***











 

www.resantiquae.nl

Czerny, pianospelen

 

Brieven

Over het onderricht

Op de Pianoforte

Vanaf de eerste beginselen

Tot de afronding

als aanhangsel

voor elke

pianomethode

geschreven door

Carl Czerny.

Eigendom van de uitgever.

Geregistreerd  in het archief van de

Musikverein te Wenen

Bij A. Diabelli & Comp., Graben no. 1133.

Londen bij Cocks & C., Parijs bij S. Richault,

Milaan bij J. Ricordi

 



Czerny: Briefe über den Unterricht

Voorwoord

De heren uitgevers van mijn pianoschool hebben de wens te kennen gegeven, dat ik de tijdens mijn veeljarige loopbaan als pianoleraar bij mijn leerlingen toegepaste methode en de bijzondere manier om hen stap voor stap te begeleiden, ook in briefvorm op een korte, duidelijke en laagdrempelige wijze weer ga geven en hierbij juist die deelonderwerpen aandacht geef, die naar hun aard niet hun plaats hebben in een pianoschool.  

Met het voorliggende boekje heb ik geprobeerd aan die opdracht te voldoen en wel des te liever omdat de briefvorm het dichtst komt bij een mondeling gesprek. Daarbij is de vooronderstelling dat ik een begaafd en ontwikkeld meisje van ongeveer twaalf jaar oud, dat ver van de stad op het land woont, in korte, vriendschappelijke en motiverende brieven stapsgewijs op alles opmerkzaam ga maken wat kan dienen tot een beter begrip en gebruik van de in elke pianoschool aanwezige regels. Verder nemen we aan, dat iedere brief op de voorafgaande volgt in een tijdsafstand van ongeveer acht tot tien weken, zo dat de leerlinge voldoende tijd heeft alle gegeven regels te leren gebruiken en  in  praktijk te brengen.

Zo strekt het hier gegeven onderricht zich uit van de eerste beginselen tot de uiteindelijke afronding doordat de laatste brieven ook over de generale bas zoveel uitleg geven, dat voor de leerling een latere bestudering van de muzikale theorie wordt vergemakkelijkt en begrijpelijk gemaakt.

Ik hoop dan ook, dat de leerlingen van elke leeftijd  dit werkje vaak en met de nodige aandacht zullen doornemen en er in alle stadia van het gegeven onderricht een verstandig gebruik van zullen maken. Ze zullen er dan veel nut van hebben, te meer omdat ik de droogheid van gewone leerboeken zo veel mogelijk heb vermeden en elk onderwerp heb besproken in aansluiting op het bevattingsvermogen van de leerling, hoe oud hij of zij  ook is.

 

Hoewel deze brieven geschreven zijn als toegift bij mijn eigen pianofortemethode , kunnen ze uiteraard bij elke andere methode worden gebruikt en daarom als een niet onwelkom hulpmiddel voor alle leerlingen worden aangewend.

 

Carl Czerny

 

*** 

Brief 1, over de eerste beginselen van het pianospel

 

Beste Cécile!

Toen ik het afgelopen jaar het genoegen had kennis te maken met jou en je familie, heb ik bij jou een zo voortreffelijk muzikaal talent ontdekt, dat ik ongelofelijk blij was te horen dat je je de mooie kunst van het pianospel wilt eigen maken. Zonder moeite kon je elke aangename melodie uit je geheugen naspelen, je gaf blijk van een natuurlijk maatgevoel en een speciale aanleg om je gevoelens in muziek uit te drukken. Bovendien hebben je soepele vingers en handen alle natuurlijke eigenschappen die voor pianospelen noodzakelijk zijn: souplesse, reactiesnelheid en bewegelijkheid, zonder al te slap noch al te stijf te zijn.

 

Een zo duidelijke aanleg voor deze mooie kunstvorm mag zeker niet onbenut blijven want er bestaat geen kunst die edeler is en meer op één lijn met algemene ontwikkeling, dan de muziek. Bovendien weet je ook wel, dat pianospelen weliswaar bij iedereen past, maar juist een sieraad is van vrouwen en meisjes. Men kan daarmee niet allen zichzelf maar ook vele anderen een groot genoegen verschaffen en bij grotere vorderingen ook een bijzondere status in de wereld verkrijgen die voor een dilettant even aangenaam is als voor de professionele kunstenaar.

Je ouders hebben me gevraagd jou persoonlijk les te geven, maar daarvoor woon ik te ver weg.  Daarom verplicht ik me met  veel plezier om je door middel van een brief van tijd tot tijd aan te sporen en je ook op mijn manier opmerkzaam te maken op alles wat het onderricht kan vergemakkelijken en wat je vorderingen kan bespoedigen hoewel je bekwame leraar aan wie je muzikale vorming is toevertrouwd er alles aan zal doen om je talent op een even solide als smaakvolle wijze  te laten ontwikkelen. Daarom wil ik jou, Cécile, vragen al mijn opmerkingen alleen maar als een verklarende herhaling te beschouwen van alles wat je deels uit de pianomethode , deels mondeling te horen zult krijgen.  Mijn doel is bereikt, wanneer je motivatie nog toeneemt en tegelijkertijd de tijd en moeite van het leren wordt verkort en vergemakkelijkt.

 

De basiskennis, namelijk die van toetsen en noten is in de muziek het enige vervelende en onaangename.  Ben je daar doorheen, dan zul je van dag tot dag steeds meer plezier beleven aan je pianostudie. Je moet als het ware eerst door een struikgewas vol dorens om uiteindelijk van een heerlijk uitzicht op een bloeiende omgeving te kunnen genieten.

Het beste middel tegen dit noodzakelijke kwaad is je best te doen om deze basiskennis zo snel mogelijk in je hoofd te stampen. Leerlingen die van begin af aan plezier en motivatie tonen en hun geheugen op een zinnige manier inspannen, kunnen zich de kennis van toetsen en noten in enkele weken volkomen eigen maken, terwijl anderen, kopschuw gemaakt door de mogelijkheid van verveling, er vaak verschillende maanden mee verdoen.  Wat is van beide zaken het beste?

Allereerst vraag ik je dringend bij het pianospelen een bevallige, voorname   en doelmatige houding aan te nemen. Je pianostoel moet exact zo hoog zijn dat je vrij naar beneden hangende ellebogen ietsje hoger liggen dan het oppervlak van de toetsen. Mocht je met je voeten de grond nog niet raken, dan moet je daarvoor een voetensteun op maat vragen. Je moet altijd midden voor het toetsenbord gaan zitten en er zo ver vanaf, dat de spitsen van je ellebogen een beetje dichter bij de toetsen zijn dan je schouders

Even noodzakelijk is een bevallige houding van hoofd en bovenlichaam, noch te krampachtig, noch ineengedoken. Veel van mijn vroegere leerlingen die ik vaak met het verwijt boos maakte dat ze zo graag een kattenbochel maakten (dat wil zeggen gebukt en scheef zaten) hebben me later voor die strengheid op dit punt bedankt.  Een slechte houding ziet er niet alleen onaangenaam en lachwekkend uit, maar ze is ook een hinderpaal bij de ontwikkeling van het vrije en mooie pianospel. De voorarm moet van elleboog tot vingers een volkomen rechte horizontale lijn vormen, want de handgewrichten mogen noch opwaarts, noch neerwaarts gericht zijn. Je moet je vingers zo buigen dat hun toppen met de uitgestrekte duim op één lijn staan. Je moet de toetsen steeds met het zachte gedeelte van de vingertop aanslaan, zodat noch de nagel, noch het uitgestrekte vlak van de vinger de toets kan aanraken. Bij het aanslaan van de zwarte toetsen moeten de vingers een heel klein beetje worden gestrekt, maar ook dan moeten ze in principe gebogen zijn. Je moet de toets alleen met je vinger neerdrukken , zonder echte slag, maar wel stevig zonder dat de hand of de arm daarbij een onnodige beweging maakt. De duim slaat de toets steeds met het smalle vlak aan de buitenkant aan en wordt daarbij een klein beetje gebogen. De witte toetsen worden in het midden van het voorste bredere vlakje aangeslagen en de zwarte toetsen aan de punt bij de voorzijde.  Let erop, dat je geen toets scheef of van opzij aanslaat, omdat anders al gauw een foute toets ernaast wordt aangeraakt. In de muziek is er niets ergers dan misgrijpen.

Terwijl een vinger de toets aanslaat moeten de andere vingers dicht bij de toetsen worden gehouden, maar vrij in de lucht, hoewel steeds gebogen. Je moet een toets niet eerder aanraken dan op het moment van de aanslag. De belangrijkste vinger is de duim die nooit buiten het toetsenbord naar beneden mag hangen. Hij moet steeds boven de toets worden gehouden en wel zodat zijn topje een beetje boven de voorkant van de witte toets zweeft en die vanuit die stand aanslaat. Om al deze regels goed in acht te kunnen nemen is het noodzakelijk, dat de elleboog zich nooit van het lichaam af beweegt en dat de arm vrij van de schouder naar beneden hangt zonder zich tegen het lichaam te drukken. Te zijner tijd zul je merken hoe noodzakelijk deze regels zijn. 

 

Notenkennis is alleen maar een zaak van het geheugen en je moet er je best voor doen zonder de geringste aarzeling  bij elke noot de betreffende toets te vinden en aan te slaan. Deze vaardigheid noemt men noten lezen. Hiermee heb je ook tegelijk het moeilijkste achter de rug wat bij de muzikale basiskennis behoort.  In het begin leer je de noten bij de vioolsleutel kennen. Hierbij geef ik je de volgende tips :

1.    Kijk naar de noot, benoem hem hardop, zoek de betreffende toets op en sla die aan.

2.    Sla willekeurig een toets (in het bereik van de vioolsleutel) aan,  benoem hem hardop en zoek er de betreffende noot bij.

3.    Sla een willekeurige witte toets aan en beschrijf hardop op welke lijn, of tussen welke lijnen de daarbij behorende noot geschreven moet worden.

4.    Speel de gemakkelijkste stukjes heel vaak aandachtig door en benoem daarbij in gedachten elke noot.

5.    Je kunt al schrijven zoals past bij een meisje zoals jij. Leer ook noten schrijven. De kleine moeite die je dat kost levert je heel veel op. Noten zijn veel gemakkelijker te schrijven dan letters. Wanneer je dagelijks een kwartiertje noten schrijft, ben je na twee weken hierin voldoende getraind.

Je leraar zal je hierbij willen assisteren. Nadat je je hebt aangewend  iedere noot precies op de lijn  of tussen de lijnen te zetten, die erbij passen, moet je elke dag een gemakkelijk stukje overschrijven en met letters bij elke noot de betreffende benaming noteren, waarna je het stukje nog eens langzaam doorspeelt. Wanneer je op die manier alle noten van de vioolsleutel goed hebt geleerd en ook al de stukjes die voor beide handen in de vioolsleutel zijn genoteerd, langzaam maar foutloos met beide handen kunt spelen, dan ga je op precies dezelfde manier de noten van de bassleutel leren.

Je moet elk stukje zo vaak spelen dat je het zonder haperen kunt voordragen. Let daarbij vooral op de aangegeven vingerzetting! Daarbij moet je ook elke dag een paar nieuwe stukjes doorlezen om het oog en de vingers te laten wennen aan de verschillende altijd maar nieuwe tooncombinaties. In het begin zul je nog na elke noot ook de betreffende toets moeten bekijken die je moet grijpen. Maar later heb je meer zekerheid bij het grijpen van de toetsen. Dan is het beter je blik meer te richten op de noten dan op de toetsen. De beste notenkennis is van weinig nut wanneer niet tegelijkertijd de vingers beginnen de hoogst nodige soepelheid te ontwikkelen die vereist is bij het aanslaan van de toetsen en bij het pianospel in het algemeen. Daarom adviseer ik je dringend dagelijks alle oefeningen voor de vijf vingers in beide handen die je al in het begin van je pianomethode zult vinden en die je leraar voor je zal voordoen, in te oefenen. Dan krijgen je vingers, die overigens al krachtig genoeg zijn, al gauw die buigzaamheid, souplesse en onafhankelijkheid die voor het spelen absoluut noodzakelijk zijn.  Maak je niet druk om de kleine moeite en inspanning die daarbij horen. Probeer dagelijks drie- of viermaal, telkens minstens een kwartier, deze oefeningen met alle aandacht door te spelen. Met stijve vingers kan men evenmin goed pianospelen als met stijve voeten stijlvol dansen. De vingervlugheid is een noodzakelijke voorwaarde voor pianospel.

Het is prima, wanneer je leraar je nu elke dag een uur les geeft. Wanneer je daarbij nog dagelijks één uur ( als het kan twee uur) extra oefent, heb je binnen een paar maanden alle moeilijke en vervelende basisvaardigheden onder de  knie. Dan ga je merken, dat het plezier dat het muziekmaken je geeft, met de dag groeit.

Cécile, ik wens je het allerbeste en hoop binnenkort te horen over je vorderingen.

Hartelijke groeten,

 

Carl Czerny

 

***

Brief 2 (enige maanden later)

Over aanslag , toonvorming en het bespelen van de piano

 

Beste Cécile!

Zojuist heb ik je lieve brief ontvangen en maak er uit op, dat je in het notenlezen al heel goede vorderingen hebt gemaakt en de eerste, gemakkelijke stukjes  langzaam, maar met behoorlijk veel uitdrukking kunt spelen. Ga ermee door dagelijks een paar nieuwe stukjes te ontcijferen en daarbij de al geleerde stukjes steeds op nieuw in te oefenen, zodat je het tempo geleidelijk aan kunt verhogen. Studeer er wekelijks twee nieuwe stukjes bij. Je wilt je serieus op de piano tot een behoorlijk hoog niveau ontwikkelen en daarom moet je alles wat je nu wordt opgegeven, alleen maar zien als middel voor dit doel, en wel als dat middel dat zo snel en plezierig mogelijk tot dat doel leidt. Ik moet er een beetje om lachen,  wanneer je aangeeft hoe je leraar je met al die vingeroefeningen, aanslagregels, handhouding, duidelijkheid en vingervlugheid plaagt en afbeult. “Ach!” , schrijf je wanhopig, “kan dit niet anders?” . Nee, Cécile, ik kan er niets aan doen, maar je leraar heeft volkomen gelijk, wanneer hij in dit alles zo precies is, en ik zal je zeggen waarom.

 

Uit ieder muziekinstrument kan men een mooie of lelijke toon laten komen, al naar gelang men het instrument hanteert. Dezelfde goede viool die onder de handen van een ervaren speler fantastisch klinkt, kan klinken als gemiauw van jonge poesjes, zodra onervaren handen ermee aan de gang gaan.  Met de piano is het net zo. Wanneer het door de bespeler wordt mishandeld en wanneer men er op ragt en slaat, klinkt ook het beste instrument hard en onaangenaam.  Speelt men te weinig krachtig of weet men de kracht niet goed te doseren, dan wordt de toon mat en vlak en het spel wordt onduidelijk, zonder ziel en uitdrukking. Het inwendige toetsenmechaniek is zo geconstrueerd dat de snaren alleen dan mooi klinken, wanneer

1.    Iedere toets loodrecht, dat wil zeggen van boven af precies in het midden en dus niet scheef of van opzij, wordt aangeslagen.

2.    Men bij het aanslaan iedere toets zo stevig neerdrukt, dat de gehele volle toon hoorbaar wordt.

3.    Men de vinger voor de aanslag niet te veel omhoog brengt omdat anders  behalve de toon zelf ook de aanslag op de toets wordt gehoord.

4.    De hand en de arm zelfs bij een zeer krachtige aanslag, geen ongecoördineerde beweging maken. Je zult begrijpen, Cécile, dat de vingers onmogelijk mooi en rustig kunnen spelen wanneer arm en hand zich onrustig bewegen.

5.    De speler al deze regels ook bij snelle loopjes en sprongen even precies in acht neemt als bij rustige en langzame passages.

Alle vingeroefeningen, in het bijzonder de toonladders, hebben geen andere bedoeling dan de vingers zo goed te laten wennen, dat de speler alles wat hij in het vervolg nog instudeert, precies volgens deze regels speelt. 

“Ach, die toonladders!”, schrijf je me, “dat is pure verveling! Zijn die oefeningen nou echt zo nodig als mijn leraar zegt?” . Ja, Cécile, deze toonladders zijn het allernoodzakelijkste , niet alleen voor beginners maar ook voor gevorderden. Zelfs de meest ervaren pianist kan en moet ze nog gebruiken en oefenen. Als je wilt, wil ik je dat graag verduidelijken, omdat ik weet dat je veel in je mars hebt. 

Je weet al, dat het onderplaatsen van de duim onder de andere vingers en het overplaatsen van de drie middelste vingers over de duim absoluut noodzakelijk is. Het is het enige middel om een grotere reeks van toetsen snel na elkaar te kunnen aanslaan. Maar dit onder- en overplaatsen  moet zelfs bij de grootste snelheid zo natuurlijk en gelijkmatig en ongedwongen plaats vinden dat de toehoorder daarbij niet de geringste hapering en ongelijkheid hoort. Dat is bijna het moeilijkste bij het pianospelen. Het lukt pas goed, wanneer daarbij noch de arm, noch de hand de geringste beweging opzij of omhoog maakt en wanneer de gewrichten van alle vingers door intense oefening geleidelijk aan zo veel souplesse krijgen dat men bij een snel loopje over het toetsenbord zou denken dat de pianist wel vijftig vingers aan elke hand  heeft. Om je dit echt eigen te maken is er geen ander middel dan zonder ophouden dagelijks de toonladders in alle toonsoorten in te oefenen. Je vindt ze in mijn pianomethode met de nodige aanmerkingen erbij.

Toch hebben de toonladders nog meer nut. Er zijn weinig stukken waarin ze niet op de een of andere manier door de componist zijn aangebracht. In elke compositie, of hij nu nieuw is of honderd jaar geleden geschreven, is de toonladder het materiaal waarmee elke melodie en elke passage wordt gevormd.  De diatonische toonladder en de gebroken akkoorden zul je ontelbaar vaak gebruikt zien worden. Je kunt je goed voorstellen, wat voor voordeel de pianist ervan heeft, wanneer hij deze basispassages waarmee alle andere worden gevormd, in alle toonsoorten goed kan spelen, hoe hij daarmee het gehele toetsenbord beheerst en hoe gemakkelijk hij inzicht krijgt in elke compositie. Verder krijgt de pianist door het oefenen van toonladders in de kortste tijd een grote vingervlugheid en soepelheid van de vingers. Wanneer je die vaardigheid zou willen ontwikkelen door het instuderen van de verschillende composities, dan zou je er jaren over doen, het gestelde doel te bereiken. Er zijn zo veel mooie composities die in bijzonder hoog tempo voorgedragen moeten worden. Wat worden die vervelend om aan te horen wanneer men ze te langzaam, houterig en onbeholpen uitvoert! Zelfd composities die op zich zelf een langzaam tempo hebben, bevatten vaak loopjes en versieringen die heel snel moeten worden uitgevoerd. Wie de toonladders goed en snel kan spelen, heeft dit soort problemen al in het voren overwonnen.

Je kunt je er nu nog geen voorstelling van maken hoe mooi en ontroerend  muziek kan klinken, wanneer dit soort passages op een zuivere, duidelijke, snelle en gelijkmatige manier worden gespeeld. Het worden muzikale parelsnoeren  en veel grote pianisten zijn juist beroemd geworden door de opvallende virtuositeit in hun voordracht.

Verder heb je zeker al gemerkt dat de juiste vingerzetting een belangrijk onderdeel vormt van goed pianospelen. Iedere leerling heeft er grote moeite mee. De toonladders bevatten alle basisregels voor de vingerzetting al in zich zelf, en zijn op zich al voldoende om de pianist in de juiste baan te houden.

Wat zeg je van al deze voordelen?  Dan is het toch ook de moeite waard zich serieus met deze vervelende toonladders bezig te houden?

Nu ga ik je vertellen, op welke manier je dat moet doen. Wanneer ze namelijk op de foute manier worden ingestudeerd, heb je er meer schade dan nut van.

Je weet, Cécile, dat de vijf vingers in natuurlijke kracht niet gelijk presteren. Zo is bij voorbeeld de duim veel sterker dan alle andere vingers. De tweede vinger is veel krachtiger dan de pink en bijna bij iedereen is de vierde vinger de zwakste van allemaal. De pianist moet deze verschillende krachten zo gebruiken dat alle vingers bij de toonladders hun toetsen met volkomen gelijke sterkte aanslaan.  Want deze toonladders klinken alleen dan mooi wanneer ze in elk opzicht absoluut gelijkmatig worden gespeeld. Die gelijkmatigheid kent drie aspecten :

1.    Gelijkheid van sterkte: geen toon mag , ook niet in het geringste,  sterker klinken dan de andere, of hij nu met de duim of met welke andere vinger dan ook wordt aangeslagen.

2.    Gelijkheid van tempo : iedere toon moet in het exacte tempo op de andere volgen, of men de toonladders nu snel of langzaam speelt.

3.    Gelijkheid van houding: geen toets mag langer of korter worden ingedrukt dan de andere. Iedere vinger moet dus zijn toets zo lang ingedrukt houden tot  de eerstvolgende een toets aanslaat en dan precies op dat ogenblik de toets laten opkomen, wanneer de volgende vinger zijn toets aanraakt. Dit moet natuurlijk ook worden toegepast bij onder- en overplaatsingen.

Wanneer men tegen één van deze hoofdregels zondigt, wordt de gelijkheid en schoonheid van elke passage te niet gedaan en heeft het oefenen geen enkel nut gehad. Je moet dus elke toonladder (in de volgorde die ik in mijn pianomethode geef) eerst met de rechterhand alleen en dan met beide handen spelen, en wel eerst uiterst langzaam. Of je vingers alle regels in acht nemen, hoor je van je leraar en kun je zelf ook horen.  Week in week uit moet je het tempo verhogen tot uiteindelijk alle vingers met gemak, zekerheid en nauwkeurigheid over de toetsen kunnen vliegen. Elke dag moeten de toonladders het eerste zijn wat je een half uur lang speelt om de vingers geschikt te maken voor al het overige.

Ik heb je ondertussen genoeg geplaagd. Cécile, ik hoop gauw weer over je vorderingen te vernemen.

 

Hartelijke Groeten,

 

Carl Czerny

***

Brief 3, over maat, indeling en vinerzetting

Beste Cécile, 

Weer heb ik een goed gevoel over de vorderingen waar je me over vertelt. Je vingers beginnen al een evenwichtige beweeglijkheid te ontwikkelen. Je aanslag en voordracht zijn niet meer zo plakkerig.  Je vingeroefeningen,  loopjes en toonladderpassages gaan al behoorlijk snel, gemakkelijk en gelijkmatig.  Je speelt al een paar dozijn stukjes zonder fouten en grotendeels zonder haperingen. Zie je dat ijver en serieus omgaan met de voorschriften van je leraar al gauw worden beloond met succes? Het probleem dat je nog hebt bij het onderscheiden van kruis, dubbelkruis, mol en dubbelmol, zul je ook gauw overwinnen wanneer je je geheugen daarbij voldoende inspant.  Je zult steeds beter gaan letten op de voortekens die bij het begin van een stuk zijn aangegeven en de toevallige voortekens in de afzonderlijke maten. Je schrijft, dat je nog al wat moeite hebt met maat en indeling. Daarom ga ik daar nu wat dieper op in.

De maatindeling is in de muziek iets dat zo vast staat dat men er niet gauw een fout tegen zal maken wanneer men iedere noot en rust precies in  hun waarde  laat. Daarbij moet je meer afgaan op je ogen dan op je oren. Met de steun van het geheugen ziet het oog altijd correct, maar het gehoor kan zich , zeker bij beginners, maar al te vaak vergissen. Zoals je weet wordt de notenwaarde met de vingers op de ingedrukte toetsen tot uitdrukking gebracht, en elke rust met vrijgehouden vingers .  Je moet ervoor oppassen, dat je het niet met elkaar verwart.  Iedere noot moet precies zolang worden aangehouden als zijn uitgeschreven waarde dat vereist en men mag de toets noch te vroeg noch te laat verlaten. Deze regel klinkt wel vrij eenvoudig, maar heel wat spelers, ook gevorderde,  zondigen ertegen.  Dat komt doordat de meesten  al in het begin op dit punt  wat slordiger worden, deels uit onachtzaamheid, deels ook, omdat vaak het ingedrukt houden van de toets iets ongemakkelijks heeft of omdat de vingers te lui en te gemakzuchtig zijn de toets  op het juiste moment te verlaten. Wie de toetsen te lang indrukt leert zichzelf uiteindelijk een kleverig, onduidelijk en vaak onwelluidend spel aan.  Wie de toets te vroeg loslaat, speelt met horten en stoten, zonder zangerigheid. Beide fouten leiden op dwaalwegen, dat begrijp je.

 De kunst van de maatindeling bestaat daarin, dat men de snellere nootjes precies en op het juiste moment onder de langzamer noten aanbrengt. Omdat er zich vaak passages voordoen die zeer snel moeten worden gespeeld, wanneer ze de maat op juiste wijze willen vullen, dan zul je begrijpen, Cécile, hoe nodig het is dat de vingers zich tijdig gewennen aan een grote snelheid en trefzekerheid.  Gebeurt dat niet ,dan loopt men steeds het gevaar ( ook al heeft men heel goed zicht op de maatindeling als zodanig) ofwel in tempo achter te blijven of deze snelle noten op een bepaalde manier weg te poetsen. Je ziet, dat ook hier ijverig oefenen van vingerzettingen en toonladders veel voordelen oplevert. Immers, voor het snelle herkennen van de verschillende notenwaarden is alleen maar een geoefende blik nodig, maar voor de snelle en juiste uitvoering daarvan heeft men ook nog goedgetrainde vingers nodig.  Het is heel handig dat je leraar bij ieder stuk de afzonderlijke maatdelen hardop mee telt of met een houtje meeslaat, zodat je wel in het goede tempo moet blijven.  Even nuttig is het dat je al verschillende stukjes à quatre mains  hebt ingestudeerd en daarbij ook vaak de basstem moest instuderen.

De volgende twee zaken zijn voor het pianospelen van het grootste belang :

 

1.    Een precies grijpen van de juiste toon : iedere foute toon is een misslag die meestal heel lelijk klinkt en voor het gehoor even onaangenaam is, als een inktvlek op een witte jurk voor het oog.

2.    Goed maat houden : zonder maat is iedere muziek onbegrijpelijk, verward en zinloos voor de toehoorder.

Voor correct spel is aandacht nodig, evenals rust, een goede houding van de handen, een juiste vingerzetting en de noodzakelijke gewoonte om elke toets in het midden van het bredere vlak aan te slaan en geen naastliggende toets aan te raken.

Bij het in de maat spelen behoort nog het volgende : bij het eerste ontcijferen van een nieuw stuk kan de beginner uiteraard niet gemakkelijk in de maat spelen, omdat al zijn aandacht is uitgegaan naar het goed grijpen van de toon en het gebruik van de juiste vingerzetting.  Hij moet dan bij elke misslag blijven staan om die te corrigeren. Zodra dat gebeurd is moet je proberen het stuk in het begin weliswaar langzaam, maar wel precies in de maat verder te spelen en zo lang te oefenen tot het zo snel gaat als de componist het wil hebben. Wanneer je er een gewoonte van kunt maken tijdens je spel zelf hardop te tellen, dan geeft dat grote voordelen.  Maar dit is moeilijk, en wel daarom, omdat men daarbij in het vrije spel wordt gehinderd en bovendien gemakkelijk de fout maakt ongelijk te tellen. Daarom is het, wanneer je alleen studeert,  beter alleen maar in gedachten te tellen en daarbij aandachtig je goede gehoor te raadplegen om je eraan te herinneren, hoe de  compositie in aanwezigheid van je leraar klonk. De maat slaan met je voet is niet aan te raden omdat zoiets gemakkelijk tot een slechte gewoonte wordt. Wanneer in beide handen langere rusten voorkomen is tellen het allerbelangrijkst, want je weet, dat in een stuk iedere maat precies zoveel tijd moet innemen als de andere, of hij nu uit noten of uit rusten bestaat.

Tot nu toe heb ik het gehad over maat houden in de zin van niet blijven steken, ook niet iets weglaten of overslaan. Er is ook nog een andere soort van maat houden, waarbij men op genoemd punt geen fouten maakt, maar desondanks uit de maat kan gaan spelen. Die fout bestaat daarin, dat men in de loop van het stuk steeds sneller of steeds langzamer gaat spelen, of dat men nu eens te snel, dan weer te slepend speelt. De fout van jagen doet zich meestal voor bij levendige meisje als jij, Cécile,  en wie weet of ik niet goed heb geraden dat je soms een stukje dat al heel aardig gaat, wel rustig en beheerst begint, maar in het vuur van je spel steeds sneller gaat en uiteindelijk zo snel afsluit alsof je vingers aan een snelheidsrace hebben meegedaan. Heb ik het bij het juiste eind? Om dit te vermijden moet je ook die stukken die je helemaal perfect kunt spelen, steeds zo rustig en opmerkzaam inoefenen, zoals dat in het begin het geval was bij het echte instuderen en je moet daarbij je vingers geen enkele willekeur gunnen.  Vingers zijn namelijk kleine, ongehoorzame schepseltjes wanneer men ze niet aan de teugel houdt en ze gaan er graag als een jong paard vandoor zodra ze behoorlijk wat ervaring hebben opgedaan. Vandaar de volgende hoofdregel, dat men een stuk nooit sneller moet beginnen dan men het met zekerheid tot aan het einde kan voortzetten.  Er zijn weliswaar uitzonderingen op deze regels, die je te zijner tijd wel zult leren kennen wanneer je je gaat verdiepen in een intensere uitdrukking en voordracht.

Je zult vast al gemerkt hebben, hoe noodzakelijk een goede vingerzetting is. Een enkele fout gekozen vinger kan er vaak voor zorgen dat een hele passage mislukt of onbeholpen klinkt. Omdat je ongetwijfeld alle beginstukjes precies met de aangegeven vingerzetting hebt ingestudeerd, zijn je vingers tot op zekere hoogte aan een regelmatige vingerzetting gewend.  Omdat je hierover  later in andere composities vaak aan het twijfelen kunt slaan, geef ik je, voordat je overgaat naar het tweede deel van de pianomethode , dat juist over de vingerzetting gaat, voorlopig een paar regels over wat je bij een regelmatige vingerzetting moet in acht nemen of vermijden.

1.    Wanneer meerdere toetsen dalend of stijgend na elkaar moeten worden aangeslagen en vijf vingers daarbij niet voldoende zijn, mag je nooit de vier lange vingers over elkaar gebruiken, maar je moet ofwel de duim onderplaatsen ofwel de drie middelste vingers over de duim overplaatsen.

2.    De duim mag daarbij nooit op een zwarte toets terechtkomen.

3.    Men mag niet twee of meer toetsen na elkaar met één en dezelfde vinger aanslaan, maar iedere toets moet steeds zijn eigen vinger krijgen.

4.    De pink mag in een lange passage nooit op een zwarte toets worden gezet.

5.    Bij akkoorden en grotere grepen kunnen zowel de duim als de pink op een zwarte toets terecht komen.

6.    De vingerzetting die per toonladder vaststaat moet zoveel mogelijk overal worden toegepast.

7.    Bij elke toon die men aanslaat moet men uitkijken of voor de eropvolgende tonen de meest geschikte vingers klaar staan.

Steeds moet die vingerzetting worden gekozen waarbij de rust en de goede houding van de handen, een stevige en loodrechte aanslag, een juiste benadering van de toetsen en een mooi legato spel in de melodie en in de toonladders zijn gewaarborgd.

Ik ben ervan overtuigd dat een nauwkeurig in acht nemen van alles wat hierboven is gezegd, alle elementaire poblemen zal oplossen . Ik verheug me erop dat je me dit in een volgende brief inderdaad kunt vertellen.

 

Hartelijke Groeten,

 

Carl Czerny. 

Vierde brief, drie maanden later,

over versieringen en voordracht

Beste Cécile,

Heb ik  je niet voorspeld,  dat het ijverig inoefenen van alle vingeroefeningen evenals het snelle instuderen van veel composities al gauw het gewenste resultaat zou opleveren? Je schrijft me, dat je vingers al een heel behoorlijke vaardigheid en zekerheid hebben gekregen en dat je nu composities met meer inhoud, omvang en moeilijkheid begint te studeren. Dat je zelfs al in staat bent gemakkelijke composities à l’improviste  met begrip en zonder onderbreking uit te voeren. Dat ook de toonsoorten met veel voortekens je niet gemakkelijk meer in verlegenheid brengen.  Ik verwachtte, eerlijk gezegd, niets anders. Fijn ook, dat je zo’n goede pianoleraar hebt. We zijn nu in het stadium, dat de kunst begint een waarachtig en edel genoegen te verschaffen en dat de nieuwe nog mooiere composities die je nu zult leren kennen, je al een idee kunnen geven van de rijkdom en verscheidenheid binnen de toonkunst. Maar, Cécile, denk eraan je vingeroefeningen en met name de toonladders in alle toonsoorten met nog meer ijver te studeren. Het nut van dergelijke hulpmiddelen kent geen grenzen en vooral de diatonische en chromatische toonladders hebben bepaalde eigenschappen waar zelfs de meest geoefende speler nog grondig op moet studeren. Verder vraag ik je bij het instuderen van nieuwe composities de oude niet te vergeten. Het nieuwe heeft weinig nut, wanneer men het oude erbij verleert. De vaardigheid en geoefendheid van de vingers, de ogen en het gehoor  moeten  stevig rusten op de reeds gemaakte ervaringen terwijl ze door nieuwe kennis worden vermeerderd en ontwikkeld. Wanneer je bij voorbeeld een stuk waarvoor je drie weken nodig hebt om het te leren,  later weer vergeet zijn deze drie weken zo goed als verloren. Je moet dan ook alle ooit geleerde stukken in eigendom hebben, goed opbergen en nooit uitlenen of weggeven. “Ja”, zul je zeggen, “ maar wat kost het me geen tijd om naast het instuderen van nieuwe stukken de oude steeds maar te blijven oefenen!”.  Cécile, je zult niet geloven wat je met een handige benutting van de tijd allemaal op een dag kunt doen. Wanneer je absoluut uitstekend wilt leren spelen, en dagelijks maar drie uur studeert, waarvan ongeveer een half uur bestemd is voor de etudes, evenveel voor het doorspelen van oude stukken, dan is dat zeker voldoende geleidelijk aan een heel behoorlijk niveau te bereiken. Je hoeft daarbij geen van je overige activiteiten te kort te doen.

Je leraar heeft je er al gewend in het algemeen de voordrachttekens in acht te nemen, zoals forte, piano, legato, staccato etc. Hoe meer je begint om alle mechanische moeilijkheden van het pianospel te overwinnen, des te meer aandacht kun je aan dit belangrijke onderwerp, de voordracht, wijden.

Uitdrukking, gevoel en inleving zijn de ziel van de muziek, net zoals van alle kunst. Wanneer je een compositie steeds met hetzelfde klankvolume of gelijke matheid zou voordragen, zou het even lachwekkend klinken als wanneer je een mooi gedicht op de toon zou voordragen, waarop men de tafels opdreunt.

In ieder stuk zijn de uitdrukkingstekens ( f. , p. cresc., dim., legato, staccato, acceler., ritard. etc.) zo precies door de componist aangegeven, dat de speler nooit in twijfel kan verkeren wat hij hard of zacht, steeds sterker of steeds zachter, gebonden of gestoten, steeds sneller of steeds langzamer zal uitvoeren.

Dezelfde nauwkeurigheid waarmee je de noten, de voortekens, de vingerzetting en de maat in acht moet nemen, moet je ook toepassen op alle voordrachtstekens. Het moeilijkste daarbij is bij ieder voordrachtteken de goede maat te houden, want je weet al, dat er een enorme hoeveelheid gradaties bestaat van forte, piano, legato, staccato, accelerando en ritardando. Het sterkste fortissimo mag nooit ontaarden in beuken en hakken en een mishandeling van het instrument.  Zo mag ook het zachtste pianissimo nooit onduidelijk en onverstaanbaar worden. Je hebt de beschikking over een prima instrument van één van onze beste bouwers en je zal al gemerkt hebben, dat de subtielste nadruk die de vinger aan een toets toekent al een merkbare verandering en nuancering in toon oplevert en dat men zeer krachtig kan spelen zonder zich daarvoor bovenmate te moeten inspannen of met de hand, de arm, de schouder en het hoofd onnodige en belachelijke bewegingen te maken. Helaas hebben vele, zelfs heel goede pianisten in dit opzicht bepaalde onhebbelijkheden waarvoor je ik je hierbij wil waarschuwen. Zo hebben heel wat pianisten de nare gewoonte om bij iedere toon die ze vol uitdrukking aanslaan de knokkels van de hand  op te heffen , zodat de hand als onrustig water golven veroorzaakt. Andere proberen hun gevoelens te uiten door wijd gespreide ellebogen of ze maken bij iedere maat met hoofd en bovenlichaam een diep compliment, alsof ze hun eigen spel willen prijzen. Weer anderen rukken na iedere korte noot de hand zo ver van de toetsen weg als of ze gloeiend ijzer hadden aangeraakt.  Sommigen trekken bij hun spel een grimmig gezicht, anderen weer een honingzoet gezicht etc.

Een van de ergste onhebbelijkhedenis het overdrijven van het ritardando en het accelerando, zodat men vaak minuten lang niet weet of een  stuk in ¾ of in 4/4 maat is geschreven.  Dit heeft ongeveer hetzelfde effect als iemand aan te spreken in een vreemde, voor hem onbegrijpelijke taal. Dit alles kan men zich in het vuur van de studie aanwennen zonder het zelf te weten en wanneer men er dan op een keer tot zijn schande opmerkzaam op wordt gemaakt, is het vaak al te laat om het zichzelf helemaal af te leren.

Overigens moet je ook niet zo stijf en koud als een houten klaas achter de piano zitten. Er zijn bevallige bewegingen die voor het spel ook noodzakelijk zijn. Alleen moet je overdrijving vermijden.

Wanneer je met beide handen in het hoogste en laagste register oktaven moet spelen, is het nodig het bovenlichaam rustig naar voren te bewegen.  Wanneer je moeilijke passages en korte krachtige akkoorden of sprongen moet uitvoeren, kunnen en moeten de handen zich ook een daarbij passende beweging gunnen. Omdat men nu eens naar de noten, dan weer naar de handen moet kijken, is daarbij een kleine beweging van het hoofd niet noodzakelijk, maar wel te verontschuldigen.  Toch moet je jezelf aanleren meer naar de noten dan naar je vingers te kijken.

De wellevendheid verdient niet alleen in het dagelijks leven, maar ook in de kunst een plaats. In het algemeen geldt de regel, dat iedere beweging die werkelijk bijdraagt aan een beter spel, geoorloofd is. Al het onnodige en overtollige moet met echter mijden.

Het is nu nog te vroeg je attent te maken op bepaalde subtielere regels om je gevoelens uit te drukken. Ik vraag wel om zo nauwkeurig mogelijk aandacht te geven aan al datgene wat iedere componist hierover in zijn stuk aangeeft.  Probeer iedere compositie in het door de componist aangegeven tempo precies en vloeiend voor te dragen.  Bij nieuwere composities kan de metronoom van Mälzel goede diensten bewijzen.

De versieringen zoals de trillers, mordenten, voorslagen e.d. zijn de bloemen van de muziek. Een juiste en duidelijke uitvoering ervan maakt elke melodie en passage mooier. Wanneer ze echter grof of onduidelijk worden gespeeld zijn ze eerder met inktvlekken te vergelijken.

Het belangrijkst is de triller. Voor de pianist is een gelijkmatige en snelle uitvoering ervan een even voornaam visitekaartje als een parelende toonladderpassage. Hij moet, in elke geval in de rechterhand, met alle vingers even goed klinken.  De gelijkmatigheid van de triller  kan alleen maar daardoor worden bereikt, wanneer men beide vingers even hoog optilt en de toetsen met gelijke kracht aanslaat.  Besteed elke dag enkele minuten aan trillers oefenen. De bijpassende voorbeelden vind je in de pianoschool, maar ook in veel bestaande composities.

Cëcile, blijf even ijverig werken en reken steeds op mijn welgemeende raad.

 

Hartelijke Groeten,

Carl Czerny

Brief 5, twee maanden later

Over de toonsoorten, het instuderen en uitvoeren

 

Beste Cécile,

 

Je hebt nu alle 24 toonsoorten met hun toonladders en akkoorden leren kennen.  Fijn om te horen, dat je alle toonladders en passages dagelijks blijft oefenen en dat je zelf ervaart hoeveel nut deze oefeningen hebben. Hierdoor kun je je namelijk het instuderen van veel andere vervelende etudes besparen. Eén van de meest noodzakelijke eigenschappen van een pianist is : in alle toonsoorten even goed ingevoerd te zijn. Er zijn er nogal wat die terugschrikken voor een stuk dat vier of vijf mollen of kruisen heeft, alsof ze een spook zien. Toch zijn in wezen alle toonsoorten voor de vingers even moeilijk. Er bestaan even moeilijke composities in C groot als in Cis groot. Alleen oog en geheugen moeten zich aan het grote aantal voortekens gewennen. Omdat zulke minder vaak voorkomende toonsoorten vaak gebruik laten maken van de zwarte toetsen die wat smaller zijn en daardoor lastiger te grijpen, heeft de speler een bijzonder vaste hand nodig die iets hoger boven  de toetsen wordt gehouden, en daarbij een trefzekere aanslag om op de zwarte toetsen dezelfde zekerheid te verkrijgen als op de witte.

Je klaagt erover, Cécile,dat het instuderen van lastige stukken nog altijd veel moeite kost. Er bestaat een bepaalde methode, die ik de kunst van het instuderen noem en die ik hier voor jou uiteen zal zetten. 

Er zijn leerlingen die zulke composities wel aandachtig, maar ook zo langzaam en bij stukje en beetje instuderen dat ze van deze stukken gauw genoeg hebben, nog vóór ze die voor de helft kunnen spelen. Zulke jongelui hebben vaak een half jaar nodig om een paar makkelijke stukjes een beetje onder de knie te krijgen en door deze tijdverspilling blijven ze steeds achter.

Anderen willen de zaak wat agressiever aanpakken en denken door urenlang, intensief, maar ongecontroleerd en gedachtenloos oefenen en door ontelbare malen stukken in een hoog tempo af te raffelen alle problemen in één keer op te lossen. Ze spelen tot hun vingers gevoelloos zijn, maar hoe doen ze dat? Rommelig, overhaast, zonder uitdrukking of – wat nog erger is -  met een foute uitdrukking.  Dit alles kan men vóór zijn wanneer men tussen beide manieren de gulden middenweg  kiest. Wanneer je een nieuw en nogal moeilijk stuk begint te studeren, moet je de eerste uren daaraan besteden om de noten in langzaam tempo precies te ontcijferen, de vingerzetting te bepalen en een globaal inzicht in het gehele stuk te krijgen. Dit kan bij een enkel stuk hoogstens enkele dagen duren. Hierna wordt het gehele stuk rustig, ontspannen, maar wel aandachtig en zonder verlies van concentratie zo vaak doorgespeeld, tot men het zonder moeite in het tempo dat door de componist is bedoeld, kan voordragen. Aparte belangrijke problemen kunnen daarbij afzonderlijk worden geoefend; toch moet men ze  vaak in samenhang herhalen. Ook dit alles kost maar een paar dagen. Nu komen we in het stadium, dat men het stuk ook mooi moet leren spelen. Nu moet dubbel aandachtig gekeken worden naar de voordrachtstekens en nauwkeurig worden bepaald, welk karakter het stuk eigenlijk heeft en hoe het uiteindelijk moet worden uitgevoerd met het oog op het totaaleffect. Hierbij behoort de belangrijke  vaardigheid om zichzelf goed te beluisteren en zijn eigen voordracht te beoordelen.   Wie deze gave niet bezit bederft bij het alleen  spelen al datgene weer, wat gij zich in aanwezigheid van zijn leraar goed heeft aangeleerd. Maar denk er nog eens aan, Cécile, dat je alleen maar dan nieuwe composities snel en goed kunt instuderen, wanneer men de oude, eerder geleerde stukken niet vergeet.  Er zijn veel leerlingen (onder wie ook meisjes, Cécile)  die alleen maar dat stuk goed spelen, dat ze zo juist hebben geleerd. Alles wat eerder is ingestudeerd , gaat onherroepelijk verloren. Zulke leerlingen zullen nooit grote vorderingen maken. Je zult toegeven, dat diegene veel meer in zijn mars heeft die vijftig stukken goed speelt, dan diegene die als een zangvogel maar twee of drie stukjes goed kan voordragen.  Het eerste is heel goed mogelijk wanneer je je tijd goed indeelt. Dat heb ik je al eens gezegd.

Je leraar heeft er heel goed aan gedaan dat hij je van tijd tot tijd er aan gewend heeft om voor publiek te spelen. Zoals je me schreeft, was je in het begin erg gestrest en angstig.  “Maar nu”, schrijf je, “ doet het me juist heel veel plezier, zeker wanneer het goed uitpakt”.  Daar heb je groot gelijk in.  Je studeert toch om het niet alleen jezelf, maar ook de ouders en vrienden naar de zin te maken?  Er is geen groter plezier denkbaar dan wanneer men zich ook voor een groter gezelschap kan presenteren en een eervolle erkenning krijgt van zijn talent en vlijt. Om het zover te brengen, moet men wel volkomen zeker van zijn zaak zijn. Een mislukking is even ergerlijk als beschamend en pijnlijk. Vooral moet je zulke composities kiezen die je volkomen beheerst en waarvan je absoluut zeker weet, dat ze succes zullen hebben.  Ieder moeilijk stuk wordt dubbel zo moeilijk wanneer men het in het openbaar speelt, omdat  de natuurlijke bevangenheid van de pianist de vrije ontwikkeling van zijn vaardigheden hindert. Veel half opgeleide spelers denken er goed aan te doen gelijk al met een moeilijk stuk van een beroemde componist op te treden. Ze doen daarmee noch het stuk, noch zichzelf recht, maar stellen zich aan het gevaar bloot, verveling te veroorzaken. De mensen klappen hoogstens uit beleefheid of medelijden en de pianist wordt achter zijn rug bespot en uitgelachen. Want zelfs bij dilettanten zonder echte ambitie maken de toehoorders van hun recht gebruik kritiek te hebben wanneer het optreden hun niet beviel. Wie kan ze dat eigenlijk kwalijk nemen? Veel pianisten die verder best ervaren zijn, hebben op deze manier door een minder gelukkige keuze van een muziekstuk zowel hun muzikale reputatie als ook hun zelfvertrouwen verloren. Bij een uitvoering moet je vooral proberen het goed ingestudeerde stuk met rust, zelfbeheersing, zonder haast en gebrek aan concentratie voor te dragen, en zeker zonder te blijven steken, want dat is de vervelendste fout die men voor een publiek kan begaan. Je moet je vingers vóór het begin al warm houden, gemakkelijke kleding kiezen en als het kan moet je op een voor jou bekende piano spelen. Want een instrument dat veel lichter of zwaarder blijkt te spelen kan de pianist enorm in verlegenheid brengen. 

 

Ook kan het voorkomen  dat je in een gezelschap van goede bekenden  wordt gevraagd iets aardigs te spelen. Het is daarom noodzakelijk dat je een behoorlijk aantal  kleine, gemakkelijke, maar smaakvolle stukken paraat hebt om die bij zulke gelegenheden uit het hoofd voor te dragen. Het ziet er een beetje zielig uit,  wanneer  men bij zo’n verzoek eerst in een stapel muziekboeken moet gaan rondsnuffelen of dat men zich bij anderen steeds met de verontschuldiging “Ik kan niets uit het hoofd spelen”, moet terugtrekken.  Ik weet bijna zeker, Cécile, dat je iets dergelijks al eens hebt meegemaakt.  Hiervoor zijn rondo’s, aardige thema’s met variaties, melodieën uit opera’s, ook dansstukken zoals walsen, quadrilles, marsen etc. heel geschikt. Immers : met alles legt een pianist eer in, wanneer hij maar mooi speelt. Omdat het handig is elke stuk van een klein voorspel, een prelude, te voorzien, moet je ook van dit genre een aantal uit het hoofd kunnen spelen, in alle toonsoorten.  Zowel in mijn pianomethode als in veel collecties van zulke voorspelen vind je het nodige materiaal hiervoor. Optreden heeft als groot voordeel, dat het je dwingt om nog veel ijveriger te studeren. Het idee voor publiek te moeten spelen, zorgt voor meer ijver, dan wanneer men altijd maar voor zich zelf zou spelen of voor de vier lege muren.  Laat daarom, Cécile, dergelijke gelegenheden niet voorbijgaan!

 

Hartelijke Groeten,

 

Carl CzernyBrief 6

De keuze van de voor iedere pianist geschikte stukken

Beste Cécile,

Je geeft aan dat je wel eens wilt weten welke composities je bij voorkeur moet spelen om zoveel mogelijk al het goede met inachtneming van  de opklimmende moeilijkheidsgraad te leren kennen. Het zegt wel iets over je goede smaak, dat je niet alleen de populaire  stukken van nu wilt gaan spelen, maar ook de voortreffelijke composities van oudere meesters. Je leraar heeft je al de nuttige  etudes van Bertini en Cramer aanbevolen,  evenals de prima toonladderoefening van Clementi, en het doet me veel plezier dat je ook enkele van mijn eigen oefeningen om de vingervlugheid te bevorderen in studie hebt genomen, met name waar het gaat om stukken die naast de vingervlugheid ook de versieringen betreffen en het legato- en staccatospel. Genoemde etudes hebben grotendeels alleen maar een praktisch doel.

http://imslp.org/wiki/16_Nouvelles_%C3%A9tudes,_Op.81_(Cramer,_Johann_Baptist)

http://imslp.org/wiki/25_Etudes_faciles_et_progressives,_Op.100_(Bertini,_Henri)

Maar
onlangs zijn er onder dezelfde naam ook belangrijke en moeilijke composities geschreven door o.a. Chopin, Herz, Hiller, Hummel, Henselt, Kalbrenner, Thalberg, Liszt en Potter.

http://imslp.org/wiki/Etudes,_Op.10_(Chopin,_Fr%C3%A9d%C3%A9ric)

http://imslp.org/wiki/Etudes,_Op.25_(Chopin,_Fr%C3%A9d%C3%A9ric)

http://imslp.org/wiki/Etudes,_Op.15_(Hiller,_Ferdinand)

http://imslp.org/wiki/%C3%89tudes_de_l%27agilit%C3%A9,_Op.179_(Herz,_Henri)

http://imslp.org/wiki/Ausf%C3%BChrliche_theoretisch-practische_Anweisung_zum_Piano-Forte-Spiel_(Hummel,_Johann_Nepomuk)

http://imslp.org/wiki/12_%C3%89tudes_de_salon,_Op.5_(Henselt,_Adolf_von)

http://imslp.org/wiki/Pianoforte-Schule,_Op.108_(Kalkbrenner,_Friedrich_Wilhelm)

http://imslp.org/wiki/Grande_Fantaisie_sur_l%27opera_de_Meyerbeer_%27Les_Huguenots%27,_Op.43_(Thalberg,_Sigismond)


http://imslp.org/wiki/%C3%89tudes_d%27ex%C3%A9cution_transcendante,_S.139_(Liszt,_Franz)



Die kan ik je absoluut aanbevelen als je qua techniek op het hoogste niveau bent gekomen. De meeste ervan zijn geweldige bravourstukken die meer bestemd zijn om uitgevoerd te worden  door de al zeer geoefende pianisten, dan voor het  onderricht van leerlingen die net als jij nog heel wat zullen moeten oefenen.

Zo nuttig als deze etudes ook zijn, toch moeten we van het standpunt uitgaan, dat in feite elke compositie, of het nu een sonate is, of een rondo, een variatiewerk of een fantasie, even goed een etude in zijn eigen soort is en dat men bij voorbeeld  uit een concertstuk of uit een brilliante variatie  even veel waardevols kan leren waar het gaat om de vingervlugheid als uit een gevoelig adagio waar het gaat om een mooie voordracht. De stukken die je tot nu tot hebt gestudeerd waren op de speelpraktijk in gericht. In het eerste stadium van zijn studie heeft een pianist  alleen maar zulke stukken nodig die een laagdrempelige charme en moderne smaak met een natuurlijke en op een mooie houding van de hand afgestemde ligging combineren, zoals bij voorbeeld de gemakkelijker stukken van Bertini, Herz, Hünten, Kalkbrenner, Moscheles etc.

http://imslp.org/wiki/La_Gaiet%C3%A9,_Op.85_(Moscheles,_Ignaz)


Nu ben je echter in het stadium gekomen, dat je ook moeilijker stukken kunt spelen, zowel van de genoemde componisten als ook van Hummel, Cramer, Dussek, Ries, Steibelt en de gemakkelijker stukken van Beethoven. In de loop van volgend jaar kun je ook moeilijker stukken op de lessenaar zetten zoals die van Chopin, Thalberg, Liszt, Field, en de concerten van Hummel, Kalbrenner, Moscheles en uiteindelijk ook de beste stukken van Mozart, Clementi, Beethoven, Cramer, Dussek, Prins Louis Ferdinand van Pruisen etc.

Let bij de keuze van je stukken op het volgende :

1.    Volg de route van gemakkelijk naar moeilijk

2.    Beperk je niet tot enkele favoriete componisten, maar leer zo veel mogelijk de stukken van alle goede componisten kennen.

3.    Ga bij het instuderen van moderne composities steeds met de smaak van de tijd mee.

4.    Verdiep je gaandeweg ook grondig in de klassieke en gedegen werken van de vroegere periode.

Iedere belangrijke componist moet op een bijzondere wijze worden uitgevoerd, op een manier die bij hem past. Bij sommigen overheerst een brilliante, krachtig gemarkeerde uitvoeringsstijl, bij anderen moet je streven naar een gevoelig, rustig, gebonden en subtiel spel, weer anderen hebben een karakteristieke, hartstochtelijke, fantasierijke en humoristische voordracht nodig. Bij veel stukken is een licht, transparant en verleidelijk spel op zijn plaats.  Tenslotte zijn er stukken waarin al deze stijlen worden gecombineerd. Ze nodigen de pianist uit tot een passende uitvoering waarin de verschillende stijlen met elkaar contrasteren.

Zo vereisen de stulkken van Hummel een uiterst soepel en parelend spel dat door het jou welbekende abrupfen (aanslaan en de toets onmiddellijk weer loslaten) van de toetsen tot stand gebracht wordt.  In stukken van Beethoven kan deze stijl maar uiterst zelden worden toegepast. Bij hem gaat het veel meer om karakterisering, invoelen, soms ook fantasievolle humor en een deels gebonden, maar deels ook zeer gemarkeerd spel.

Niets is belangrijker dan het door de componist gewenste tempo te raden. Wanneer een stuk te snel of te langzaam wordt gespeeld verliest het al zijn werking en wordt daardoor  helemaal verminkt.  Indien het tempo niet door een metronoomaanwijzing wordt aangegeven, moet de pianist uitgaan van de Italiaanse tempo-aanduidingen zoals allegro, andante, moderato, presto etc. Belangrijk is ook op het karakter van het stuk te letten en stap voor stap door ervaring de ware betekenis van het stuk te achterhalen.

Heel belangrijk is ook het pedaalgebruik.   Let op datgene wat ik daarover in mijn pianomethode heb gezegd. Bij een juist gebruik van het fortepedaal (het rechterpedaal) kan het lijken alsof er met vier handen wordt gespeeld in plaats van met twee.  Bij onjuist gebruik echter ontstaat een zinloze klankenbrei die op het gehoor even onaangenaam overkomt als een handgeschreven tekst op nat papier voor het oog.

Ik heb al gezegd, hoe verstandig het is bij de keuze van je stukken te letten op een toenemende moeilijkheidsgraad. Ik voeg er nog het volgende aan toe:

Iedere componist en iedere virtuoos baseert zijn kunst en kunde op datgene wat zijn voorgangers al gepresteerd hebben, waarbij hij dan tegelijkertijd zijn eigen vondsten toevoegt. Door deze natuurlijke toename van moeilijkheid is het te verklaren,  dat de meest recente stukken in veel opzichten moeilijker zijn uit te voeren dan de vroegere en dat degene die ze wil instuderen over een grote voorkennis én een prima techniek moet beschikken.  Veel leerlingen maken de fout, dat ze,  zodra ze zich wat techniek hebben eigen gemaakt, al gelijk willen proeven van de moeilijkste stukken, omdat ze verleid worden door de nieuwheid ervan.  Er zijn er, die nauwelijks de toonladders voldoende beheersen en nog jarenlang etudes en praktische stukjes zouden moeten instuderen, maar zich ondertussen wel werpen op de concerten van Hummel of de fantasieën van Thalberg! Natuurlijk gevolg daarvan is, dat zo’n pianist door de verwaarlozing van de voorbereidende studie steeds tekort schiet, veel tijd verliest en uiteindelijk noch gemakkelijke noch moeilijke stukken goed kan uitvoeren.  Dat is de ware oorzaak ervan, dat we in verhouding aan goede spelers helemaal nog niet zo rijk zijn, ook al wijden veel talenten zich aan het pianospel, en dat zoveel leerlingen ondanks ongelofelijke ijver, toch zo middelmatig blijven.

Veel leerlingen denken ten onrechte dat ze over de waarde en schoonheid van een stuk kunnen oordelen zonder dat ze in staat zijn het op een fatsoenlijke manier voor te dragen.  Zo komt het, dat heel wat voortreffelijke composities hun waardeloos voorkomen, terwijl hun negatief oordeel alleen maar wordt veroorzaakt,  doordat ze een stuk haperend, gebrekkig en onsamenhangend doorspelen, vaak blijven steken bij fout gegrepen akkoorden, een onjuist tempo kiezen, etc.

 

Ik denk, dat jij ook, Cécile, zoiets hebt meegemaakt en soms een stuk dat je op het eerste gezicht weinig zei, ongeduldig opzij hebt gelegd. Op die manier zou je je in het vervolg het grootste speelplezier ontzeggen dat de interessante en diepdoorwrochte composities van onze grote meesters je geven, wanneer je het geduld zou hebben  die moeilijkheden te overwinnen die daarmee onverbrekelijk zijn verbonden.

Hiertoe behoren vooral de stukken in de zogenaamde strenge stijl, zoals die van Bach, Händel en andere componisten op dit terrein.  Om deze meerstemmige of gefugeerde stukken en afzonderlijke passages (die men overigens ook in de modernste composities aantreft) goed voor te dragen is een absoluut legatospel noodzakelijk, een heel preciese en gelijkmatige aanslag, een duidelijk accentueren van elke stem en een daarbij passende vingerzetting die erg afwijkt van de gebruikelijke,  doordat men snel en behendig verschillende vingers na elkaar op één toets plaatst, zonder de toets opnieuw aan te slaan. Door de vingers zo te gebruiken wordt hun aantal tot in het oneindige uitgebreid en is men in staat ieder van de vier stemmen, waaruit een dergelijk stuk meestal bestaat, zo gebonden en zangerig voor te dragen, alsof men even zoveel handen bezat.

Cécile, wat heb ik je geduld weer op de proef gesteld! Houd wel in de gaten, dat veel van het bovenstaande voor een verdere toekomst bestemd is. Lees mijn adviezen te zijner tijd nog maar eens door om er het volle profijt van te hebben.

Hartelijke groeten,

 

Carl Czerny

 

*** 

Brief 7

Over het improviseren

Beste Cécile,

Je weet, dat de muziek in zekere zin een soort van taal is,  waarmee gevoelens en gewaarwordingen kunnen worden uitgedrukt die het gemoed kunnen ontroeren.  Je weet, denk ik,  ook wel, dat je op elk muziekinstrument, maar zeker op de piano veel kunt spelen wat noch vooraf is opgeschreven, noch is ingestudeerd en voorbereid, maar wat alleen maar de vrucht is van de toevallige ingeving van het ogenblik.  Dit wordt improviseren of fantaseren genoemd. Zulke improvisaties kunnen en moeten natuurlijk niet de strenge vorm  hebben van een uitgeschreven compositie. Juist het vrije en ongedwongene maakt de grootste charme ervan uit. Veel beroemde musici, zoals Beethoven en Hummel, hebben op dit terrein hun talenten getoond.

Hoewel hiervoor, zoals voor de muziek in het algemeen, een natuurlijk talent nodig is, kan het fantaseren ook volgens bepaalde principes worden ingeoefend. Ik ben ervan overtuigd,  dat iedereen die in het pianospelen een meer dan gemiddeld niveau heeft bereikt ook in staat is te improviseren, tenminste tot op zekere hoogte. Wel is het van belang zich van tijd tot tijd hierin te oefenen, iets wat door de meeste pianisten wordt nagelaten. De ervaring die je opdoet bij het instuderen van veel stukken, kun je goed bij het eigen improviseren gebruiken.

Nu je al zover bent gekomen moet je eens proberen om alleen of in tegenwoordigheid van je leraar simpele akkoorden, kleine melodieën, passages, toonladders, gebroken akkoorden etc. te combineren of het eerder nog aan je vingers over te laten deze combinatie willekeurig te laten plaats vinden. Improviseren heeft namelijk iets raadselachtigs : nadenken en inspanning zijn daarbij bijna van geen enkel nut.  Men moet het vrijwel alleen overlaten aan de vingers en het toeval.

In het begin zul je het best moeilijk vinden. Het zal onsamenhangend en vaak ook onjuist klinken. Je zult misschien de moed en het zelfvertrouwen verliezen die hiervoor juist nodig zijn. Wanneer je je daardoor niet laat afschrikken en dagelijks deze pogingen herhaalt, zul je hierin van week tot week steeds meer vaardigheid krijgen.

Eerst moet je je beperken tot korte stukjes die in de buurt komen van voorspelen of cadensen. Geleidelijk aan moet je die stukjes gaan uitbreiden door er wat langere melodieën, brilliante passages, arpeggio-akkoorden etc. in te vlechten. Wanneer je bij gebrek aan eigen ideeën elementen gebruikt die je vroeger in andere composities hebt leren kennen, is dat alleen maar handig. Toonladderpassages en daarbij horende overgangsakkoorden zijn ook hier een goede manier om een stuk in te vullen, zolang je geen melodieuze inval krijgt.  Je weet, dat elk muziekstuk in wezen gebaseerd is op eenvoudige akkoorden. Zo dienen dus omgekeerd de eenvoudige akkoorden als basis voor een improvisatie. Je kunt daarop allerlei soorten van melodieën, passages, sprongen,  versieringen etc. uitproberen.

Wanneer je geruime tijd ononderbroken  op deze manier op het improviseren hebt toegelegd, zul je er verbaasd over zijn waartoe je met je talent om te improviseren in staat zult zijn. Je zult merken, dat bijna alle compositievormen ook bij het improviseren toepasbaar zijn. Zo kun je op een zelfgekozen of opgegeven thema variaties improviseren. Uit populaire motieven kun je zeer interessante pot-pourri’s samenstellen en met brilliante passages tot een geweldig stuk muziek maken. Ook kun je je wagen aan een stuk in een strenge vierstemmige stijl, bij voorbeeld met fuga-elementen erin.

Bij dit alles behoort :

Een goede vingertechniek en een volkomen beheersing van alle toonsoorten en andere moeilijkheden. Je kunt je indenken, Cécile, dat het grootste talent niets kan, wanneer de vingers niet in staat zijn, het te gehoorzamen en na te volgen. Verder is een grote belezenheid een goede steun. Door bestudering van goede composities wordt je eigen talent ontwikkeld om eigen stukken te improviseren. Verder moet je grondig op de hoogte zijn van de harmonieleer. Laat je ijver maar zien! Blijf bij je pogingen in dit eervolle métier moedig en monter. Grote moeite leidt vast tot een nog grotere beloning.

Tenslotte kondig ik je hierbij, misschien wel tot je schrik, aan, dat ik weer bij je in de buurt kom wonen en je wil bezoeken en me  als een strenge rechter  in eigen persoon van je ijver wil overtuigen. Dat je daarover best in de rats zult zitten, vind ik eigenlijk wel goed.

Hierbij sluit ik de correspondentie waarmee ik je zolang heb gepijnigd,  af en verheug me op het ogenblik dat ik persoonlijk je ontwikkelde talent kan komen bewonderen.

Voor de laatste maal:

 

Hartelijke groeten,

 

Carl Czerny

(vertaling : Spijkenisse, zondag 6 oktober 2013) 


***