, waren picnics met broodjes’. Huiselijk ongeluk en ziekte lieten hun sporen na, maar  konden haar muzikale ontwikkeling toch niet tegenhouden. Uiteindelijk stuurde ze enkele manuscripten naar Weist Hill van de Guilhall Music School  en met zijn ondersteuning kwam ze naar Londen. Ze verdiende haar geld om haar studie te kunnen betalen met lesgeven. Haar liederen gaven haar naamsbekendheid, met name in Amerika. Vooral haar toonzettingen van teksten van Browning, Longfellow, Shelley en Heine zijn bijzonder geslaagd. Ook in het schrijven van orkestmuziek was ze  uiterst bekwaam. Zo was haar ouverture ‘Slavonique’ een succes  evenals  “Undine”  waar ze een prijs mee won.

Mrs Rhodes, in de muziekwereld bekend als Guy d ‘Hardelot, was Française. Ze bracht haar kindertijd door in een Normandisch kasteel, en haar verdere jeugd in Parijs en Londen om daar muziek te gaan studeren. Na haar huwelijk maakte ze een moeilijke tijd door en moest rondkomen door lessen te geven. Ze studeerde compositie bij Clarence Lucas. Ze hanteert drie opmerkelijke uitgangspunten :’Vermijd het gewone, kies woorden die bij anderen tot de verbeelding spreken en zorg ervoor dat de climax aan het einde komt’. Haar liederen combineren de elegantie en lichtheid van de Franse school met de aansprekende eenvoud van de Engelse. Haar eerste publicatie, het melancholieke ‘Sans Toi’ , vestigde haar naam. Haar liederen zijn zonder uitzondering artistiek uiterst afgewogen en variëren enorm in sfeer : van uiterst humoristisch tot diep dramatisch. Heel bekend zijn ‘Sans Toi’, ‘Mignon’, ‘Vos Yeux’, ‘Say Yes’, ‘Chanson de Ma Vie’, ‘La Fermière’, ‘Valse des Libellules’ , etc. Ze schrijft graag op teksten van Victor Hugo en (nota bene) Ella Wheeler Wilcox. Er bestaat één groter werk van haar hand, de operette ‘Elle et Lui’. Ze is bevriend met Mme Calvé en heeft haar begeleid op een tournee door Amerika. Samen hebben ze een optreden gedaan bij koningin Victoria op Windsor Palace. Ze heeft zelf een lichte maar aantrekkelijke stem en een perfecte dictie. Onlangs componeerde ze voor Calvé enkele ‘acting songs’ zoals ‘The Fan’.

Maude Valerie White werd in 1855 in Dieppe geboren, werd studente aan de Royal Academy en rondde haar studies af in Wenen. In haar studietijd componeerde ze al een Mis en stukken voor viool en cello, maar het meeste succes en geld hebben haar liederen haar opgeleverd.  Grove beschouwt haar  toonzettingen van teksten van Herrick en Shelley als het meest geslaagd. Voor hem springt ‘My soul is an enchanted boat’ er echt uit. Naast prachtige Duitse en Franse liederen heeft ze pareltjes geschreven als ‘To Mary’, ‘Ophelia’s  Song’ en ‘Ave Maria’. Haar speciale aandacht voor metrum en accent en haar uitstekende poëzie-keuze hebben veel bijgedragen aan de kwaliteit en daarmee de populariteit van haar liederen.

Florence Gilbert, zuster van de bekende toneelschrijver,  heeft enige bekendheid gekregen door haar ballades. Ze studeerde harmonieleer en compositie bij Stainer en Prout. Lange tijd liet ze haar liederen alleen in handschrift bestaan, omdat ze geen besef had van de waarde ervan.  Uiteindelijk ontdekte Mme Helen Trust ze en kreeg toestemming om de ’Message to Phyllis’ uit te brengen. Dat bracht Florence grote bekendheid waardoor ze er zonder problemen toe overging haar andere werken te publiceren.

Tot een eerdere generatie behoorde Clara Angela Macironi. Ze werd in 1821 geboren en studeerde aan de Academy waar ze later ook les gaf. Haar suite voor viool, maar vooral  haar koorliederen hebben haar de nodige faam bezorgd. Sommige van die laatste zijn door een drieduizendstemmig koor gezongen in het Crystal Palace.

Hope Temple schreef liederen die dan wel een wat minder hoog niveau hebben, maar toch bijzonder populair zijn. In menig gezin zijn ‘My Lady’s  Bower’  en ‘In Sweet September’ bekend.

Edith Cooke heeft met ‘Two Marionettes’  blijk gegeven van haar humoristische schrijfwijze.

We noemen tenslotte nog Katharine Ramsay en Kate Lucy Ward.  Ook de beroemde Patti heeft enkele pogingen gedaan liederen te componeren. Lady Tennyson heeft enkele teksten van haar man getoonzet, hoewel  er gezegd werd dat haar echtgenoot geen oor had voor muziek.

Men zegt, dat de Ierse liederen van Alicia Adelaide Needham nieuw zijn en een sterke lokale kleur bevatten.  Ierland wordt ook vertegenwoordigd door Christina Morison die een opera in drie actes heeft geschreven, ‘The Uhlans’, Helen Selina Dufferin, bekend van haar ‘Lay of the Irish Emigrant’, en Lady Morgan, geboren in Dublin in de 18e eeuw, die een operette heeft geschreven : ‘ The First Attempt’.

Schotland heeft enkele componistes van ballades opgeleverd, maar die zijn van weinig belang.

Wales kan trots zijn op één muzikale dochter, namelijk Llewela Davies die veel prijzen won aan de Royal Academy.  Zij componeerde o.a. drie schetsen voor orkest, een strijkkwartet, een aantal liederen en een vioolsonate die in 1894 in Londen werd uitgevoerd.

HOOFDSTUK VII

DUITSLAND

Het is alleen maar logisch, dat een land waarvan de componisten twee eeuwen lang een toppositie hebben verworven, veel muzikale vrouwen heeft opgeleverd die een ereplaats verdienen vanwege hun compositorische kwaliteiten.

De lijst begint met de non Roswitha, of Helen van Rossow die leefde aan het einde van de tiende eeuw en bekend werd om haar poëzie, waarvan ze ook enkele teksten op muziek zette.

In de moderne tijd worden in Duitsland veel namen van vrouwelijke componisten genoemd, terwijl daarvan in de andere landen nauwelijks sprake was.

Eeuwenlang werd muziek beschouwd als passend vermaak voor het koninklijk hof.  In de 18e eeuw hield elk klein hof er  een orkest op na en prima musici. Ook leden van het luisterend publiek konden musiceren of componeren. Frederik de Grote was dol op muziek, speelde prachtig fluit en componeerde daar ook talrijke werken voor.  Zijn zuster,  prinses Anna Amalia, was even getalenteerd als hij.  Ze schreef veel muziek, waaronder een orgeltrio, gepubliceerd in een Leipziger collectie. Haar cantate ‘Der Tod Jesu’ was ambitieuzer van opzet.

Een tijdgenote van haar was Maria Antonia, dochter van keizer Karel VII en leerlinge van Porpora en Hasse. Haar muzikale voorkeur ging uit naar de opera. Twee voorbeelden zijn ‘Il Trionfo della fedelta’ en ‘Talestri’, beide onlangs (1903) gepubliceerd.

Amalia Anna, gravin van Sachsen-Weimar schreef de intermezzi bij Goethe’s ‘Erwin und Elmira’ en oogstte daarmee veel lof.

Maria Charlotte Amalie, gravin van Sachsen-Gotha, publiceerde verschillende liederen en een symfonie voor een orkest van tien instrumenten.

We gaan de 19e eeuw in met prinses Amalie van Sachsen. Ze schreef veel kerkmuziek en veertien opera’s, waaronder “Die Siegesfahne’ en  ‘Der Kanonenschuss’.

Keizerin Augusta zelf, de vrouw van Wilhelm I, ondersteunde muzikale activiteiten waar ze maar kon, en schreef ook een ouverture, het ballet ‘Die Maskerade’, en verschillende marsen die ook nu nog door het Duitse leger worden gebruikt.

Prinses Charlotte van Sachsen-Meiningen  leefde maar 24 jaar, maar vond toch de tijd om verschillende marsen en een aantal liederen en pianostukken te componeren.

Prinses Beatrice von Battenberg heeft een aantal liederen geschreven, een mars voor orkest en enkele kerkliederen.

Prinses Charlotte, dochter van keizer Frederik III schreef naast militaire muziek en enkele Turkse marsen, een mooi Wiegenlied voor viool en piano.

Marie Elizabeth telt onder haar werken een “Einzugsmarsch’ voor orkest, een Fakkeldans voor twee piano’s, een aantal pianostukken en een Romanza voor klarinet en piano.

Een van de belangrijkste vrouwelijke componisten en musici was Maria Theresa von Paradies. Ze werd in 1759 geboren en raakte op driejarige leeftijd haar gezichtsvermogen kwijt door een ongeluk.  Desondanks zorgden  haar ouders voor de beste leraren en deden haar een degelijke muziekopleiding volgen. Toen ze elf jaar oud was,  zong ze in het openbaar de sopraanpartij van het Stabat Mater van Pergolesi waarbij ze zichzelf op het orgel begeleidde. Zo wekte ze de aandacht van keizerin Maria Theresa, die haar bij voortreffelijke leraren les deed nemen. Ze maakte zulke enorme vorderingen, dat ze al gauw uitgebreide concerttournees hield. Ze verbleef zes maanden in Parijs, verscheen daar op de Concerts Spirituels en speelde herhaaldelijk voor Marie Antoinette. Na enkele concertreizen in Engeland en Duitsland, keerde ze terug naar Wenen, trok zich uit het openbare leven terug en wijdde zich aan lesgeven en componeren.  Ze had een fantastisch geheugen. Men vertelde dat ze minstens 60 concerten op repertoire had .  De mate waarin ze zich kon concentreren blijkt uit het feit  dat ze haar eigen composities dicteerde, noot voor noot, zonder ook maar iets te veranderen.  In dit opzicht overtrof ze componisten als Beethoven, Mendelssohn en Wagner. Haar composities hebben grote verdiensten. Van haar opera’s  is ‘Rinaldo e Alcina’ , een geliefde sprookjesopera, het meest succesvol geweest. Ook geslaagd zijn het melodrama ‘Ariadne en Bacchus’  en de pastorale operette ‘Der Schulcandidat’. Haar andere werken bestaan uit een pianotrio, een aantal sonates en variaties voor piano, enkele liederen en andere vocale werken, waaronder ook enkele cantates. Mozart had groot respect voor haar en droeg een van zijn pianoconcerten aan haar op.

Een andere vrouw van bijzondere betekenis was Maria Martinez. Ze werd in 1744 in Wenen geboren en werd als kind al in de muziek onderwezen. Toen ze twaalf jaar was schreef ze haar eerste composities die goed werden ontvangen. Ze was een voortreffelijk klaveciniste en kreeg les van Haydn. Ook als zangeres stond ze als leerlinge van Porpora in hoog aanzien. Burney noemt haar in lovende termen. Vooral haar kerkmuziek heeft grote kwaliteiten. Haar oratorium ‘Isacco’ op tekst van Metastasio, is haar beste werk en werd in 1788 in Wenen met grote bijval uitgevoerd.  Ze componeerde nog twee andere oratoria, een geslaagde mis, een vierstemmig Miserere en aantal psalmen voor vier of acht stemmen, met orkestbegeleiding, verschillende motetten en andere religieuze stukken. Ook symfonieën, ouvertures en verschillende pianoconcerten staan op haar naam.

Emilie Zumsteeg werd in 1796 geboren in Stuttgart en had  de muzikaliteit van haar vader, een bekend liederencomponist. Bij zijn dood in 1802 opende zijn weduwe een muziekwinkel waar haar opgroeiende dochter de nodige inhoudelijke kennis opdeed. Haar talent ontplooide zich met name op het terrein van de zang en het pianospel.  Ze kon uitzonderlijk goed van het blad lezen, ook waar het ging om omvangrijke instrumentale partituren.  Haar huis werd het centrum van een muzikaal gezelschap waarvan ook Weber, Hummel, Lindpainter deel uitmaakaten. Ze was ook als docente in Stuttgart bijzonder geliefd. Haar meest gedurfde compositie is de ouverture bij het toneelstuk ‘Die Geister Insel’. Ze schreef verschillende pianostukken, waaronder drie polonaises. Haar originele liederen gaven haar de meeste bekendheid.

Leopoldine Blahetka was een Oostenrijks pianiste en een van de meest veelzijdige componistes. Ze werd in 1811 geboren bij Wenen en maakte onder leiding van haar moeder zoveel vorderingen dat ze op advies van Beethoven als vijfjarige lessen volgde bij Czerny.  Op twaalfjarige leeftijd speelde ze een set van variaties met haar eigen orkestbegeleiding. Onder haar latere leraren waren Moscheles, Kalkbrenner en Sechter. Haar concertreizen brachten haar grote roem. Robert Schumann was zeer over haar spel te spreken. In 1840 vestigde ze zich in Boulogne waar ze een bekend pedagoge werd en haar carrière succesvol kon voortzetten tot haar dood in 1887.

Van haar werken zijn de belangrijkste een pianoconcert, het ‘Souvenir d’ Angleterre’ voor piano en orkest. Van haar kamermuziek noemen we een strijkkwartet met piano, twee pianokwartetten, een pianotrio, verschillende vioolsonates, een polonaise, verschillende sets variaties voor cello, viool en fluit met piano.  Ook duetten en liederen staan op haar naam. Haar operette ‘Die Räuber und die Sänger’ werd met succes in Wenen opgevoerd.

Emilie Mayer kwam uit gegoede huize en kon zich ontwikkelen zonder aan financiële consequenties te hoeven denken.  Ze werd in 1812 in Friedland geboren als dochter van een apotheker, in Duitsland een veel belangrijker functie dan bij ons. Onder haar docenten was ook Carl Loewe, de grote balladecomponist. Tijdens haar debuut speelde ze uitsluitend eigen composities. Bij die gelegenheid werden ook een concert-ouverture van haar uitgevoerd, een strijkkwartet, Psalm 118 voor zang stemmen en orkest en twee symfonieën, de ‘Militaire’  en die in b klein. Haar productieve carrière duurde tot haar dood in 1883. Niet al haar werken zijn gepubliceerd. Ze geven blijk van mooi thematisch materiaal en een goed gevoel voor muzikale vormen. De lijst van haar werken behelst veel dansen en liederen, twee strijkkwartetten, twee pianokwartetten, twee  kwintetten, tien pianotrio’s, acht vioolsonates, twaalf ouvertures, Psalm 118 met orkest, zeven symfonieën en een operette.  Onder haar gedrukte muziek zijn de beste werken de ‘Faust’- ouverture op 46, de vioolsonates op. 17 en 21, de nocturne op 48, de cellosonate op. 47, het pianotrio op. 13, de allemande voor piano op 29, dat laatste werk vol innerlijke energie.

Agnes Bernouilly, geboren in Berlijn, schreef eveneens orkestwerken die vaak werden uitgevoerd door het Saro orkest. Haar liederen en pianowerken werd door de critici zeer geprezen.

Aline Hundt werd geboren in 1849 en stierf toen ze 24 jaar oud was. Ze was een van Liszt’s  beste leerlingen. Ze componeerde een mars voor orkest, een ‘Champagnerlied’ voor tenor, koor en orkest, stukken voor viool en altviool en piano, een aantal mannenkoren en verschillende liederen en pianostukken.

Anna Benfey-Schuppe componeerde een ouverture voor ‘Götz von Berlichingen’, alsmede intermezzi bij andere stukken en uiteenlopende stukken kamermuziek.

Nanette von Schaden, geboren in Salzburg, componeerde  twee pianoconcerten, evenals veel sonates en rondo’s voor piano.

Constanze von Buttenstein publiceerde naast ander werk ook een ‘Ave Maria’ voor altstem met orkestbegeleiding.

Nina von Stollewerck, een Oostenrijks componiste, heeft twee symfonieën op haar naam staan, naast liederen en mannenkoren.

Agnes Tyrell, werd in 1848 in Brunn geboren.  Ze studeerde in Wenen waar ze een voortreffelijk pianiste werd en een getalenteerd componiste. Onder haar werken tellen we een symfonie, drie ouvertures en belangrijke pianomuziek.

Louisa Adolpha Lebeau werd in 1850 in Rastatt geboren. Ze kan als een componiste van wereldfaam gelden. Ze was leerlinge van o.a. Clara Schumann en Kalliwoda voor piano en Rheinberger voor compositie. Als pianiste ondernam ze vele succesvolle concertreizen naar al de grote steden in Duitsland. Zo concerteerde ze ook in het Gewandhaus in Leipzig. Ze heeft zich op vrijwel alle genres toegelegd. Haar Concert Ouverture op. 23 werd voor het eerst gespeeld in 1882 en is daarna in Duitsland nog herhaaldelijk uitgevoerd. Ook haar Fest-Ouverture kreeg een warm onthaal. Haar pianoconcert op. 37  wordt eveneens vaak gehoord. Belangrijk is ook haar Fantasia op. 25 voor piano en orkest. Vooral de finale is een compositie van buitengewone kracht. Ook heel fraai is haar oratorium ‘Ruth’ op 27, dat heel vaak is uitgevoerd in Duitsland, Oostenrijk en Nederland.  Ook haar cantate ‘Hadumoth’ en de bariton-aria  ‘Im Sängersaal’  zijn zeer de moeite waard. Haar originele en knap geschreven kamermuziek heeft in hoge mate aan haar reputatie bijgedragen. Lachner was er zeer over te spreken. Een stuk voor cello en piano kreeg in 1882 in Hamburg een prijs. We noemen nog enkele van haar voortreffelijke stukken : pianokwartet op 28, strijkkwartet op 34, trio op 15, cellosonate op. 17 en de vioolsonates op 10. Onder haar pianowerken bevinden zich enkele meesterlijke fuga’s. Tenslotte heeft ze nog drie solo’s  voor altviool geschreven.

Josephine Kanzler, geboren in Tolz in 1780, componeerde twee strijkkwartetten, pianosonates en liederen. Ze was leerling van de beroemde abt Vogler.

Rond de 15 jaar later publiceerde Helene Liebmann verschillende soortgelijke kwartetten, twee pianotrio’s, vioolsonates en pianomuziek en liederen.

Clementine Batta publiceerde een Melodie Religieuse voor zangstem, piano, cello en orgel.

Louise Kern combineerde graag de viool, het orgel en de piano met elkaar.

Louise Langhans-Japha, in 1826 in Hamburg geboren, studeerde bij Robert Schumann in Düsseldorf en werd een beroemd pianiste. Ze componeerde verschillende strijkkwartetten, een pianotrio, sonates, koorwerken, fragmenten van een opera en een aantal overtuigende pianostukken.

Mathilde von Kralike publiceerde een belangrijk piano trio.

Verschillende vrouwen hebben zich gespecialiseerd in grote koorwerken. Barones Bertha von Bruckenthal heeft grote roem geoogst voor haar ‘Grande Messe Solennelle’ en voor enkele vierstemmig liederen met orgelbegeleiding. Ze heeft ook stukken geschreven voor viool cello, zangstem en piano.

Angelica Henn, een van Kalliwoda’s beste leerlingen, heeft op haar naam staan een ‘Missa Sollemnis’  en ook een opera, ‘Die Rose  von Lebanon’.

Anna Pessiak-Schmerling, geboren in Wenen, was gedurende vele jaren zangdocente aan het conservatorium aldaar. Ze genoot een meer dan lokale faam vanwege de uitvoering van haar missen.

Johanna Kinkel schreef een Vogel-cantate, een operette en veel populaire liederen, alsmede een alom bekend kwartet : ‘Het vaarwel van de soldaat’.

Agathe Plitt, in haar jonge jaren bekend als wonderkind, is nog steeds een voortreffelijk pianiste en heeft een aantal succesvolle cantates, psalmen, mottetten e.d. geschreven.

Hermine Amersfoodt-Dyck is de auteur van de cantate ‘Gottes Allgegenwart’.

Op het terrein van de opera lijkt het erop dat Josepha Müller-Gallenhofer, geboren in Wenen in 1770, de pionier was.   Naast haar opera, ‘Der Heimliche Bund’, publiceerde ze een strijkkwartet en veel stukken voor harp. Ze was ook een uitstekend harpiste.

Caroline Wiseneder, afkomstig uit Brunswick, moet in de herinnering blijven vanwege haar hulp aan blinden voor wie ze een succesvolle muziekschool startte. Haar twee opera’s en verschillende melodrama’s  werden na haar dood gepubliceerd.

Auguste Goetze, geboren in 1840 in Weimar, oogstte succes als vertolkster van Duitse Lieder en richtte in Dresden een operaschool op. Van haar opera’s zijn er sommige vaak opgevoerd, zoals ‘Susanna Montfort’, ‘Magdalena’ en ‘Eine Heimfahrt’.

Elise Schmezer  componeerde de opera ‘Otto der Schütz’.

Thekla Griebel heeft de afgelopen jaren haar opera ‘Schön Karen’ twee maal kunnen laten opvoeren.

Elise Bachmann is de auteur van een melodrama “Die Macht der Musik’ en enkele populaire liederen en pianostukken.

Gravin Von Ahlefeldt schreef het ballet ‘Telemach und Calypso’ in 1794.

Julie von Pfeilschifter, geboren in 1840, schreef het grand ballet ‘Vöglein’s  Morgengruss’ en een dramatische scena ‘Agneta’ die in Wiesbaden met succes werd opgevoerd.

Als componistes van vioolmuziek noem ik de volgende.

Francesca  Lebrun, geboren in Mannheim in 1756, was een van de eersten.  Ze was een voortreffelijk zangeres en pianiste en won prijzen met haar pianotrio’s en haar sonates met vioolbegeleiding.

Pauline Fichter, geboren in 1847, was leerlinge van Liszt. Onder haar werken vinden we twee  fantasieën voor viool en piano.

Marie Hendrich-Merta, geboren in 1852, schreef een bijzonder mooi pianotrio, naast de gebruikelijke liederen en pianostukken.

Mary Clement schreef een vioolsonate en werd door o.a. Max Bruch bijzonder gewaardeerd.

Henrietta Heidenreich en Mathilde Heim-Brehm waren ook bekend vanwege hun vioolmuziek.

Gravin Stephanie Vrabely  Wurmbrand schreef een vioolsonate, verschillende pianostukken en intermezzi bij het stuk ‘Die Schöne Melusine’.

Wat betreft pianomuziek moet zeker Emilie Belleville-Oury genoemd worden. Ze werd in 1808 in Munchen geboren en leefde daar tot haar dood in 1880.  Als pianiste heeft ze enorme furore gemaakt.  Robert Schumann vergelijkt haar spel met dat van zijn vrouw Clara : “ Ze zijn niet met elkaar te vergelijken, omdat ze verschillende pianistes van verschillende scholen zijn. Het spel van Madame Belleville is technisch gezien het meest afgewerkt. Clara is meer impulsief. Madame Belleville is dichteres, Clara is de dichtkunst zelve”. Belleville schreef veel transcripties en arrangementen, maar ook haar eigen composities zijn van hoge kwaliteit.

Josephine Lang schreef fraaie liederen en pianowerken. Ze werd in 1815 in Munchen geboren, begon met vijf jaar aan haar muziekstudie en trad als elfjarige op. Vier jaar later ontmoette Felix Mendelssohn haar en werd haar leraar in contrapunt en becijferde bas. Hij was zeer gecharmeerd van haar talenten en noemt haar’ een van de beminnelijkste personen die ik ooit heb ontmoet. Ze heeft de gave zelf liederen te componeren en die ook te zingen, zo mooi als ik nog nooit heb gehoord’. Om haar ouders bij te staan gaf ze les en zong in de koninklijke kapel met zoveel succes dat ze uiteindelijk als zangeres aan het hof werd aan gesteld. In 1842 trouwde ze met Christian Köstlin die hoogleraar rechten was in Tübingen. Na veertien gelukkige huwelijksjaren stierven achtereenvolgens haar man en haar vier zonen. Ze moest volledig voor zichzelf opkomen.  Juist in deze moeilijke periode publiceerde ze de meeste van haar composities. Haar 150 liederen hebben grote uitdrukkingskracht en haar pianowerken zijn zonder meer origineel van opzet. Daaronder vinden we een  ‘Deutscher Siegesmarsch’, twee mazurka’s en een impromptu “In de Schemering’. Haar biograaf noemt deze stukken echte pareltjes.

Delphine von Schauroth werd bewonderd en geprezen door Mendelssohn en Schumann. Onder haar beste werken zijn een Sonata Brillante en een Capriccio.

Minna Brinkmann heeft massa’s lichtere stukken geschreven.

Lina Ramann werd bekend als schrijfster, maar heeft ook belangrijke muziek gecomponeerd.

Constanze Geiger trad zes jaar oud in Wenen als wonderkind op. Naast pianowerken schreef ze een Ave Maria voor sopraan, koor en orgel.

Marie Wieck, jongere zuster van Clara Schumann heeft voortreffelijke pianomuziek geschreven en ook enkele liederen.

Gravin Sophie von Baudissin publiceerde variaties, etudes, nocturnes en andere pianowerken.

Adèle Aus der Ohe, leerlinge van Liszt en Kullak is vooral bij het Amerikaanse publiek bekend als pianiste. Ze componeerde enkele pianosuites en een concertetude, naast een aantal liederen.

Adele Lewing vestigde zich als pianiste in Amerika waar ze vocale en instrumentale muziek schreef.

Van de liederencomponistes noemen we nog :

Louise Reichard, wier vader kapelmeester was onder Frederik de Grote. Ze schreef voornamelijk gewijde muziek.

Marie Börner-Sandrini woonde in Dresden voordat ze als operazangeres carrière maakte. Ze schreef een populair Ave Maria.

Ook Louise von Vigny manifesteerde zich als componiste van kerkmuziek.

Ida Becker heeft naam gemaakt met haar kinderliedjes die onnavolgbaar goed geslaagd zijn. Haar cantate ‘Die Heilige Nacht’  voor solisten, koor en orkest is eveneens van hoge kwaliteit.

Marie Hinrichs Franz, vrouw van Robert Franz, de beroemde componist, schreef zelf ook fantastische liederen.

Op het gebied van de orgelmuziek moet op de eerste plaats Clotilde Kainerstorfer worden genoemd.  Ook schreef ze veel gewijde koormuziek met orgelbegeleiding.

Marianne Stecher is met name bekend vanwege haar ambachtelijk geschreven fuga’s.

Judith Bachmann leefde veel eerder, namelijk eind zeventiende eeuw in Wenen.  Haar fuga’s  voor orgel en haar klavecimbelsonate moeten hier met nadruk worden genoemd.

Tenslotte noem ik nog componistes van muziek voor andere instrumenten.

Ottilie Heinke, die in Berlijn woont, heeft twee romances voor cello geschreven.

Sophie Seipt uit Keulen heeft ook werken voor cello gepubliceerd.

Caroline Krämer, klarinetvirtuoos, schreef veel muziek voor dit instrument.

Therese Winkel was begin 19e eeuw een eminent harpiste en schreef drie sonates voor harp en viool.

Ook Nina Eschborn componeerde harpmuziek.

Fanny Christ en Ida Zaubiter waren virtuoos op de citer en hebben voor dat instrument veel stukken geschreven.

HOOFDSTUK VIII

FRANKRIJK

Wereldberoemd is Cécile-Louise-Stephanie Chaminade geworden.  Ze werd in 1861 in Parijs geboren in een muzikale familie. Haar opleiding verliep zo voorspoedig dat ze rond haar achtste jaar al enkele composities op haar naam had staan. Deze sacrale muziek wekte de aandacht van Georges Bizet die haar ouders adviseerde haar een goede opleiding te geven. Die voelden er echter niets voor hun dochter aan de risico’s van een artistieke carrière bloot te stellen. Ondertussen ging die door met pianospelen en componeren.  Toen een van haar stukken in de kerk van Vesinet werd uitgevoerd, gaven haar ouders toe.

LeCouppy gaf haar pianolessen, Savard harmonieleer, contrapunt en fuga, Marsick wijdde haar in op  de viool en Benjamin Godard in de compositieleer.  Ze maakte snelle vorderingen en speelde uiteindelijk kamermuziek met Marsick en Delsarte. Op haar achttiende maakte ze haar debuut als pianiste waar ze ook eigen werk speelde. Ambroise Thomas zei over haar : “Dit is niet een vrouw die componeert, maar een componist die toevallig ook vrouw is’.  Als pianiste trad ze op in Londen, Berlijn, Leipzig en Parijs.  Ze werd met name uitgenodigd haar eigen pianoconcert te komen spelen, bijvoorbeeld in het Gewandhaus in Leipzig, bij het Londens Philharmonisch orkest en het Lamoureux Orkest in Parijs. Haar meest ambiteuze composities zijn een lyrische symfonie met koor “Les Amazones’, een ballet in één acte ‘La Sevillane’, nog in manuscript, een groot ballet en scena met de titel “Calirrhoe’, dat met succes in Marseille en Lyon werd uitgevoerd en nu in vele arrangementen is uitgegeven. Haar pianoconcert is zeer geliefd, zij het dat sommigen de laatste delen te onstuimig en onvrouwelijk vinden. Onder haar instrumentale muziek vinden we twee fraaie trio’s, werken voor twee piano’s, een sonate,  een Etude Symphonique, een Valse Caprice, een Guitarre, een Arabesque, zes Etudes de Concert, vijf Airs de Ballet, met daarin de beroemde Sluierdans, zes Romances sans Paroles en zes humoristische stukken. Ook stammen er werken voor viool en piano van haar hand. Haar meer dan 60 liederen hebben haar naam echt gevestigd. Vooral de begeleidingen daarvan staan op hoog niveau qua originaliteit. Een bekend criticus schrijft : ‘Haar muziek ademt de echt romantische geest die in de door haar gebruikte teksten ligt besloten. Haar thema’s zijn nooit gewoon of buitenissig. Ze worden ondersteund door goed gekozen harmonieën’.  Onder haar meest recente composities vinden we koorwerken en werken voor orkest, zoals ‘Pardon Breton’, ‘Noel des Marins’ en ‘Angelus’.  Ook haar set van zes  ‘Poèmes Évangéliques’ moet in dit verband genoemd worden. Ze werkt nu (1903) aan een lyrisch drama in drie actes.

Augusta Mary Ann Holmes werd in 1847 in Parijs geboren. Ze was van Ierse afkomst maar werd later Frans  staatsburger.  Haar familie was erop tegen dat ze een muzikale carrière zou nastreven en stonden haar in plaats daarvan toe te gaan schilderen.  Desondanks trad ze als wonderkind tijdens concerten op. Haar vroegste composities waren liederen.  Elf jaar oud dirigeerde ze een eigen quickstep in Versailles met een band van artilleristen. In 1874 werd haar eerste opera  ‘Hero et Leandre’ opgevoerd. In diezelfde tijd schreef ze de psalm “In Exitu’.  In 1875 werd ze leerlinge van César Franck. Dat stimuleerde haar componeren enorm. Een ‘Andante Pastorale’  uit een niet-gepubliceerde symfonie ontving veel bijval. Voor een Parijse compositiewedstrijd schreef ze de symfonie ‘Lutèce’, die na werken van Dubois en Godard werd  genomineerd.  Na het schrijven van het symfonisch gedicht ‘Pologne’ wilde ze met een lyrisch drama ‘Argonauten’ opnieuw een prijs winnen. Van de 24 stemmen kreeg zij er 9. Daarna volgden het symfonisch gedicht ‘Irlande’,  de ‘Vision de Sainte Thérèse’voor zangstem en orkest, de symfonische ode ‘Pro Patria Ludus’, geïnspireerd door een schilderij van Puvis de Chavannes en de grote ‘Ode Triomphale’, uitgevoerd tijdens de expositie ter gelegenheid van 100 jaar 1789.

Door de laatste compositie ging haar roer over heel Europa. Florence bestelde bij haar de cantate ‘Hymne  à la Paix’ ter gelegenheid van het Dante-festival. Haar indrukken van Italië hebben een plaats gevonden in haar suite ‘Au Pays Bleu’. Daarna schreef ze de ‘Hymne à Apollon’ en de allegorische cantate ‘La Vision de la Reine’. Haar laatste opera, ‘La Montagne Noire’, had niet veel succes ondanks een uitstekende cast.  De opera’s ‘Astarte’ en ‘Lancelot du Lac’ zijn nog in manuscript.

Holmes schreef liederen op eigen teksten waarin men mannelijke kwaliteiten ontdekte : ‘Deze vrouwen zijn erop uit mensen te laten vergeten dat ze vrouw zijn. Wat Holmes ook schrijft, ze behoort tot de Franse school vanwege  haar gevoel voor harmonie, haar heldere schrijftrant en de logica van haar constructie en expositie’.   Imbert, haar biograaf, zegt : ‘Het talent van Augusta Holmes is zonder meer viriel en nergens in haar werk treft men die kleine maniertjes aan die het werk van vrouwen anders zo ontsieren.  Bij haar staan gedachte en gevoel voorop. Ze vereert Schoonheid en haar Muze bezingt alleen waardige onderwerpen. ‘

Maria Felice Clemence de Reiset, gravin van Grandval, werd in 1830 geboren. Ze kreeg aanvankelijk les van Flotow  en daarna op hoger niveau van Saint-Saëns. Zelfs heeft ze muziekles gekregen van Chopin.  Ze heeft allerlei soorten van werken geschreven, maar haar kracht ligt in dramatische en sacrale muziek, waarvan veel is uitgevoerd, waaronder ‘Le Sou de Lise’, verschenen in 1859, en de opera’s ’Les Fiancés de Rosa’, ‘La Comtessa Eva’, ‘La Pénitente’, ‘Piccolino’ en ‘Mazeppa’. In 1875 werd een lyrische scène ‘La Fôret’ voor solisten, koor en orkest met veel bijval uitgevoerd. Ze schreef veel liederen, sommige met een begeleiding van viool en orgel. Haar twee missen zijn vaak in Parijs uitgevoerd en ook met haar oratoria ‘Sainte Agnes’, en  ‘La Fille de Jaire’ oogstte ze grote roem.  Haar Stabat Mater bevat een indrukwekkende ‘Marche Au Calvaire’  en een mooi ‘Iuxta Crucem’.  Verder schreef ze werken voor zangstem, orgel en piano, een grote ouverture  ‘Esquisses Symphoniques’, een pianotrio, een vioolsonate en een suite voor fluit en piano.

Jeanne Louise Farrène werd geboren in 1804, studeerde bij Reicha harmonieleer, en bij Hummel en Moscheles piano. Haar composities waren zo knap geschreven dat Robert Schumann eraan twijfelde of ze die wel zonder hulp van anderen had geschreven.  Haar interesse voor het verleden blijkt  uit haar opmerkelijke verzameling van oude muziek voor clavichord en klavecimbel. Ze schreef een boekje waarin ze de oude muziektermen heeft uitgelegd. Haar werken zijn vaak uitgevoerd, waaronder twee symfonieën en drie ouvertures.  Onder haar kamermuziek vinden we een nonet en een sextet voor strijkers, twee kwintetten, verschillende   pianotrio’s, in twee waarvan klarinet en fluit de plaats van de viool innemen.  Verder nog een aantal sonates voor viool en piano, verschillende cellosonates, stukken voor fluit en piano en talrijke andere pianowerken en liederen. Haar dochter, Victorine Louise, was ook muzikaal uiterst begaafd, maar stierf na een  korte carrière met veel pianowerken in haar nalatenschap.

Louise Angélique Bertin die werd geboren in 1805 was zo iemand die graag boeken wilde lezen alvorens het alfabet te leren. Zo wilde ze zonder vooraf gaande training al dadelijk gebruik maken van kwast en linnen. Bij haar muzikale activiteiten zien we dezelfde neiging.  Zodra ze compositieles had genomen bij Fétis begon ze operascènes te schrijven.  Haar eerste opera ‘Guy Mennering’ werd in besloten kring uitgevoerd, maar ‘Le Loup Garou’ had een groot openbaar succes. Haar ‘Faust’, een later werk,  werd ook gunstig onthaald, anders dan ‘Masaniello’ en ‘William Tell’  die lieten zien dat het Parijse publiek heel veeleisend  was. Ook al had ‘Esmeralda’ veel bijval, dat gold absoluut niet voor ‘Notre Dame’, geschreven op een libretto van Victor Hugo. Bertin was ook een begenadigd dichteres en won met haar verzencollectie een prijs van de Académie Française.

Pauline Viardot-Garcia kwam uit een zeer muzikale familie. Haar vader, Manuel Garcia, was zanger en zangdocent. Hij begeleidde zowel Pauline als haar zuster, mme Malibran,  op het muzikale pad. De carrière van Malibrand was door haar vroege dood van korte duur. Daarna was Pauline de belangrijkste zangeres van Europa die erin slaagde de meest uiteenlopende rollen met overtuiging te vervullen. Na haar zangcarrière wijdde ze zich aan lesgeven en componeren. Haar huis in Baden-Baden was een cultureel centrum waar musici, dichters, artiesten en edellieden zich verzamelden.  Daar bracht ze haar operettes ‘Le dernier Sorcier’, ‘ l’ Ogre’ en ‘Trop de femme’ uit.  Aangemoedigd door het succes van deze uitvoeringen, liet Pauline haar werken ook in het openbaar uitvoeren. Pauline schreef twaalf romances voor piano, twaalf Russische liederen en zes stukken voor viool en piano. Ook is ze de auteur van een reeks zangoefeningen.

Haar zuster, Marie Felicitas, eerst de vrouw van M. Malibran, daarna van de violist De Bériot, was een van ’s wereld grootste zangeressen.  Als componiste geniet zij enige faam vanwege haar attractieve romances en chansonettes die in Parijs werden gepubliceerd.

Louise Pauline Marie Viardot, later madame Heritte, was als componiste en zangeres even getalenteerd als haar moeder. Na een verblijf op Kaap de Goede Hoop, waar haar man consul was, en een vierjarig professoraat in St. Petersburg vestigde zij zich in Parijs om les te geven en te componeren.  Onder haar talrijke werken zijn de opera’s ‘Lindoro’ en ‘Bacchus Fest’  en de cantates ‘Wonne des Himmels’  en   ‘Die Bayadere’. Ze heeft  bovendien nog twee strijkkwartetten en twee trio’s geschreven. Ook liederen, duetten en pianostukken vloeiden uit haar pen.

Gabriella Ferrari was leerlinge van Dubois en Gounod en heeft veel orkestmuziek geschreven, waaronder enkele orkestsuites.  Ook componeerde ze een komische opera ‘Le Dernier Amour’.

Madame Renaud  Maury won aan het Parijse Conservatoire een prijs voor contrapuntische compositie in een tijd dat zoiets voor ene vrouw  heel ongebruikelijk was. Haar ‘Fantaisie Symphonique’ en ‘Jeanne d’Arc’zijn in Frankrijk talrijke malen uitgevoerd.

Markiezin Haenel de Cronenthal schreef verschillende symfonieën, een reeks sonates, een strijkkwartet, verschillende pianostukken en de opera ‘La Nuit d’ Épreuve’, waarmee ze een gouden medaille behaalde tijdens de Exposition van 1867.

Célanie Carissan schreef de operette ‘La Jeunesse d’Haydn’  en het oratorium ‘Rebecca’.

Engeland lijkt het thuisland te zijn van de cantates, Duitsland van de orkestmuziek en Frankrijk van de opera.

Elisabeth Claude de la Guerre werd bewonderd door koning Lodewijk XIV zelf. Naast een aantal sonates schreef ze een ‘Te Deum’ om het herstel van de koning te vieren en een aantal cantates. Haar opera ‘Céphale et Procris’  werd in 1694 in de Academie Royale opgevoerd.

In de 18e eeuw was Henriette de Beaumesnil een van de meest prominente componistes in Frankrijk. Met haar mooie stem werd ze een van de leidende virtuozen bij de Grand Opéra te Parijs. Toen haar stem minder werd, ging ze zich steeds meer op componeren toeleggen en schreef de opera’s  ‘Anacréon’ , ‘Les Legislatrices’, en ‘Les Saturnales’.

Emilie Candeille was de dochter van een componist die haar grondig onderricht gaf. Onder haar werken vinden we pianotrio’s, sonates en liederen met piano en harp. Van haar hand zijn ook de opera’s ‘La Belle Fermière’ en ‘Ida’.

Mademoiselle Duval maakte furore als zangeres; ze schreef het ballet ‘Les Génies’.

Mademoiselle Kercado componeerde de operette ‘La Méprise Volontaire’.

Luicille Grétry, dochter van de beroemde componist, componeerde op 16 jarige leeftijd ‘Le Mariage d’Antonio’,  gevolgd door ‘Toinette et Louis’. Haar loopbaan eindigde plotseling toen ze 24 jaar oud overleed.

Edmé Sophie Gail-Garre werd in het begin van de 19e eeuw populair van wege haar liederen en pianostukken, maar met name ook door haar opera’s, zoals ‘Les Deux Jaloux’, ‘Mlle de Launey’, ‘La Méprise’ en ‘La  Sérénade’.

Mademoiselle Guenin componeerde ‘Daphnis et Amanthée’ toen ze zeventien jaar oud was.

Louise Puget componeerde de operettes ‘Le mauvais Oeil’, en ‘La Veilleuse’, en ook de opera ‘Beaucoup de Bruit pour Rien’.

Hélène Santa Colona-Sourget schreef een aantal zeer fraaie liederen en een strijktrio. In 1864 schreef ze haar opera in één acte ‘L’ Image’.

Pauline Thys wijdde zich vrijwel uitsluitend aan de opera. Onder haar succesvolle operettes zijn ‘La Pomme de Turquie’, en ‘La Perruque du Bailli’.  Van haar komische opera’s  noemen we ‘Le Pays de Cosange’, ‘Le Cabaret du Pot-Cassé’ , ‘Le Fruit Vert’  en ‘Le Mariage de Tabarin’. Ze componeerde ook het lyrische drama ‘Judith’.

Gravin Anais de Perrière-Pilte (Anais Marcelli) schreef verschillende succesvolle opera’s  waaronder ‘Le Sorcier’, en ‘Les vacances de l’Amour’.

Baronesse De Maistre schreef opmerkelijk goede religieuze muziek waaronder een heel mooi Stabat Mater. Van haar opera’s is ‘Les Roussalkas’ met veel bijval in Brussel opgevoerd.

Marguerite Olagnier schreef ‘Sais’ dat in 1881 werd uitgevoerd. Ook de opera ‘Le Persan’ is van haar hand.

Marie de Pierpont was een uitmuntend organiste en schreef ook voor dat instrument. Ze debuteerde met ‘Le Triomphe du Coeur’ dat als haar beste werk geldt.

Barones Durand de Fortmague was als dilettante uitermate succesvol. Haar ‘Bianco Torello’ en ‘Folies d’Amour’ zijn vaak uitgevoerd.

Mademoiselle de Sainte-Croix heeft een aantal een-acters geschreven die in de Parijse theaters goed zijn ontvangen.

Amélie Perronet heeft enkele populaire chansonnettes geschreven.

Charlotte Jacques heeft haar reputatie te danken aan slechts één werk,  ‘La Veille’.

Mademoiselle Gignoux heeft haar talent gewijd aan één lyrisch drama : ‘La Vision de Jeanne d’Arc’.

Hermine Dejazet heeft operettes gecomponeerd.

Madame Gallius heeft verschillende balletten op haar naam staan, naast liederen en pianowerken.

Hedwige Chrétien-Genaro, docente aan het Conservatorium en respectabel musicienne, oogstte veel succes met haar ‘Ballet Oriental’.

Op het terrein van de koormuziek kan allereerst Madame Delaval genoemd worden, een beroemd harpiste uit de 18e eeuw. Ze schreef een cantate die een beschrijving geeft van het vaarwel van de onfortuinlijke Lodewijk XVI aan zijn volk, die veel bijval kreeg, alleen natuurlijk niet tijdens de Franse Revolutie. Ze was ook de auteur van veel harpmuziek en liederen.

Marie Sophie Gay, geboren in 1776 in Parijs, heeft veel cantates en pianomuziek op haar naam staan.

Marie Anne Quinault schreef motetten en andere kerkmuziek.

Gravin De Saint-Didier, geboren in 1790, schreef als dilettante de cantate ‘Il Est Rendu’ die met enig succes in Parijs werd uitgevoerd.

Madame Hélène Robert-Mazel, een voortreffelijk pianiste, is de auteur van de cantate ’Le Jugement Dernier’,  een aantal belangrijke liederen en een waardevolle verzameling kinderliedjes.

Cécile Derheimer schreef missen en andere kerkmuziek.

Madame Alphonse de Neuville, weduwe van de bekende schilder, componeerde een indrukwekkende mis, vioolmuziek en liederen.

Onder degenen die zich aan het concert hebben gewijd, moet genoemd worden Rosa La Roche, die leefde in de tweede helft van de 18e eeuw. Ze schreef en pianoconcert en sonates voor piano.

Mademoiselle Lechantre componeerde een concert met kamermuziekbezetting van twee violen, twee hobo’s, altviool en contrabas.

In de 19e eeuw was Madame Marie Jaell, geboren Trautermann in 1846,  een gezien pianiste die prijzen won aan het Conservatoire en een nieuwe pianomethode schreef die alom aandacht trok. Ze componeerde een pianoconcert, een pianokwartet, een impromptu, twee meditaties en wat kleinere stukken voor piano; daarnaast nog walsen voor twee piano’s.

Vioolmuziek kennen we van de hand van mademoiselle  Brisson die  leefde in de eerste helft van de 19e eeuw. Ze publiceerde muziek voor viool en piano en harp en piano.

Virginie du Verger schreef drie duetten voor viool en piano, een pianosonate en enkele etudes.

De eerste componiste die we op het terrein van de pianomuziek kunnen vermelden is de markiezin De La Misangère, geboren in 1693. Ze stond bekend als virtuoos op het clavichord en schreef voor dat instrument verschillende werken.

Aan het eind van de 18e eeuw bekleedde Madame Hélène Montgeroult de positie van docente aan het conservatorium. Ze publiceerde een pianosonate en andere stukken voor piano.

In de vroege jaren van de 19e eeuw genoot Madame Marie Bigot grote bekendheid van wege haar voortreffelijke pianospel.  Ze kon uitstekend van het blad lezen en bewees dat toen ze de Sonata Apassionata van Beethoven tot ieders verbazing  uit het handschrift van de componist speelde. Ze heeft er veel aan bijgedragen dat de pianowerken van Beethoven bij het Parijse publiek bekend werden. Ze heeft bijzonder mooie pianostukken geschreven.

Camille Marie Pleyel leefde als pianiste eveneens in Parijs. Ze was  leerlinge van Moscheles en andere goede pianisten. Schumann was erg te spreken over haar optredens. Ook zij schreef pianomuziek.

Louise Massart volgde Madame Farranc op als docente aan het Conservatoire en heeft belangrijke pianomuziek nagelaten.

Onder de latere componistes van pianomuziek kan Berthe Marx als de belangrijkste gelden. Ze won op zeer jeugdige leeftijd prijzen en medailles en werd wereldberoemd door haar pianorecitals en haar optredens met de violist Pablo de Sarasate. Ze schreef een aantal bravoura-stukken. Ze is nu mevrouw Otto Goldschmidt.

Twee andere namen die ik in dit verband noem zijn die van Charlotte Tardieu de Malleville en Hélène Collin.

Louise La Hye heeft werken voor orgel geschreven. Ze was een achternicht van Jean Jacques Rousseau en leefde in de eerste helft van de 19e eeuw. Ze was docente harmonieleer aan het Conservatorium en schreef belangrijke orgel- en pianomuziek. Er bestaan van haar verschillende missen in manuscript. Ze is 28 jaar geworden.

Onder de liedcomponistes van de 18e eeuw maken we melding van Madame De Travenet wier romances en chansons met harp- of pianobegeleiding uitzonderlijk populair waren.

Dergelijke werken zijn ook bekend van Pauline Duchambge.

Hortense, Koningin van Holland (1783-1837) liet een aantal van haar liederen in Parijs drukken.

Mademoiselle Molinos-Lafitte is eveneens auteur van liederen die in Parijs zijn verschenen.

Madame Marchesi verwief faam als zangeres en zangpedagoge. Ze schreef een groot aantal waardevolle vocalises.

Wat betreft harpmuziek vermelden we Gravin De Genlis die in de 18e eeuw bekend werd om haar stukken voor harp.

Marie Pollet speelde haar harpmuziek tijdens haar vele concerttournees.

Tenslotte noemen we nog Thérèsa Demar.


HOOFDSTUK IX


AMERICA 

De belangrijkste componiste in Amerika is Amy Beach. . Ze werd in 1867 in Henniker N.H. geboren en had als meisjesnaam Amy Marcy Cheney. Haar muzikaliteit die ze van haar moeder had geërfd, bleek al op zeer prille leeftijd. Eén jaar oud verbaasde ze haar omgeving door blijk te geven van een absoluut gehoor, ze kende tientallen liedjes, luisterde urenlang naar vioolmuziek, waarbij stukken in mineur haar verdrietig maakten. Haar ouders gebruikten deze stukken bij wijze van ‘straf’. Toen ze twee was begon ze zomaar tijdens een fotosessie ‘See the conquering hero comes’ van Handel te zingen. De fotograaf die juist dat stuk aan het instuderen was, was er stomverbaasd over. Naast haar fenomenale geheugen toonde ze veel talent voor improvisatie. Ze was in staat om bij een gegeven thema een bijpassende begeleidingspartij te laten horen. Met elke muzikale sleutel verbond ze een bepaalde kleur.

Toen ze vier jaar oud was mocht ze zich met de piano bezig houden. Ze studeerde veel muziek in, maar begon ook zelf kleine walsjes te componeren. Eén ervan werd helemaal zonder piano bedacht en drie maanden later nog correct gespeeld. Ze las al dadelijk van het blad en kon moeiteloos transponeren. Vanaf haar zesde kreeg ze twee jaar lang pianoles van haar moeder. In die tijd leerde ze etudes van Czerny en Heller, walsen van Chopin en delen uit sonates van Beethoven. Ze raakte al gauw geïnteresseerd in de muziek van Bach, vooral diens fuga’s.

Acht jaar oud werd ze door haar ouders nar Boston meegenomen voor verdere studie.  Toen men haar hoorde spelen werd de ouders geadviseerd naar Europa te gaan en haar daar aan een van de Europese conservatoria te laten studeren. Met het oog op haar delicate gezondheid en haar algemene ontwikkeling zagen haar ouders daarvan af. Ze werd naar de privé-school van W.L. Whittermore gestuurd waar ze enorme vorderingen maakte. Zo speelde ze een Beethovensonate na, die een medeleerling had voorgespeeld. Ook legde ze gaandeweg een collectie aan van notities betreffende vogelgezang.  Ornithologen maakten gebruik van haar notatie van het zingen van de leeuwerik in Californië.

Haar verdere opleiding werd voortgezet onder Ernst Perabo, Junius W. Hill van Wellesley College, en Carl Baermann. Onder Hill volgde ze een cursus harmonieleer.  Op het terrein van het contrapunt, de fuga, de muzikale vorm en instrumentatie was ze autodidact. Ze vertaalde de boeken over orkestratie van Berlioz en Gevaert. Bij het memoriseren van de fuga’s van Bach noteerde ze elke stem op één balk.

Ze maakte haar debuut als pianiste in Boston in 1883 met op het programma een pianoconcert van Moscheles en een rondo van Chopin.  In 1884 speelde ze een pianoconcert van Chopin met het Boston Symphony Orchestra en een werk van Mendelssohn met het Thomas Orkest.  Sinds die tijd heeft ze overal opgetreden, vaak met programma’s  van uitsluitend eigen werk, o.a. haar eigen pianoconcert. In december 1885 trouwde ze met dr. Beach en woont sinds die tijd in Boston.

De premières van haar eigen werk waren echte evenementen. In 1892 werd bij de Handel & Haydn-concerten haar Mis in Es gespeeld. Ze speelde toen ook de pianopartij bij Beethovens  ChoralFantasie. De bijval was enorm.

Haar cantate  ‘Jubilate’  werd geschreven ter gelegenheid van de grote expositie in Chicago en werd daar met gejuich ontvangen. Ze speelde ook voor het eerst haar romance voor viool en piano, samen met Miss Maud Powell. Haar vioolsonate die ze later componeerde en samen met Franz Kneisel uitvoerde werd een wereldwijd succes. Ook haar pianowerken en liederen werden, met name in Italië,  enorm populair.

Eén van haar meest ambitieuze werken was de ‘Gaelic Symphony’ ,  gecomponeerd met behulp van echte Gaelic thema’s. De première was in Boston in 1896. Er staan drie cantates op haar naam : ‘The Rose of Avontown’ voor vrouwenstemmen, ‘The Minstrel and the King’ voor mannenkoor en solisten, en ‘Sylvania’, een huwelijkscantate die onlangs is gepubliceerd. Onder haar vroegere werken is een scena voor alt en orkest, ‘Eilende Wolken’ op een tekst uit ‘Maria Stuart’ van Schiller.

De pianowerken van Amy Beach zijn de volgende : een cadens bij Beethovens pianoconcert in c, een valse-caprice, een ballade, vier scherzi, een wals ‘Bal Masqué’, een ‘Children’s Carnival’  en een ‘Children’s Album’, haar pianoconcert in cis klein, een transcriptie van Richard Strauss ‘Serenade’, een Barcarolle, Menuet Italien, Danse des Fleurs, Scottish Legend, Gavotte Fantastique, en een set van zes duetten ‘Summer Dreams’.

Onder haar stukken voor viool noemen we nog ‘La Captive’, ‘Berceuse’ en ‘Mazurka’. Van alle drie bestaan arrangementen voor cello en piano. Sommige van haar zestig liederen hebben een obligate vioolpartij of een orkestbegeleiding. De meest geliefde zijn ‘Fairy Lullaby’, ‘Ecstasy’, ‘Thy Beauty’, ‘Scottish Cradle Song’, ‘Elle et Moi’, ‘Spring’’ en ‘Hymn of Trust’.


UIT  HOOFDSTUK X 

ANDERE LANDEN

Nederland

Mademoiselle Broes, geboren in Amsterdam, leefde in de eerste helft van de 19e eeuw. Ze was een bekend pianiste en schreef werken voor piano, waaronder dansen, rondo’s en variaties.

Rond 1830 gaf Madeleine Graever vele succesvolle recitals in de belangrijkste hoofdsteden van Europa en bracht tijdens de Burgeroorlog een jaar in New York door. Na haar terugkeer naar Nederland werd ze pianiste aan het hof van de koningin van België. Ze schreef enkele bravoura stukken voor piano

Ook baronesse Van der Lund heeft enkele pianowerken gepubliceerd.

Onder de eigentijdse componistes blinkt Catherine van Rennes, geboren in Utrecht,  uit. Haar voorliefde ligt bij het lied, een genre waarin ze ook uiterst succesvol is. Van haar hand zijn een set van vijf tweestemmige liederen onder de titel ‘Lenteleven’, een collectie  van zes tweestemmige liederen voor kinderen  en een set sololiederen onder de titel ‘Jong Holland’. Ze schrijft heel effectief zonder het minste spoor van bombast.

Cornelia van Oosterzee is de meesteres van de grote vorm. Onder haar beste werken zijn twee symfonische gedichten uit ‘Idyls of the King’, getiteld  ‘Elaine’s  Death’ en ‘Geraint’s  Bridal Journey’. Ze werden met grote bijval uitgevoerd tijdens een van de recente Philharmonische Concerten in Berlijn. Haar cantates zijn ongewoon groots opgezet. Cornelia heeft voor haar werk een decoratie gekregen in de Orde van Oranje-Nassau.

Hendrika van Tussenbroek, geboren in Utrecht, is bekend als lied-componiste, Ze heeft veel sololiederen en duetten geschreven, waarvan ‘Meidoorn’, een verzameling kinderliederen, speciaal vermeld mag worden.  Ze heeft ook libretto en muziek geschreven bij de kinderopera ‘Three Little Lute Players’.

Vertaling:  Spijkenisse, 10 december 2016