***











 

www.resantiquae.nl

E. T. A. Hoffmann

ERNST THEODOR AMADEUS HOFFMANN

 

Kreisleriana

Waar is hij naartoe? Niemand die het weet! Wie waren zijn ouders? Dat is onbekend! Van wie kreeg hij les? Van een goede meester, want hij speelt voortreffelijk, en omdat hij voor intellectueel kan doorgaan, hoeft men hem niet uit de weg te gaan , men kan hem zelfs muziekles geven. Hij is wis en waarachtig kapelmeester geweest, voegen de archivarissen toe, aan wie hij ooit  in een goed humeur een door de directie van het Hoftheater te …. opgestelde oorkonde ter hand heeft gesteld, waarin hij, kapelmeester Johannes Kreisler, alleen daarom uit zijn ambt werd ontheven omdat hij halsstarrig geweigerd had een opera met een libretto van de hofdichter op muziek te zetten. Ook zou hij zich meermalen in de gelagkamer negatief hebben uitgelaten over de primo huomo en een jong meisje dat hij zangles geeft in uitgebreide maar onbegrijpelijke bewoordingen hebben willen voortrekken boven de prima donna. Desondanks mag hij de titel van Vorstelijk Kapelmeester berhouden, hij mag zelfs terugkeren, als hij maar bepaalde eigenaardigheden en belachelijke vooroordelen, als zou bijvoorbeeld de ware Italiaanse muziek volkomen verdwenen zijn, volledig zou opgeven en voortaan zonder problemen de voortreffelijkheid van de hofdichter die over het algemeen als een tweede Metastasio wordt beschouwd, zou willen erkennen.

Vrienden beweerden, dat de natuur in haar organisatie een nieuw recept had uitgeprobeerd, wat op een mislukking uitliep. Aan zijn overprikkelde gemoed, zijn tot een verwoestende vlam opgloeiende fantasie zou te weinig flegma zijn toegevoegd. Zo was het evenwicht verstoord dat voor een kunstenaar onontbeerlijk is om met de wereld in het reine te komen en voor haar werken te schrijven die deze, zelfs op hoger niveau,  absoluut nodig heeft. Hoe dit alles ook zij, genoeg hierover!

Johannes werd door waanvoorstellingen en dromen in zijn binnenste  als op een eeuwig golvende zee nu eens hierheen dan weer daarheen gedreven en hij scheen vergeefs de haven te zoeken. Die hem eindelijke die rust en opgewektheid zou geven, zonder welke de kunstenaar niets kan uitrichten. Zo kwam het dan ook, dat zijn vrienden het niet over zich konden verkrijgen, dat hij een compositie opschreef of, eenmaal opgeschreven, intact liet. Van tijd tot tijd componeerde hij ’s nachts in een ware roes; hij maakte zijn vriend wakker die naast hem woonde, om hem alles met het grootste enthousiasme voor te spelen, wat hij in ongelooflijk tempo geschreven had – hij vergoot tranen van vreugde om het geslaagde werk, hij prees zich zelf als de gelukkigste mens op aarde, maar de volgende dag – lag de fantastische compositie in het vuur.  Zingen had een bijna verderfelijke invloed op hem, omdat zijn fantasie dan overprikkeld werd en zijn geest ontsnapte naar een rijk waarheen niemand hem zonde risico kan volgen. Anderzijds schepte hij er een groot genoegen in urenlang op de vleugel de merkwaardigste thema’s  in sierlijke contrapuntische  wendingen en imitaties, in de meest kunstige passages uit te werken.

Wanneer dat naar zijn zin gelukt was, dan bevond hij zich verschillende dagen achtereen in een vrolijke stemming en een zeker soort schalkse ironie  kruidde het gesprek, waarmee hij de kleine gemoedelijke kring van zijn vrienden vermaakte.

Opeens was hij, men wist niet hoe en waarom, verdwenen. Velen beweerden sporen van waanzin bij hem te hebben opgemerkt en inderdaad had men hem met twee op elkaar gedrukte hoeden en twee rastralen (instrument om notenbalken mee te trekken) als dolken in zijn rode riem gestoken, vrolijk zingend de poort uit zien huppelen. Toch hadden zijn meer vertrouwde vrienden niets bijzonders aan hem opgemerkt, omdat dergelijke hevige aanvallen, voortkomende uit een of andere innerlijke woede, ook anders al bij hem voorkwamen. Toen alle navorsingen, waar hij zich ophield, tevergeefs  bleken, en  zijn vrienden overlegden over zijn  kleine muzikale nalatenschap  en andere geschriften, verscheen mejuffrouw van B. en verklaarde, dat het haar alleen toekwam deze nalatenschap voor haar lieve meester en vriend, die volgens haar helemaal niet voorgoed verdwenen was,  onder haar hoede te nemen.

Vol enthousiasme overhandigden de vrienden haar alles, wat ze hadden aangetroffen. Toen er op de blanco achterzijde van verschillende bladen muziekpapier kleine, grotendeels humoristische opstellen bleken te staan, voor het merendeel snel met potlood genoteerd, gaf de trouwe leerling van de ongelukkige Johannes zijn trouwe vriend toestemming er een kopie van te maken en ze te publiceren als pretentieloze voortbrengselen van een geïnspireerd ogenblik. I

1. Het muzikale leed van Johannes Kreisler, Kapelmeester

Ze zijn er allemaal vandoor – ik had het kunnen opmaken uit het ritselen, scharrelen , rommelen  en brommen door alle toonaarden heen: het was een waar bijennest, dat de kast verlaat om uit te zwermen. Gottlieb heeft nieuwe kaarsen voor me aangestoken en een fles Bourgondiër op de piano neergezet. Spelen kan ik niet meer, want ik ben totaal uitgeput.Daaraan heeft mijn oude lieve vriend schuld, hier op de lessenaar, die mij nu al weer eens, als Mephistopheles deed met Faust op zijn mantel,  door de lucht heeft gedragen, zo hoog, dat ik de mensjes onder mij niet zag of opmerkte, hoewel ze genoeg herrie kunnen hebben gemaakt.

Een avond als een hondsvot, waardeloos en volkomen verspild!

Maar nu voel ik me goed en gemakkelijk.

Tijdens het spelen heb ik immers mijn potlood te voorschijn gehaald en met mijn rechterhand op pagina 63 onder het laatste systeem een paar goede oplossingen in cijfers genoteerd, terwijl mijn linker verder werkte in de stroom der tonen! Op de lege achterkant  ga ik schrijvend verder. Cijfers en tonen laat ik achter me, en met oprechte vreugde, als een genezen zieke, die maar niet kan ophouden te vertellen wat hij geleden heeft, noteer ik hier omstandig de helse beproevingen van de thee van tegenwoordig. Maar niet alleen voor mij alleen, maar voor allen die   hier soms  vol overgave en enthousiasme mijn exemplaar inzien van de Variaties van Johann Sebastian Bach voor piano, verschenen bij Nägeli in Zürich, en aan het einde van variatie 30 mijn cijfers aantreffen en, daartoe aangespoord door het grootgeschreven Latijnse Verte (ik schrijf het er gelijk bij, wanneer mijn klaagschrift ten einde is), het blad omdraaien en lezen.

Deze raden dadelijk de ware samenhang; ze weten dat Geheimrat Röderlein hier een heel charmant huishouden voert en twee dochters heeft, over wie de hele elegante wereld met enthousiasme beweert, dat ze als godinnen dansen, Frans spreken als engelen en spelen, zingen en tekenen als de Muzen.  Geheimrat Röderlein is een rijk man; elk kwartaal  laat hij bij zijn diners de mooiste wijnen en de kostelijkste spijzen aanrukken, alles is op de elegantste wijze ingericht, en wie zich bij zijn thee’s niet hemels amuseert, heeft geen antenne, geen geest en vooral geen zin voor de kunst. Hierom gaat het ook eigenlijk :  behalve thee, punch, wijn, ijs etc., wordt ook altijd wat muziek gepresenteerd die door de beau monde heel behaaglijk wordt geconsumeerd, net als de overige zaken.

De zaken zijn zo ingericht : nadat iedere gast genoeg tijd heeft gehad de nodige kopjes thee te drinken en nadat twee maal punch en ijs zijn rond gegaan, brengen bedienden speeltafels binnen voor het oudere, meer solide gedeelte van het gezelschap, dat boven muziek aan het kaartspel de voorkeur geeft dat inderdaad niet zoveel onnodige herrie maakt en waar ook wat geld tot klinken komt. – Op dit signaal schiet het jongere gedeelte van het gezelschap af op de meisjes Röderlein; er ontstaat een waar tumult, waarin men de volgende woorden kan onderscheiden : lief meisje , verschaf ons toch het genoegen van je hemels talent – o, zing wat, lieverd – kan niet – buikpijn – het afgelopen bal – niets ingestudeerd. O, please, please! We smeken het je etc. Gottlieb heeft ondertussen de vleugel geopend en de lessenaar bezwaard met het overbekende muziekboek. Vanaf de speeltafel roept mama welwillend : “Chantez donc, mes enfants!” .  Dat is het teken, dat ik actief moet worden. Ik ga aan de vleugel zitten en in triomf worden de meisjes Röderlein naar de piano gebracht. Weer ontstaat er een verschil van mening : geen van de twee wil het eerst zingen. “Je weet, lieve Nanette, hoe vreselijk hees ik ben”. “Ben ik dan minder hees, lieve Marie?” . “Ik zing zo slecht!” . “O lieverd, begin jij nu maar”, etc. Mijn ingeving ( ik heb die elke keer!) dat beide met een duet beginnen, krijgt enorm veel bijval, het boek wordt doorgebladerd, het zorgvuldig ingevouwen blad wordt eindelijk gevonden, en dan begint het : “Dolce dell’ anima” etc. Het talent van de meisjes Röderlein is werkelijk geweldig. Ik ben nu vijf jaar hier en vier en een half jaar haar leraar. Nanette slaagt erin een melodie die ze al tien maal in het theater heeft gehoord en bovendien minstens tien keer aan de piano heeft ingestudeerd, zo maar weg te zingen. Juffrouw Marie heeft het bij de achtste maal al door en ook al zingt ze meestal een kwart toon lager dan de piano, dan is dat bij zo’n lief gezichtje en die verrukkelijke rozerode lipjes uiteindelijk best te verdragen. Na het duet algemene bijval! Nu wisselen arietta’s en duettino’s elkaar af en ik hamer het al duizendmaal afgespeelde accompagnement fris van de lever uit de piano.  Tijdens het zingen heeft de vrouw van Finanzrat Eberstein door schrapen in de keel en zachtjes meezingen te kennen gegeven : “Ik zing ook”.   Juffrouw Nanette zegt : “Maar lieve mevrouw Finanzrat, nu moet u ook aan ons uw goddelijke stem laten horen!”. Opnieuw ontstaat tumult. Ook zij heeft buikpijn – ze kan niets uit het hoofd!. Gottlieb sleept twee armen vol muziek aan; er wordt gebladerd en nog eens gebladerd. Eerst wil ze zingen : “Der Hölle Rache”etc, dan “Hebe, sieh” etc, dan “Ach, ich liebte”etc.  In mijn angst stel ik voor “Ein Veilchen auf der Wiese”etc.   Maar ze is voor het grote genre, ze wil zich waar maken, het blijft bij Konstanze. O schreeuw maar, kwaak, miauw, orgel, steun, kreun, vibreer, kwinkeleer maar uit je hart. Ik heb het fortissimo-pedaal ingedrukt en orgel me doof.

O Satan, Satan! Welk van jouw hellegeesten is in deze keel gevaren, die alle tonen ombuigt, forceert en uitrekt!. Vier snaren zijn al gesprongen, een hamertje is buiten werking. Mijn oren doen pijn, mijn hoofd dreunt en mijn zenuwen staan op springen. Zijn dan alle onreine tonen van schetterende marktmeestertrompetten in deze kleine hals geconcentreerd?  Dat heeft me echt aangegrepen – ik drink een glas Bourgondiër! – Men applaudisseerde uitbundig en iemand merkte op, dat de vrouw van de Finanzrat en Mozart mij in vuur en vlam hadden gezet. Ik glimlachte met neergeslagen ogen, wel een beetje dom, daarvan was ik mezelf bewust.

Nu borrelen alle talenten op die tot nu toe in het verborgene bloeiden, en ze rennen wild door elkaar. Er wordt tot muzikale excessen besloten : ensembles, finales, koren moeten opgevoerd worden. De kanunnik Kratzer zingt zoals bekend een hemelse bas, zoals de Tituskop daar opmerkt, die zelf bescheiden aanvoert, dat hij eigenlijk maar een tweede tenor is, maar wel lid van verschillende zang-academies. Snel wordt alles in orde gemaakt voor het eerste koor uit “Titus”. Dat ging echt voortreffelijk! De kanunnik die vlak achter me stond, donderde boven mijn hoofd de bas, alsof hij in de domkerk zong met obligate trompetten en pauken. Hij trof de noten loepzuiver, alleen nam hij het tempo in de vaart bijna eens zo langzaam.  Hij bleef zichzelf tenminste in die zin trouw, dat hij het hele stuk door steeds een halve maat achter was.

De anderen geven blijk van een uitgesproken voorkeur voor de antieke Griekse muziek, die zoals men weet geen harmonieën kent, maar unisono klinkt. Deze nog al lawaaierige productie veroorzaakte een algemene tragische spanning, om niet te zeggen enige ontzetting, zelfs aan de speeltafels die voor dit moment niet zoals eerder melodramatisch konden meedoen door in de muziek ingevlochten stukjes declamatie, bij voorbeeld : - Ach ich liebte – achtenveertig – war so glücklich – ik pas- kannte nicht – Whist – der Liebe Schmerz – in de kleur etc.  – Het klonk allemaal best wel aardig. – (ik schenk me nog eens in). Dat was het topstuk van deze muzikale expositie : nu is het afgelopen! Ja, dat had ik gedacht! Ik deed het boek dicht en stond op. Maar dan komt de baron, mijn antieke tenor, op me af en zegt : “Mijn beste heer kapelmeester, u fantaseert zegt men hemels mooi, kom, fantaseer een stukje voor ons, een heel klein beetje! Alstublieft!”. Ik antwoordde heel droog, dat mijn fantasie nu volkomen drooggevallen  was. Terwijl we daar zo over spraken had een duivelspersoon in de gestalte van een dandy met twee vesten aan  in de zijkamer onder mijn hoed de (Goldberg-) variaties van Bach ontdekt. Je ziet hem denken : dat zijn zo van die mini-variaties als “Nel cor mi non più sento”, “Ah vous dirai-je, maman”etc. en hij wil dat ik er op los speel. Dat weiger ik. Dan valt iedereen over me heen. Goed dan, luister maar en stik van verveling, denk ik, en ik doe mijn best. Bij nummer 3 vonden verschillende dames het welletjes, gevolgd door enkele Tituskoppen. De meisjes Röderlein hielden het niet zonder pijn uit tot nummer 12, omdat hun eigen  leraar speelde. Nummer 15 joeg de tweevestenman op de vlucht. Uit volstrekt overdreven beleefdheid bleef de baron tot nummer 30 en dronk veel glazen punch die Gottlieb voor mij op de vleugel neerzette. Met succes bereikte ik het einde, maar nummer 30, het thema, hield me in zijn ban. De quarto-bladen dijden  plotseling uit tot een reuzenfolio, waar duizend imitaties en bewerkingen van dat thema stonden, die ik spelen moest.  De noten begonnen te leven en glansden en huppelden om me heen. Electrische stroom ging door mijn vingertoppen in de toetsen, de geest waar het vandaan stroomde, overvleugelde de gedachten, de hele zaal hing vol dichte damp, waarin de kaarsen zwakker en zwakker brandden. Soms stak iemand zijn neus om de hoek, soms zag ik een paar ogen, maar ze verdwenen gelijk weer. Zo kwam het, dat ik alleen bleef zitten met mijn Sebastian Bach en door Gottlieb als door een spiritus familaris werd bediend! Ik drink! Moet men een eerlijk musicus zo met muziek kwellen, zoals ik zojuist ben gekweld en zo vaak gekweld word? Waarachtig, geen kunst wordt zo verdomd vaak misbruikt als  de heerlijke, heilige musica die in haar tere wezen zo gemakkelijk ontwijd wordt!

Heb je echt talent, echt gevoel voor kunst? Goed, leer dan maar muziek, presteer iets wat de kunst waardig is en geef de ingewijde in de juiste mate deel aan je talent. Wil je daarnaast ook eens wat kwinkeleren? Goed, maar doe het alleen voor je zelf en onder jezelf en kwel daarmee kapelmeester Kreisler en anderen niet.

Nu zou ik naar huis kunnen gaan en mijn nieuwe pianosonate afmaken, maar het is nog niet elf uur en een mooie zomernacht. Ik wil wedden, dat naast mij bij de opperjachtmeester de meisjes bij het open raam zitten en het met krijsende, schelle en alles doordringende stem twintig keer uitschreeuwen de straat in : “Wenn mir dein Auge strahlet”- maar alleen het eerste couplet.

Schuin tegenover martelt iemand zijn fluit en heeft daarbij longen als de neef van Rameau, en in lange, lange tonen doet buurman hoornist akoestische experimenten. De talrijke honden in de buurt worden onrustig en de kater van mijn hospes, opgewonden door dat zoete duet, maakt dicht bij mijn raam (het spreekt vanzelf , dat mijn muzikaal-poëtisch laboratorium een dakkapel is) de kat van mijn buren waarop hij sinds maart verliefd is, het hof door de chromatische toonladder omhoog te jammeren.

Na elf uur wordt het rustiger. Zo lang blijf ik zitten, omdat er hoe dan ook nog wit papier en Bourgondiër voor handen zijn, waarvan ik graag nog wat gebruik maak.

Naar ik gehoord heb, bestaat er een oude wet, die handwerkers met geluidsoverlast verbiedt naast geleerden te wonen. Zouden  dan niet arme, bedreigde componisten, die bovendien uit hun enthousiasme gouden munt  moeten slaan om hun levensdraad verder te spinnen, die wet niet op henzelf van toepassing moeten laten zijn en de schreeuwlelijken en brulapen  uit hun nabijheid moeten kunnen verdrijven?

Wat zou een schilder zeggen, wanneer men hem, terwijl hij een ideaal aan het schilderen was, louter heterogene tronies zou willen voorhouden!  Wanneer hij zijn ogen zou sluiten, dan zou hij tenminste ongestoord het beeld in zijn fantasie kunnen vasthouden. Watjes in je oren helpen niet, je hoort toch overal het moordspektakel. En dan de idee, de idee alleen al : nu wordt er gezongen – nu komt de hoorn etc. – De duivel gaat er met de subliemste gedachten van door! – Het muziekpapier is aardig vol geschreven. Op het witte stukje binnen de titel wil ik nog de kanttekening waarom ik me honderd maal voornam mij niet meer bij de Geheimraad te laten kwellen en waarom ik honderdmaal mijn voornemen schond.

Eerlijk waar, het is Röderleins fantastische nicht die me met banden aan dit huis ketent, die de kunst heeft geknoopt. Wie ooit zo gelukkig was de slotscène van de ‘Armida’ van Gluck of de grote scène van Donna Anna uit ‘Don Giovanni’ door juffrouw Amalia te horen zingen, die zal begrijpen dat een uurtje aan de piano met haar samen hemelse balsem in de wonden giet die alle wanklanken van de hele dag voor mij, gekwelde muzikale schoolmeester, te niet doen. Röderlein die noch aan de onsterfelijkheid van de ziel, noch aan de muzikale maat gelooft, beschouwt haar als volkomen onbruikbaar voor een hoger bestaan in het theegezelschap, omdat ze daarin volstrekt niet zingen wil en dan toch weer voor heel gewone lieden zoals bijvoorbeeld simpele musici, met een inspanning zingt die helemaal niet bij haar past.  Want haar lange, aangehouden, aanzwellende harmonicatonen, die mij in hemelse vervoering brengen, heeft ze, zoals Röderlein denkt, kennelijk van de nachtegaal afgeluisterd, die een domme creatuur is, alleen in wouden leeft en door de mens, de slimme heer van de schepping, niet mag worden nageaapt. Ze gaat in haar roekeloosheid zo ver dat ze zich soms zelfs door Gottlieb op de viool laat begeleiden, wanneer ze sonates van Beethoven of Mozart op de piano speelt, stukken waaruit geen theeheer of whistspeler wijs kan worden.

Dat was het laatste glas Bourgondiër. Gottlieb poetst de kandelaars op en lijkt zich te verbazen over mijn fanatieke geschrijf. . Men heeft volkomen gelijk wanneer men deze Gottlieb pas zestien jaar geeft. Wat een heerlijk en ontwikkeld talent is dat! Waarom stierf papa poortwachter zo vroeg en moest zijn voogd de jongen in een livrij steken! –

Toen Rode hier was, luisterde Gottlieb in de voorkamer, zijn oor tegen de zaaldeur gedrukt, en speelde hele nachten. Overdag liep hij te dromen en te piekeren en de rode vlek op zijn linkerwang is een nauwkeurige afdruk van de solitair aan de vinger van de hand van Röderlein, die, zoals men door zacht strelen de somnambulante toestand teweeg brengt, door een stevige mep een totaal tegenover gesteld situatie veroorzaakt.

Behalve andere muziek heb ik hem de vioolsonates van Corelli gegeven; toen hield hij  in de oude vleugel van het merk Österlein zo op het zangblad onder de muizen huis , dat er geen in leven bleef en met toestemming van Röderlein heeft hij ook het instrument in zijn klein optrekje getransporteerd.

Werp hem van je, de gehate bediendenlivrij, brave Gottlieb, en laat me jou na jaren als de wakkere kunstenaar aan mijn hart drukken, jou met je diepe gevoel voor kunst!

Gottlieb stond achter me en wiste zich de tranen uit de ogen, toen ik deze woorden luid uitsprak. Ik drukte hem zwijgend de hand, we gingen naar boven en speelden de sonates van Corelli.

 

2. Ombra adorata! [Voetnoot]

Wat voor wonderbaarlijks is de muziek toch, hoe weinig is de mens in staat haar diepste mysteries te doorgronden! Maar huist ze niet in het hart van de mens zelf en vervult ze niet zijn binnenste met haar heerlijke aspecten  in die mate, dat zijn gehele wezen zich tot haar wendt en een nieuw hervormd leven hem al hierbeneden ontrukt aan de drang en de neerdrukkende kwelling van het aardse? Ja, een goddelijke kracht doordringt hem en terwijl hij zich met kinderlijk toegewijd gemoed aan datgene overgeeft wat de geest in hem opwekt, kan hij de taal van dat onbekende romantische rijk van geesten spreken en hij roept onbewust, zoals de leerling die met luide stem heeft gelezen in het toverboek van zijn meester, al de heerlijke verschijnselen uit zijn binnenste op zodat ze in stralende reidansen door het leven vliegen en iedereen die hen kan aanschouwen, met oneindige, onnoembare hartstocht vervullen.

Wat was ik benauwd in mijn borst, toen ik de concertzaal betrad. Wat gebukt ging ik onder de druk van al die onbenullige kwellinkjes die als giftig, stekend ongedierte de mens in het algemeen en bij uitstek de kunstenaar in dit armzalige leven achtervolgen en pijnigen, zodat hij vaak boven deze eeuwig stekende pijn de gewelddadige slag zou verkiezen, die hem voor altijd onttrekt aan deze en elke andere aardse smart.

Je doorzag de weemoedige blik die ik op je wierp, mijn trouwe vriend! Ik schenk je mijn honderdvoudige dank, dat je mijn plaats aan de vleugel innam terwijl ik me in het verste hoekje van de zaal probeerde te verbergen.  Wat voor voorwendsel had je gevonden, hoe was het je gelukt, dat op het programma niet Beethovens grote symfonie in c stond, maar een korte, onbetekenende ouverture van een nog middelmatig componist ?

Daarvoor dank ik je uit het diepst van  mijn hart. Wat zou er van mij geworden zijn wanneer ik, bijna verpletterd door alle aardse ellende die sedert kort onophoudelijk op me neer stortte, Beethovens geweldige geest  op me af zag  komen en hij me met metalen, gloeiende armen had omarmd en meegesleept in het rijk van het onvoorstelbare, het onmetelijke dat zich voor zijn donderende klanken open stelt.

Toen de ouverture met allerlei kinderlijke jubel met pauken en trompetten was afgesloten, werd het plotseling stil, alsof men nog iets heel belangrijks verwachtte.

Dat deed me goed, ik sloot mijn  ogen, en terwijl ik in mijn binnenste op zoek was naar aangenamere verschijnselen dan die welke mij omgaven, vergat ik het concert en daarmee natuurlijk ook alle detalis die me bekend waren geweest omdat ik piano moest spelen.

De pauze kan best eens tamelijk lang geduurd hebben, toen uiteindelijk het ritornello van een  aria begon. Het werd pianissimo gespeeld en leek in eenvoudige maar diep in het binnenste dringende tonen van hartstocht te spreken, waarin het gemoed zich vol verlangen ten hemel verheft en al het geliefde hervindt, wat hem hier beneden ontnomen was. Nu straalde als een hemels licht het heldere klokjesgeluid van een vrouwenstem uit het orkest naar boven : “Tranquillo io sono, fra poco teco sarò mia vità!”

Wie vermag de emotie te beschrijven die mij overviel!. Hoe loste de smart die in mijn binnenste knaagde, op in een weemoedig verlangen dat hemelse balsem in alle wonden goot. Alles was vergeten en ik kon kon alleen maar verbijsterd luisteren naar de tonen die, als uit een andere wereld dwarrelend, mij troostend omringden. Even eenvoudig als het recitatief is het thema van de volgende aria gehouden : “Ombra adorata”. Maar het spreekt even bezield, even indringend de gemoedstoestand uit dat vanuit de  zalige hoop om in een hogere, betere wereld spoedig alle  beloften vervuld te zien, weg zweeft over het aardse verdriet heen.

Hoe is in deze eenvoudige compositie alles zo ongekunsteld, zo natuurlijk  met elkaar verbonden. Alleen in tonica en dominant zijn de delen gecomponeerd, van een grillige modulatie, een gezochte figuur is geen  sprake, de melodie vloeit verder  als en zilveren stroom tussen stralende bloemen. Maar is juist dit niet de mysterieuze toverkracht die de meester ten dienste stond, dat hij aan de eenvoudigste melodie en de simpelste structuur deze onbeschrijfelijke macht kon schenken om onweerstaanbaar op ieder ontvankelijk gemoed te kunnen inwerken? In de wonderlijk helder en zuiver klinkende melismen vliegt de ziel met ruisend gevederte door de glanzende wolken, het is de juichende jubel van verloste geesten.  De compositie verlangt net als iedere andere die door de componist zo diep doorvoeld is,  een diep doorleefde voordracht met het  zuiver uitgesproken vermoeden van het bovenzinnelijke, zoals de melodie dat suggereert. Ook werd,  zoals het karakter van het Italiaanse bel canto het verlangt, zowel  in recitatief als in de aria op bepaalde versieringen gerekend. Maar is het niet mooi, dat als door een traditie de kunst waarmee de componist, de absolute meester van het zingen, Crescentini, de aria voordroeg en versierde, wordt voortgezet, zodat niemand het durft te wagen  ongestraft wat buitenissige krullen toe te voegen? Wat heeft Crescentini deze toevallige versieringen verstandig en levendig aangebracht! Ze zijn de schitterende opsmuk die het gelaat van de geliefde verfraait, zodat de ogen intenser stralen en diep purper lippen en wangen kleurt.

Maar wat moet ik over u zeggen, gij, meesterlijke zangeres! Met het gloeiend enthousiasme van de Italiaan roep ik u toe : “Gij door de hemel gezegende!”. [voetnoot]. Want het is inderdaad een hemelse zegen die uw edele en innige gemoed vergunt, innerlijke gevoelens duidelijk en heerlijk tot klinken te brengen.

Als reine geesten hebben me uw tonen omgeven en ieder van hen sprak : “Richt je hoofd op, sta rechtop! Trek met ons mee, trek met ons mee in het verre land, waar de smart geen bloedende wonden meer slaat, maar het hart als in hoogste vervoering met onnoembare hartstocht vervult!”.

Ik zal u nooit meer horen; maar wanneer de nietswaardigheid op me afkomt en mij als gelijke beschouwend met mij de strijd om het alledaagse wil aangaan, wanneer de arrogantie mij wil verdoven, wanneer  de walgelijke hoon van de massa mij met giftige stekels wil beschadigen, dan zal in uw tonen een troostende geest me toeprevelen : »Tranquillo io sono, fra poco teco sarò mia vità!«.  In een nooit eerder gevoelde vervoering verhef ik me dan met machtige vleugelslag boven  alle smaad van het aardse.  Alle tonen die in het gewonde hart in het bloed van de smart zijn verstard, leven weer op en bewegen en streven en schieten als fonkelende salamanders schitterend omhoog; en ik ben in staat ze te grijpen, te binden, zodat ze als in een vuurmand, tot een vlammend beeld worden, dat uw gezang – en uzelf – openbaart en verheerlijkt.

3. Gedachten over de bijzondere waarde van muziek

Het is niet te ontkennen, dat in de laatste tijd – de hemel zij geprezen! – de smaak voor muziek zich steeds verder heeft verbreid, zodat het in zekere zin bij een goede opvoeding hoort, kinderen ook muziekles te geven. Daarom vindt men in ieder huis dat iets wil betekenen, een piano of in elk geval een gitaar.

Slechts een paar minachters van de toch zeker schone kunst zijn er hier en daar nog te vinden en het is nu mijn idee en roeping om deze lieden een duchtig lesje te leren.

Het doel van kunst in het algemeen is toch geen ander, dan een mens een plezierig vermaak te bieden en hem zo  op een aangename manier  afleiding te bieden van de serieuze of eerder de enige voor hem eervolle zaken, namelijk dergelijke zaken die hem in de staat  brood en eer  bezorgen, zodat hij daarna met verdubbelde opmerkzaamheid en energie tot het eigenlijke doel van zijn bestaan kan terug keren, dat wil zeggen een degelijk tandrad zijn in de watermolen van de staat en (ik blijf bij deze metafoor) kan opwinden en in trilling komen.  Nu is echter geen kunst geschikter om dit doel te bereiken dan de muziek. Het lezen van een roman of een gedicht, hoe gelukkig de keuze ook uitvalt, zodat het totaal niets oninspirerends bevat zoals het meeste van de allernieuwse literatuur en dus de fantasie die eigenlijk het ergste deel van onze erfzonde is dat met alle macht gedood moet worden, niet in het minst prikkelt – dit lezen, bedoel ik, heeft toch het onaangename dat men in zekere zin genoodzaakt wordt daaraan te denken wat men leest. Dit gaat dan wel tegen de bedoeling van de verstrooiing in.  Dat zelfde geldt voor het voorlezen op die manier, dat men zijn concentratie verliest en heel gemakkelijk in slaap valt of zich in serieuze gedachten verdiept die volgens het psychologische dieet dat elke fatsoenlijke zakenman in acht moet nemen, cyclisch even tot rust moeten komen.

Het bekijken van een schilderij kan maar heel kort duren, want de interesse is weg zodra men heeft geraden wat het moet voorstellen.

Wat de muziek echter betreft, kunnen alleen maar de heilloze minachters van deze edele kunst ontkennen, dat een geslaagde compositie, dat wil zeggen, een compositie die fatsoenlijk binnen de perken blijft en de ene aangename melodie na de andere laat volgen, zonder lawaai of aanstellerij met allerlei contrapuntische loopjes en oplossingen, dat een dergelijke geslaagde compositie iemand in een wonderlijk ontspannen stemming brengt, waarbij men totaal verlost is van het denken, waarbij dus geen serieuze gedachten kunnen opdoemen, maar wel verschillende lichte en aangename elkaar afwisselen, waarvan men zich helemaal niet realiseert wat eigenlijk hun inhoud is. Men kan nog een stapje verder gaan en vragen : is het soms verboden tijdens een muziekstuk met de buurman een gesprek aan te knopen over allerlei onderwerpen  van de politieke en ethische wereld en op die manier op aangename manier een dubbel doel te bereieken?  Dit is integendeel van harte aan te bevelen, omdat muziek, zoals men bij alle concerten en muzikale kringen kan opmerken, het spreken aanzienlijk vergemakkelijkt. In de pauze valt alles stil, maar tegelijk met de muziek begint de woordenstroom weer te bruisen en zwelt steeds meer aan, samen met de tonen die ertussendoor vallen. Heel wat dames, die anders zoals iedereen weet alleen maar ‘ja, ja!’ en ‘nee, nee!’ zeggen, komen tijdens muziek in breder spraakwater terecht, dat hier geen slechte, maar juist een goede uitwerking heeft, omdat daarom soms een minnaar of zelfs een echtgenoot in hun netten terecht komt, door de zoetheid van die ongewone woordenstroom bedwelmd.

Hemeltjelief, hoe intelbaar zijn de voordelen van een mooi stuk muziek!

Nu breng ik jullie, heilloze kunstminachters, mee in de huiselijke kring, waar vader, moe van de serieuze zaken van de dag, in slaaprok en in pantoffels vrolijk en goedsmoeds bij het geneurie van zijn oudste zoon zijn pijp rookt. Heeft het lieve roosje niet juist daarom de  Dessauer Marsch ingestudeerd en “Blühe liebes Veilchen”, en draagt ze het niet zo mooi voor, dat bij moeder de vreugdetranen op de kous vallen die ze zojuist aan het stoppen is? Zou hem niet het veelbelovende, maar vooralsnog angstige gekwaak van zijn jongste spruit ergeren, wanneer niet de klank van die lieve kindermuziek het geheel op toon en in de maat hield?

Wanneer deze huiselijk idylle, de triomf van de eenvoudige natuur, je totaal niets zegt, volg me dan naar dat huis met de felverlichte glasvensters. Je betreedt de zaal; de dampende theemachine is het brandpunt waaromheen zich de elegante heren en dames bewegen. Speeltafels worden aangesleept, maar ook vliegt het pianodeksel open en ook hier dient de muziek tot aangename verstrooiing en vermaak. Mits goed gekozen heeft ze totaal niets storends, want zelfs de kaartspelers hebben absoluut geduld met haar, hoewel ze in hoger sferen vertoeven, die van winst en verlies.

Wat moet ik tenslotte zeggen over de grote openbare concerten, die een fantastische gelegenheid bieden om onder muzikale begeleiding deze of gene vriend te spreken of, wanneer men zich nog in de jaren van overmoed bevindt, met deze of gene dame lieve woordjes te wisselen, waarbij zelfs de muziek nog een geschikt thema aan de hand kan doen. Deze concerten zijn de ware verstrooiingsplaatsen voor de zakenman en verdienen sterk de voorkeur boven het theater, omdat dat soms voorstelingen presenteert die de geest ten onrechte op iets obenulligs en onwaars fixeren zodat men gevaar loopt in de poëzie vast te lopen, waarvoor oedereen moet oppassen die zijn burgerlijke eer ter harte gaat.

Kortom, het is , zoals ik in het begin al zei, een overduidelijk teken, hoezeer men tegenwoordig de ware tendens van de muziek onderkent, dat ze zo vlijtig en zo serieus wordt beoefend en aangeleerd. Hoe doelmatig is het niet dat kinderen, ook al hebben ze niet de geringste aanleg voor kunst, wat er trouwens ook helemaal niet toe doet, toch met muziek in contact worden gebracht om zo, wanneer ze overigens nog niet obligaat in de maatschappij mogen werken, toch tenminste het hunne kunnen brijdrgen aan vermaak en verstrooiing!

Ook een enorm voordeel van muziek boven iedere andere kunstvorm is  ook, dat ze in haar puurheid (zonder bijmenging van poëzie) een bijzonder ethisch effect heeft en daarom in geen geval van schadelijke invloed is op de tere jeugd.

Die politiecommissaris voorzag de uitvinder van een nieuw instrument zonder problemen van het getuigenis, dat zich daarin niets bevond, dat inging tegen de staat, de religie en de goede zeden. Met dezelfde openheid kan iedere muziekleraar papa en mama van tevoren al verzekeren, dat de nieuwe sonate niet één onethische gedachte bevat.

Zodra de kinderen ouder worden, spreekt het vanzelf, dat ze de kunstbeoefening zullen moeten opgeven, omdat iets dergelijks niet past bij serieuze mannen en omdat dames daarbij heel gemakkelijk de hogere verplichtingen aan de samenleving etc. kunnen verzuimen. Deze genieten dan alleen maar passief van muziek doordat ze zich door kinderen of professionele musici laten voorspelen.

Uit de correct aangegeven tendens van de kunst vloeit ook voort, dat de kunstenaars, dat wil zeggen zulke personen die (dwaas genoeg!) hun hele leven aan een zaak wijden die alleen maar tot verstrooiing en vermaak dient, als volkomen ondergeschikte subjecten te beschouwen en alleen daarom getolereerd moeten worden omdat ze het miscere utili dulce in de praktijk brengen.

Geen mens met een gezond verstand en een gerijpt inzicht zal de beste kunstenaat zo hoog achten als de wakkere klerk, ja zelfs de ambachtsman die de zitting stopt waarop de raad zit in de doelenzaal of de koopman in zijn kantoor, omdat hier het noodzakelijke, daar het aangename centraal staat.

Wanneer men met kunstenaars toch beleefd en vriendelijk omgaat, is dat alleen maar het gevolg van onze cultuur en onze bonhommie, die ons ook tegen  kinderen en andere personen die ons aan het lachen brengen, aardig laten doen. Heel wat van deze ongelukkige dromers zijn te laat uit hun dwaling ontwaakt en daarbij werkelijk in een soort van waanzin terecht gekomen, wat men heel gemakkelijk kan opmaken uit hun uitspraken over kunst. Ze denken  namelijk dat kunst de mens op zijn hogere principe wijst en hem uit de dwaze drukte van het gewone leven in de Isis-tempel voert, waar de natuur met heilige, nooit gehoorde en toch begrijpelijke klanken met hem spreekt. Over de muziek houden deze waanzinnigen er de wonderlijkste meningen op na. Ze noemen haar de meest romantische van alle kunsten, omdat haar object alleen maar het oneindige is, het mysterieuze, in tonen uitgesproken Sanskriet van de natuur dat het hart van de mens met een oneindig verlangen vervult en alleen maar via haar verstaat hij het hooglied van de bomen, de bloemen, de dieren, de stenen, de wateren!

De volstrekt nutteloze spelletjes met contrapunt die de toehoorders totaal niet opvrolijken en zo de eigenlijke muzikale plank misslaan, noemen ze vol huiver geheimzinnige combinaties en ze zijn in staat ze met wonderlijk kronkelende mossen, kruiden en bloemen te vergelijken.

Het talent of, in de taal van deze dwazen, de genius van de muziek gloeit, zeggen ze, in het hart van de mens die kunst in praktijk brengt en koestert en verteert het, wanneer het gewonere principe de vonken op kunstige wijze wil overdekken of afleiden, met onblusbaare vlammen.

Diegenen die, zoals ik eerst uiteen heb gezet, heel juist oordelen over de ware tendens van de kunst en van de muziek in het bijzonder, noemen ze onwetende stakkers die eeuwig uitgesloten moeten blijven  van het heiligdom van ware schoonheid en ze onderbouwen daarmee hun dwaasheid. Want ik vraag me met recht en reden af : wie is er beter aan toe, de staatsbeambte, de koopman, de rentenier die goed eet en drinkt, zoals het hoort zijn wandelingetje maakt en die door alle mensen met respect wordt begroet, of de kunstenaar die zich nauwelijks in zijn fantasiewereld kan behelpen? Die dwazen beweren wel, dat poëtische verheffing boven het gewone iets heel bijzonders is, en dat heel wat ontbering dan in genot omslaat. Maar  de keizers en koningen in het gesticht zijn met hun kronen van stro op het hoofd ook gelukkig!

Het beste bewijs, dat al die kreten niets te betekenen hebben, maar alleen maar het innerlijke verwijt niet naar het solide te heben gestreefd moeten wegpoetsen, is dit, dat bijna geen kunstenaar het uit vrije keuze is geworden. Ze kwamen en komen nog altijd voort uit de armoedige klasse. Uit onvermogende, obscure ouders geboren, of ook weer uit kunstenaars, maakte de nood, de gelegenheid, het gebrek aan uitzicht op geluk in de eigenlijk nuttige klassen tot datgene wat zij werden. Dat zal dan ook eeuwig zo blijven, wat die fantasten er ook van zeggen. Stel, dat een vermogende familie van hogere stand zo ongelukkig is een kind te hebben dat absoluut voor de kunst in de wieg is gelegd of dat, volgens die belachelijke uitdrukking van die waanzinnigen, de goddelijke vonk die in zijn verzet verterend om zich heen grijpt, in zijn hart draagt, en stel, dat het blijft fantaseren over kunst en kunstenaarsleven, dan zal een goede pedagoog door een verstandig psychologisch dieet, bij voorbeeld door het kind verre te houden van alle fantastische en overdrijvende kost zoals poëzie en zogenaamde goede composities van Mozart, Beethoven etc.) en bovendien door de ijverig herhaalde voorstelling van de totaal ondergeschikte tendens van die kunst en de eveneens ondergeschikte status van de kunstenaar, zonder enige rang, titel en rijkdom, dan zal dus die pefagoog heel gemakkelijk het verdwaalde jonge subject weer op het rechte pad kunnen brengen, zodat het kind bij zichzelf uiteindelijk een oprechte minachting  bespeurt voor kunst en kunstenaars , een minachting die als waarachtig remedium tegen die excentriciteit nooit ver genoeg kan worden doorgedreven.

De arme kunstenaars die nog niet in de hierboven beschreven waanzin zijn vervallen, denk ik hierbij een heel goed advies te geven wanneer ik hun, om ze een beetje uit hun doelloze levenssfeer  te bevrijden, voorstel er nog een licht handwerk bij te leren. Dan zullen ze zeker als nuttige onderdanen van de staat  enige status kunnen verwerven. Een deskundige heeft me gezgd, dat ik een heel goede hand voor pantoffelfabricage heb en ik ben niet ongenegen,  als prototype in de leer te gaan bij de meesterpantoffelmaker alhier, de heer Schnabler die boven dien nog peet voor me heeft gestaan.

Dat overlezende wat ik heb geschreven vind ik de waanzin van menig musicus heel treffend weergegeven en met een heimelijke afkeer voel ik me met hen verwand. Satan bromt me in het oor, dat veel wat eerlijk gemeend is bij hen als heilloze ironie kan overkomen. Nogmaals verzeker ik het volgende : tegen jullie, verachters van de muziek,  jullie die het opbeurende zingen en spelen van kinderen nutteloos kwinkeleren noemen en de muziek als een mysterieuze, edele kunst alleen iets voor kinderen vinden, tegen jullie waren mijn woorden gericht en met het wapen van de ernst in de hand heb ik jullie aangetoond, dat de muziek een heerlijke en nuttige uitvinding is van de weer opgewekte Tubalkain, een uitvinding die de mensen opvrolijkt en verstrooit en dat ze zo het huiselijke geluk, het hoogste goed voor ieder gecultiveerd mens, op aangename en bevredigende wijze kan bevorderen.

 

FANTASIESTÜCKE   IN CALLOTS MANIER

[uit : E.T.A. Hoffmann, Poetische Werke in sechs Bänden, Bd I, Berlijn 1963, p. 98-108]

 

DE INSTRUMENTALE MUZIEK VAN BEETHOVEN        

TER INLEIDING

Ernst Theodor Amadeus Hoffmann werd in 17 76 in Königsberg geboren en overleed in  1822 in Berlijn.  Hij was actief als musicus, muziekjournalist, schilder, tekenaar, decorontwerper, regisseur en schrijver.  Zijn voornaamste inkomsten verdiende hij als jurist. In 1805  ruilde hij zijn derde naam Wilhelm uit verering voor Mozart in voor Amadeus.  Na zijn rechtenstudie aan de universiteit van Königsberg was hij net als veel van zijn voorvaderen en verwanten actief als Pruisisch ambtenaar, maar hield zich in zijn vrije tijd bezig met muziek, schilderen en schrijven. In de periode 1796-1806 was hij referendaris,  assessor en regeringsraad in Berlijn en het door Pruisen bezette Polen. Na de overwinning van Napoleon op Pruisen en de intocht van Franse troepen in Polen was hij werkloos en probeerde hij van 1807 tot 1814 zonder succes als musicus voet aan de grond te krijgen. Zo werkte hij vier jaar lang  in Bamberg in verschillende functies aan het theater aldaar en als piano- en zangleraar. Daarna was hij kapelmeester bij het operagezelschap van Joseph Seconda in Leipzig en Dresden. Na de overwinning van de geallieerden op Napoleon  keerde hij  in 1814 ziek en gefrustreerd   terug in Pruisische overheidsdienst en bracht zijn laatste jaren in Berlijn door als Kammergerichtsrat. In die tijd genoot hij aanzienlijke bekendheid doorzijn verhalen en romans.

In 1807 had Hoffmann contacten gelegd met Friedrich Rochlitz, uitgever van de Leipziger Allgemeine musikalische Zeitung waarvoor hij voortaan recensies en kleinere essays over muziek schreef. In de loop der jaren schreef hij 41 bijdragen, waarvan de belangrijkste de vijf recensies over werken van  Beethoven waren.  Zijn  vriend Carl Friedrich Kunz, wijnhandelaar en uitgever te Bamberg,  inspireerde hem in 1812 tot een verzameling verhalen, deels bestaande uit oudere bijdragen voor de Musikalische Zeitung, deels uit   recent werk, dat in 1814 en 1815  in vier delen bij Kunz  verscheen met de titel Fantasiestücke in Callots Manier.  [Jacques Callot,1592-1632, was beroemd om zijn etsen waarin hij op intense en levendige wijze het alledaagse leven met al zijn misère verbeeldde]. Deze essays maakten Hoffmann op slag beroemd  en maakten hem tot de meestgelezen auteur van zijn tijd. Ze omvatten naast  verhalen en sprookjes twee series Kreisleriana, dertien teksten over muziek met in de hoofdrol kapelmeester Johannes Kreisler, ‘verrückter Musikus par excellence’.  Voor het vierde Kreislerianum met als titel Beethovens Instrumental-Musik (in het eerste deel van de Fantasiestücke) gebruikte Hoffmann twee van zijn vroegere Beethovenrecensies in de Musikalische Zeitung. De essays over de vijfde symfonie en de pianotrio’s  op. 70  verschenen in 1810 en 1812-13. Daarbij liet hij de notenvoorbeelden en analyses weg en voegde de algemeen gehouden, deels muziekhistorische, deels muziekesthetische delen tot een nieuw essay samen.

Dit essay geldt tegenwoordig als basistekst voor de Romantische muziekesthetiek.  Hoffmann heeft hierin het belang van Beethoven als componist van instrumentale muziek belicht en  Haydn, Mozart en Beethoven geproclameerd als componisten van de ‘Wiener Klassik’.  Uit zijn tekst spreekt de voorliefde van de Romantiek voor zuivere instrumentale muziek als een metafysische taal uit het ‘Geisterreich  des Unendlichen’.

 

 

 

Fantasiestukken op de manier van Callot.

4. De instrumentale muziek van Beethoven

Wanneer er van muziek sprake is als zelfstandige kunstvorm, zou er dan niet altijd instrumentale muziek bedoeld moeten zijn, die elke hulp  van en vermenging met een andere kunst, zoals de poëzie, versmaadt en het specifieke en alleen maar daarin te vinden wezen van deze kunst zuiver uitspreekt?  Zij is de meest romantische van alle kunsten,  bijna zou men zeggen, alleen deze kunst is  écht romantisch, want juist het oneindige is haar thema. Orpheus’ lier opende de poorten van de onderwereld.  De muziek ontsluit voor de mens een onbekend rijk, een wereld die niets gemeen heeft met de zintuigelijk waarneembare wereld die ons omgeeft en waarin hij afziet van alle bepaalde gevoelens om zich over te geven aan een onuitsprekelijke hunkering.  

Hebben jullie wel eens een vermoeden gehad van dit specifieke wezen, jullie arme componisten die met je instrumentale muziek verwoede pogingen doen om bepaalde gevoelens, ja zelfs gebeurtenissen weer te geven?  Hoe konden jullie op het idee komen deze met de plastiek contrasterende kunst plastisch te behandelen? Jullie zonsopgangen, onweders, jullie Batailles des trois Empereurs etc. waren lachwekkende vergissingen en zijn dan ook afgestraft met totale vergetelheid. [Het betreft hier de Driekeizerslag bij Austerlitz op 2 december 1805. Het jaar daarop publiceerde  L.E. Jadin  de pianoversie van een orkestwerk met als titel La Grande Bataille d’Austerlitz surnommée La Bataille des trois Empereurs].

Bij vocale muziek, waarbij de poëzie bepaalde affecten door woorden kenbaar maakt, werkt de magische kracht van de muziek als het wonderlijke elixer van de wijzen, waarvan enkele druppels iedere drank kostelijker en heerlijker maken.  Iedere hartstocht – liefde – haat – toorn – vertwijfeling, etc. zoals de opera die ons presenteert, wordt door de muziek gehuld in de purperen glans van de romantiek en zelfs datgene  wat we in het leven hebben ervaren, voert ons uit het leven weg in het rijk van het oneindige.

Zo sterk is de magie van de muziek, steeds meer nam haar macht toe, totdat ze iedere keten van een andere kunst kon doorbreken.

Dat geniale componisten de instrumentale muziek tot het huidige niveau hebben gebracht,  houdt niet alleen verband met de ontwikkeling van de uitdrukkingsmiddelen (vervolmaking van de instrumenten, grotere virtuositeit van de musici) maar ook met het diepere inzicht in het specifieke wezen van de muziek.

Mozart en Haydn, de scheppers van de recente instrumentale muziek, lieten ons voor het eerst de kunst in haar volle glorie zien. Degene die daar zijn liefdevolle blik op richtte  en diep indrong in haar kern, is – Beethoven!  De instrumentale composities van alle drie genoemde meesters ademen een even romantische geest die gelegen is in hetzelfde  intense binnendringen in het specifieke wezen van de kunst. Het karakter van hun composities verschilt overigens onderling aanzienlijk. 

De uitdrukking van een kinderlijk opgewekt gemoed heerst in de composities van Haydn. Zijn symfonieën verplaatsen ons in onafzienbare groene weiden, in een bont gewoel van gelukkige mensen. Jongens en meisjes zweven in reidansen langs. Lachende kinderen, luisterend achter bomen en rozenstruiken , bekogelen elkaar met bloemen. Een leven vol liefde, vol volkomenheid, als voor de zondeval, in een eeuwige jeugd; geen leed, geen verdriet, alleen een zoet weemoedig verlangen naar een geliefde gestalte, die in de verte in de glans van het avondrood zweeft, niet naderbij komt en ook niet verdwijnt. Zolang ze er is wordt het niet nacht, want zij zelf is het avondrood dat bergen en dalen doorgloeit.

Mozart voert ons in de diepten van het geestenrijk. We worden door huiver bevangen, maar niet gekweld. We hebben een vermoeden van de oneindigheid. Een sfeer van liefde en weemoed rijst op uit zijn edele muziek; de nacht treedt in met schitterende purperglans en in onuitsprekelijk verlangen worden we aangetrokken door de gestalten die ons vriendelijk in hun midden  opnemen in een eeuwige dans door de wolken. (Mozarts symfonie in Es, bekend onder de naam ‘Zwanenzang’).

http://www.youtube.com/watch?v=9CpA7tlVqN4

Ook de instrumentale muziek van Beethoven opent voor ons het rijk van het kolossale en onmetelijke.  In dit rijk schieten gloeiende stralen door de diepe nacht en we ontdekken reuzenschaduwen die op en neer bewegen, ons steeds nauwer omsluiten en ons vernietigen, maar niet de smart van het oneindige verlangen, waarin iedere lust die snel in juichende tonen omhooggeschoten is, weg zinkt en ten onder gaat en alleen in  deze smart die liefde, hoop en vreugde in zich opneemt, maar niet verwoest, en die ons hart  met een volstemmig akkoord van alle hartstochten wil laten openbarsten, leven we verder en zijn geschokte  geesteszieners!

De romantische  smaak is iets zeldzaams, het romantische talent nog iets zeldzamers, daarom zijn er ook zo weinig, die de lier waarvan de toon het wonderlijke rijk van het romantische opent, kunnen aanslaan.

Haydn vat het menselijke in het menselijke leven romantisch op; hij is commensurabeler, gemakkelijker te begrijpen voor de  meerderheid.

Mozart richt zich meer op het bovenmenselijke, het wonderlijke, dat in onze geest woont.

Beethovens muziek  wekt in ons ontzag, huivering, ontzetting, smart en die oneindige hunkering die het wezen van de romantiek is. Hij is daarom ook een puur romantisch componist en misschien komt het daardoor dat de vocale muziek hem minder ligt, de vocale muziek die het karakter van het onbepaalde verlangen niet toelaat, maar slechts door woorden bepaalde gevoelens weergeeft die in het rijk van het oneindige worden ervaren.

Het muzikale gepeupel wordt door Beethovens machtig genie afgestoten; het wil zich er tevergeefs tegen verweren. Maar de  wijze rechters die met voorname gelaatsuitdrukking om zich heen kijken, verzekeren, dat men hen als mannen van het grootste verstand en het diepste inzicht op hun woord kan geloven, dat het de goede B.  niet in het minst ontbreekt aan een zeer rijke en levendige fantasie, maar dat hij die niet kan beteugelen!  Er zou bij hem geen sprake zijn van een keuze en een ontwikkeling van gedachten, maar hij zou volgens de zogenaamde geniale methode alles zo maar op papier gooien, zoals zijn vurige fantasie het hem ingaf. Kan het anderzijds niet zijn, dat  de innerlijke diepe samenhang van ieder werk van Beethoven jullie ontgaat, dat het aan jullie ligt dat je  de taal van de meester, alleen begrijpelijk voor ingewijden, niet verstaat en dat de poort van het allerheiligste  voor jullie gesloten blijft? 

Beethoven kan qua bezonnenheid volledig met Mozart en Haydn op één lijn worden gesteld.  Hij scheidt zijn ik af van het innerlijke rijk van de tonen en gebiedt daarover als een autonoom heerser. Esthetische meetkunstenaars hebben vaak bij Shakespeare geklaagd over substantiële gebreken  qua eenheid en innerlijke samenhang, terwijl voor de diepere blik een mooie boom oprijst, rijk aan bladeren, bloesem en vruchten die alle uit één kiem voortkomen.  Alleen maar wanneer men zeer diep binnendringt in  Beethovens instrumentale muziek wordt men de bezonnenheid gewaar die niet te scheiden is van ware genialiteit en door echte verdieping in de kunst wordt gevoed. 

http://www.youtube.com/watch?v=fOk8Tm815lE

Het werk dat dit volkomen bevestigt is de fantastisch diepzinnige symfonie in c.   Hoe leidt deze wonderlijke compositie de toehoorder in een steeds meer stijgende climax onweerstaanbaar verder in het spirituele rijk van het oneindige!  Niets kan eenvoudiger zijn dan de slechts uit twee maten bestaande hoofdgedachte van het eerste allegro dat aanvankelijk in unisono klinkend  voor de toehoorder niet eens de toonsoort bepaalt. Het melodieuze neventhema laat het karakter van de angstige, onrustige hartstocht dat dit deel kenmerkt,  nog meer tot zijn recht komen.  Het hart dat door het vermoeden van een kolossale dreigende vernietiging wordt gekweld, lijkt het te willen uitschreeuwen, maar plotseling  komt een vriendelijke gestalte te voorschijn en brengt licht in de diepe gruwelijke nacht.  Het gaat om het liefelijke thema in G dat eerst wordt aangestipt door de hoorns in Es.  Hoe eenvoudig – ik zeg het nog eens -  is het thema waarop de componist het geheel baseert, maar hoe knap voegt hij de andere elementen zodanig   in hun ritmische verhouding toe, dat ze er alleen toe dienen het karakter van het allegro, dat het hoofdthema alleen maar aanstipte, steeds verder te ontwikkelen. Alle  thema’s  zijn kort, ze bestaan alle bijna alleen maar uit twee of drie maten en zijn bovendien verdeeld in een voortdurende afwisseling van blaas- en strijkinstrumenten. Je zou geloven, dat  uit zulke elementen iets verbrokkelds, onsamenhangends zou ontstaan, maar  in plaats daarvan is het juist die inrichting van het geheel, evenals de voortdurende opeenvolgende herhaling van onderdelen en afzonderlijke akkoorden, die het gevoel van een onuitsprekelijke hartstocht tot het uiterste opzweept.  Nog afgezien daarvan, dat de contrapuntische  behandeling getuigt van een intense verdieping in de kunst, zijn het ook de tussendelen, de voortdurende toespelingen op het hoofdthema, die duidelijk maken, hoe Beethoven het geheel  met al zijn hartstochten heeft ontworpen en doordacht. 

http://www.youtube.com/watch?v=EQIVWhKhwPA

Het liefelijke thema van het Andante con moto in As is als een bovenmenstelijke stem die  ons hart vervult met hoop en troost.  Maar ook hier  komt de huiveringwekkende stemming die in het allegro heerste, elk ogenblik dreigend uit de onweerswolk, waarin hij was verdwenen,  te voorschijn  en met zijn bliksems  verdrijft hij snel de vriendelijke gestalten die ons omringen.

http://www.youtube.com/watch?v=7mvbRe5JOWk

Wat zal ik van het menuet zeggen?  Luister naar de  bijzondere modulaties, de afsluitingen met het dominant akkoord in majeur dat de bas als tonica van het volgende deel in mineur opneemt, het thema zelf dat zich steeds met enkele maten uitbreidt!  Word je niet opnieuw gegrepen  door dat onrustige, onuitsprekelijke verlangen , dat vermoeden van het wonderlijke rijk van geesten, waarin de meester heerst?  Maar als verblindend zonlicht  straalt het prachtige thema van het slotdeel in de juichende jubel van het hele orkest. 

http://www.youtube.com/watch?v=jdvsRJL4Mtw



Wat een wonderlijke contrapuntische  kronkeldraden worden hier tot een eenheid samengeknoopt!  Voor velen kan dit stuk als een geniale rapsodie voorbijvliegen , maar het gemoed van iedere bedachtzame toehoorder zal door het gevoel van die onbeschrijfelijke hartstocht worden overmand en  tot het slotakkoord,  ja zelfs nog tot in de ogenblikken daarna zal hij zich niet kunnen losmaken uit die wonderlijke wereld waar smart en lust, in tonen gevat, hem omgaven.

De innerlijke inrichting, de uitvoering, de instrumentatie, de manier waarop de onderdelen aaneen zijn gevoegd, alles is op één doel gericht. Maar vooral de nauwe verwantschap van de thema’s onderling zorgt voor die eenheid waardoor de toehoorder in één stemming wordt vastgehouden.  Vaak wordt deze verwantschap voor de toehoorder duidelijk,  wanneer hij die beluistert uit de verbinding van twee delen, of in de bas die twee verschillende delen met elkaar gemeen hebben. Een diepere verwantschap echter, die niet op een dergelijke manier blijkt,  spreekt vaak van geest tot geest, en juist die is het, die heerst bij de beide allegro’s en het menuet en die blijk geeft van Beethovens genialiteit.

Wat een indruk hebben , Beethoven,  jouw  pianocomposities op mij gemaakt!  Hoe  mat en onbetekenend komt alles op me over, wat niet van jou is, of van de bedachtzame Mozart en het geweldig genie van Bach!  Met wat voor een plezier kreeg ik jouw zeventigste opus in handen, de beide heerlijke pianotrio’s , want ik wist wel, dat ik er na enige oefening echt van zou genieten.  Vanavond gebeurde dat in die mate , dat ik nog steeds, als iemand die ronddwaalt op de kronkelpaden van een fantastisch  park, omringd door zeldzame bomen, heerlijke struiken en verrukkelijke bloemen en die er steeds verder en verder in verdwijnt, niet van de prachtige  wendingen van jouw trio’s kan los komen.  De verrukkelijke sirenenstemmen van jouw stukken met hun bonte verscheidenheid aan klanken lokken me steeds dieper naar binnen.

De getalenteerde dame die het eerste trio vandaag ter ere van mij, kapelmeester Kreisler, zo geweldig speelde en voor wier vleugel ik hier zit te schrijven, heeft me heel duidelijk laten inzien dat alleen datgene  wat de geest ons geeft, de moeite waard is, en dat de rest alleen maar kwaad aanricht.

[Op 3 juli 1812 werd opus 70 nummer 2  gespeeld ten huize van gravin Rotenhan in Bamberg. Zij was pianoleerling van Hoffmann.  Deze merkt in zijn dagboek op, dat hij op deze avond gesproken heeft over het wezen van de muziek.  Hij werd toen niet begrepen. Het is waarschijnlijk dat de gedachten van het essay hun oorsprong hebben in Hoffmanns woorden op deze avond].

http://www.youtube.com/watch?v=Vaip_kccN1Q

http://www.youtube.com/watch?v=UZJYCWA9KFE

Zojuist heb ik vanuit mijn geheugen enkele frappante fragmenten uit beide trio’s op mijn piano gespeeld.  Het is waar, de vleugel of vleugel-pianoforte  leent zich meer voor de weergave van harmonieën dan voor melodieën.  Zelfs de fijnste nuancering die op dit instrument mogelijk is, geeft de melodie niet die  levendigheid in duizend en één schakeringen die de strijkstok van de violist of de adem van de blazer haar kan geven.  De pianist worstelt tevergeefs met het onoverkoombare probleem waarmee  het mechanisme, dat de snaren door één aanslag laat vibreren en klinken,  hem confronteert.  Anderzijds is er geen enkel instrument, afgezien van de nog veel beperktere harp,  dat net zoals de vleugel met volle akkoorden het rijk van de harmonie beheerst en zijn schatten voor de kenner  in de prachtigste vormen ontvouwt.  Wanneer de fantasie van een componist een compleet beeld in tonen heeft bedacht met  een rijkdom aan vormen en intense licht- en schaduwwerking,  dan kan hij dat aan de vleugel tot leven wekken, zodat het uit zijn innerlijke wereld in  al zijn kleurigheid naar buiten treedt.      De complete partituur        , dat waarachtige muzikale toverboek, dat met zijn tekens alle wonderen van de toonkunst, het geheimzinnige koor van de verschillende instrumenten, in zich bergt, komt onder de handen van de meester  aan de piano tot leven en een muziekstuk dat op deze wijze uit de partituur in al zijn veelstemmigheid op piano wordt gespeeld, is te vergelijken met een geslaagde  ets die naar een mooi schilderij is gemaakt.  Daarom is de vleugel uiterst geschikt om op te improviseren, een partituur voor te dragen, afzonderlijke sonates en akkoorden etc. te spelen. Ook trio’s, kwartetten, kwintetten e.d. waar de gebruikelijke strijkinstrumenten dan bij komen, horen thuis in het gebied van de pianocomposities omdat het, als ze werkelijk op de juiste wijze, dat wil zeggen vierstemmig of vijfstemmig,  zijn geschreven, hier volledig aankomt op de harmonische uitwerking, die het naar voren treden van afzonderlijke instrumenten in virtuoze passages  van zelf uitsluit.       

Een ware tegenzin heb ik ontwikkeld tegen pianoconcerten. De pianoconcerten van Mozart en Beethoven zijn niet zozeer concerten als wel symfonieën met obligate piano. Hier moet de virtuositeit van de pianist blijken uit passagewerk en het uitdrukken van een melodie , maar zelfs de beste pianist die speelt op het beste instrument zal tevergeefs datgene nastreven, wat de violist met veel minder moeite lukt.

Na het volle tutti van strijkers en blazers klinkt elke solopassage mat en stijf en men heeft wel bewondering voor de vingervlugheid waarmee gespeeld wordt, maar het hart wordt niet aangesproken.

Hoe knap heeft Beethoven  de specifieke aard van het instrument herkend en er volledig rekening mee gehouden!

In deze trio’s  is bij elk deel een eenvoudig, maar vruchtbaar en zangerig thema , dat de meest uiteenlopende contrapuntische bewerkingen kan ondergaan, de basis.  Alle overige thema’s zijn nauw verwant met de hoofdgedachte zodat er een grote eenheid ontstaat.  Binnen deze kunstige structuur  wisselen in een rusteloze vlucht de wonderlijkste beelden elkaar af, waarin vreugde en smart, weemoed en welbehagen naast en in elkaar optreden. Merkwaardige gestalten beginnen een luchtige dans terwijl ze nu eens in één lichtpunt samenkomen, dan weer fonkelend uiteenvallen en elkaar in verschillende groepen achterna ijlen.  Midden in dit toegankelijk gemaakte gebied van de geest luistert de ziel ontroerd naar de onbekende taal en verstaat de geheimste vermoedens die haar hebben bevangen.

Alleen die componist dringt waarachtig tot de mysteries van de harmonie door, die daardoor op het gemoed van de mensen kan werken.  Voor hem zijn de getalproporties  die voor de grammaticus zonder talent alleen maar dode en starre rekenvoorbeelden blijven,  magische preparaten,  waaruit hij een toverwereld laat oprijzen.

Ongeacht de gemoedelijkheid die vooral in het eerste trio, zelfs het weemoedige Largo niet uitgezonderd, heerst, blijft het genie van Beethoven ernstig en voornaam. Het is alsof de meester dacht, dat men van diepe en geheimzinnige dingen nooit in gewone, maar alleen in verheven en heerlijke bewoordingen kan spreken, zelfs wanneer de geest die daarmee innig vertrouwd is,  in een vrolijke verheven stemming verkeert.  Het dansstuk van de Isispriester kan alleen maar een juichende hymne zijn.

De instrumentale muziek moet daar, waar ze alleen door zichzelf als muziek moet werken zonder een bepaald dramatisch doel te dienen,  alles vermijden dat onbetekenend en lichtzinnig is.   Het serieuze gemoed is op zoek naar de tekens van die  vreugde  die  heerlijker   en mooier is  dan die  in onze beperkte wereld, overgekomen uit een vreemd land,  een innerlijk, intens leven in het hart, een hogere uitdrukking dan beperkte woorden die verbonden zijn met de benauwde aardse lust,  kunnen verschaffen.   Deze ernst in alle instrumentale en met name alle  pianomuziek van Beethoven doet alleen al alle halsbrekende  passages met beide handen naar boven en naar beneden, in de ban,  alle vreemde sprongen, de potsierlijke capriccio’s , de notenreeksen in het hoogste register met een fundament in het laagste, alle maal zaken waarvan pianowerken van nu vol zijn. 

Wanneer van vingervaardigheid sprake is, hebben Beethovens pianocomposities geen bijzonder hoge moeilijkheidsgraad, omdat elke geoefende speler de paar loopjes, triolenfiguren en dergelijke, zonder meer kan spelen. Toch is een goede voordracht heel moeilijk. Heel wat virtuozen  leggen de pianocomposities van Beethoven naast zich neer met de opmerking : te moeilijk en erg ondankbaar!

Wat moeilijkheidsgraad betreft,  bij een juiste en overtuigende voordracht van Beethovens werk hoort, dat men hem begrijpt, dat men diep in zijn wezen binnen dringt en dat men in het bewustzijn van die eigen verdieping het er op waagt, in de kring van de magische verschijningen te treden die zijn machtige

5. Hoogst verstrooide gedachten

Al toen ik nog op school was, had ik de gewoonte op te schrijven wat me bij het lezen van een boek, bij het beluisteren van muziek en bij het bekijken van een schilderij inviel. Ook vond ik  het de moeite waard te noteren wat mijzelf aan merkwaardige gebeurtenissen overkwam. Met het oog daarop had ik een klein gebonden boek laten maken  en als titel gekozen : Verstrooide Gedachten.  Mijn neef die met mij samen op één kamertje woonde en met echt boosaardige ironie mijn esthetische activiteiten volgde, vond het boekje en schreef op de titel bij het woord ‘verstrooide’, het woordje ‘hoogst’. Tot mijn niet geringe irritatie vond ik, nadat ik me in stilte over mijn neef had kwaad gemaakt en dat wat ik geschreven had, nog eens overlas, heel wat verstrooide gedachten werkelijk en inderdaad hoogst verstrooid, ik wierp het hele boek in het vuur   en nam me voor  niets meer op te schrijven, maar alles in mijn hoofd te redigeren en te laten werken zoals het zou moeten.

Maar nu kijk in mijn muzikale stukken door en constateer tot mijn niet geringe schrik, dat ik aan deze  slechte gewoonte nu in veel latere en , zoals men zou denken, veel wijzere jaren in veel hogere mate ten prooi gevallen ben.  Want zijn niet bijna alle lege bladen, alle omslagen met hoogst verstrooide gedachten overdekt?    Zou ooit eens een trouwe vriend, wanneer ik op een of andere manier ben overleden, deze nalatenschap van mij de moeite waard vinden of zelfs ( wat soms al pleegt te gebeuren) een groot gedeelte daarvan overschrijven en laten drukken, dan vraag ik hem om barmhartigheid, om zonder barmhartigheid de hoogst verstrooide gedachten aan het vuur prijs te geven en met betrekking tot de overige het in zekere zin als captatio benevolentiae maar te laten bij de schooljongenstitel en de boosaardige toevoeging van mijn neef.        

Men discussieerde de laatste tijd veel over onze Sebastian Bach en over de oude Italianen en men kon het niet met elkaar eens worden, aan wie de voorkeur zou moeten worden gegeven. Een vriend van mij reageerde heel gevat : “ Sebastian Bachs muziek verhoudt zich tot de muziek van de oude Italianen als de Münster in Straatsburg zich verhoudt tot de St. Pieterskerk in Rome”.

Wat een diepe indruk heeft dit ware, sprekende beeld op me gemaakt! Ik zie in Bachs achtstemmige motetten de gedurfde, schitterende, romantische bouw van de Münster met al zijn fantastische versieringen die, kunstig tot een eenheid verbonden, trots en prachtlievend in de lucht omhoogstijgen. Net zoals in de vrome gezangen van Benevoli en Perti de pure grandioze verhoudingen van de Pieterskerk te zien zijn, die zelfs aan de grootste segmenten de juiste maat geven en het gemoed verheffen door dat ze het met heilige huivering vervullen.

Niet zozeer  in mijn dromen als wel bij de bewustzijnstoestand die aan het inslapen voorafgaat, met name wanneer ik veel muziek heb gehoord, vind ik een overeenkomst tussen kleuren, tonen en geuren. Het komt me voor, dat alle op dezelfde geheimzinnige manier  door de lichtstraal worden voortgebracht en zich dan tot een prachtig concert moeten verenigen.

De geur van donkerrode anjers werkt op me met een bijzondere magische kracht; onwillekeurig verzink ik in een dromerige toestand en hoor dan als van heel ver de aanzwellende en ook weer afnemende  lage tonen van de bassethoorn.

Er zijn ogenblikken, vooral wanneer ik veel in de werken van de grote Sebastian Bach heb gelezen, waarin  de muzikale getalsverhoudingen en de mystieke regels van het contrapunt een innerlijke siddering opwekken -  Muziek! Met mysterieuze huiver, ja met ontzetting  noem ik je! Muziek! Het in tonen uitgesproken Sanskriet van de natuur! De oningewijde neuriet ze met kinderlijk geluid na, de naäpende schavuit gaat ten onder in zijn eigen hoon!

Over grote meesters worden vaak kleine anekdotes opgedist, die zo kinderlijk gevonden zijn of met zoveel dwaze onwetendheid naverteld, dat ze me altijd,  wanneer ik ze moet aanhoren, pijn doen en ergeren. Zo is bij voorbeeld het verhaaltje over Mozarts ouverture bij “Don Giovanni” zo prozaisch dom, dat ik me erover moet verbazen, hoe zelfs musici die men enig inzicht toch niet kan ontzeggen, ze in de mond kunnen nemen, zoals onlang nog gebeurde. Mozart zou de compositie van de ouverture, toen de opera zelf al lang klaar was, dag na dag hebben verschoven en nog op de dag van de uitvoering, toen bezorgde vrienden dachten, dat Mozart aan de schrijftafel zou zitten, heel onbezorgd zijn gaan wandelen. Eindelijk op de dag van de uitvoering heeft hij, ’s morgens vroeg in enkele uren de ouverture gecomponeerd, zodat de partijen nog nat het theater in gedragen werden. Nu ontstaat overal verbazing en bewondering, dat Mozart zo snel componeerde  en toch kan men evenveel bewondering hebben voor iedere onverdroten snelle kopiïst. Geloven jullie dan niet, dat de meester de “Don Giovanni”, zijn diepzinnigste werk dat hij voor zijn vrienden, dat wil zeggen, voor die mensen die hem in zijn hart konden kijken, componeerde, al lang in zijn hart met zich mee  droeg en dat hij in zijn hoofd het totaal met al zijn heerlijke karakteristieke details ordende en afrondde, zodat het als in één stuk zonder fouten klaarstond? Geloven jullie dan niet, dat de ouverture van alle ouvertures, waarin alle motieven van de opera al zo heerlijk en levendig zijn aangeduid, niet even goed klaar was als het gehele werk, voordat de grote meester zijn pen op papier zette? Is die anekdote waar, dan heeft Mozart waarschijnlijk zijn vrienden die altijd over de compositie van de ouverture hadden gesproken, met het uitstel van het opschrijven voor de gek gehouden, omdat hun bezorgdheid, dat hij het gunstige tijdstip voor de nu alleen maar mechanisch geworden handeling, namelijk het op het moment van de inspiratie  ontvangen en in zijn binnenste geconstrueerde werk op te schrijven, niet meer kon vinden, hem belachelijk moest toeschijnen.

Sommigen hebben in het allegro willen horen hoe de opgebleven Mozart uit de slaap, waarin hij al componerend onwillekeurig was verzonken, opschrikte! Wat een wonderlijke mensen zijn er toch! Ik herinner me, dat bij een opvoering van de “Don Giovanni” iemand me op bittere toon zijn beklag deed : “Dat is toch iets ontzettend onnatuurlijks met dat beeld en met die duivels!”. Ik antwoordde hem glimlachend, of hij niet al lang gemerkt had, dat in de witte man een drommels  wereldwijze  politiecommissaris stak, en dat de duivels niets anders waren dan vermomde gerechtsdienaren. De hel was ook niets anders dan het huis waarin Don Giovanni vanwege zijn misdaden vastgezet zou worden. Zo kon alles allegorisch worden opgevat. Toen stak hij met veel plezier de draak met de anderen en had er leedvermaak om, dat ze zich zo vreselijk lieten bedriegen. Daarna, toen de onderaardse machten die Mozart uit de Orkus tevoorschiinj had geroepen ter sprake kwamen, glimlachte hij heel wereldwijs tegen me en ik tegen hem. Hij dacht : we weten wat we weten! En hij had nog gelijk ook!

Ik heb me sinds lang niet meer zo vermaakt als afgelopen avond. Mijn vriend kwam juichend mijn kamer binnen en verkondigde, dat hij in een schenklokaal in de voorstad een comediantentroep had ontdekt die iedere avond voor de aanwezige gasten de grootste toneelstukken opvoerde. We gingen er gelijk heen en vonden aan de deur van de herberg een beschreven papier bevestigd, waarop een dee- en weemoedige aanbeveling van het waardige acteurscollege stond, gevolgd door de opmerking dat de keuze van het stuk telkens afhing van het vererenswaardige publiek in de zaal en dat de waard zich zou inspannen de hoge gasten op de beste plaatsen met goed bier en tabak te verzorgen. Ditmaal werd op voorstel van mijnheer de directeur “Johanna van Montfaucon” gekozen en ik liet me ervan overtuigen, dat het stuk, zo opgevoerd, een onbeschrijfelijk sterke indruk maakt. Men kan er duidelijk uit opmaken, dat de dichter eigenlijk de ironie van het poëtische op het oog had of eerder nog het valse pathos, de poëzie, die niet poëtisch is, belachelijk wilde maken. In dit opzicht is de “Johanna” een van de vermakelijkste stukken die hij ooit  geschreven heeft. De acteurs en actrices hadden deze diepere betekenis van het stuk heel goed geïnterpreteerd en de enscenering op lovenswaardige wijze vorm gegeven. Was het bij voorbeeld niet een gelukkig idee, dat bij de in komische vertwijfeling uitgesproken woorden van Johanna : “Het moet bliksemen!” de directeur het kolophonium niet ongebruikt had gelaten, maar integendeel een paar maal deed bliksemen?  Afgezien van het ongelukje, dat in de eerste scène het ongeveer zes voet hoge slot, hoewel van papier gefabriceerd, zonder bijzonder veel kabaal in elkaar viel en een bierton zichtbaar werd, vanwaar Johanna in plaats van vanaf het balkon of uit het venster heel hartelijk met de goede landslieden sprak, waren overigens de decoraties voortreffelijk en met name het Schweizer-Gebirge was helemaal in de stijl van het stuk met gelukkige ironie behandeld. Ook duidde het costuum heel goed de boodschap aan die de dichter door de presentatie van zijn helden aan de dichters na hem wilde geven. “Kijk!”, wil hij namelijk zeggen, “ zo zijn jullie helden! In plaats van de krachtige, onverschrokken ridders van de mooie voortijd zijn het verwekelijkte en erbarmelijke huilebalken van deze tijd die zich onbetamelijk gedragen en dan geloven, dat het daarmee gedaan is!”.

Alle optredende ridders, Estavajell, Lasarra etc, liepen rond in gewone frak en hadden er alleen maar een paar veldbanden over gehangen en een paar veren op hun hoeden gestoken.

Een fantastische enscenering, die het verdient door grote theaters te worden nagebootst, kwam dan daar nog bij! Ik wil ze beschrijven, om ze niet kwijt te raken uit mijn geheugen.  Niet genoeg kon ik me verwonderen over de grote precisie in opkomen en afgaan, over de samenhang in het geheel aangezien toch de keuze van het stuk aan het publiek was overgelaten en de acteurs dus zonder aparte voorbereiding op een grote hoeveelheid stukken voorbereid moesten  zijn. Uiteindelijk merkte ik via mijn toneelkijker door een wat potsierlijke en naar het scheen volkomen onwillekeurige beweging van een acteur in de coulisse, dat van de voeten van de acteurs en actrices dunne touwen liepen naar de souffleurkast, touwen die aangetrokken werden, wanneer ze moesten opkomen of afgaan. Een goede theaterdirecteur die vooral wil dat alles volgens zijn eigen individuele visie op het toneel plaats vindt, zou daarop kunnen inspelen. Hij zou, zoals men bij de ruiterij bij de verschillende manoeuvres zogenaamde Rufe (trompetstoten) heeft die zelfs de paarden ogenblikkelijk opvolgen, evenzo voor de diverse situaties zoals een uitroep, een kreet, een stemverheffing, een stemdaling etc. verschillende signalen kunnen uitvinden en ze, naast de souffleur zittend, met succes toepassen. De grootste misstap van een acteur, die met ontslag op staande voet als de civiele doodstraf zou moeten worden bestraft, zou dan aan de orde zijn, wanneer de directeur hem terecht zou kunnen verwijten dat hij het touw heeft genegeerd, en de grootste lof over een voorstelling in zijn totaliteit, dat alles volkomen volgens het touw is gelopen.

Grote schrijvers en kunstenaars zijn ook gevoelig voor  kritiek van onbeduidende lieden. Ze laten zich maar al te graag complimenteren en op handen dragen. Geloven jullie echt, dat een dergelijk soort ijdelheid waardoor jullie zo vaak worden bevangen, in een edele geest zou kunnen wonen? Maar ieder vriendelijk woord, iedere welwillende belangstelling dempt de innerlijke stem die de ware kunstenaar onophoudelijk toeroept : “ Wat blijf je nog laag vliegen en wat word je nog vastgehouden door de kracht van het aardse! Schud je veren op en schiet door naar de stralende sterren!”. Door die stem voortgedreven, dwaalt de kunstenaar vaak rond en kan zijn vaderland niet eens meer terug vinden, totdat een kreet van zijn vrienden hem weer op het rechte pad brengt.

Wanneer ik in Forkels Muzikale Bibliotheek de neerbuigende, beledigende beoordeling van Glucks “Iphigenia in Aulis” lees, wordt mijn binnenste bewogen door de merkwaardigste emoties. Hoe kan die grote, voortreffelijke man, wanneer hij dat absurde gezwets zou lezen, door het onbehaaglijke gevoel kunnen worden overvallen, als iemand die voor zijn plezier in een mooi park wandelt tussen bloemen en bloesems door en dan door blaffende keffertjes wordt aangevallen die hem zonder hem ook maar de minste schade toe te voegen, toch ongelofelijk veel last bezorgen. Maar zoals men in de periode na de behaalde overwinning graag hoort vertellen over de voorafgegane bedreigingen en gevaren, juist daarom, omdat ze de glans ervan  nog vergroten, zo verheft het ook ziel en geest om alsnog de monsters in ogenschouw te nemen waarover het genie zijn overwinningsbanier zwaaide, zodat ze ten onder zijn gegaan in eigen schande. Troost je, jullie die niet erkend worden en gebukt gaan onder de lichtzinnigheid en de onbillijkheid van de tijdgeest: een zekere overwinning staat jullie te wachten en die is eeuwig, omdat jullie uitputtende strijd maar voorbijgaand was!

Men vertelt dat na de voorlopige beëindiging van de strijd tussen Gluckisten en Piccinisten, een voornaam kunstminnaar erin geslaagd is , Gluck en Piccini tijdens een avondlijke bijeenkomst bij elkaar te brengen en dat de openhartige Duitser, tevreden de boze strijd beëindigd te zien, in een vrolijke bui bij een glas wijn aan de Italiaan zijn volledige compositierecept, zijn geheime middelen  om de mensen en met name de verwende Fransen te verheffen en te ontroeren, uiteen heeft gezet : melodieën in oud-Franse stijl, degelijke  Duitse arbeid, daaraan zou het liggen. Maar de verstandige en gemoedelijke, op zijn terrein grote Piccini, wiens koor van de priesters van de nacht  in zijn “Dido” in mijn diepste hart met huiveringwekkende tonen weerklinkt, heeft toch uiteindelijk geen “Armida”, geen “Iphigenia” zoals Gluck geschreven! Zou het eigenlijk nodig zijn precies te weten, hoe Raffaello zijn schilderijen schiep, om zelf een Raffaello te zijn?

De laatste tijd kon geen gesprek over kunst van de grond komen, niet eens het hemelse gezwets over driemaal niks, dat ik zou graag met dames voer, omdat het me dan voorkomt als de toevallig begeleidende stem bij een geheime, maar door iedereen vermoede melodie, wilde slagen. Alles ging onder in de politiek. Daar zegt iemand “de minister heeft geen gehoor gegeven aan de suggesties van het hof”. Nu weet ik, dat de betreffende minister inderdaad met één oor niet goed hoort, en op dat moment stond me een beeld met groteske trekken voor ogen, dat me de hele avond niet meer met rust liet. Ik zag namelijk die minister midden in de kamer stokstijf staan, De ene onderhandelaar bevindt zich ongelukkigerwijze aan de dove plaats, de andere aan de horende! Nu wenden beiden alle denkbare middelen, listen en lagen aan, de ene opdat zijne excellentie zich omdraait, de ander opdat zijne excellentie blijft staan. Want alleen daarvan hangt het succes van de onderneming af. Maar zijne excellentie blijft als een Duitse eik vastgeworteld op zijn plaats en het geluk is diegene gunstig die de horende kant treft.

Welke kunstenaar heeft zich verder nog bekommerd om de politieke gebeurtenissen van de dag? Hij leeft slechts in zijn kunst  en alleen maar in die kunst schrijdt  hij door het leven. Maar een onheilspellende, zware tijd heeft de mens met ijzeren vuist getroffen en de pijn perst klanken uit hem die hem tot voor kort vreemd waren.

Men spreekt zo veel over de vervoering die kunstenaars door het genot van sterke drank bij zichzelf afdwingen – men noemt daarbij musici en schijvers, die alleen zo kunnen werken (voor zover ik weet, zijn schilders van dit verwijt verschoond gebleven). Ik geloof daar niet aan, maar het is zeker, dat juist in de gelukkige stemming, ik zou willen zeggen in de gunstige constellatie, wanneer de geest van het broeden op het scheppen overgaat, het geestrijke vocht de intensere ommezwaai van de ideeën bevordert. Het is bepaald geen verheffend beeld, maar mij komt de fantasie hier voor als een molenrad dat door de sterker aanzwellende stroom sneller wordt aangedreven. De mens giet wijn op en het raderwerk in zijn binnenste draait sneller!

Het is toch fantastisch, dat een edele vrucht het mysterie in zich draagt de menselijke geest in zijn diepste wezen op wonderbaarlijke wijze te beheersen!

Maar wat op dit ogenblik voor me in het glas staat te dampen, is die drank, die als een mysterieuze vreemdeling die om anoniem te blijven, overal van naam wisselt, geen algemene benaming heeft en door een proces wordt gefabriceerd, waarbij men cognac, arak of rum aansteekt en er suiker op laat druppelen. De bereiding en het bescheiden gebruik van deze drank hebben  voor mij iets weldadigs en opvrolijkends.  Wanneer de blauwe vlam zo optrekt, zie ik, hoe de salamanders gloeiend en uiteenschietend naar buiten komen en met de aardgeesten strijden die in de suiker wonen.  Deze verzetten zich dapper, in geel licht schieten ze knisperend tussen de vijanden door, maar de overmacht is te groot, ze gaan sissend ten onder, de watergeesten ontvluchten, terwijl ze zich in de damp omhoog werken, terwijl de aardgeesten  de uitgeputte salamanders naar beneden trekken en in hun eigen rijk verdelgen.  Maar ook zij gaan ten onder en frisse, pasgeboren geestjes stralen op in gloeiend rood en wat salamander en aardgeest, ten ondergaande in de strijd, hebben voortgebracht, heeft de gloed van de salamander en de kracht van de aardgeest. Wanneer het echt aan te bevelen is op het innerlijk rad van de fantasie geestelijk vocht  te gieten (wat ik hier toch bedoel, omdat het aan de kunstenaar behalve hogere ideeënsnelheid een zekere behaaglijkheid, ja vrolijkheid geeft, die de arbeid verlicht), dan kan men naar behoren ten aanzien van dranken bepaalde principes opstellen.

Zo zou ik bij voorbeeld bij kerkmuziek oude Rijnwijn of Franse wijn adviseren, bij een serieuze opera een exquise Bourgondiër, bij  een komische opera champagne, bij canzonetta’s  straffe Italiaanse wijnen, bij een puur romantische compositie als bij voorbeeld “Don Giovanni” een glaasje van de door salamander en aardgeest gefabriceerde drank.

Toch laat ik ieder zijn eigen individuele mening en vind het alleen maar nodig voor me zelf stilletjes op te merken, dat de geest, die geboren uit licht en onderaards vuur, de mensen zo sterk beheerst, heel gevaarlijk is, en dat men niet op zijn vriendelijkheid moet dicht varen, omdat hij snel van stemming verandert en tot vreselijke tiran wordt in plaats van een weldoende, gezellige vriend.

Kort geleden werd de bekende anekdote over de oude Rameau verteld die  in alle ernst tot de geestelijke die hem tijdens zijn stervensuur met allerlei harde en onvriendelijke woorden tot boetedoening maande, zei :    " Maar hoe kunt u, eerwaarde, toch zo vals zingen!”. Ik heb toen niet kunnen instemmen met het luide gelach van het gezelschap, want voor mij heeft dit verhaal iets ongewoon ontroerends!  Hoezeer had zich, omdat de oude meester van de toonkunst reeds al het aardse van zich had afgelegd, zijn geest zich zo volkomen  toegewijd aan de goddelijke muziek, dat iedere zintuigelijke indruk van buiten alleen maar een wanklank was die de reine harmonieën waarvan zijn hart vervuld was, onderbrak, hem kwelde en zijn vlucht naar de wereld van het licht belette.

Bij geen kunst is de theorie zwakker en ontoereikender dan bij de muziek. De regels van het contrapunt hebben natuurlijk alleen maar op de harmonische structuur betrekking, en een daarnaar goed componeerd stuk is als de volgens bepaalde verhoudingsregels  juist ontworpen tekening van de schilder. Maar waar het om koloriet gaat, staat de musicus helemaal alleen; dat is namelijk de instrumentatie. Alleen al vanwege de onmetelijke variëteit vam muzikale stukken is het onmogelijk, hier van slechts één regel melding te maken, maar met steun van een levendige en door ervaring gelouterde fantasie kan men toch wat suggesties geven welke ik , in cyclusvorm weergegeven, de mystiek van de instrumenten zou willen noemen.

De kunst om op de passende plaats nu eens met het volle orkest, dan weer met afzonderlijke instrumenten te werken, is het muzikale perspectief. Zo ook kan de muziek de door de schilderkunst van haar overgenomen uitdrukking “toon” weer terug nemen en haar onderscheiden van “toonaard”. In diepere zin zou dan  de toon van een stuk zijn eigenlijke karakter zijn dat door de bijzondere behandeling van stem en begeleiding van de zich aansluitende figuren en melisma’s wordt aangeduid.

Het is even moeilijk een goede laatste acte te schrijven als een verantwoord muzikaal slot. Beide zijn gewoonlijk met figuren overladen en het verwijt : “Hij kan maar niet tot een afronding komen” is vaak maar al te gerechtvaardigd. Voor schrijvers en componisten is het geen slecht idee om beide, de laatste akte en de finale eerst te componeren. De ouverture en ook de proloog moet hoe dan ook als laatste worden gecomponeerd.

6. Der volmaakte machinist

Toen ik nog operadirigent was in *** werd ik enorm aangetrokken door het theater. Ik bemoeide me veel met het decor- en machinewezen en terwijl ik lange tijd stilletjes voor me zelf over alles wat ik zag, notities maakte , leidde dat tot een resultaat dat ik tot lering en vermaak van de heren decorbouwers en machinisten evenals het publiek in zijn geheel, graag in een apart tractaatje het licht zou laten zien onder de titel “Johannes Kreislers volkomen machinist etc. “.  Maar zoals het nu eenmaal gaat, de tijd doet de grootste ambities te niet, en wie weet  of ik bij de nodige vrije tijd die het belangrijke theoretische werk vereist, ook in de juiste stemming kom, het ook daadwerkelijk te schrijven. Om nu tenminste de belangrijkste principes van de door mij uitgedachte fantastische theorie, de voortreffelijkste ideeën daaruit van de ondergang te redden, schrijf ik, zoveel in mijn vermogen ligt, alles rapsodisch neer en denk ook dan : sapienti sat! (voor de goede verstaander is het genoeg).

Om te beginnen heb ik aan mijn verblijf in *** te danken, dat ik volkomen hersteld ben van menige gevaarlijke waanvoorstelling, die me tot dan toe op het verkeerde spoor bracht, zoals ik ook het naieve respect voor personen die ik anders voor groot en geniaal had gehouden, volkomen kwijt geraakt ben. Behalve door een  mij opgedrongen maar zeer heilzaam psychologisch dieet werd mijn gezondheid bevorderd door het mij geadviseerde frekwente gebruik van het uiterst heldere en zuivere water, dat uit veel bronnen, met name bij het theater – niet opborrelt? – neen, maar zachtjes en stil voortkabbelt.

Ik denk bij voorbeeld nog met ware innerlijke schaamte aan het respect, ja de naieve verering die ik voor de decorbouwer maar ook voor de machinist van het theater in ***  koesterde. Ze gingen beide van het dwaze principe uit, dat decors en machines onmerkbaar in het stuk moesten ingrijpen, en dat door het totaaleffect de toeschouwer als op onzichtbare vleugels uit het theater in het fantastische land van de poëzie gedragen moest worden. Ze meenden, dat het niet genoeg was gebruik te maken van de  met veel vakkennis en goede smaak aangebrachte decors en de  met magische, voor de toeschouwer onverklaarbare kracht werkende machines, maar meer in het bijzonder kwam het vooral daar op aan, alles, ook het geringste te vermijden dat het bedoelde totaaleffect zou kunnen schaden. Niet een tegen de opvatting van de auteur geplaatst decor – vaak was het alleen maar  een op het onjuiste ogenblik vooruitstekende boom of een enkele strik aan de voorkant die alle illusie te niet deed. Het was vreselijk moeilijk, zo zeiden ze verder, door een groots opgezette  maatvoering, door een edele eenvoud en door het kunstzinnig beroven van elk medium, de ingebeelde dimensies van het decor met werkelijke ( bij voorbeeld met de optredende personen) te vergelijken en zo het bedrog te ontdekken  en door het volledig verbergen van het mechanisme van de machines de toeschouwer in de voor hem zo prettige illusie te laten.

Wanneer zelfs schrijvers, die anders toch graag het rijk van de fantasie betreden, roepen : “Geloven jullie dan, dat jullie bergen en paleizen van doek en jullie neerstortende beschilderde planken ons ook maar één ogenblik iets kunnen voorspiegelen, ook al is jullie plaats nog zo groot?” , dan heeft het altijd gelegen aan de beperktheid, de ongeschiktheid van hun schilderende en bouwende collega’s, die, in plaats van hun werk in hogere poëtische zin op te vatten, het theater, hoe groot het ook mocht zijn, waarop het niet eens zozeer aankomt zoals men gelooft, tot een erbarmelijke kijkdoos hebben gedegradeerd.  Inderdaad hadden  ook de diepe huiveringwekkende bossen, de onafzienbare kolonnades, de Gotische kerken van die decorbouwer een fantastisch effect. Men dacht zeker niet aan schilderwerk en doek; de onderaardse donder van de machinist, zijn aardbevingen  vervulden het gemoed met huiver en ontzetting en zijn vliegtoestellen zweefden fris en vrij voorbij. Hemeltjelief!  Wat hadden deze goede lieden ondanks hun vertoon van wijsheid een volkomen onjuiste visie!  Misschien maakt u zich, wanneer u dit leest , van hun kennelijk schadelijke fantasieën los en komt u, net zoals ik,  weer bij uw verstand. Ik wil me liever tot uzelf wenden en spreken over het soort theatrale voorstelling waarin  het meest een beroep wordt gedaan op uw kunsten, ik bedoel de opera!. Eigenlijk heb ik het hier alleen tegen de machinist, maar ook de decorbouwer kan er zijn voordeel mee doen. Dus :

Mijne Heren! 

Wanneer u het al niet zelf gemerkt heeft, dan wil ik u hiermee duidelijk maken, dat de schrijvers en componisten   een uiterst gevaarlijk bondgenootschap tegen het publiek hebben gesloten. Niets minder is hun oogmerk, dan de toeschouwer uit de werkelijke wereld, waarin hij het echt naar zijn zin heeft, te verdrijven en zodra ze hem volkomen hebben gescheiden van alles wat hem bekend en sympathiek  is, hem met alle mogelijke emoties en hartstochten die hoogst nadelig zijn voor de gezondheid, te kwellen. Dan moet hij lachen, huilen, schrikken, vrezen, verbijsterd zijn, zoals ze het maar willen hebben. Kortom, zoals het spreekwoord zegt, hij moet naar hun pijpen dansen.  Maar al te vaak slagen ze in  hun boze opzet en men heeft al vaak de treurigste gevolgen van hun negatieve inwerkingen gezien. Heel wat mensen hebben inderdaad  in het theater ogenblikkelijk geloofd in die schijnwereld van de fantasie. Het is hun niet eens opgevallen dat de mensen op het toneel niet spreken als andere eerlijke lieden, maar zingen, en menig meisje heeft nog de nacht daarop, ja zelfs een paar dagen achter elkaar alle beelden  die schrijver en componist knap tevoorschijn hadden getoverd, door haar hoofd voelen spoken en daardoor geen strik- of stikwerkje tot een goed einde kunnen brengen. Wie echter  zal aan deze misstand een einde maken, wie zal ervoor zorgen, dat het theater een verantwoorde bron van vermaak blijft, dat alles stil en rustig blijft en dat geen psychisch en fysiek ongezonde hartstocht wordt opgewekt? Wie moet dat doen? Geen ander dan u, mijne heren. Op u rust de zoete plicht  voor het heil van de ontwikkelde mensheid gezamenlijk op te trekken tegen schijver en componist. Strijd dapper, want de overwinnig is zeker. U heeft volop middelen in handen! He eerste principe waarvan u bij al uw bemoeiingen moet uitgaan, is : oorlog aan schrijver en componist! Hun kwade bedoeling om de toeschouwer met drogbeelden te omringen en hem uit de werkelijke wereld te verdrijven, moet ongedaan gemaakt worden!  Hieruit volgt, dat u in die mate als die personen al het mogelijke aanwenden om de  toeschouwer te laten vergeten, dat hij in het theater is, dat u hem dus door een doelmatige inrichting van het decor en de toneelmachines voortdurend aan het theater moet herinneren. Ik denk dat u mij nu al begrijpt. Is het dan nodig nog meer te zeggen? Maar ik weet het, u bent zo verstrikt in uw fantasieën, dat u,  zelfs in het geval, dat u mijn principe als juist erkent, de gewoonste middelen die met succes tot het beoogde doel leiden, niet bij de hand zult hebben. Ik moet u daarom wat op weg helpen. U gelooft bijvoorbeeld niet, hoe onweerstaanbaar groot het effect is van een ingeschoven vreemde coulisse. Wanneer zich een dergelijk kamer- of zaalfragment in een duistere grot voordoet en de prima donna  in de roerendste tonen over gevangenschap en kerker klaagt, dan lacht de toeschouwer in zijn vuistje, want hij weet, dat de machinist maar een teken hoeft te geven en het is  met de kerker gedaan, want daarachter staat al de ongevaarlijke zaal. Nog beter zijn nog de valse zetstukken en de aan de bovenkant uitstekende gordijnen in het midden doordat ze het gehele decor beroven van de zogenaamde realiteit die juist hier het schandelijkste bedrog inhoudt. Er doen zich echter gevallen voor, waar schrijver en componist de toeschouwers met hun helse kunsten zo weten te betoveren, dat ze daarop helemaal niet letten, maar helemaal in trance, als in een vreemde wereld, zich overgeven aan de verleidelijke verlokking van de fantasie. Dit doet zich voornamelijk voor bij grote scènes, waaraan misschien zelfs koren meedoen. In deze hachelijke toestand kan een middel worden toegepast dat altijd het beoogde doel zal bereiken. U laat dan heel onverwacht, bijvoorbeeld midden in een luguber koor, dat zich om de hoofdpersonen schaart die op dat ogenblik gebukt gaan onder het hevigste verdriet, plotseling een gordijn in het midden vallen, dat bij alle deelnemende personen voor paniek zorgt en ze uit elkaar drijft, zodat degenen die zich in de achtergrond van het proscenium bevinden, totaal afgesneden worden. Ik herinner me  dit middel in een ballet weliswaar effectief, maar toch niet helemaal juist toegepast te hebben gezien. De prima ballerina voerde, met het figurantenkoor aan de zijkant, een mooie solo uit. Juist op het ogenblik dat ze op de achtergrond verwijlde in een fantastische pose, en de toeschouwers niet hard genoeg konden juichen en jubelen, liet de machinist plotseling een toneelgordijn naar beneden komen dat haar op slag aan de ogen van het publiek onttrok. Maar ongelukkig genoeg was het een kamer met een grote deur in het midden. Voordat men merkte dat er iets niet klopte, kwam de koelbloedige danseres heel bevallig door de deur naar binnen en zette haar solo voort, waarop het gordijn,  tot troost van de figuranten, weer omhoog ging.

U kunt daarvan leren, dat het toneelgordijn in het midden geen deur mag bevatten en verder scherp moet afsteken tegen het vaste decor. In een woestenij vol rotsen kan een straatdecor goede diensten doen, in een tempel is een donker woud aan te bevelen. Heel effectief is het ook, vooral bij monologen en groots opgezette aria’s, wanneer een onderkant   naar beneden dreigt te vallen of een coulisse op het toneel  dreigt terecht te komen of ook werkelijk terecht komt. Want behalve dat de opmerkzaamheid van de toeschouwers volkomen wordt afgeleid van de plot van het stuk, roept  ook de prima donna of de primo huomo die zich misschien juist op het toneel bevond en risico liep ernstig gewond te raken, groter en intenser medelijden op bij het publiek en ook al zingen ze daarna alle twee nog zo vals, dan is het : “Die arme vrouw, die arme kerel, dat komt van de stress van zonet” en men barst uit in een enorm applaus!  Om een dergelijk doel te bereiken, namelijk de aandacht van de toeschouwers af te leiden van de personen van het stuk naar de persoonlijkheden van de acteurs, kan men heel goed installaties  op het toneel laten instorten. Zo herinner ik me, dat op een keer in de  opera “Camilla” de praktikabele gang en de trap naar de onderaardse grot juist op het ogenblik,  dat alle personen die Camilla kwamen redden, erop stonden, instortte. Dat was me een geschreeuw, een gekrijs, een gejammer onder het publiek! Toen uiteindelijk vanaf het toneel was meegedeeld, dat niemand schade van betekenis had opgelopen  en  dat men zou verder spelen, met wat voor een empathie werd nu het slot van de opera beluisterd die overigens niet meer de personen van het stuk gold, maar de in paniek gebrachte acteurs.

Het is natuurlijk niet juist om de acteurs achter de coulissen in gevaar te brengen, want alle effect valt vanzelf weg, wanneer  het niet voor de ogen van het publiek gebeurt. De huizen waarin men uit het raam kijkt, de balkons van waar af  men discussieert, moeten daarom zo laag mogelijk worden gemaakt, zodat er geen hoge ladder of steiger nodig is om naar beneden te komen. Gewoonlijk komt degene die zojuist boven uit het raam  gesprongen is, beneden uit een  deur tevoorschijn.

Om u mijn bereidwilligheid te tonen,  hoe graag ik me met al mijn opgedane kennis voor uw bestwil inzet, geef ik u de maten van een dergelijk praktikabel huis met raam en deur, zoals ik ze heb afgekeken van het theater in ***. Hoogte deur 5 voet, tussenruimte tot raam ½ voet, hoogte van het raam 3 voet, tot aan het dak ¼ voet, dak ½ voet, in totaal 9 ¼ voet.

We hadden een nogal groot uitgevallen acteur, die, wanneer hij de rol van Bartolo in de “Barbier van Sevilla” speelde, alleen maar op een voetenbankje hoefde  te gaan staan om uit het raam te kijken. Toen op een keer toevallig beneden de deur open ging, zag men zijn lange rode benen en maakte men zich zorgen hoe hij het zou klaarspelen om door de deur te komen. Zou het geen zin hebben de praktikabele huizen, torens en burgwallen op maat van de acteurs te maken?

Het is geen stijl door een plotselinge donderslag, een geweerschot of door een andere plotselinge knal de toeschouwers aan het schrikken te maken.  Ik herinner me nog heel goed uw vervloekte donder, mijnheer de machinist, die dof en angstaanjagend als in een diep gebergte voortrolde, maar wat zou dat? Weet u dan niet dat een op een raam gespannen kalfshuid waarop men met beide vuisten trommelen kan, een heel passabele donder oplevert?  In plaats van de zogenaamde kanonnenmachine te gebruiken of werkelijk te schieten, gooit men liever hard de garderobedeur dicht. Daarvan zal niemand echt in paniek raken. Maar om de toeschouwer ook van de minste schrik te vrijwaren, wat tot de hoogste , heiligste middelen van de machinist hoort, is het volgende middel uiterst probaat. Valt er namelijk een schot of laat zich een donderslag horen, dan horen we op het toneel meestal : “Wat hoor ik? – Wat een kabaal- wat een gedonder!”. Voortaan moet de machinist eerst deze woorden afwachten en het dan laten schieten of donderen. Behalve dat het publiek door die woorden fatsoenlijk gewaarschuwd kan worden heeft het ook het voordeel dat de toneelknechts rustig kunnen toekijken en geen bijzonder signaal voor een noodzakelijke handeling nodig hebben. De kreet van de acteur of de zanger dient hun als signaal om tijdig de garderobedeur dicht te smijten of met hun vuisten de kalfshuid te bewerken. De donderslag geeft dan de toneelknecht die als Jupiter Fulgurans met zijn trompet klaar staat het teken om te bliksemen. Omdat op de toneelvloer gemakkelijk brand kan ontstaan, moet deze onder in de coulisse zo ver naar voren gaan staan, dat het publiek een aardig zicht krijgt op de vlam en indien mogelijk ook de trompet, om niet in onnodige onzekerheid te blijven, hoe ze om hemelswil dat met die bliksem voor elkaar krijgen. Wat ik zojuist over het geweerschot heb gezegd, geldt ook voor klaroenstoten, inleidende muziek etc. Ik heb al gesproken over uw lichte en luchtige vliegtoestel, mijnheer de machinist! Is het eigenlijk wel goed om zoveel denkwerk, zoveel techniek aan te wenden om bedrog de schijn van realiteit te geven, dat de toeschouwers onwillekeurig geloven  aan de hemelse verschijning die in een numbus van glanzende wolken naar beneden zweeft? Maar zelfs machinisten die van betere principes zouden moeten uitgaan, vervallen in een andere fout. Ze laten wel touwen zien, maar zo onduidelijk, dat het publiek in duizend angsten verkeert, dat de godheid, de genius etc. naar beneden zal komen en armen en benen zal breken. De wolkenwagen of de wolk moet daarom aan vier behoorlijk dikke, zwart geverfde touwen hangen en met kleine rukjes in het lnagzaamst denkbare tempo opgetrokken of neergelaten worden. Zo wordt namelijk de toeschouwer die de veiligheidsmaatregelen ook van de verst afgelegen plek kan zien en hun kwaliteit naar behoren kan beoordelen, volkomen gerustgesteld over de hemelvaart.

U beeldde zich heel wat in met de schuimende golfslag op zee, met uw meren met optische weerschijn en u dacht  zonder twijfel op uw terrein een triomf te behalen toen het u lukte personen die over de brug van het meer wandelden even voorbijgaand af te spiegelen? Het is waar, dat laatste heeft u enige bewondering gebracht. Toch was, zoals ik al heb aangetoond, de visie op uw beroep volkomen onjuist!

Een zee, meer, rivier, kortom ieder water wordt het best op de volgende manier weergegeven. Men neemt twee planken, zo lang  als het toneel breed is,  en laat ze aan de bovenkant puntig maken, met kleine golfjes wit en blauw schilderenen hangt ze de ene na de andere in touwen zo op, dat hun onderkant nog een beetje toneelvloer raakt. Deze planken worden dan heen en weer bewogen en het schurende geluid dat ze, schuivend over de vloer, veroorzaken,  geeft dan het ruisen van de golven aan. 

Wat moet ik van uw  huiveringwekkende maanscènes zeggen, mijnheer de decorbouwer, omdat een handige machinist ieder vergezicht in een maanscène kan veranderen. Er wordt dan namelijk in een vierkant stuk hout een gat gezaagd, met papier beplakt en in de zich daarachter bevindende rood geverfde kast wordt een lamp aangebracht. Deze installatie wordt aan twee stevige, ook weer zwart geverfde touwen naar beneden gelaten en kijk!, daar schijnt de maan!

Zou het ook niet goed beantwoorden aan het beoogde doel, wanneer bij een te grote emotie bij het publiek de machinist deze of gene van de grootste misdadigers onwillekeurig zou laten  wegzinken en hem zo in één keer zou  beroven van iedere toon die de toeschouwers nog meer in vervoering zou kunnen brengen? Met het oog op verdwijningen wil ik overigens nog opmerken, dat de acteur alleen in dat uiterste geval, wanneer het namelijk erop aan komt, het publiek te redden, in gevaar gebracht moet worden. In de overige gevallen moet men hem op alle mogelijke manieren ontzien en pas dan laten verdwijnen, wanneer hij zich in een daarvoor geschikte positie en balans bevindt. Omdat niemand dit kan weten behalve de acteur zelf, is het niet juist, het signaal door de souffleur met de souterrainklok  te laten geven. Het is handiger, wanneer de acteur zelf, wanneer onderaardse machten hem moeten verslinden  of hij als geest moet verdwijnen, door  drie of vier keer hard stampen op de grond het signaal daartoe geeft en dan langzaam en solide  in de armen van de onder hem staande toneelknechts terecht komt.

Ik hoop, dat u mij nu helemaal begrepen heeft en dat u, omdat iedere voorstelling daartoe duizendvoudige gelegenheid biedt om de strijd met schrijver en componist te winnen, handelt volgens het juiste principe en de door mij aan u gegeven suggesties.

U, mijnheer de decorbouwer raad ik nog in het voorbijgaan aan, de coulissen niet als een noodzakelijk kwaad te beschouwen, maar als hoofdzaak en ieder decor zo veel mogelijk als een op zichzelf staand geheel te beschouwen rner ook heel veel details op te schilderen. In een decor van een straat moet bij voorbeeld elke coulisse een uitspringend drie- of vierhoog huis vormen. Wanneer de raampjes en deurtjes van de huizen in het proscenium zo klei zijn, dat men overduidelijk ziet dat geen van de optredende personages die bijna tot aan de tweede verdieping reiken, zou daarin kunnen wonen, en alleen maar een geslacht van liliputters zou via deze deuren naar binnen gaan en uit deze raampjes kijken, dan wordt door dit ongedaan maken van alle illusie het grote doel, dat de directeur altijd voor ogen moet zweven, op de gemakkelijkste en elegantste manier bereikt.

Wanneer tegen alle vermoedens in, mijne heren, het principe  waarop ik mijn hele theorie van het decor- en machinewezen bouw, niet tot u doordringt, dan moet ik u hierbij attenderen, dat al vóór mij een uiterst achtbaar, waardig man hetzelfde al in nuce  [in een notendop] heeft gesuggereerd. Ik bedoel niemand anders dan de goede weefmeester Zettel, die het publiek ook in de hoogst tragische tragedie “Pyramus en Thisbe” van iedere angst, vrees etc, kortom van iedere exaltatie gevrijwaard wil zien. Alleen schuift hij alles,  waartoe u hoofdzakelijk moet bijdragen,  de proloog op de nek die al gelijk moet zeggen, dat de zwaarden geen schade veroorzaken, dat Pyramus niet werkelijk gedood is en dat Pyramus eigenlijk niet Pyramus is, maar  Zettel, de wever. Laat de gouden woorden van de wijze Zettel maar goed tot u doordringen, wanneer hij over Schnock, de schrijnwerker, die een angstaanjagende leeuw moet voorstellen, als volgt spreekt : “Ja, jullie moeten zijn naam noemen, en zijn gezicht moet door de hals van de leeuw gezien kunnen  worden en hij zelf moet er doorheen spreken en zich ongeveer zo presenteren: ‘Weledele dames, of mooie weledele dames, ik zou willen wensen, of liever : ik zou willen verzoeken, of : ik  zou gevraagd willen hebben, wees niet zo bang en houd op met bibberen; mijn leven voor het uwe! Wanneer u zou denken, dat ik hier als leeuw heen kwam, dan zou dat alleen voor mijn huid gelden. Nee, zoiets ben ik totaal niet; ik ben een mens, als alle andere’ en dan moeten jullie hem alleen maar zijn naam laten noemen en hun ronduit zeggen, dat hij Schnock, de schrijnwerker is.

U heeft, zo mag ik veronderstellen, enig gevoel voor allegorie en u zult dan ook heel gemakkelijk het medium vinden om de door Zettel, de wever, uitgesproken tendens ook op uw terrein te volgen. De autoriteit waarop ik me heb gebaseerd, behoedt me voor elk misverstand en zo hoop ik het goede zaad te hebben gestrooid, waaruit wellicht een boom van kennis ontspruit!

Kreisleriana

De uitgever van deze bladzijden had herfst vorig jaar in Berlijn een bijzonder plezierig contact met de ridderlijke schrijver van “Sigurd”, “De Toverring”, “Undine”, “Corona” etc. Men sprak toen veel over de wonderlijke Johannes Kreisler en het bleek zo te zijn, dat hij op een hoogst merkwaardige wijze in de nabijheid gekomen moest zijn van een hem zeer nauw verwante geest die alleen op een andere manier in de openbaarheid trad. Onder de nagelaten papieren van baron Wallborn, een jonge schrijver, die door een ongelukkige liefde ten prooi viel aan waanzin en de uitindelijk door de dood uit zijn lijden
werd verlost en wiens geschiedenis De la Motte Fouqué in een novelle met de titel “Ixion” vroeger al beschreef, was namelijk een brief aangetroffen die Wallborn aan Kreisler had geschreven, maar niet verstuurd. Ook Kreisler liet vóór zijn verdwijning een brief achter. Daar zat het volgende achter.

Al lang werd de arme Johannes door iedereen als waanzinnig beschouwd en inderdaad contrasteerde  zijn hele doen en laten , vooral zijn leven in de kunst, zo volkomen met  alles wat verstandig en verantwoord  wordt genoemd, dat aan de aantasting van zijn geestelijke vermogens nauwelijks te twijfelen viel. Steeds excentrieker, steeds verwarder werden zijn denkbeelden. Zo sprak hij bij voorbeeld, kort voor zijn vlucht uit zijn woonplaats, veel over de ongelukkige liefde van een nachtegaal voor een purperen anjer, maar dat alles was volgens hem niets anders dan een adagio en dat was weer eigenlijk een afzonderlijke, langgerekte toon van Julia waarop Romeo in  liefdevolle zaligheid hoog de hemel in zweefde. Uiteindelijk vertrouwde hij me toe, dat hij tot zijn dood had besloten en dat hij zich in het woud vlakbij met een overmatige kwint zou doodsteken. Zo werd vaak zijn diepste verdriet op huiveringwekkende wijze belachelijk. Nog in de nacht van zijn overlijden bracht hij zijn boezemvriend Hoffmann een zorgvuldig verzegelde brief met het dringende verzoek hem gelijk aan de autoriteiten te sturen. Dat was evenwel niet goed mogelijk omdat de brief het volgende merkwaardige adres had :

 
Aan de vriend en metgezel in liefde, leed en dood!

 

cito
par bonté

Af te geven  in de wereld, dicht bij de grote doornenhaag, de grens van het verstand.

De brief werd ongeopend bewaard en het werd aan het toeval overgelaten vriend en metgezel nader aan te duiden. Dat toeval werkte mee. De brief van Wallborn die welwillend door De la Motte Fouqué is meegedeeld, toonde zonder enige twijfel aan, dat Kreisler met die vriend niemand anders had bedoeld dan baron Wallborn. Beide brieven werden met een voorwoord van Fouqué en Hoffmann in het derde en laatste deel van “Musen” afgedrukt, maar ze kunnen ook hier heel goed voorafgaan aan de Kreisleriana die de laatste band van de “Phantasiestücke” bevat, omdat het bijzondere samentreffen van Wallborn en Kreisler de belangstellende lezer, voor zover hij ook maar enigszins te doen heeft met de wonderlijke Johannes, niet koud kan laten.

Zoals trouwens Wallborn door een ongelukkige liefde waanzinnig werd, zo schijnt ook Kreisler door een fantastische liefde voor een zangeres tot de hoogste toppen van waanzin gedreven te zijn. Een aanwijzing daarvoor vinden we tenminste in een door hem nagelaten opstel met als titel : “De liefde van de kunstenaar”. Dit opstel samen met enkele andere, die een cyclus vormen van het zuiver-spirituele in de muziek, zouden misschien binnenkort  in boekvorm kunnen verschijnen onder de titel : “Lichte uren van een waanzinnig musicus”.

1. Brief van baron Wallborn aan kapelmeester Kreisler

UEdelgeborene bevindt zich, naar ik hoor, sinds geruime tijd met mij in een en dezelfde toestand. Men heeft namelijk u al lange tijd voor waanzinnig gehouden, vanwege een liefde voor de kunst die wat al te merkbaar de prestaties overstijgt die de zogenaamde verstandige wereld  als meetbare norm hanteert. Eén ding ontbrak er nog aan om ons tweeën in alle opzichten tot lotgenoten te maken. UEdelgeborene had al vroeger meer dan genoeg gekregen van de hele geschiedenis en besloten om ervan door te gaan.  Ik daarentegen bleef en bleef en liet me kwellen en te schande maken.  Ja, wat nog erger is, ik liet me met adviezen [de Duitse tekst geeft : Ratschläge] bombarderen, en vond deze hele periode eigenlijk   in uw achtergelaten papieren een bron van bemoediging, papieren die mejuffrouw von B. , o, ster in de nacht !, me van tijd tot tijd ter inzage gaf. Daarbij kwam ik op de gedachte, dat ik  u al vroeger eens  ergens gezien heb. Is UEdele niet een kleine wonderlijke man, wiens fysiognomie men in zeker opzicht met die van de door Alcibiades geprezen Sokrates kan vergelijken, en wel hierom omdat de god zich in zijn behuizing verstopt achter een wonderlijk masker, maar toch met geweldige schittering tevoorschijn schiet, brutaal, bevallig en angstaanjagend! Is UEdele niet gewoon een rok te dragen waarvan men de kleur wel de allervreemdste zou kunnen noemen, als de kraag erop niet van een nog vreemder kleur was? Raakt men over de vorm van dit kledingstuk niet in twijfel, of het een onderrok is die tot overrok wil worden of een overrok die zich veranderd heeft in een  onderrok? Een dergelijke figuur  stond ooit eens naast mij in het theater, toen iemand een Italiaanse buffo wilde zijn, maar dat niet kon. Door de humor en vitaliteit van mijn buurman werd het treurspel voor mij  uiteindelijk toch tot een blijspel. Naar zijn naam gevraagd  noemde hij zich Dr. Schulz uit Rathenow. Ik geloofde daar direct al niets van vanwege een merkwaardig gemeen lachje dat daarbij om UEdeles mond trok. Want zonder twijfel was u het.

Laat me u om te beginnen vertellen, dat ik u sinds kort nagelopen ben en wel op diezelfde plaats, dat wil zeggen in de wijde wereld, waar we ons dan ook ongetwijfeld zullen ontmoeten. Want hoewel de ruimte breed kan lijken, wordt hij toch door verstandige lieden voor mensen van ons soort vreselijk smal gemaakt, zodat we hoe dan ook ergens tegen elkaar moeten op rennen, of het zou moeten zijn, dat elk van ons in paniek voor een verstandig iemand op de vlucht is of zelfs voor de bovenvermelde adviezen [Ratschläge] die men, terloops opgemerkt, beter en korter gewoon en zonder omschrijving adviezen [Ratschläge] zou kunnen noemen.

Op dit ogenblik ben ik van zins UEdele een kleine bijdrage te leveren aan het door u beschreven muzikale leed.

Is het u nog nooit overkomen, dat u om iets muzikaals voor te dragen of te horen voordragen, zes tot zeven kamers ver van het sprekende gezelschap vandaan ging staan, dat echter dit gezelschap desondanks achter u  aan kwam rennen en luisterde, dat wil zeggen met inspanning van alle krachten zwetste?

Wat mij betreft, ik geloof, dat voor de mensen voor dit doel geen weg een omweg is, geen gang te breed, geen trap, ja, geen berg te steil en te hoog.

Goed dan, heeft UEdele misschien niet al opgemerkt, dat er fanatieker minachters van muziek zijn, ja zelfs vijandiger antipoden dan alle echte bediendes? Is er wel een bevel denkbaar dat voldoende effectief is om hun de deuren niet te laten dichtsmijten of zachtjes te lopen of niets weg te gooien waar ze  op dat ogenblik in de kamer zijn wanneer een verzaligde klank uit stem of instrument klinkt?  Maar ze doen nog meer. Ze zijn door een heel bijzondere hellegeest aangewezen om juist dan binnen te komen, wanneer de ziel op golven van tonen voortzweeft, alleen maar om iets te halen of wat woorden te fluisteren of, wanneer ze niet goed snik zijn, brutaal en gemeen, fris van de lever hun vragen af te vuren.  En dat niet bij een intermezzo of zo iets of op een of ander minder belangrijk ogenblik. Nee, op de toppen van alle zaligheid, waar men zijn adem zou willen bevelen stil te staan om niets van de gouden klanken weg te blazen, waar het paradijs  door de welluidende akkoorden zachtjes, heel zachtjes tot bloei komt – dán, juist dán! – O Heer van hemel en aarde!

Ook kan er niet over gezwegen worden, dat er voortreffelijke kinderen zijn, die door een  pure bediendenmentaliteit  bezield, in staat zijn bij afwezigheid van deze figuren, dezelfde rol te spelen met hetzelfde talent en hetzelfde succes. Ach, kinderen, hoeveel is er nodig om jullie tot zulke bedienden te maken! Hier word ik serieus, echt serieus en ik kan nauwelijks nog opmerken dat voor een voorlezer dezelfde charmante wezentjes heel plezierig en gehoorzaam zijn.

Geldt dan de traan die nu naar mijn oog opklimt, de druppel bloed die mij in het hart steekt – gelden zij de kinderen alleen? Ach, het is UEdele misschien nog nooit overkomen dat u een lied wilde zingen voor ogen die u vanuit de hemel schenen aan te kijken, die uw betere ik met meer schoonheid op u lieten neerstralen, en dat u, o Johannes, ook werkelijk begon te geloven dat uw geluid de geliefde ziel had doordrongen en dat nu, juist nu heel hoog een sluier van klank dauwparels rondom die twee sterren trekt, de zalige glans temperend en tooiend – en de sterren richtten zich naar iets heel kleins, misschien wel naar een gevallen slinger en de engelen probeerden met een vreemde glimlach op hun lippen een onbeheersbare geeuw te onderdrukken – en , mijn heer, het was verder niets dan dat u de eerbiedwaardige vrouw had verveeld.

Lach niet, mijn beste Johannes. Er is immers niets verdrietigers in het leven, geen vreselijker vernietiging dan wanneer  Juno tot wolk wordt.

Ach wolk, wolk, mooie wolk! En in vertrouwen, mijn heer, hier ligt de oorzaak waardoor ik dat geworden ben wat

de mensen ‘gek’ noemen. Maar ik ben er zelden wild bij. Meestal huil ik in stilte. Wees dus, Johannes, niet bang voor mij, maar lachen moet je ook niet.

Laten we daarom liever over andere dingen praten, maar toch van nauw verwante zaken , die me innig voor jou uit mijn hart op komen.

Kijk, Johannes. Met alle argumenten die je in je ijver tegen alle ongeniale muziek gebruikt, kom je me soms uitgesproken hardvochtig over. Bestaat er dan absoluut ongeniale muziek? En van de andere knat bezien, bestaat er dan absoluut volmaakte muziek als die van de engelen? Misschien kan het wel daarvan komen, dat mijn oor veel minder scherp en kwetsbaar is dan het jouwe, maar ik kan je met volle waarheid zeggen, dat zelfs de abominabele klank van een ontstemde viool mij liever is dan helemaal geen muziek. Hopelijk zul je me daarom niet minachten. Een dergelijk gefiedel, of het nu gaat om een dans of een mars, herinnert aan het hoogste wat in ons ligt en rukt me met zoete liefdes- of oorlogstonen gemakkelijk boven alle gebrekkigheid weg naar buiten in uw zalig oerbeeld. Heel wat van de gedichten die men mij als geslaagd heeft geprezen –idiote uitdrukking! – nee, die van hart tot hart gedrongen zijn, hebben hun eerste bestaan  te danken aan zeer omgestemde snaren, zeer ongeoefende vingers en zeer misleide kelen.

En dan, mijn beste Johannes, is niet alleen al de wens om te musiceren iets echt ontroerends en verheugends? En toch zeker ook het vaste vertrouwen dat de rondtrekkende muzikanten naar hof en hut leidt, het vertrouwen dat klank en zang  overal hun weg vinden waarbij ze eigenlijk maar hoogst zelden gestoord worden door door norse intellectuelen en valse honden!

Ik zou even graag mijn slag slaan in een bloemperkje als door een beginnende wals schreeuwen : “Opzouten uit dit huis!”.  Daarbij hebben zich reeds als maar glimlachende kinderen geschaard, uit alle huizen, waar de klanken konden doordringen, heel andere kinderen dan de bovengenoemde bediende-types, en door hun hoopvolle engelengezichtjes geven ze aan : de muzikanten hebben gelijk.

Het is vaak nog wat beroerder gesteld met het zogenaamde “muziek maken” in elegante milieus, maar ook daar – geen snaren, fluiten en stemmen zijn zonder goddelijke adem en allemaal nog beter dan alle mogelijke geklets waarvan ze toch altijd een beetje de bas isoleren.

En, Kreisler, wat je nu zo eerlijk vertelt over het plezier dat vader en moeder in hun stille huishouding ervaren wanneer hun kinderen wat op de piano pingelen en er wat liedjes bij kwelen – ik zeg je, Johannes, daaruit valt waarachtig wat engelenharmonie te beluisteren, ondanks alle onreine aardse klanken.

Ik heb eigenlijk meer geschreven dan ik had moeten doen en ik zou  graag op de eerder begonnen fatsoenlijke manier af willen sluiten. Maar dat gaat nu eenmaal niet. Neem dat dus maar voor lief, Johannes, en God zegene jou en zegene mij en hij moge in zijn grote genade uit ons beiden laten voortkomen wat hij in ons heeft gelegd tot zijn glorie en het plezier van onze medemensen!

De eenzame Wallborn

 

2. Brief van kapelmeester  Kreisler aan baron Wallborn

Aan Uwe Hoogweledelgeborene moet ik nu gelijk heel uitvoerig schrijven, nadat ik zojuist uit het komediehuis in mijn stulpje ben beland en met veel mooite een kaars heb aangestoken. Moge Uwe Hoogweledelgeborene het mij niet euvel duiden, wanneer ik mij heel muzikaal zal uitdrukken, want U weet al wel, dat de mensen beweren, dat de muziek, die toch al in mijn hart besloten ligt, te machtig is, zich zo sterk heeft gemanifesteerd, mij zo ingesponnen en ingekapseld heeft, dat ik er niet meer van los kan komen en alles, alles zich voor mij als muziek voordoet – en de mensen kunnen daarmee gelijk hebben.

Maar hoe het ook zal uitpakken, ik moet aan Uwe Hoogweledelgeborene schrijven, want hoe moet ik anders die last kwijt raken die zwaar en drukkend op mijn borst is gelegd toen het doek viel en Uwe Hoogweledelgeborene op onbegrijpelijke wijze verdwenen was.

Hoeveel had ik nog te zeggen, onopgeloste dissonanten krijsten vreselijk mijn hart binnen, maar juist toen al de slangentongige septiemen wilden neerzweven in een heel lichte wereld van vriendelijke tertsen, toen was Uwe Hoogweledelgeborene weg en de slangentongen staken en stookten mij zeer!  Uwe Hoogweledelgeborene  die ik nu met al die vriendelijke tertsen wil toezingen, is niemand anders dan baron Wallborn, die ik al zo lang aan mijn hart koester, dat het mij, toen mijn melodieën zich naar zijn persoon vormden en  driest en geweldig tevoorschijn stroomden, vaak voorkwam alsof hij en ik dezelfde waren. Toen even geleden in het theater een krachtige,  jeugdige gestalte in uniform, het klinkende zwaard aan zijn zijde, heel mannelijk en ridderlijk op me toe trad, was het me in mijn hart zo vreemd en toch ook zo bekend te moede , en ik wist zelf niet, welke bijzondere akkoordwisseling  zich begon te ontwikkelen en steeds hoger en hoger begon aan te zwellen. Maar de jonge ridder trad me meer en meer nader en in zijn oog doemde voor mij een heerlijke wereld op, een heel eldorado van zoete, heerlijke dromen – de wilde akkoordwisseling loste op in tedere engelenharmonieën, die heel wonderlijk  spraken over het zijn en het leven van de schrijver, en nu werd me, omdat ik, iets waarvan Uwe Weledelgeborene verzekerd kunt zijn, een bedreven practicus in de muziek ben, de toonaard waarin het geheel stond, op slag duidelijk. Ik bedoel daarmee dat ik in de jonge ridder dadelijk al Uwe Hoogweledelgeborene, baron Wallborn, herkende.

Toen ik wat uitwijkmogelijkheden probeerde en toen mijn inwendige muziek opgewekt en in echt kinderlijke en kindse vreugde in allerlei montere melodieën, pakkende murki’s en walsen, opborrelde, viel Uwe Hoogweledelgeborene overal in maat en toonsoort zo juist in, dat ik helemaal geen twijfel koester hoe u mij ook als kapelmeester Johannes Kreisler erkend heeft en niet rechtsomkeerd heeft gemaakt bij het spookachtige spel dat de geest Droll vanavond samen met enkele van zijn consorten met me speelde.

In een dergelijke toestand,wanneer ik namelijk in de cirkel van een of ander spook ben beland, pleeg ik, zoals ik zelf heel goed weet, wat gekke grimassen te maken, ook had ik juist een kostuum aan dat ik ooit eens in hoogste wanhoop over een  mislukt trio had gekocht en dat de kleur van cis klein had, reden waarom ik tot een zekere geruststelling van het kijkend publiek   er een kraag met een kleur in E groot op heb laten zetten. Uwe Hoogweledelgeborene zal zich daar, denk ik, niet aan geërgerd hebben.

Bovendien heeft men mij deze avond andere voortekens gegeven. Ik heette namelijk Doctor Schulz uit Rathenow, omdat ik met deze voortekens, dicht bij de vleugel staande, het gezang van twee gezusters mocht aanhoren – twee in een vocale wedkamp strijdende nachtegalen, uit wier diepste borst helder en glanzend de heerlijkste tonen opvonkten.

Ze hielden rekening met Kreislers gestoorde spleen maar doctor Schulz was in het muzikale Eden dat de zusters voor hem openden, mild en week en vol emotie, en de zusters waren verzoend met Kreisler, toen doctor Schulz zich plotseling in hem ontpopte.

Ach, baron Wallborn, ook tegenover u ben ik misschien, sprekend over het heiligste, dat in me gloeit, te hardvochtig, te opvliegend overgekomen! Ach, baron Wallborn, ook naar mijn kroon grepen vijandige handen, ook bij mij is de hemelse gestalte in nevel opgegaan, die in mijn hart was binnengedrongen, de geheimste levensvezels van mijn hart aangrijpend.

Namenloze pijn sneed door mijn borst en iedere weemoedige zucht van het eeuwig dorstend verlangen werd tot een razende, martelende woede die was aangewakkerd door het ontzettende leed. Maar, baron Wallborn, gelooft u zelf ook niet, dat de door demonische klauwen verscheurde bloedende borst ook ieder druppeltje verzachtende balsem sterker en weldadiger voelt?

U weet, baron Wallborn, dat ik meestal over de muzikale pogingen van het gepeupel gek van woede word, maar ik kan u wel zeggen, dat ik, wanneer ik als zo vaak door heilloze bravour-aria’s , concerten en sonates stuk geslagen en murw word, veelal door een kleine onbetekenende melodie, door een middelmatige stem gezongen of onzeker en stumperig gespeeld, maar oprecht en goed gemeend en recht uit het hart gevoeld, word getroost en verkwikt.

Wanneer u, baron Wallborn, dergelijke tonen en melodieën op uw weg tegenkomt of ze onder u ziet, wanneer u omhoogzweeft naar uw wolk, terwijl ze in ingetogen verlangen naar u omhoogblikken, zeg dan tegen hen, dat u ze als lieve kindjes wilde koesteren en vertroetelen en dat u niemand anders was dan kapelmeester Johannes Kreisler.

Want zie, baron Wallborn, ik beloof het u hierbij heilig, dat ik dan u zal zijn en even vol liefde, mildheid en oprechtheid als u.  Ach, ik ben het zonder dat alles!

Veel ligt aan het spookspel dat mijn eigen noten vaak met me spelen. Die worden vaak levendig en springen als kleine, zwarte veelstaartige duiveltjes tevoorschijn uit de witte bladeren – ze sleuren me mee in een wilde, onzinnige reidans en ik maak heel bijzondere bokkensprongen en trek onfatsoenlijke grimassen, maar één enkele toon, uit heilige gloed zijn straal schietend, maakt een einde aan deze wirwar en ik ben oprecht, goed en geduldig!

U ziet, baron Wallborn, dat dat allemaal echte  tertsen zijn waarin alle septiemen wegzweven. Opdat u deze tertsen heel duidelijk zoudt kunnen horen, daarom schreef ik u!

God geve, dat we, zoals we elkaar al langere tijd in de geest gekend en gezien hebben, elkaar ook nog vaak fysiek mogen aantreffen, zoals vanavond, want uw blikken, baron Wallborn, dringen door tot diep in mijn hart en vaak zijn die blikken zelf heerlijke woorden die in mijn oren klinken als eigen, diep in mijn borst opgloeiende melodieën. Maar ik zal u nog vaak tegen komen, omdat ik morgen een grote reis naar de wereld zal beginnen en met het oog daarop al nieuwe laarzen heb aangetrokken.

Gelooft u niet, baron Wallborn, dat vaak uw woord mijn melodie en mijn melodie uw woord zou kunnen zijn? Ik heb zojuist de noten opgeschreven bij een mooi lied waarvan u de woorden al eerder toonzette. Toch is het me te moede, alsof op hetzelfde ogenblik dat het lied in uw hart ontstond, de melodie ook in mij had moeten opgloeien.

Soms komt het me voor alsof het lied een hele opera is! Ja! God geve, dat ik u, u, vriendelijke, milde ridder, spoedig weer met mijn eigen ogen mag zien, en wel zo, zoals u steeds als in levenden lijve voor mijn geestesoog gaat en staat. God zegene u en hij verlichte de mensen, zodat ze u genoegzaam mogen leren kennen in uw heerlijke doen en laten. Moge dit het opgewekte rustgevende slotakkoord in de tonica zijn!

Johannes Kreisler
Kapelmeester  en tevens geschift musicus par excellence

3. Kreislers muzikaal-poëtische club

 

Alle klokken, zelfs de langzaamste, hadden al acht uur geslagen, de kaarsen waren aangestoken, de vleugel stond open, en de herbergiersdochter die hand- en spandiensten voor Kreisler deed, had hem al twee keer aangekondigd, dat het theewater overkookte. Eindelijk werd aan de deur geklopt en de trouwe vriend kwam binnen met de bedachtzame. Ze werden gevolgd door de ontevredene, de joviale en de onverschillige. Zo was de club compleet en Kreisler maakte aanstalten om, zoals gewoonlijk, door een fantasie in symfonie-stijl alles af te stemmen op toon en maat, ja, alle verzamelde clubleden die veel muzikaal gevoel hadden, zoveel als nodig, het het stoffige vuilnis, waarin ze de hele dag moesten rondstappen, enkele armlengtes hoger te verheffen in zuiverder lucht. De bedachtzame zag er erg serieus , bijna diepzinnig uit en zei : “Wat vervelend werd onlangs, mijn beste Kreisler, uw pianospel  door  een geblokkeerd hamertje onderbroken, hebt u het laten repareren?”. “Ja, ik denk het wel”, antwoordde Kreisler. “Daar moeten we ons dan maar eens van overtuigen”, ging de bedachtzame verder en daarmee stak  hij nadrukkelijk de kaarsen aan  die zich in de brede kandelaar bevonden. Hij hield die boven de snaren en speurde heel bedachtzaam naar de kapotte hamer. Toen viel de zware op de kandelaar liggende kaarsendover naar beneden waardoor met enorm geraas twaalf tot vijftien snaren sprongen. De bedachtzame zei alleen : “Kijk nou eens!”. Kreisler trok een gezicht alsof men in een citroen bijt. “Alle duivels!”, schreeuwde de ontevredene, “juist nu heb ik me zo verheugd op Kreislers fantasie, juist nu! Mijn leven lang ben ik niet zo op muziek gespitst” . “Eigenlijk”,  viel de onverschillige in, “maakt het niet zo gek veel uit, of we met muziek beginnen of niet”.  De trouwe vriend was van mening, dat het inderdaad jammer was, dat Kreisler nu niet kon spelen, maar dat men zich daardoor niet van de wijs moest laten brengen. “Plezier zullen we hoe dan ook genoeg hebben”, zei de joviale, niet zonder een bepaalde extra lading in zijn woorden te leggen. “En ik wil toch fantaseren”, riep Kreisler, “aan de baskant is alles nog heel en dat moet voor mij maar genoeg zijn”.

Nu zette Kreisler zijn kleine, rode mutsje op, trok zijn Chinese slaaprok aan en begaf zich naar het instrument. De clubleden moesten plaats nemen op de sofa en op de stoelen en de trouwe vriend doofde op Kreislers verzoek alle lichten, zodat men zich in een pikzwarte duisternis bevond.  Kreisler greep nu pianissimo met de dempers omhoog het volle As groot akkoord. Terwijl de tonen verklonken, sprak hij: “wat ruist er zo vreemd en wonderlijk om me heen? Onzichtbare veren waaien op en neer. Ik zwem in de geurige ether, maar de geur licht op in vlammende, mysterieus verborgen cirkels. Edele geesten zijn het, die hun gouden vleugels spreiden in overweldigend heerlijke klanken en akkoorden.

As klein-akkoord (mezzo forte)

Ach! – ze dragen me weg naar het land van het eeuwige verlangen, maar zodra ze me te pakken krijgen, ontwaakt de smart en wil uit mijn borst ontsnappen, terwijl hij die met geweld aan stukken scheurt.

E Groot sext-akkoord (ancora più forte)

Blijf standvastig, mijn hart! Breek niet, aangeraakt door de verzengende straal die doordrong in mijn borst. Sta op, mijn wakkere geest, kom en verhef je naar het element dat je baarde, dat je vaderland is!

 

E groot terts-akkoord (forte)

Ze hebben me een heerlijke kroon aangereikt, maar wat in de diamanten zo schittert en fonkelt, dat zijn de duizend tranen die ik vergoot en in het goud glanzen de vlammen  die me verteerden. Moed en macht. Vertrouwen en sterkte voor hem die geroepen is om te heersen in het rijk van de geesten!

A klein (harpeggiando – dolce)

Waarom vlucht je, lief meisje? Ben je daartoe in staat, omdat onzichtbare banden je overal vasthouden?  Je weet het niet om te zeggen, om te klagen wat in je borst opgeslagen ligt als een knagende pijn en wat jou toch met zoete lust doortrilt? Maar je zult alles weten, wanneer ik met je praat, met je liefkoos in de taal van de geesten die ik kan spreken en die jij zo goed verstaat!

F groot

Ha, hoe zeer gaat jouw hart op in hartstocht en liefde, wanneer ik je  in goeiende vervoering met melodieën omarm, als met liefdevolle armen.  Je mag niet meer van mij wijken, want dat geheime voorgevoel, dat je borst benauwde, is vervuld. De toon sprak als een troostend  orakel uit mijn binnenste tot jou!

Bes groot (accentuato)

Wat een lustig lenteleven in veld en woud!  Alle fluiten en schalmeien die ’s winters in stoffige hoeken verstard lagen als om te sterven, zijn ontwaakt en hebben zich bezonnen op de lievelingsstukjes, die ze nu vrolijk kwinkeleren als de vogeltjes in de lucht.

Bes groot met de kleine septiem (smanioso)

Een lauwe westenwind trekt als een duister mysterie zacht klagend door het woud, en terwijl hij voorbij glijdt, fluisteren de sparren en de berken onder elkaar: " Waarom is onze vriend zo verdrietig geworden? Let je op hem, lieve herderin?”

Es groot (forte)

Ga hem achterna1 Ga hem achterna! Groen is zijn kleed als het donkere woud, zoet hoorngeschal zijn hunkerend woord! Hoor je het ruisen achter de bosjes? Hoor je het weergalmen? Hoorngeschal, vol lust en weemoed! Hij is het! Vooruit! Hem tegemoet!

D groot kwart-sext-akkoord (piano)

Het leven speelt zijn spel vol plagerijen op allerlei manieren. Waarom wensen, waarom hopen, waarom verlangen?

C groot terts-akkoord (fortissimo)

Maar laat ons in dwaze wilde lust boven  de open graven dansen. Laat ons juichen. Die daar beneden horen het toch niet. Heisa! Heisa! Dans en jubel, de  duivel doet zijn intocht met pauken en trompetten!

C klein akkoord (fortissimo steeds maar achter elkaar)

Kennen jullie hem niet? Kennen jullie hem niet? Kijk , hij grijpt met zijn gloeiende klauw naar mijn hart! Hij maskeert zich met allerlei dwaze tronies, als jager, als concertmeester, wormdokter, als ricco mercante. Hij smijt kaarsendovers in de snaren, zodat ik niet kan spelen. Kreisler, Kreisler, verman je! Zie je het loeren, dat bleke spook met zijn rood fonkelende ogen, terwijl hij zijn klauwen van knokige vuisten uit zijn gescheurde mantel naar je uitstrekt? Hij schudt de kroon van stro op zijn kale, gladde schedel! Het is de waanzin, Johannes, houd je dapper! Dwaas, dwaas levensspook, wat trek je me zo in  je cirkels binnen? Kan ik niet aan je ontkomen? Is er dan geen stofje in het universum waarop ik me , tot mug verschrompeld, van jou, ellendige kwelgeest, zou kunnen redden? Laat af van mij! Ik wil aardig zijn! Ik wil geloven dat de duivel een galanthuomo van het fijnste kaliber is. Hony soit qui mal y pense. Ik vervloek het gezang, de muziek. Ik lik je voeten als een dronken oermens. Verlos mij van mijn pijn. Hé, hé, idioot! Je hebt al mijn bloemen stukgetrapt! In de huiveringwekkende woestijn groeit geen halm meer. Dood, dood, dood!”

Hier flikkerde een klein vlammetje op. De trouwe vriend had snel een chemische aansteker tevoorschijn gepakt en stak beide kaarsen aan om zo een einde te maken aan al dat gefantaseer van Kreisler. Hij wist heel goed, dat Kreisler zich nu juist op een punt bevond, waarvandaan hij zich meestal in een donkere afgrond van hopeloze klachten stortte. Op dat moment bracht ook de herbergiersdochter de dampende thee binnen. Kreisler sprong van de vleugel op. “Wat moet dat dan allemaal?”, sprak de ontevredene, “een goed uitgevallen allegro van Haydn is me liever dan al die idiote clownerieën! “ “Maar heel slecht klonk het toch niet”, onderbrak hem de onverschillige. “Alleen te somber, veel te somber”, nam de joviale het woord, “Het is noodzakelijk ons gesprek nu een vrolijke, luchtige wending te geven”.

De clubleden deden  hun best de raad van de joviale op te volgen, maar als een verre, vage echo klonken Kreislers onheilspellende akkoorden en  angstaanjagende woorden nog na en hielden de gespannen stemming vast waarin Kreisler hen allemaal had gebracht. De ontevredene, inderdaad hoogst ontevreden met de avond die, zoals hij zich uitdrukte, door Kreislers dwaze fantasterij bedorven was, ging er van door, samen met de bedachtzame.  De joviale volgde hen. Alleen de reizende enthousiast en trouwe vriend ( beide zijn, zoals hier met nadruk wordt opgemerkt, in één persoon verenigd) bleef nog bij Kreisler achter. Deze zat zwijgend met zijn armen over elkaar op de sofa. “Ik weet niet” , sprak de trouwe vriend, “welke indruk je nu op me maakt, Kreisler! Je bent zo opgewonden en toch zonder een greintje humor, helemaal niet als anders!”. “Ach, vriend, “, antwoordde Kreisler, “wolken trekken met een duistere schaduw over mijn leven heen. Geloof je niet, dat het een arme, onschuldige melodie die geen, maar dan ook geen enkele plaats op de aarde begeert, geoorloofd is om vrij en onschuldig door het hemelruim te zweven?  O, ik zou direct al op mijn Chinese slaaprok als op een Mefistofelesmantel door dat raam daar naar buiten zweven!”. “Als onschuldige melodie zeker?”, antwoordde de trouwe vriend met een glimlach. “Of als basso ostinato, als je dat liever wilt”, zei Kreisler, “maar ik moet er hoe dan ook gauw vandoor” .Zodra hij dat gezegd had, gebeurde dat ook.


4.  Bericht over een jonge intellectueel

Het is hartverwarmend, wanneer men merkt hoe cultuuur steeds meer om zich heen grijpt, ja, hoe zelfs uit geslachten die  tot dan toe verstoken waren van hogere beschaving, talenten  tot een zeldzame hoogte omhoog schieten. In het huis van Geheimrat R. leerde ik een jonge man kennen die zijn uitzonderlijke begaafdheid gepaard laat gaan met een beminnelijke bonhommie. Toen ik op een keer sprak over de voortdurende briefwisseling die ik met mijn vriend Charles Ewson in Philadelphia onderhoud, overhandigde hij me vol vertrouwen een open brief die hij aan zijn vriendin had geschreven, om die te verzenden. De brief is inderdaad verzonden, maar moest ik niet  jouw brief, mijn jongen, in kopie bewaren als een herinnering aan jouw hogere wijsheid en deugdzaamheid, aan jouw echte gevoel voor kunst ?

Ik kan er niet omheen te zeggen , dat die merkwaardige jonge man qua geboorte en oorspronkelijke professie  eigenlijk een …aap is, die ten huize van de Geheimrat leerde spreken, schrijven, musiceren etc. kortom, het inzake cultuur zo ver schopte, dat hij vanwege zijn kunstzin en kennis, maar ook vanwege zijn morele status een massa vrienden kreeg en in alle intellectuele milieus graag gezien werd. Afgezien van een  paar kleinigheden, bij voorbeeld dat hij bij de thés dansants in de hopsa-anglaises soms wat gekke sprongen maakt, dat hij altijd wat emotioneel wordt wanneer men noten tegen elkaar slaat (maar deze kritiek kan misschien alleen maar voortkomen uit de afgunst die elk genie  achtervolgt), behalve dat hij ondanks de handschoen de dames bij de handkus een beetje stuk krabt, merkt men niet het minste van zijn exotische afkomst en al die kleine schelmenstreken die hij vroeger in zijn jonge jaren in praktijk bracht, zoals hij bij voorbeeld bij degene die zijn huis binnentrad snel de hoed van zijn hoofd griste en achter een suikerpot sprong, zijn tegenwoordig tot hilarische bonmots geworden, die met gejuich en applaus worden begroet.

Hier is die merkwaardige brief waarin Milo’s  edele ziel en heerlijke beschaving zich volkomen uitspreken

 
Een brief van Milo, een hoogopgeleide aap, aan zijn vriendin Pipi in Noord-Amerika.

Met enige ontzetting denk ik nog terug aan die ongelukkige tijd, dat ik jou, geliefde vriendin, de tederste gevoelens van mijn hart niet anders kon uitdrukken dan door primitieve, voor iedere intellectueel onbegrijpelijke,  klanken. Hoe konden gejammerde wanklanken als “aai, aai” die ik destijds, hoewel met heel wat tedere blikken, uitstootte, ook maar in het minst het diepe, innige gevoel aanduiden dat opzwol in mijn mannelijke, rijkbehaarde borst? En zelfs mijn liefkozingen die jij, kleine zoete vriendin, destijds in stille overgave moest dulden, waren zo onbeholpen,  dat ik er nu, terwijl ik het op dat punt de beste primo amoroso nadoe en à la Duport handen  kus, van moet blozen, als niet een zekere robuuste teint die me eigen is, dat onmogelijk zou maken. Ondanks het geluk van hoogste innerlijke zelftevredenheid, die de bij de mensen gekoesterde beschaving in mij heeft opgeroepen, zijn er toch nog wel uren waarin ik me echt zorgen maak , hoewel ik weet, dat dergelijke stemmingen  die haaks staan op het morele niveau dat men door cultuur verwerft, nog afstammen van de ruwe toestand die me in een klasse van wezens vasthield die ik nu onbeschrijfelijk minacht. Ik ben dan namelijk dwaas genoeg aan onze arme verwanten te denken die nog in de wijdse, ongecultiveerde wouden op de bomen rondhuppelen, en zich voeden met ruwe vruchten, nog niet door techniek smakelijk gemaakt,  en bij voorkeur ’s avonds bepaalde hymnen aanheffen, waarin geen toon klopt en aan een bepaalde maatsoort  niet te denken valt, behalve de pas uitgevonden 7/8 of 13/4 maat.

In het bijzonder denk ik dan aan onze oude oom (in mijn herinnering moet het een oom van moederskant geweest zijn), die ons op zijn domme manier groot bracht en al het mogelijke aangreep om ons van alles wat menselijk is, verwijderd te houden. Hij was een ernstig man die nooit laarzen aan wilde doen en ik hoor nog zijn angstige waarschuwingskreten,  wanneer ik met uitzinnig verlangen mijn blik liet gaan over die mooie, nieuwe kaplaarzen die de sluwe jager onder de boom had laten staan, waarin ik juist met veel smaak een cocosnoot verorberde. In de verte zag ik nog de jager gaan. Wat stonden de kaplaarzen, die sprekend leken op de laarzen die hij had laten staan, hem voortreffelijk! De hele persoon kreeg juist door de goedgepoetste laarzen voor mij iets zo grandioos en imposants – nee, ik kon geen weerstand bieden. De gedachte om even trots als hij in nieuwe laarzen naar binnen  te gaan, obsedeerde mijn hele wezen. Was het niet al een bewijs voor mijn uitzonderlijke aanleg voor wetenschap en kunst, die alleen maar in mijn behoefden te worden opgewekt, dat ik van de boom afsprong, licht en behendig, alsof ik mijn leven lang laarzen had gedragen, met de stalen laarzenlepels mijn slanke benen moest laten wennen aan de ongewone bekleding? Dat ik daarna niet kon lopen, dat de jager nu op me af kwam, me zonder meer bij de kraag vatte en me voortsleepte, dat mijn oude oom erbarmelijk schreeuwde en ons cocosnoten nawierp waarvan één me keihard raakte aan de achterkant van  mijn linker oor, dat alles heeft tegen de zin van de boze grijsaard misschien heerlijke, nieuwe organen tot rijpheid gebracht. Je weet van dat alles, mijn beste vriendin, omdat je zelf  huilend en jammerend je minnaar naliep en ook vrijwillig in ballingschap ging. Wat zeg ik, gevangenschap! Heeft deze gevangenschap ons juist niet de grootste vrijheid gegeven? Bestaat er iets heerlijkers dan de vorming van de geest die ons onder de mensen ten deel viel? Ik twijfel er namelijk niet aan, dat jij, lieve Pipi, bij jouw aangeboren vitaliteit en bij jouw begripsvermogen je ook op kunsten en wetenschappen zult hebben toegelegd, ook al is het maar weinig, en in dit vertrouwen zet ik je dan ook volledig apart van de boze verwanten in de bossen. Ha! Onder hen heerst nog steeds zedeloosheid en barbarij, hun ogen zijn droog en ze ontberen diepzinnigheid volkomen! Ik veronderstel dat jij qua beschaving niet zulke vorderingen gemaakt hebt als ik, want ik heb het zoals men pleegt te zeggen, helemaal gemaakt. Ik weet gewoonweg alles, en ben daarom bij wijze van spreken een orakel en heers hier onbeperkt in het rijk van wetenschap en kunst. Je zult wel  geloven, lieve schat, dat het me oneindig veel moeite heeft gekost, op deze hoog trap van beschaving te geraken, maar niets is minder waar. Ik kan je verzekeren dat niets ter wereld me gemakkelijker is gevallen dan dat. Sterker nog, ik lach er vaak over, dat in mijn vroege jeugd die verdomde springoefeningen van de ene boom naar de andere, menig zweetdruppeltje hebben gekost.  Van iets dergelijks heb ik op mijn traject naar wijsheid en geleerdheid niets gemerkt. Dat is eerder zo maar vanzelf gegaan en het kostte bijna nog meer moeite te beseffen, dat ik me  nu werkelijk al op het hoogste niveau bevond, dan naar boven te klauteren.  Dat alles dank zij mijn eigen fantastische ingenium en de gelukkige worp van mijn oom! Je moet namelijk weten, lieve Pipi, dat mijn intellectuele gaven en talenten  als bulten aan mijn hoofd zitten en met de handen kunnen worden vastgepakt. Mijn achterhoofd voelt  aan als een zak cocosnoten en uit die worp is misschien nog menig bultje en daarmee een talentje voort gekomen. Ik heb het inderdaad dik achter mijn oren! Die imitatiedrang die ons geslacht nu eenmaal eigen is en volkomen ten onrechte zo vaak bij de mensen mikpunt van spot is, is niet anders dan de onweerstaanbare  drang niet zozeer om ons cultuur eigen te maken als wel onze aangeboren  cultuur te tonen.  Datzelfde principe is bij de mensen al lang overgenomen en de werkelijke wijzen, die ik altijd nagestreefd heb, doen het op de volgende manier.

Iemand vervaardigt iets, een kunstwerk of iets anders. Iedereen roept : “ Dat is voortreffelijk!”. De wijze, bezield door een innerlijke stem, maakt het na.  Weliswaar pakt het anders uit, maar hij zegt : “ Zo is het eigenlijk goed, en dat werk, dat jullie voortreffelijk vonden heeft me alleen de aanzet gegeven  iets echt voortreffelijks aan de dag te leggen, dat ik al lang in mijn binnenste verborgen meedroeg”. Het is ongeveer zo, lieve Pipi, als wanneer een van onze medebroeders zich bij het scheren weliswaar in zijn neus snijdt, maar daardoor zijn baard een originele look geeft, wat iemand die er juist op uit is, nooit bereikt.  Juist die imitatiedrang, die altijd al heel kenmerkend voor me is, heeft een professor in de esthetica, de beminnelijkste man van de wereld, mij naderbij gebracht, von wie ik nadien de eerste informatie over mijzelf ontving en die me ook het spreken bijbracht. Nog voordat ik dit talent volkomen had ontwikkeld, was ik vaak in het uitgelezen gezelschap van humoristische, scherpzinnige mensen. Ik had heel nauwkeurig hun gelaatsuitdrukkingen en gebaren bestudeerd, die ik handig wist na te doen.  Dit en mijn passende kledij waarin  mijn werkgever van toen had voorzien, openden voor mij niet alleen ieders deur, maar gingen  overal door voor kenmerken  van een jonge man van de wereld met een goede smaak. Wat hevig verlangde ik er naar te kunnen spreken, maar in mijn hart dacht ik : Mijn hemel! Als je ook nog kunt spreken, waar zul je al die duizenden invallen en gedachten oppakken die daar van je lippen stromen? Hoe zul je het aanpakken om van duizenden dingen te spreken waarvan je nauwelijks de naam kent?Hoe zul je over werken van wetenschap en kunst zo zeker een oordeel vellen als die daar, zonder in deze materie thuis te zijn? Zodra ik enkele samenhangende woorden kon uitbrengen, zette ik voor mijn sympathieke leraar, de professor in de esthetica,  mijn twijfels en bedenkingen uiteen. Die lachte me echter in mijn gezicht uit en zei: “ Wat dacht  u dan, mijn beste mijnheer Milo? Spreken, spreken, spreken  moet u leren, al het andere komt vanzelf terecht. Gemakkelijk, bijdehand, terzake kundig spreken, dat is het hele geheim. U zult er zelf verbaasd van staan, hoe  bij het spreken de gedachten vanzelf komen opborrelen, hoe de wijsheid bij u begint te dagen, hoe de goddelijke Suada u in alle finesses van kunst en wetenschap inwijdt, zodat u ervan overtuigd bent dwaalwegen te bewandelen. Vaak zult u zichzelf niet begrijpen. Dan bevindt u zich juist in een toestand van intellectuele vervoering die het spreken met zich brengt. Wat lichte lectuur kan u overigens best wel tot nut strekken, en ook helpt het wat gemakkelijke frasen in te studeren, die overal met effect kunnen worden rond gestrooid en gewoon als refrein kunnen dienen. Spreek maar veel over de tendensen van de tijdgeest, zoals dit en dat zich duidelijk uitspreekt, van diepte van denken, van bezield en zielloos etc. “ O, mijn lieve Pipi, wat had die man het bij het rechte eind! Hoe viel me met de spreekvaardigheid ook de wijsheid ten deel! Mijn geslaagde mimiek gaf mijn woorden gewicht en ik heb in de spiegel kunnen zien, hoe mooi mijn van nature wat gefronste voorhoofd uitkomt, wanneer ik deze of gene schrijver, die ik niet begrijp, waardoor hij voor mij niet kan deugen, diepzinnigheid ontzeg. Überhaupt is de innerlijke overtuiging vn de hoogste beschaving de rechterlijke instantie waaraan ik gemakkelijk ieder werk van kunst en wetenschap onderwerp, en het oordeel onfeilbaar, omdat het vanzelf uit het innerlijk, als een orakel, opdoemt.

Met kunst heb ik me heel vaak bezig gehouden, wat schilderkunst, sculptuur, soms ook het modelleren. Jou, zoete lieverd, vormde ik naar de antieken als Diana.  Maar van al die krimkraam had ik gauw tabak, alleen de muziek trok me van alle dingen nog aan, omdat ze gelegenheid geeft een hele massa mensen zonder verdere plichtplegingen in verbazing en bewondering te brengen. Vanwege mijn innerlijke organisatie werd spoedig de fortepiano mijn lievelingsinstrument. Je kent, lieve schat, mijn enigszins lange vingers wel, die de natuur me heeft geschonken. Daarmee haal ik nu deciemen met een kwart erbij, ja zelfs twee octaven. Dat is immers, naast een enorme vaardigheid de vingers te bewegen en te ontroeren, het hele geheim van het pianospelen.  Vreugdetranen heeft de muziekmeester over de fantastische, natuurlijke aanleg van zijn leerling vergoten, want ik heb het in korte tijd zo ver gebracht, dat ik met beide handen in tweeëndertigsten, vierenzestigsten en honderdachtentwintigsten  zonder hapering op en neer ga op het toetsenbord, met alle vingers even goede trillers kan maken, drie, vier oktaven omhoog en omlaag spring, zoals vroeger van de ene boom naaar de andere, en ik ben zo de grootste virtuoos die er bestaat.

Mij zijn alle beschikbare pianocomposities niet moeilijk genoeg. Daarom componeer ik zelf mijn sonates en concerten.  In de laatste moet mijn muziekmeester wel voor de tutti zorgen. Want wie kan zich  met die vele instrumenten en al dat nutteloze gedoe bezig houden?

In die concerten zijn die tutti toch alleen maar een noodzakelijk kwaad. Ze dienen als een soort van pauzes waarin de solist op adem kan komen en zich klaarmaakt voor nieuwe sprongen.  Bovendien heb ik al met een instrumentenbuwer overlegd over een fortepiano met negen tot toen oktaven.  Het genie kan zich toch niet beperken tot de miserabele omvang van maar zeven oktaven? Afgezien van de gewone pedalen voor de Turkse trommel en bekkens, moet hij nog een trompetregister en een flageoletregister aanbrengen dat zo veel mogelijk het gekwetter van de vogeltjes nabootst. Je zult merken, mijn lieve Pipi, op wat voor sublieme gedachten een man van smaak en beschaving komt! Nadat ik verschillende zangers grote bijval had horen oogsten, werd ook ik door een onbeschrijfelijk verlangen bevangen, te gaan zingen, alleen scheen het me helaas toe, dat de natuur mij ieder orgaan daarvoor had ontzegd. Toch kon ik het niet laten een beroemd zanger die mijn intiemste vriend geworden is, mijn wens voor te leggen en mij tegelijk te beklagen vanwege mijn stem. Deze sloot me echter in zijn armen en zei : “ Monsieur, u boft! U bent  vanwege uw muzikale vaardigheden en de souplesse van uw orgaan, die ik al lang heb opgemerkt, tot groot zanger geboren! Het grootste probleem is namelijk opgelost. Niets staat immers  de ware zangkunst zo in de weg als een goede, natuurlijke stem, en het kost me weinig moeite bij jonge leerlingen die werkelijk een echte zangstem hebben, deze moeilijkheid uit de weg te ruimen. Het volkomen vermijden van aangehouden tonen, het vlijtig inoefenen van de geduchtste roulades, die de gewone omvang van de menselijke stem verre te boven gaan, en voornamelijk het geforceerde inschakelen van de falset, waarin het de echte zangkunst haar basis heeft, helpt na enige tijd gewoonlijk ook. De meest robuuste stem is uieindelijk zelden bestand tegen deze serieuze bemoeienissen. Maar bij u, hooggeëerde, is niets uit de weg te ruimen. In korte tijd bent u de subliemste zanger die er bestaat!”.

De man had gelijk. Er was maar weinig training voor nodig om een heerlijke falset en een vaardigheid te ontwikkelen om honderd tonen in één adem eruit te gooien, wat me de unanieme bijval van de ware kenenrs bezorgde en de armzalige tenoren die heel wat opgeven van hun borststem , hoewel ze nog geen mordent kunnen uitbrengen, in de schaduw stelde. Mijn maestro leerde me al gelijk bij het begin drie tamelijk lange manieren waarin de kwintessens van alle wijsheid van het bel canto steekt, zodat men ze , nu eens zus dan weer zo aangewend, geheel of gedeeltelijk, ontelbare malen kan produceren, ja, bij de basstem van de meest uiteenlopende aria’s, in plaats van de door de componist bedoelde melodie, die manieren op allerlei wijze kan zingen. Wat voor juichende bijval mij juist wegens de uitvoeirng van die manieren ten deel is gevallen, lieve schat, kan ik je niet beschrijven. Je zult wel merken, dat ook in de muziek het natuurlijk, mij aangeboren ingenium mij alles zo vreselijk gemakkelijk maakte.  Over mijn composities heb ik al gesproken, maar juist dat leuke  componeren…. Wanneer ik het niet per se moet om mijn genie de erbij passende composities te verschaffen, dan laat ik het graag aan ondergeschikte figuren over, die er nu eenmaal voor zijn om ons virtuozen te dienen, dat wil zeggen werken te vervaardigen waarin we onze virtuositeit kunnen tonen.  Ik moet toegeven, dat  al die troep die de partituur aanvult, een eigen karakter heeft. Veel instrumenten, een harmonische samenklank – ze hebben er aparte regels voor. Maar voor een genie, voor een virtuoos is dat alles veel te clichématig en vervelend.

Om overal gerespecteerd te worden, waarin toch de grootste levenswijsheid bestaat, hoeft men alleen maar als componist aangeschreven te staan; dat is genoeg. Wanneer ik bij voorbeeld tijdens een concert  met een aria in aanwezigheid van de componist heel veel bijval had geoogst en men van plan zou zijn, de componist in de bijval te laten delen, dan zou ik met een bepaald soort duistere, intense blik waar ik met mijn karakteristieke fysiognomie heel goed voor kan zorgen, heel losjes opmerken : “ Ja, waarachtig!  Ik moet zo dadelijk ook mijn nieuwe opera afronden!”.  Ik zou met deze uitspraak aller bewondering naar me toe trekken, zodat de componist  die werkelijk gecomponeerd heeft, totaal vergeten werd. Überhaupt past het goed bij een genie om zich zoveel mogelijk te laten gelden.  Het mag daarbij niet verzwijgen, hoe klein en erbarmelijk hem alles wat in de kunst gebeurt, voorkomt tegenover datgene, wat het in alle deelgebieden van kunst en wetenschap zou kunnen produceren, als het dat per se wilde  en de mensen die inspanning waard waren. Een totale minachting voor alle pogingen van anderen, de overtuiging, allen die graag zwijgen en slechts in stilte scheppen, zonder erover te spreken,  volkomen over het hoofd te zien, de hoogste zelftevredenheid met alles wat door eigen kracht zonder enige inspanning  wordt opgeroepen, dat alles zijn onbetwistbare tekens  van het hoogst ontwikkelde genie. Wat prijs ik me gelukkig, dat ik dat alles elke dag, ja elk uur, bij mezelf opmerk. Zo kun je je nu, mijn lieve vriendin,  mijn gelukkige toetsnad  die ik aan het door mij bereikte hoge niveau te danken heb, voorstellen.

Maar kan ik voor jou het minste wat op mijn hart ligt, verzwijgen?  Moet ik niet erkennen, lieveling, dat  mij nog meermalen bepaalde stemmingen die me totaal onverwacht overvallen, uit dat behaaglijke gevoel losrukken dat mijn dagen verzoet? Mijn hemel, wat voor enorme invloed heeft de vroegste opvoeding toch  op het gehele leven! Men zegt terecht, dat moeilijk te verdrijven is wat men met de moedermelk heeft binnengrekregen.  Wat voor schade heeft mijn dwaze rondzwerven  in bergen en bossen mij opgeleverd!  Kort geleden ga ik, elegant gekleed, met verschillende vrienden wandelen in het park. Plotseling staan we bij een prachtige, hemelhoge, smalle notenboom. Een onweerstaanbare begeerte berooft me van al mijn bezinning.  Enkele korte zinnen en daar wieg ik hoog in de top op zoek naar noten! Een kreet van verbazing, uitgestoten door de anderen, begeleidt mijn waagstuk. Toen ik, me weer bezinnend op de gebruikelijke cultuur, die dergelijk extravagant gedrag niet toestaat,  weer naar beneden klauterde, sprak een jonge man die heel veel respect voor me heeft : “ Mijn beste Milo, wat bent u goed met uw benen!”.  Maar ik schaamde me heel erg. Zo kan ik ook vaak nauwelijks de neiging onderdrukken, mijn vaardigheid in het werpen, ook een favoriet van mij, te oefenen.  Je kunt het je wel voorstellen, lieverd, dat mij onlangs  bij een souper dat verlangen zozeer te pakken had, dat ik snel een appel in de pruik wierp van een Geheimrat, mijn oude steun en toeverlaat,  die helemaal aan het andere gedeelte van de tafel zat, iets wat me bijna in duizend problemen had gestort.

Toch hoop ik me steeds meer  van deze overblijfselen  van mijn vroegere oertoestand te reinigen. Mocht jij, zoete vriendin, nog niet zo ver in cultuur gevorderd zijn om deze brief te kunnen lezen, dan hoop ik, dat de edele, krachtige gelaatstrekken van je geliefde  een stimulans mogen zijn om te leren lezen en de inhoud daarvan de leer vol wijsheid moge zijn hoe je moet beginnen om tot innerlijke rust en behaaglijkheid te komen die alleen de hoogste cultuur voortbrengt,  die uit het innerlijk ingenium en de omgang met wijze, beschaafde mensen, voortkomt.  En dan nu, duizendmaal vaarwel, lieve vriendin!

“Twijfel aan de helderheid van de zon,

Twijfel aan het licht van sterren,

Twijfel of de waarheid kan liegen,

maar twijfel niet aan mijn liefde!”

jouw getrouwe tot in de dood! 

Milo, vroeger een aap,

nu privatiserend kunstenaar en geleerde

 

5. De muziekbarbaar

Het is toch wel iets heerlijks om zo door en door muzikaal te zijn dat men, als  van bijzondere kracht voorzien, de grootste muzikale structuren, die de meester met een ontelbaar aantal noten en tonen van de verschillendste instrumenten schept, gemakkelijk en onbezorgd de baas is,  doordat men ze zonder bijzondere gemoedsbeweging zonder de pijnlijke schokken van een hartstochtelijke extase, van een hartverscheurende weemoed te bespeuren,  in geest en gedachte opneemt. Hoezeer kan men zich  verheugen over de virtuositeit van de spelers van binnen, ja, deze vreugde die van binnen uit naar buiten streeft, zonder enig risico luid te laten worden. Aan de gelukzaligheid zelf een virtuoos te zijn, wil ik helemaal niet denken.  Want mijn verdriet wordt dan nog dieper, dat ik zo volkomen verstoken ben voor alle gevoel  voor muziek, waardoor ik deze heerlijke kunst zo onbeschrijfelijk onbeholpen  beoefen, wat helaas in mijn prille jeugd al bleek.

Mijn vader was zonder twijfel een gedegen musicus. Hij speelde fanatiek op een grote vleugel, vaak tot in de late nacht, en toen er eens in ons huis een concert werd gegeven, speelde hij heel lange stukken waarbij hem de anderen op viool, bas, fluit en waldhoorn heel zachtje begeleidden.  Wanneer zo’n  lang stuk eindelijk uit was, schreeuwden allen : ‘Bravo! Bravo! Wat een mooi concert! Wat knap gespeeld!”, en ze noemden met eerbied de naam Emanuel Bach! Mijn vader had echter zoveel achter elkaar gehamerd en gebruist, dat het me altijd voor kwam alsof dat eigenlijk nauwelijks muziek was, waarbij ik dacht aan melodieën die me in het hart treffen, en alsof hij dat alleen maar voor zijn plezier deed, terwijl de anderen er ook plezier aan beleefden. Bij dergelijke gelegenheden was ik altijd  gestoken in mijn zondagse kostuumpje en moest naast mijn moeder op een stoel zitten en luisteren zonder me veel te kunnen bewegen. De tijd werd me ongelofelijk lang,  en ik zou het helemaal niet langer hebben kunnen  uithouden, wanneer ik me niet reuze had vermaakt met de bijzondere grimassen en de merkwaardige bewegingen van de uitvoerenden.

 Ik herinner me vooral nog een oude advocaat die altijd dichtbij mijn vader viool speelde en van wie ze altijd beweerden dat hij een heel overdreven fanatiekeling was en dat de muziek hem half gek maakte, zodat hij in de exaltatie van de waanzin, waarin hem  het genie van Bach, Wolf of Benda opdreef, noch zuiver greep, noch maat hield.  Mij staat de man nog duidelijk voor ogen. Hij droeg een perzikkleurige jas  met goudbesponnen knopen, een kleine , zilveren degen en een roodachtige, maar een beetje bepoederde pruik waar aan achter een kleine ronde haarbuidel hing. Hij had een onbeschrijfelijk komische ernst in alles, wat hij aanpakte. “Ad opus!’placht hij te roepen wanneer vader de muziekbladen op de lesssenaar verdeelde. Dan greep hij met zijn rechterhand de viool, met zijn linker zijn pruik, die hij af nam en dan aan een spijker hing.  Nu begon hij, zich meer en meer over het blad buigend, echt te werken, zodat zijn rode ogen glanzend naar buiten traden en zweetdruppeltjes op zijn voorhoofd stonden. Soms overkwam het hem, dat hij eerder klaar was dan de anderen, waarover hij dan niet zo’n beetje verbaasd was en de anderen heel boos aankeek.  Vaak verbeeldde ik me, dat hij tonen voortbracht die me deden denken aan de tonen die buurman Peter  aan onze huiskat ontlokte, wanneer hij  met natuurhistorische interesse  de verborgen muzikale talenten van de kat wilde onderzoeken.  Dat deed hij door de staart op een handige manier af te klemmen en door nog wel andere dingen. Daarom werd hij soms door vader gekastijd (Peter namelijk).  Kortom, de perzikkleurige  advocaat – hij heette Musewius – stelde me volledig schdeloos voor de pijn van het stilzitten doordat ik me  enorm vermaakte met zijn grimassen, zijn komische sprongen terzijde , ja , ook aan zijn gekwinkeleer.

Op een keer liet hij de muziek volkomen in het honderd lopen, zodat mijn vader van de vleugel opsprong en allen zich op de vleugel stortten, bang dat hij een beroerte had gekregen. Hij begon namelijk eerst een beetje met zijn hoofd te schudden, daarna zijn hoofd in een toenemend crescendo steeds krachtiger naar voren en naar achteren te bewegen, waarbij hij snerpend met zijn  strijkstok over de snaren ging, met zijn tong klakte en met zijn voet op de grond stampte.  Het was echter niets anders dan een kleine, gemene vlieg, die om hem heen zoemde, eigenwijs in hetzelfde kringetje,  en na duizend maal verjaagd te zijn, steeds weer op zijn neus ging zitten. Dat had hem in wilde vertwijfeling gebracht.

Soms gebeurde het, dat de zuster van mijn moeder een aria zong. Ach, wat keek ik daar steeds naar uit! Ik hield erg van haar, ze bemoeide zich veel met me en zong voor mij met haar heerlijke stem die regelrecht mijn hart raakte, een massa mooie liederen voor, die ik zo goed in mijn geheugen heb opgeslagen, dat ik ze nog steeds zachtjes voor me uit kan zingen.  Het had altijd iets plechtigs, wanneer mijn tante  de partijen van aria’s van Hasse, of Traetta of van wie dan ook op de muzieklessenaar zette. De advocaat mocht niet meespelen. Reeds toen ze de inleiding speelden en mijn tante nog niet eens begonnen was te zingen, klopte mijn hart merkbaar, en een heel wonderlijk gevoel van lust en weemoed doordong me, zodat ik nauwelijks mijn zelfbeheersing kon bewaren.  Maar nauwelijks had mijn tante  een couplet gezongen of ik begon bitter te wenen en werd onder heftige scheldwoorden van mijn vader naar buiten gebracht de zaal in.  Vaak maakte vader met mijn tante ruzie, omdat ze beweerde dat mijn gedrag helemaal niet veroorzaakt werd doordat de muziek me op een onaangename wijze trof, maar veel eerder door mijn overgevoelig hart. Mijn vader schold me daarentegen uit voor een grote stommeling die uit ongenoegen moest huilen als een a-muzikale hond.  Een voortreffelijk argument, niet alleen om me te verdedigen, maar om me zelfs een verborgen muzikale antenne toe te schrijven, ontleende mijn tante aan de omstandigheid, dat ik vaak, wanneer vader de vleugel toevallig niet had dichtgedaan, me er urenlang mee kon amuseren allerlei welluidende akkoorden op te zoeken en aan te slaan. Wanneer ik met beide handen twee, drie, ja zelfs wel zes toetsen had ontdekt, die , eenmaal ingedrukt, een prachtige, liefelijke samenklank lieten horen, werd ik niet moe, ze aan te slaan en te laten uitklinken. Ik legde mijn hoofd schuin op de deksel van het instrument en deed mijn ogen dicht : ik was in een andere wereld. Maar laatst moest ik weer bitter wenen zonder te weten of dat door vreugde of verdriet kwam. Mijn tante had vaak naar me geluisterd en daar plezier aan beleefd, maar mijn vader zag er alleen maar kinderlijke streken in. Niet alleen over mij, maar ook over andere zaken, vooral muziek, schenen ze het volkomen met elkaar oneens te zijn. Mijn tante beleefde veel genoegen aan eenvoudige en onopgesmukte composities, vooral van Italiaanse componisten.  Mijn vader echter, een opvliegend man, noemde dergelijke muziek muzak, die het brein nooit kon bezig houden.  Mijn vader sprak altijd van het verstand, mijn tante altijd van gevoel.

Uiteindelijk wist ze door te zetten, dat mijn vader me door een oude cantor die bij de familieconcerten meestal altviool speelde, pianoles liet geven.

Maar, hemeltjelief, toen bleek pas, dat mijn tante te veel in me zag, en vader gelijk had.  Aan maatgevoel en zin voor melodie ontbrak het me helemaal niet, zoals de cantor beweerde.  Maar mijn grenzeloze onbeholpenheid bedierf alles. Wanneer ik een etude voor me zelf moest inoefenen en ik me met de bedoeling  echt ijverig te zijn, aan de piano zette, verviel ik toch onwillekeurig weer in  het spelletje van het zoeken naar akkoorden, en zo kwam ik niet verder. Met veel ongelofelijke moeite had ik me door verschillende toonsoorten heen geworsteld tot die vervloekte toonaard met vier kruisen als voortekens die, zoals ik nog heel goed weet, E groot werd genoemd. Boven het stuk stond met koeieletters SCHERZANDO PRESTO en toen de cantor het me voorspeelde, had het iets huppelend, iets springerigs, dat ik helemaal niet mooi vond. Ach, hoeveel tranen, hoeveel bemoedigende kreetjes van de onzalige cantor kostte me dat verdomde presto! Eindelijk naderde de voor mij vreselijke dag, dat ik voor vader en zijn muzikale vrienden mijn verworven kennis moest tonen en alles wat ik geleerd had, moest voorspelen. Dat lukte allemaal prima tot dat afschuwelijke presto in E groot. De avond er voor  zette ik me in een soort van vertwijfeling aan de piano om, koste wat kost, dat stuk zonder fouten te kunnen spelen. Ik wist zelf niet hoe het kwam dat ik het stuk juist met die toetsen probeerde te spelen die net rechts lagen van die welke ik moest aanslaan. Dat lukte me, het hele stuk was gemakkelijker geworden en ik miste geen enkele noot, alleen met andere toetsen en het kwam me voor alsof het stuk zelfs veel beter klonk dan toen de cantor het me voorspeelde. Het was me vrolijk en onbezorgd te moede. De volgende dag zette ik me dapper aan de vleugel en hamerde mijn stukje met verve en mijn vader riep keer op keer : “Dat had ik niet gedacht!”.  Toen het scherzo afgelopen was zei de cantor heel vriendelijk : “Dat was nu de moeilijke toonsoort E groot!”.  Mijn vader draaide zich om en zei tegen een vriend: “ Zie je, hoe die jongen zich in dat moeilijke E groot weet te redden?”. “Met permissie, mijn waarde, maar dat was F groot”.  “Helemaal niet, helemaal niet”, zei mijn vader. “Toch wel”,  antwoordde de vriend, “we zullen het zo meteen zien”. Beide traden ze aan de vleugel.  “Zie je nou wel”, riep mijn vader uit, terwijl hij op de vier kruisen wees. “En toch heeft die jongen in F groot gespeeld”, zei de vriend weer. Ik moest het stuk nog eens spelen. Dat deed ik heel onbevangen, omdat het me niet eens duidelijk was waarover ze zo fanatiek ruzie maakten.  Mijn vader keek naar de toetsen. Nauwelijks had ik enkele tonen gespeeld, of vaders hand suisde om mijn oren. “Vervloekte stommeling!”riep hij,  ziedend van woede, uit. In tranen liep ik weg en nu was het met mijn muzieklessen voor altijd afgelopen. Mijn tante was van mening, dat het feit, dat ik het hele stuk zonder fouten speelde, alleen in een andere toonsoort, een teken was van echt muzikaal talent.  Ik geloof nu wel, dat mijn vader gelijk had het op te geven om me op enig instrument les te laten nemen. Mijn onbeholpenheid, de gebrekkige motoriek van mijn vingers zou elke poging in die richting vruchteloos hebben gemaakt.  Juist  deze   gebrekkige motoriek lijkt zich wat muziek betreft ook uit te strekken tot mijn geestelijke vermogens. Zo heb ik maar al te vaak bij het spel van erkende virtuozen, verveling, walging en oververzadiging ervaren, terwijl iedereen in juichende bewondering uitbrak.  Bovendien kon ik het niet laten, eerlijk voor mijn mening uit te komen of eerder nog mijn innerlijk gevoel duidelijk uit te spreken. Dat leverde me de spot op van het enthousiaste en ter zake kundige publiek. Overkwam me dat niet kort geleden net zo, toen een beroemd pianist door de stad reisde en zich bij een van mijn vrienden liet horen? “Vandaag, mijn beste”, zei mijn vriend, “zul je  absoluut van je afkeer van muziek worden genezen.  De fantastische pianist Y. zal je van je stoel doen vallen”.  Ik moest tegen mijn zin dicht bij de piano gaan zitten. Toen begon de virtuoos  de tonen op en neer te laten rollen en veroorzaakte een enorm kabaal. Toen dat als maar voortduurde, raakte ik van streek en werd helemaal duizelig, maar al gauw werd mijn aandacht door iets heel anders getrokken. Terwijl ik de pianist al niet meer hoorde, zal ik best heel vreemd in de piano hebben gestaard.  Toen hij eindelijk opgehouden was te donderen en te razen , greep mijn vriend me bij de arm en riep : “Zo, je bent helemaal versteend!  Ja, vriendje,  voel je nu eindelijk het diepe, meeslepende effect van deze hemelse muziek? “.  Toen moest ik eerlijk bekennen, dat ik de pianist eigenlijk maar weinig had gehoord, maar me eerder buitengewoon had geamuseerd met het snelle op- en neerspringen en de vurige loopjes van de hamertjes.  Een daverend geschater was mijn deel.

Hoe vaak ben ik uitgemaakt voor gevoelloos, harteloos, smakeloos, wanneer ik niet te stuiten ben en direct de kamer uit ren, zodra de fortepiano open gaat of deze of gene dame de gitaar in de hand neemt en zich de keel schraapt om te gaan zingen.  Want ik weet dan al, dat ik bij de muziek die ze gewoonlijk in huis ten gehore brengen, niet goed word en maagklachten krijg. Dat is een echt noodlot en bezorgt me de verachting van de beschaafde wereld.

Ik weet best, dat een stem en een gezang als dat van mijn tante diep in mijn binnenste doordringt en dat daar gevoelens opkomen waarvoor ik helemaal geen woorden heb.  Het is me, als of dat de zaligheid is, die zich boven de aarde verheft en daarom ook in het aardse geen uitdrukking kan vinden. Maar juist daarom is het me totaal onmogelijk om, wanneer ik een dergelijke zangeres hoor, luidkeels van mijn bewondering blijk te geven zoals de anderen. Ik houd me stil en kijk in mijn hart omdat daar nog al de in werkelijkheid verklonken tonen hun weerklank hebben. En dan word ik uitgescholden voor koud, gevoelloos, een vijand van muziek!  Bij mij woont schuin tegenover de concertmeester die elke donderdag een kwartetsessie belegt waarvan ik  ’s zomers de zachtste tonen hoor, omdat ze ’s avonds, wanneer het op straat stil is geworden, bij open raam spelen. Dan zet ik me op de sofa en luister met mijn ogen dicht en geniet oprecht. Maar alleen bij het eerste. Bij het tweede kwartet maken de tonen me in de war, want nu is het alsof ze inwendig de strijd aangaan met de melodieën van het eerste, die daar nog in wonen. Het derde kwartet kan ik niet meer uithouden. Ik moet er dan vandoor en de concertmeester heeft me al vaak uitgelachen dat ik me door muziek zo op de vlucht laat slaan.  Ze speelden, zoals ik heb kunnen horen, al met al wel zes, acht van zulke kwartetten en ik bewonder inderdaad de buitengewone geestkracht, de innerlijke muzikale energie, die nodig is zo veel muziek achter elkaar te behappen en door het spelen ervan alles in het echte leven te laten uitstromen zoals het in het hart gevoeld en gedacht is.

Zo gaat het ook bij de concerten waar al de eerste symfonie zoveel tumult in mijn hart veroorzaakt, dat ik voor de rest dood ben. Ja, vaak heeft het eerste deel me al zo opgewonden, zo geweldig geschokt, dat ik ernaar verlang om al die merkwaardige verschijnselen waardoor ik bevangen word, duidelijker te bekijken, ja mezelf in hun wonderlijke dans te vervlechten, zodat ik onder hen ben, gelijk aan hen. Het komt me dan voor, dat ik samenval met de beluisterde muziek. Daarom vraag ik ook nooit naar de componist; dat laat me totaal onverschillig.  Het is me, alsof op het hoogste punt slechts een psychische massa in beweging wordt gebracht en alsof ik in die zin als veel heerlijke muziek heb gecomponeerd. Terwijl ik dit zo voor mezelf neerschrijf, wordt het me bang te moede, dat het me op een keer in mijn aangeboren, onbevangen oprechtheid  over de lippen kan komen.  Wat zou ik uitgelachen worden!  Zouden niet heel wat echt muzikale bravo’s aan de gezondheid van mijn brein twijfelen? Wanneer ik vaak na de eerste symfonie uit de concertzaal ren, schreeuwen ze me na : “Daar gaat hij, de muziekbarbaar!”. Ze hebben met me te doen, omdat iedere intellectueel tegenwoordig met recht verlangt, dat men behalve de kunst fatsoenlijk voor anderen te buigen, en ook over datgene waarvan men geen benul heeft, te praten, ook met liefde met muziek bezig is. Dat ik juist van dit gedoe zo vaak de eenzaamheid in word gedreven waar de eeuwig heersende macht in het ruisen van de eikenbladeren boven mijn hoofd, in het klateren van een bron, wonderlijke tonen voortbrengt,  die zich mysterieus verbinden met de klanken die in mijn hart rusten en nu in heerlijke muziek naar buiten komen – ja, dat is juist mijn ongeluk.

De ontzettende pijn en  moeite om muziek te verwerken schaadt me ook bij de opera. Vaak bevangt me dan het gevoel, dat er zo nu en dan heel fijne muziek  wordt gemaakt en dat men daarmee heel effectief de verveling of nog ergere ongemakken verjaagt, zoals voor een karavaan cymbels en pauken woest door elkaar worden gebruikt om de wilde dieren weg te houden.

Maar wanneer het vaak zo is, alsof de personen niet anders konden praten dan in de geweldige accenten van de muziek, alsof het rijk van de wonderen als een vlammende ster in het niets opging – dan heb ik de grootste moeite me in de orkaan vast te houden die me vastgrijpt en in de oneindigheid dreigt weg te slingeren.

Maar steeds weer ga ik naar dat soort opera’s toe en in mijn hart wordt het helderder en duidelijker, en alle gestalten komen tevoorschijn uit de duistere nevel en schrijden op me af.  En nu merk ik, hoe sympathiek ze zich gedragen en met mij meedeinen in het heerlijke leven.

Ik denk, dat ik Glucks “Iphigenia” al wel vijftig keer heb gehoord. Daarom lachen terecht de echte musici en zeggen : “ De eerste keer hadden we alles door en de derde keer waren we het zat”.

Een boze demon zit me achterna en dwingt me onwillekeurig komisch te zijn en dat komische te verbreiden wat mijn muziekhaat betreft. Zo sta ik net in het theater waar ik om een vreemde vriend plezier te doen naartoe gegaan ben, en ik sta in gedachten verzonken, wanneer ze net (er wordt een opera gebracht) zo’n nietszeggend kabaal maken. Dan stoot mijn buurman me aan en zegt : “ Dat is me een mooie plek!” . Ik dacht en kon op dat ogenblik niets anders denken dan dat hij over de plaats in de parterre sprak, waar we ons bevonden, en ik antwoordde hem heel trouwhartig: “ Ja, een prima plaats, maar het tocht wel een beetje!.  Toen barstte hij in lachen uit en deze gebeurtenis werd als anekdote over de muziekbarbaar in de hele stad verbreid. Overal   plaagde men mij met mijn tocht in de opera, terwijl ik gewoon gelijk had.

Is het dan wel te geloven,  dat er desondanks één echte ware musicus is die nu nog over mijn muzikale gevoel de mening van mijn tante deelt? Het zal niemand er veel toe doen, wanneer ik zonder omhaal zeg, dat dit geen ander is dan kapelmeester Johannes Kreisler die vanwege zijn fantasterij  al overal wordt uitgescholden. Ik ben er eigenlijk heel trots op dat hij zich niet te goed voelt om me  precies naar de smaak van mijn hart, tot mijn vreugde voor te zingen en voor te spelen. Kort geleden zei hij me, toen ik me beklaagde over mijn onbeholpenheid op muziekgebied, dat ik te vergelijken was met die leerling in de tempel van Sais die in vergelijking met de andere leerlingen onhandig leek, maar toch de wonderlijke steen vond, die de anderen tevergeefs zochten. Ik begreep hem niet omdat ik de boeken van Novalis niet gelezen heb, waarnaar hij me verwees. Ik heb net iemand naar  de uitleenbibliotheek gestuurd, maar zal het boek waarschijnlijk niet te pakken kunnen krijgen, want vanwege zijn populariteit is het vaak uitgeleend. Maar nee, zojuist krijg ik de twee bandjes Novalis in handen en de bibliothecaris laat me zeggen, dat hij me met dergelijke bestellingen altijd van dienst kan zijn, omdat een dergelijk boek  altijd inpandig is . Hij had alleen Novalis niet direct kunnen vinden, omdat de boekjes wat naar achteren waren geplaatst, omdat er eigenlijk nooit naar werd gevraagd.  Nu ga ik gauw kijken wat er aan de hand is met die leerlingen in Sais.

6. Over een uitspraak van Sacchini en over het zogenaamde effect in de muziek

In Gerbers Tonkünstler-Lexikon wordt over de beroemde Sacchini het volgende verteld. Toen Sacchini op een keer in Londen bij mijnheer Le Brün, de beroemde hoboist, het middagmaal gebruikte, herhaalde men in zijn bijzijn de beschuldiging die de Duitse en Franse componisten in de richting van de Italiaanse componisten maken, dat ze namelijk niet genoeg moduleren. “We moduleren in de kerkmuziek”, zei hij, “ want daarbij kan men ongestoord en dus gemakkelijker, omdat bijzaken van het theater niet afleiden, de met kunst verbonden veranderingen van de tonen volgen. Maar op het toneel moet men duidelijk en eenvoudig zijn, men moet het hart meer ontroeren dan verbazen en men moet zelfs voor minder geoefende oren begrijpelijk zijn. Degene die zonder de toon te veranderen, veranderde zangstukken schept, toont veel meer talent dan degene die elk ogenblik verandert”.  Deze opvallende uitspraak van Sacchini legt de gehele tendens van de Italiaanse operamuziek van die tijd bloot en in wezen is die muziek tot op de huidige tijd onveranderd gebleven. De Italianen hebben zich niet tot die opvatting ontwikkeld, dat de opera in woord, handeling en muziek als een geheel moet overkomen en dat dit totale pakket in één  totaalindruk op het publiek moet werken. Voor hen was muziek eerder een toevallige begeleider van het schouwspel en mocht zich daarom slechts hier en daar als zelfstandige kunst manifesteren , en dan nog voor zich zelf alleen. Zo kwam het, dat bij het eigenlijke voortschrijden van de handeling alle muziek vlak en onbeduidend werd gehouden en alleen de prima donna en de primo huomo mochten in hun zogenaamde scènes met belangrijker of eerder nog ware muziek optreden.

Hier was het dan van belang om zonder rekening te houden met het ogenblik in de handeling, alleen maar het zingen onder de aandacht te brengen , ja vaak alleen de virtuositeit van de zangers.

Sacchini verwerpt in de operamuziek al het dominante en schokkende, dat hij verwijst naar de kerkmuziek. Hij heeft in het theater slchts met aangename of in elk geval niet diep ingrijpende gevoelens te maken en wil geen verbazing wekken, maar alleen bescheiden ontroering.

Alsof de opera door de verbinding van de geïndividualiseerde taal met de algemene taal van de muziek  van nature  niet juist de grootste werking op het gemoed zou moeten uitoefenen! Uiteindelijk zal hij door de grootste eenvoud of veeleer monotonie ook begrijpelijk zijn voor het ongeoefende oor. Toch houdt juist dat element de hoogste en ware kunst van het componeren in, dat de componist door de waarheid van uitdrukking iedereen ontroert, iedereen  schokt, zoals het moment van de handeling het vereist, ja, dit moment van de handeling zelf creëert zoals de librettist
. Alle middelen die de onuitputtelijke rijkdom van de toonkunst hem biedt, vormen zijn eigen terrein en hij heeft ze nodig, zoals ze noodzakelijk schijnen met het oog op die waarheid.  Zo zal bij voorbeeld de meest complexe modulatie, haar snelle wisseling op het juiste moment, voor het meest ongeoefende oor op hoger niveau begrijpelijk zijn. Dat wil zeggen : niet de technische structuur doorziet de leek, wat er ook eigenlijk helemaal niet toe doet, maar het moment van handeling is het, dat hem enorm aangrijpt.

Wanneer in “Don Giovanni” het beeld van de commandant in de tonica van E zijn angstaanjagend “Ja!” laat dreunen, de componist dan de E als terts van C invult en zo naar C groot moduleert, welke toonsoort Leporello oppakt, dan zal geen enkele leek de technische structuur van deze overgang begrijpen, maar in zijn binenste met Leporello meeleven,  en evenmin zal de musicus die zijn kunst op het hoogste niveau beoefent, op het ogenblik van de meest intense opwinding aan die structuur denken. Hij valt op dat punt samen met de leek.

De ware kerkmuziek, namelijk diegene, die de eredienst begeleidt of eerder zelf eredienst is, doet zich voor als iets bovenaards, als taal uit de hemel. Het vermoeden van een Opperwezen dat door die heilige klanken in het hart van de mens wordt opgeroepen, is het hoogste wezen zelf, dat in muziek begrijpelijk praat over het ongelooflijk heerlijke rijk van geloof en liefde. De woorden die met het gezang gepaard gaan, zijn maar toevallig en bevatten ook meestal slechts symbolische aanduidingen als bij voorbeeld in de mis.  In het aardse leven, waaraan wij ons ontworsteld hebben, bleef de voedingsbodem van het kwaad achter, die de hartstochten deed ontstaan  en zelfs de smart loste op in het innige verlangen naar eeuwige liefde.

Volgt hieruit niet vanzelf, dat de eenvoudige modulaties die de uitdrukking in zich dragen van een gespleten, beangstigd hart, zelfs uit de kerk verbannen moeten worden omdat ze juist daar verwarring zaaien en de geest bevangen  met aards gedoe?

Sacchini’s uitspraak kan daarom omgekeerd worden, hoewel hij, omdat hij zich uitdrukkelijk richt op de componisten  van zijn land en met name de ouderen onder hen,  onder het veelvuldiger moduleren in de kerkmuziek alleen de grotere rijkdom van de harmonische stof verstaat.  Met betrekking tot de operamuziek veranderde hij waarschijnlijk van mening toen hij in Parijs werken van Gluck had gehoord, want anders zou hij tegen zijn eigen principe in, niet de uiterst aangrijpende vervloekingsscène  in “Oedipus op Colonus” getoonzet hebben.

Die waarheid, dat de opera in woord, handeling en muziek als één geheel moest overkomen, sprak Gluck voor het eerst in zijn werken duidelijk uit.  Maar welke waarheid wordt niet misverstaan en leidt zo tot de wonderlijkste misgrepen! Welke meesterwerken brachten niet in blinde naäperij de belachelijkste producten voort!  Voor het ongeoefende oog lijken de werken van het grote genie, dat niet in staat was één brandpunt aan te houden, als een wanstaltig schilderij, en de verschillende karakteristieken van dit schilderij werden gekritiseerd en nagebootst. Goethes “Werther” was aanleiding tot die tranenrijke overgevoeligheid van die tijd. Zijn “Götz von Berlichingen” schiep die onbehouwen, lege harnassen waaruit de holle stemmen van botte grofheid en prozaisch idiote onzin klonken. Goethe zelf zegt in het derde deel van “Uit mijn leven”, dat het effect van die werken meestal samenhing met de stof en zo kan men ook beweren, dat het effect van Glucks en Mozarts werken, afgezien van de tekst, in muzikaal opzicht meestal samenhing met de stof. Op de stof van het muzikale bouwwerk werd namelijk het oog gericht en de diepere geest, die door de stof gediend zou moeten worden, werd niet ontdekt.  Bij deze manier van bekijken , vond men, vooral bij Mozart, dat behalve  de gevarieerde en frappante modulatie ook de veelvuldige aanwending van blaasinstrumenten het verbazingwekkende effect van zijn werken zou hebben veroorzaakt. Dat leidde tot het wangedrocht van de overladen instrumentatie en de bizarre, ongemotiveerde modulatie.  “Effect” werd het sleutelbegrip van de componisten en het bewerkstelligen van effect, werd,  koste wat kost, hun enige oogmerk. Maar juist dit nastreven van effect bewijst, dat het effect afwezig is  en zich niet zo gemakkelijk laat vinden en naar die plaats laat brengen waar de componist wenst dat het te vinden is.

Kortom : de kunstenaar moet om ons te ontroeren en ons geweldig aan te grijpen, zelf diep in zijn binnenste doordringen. Wat hij in extase buiten bewustzijn in zijn binnenste ontvangt, moet hij met grotere kracht vasthouden in de hiëroglyphen van zijn tonen, de noten dus. Dat is de kunst van effectvol componeren.

Wanneer een jonge kunstenaar vraagt, hoe hij het moet aanpakken om een opera met veel effect te componeren, kan men hem slechts antwoorden : “Lees het gedicht [het libretto], concentreer je daar intens op, dring met alle kracht van je fantasie door in de kernmomenten van de handeling. Je leeft dan in de personen van het gedicht , je bent zelf de tiran, de held, de geliefde. Je voelt de pijn, de vervoering van de liefde, de smaad, de vrees, de nameloze kwelling van de dood, het genot van een zalige transformatie.  Je raast en tiert, je hoopt en twijfelt. Je bloed gloeit in je aderen, je polsslag wordt sneller. Het vuur van die exstase, die in je borst opvlamt, ontsteekt tonen, melodieën en akkoorden. In de heerlijke taal van de muziek stroomt het gedicht uit je innerlijk tevoorschijn.  De theoretische oefening door het bestuderen van de harmonieleer, de werken van grote meesters en het schrijven van eigen composities, dat alles  leidt ertoe, dat je steeds duidelijker en duidelijker je innerlijke muziek verneemt. Geen melodie, geen modulatie, geen instrument ontgaat je en zo ontvang je samen met het bedoelde effect ook tegelijkertijd de middelen die je nu als geesten die aan jouw macht zijn onderworpen, in het toverboek van de partituur opslaat”.  Dat alles betekent eigenlijk niet meer dan : “ Wees, mijn beste, zo goed om er voor te zorgen een authentiek muzikaal genie te zijn. De rest komt vanzelf! Het is werkelijk zo, en niet anders”.

Desondanks is het denkbaar, dat menigeen de ware vonk die hij in zich draagt, te niet doet, doordat hij twijfelt aan zijn eigen kracht, zijn eigen gedachten verwerpt, en heel geforceerd alles wat hij aan effectvolle zaken bij grote componisten aantreft, wil gebruiken. Zo verzandt hij in  een naäperij van vormen, die nooit de geest tot uiting brengt, omdat alleen de geest de vorm tot stand brengt. Het eeuwige geschreeuw van de theaterdirecteuren die volgens het op de planken gangbare motto het publiek willen inpakken : “Effect! Stomweg  effect!” en de eisen van de zogenaamde  fanatiekelingen voor wie de peper niet meer gepeperd genoeg is, brengen de musicus er vaak toe, in een toestand van wanhopige vertwijfeling indien mogelijk die meesters nog in effect te overtroeven. Zo ontstaan de wonderlijkste composities waarin zonder enig motief – dat wil zeggen, zonder dat de situaties in het gedicht ook maar enige aanleiding daartoe geven – plotse modulaties, machtige akkoorden op alle mogelijke blaasinstrumenten op elkaar volgen, als bonte kleuren, die nooit tot een schilderij worden. De componist lijkt wel slaapdronken, iemand die elk ogenblik door een geweldige hamerslag wordt gewekt en steeds weer in slaap valt.  Dergelijke toondichters zijn hoogst verbaasd, wanneer hun werk ondanks de pogingen waarmee ze zich hebben afgebeuld, totaal niet het effect sorteert waarop ze hebben gerekend. Ze hebben niet het idee, dat de muziek die hun individuele genie schiep, die  uit hun innerlijk voortkwam en die hun te simpel, te leeg scheen, misschien oneindig veel meer effect zou hebben gehad. Hun angstige onzerkerheid verblindde hen en beroofde hen van de ware kennis van die meesterwerken die ze zich ten voorbeeld stelden. Ze bleven vasthouden aan de middelen waarin het effect te vinden zou zijn.  Maar, zoals hierboven al gezegd,  het is alleen maar de geest die de middelen in vrije willekeur beheerst en daarmee in die werken een onweerstaanbaar geweld uitoefent.  Alleen een compositie die waarachtig en authentiek voortkomt uit het innerlijk, dringt door in het binnenste van de toehoorder. De geest verstaat alleen de taal van de geest. Het is dan ook onmogelijk om regels te geven hoe men voor effect in muziek kan zorgen. 

Maar enkele leidende principes kunnen de componist die niet meer met zichzelf in het reine komt, en die zich laat verblinden door dwaallichtjes en de weg kwijt raakt,  weer op het goede pad brengen.

Het eerste en belangrijkste in muziek, dat met wonderlijke toverkracht het menselijk gevoel treft, is de melodie.

Het kan niet genoeg benadrukt worden dat zonder uitdrukkingsvolle, zingbare melodie iedere opsmuk van instrumenten etc. alleen maar uiterlijke cosmetica is die geen levend lichaam siert       maar als in Shakespeare’s “Tempest” aan het touwtje hangt waar de domme poedel heen loopt. ‘Zingbaar’ is, maximaal ingevuld, een heerlijk predikaat om de ware melodie te omschrijven. Die melodie moet een zingen zijn, vrij en ongedwongen, rechtstreeks uit het hart van de mens stromen, dat zelf het instrument is, dat in de prachtigste, diepgeheime klanken van de natuur weerklinkt. De melodie, die op deze manier niet zingbaar is, kan slechts een reeks geïsoleerde tonen blijven, die er tevergeefs naar streven om muziek te worden. Het is ongelofelijk hoe tegenwoordig vooral op instigatie van een verkeerd begrepen meester, van Cherubini, juist de melodie is veronachtzaamd. Uit het geforceerde streven altijd origineel en schokkend te zijn, is te verklaren, dat  verschillende composities volkomen onzingbaar zijn.            

Hoe komt het eigenlijk, dat de eenvoudige liederen van de oude Italianen, vaak alleen door een bas begeleid, zo enorm ontroeren en aanspreken? Ligt het niet alleen maar aan die heerlijke, echt zingbare melodieën? De vocale muziek is trouwens een onbetwijfeld geestelijk eigendom van ieder muzieklievend volk en de Duitse componist kan, wanneer hij een hogere of waarachtige opvatting van opera heeft gekregen, op iedere voor hem mogelijke manier die geesten tot vriend maken, zodat ze het de moeite waard vinden om als met geheime magische kracht in zijn innerlijk binnen te dringen en de melodie te laten ontkiemen.   

Een sprekend voorbeeld van deze innige vriendschap vormt de hoogmeester van de muziek, Mozart, in wiens binnenste  het Italiaanse bel canto opgloeide. Welke componist schreef zingbaarder dan hij? Ook zonder de glans van het orkest dringt elke melodie van hem diep door in het hart. Daarin ligt de wonderlijke werking van zijn composities.                        

Wat de modulaties betreft, mogen alleen kernmomenten van het gedicht daartoe aanleiding geven. Ze komen voort uit de verschillende prikkels van het ontroerde gemoed en zoals deze teder, sterk,  geweldig zijn en  geleidelijk aan ontkiemen of plotseling aangrijpen, zal ook de componist in wie de wonderlijke kunst van de harmonie als een heimelijke gave van de natuur besloten ligt, met de achtergrond van een gedegen studie nu eens in verwante, dan weer in verder verwijderde toonsoorten verder  gaan, soms geleidelijk aan, soms abrupt. Het echte genie is er niet op uit door gekunstelde gekunsteldheid indruk te maken, wat tot uitgesproken ‘on-kunst’ leidt.  Hij schrijft alleen maar op, hoe zijn innerlijk gemoed de momenten van de handeling in tonen uitspreekt.  Laat de muzikale rekenmeesters dan maar als nuttige oefening  hun voorbeelden uit zijn werken putten. 

Het zou hier te ver voeren over de  edele kunst van de harmonie te spreken, die in ons innerlijk haar basis heeft en die zich voor de meer ingewijden in mysterieuze wetten openbaart die in geen enkel leerboek staan.

Ik merk hierbij op,  dat extreme modulaties alleen dan een indringend  effect hebben, wanneer de toonsoorten, ongeacht hun heterogeniteit toch in een geheime onderlinge relatie staan die de musicus helder voor ogen staat.  De al in het begin genoemde passage van het duet in “Don Giovanni” moge hier als voorbeeld dienen.

Hiertoe rekenen we ook de vaak vanwege  het onjuiste gebruik ervan bespotte enharmonische modulaties die juist die mysterieuze relatie in zich dragen en die soms een ongehoorde werking hebben. Het is, alsof een geheime sympathetische band  vaak ver uiteen liggende toonsoorten verbindt, en alsof onder bepaalde omstandigheden een onbedwingbare idiosyncrasie zelfs de meest nauw verwante toonstoorten van elkaar scheidt. De meest frekwente modulatie, die van tonica naar dominent en omgekeerd, lijkt soms onverwacht en vreemd, vaak ook lelijk en onuitstaanbaar.

Ook in de instrumentatie ligt vaak een groot deel van een verbazingwekkend effect verborgen, dat we in bepaalde meesterwerken aantreffen. Hier is het nauwelijks mogelijk ook maar een enkele regel te geven. Juist dit gedeelte van de kunst van de muziek is in duister gehuld. Ieder instrument draagt met betrekking tot de verscheidenheid van effect in afzonderlijke gevallen, nog honderd andere in zich en het is bij voorbeeld een dwaas misverstand, dat alleen hun gecombineerde gebruik het sterke en machtige tot uitdrukking kan brengen. Een enkele door één instrument aangehouden toon brengt vaak een  inwendige siddering in ons te weeg.  Hiervan geven veel passages in opera’s van Gluck opvallende voorbeelden en om een goed inzicht te krijgen in de verscheidenheid van werking waartoe elk instrument in staat is,  moet men er maar aan denken, met welk heterogeen effect Mozart eenzelfde instrument gebruikt, zoals bij voorbeeld de hobo. Hier kunnen we slechts enkele zaken aantippen.

In het hart van de kunstenaar zal, om bij de vergelijking van muziek met de schilderkunst te blijven,  het toongedicht als een voltooid schilderij overkomen  en hij zal al kijkend dat juiste perspectief vinden zonder welk geen waarheid mogelijk is.

Tot het gebied van de instrumentatie behoren ook de verschillende figuren van de begeleidende instrumenten. Hoe vaak onderstreept een dergelijke uit het innerlijk voortkomende figuur de waarheid van uitdrukking tot in het extreme! Hoe aangrijpend klinken niet bij voorbeeld de in octaven voortschrijdende figuur van de tweede viool en de altviool in Mozarts aria “Non mi dir bel idol mio”. Ook met betrekking tot de figuren kunnen kunst- en vliegwerk niets uitrichten. De levendige kleuren van het muziekstuk brengen het kleinste detail glanzend aan het licht en iedere cosmetische toevoeging zal het bederven, in plaats van verfraaien.

Zo staat het ook met de keuze van de toonsoort, met forte en piano dat gegeven moet zijn in het wezenlijke karakter van het stuk en niet vanwege de afwisseling moet worden aangewend. Dat alles geldt voor alle overige minder belangrijke middelen die de musicus ten dienste staan om zich uit te drukken.

De onzekere componist die op effect uit is, kan men, als het genie in hem woont, zonder meer daarmee troosten, dat zijn oprecht, diep binnendringen in de werken van de meesters hem spoedig met de geest van hen in een mysterieus contact zal brengen en dat zij de in hem rustende kracht zullen opwekken en hem zelfs in extase zullen brengen waaruit hij, als  uit een diepe slaap tot nieuwe leven gewekt wordt om de wonderlijke klanken van zijn innerlijke muziek te vernemen.  Dan geeft hem zijn studie van harmonie, zijn technische training,  de kracht om die muziek die anders voorbij zou vliegen, vast te houden. De geestdrift waaruit het werk voortkomt , zal in een wonderlijke weerklank de toehoorder sterk aangrijpen, zodat hij dat zalige gevoel ervaart, dat de musicus in die ‘uren van wijding’ ontving. Dit is het waarachtige effect van het uit het hart voortkomende toongedicht.

***

7. Johannes Kreislers Leerbrief

Omdat jij, mijn lieve Johannes, bij mij van les af gaat en op je eigen manier in de wijde wereld wilt rondpraktiseren, is het redelijk, dat ik je als jouw leraar een leerbrief in je zak steek, die je aan alle muzikale gilden en werkverbanden als paspoort kunt tonen. Dat kon ik nu zonder verdere omhaal doen, maar  omdat ik je in de spiegel zie, word ik er behoorlijk weemoedig onder. Ik zou je nog één keer alles willen zeggen, wat we samen hebben gedacht en gevoeld, toen er tijdens de leerjaren bepaalde situaties ontstonden. Je weet wel wat ik bedoel. Omdat we dát met elkaar gemeen hebben, dat , wanneer de één spreekt, de ander zijn mond niet kan dicht houden, is het wel het beste, dat ik tenminste iets daarvan opschrijf als een soort van ouverture. Jij kunt het dan van tijd tot tijd lezen, tot lering en vermaak.

Ach, lieve Johannes! , wie kent je beter dan ik, wie heeft zo in je hart gekeken als ik, en wie heeft ook weer zo uit je hart naar buiten gekeken als ik ? Daarom geloof ik ook, dat jij me volkomen kent en dat juist op grond  hiervan onze relatie altijd redelijk was, hoewel we over onszelf de meest uiteenlopende meningen hadden omdat we elkaar soms  buitengewoon wijs, ja, geniaal vonden, dan ook weer  behoorlijk kinderachtig en dom, soms ook een beetje gek.  Kijk, mijn beste pupil, doordat ik in de voorafgaande zinnen steeds het woordje ‘ons’heb gebruikt, komt het me voor, dat ik, terwijl ik in voorname bescheidenheid het meervoud gebruikte, toch alleen over mezelf in het enkelvoud gesproken heb, alsof we uiteindelijk beide toch maar één waren.  Laten we ons losmaken van deze dwaze inbeelding! Dus nog eens, mijn lieve Johannes, wie kent je beter dan ik,  en wie kan daarom met meer recht beweren, dat je nu dat meesterschap hebt verworven, dat nodig is om een passend en fatsoenlijk leerproces te beginnen. Wat daartoe hoofdzakelijk noodzakelijk lijkt heb je je werkelijk eigen gemaakt. Je hebt namelijk je gehoororgaan zo gescherpt,  dat je soms de stem van de in je hart verstopte poëet (om met Schubert te spreken) verneemt en het werkelijk niet gelooft,  dat jij het maar bent die gesproken heeft, niemand anders.

In een zwoele julinacht zat ik eenzaam op de bemoste bank bij die jasmijnhaag die je kent, toen daar de stille vriendelijke jongen die we Chrysostomus noemen, op me af kwam en  wonderlijke zaken uit zijn prille jeugd vertelde . “De kleine tuin van mijn vader”, zo sprak hij, “grensde aan een woud vol klank en gezang. Jaar in jaar uit nestelde zich daar een nachtegaal op de oude, heerlijke boom aan de voet waarvan  een grote, met allerlei wondelijke mossen en roodachtige aderen overdekte steen lag. Wat mijn vader over deze steen vertelde klonk echt fabelachtig. Vele, vele jaren geleden, zo heette het, kwam een onbekende deftige man op de burcht van de jonker, merkwaardig van houding en kleding. Op iedereen kwam de vreemdeling heel wonderlijk over, men kon hem niet al te lang zonder innerlijke afkeer aankijken en dan toch ook niet het op hem gerichte oog van hem afwenden. De jonker was hem in korte tijd heel sympathiek gezind ,hoewel hij vaak genoeg moest toegeven,dat hij zich in zijn tegenwoordigheid bepaald niet op zijn gemak voelde, en dat ijskoude rillingen door hem heen gingen, wanneer de vreemdeling bij een volle beker vertelde van de vele onbekende landen en merkwaardige mensen en dieren die hij op zijn verre reizen had leren kennen en dan zijn woorden in  merkwaardige klanken liet veranderen doordat hij zonder woorden onbekende dingen op een begrijpelijke wijze uitsprak. Niemand kon zich van de vreemdeling losmaken, ja niet vaak genoeg kon men naar zijn verhalen luisteren die op onbegrijpelijke wijze een duister, vormeloos vermoeden in een lichte, herkenbare vorm voor het geestesoog brachten. Telkens wanneer de vreemdeling met luitbegeleiding in onbekende taal allerlei prachtig klinkende liederen zong, werden allen die dat hoorden als door een bovenaardse macht bevangen.  Men zei, dat dat het geen mens maar een engel moest zijn die de tonen uit het hemelse concert van Cherubim en Seraphim naar de aarde had gebracht. De mooie, bloedjonge burchtvrouwe omstrikte de vreemdeling helemaal met mysterieuze,  onlosmaakbare banden . Ze raakten, omdat hij haar in zang en luitspel onderrichtte, binnen korte tijd volkomen op vertrouwelijke voet met elaar en  vaak sloop de vreemdeling ‘s nachts naar de oude boom waar het meisje vol spanning op hem wachtte . Toen hoorde men al heel uit de verte hun gezang en de wegebbende tonen van de luit, maar de melodieën klonken zo huiveringwekkend, zo vreemd, dat niemand het waagde, dichterbij te komen of de geliefden te verraden. Op een morgen was de vreemdeling plotseling verdwenen en men zocht ook het meisje tevergeefs in het hele slot. Vol van martelende angst, met een angstaanjagend voorgevoel, sprong de vader op zijn paard en galoppeerde naar het woud terwijl hij ontroostbaar de naam van zijn kind riep. Toen hij bij de steen kwam waar de vreemdeling zo vaak rond middernacht met het meisje zat, terwijl hij haar liefkoosde, gingen de manen van het moedige paard recht overeind staan, het dier  snoof en proestte en was,  als vastgetoverd door een hellegeest,  niet meer van zijn plaats te brengen. De jonker meende, dat het paard bang was voor de wonderlijke vorm van de steen, hij steeg af om het verder te leiden, maar in een kramp van ontzetting verstarde hij. Zijn polsslag stokte en hij stond daar onbeweeglijk, toen hij de heldere bloeddruppels ontwaarde die overal op de steen naar boven kwamen. Als door een hogere macht gegrepen schoven de jagers en boeren die de jonker gevolgd waren de steen met veel moeite aan de kant en vonden daaronder het arme meisje liggen, met vele dolkstoten om het leven gebracht. De luit van de vreemdeling lag er in stukken naast. Sinds die tijd nestelt er elk jaar op die boom een nachtegaal en zingt rond middernacht een klagende melodie die door merg en been gaat. Uit het bloed kwam het wonderlijke mos te voorschijn, en ook kruiden, die nu in zeldzame kleuren op de steen prijken. Omdat ik nog een heel klein jongetje was, mocht ik niet zonder toestemming van mijn vader het bos in gaan, maar de boom en vooral de steen trokken me er onweerstaanbaar naar toe. Zo vaak als het poortje in de tuinmuur niet gesloten was, sloop ik naar buiten naar mijn dierbare steen. Ik kreeg er maar niet genoeg van naar al het mos en  de kruiden die de merkwaardigste figuren vormden, te kijken.

Vaak meende ik de tekens te verstaan, en het was me,  alsof ik allerlei avonturen afgebeeld zag die moeder me had verteld, met uitleg erbij. Met mijn blik op de steen  moest ik onwillekeurig aan het mooie lied denken dat vader bijna elke dag zong, terwijl hij zich op klavecimbel begeleidde. Dat lied ontroerde me zo hevig, dat ik mijn liefste kinderspelen vergat en met tranen in mijn ogen alleen nog maar wilde luisteren. Zelfs bij het beluisteren van het lied moest ik weer denken aan dat lieve mos, zodat beide, lied en mos, voor mij in één ondeelbaar  geheel opgingen.

Juist in die periode ontwikkelde mijn liefde voor de muziek zich met de dag steeds sterker. Mijn vader, zelf een goed musicus, vond het van het grootste belang, mij goed muziekles te laten geven.  Hij dacht niet alleen een goede muzikant van mij te maken, maar ook een componist, omdat ik zo ijverig bezig was op de piano naar melodieën en akkoorden te zoeken die soms veel uitdrukking en samenhang hadden. Maar vaak zou ik net zo lief bitter willen wenen, ja, in ontroostbare wanhoop nooit meer de piano willen aanraken, want terwijl ik de toetsen indrukte werd het telkens wat anders dan ik wilde. Onbekende liederen die ik nog nooit had gehoord, stroomden in mijn binnenste en ik verbeeldde me, dat niet vaders lied, maar juist die liederen die me als stemmen van geesten omringden, in het mos van de steen, als in geheime, wonderlijke tekens, opgeslagen waren. Wanneer men ze oprecht met alle liefde bekeek, moesten de liederen van het meisje in de stralende tonen van haar charmante stem tot uiting komen. Het gebeurde ook werkelijk, dat ik bij het kijken naar de steen, vaak in een toestand van intens dromen geraakte,  en dan de heerlijke stem van het meisje hoorde,  die mijn borst met wonderlijke, aangename smart vervulde.

Maar telkens wanneer ik dat zelf wilde nazingen of op de piano wilde naspelen,  gingen alle zo duidelijk gehoorde klanken onder in een duister, verward vermoeden. Nadat ik naief met mijn avonturen was begonnen, sloot ik vaak het instrument en luisterde ingespannen,  of de liederen niet duidelijker en heerlijker zouden weerklinken, want ik wist wel, dat daarin de betoverde tonen moesten wonen.

Ik was ontroostbaar en toen ik de liederen en etudes van mijn vader moest spelen, die ik lelijk vond en niet meer kon uitstaan, werd ik door ongeduld overmand.  Zo kwam het, dat ik alle technische muziekstudie verwaarloosde en mijn vader aan mijn talenten begon te twijfelen en mij van muziekles af deed.

In latere tijd ontwaakte mijn liefde voor muziek op het lyceum in de stad op een andere manier. De technische prestaties van verschillende medeleerlingen stimuleerden me ertoe even goed te willen worden als zij.  Ik deed daarvoor veel moeite, maar  hoe meer ik de technische problemen de baas werd, des te minder  lukte het me, die tonen die anders  in wonderlijke melodieën ik mijn hart klonken, weer te kunnen horen. De muziekdirecteur van het lyceum, een oude man en, naar men zegt een groot contrapuntist, gaf me les in basso continuo en compositie. Juist hij wilde me advies geven hoe men een goede melodie moet scheppen. Het deed me goed, wanneer ik met alle mogelijke moeite een thema had uitgedacht dat via  allerlei contrapuntische wendingen kon worden bewerkt.

Zo verbeeldde ik me een volleerd musicus te zijn, toen ik na enkele jaren in mijn dorp terugkeerde. Daar stond in mijn kamertje nog die oude, kleine piano, waarbij ik ’s nachts zoveel tranen had gestort. Ook de wonderlijke steen zag ik weer, maar, ondertussen wijs geworden, lachte ik over mijn naieve waan, in het mos melodieën te kunnen zien.

Toch moest ik mezelf toegeven, dat de eenzame, mysterieuze plek onder de boom mij met wonderlijke verwachtingen vervulde. Ja! Liggend in het gras en leunend tegen de steen, hoorde ik vaak, wanneer de wind door de bladere ruiste, edele, heerlijke geesten zingen. De melodieën die ze zongen hadden echter al lange tijd in mijn borst gerust en werden nu wakker en levend.

Hoe onbeduidend, hoe clichématig kwam me alles voor wat ik tot dan toe had gecomponeerd. Het leek me in het geheel geen muziek te zijn. Mijn gehele streven was de ongerijmde ambitie van een nietig niets.

De droom opende voor mij een stralend, heerlijk rijk en ik werd getroost. Ik zag de steen – zijn rode aderen gingen open als donkere anjers waarvan de geuren zichtbaar in heldere, klinkende stralen omhoogzweefden. In de lange, aanzwellende tonen van de nachtegaal verdichtten de stralen zich tot een wonderbaarlijke vrouwenfiguur. Die gestalte behoorde toe aan hemelse, heerlijke muziek!”

De geschiedenis van onze Chrysostomus heeft, zoals je, lieve Johannes, zelf inziet, inderdaad veel belerends, reden waarom ze een waardige plaats heeft in deze leerbrief. Hoe kwam toch zo concreet uit een  vreemde, sprookjesachtige tijd de hoge macht van de muziek in zijn  leven, zodat hij ontwaakte!

Ons rijk is niet van deze wereld, zeggen musici, want waar vinden we zoals schilders en beeldhouwers het prototype van onze kunst?

De toon woont overal, de tonen, dat wil zeggen de melodieën die de verhevener taal van het rijk van de geesten spreken, rusten alleen maar in het innerlijk van de mens.

Maar doordringt dan niet, zoals de geest van de toon, ook de geest van de muziek  de gehele natuur?

Een klanklichaam dat mechanisch wordt geraakt, wordt tot leven gewekt en geeft blijk van zijn bestaan, of liever, zijn inwendig organisme manifesteert zich in het bewustzijn. Hoe zou het zijn, wanneer evenzo de geest van de muziek, door de ingewijde aangespoord, zich in geheime klanken, die alleen maar voor hem verneembaar zijn,  zou uitspreken, melodisch en harmonisch?

De musicus, dat wil zeggen degene in wiens binnenste de muziek zich ontwikkelt tot een duidelijk, helder bewustzijn, wordt overal begeleid door melodie en harmonie. Het is geen leeg beeld, geen allegorie, wanneer de musicus zegt, dat voor hem kleuren, geuren en stralen als tonen overkomen en hij in hun wondelrijke verbindingen een wonderlijk concert ziet.

Zoals,  naar de uitspraak van een scherpzinnig fysicus, horen een soort zien van binnen is, zo zal voor de musicus het zien een horen van binnen zijn, en wel in het intense bewustzijn van de muziek, die in regelmatige vibratie van zijn geest, uit alles opklinkt, wat zijn oog waarneemt. Zo zouden de plotselinge ingevingen van de musicus, het ontstaan van de melodieën in zijn binnenste, het onbewuste of eerder het niet in woorden uit te leggen herkennen en oppakken van de geheime muziek van de natuur zijn als principe van het leven en alle activiteit daarin. De hoorbare natuurklanken, het suizen van de wind, het geruis van bronnen etc. zijn voor de musicus allereerst afzonderlijke , aangehouden akkoorden, en dan melodieën met harmonische begeleiding. Met die ervaring neemt de innerlijke wil toe. Kan de musicus zich niet net zo verhouden tot de hem omgevende natuur als de magnetiseur tot de slaapwandelaarster doordat zijn intens willen de vraag is, die de natuur nooit onbeantwoord laat?  Dat is de kunst van het componeren.

Hoe levendiger en intenser die ervaring wordt, des te hoger staat de musicus als componist. De vaardigheid die impulsen met een bijzondere geesteskracht vast te houden en vast te leggen in tekens en schrift, komt voort uit de muzikale vorming die gericht is op het ongedwongen voorstellen van de tekens, de noten. Bij de individuele taal bestaat zo’n innige verbinding tussen toon en woord, dat geen gedachte zich in ons ontwikkelt zonder zijn hiëroglief, de letters in het schrift. De muziek blijft een universele taal van de natuur. In geweldige, geheimzinnige klanken spreekt ze tot ons. We doen vergeefse pogingen deze in tekens vast te leggen en ieder kunstmatig aaneenrijgen van tekens komt slechts neer op een aanduiding van datgene wat we ontdekt hebben.

Met deze paar woorden  zet  ik je nu, lieve Johannes, bij de poort van de Isistempel, opdat je ijverig onderzoek kunt doen. Daarbij zul je heel duidelijk inzien in welke opzichten ik je in staat acht werkelijk een muzikale loopbaan te beginnen. Laat deze leerbrief zien aan hen die zonder het misschien duidelijk te weten, samen met jou aan die poort staan. Geef verder aan degenen die niets kunnen beginnen met het verhaal van de boze vreemdeling en de jonge brugvrouwe, als toelichting,  dat het wonderlijke avontuur dat zoveel invloed had op het leven van Chrysostomus, een treffend beeld is van de aardse ondergang door  de boosaardigheid van een vijandelijke macht, het demonische misbruik van muziek, maar dan ook een opgaan in het hogere, een transformatie in toon en gezang!

En nu, gij goede meesters en gezellen, bijeen voor de poorten van de grote werkplaats, neem Johannes vriendelijk in uw midden op en neem het hem niet kwalijk, dat hij, terwijl jullie juist willen luisteren, het misschien waagt zo nu en dan zachtjes  op de poort te slaan. Neem het hem ook niet kwalijk, dat hij, terwijl jullie netjes en precies jullie hiërogliefen schrijven, er wat kraaiepoten doorheen mikt. Hij kan van jullie nog heel wat schoonschrift leren!

Het ga je goed, lieve Johannes Kreisler. Het is me alsof ik je nooit meer zal zien!  Wanneer je me helemaal niet meer zult kunnen vinden, plaats dan, nadat je voldoende om mij gelamenteerd hebt, zoals Hamlet om de gestorven Yorik, in alle vrede een “hic jacet” en een kruis, dat tegelijker tijd als grootzegel dient van mijn leerbrief.

Zo teken ik dan met

Ik = jij

 

Johannes Kreisler

Cidevant kapelmeester

 

Spijkenisse, zaterdag 23 augustus 2014

 



***