***











 

www.resantiquae.nl


AMY FAY (1844-1928)

Amelia Muller Fay was een Amerikaans concertpianiste, manager van de New York Women’s Philharmonic Society en schrijver van interessante memoires over het muziekleven in Duitsland rond 1870.

Ze studeerde aanvankelijk piano bij John Knowles Paine in Harvard en aan de New England Conservatory of Music.

Tussen 1869 en 1875 studeerde ze in Duitsland bij Tausig, Kullak, Liszt en Deppe.

Terug in Boston gaf ze pianorecitals die ze vooraf liet gaan door een causerie over de te spelen muziek. Uiteindelijk verhuisde ze naar Chicago en New York waar ze in 1928 overleed.




Music study in  Germany, 1880


Precies veertien dagen nadat ik vertrok uit New York, ben ik eindelijk hier gearriveerd op het adres Bernburgerstrasse 26.  Mevrouw F, en haar dochter begroetten me uiterst hartelijk, zodat ik me al dadelijk echt thuis voelde. Wat Duitsers onder een ‘grote kamer’ verstaan, dat vind ik maar merkwaardig. Deze kamer meet namelijk niet meer dan nog geen vier bij vier meter. Daarvan is dan nog een hoek uitgespaard, zodat hij een onregelmatige vorm heeft. Toen ik hem voor het eerst binnenging, dacht ik er niet in recht op te kunnen staan, zo klein kwam hij op mij over. Maar bij nader inzien ontdekte ik dat iedere centimeter zo ingenieus is benut dat ik tot de overtuiging kwam, dat ik er heel behaaglijk in zou kunnen wonen. Toch is het niet een vertrek ‘waarin de nieuwste roman open geslagen op de tafel ligt en waar de in charmante pantoffeltjes  stekende voetjes op een zijden kussen rusten’. Nee, het is eerder de stemmige woning van de muzen.

Er is hier in Berlijn zoveel te zien en te horen, dat je, wanneer je maar geld genoeg hebt, iedere avond zonder onderbreking opera’s toneelopvoeringen en heerlijke concerten kunt bijwonen.

Zondag en dinsdagavond hoorde ik Clara Schumann spelen.  Ze is een fantastische kunstenares. 



Bij het eerste concert speelde ze in een kwartet van Schumann. Je kunt je voorstellen wat een perfecte uitvoering dat was : Clara Schumann aan de piano, Joachim op de viool, De Ahna op de altviool en Müller op de cello.  Het programma was bij beide concerten erg omvangrijk en mevrouw Schumann kreeg alle gelegenheid haar kunstzinnigheid in elk genre van muziek maximaal te ontplooien.  De moeilijke impromptu op 90 van Schumann speelde ze prachtig en vol hartstocht, het tweede van de Lieder ohne Worte van Mendelssohn klonk elfjesachtig. Het is een van die stukken die met de grootste souplesse en elegantie moeten worden weggespeeld met een fijnzinnige, delicate techniek. Ze speelde het stuk perfect. Het lastig scherzo van Chopin – briljant, maar ik geloof  dat ze de grote octavenpassages in de bas een beetje te onderbelicht speelde. Naar mijn smaak speelde ze het gehele stuk niet pittig genoeg, maar wel buitengewoon kunstzinnig. Haar spel is erg objectief.  Ze maakt op mij de indruk in de muziek te duiken eerder dan zich door de muziek te laten meeslepen. Met iedere toon die ze aanslaat verschaft ze de luisteraar een exquis genoegen, want ze heeft een bewonderenswaardige visie op  en variatie in haar spel, maar ze brengt mensen zelden in vervoering.


Bij het tweede concert was ze zo mogelijk nog beter in vorm. Ze leek in vuur en vlam te staan.  Zoals ze Bach speelde, had ze met diamanten gekroond moeten worden. Wat een voornaam spel!  Ze maakte veel indruk met haar intelligente vertolking en de noblesse en resonantie van haar spel. Je zou haar toonladders eens moeten horen! Kortom, er is bij haar niets meer te wensen, ze bezit alle kwaliteiten van een groot kunstenaar.  Veel mensen beweren, dat Tausig een nog groter pianist is, maar dat kan ik niet geloven. Misschien heeft hij meer techniek en meer power, maar daar blijft het dan ook bij.  Iedereen is vol van zijn spel en ik wacht vol ongeduld op zijn terugkeer volgende week. Wat Joachim betreft, hij speelt fenomenaal en met een verbazingwekkende kracht. Toen hij zijn solo speelde, de tweede chaconna van Bach, zou je denken dat je meer dan één viool hoorde.  Net als Clara Schumann bezit ook hij een grote verscheidenheid van toon.   De fijne schakeringen kunnen op de viool nog veel subtieler worden uitgevoerd dan op de piano. Het tweede deel van Schumanns kwartet lukte bij mevrouw Schumann het allerbeste.  Het klonk zeer snel, zeer staccato en van begin tot eind pianissimo. Ze miste geen toon en speelde zo boeiend dat men nauwelijks kon adem halen totdat ze aan het eind was. Je weet dat er eigenlijk niets lastigers bestaat dan moeilijke stukken zachtjes en staccato uit te voeren.  De sonates voor viool en piano die Schumann en Joachim verder nog speelden, klonken goddelijk, vooral die van Beethoven in a klein. De een inspireerde de ander. Deze twee concerten maakten mijn  lange tocht over de Atlantische Oceaan al goed.

Denk je eens in, hoe gemakkelijk het er hier aan toegaat bij officiële vormen van vermaak : dames kunnen overal alleen naar toe. Je neemt gewoon een koets en rijdt voor ongeveer 15 cent naar elk willekeurig theater of concert.  Bij aankomst in de Singakademie kom je eerst in de garderobe, waar je je eigendommen aan de garderobière ter bewaring kunt overhandigen. Dan ga je naar binnen en zit even gemakkelijk als in een huiskamer zonder oververhit te raken  in je mantel en je hoed en te bevriezen als je weer buitenkomt, zoals in Amerika het geval is. Ook zijn hier de programma’s niet zo onzinnig lang als die bij ons. De hele aanpak van de concertorganisatie is trouwens  verstandiger dan die van ons. Ik ben altijd graag in de garderobe want wanneer je kennissen heeft, kom je ze daar tegen en je kunt je niet voorstellen hoe aangenaam deze ontmoetingen in een vreemde stad zijn!





Pas zondagavond is Tausig naar Berlijn teruggekeerd. Ik heb hem nog niet gezien, hoewel ik daar wel erg naar verlang, want alle Duitsers zijn in extase vanwege zijn spel. De meeste studenten in de pianoklas van Tausig studeren voor hun openbare optreden en volgens mij kan hij erg trots zijn op al diegenen die ik heb gehoord. Van de vele leerlingen op zijn conservatorium geeft hij alleen maar de meest gevorderden les. De meisjes in zijn klas zijn vreselijk bang voor hem en wanneer hij boos wordt, zegt hij tegen hen : ‘U speelt als een rinoceros’ en meer van dat soort aardigheden.


Nu heb ik Rubinstein en Tausig tijdens een concert gehoord. Ze spelen allebei fantastisch, maar totaal verschillend. Rubinstein toont bij zijn spel de grootste kracht en passie die men zich kan indenken en hij weet buitengewoon te enthousiasmeren. Ik heb nog nooit iemand gezien die schijnbaar zonder enige moeite piano speelt. Het is alsof hij met zijn piano grappen maakt en ermee kan doen wat hij maar wil. Tausig is daarentegen uiterst terughoudend, hij heeft niet genoeg speelplezier. Toch speelt hij absoluut vlekkeloos en met een intense uitdrukking. Bevalligheid en verfijning van uitvoering zijn  zijn opvallendste eigenschappen, maar het komt me voor dat hij in de concertzaal paal en perk stelt aan zijn volume, wat heel opvallend is , omdat hij louter passie is wanneer hij aan het conservatorium zijn pianoklassen voorspeelt. Zijn opvatting is zo subtiel, dat hij daarin soms een beetje te ver gaat, terwijl Rubinstein zich bij tijd en wijle wel heel erg laat gaan.

Tausigs programma luidde als volgt :

  • Sonate op 53                           Beethoven
  • A. Bourrée                               Bach
  • B. Presto scherzando                Mendelssohn
  • C. Barcarole op 60                   Chopin
  • D. Ballade op 47                      Chopin
  • E. Twee mazurka’s op. 59 en 33   Chopin
  • F. Aufforderung zum Tanz        Weber

    3. Kreisleriana op 16                   Schumann

        Acht Phantasiestücke              Schumann

  • A Ständchen van Schubert       Liszt
  • B Hongaarse Rhapsodie            Liszt

  • Tausigs octavenspel is het meest perfecte dat ik ooit heb gehoord. Het laatste grote effect in zijn programma was een octavenvariant in de rhapsodie van Liszt. Hij speelde die eerst zo pianissimo, dat men hem nauwelijks kon horen; daarna herhaalde hij die passage, maar dan vreselijk luid. Het was kolossaal!  Zijn toonladders overtreffen nog die van Clara Schumann, alsof hij met vingers van zijde speelde, zo delicaat is zijn aanslag. Hij vertolkte ook de grote sonate in E op 109 van Beethoven, je weet wel, het lievelingsstuk van Moscheles. Zijn interpretatie was niet, zoals ik eigenlijk verwachtte, briljant, maar eerder erg rustig en dromerig. Met name deel 1 nam hij helemaal piano.  Hij speelde de sonate erg mooi, maar toch was ik niet helemaal tevreden met het laatste deel. Ik dacht, dat hij een grote climax in de pathetische trillers zou leggen, maar dat deed hij niet. Chopin speelt hij goddelijk en de kleine bourrée van Bach die jullie  mij altijd hebt horen spelen, was onvergelijkelijk  mooi. Als een bliksemflits schoot het weg, betoverend fraai ! Al met al is hij een groot kunstenaar. Zijn handen zijn zo klein dat ik me afvroeg hoe hij in staat was zo’n immense virtuositeit ten toon te spreiden. Hij is pas 30 jaar oud, dus veel jonger dan Rubinstein en Bülow.

  • De dag na Tausigs concert ging ik zoals gebruikelijk naar zijn hoogste klas om mijn oor te luisteren te leggen. Ik kwam een beetje te vroeg en de meisjes wachtten in de kleedkamer tot de jongens met hun les klaar waren. Ze praatten na over het concert. ‘Was het niet fantastisch?’, zei de kleine Timanoff tegen me.  ’Ik kon de hele nacht niet slapen’, een blijk van gevoeligheid die me bij dat kleine persoontje erg verraste en bij mij een soort van schuldgevoel opriep, omdat ik voortreffelijk had geslapen. ‘ Ik heb er vandaag al vijf uur op gestudeerd’,  voegde ze eraan toe. Toen kwamen de jongens van les en wij gingen naar binnen. Tausig stond bij de piano en zei tegen Timanoff nog korter dan gewoonlijk : ‘ Begin maar, ik hoop dat je vandaag ook een etude voor me hebt meegebracht’. (Hij wil altijd een etude bij het andere stuk).  Timanoff  knikte en opende de bundel met Chopins etudes waarvan ze de grote ‘Winterwind’- etude in a klein met brille en verve speelde. Ik stond absoluut perplex van zoveel virtuositeit bij zo’n kind en verwachtte dat Tausig zich bewonderend over haar spel zou uitlaten. Dat was bij deze Rhadamantys echter niet het geval. Hij luisterde zonder opmerkingen of correcties te maken en toen Timanoff klaar was met het stuk, zei hij op rustige toon : ‘Zo, heb je ook de volgende etude bij je ?’ . Alsof die grote etude in a niet genoeg voor een maaltijd was! Ten eerste, om alleen maar dat te noemen, is het een stuk van acht pagina’s  en bovendien van begin tot eind vol van moeilijkheden.  Later zei hij tegen de anderen, dat hij het stuk zelf niet beter zou kunnen spelen.

  • Tausig is zo heetgebakerd en ongeduldig, dat het voor hem een kwelling moet zijn in zijn klassen te vertoeven.  Hij kan de geringste fout niet eens verdragen.  De laatste keer dat ik als toehoorder aanwezig was, gedroeg hij zich vreselijk. Mejuffrouw H. begon te spelen. Ze heeft opvallend veel talent en is al veel verder dan ik. Ze speelde hem niet zachtjes genoeg en uiteindelijk stampte hij met zijn voet op de grond, rukte haar hand van het toetsenbord en zei : ‘ Wil je nou piano leren spelen of niet?  Zo niet, dan stoppen we ermee. ‘ Het volgende meisje  ging zitten en speelde enkele maten; hij liet haar steeds weer opnieuw beginnen, stond eindelijk op, nam het muziekboek van haar af en gooide dat op de piano en zei : ‘Wekenlang heb je dat gestudeerd en je kunt er nog steeds geen noot van spelen. Oefen er nog maar een maand op en komt dan maar terug’.
  • De derde was mejuffrouw Timanoff die ik als een klein genie beschouw. Ze had een sonate van Schubert bij zich, die mooie in a klein, en te oordelen naar zijn reactie moet Tausig voor deze sonate een bijzondere voorliefde hebben. Timanoff begon het door te spelen, nogal snel zoals bij haar gebruikelijk. Ze had het stuk sinds haar laatste les kennelijk iedere minuut van haar tijd geoefend, uitgezonderd de tijd dat ze sliep. Ze was nog niet ver gevorderd op de eerste pagina toen hij haar onderbrak en de draak stak over haar interpretatie.  Ze begon opnieuw, maar zonder beter resultaat. Een derde keer en weer was hij ontevreden hoewel hij haar wat verder had laten doorspelen. Hij onderbrak haar ieder ogenblik op de meest krenkende manier. Wanneer ik het was geweest, was ik in tranen uitgebarsten, maar Timanoff was eraan gewend en bloosde alleen maar tot over haar oren. Ze veranderde van lichte appelbloesem in donker rozenblad. Tausig werd steeds ongeduriger en liet haar in zijn ongeduld hele pagina’s  overslaan. ‘Speel hier maar verder’, beval hij haar bars en wees een halve of hele bladzijde verder aan, ‘dat is niet om aan te horen, verder, dat is te vreselijk om aan te horen’ . Tenslotte sloeg hij met de rug van zijn hand op het muziekboek en riep vertwijfeld uit : ‘ Kind, er ligt een ziel in die muziek,  weet je dan niet dat er een ziel in ligt?’.  De kleine Timanoff die geen ziel heeft en nog niet genoeg ervaring heeft om een ziel te huichelen, kon voor die woorden geen begrip opbrengen. Ze speelde even gladjes verder als eerst tot Tausig het niet meer uithield en het boek dichtsloeg. Ik was teleurgesteld, dat was nieuw voor me en ik hield ervan Timanoffs kleine vingertjes over de toetsen te zien glijden. Ziel of geen ziel, ze heeft de zuiverste manier om alles te kunnen spelen en in zekere zin hoeft ze van mij naast haar gezonde kleine hersentjes helemaal geen ziel te hebben!

  • Als laatste speelde mejuffrouw L. en alleen zij kon Tausig tevreden stellen.  Ze is Zweedse en is zijn beste leerling, maar ze heeft zo vreselijk lelijke handen en ook haar handhouding is zo miserabel, dat ik geen vreugde meer aan haar spel beleef, wanneer ik naar haar kijk. Tausig prijst haar telkens hemelhoog, en ze is vreselijk eerzuchtig.
  • Tausigs gezicht is heel sympathiek, vol uitdrukking en gevoel. Hij ziet heel scherp en volgens mij heeft hij ogen in zijn rug. Om iemand te betoveren, daarvoor is hij te klein en te parmantig.  Maar wanneer hij in een goed humeur is kan zijn persoonlijkheid mensen echt boeien.  







  • Na mijn laatste brief heb ik Rubinstein nog eens kunnen beluisteren. Hij is de meest sensationele pianist die ik ken en hij heeft net zoals Gottschalk zijn eigen subtiliteiten. Hem te horen spelen is enorm enerverend, zodat ik tijdens zijn laatste concert al bij het eerste deel – een lange compositie van Schubert – hevige hoofdpijn kreeg en de andere programmaonderdelen niet meer met plezier kon aanhoren.  Hij heeft een reusachtige fantasie en is buitengewoon poëtisch en origineel, maar voor een heel concert is hij gewoon te overweldigend. Geef mij maar Rubinstein voor enkele losse stukken, maar Tausig voor een hele avond.  Hoeveel noten hij mist, daarom maakt Rubinstein zich niet druk als hij maar zijn interpretatie goed kan overbrengen. Tausig speelt elke noot met de grootste precisie en misschien maakt zijn perfectionisme wel, dat hij soms nogal kil overkomt. Rubinstein speelde Schuberts ‘Erlkönig’ in een bewerking van Liszt, fantastisch! Waar het kind in paniek raakt, vlogen zijn handen over het toetsenbord en ze lieten het werkelijk krijsen van ontzetting. Je verstart helemaal!

  • Komende maandag speel ik zelf voor Tausig en ik ben ijverig aan het oefenen. De laatste keer prees hij me zeer en zei, dat hij me binnenkort  in zijn reguliere klas zou opnemen, maar hij is zo’n  grillig mens, dat er geen staat op te maken is. Ik speel Scarlatti; daarin is hij ongelofelijk secuur en ik verwacht dat hij mijn kop afhakt. Twee van zijn studentes leren steeds weer dezelfde stukken als ik. Tot een van hij zei hij onlangs : ‘Je speelt als een notenkraker’. Soms is hij heel geestig. Een van zijn studenten speelde onlangs de sonate ‘pastorale’. Tausig zuchtte diep en zei : “Dit zou op een rozentuin moeten lijken, maar zoals jij het speelt lijkt het eerder op een aardappelveld’.

  • Ik verbaas me hier altijd over de lichaamslengte van de Duitsers. Over het algemeen zijn de mensen hier veel groter dan de Amerikanen en je komt hier soms ware reuzen tegen.  In het openbare leven zijn de Pruissen soms ronduit onbeschoft tegenover vrouwen. Soms duwen ze hen zelfs gewoon van het trottoir, simpelweg omdat het hun niet aanstaat ze onder ogen te krijgen.  Ik vermoed dat deze arrogantie een van de ‘voordelen’ van hun militaire opvoeding is. Ze maken aanspraak op het midden van de weg, het trottoir. Waar je dan als vrouw moet lopen, interesseert hun niet.
  • Duitsers zijn van mening, dat je voortdurend moet aansterken en daarom eten ze om het andere uur. Wanneer je hier aankomt, voel je je propvol, omdat je natuurlijk bij elke maaltijd flink eet. Wij in Amerika eten maar drie maal per dag en zijn er daardoor aan gewend veel in één keer tot ons te nemen. Hier nuttigen ze vijf maaltijden en je moet leren per maaltijd maar weinig te eten. Maar het is een goede traditie omdat je telkens opnieuw wat tot je neemt zonder dat het lichaam weer hongerig moet worden.  De Duitse vrouwen zijn  meestal gezet en volslank, vermoedelijk ten gevolge van dit voortdurende aansterken. Men heeft alle gelegenheid hun weldoorvoedzijn op te merken want ze dragen gewoonlijk hun kleding met een vierkante uitsnede om de kraag te sparen. Je ziet ze zelfs op straat met decolletté. Ze zijn niet aantrekkelijk, hebben meestal onregelmatige gelaatstrekken en een onzuivere teint. Het ergste is de manier waarop ze hun gebit verwaarlozen. Ze hebben altijd commentaar op ons, Amerikaanse vrouwen, steeds weer om onze Griekse neuzen, zoals ze dat noemen, en inderdaad, sinds ze er zoveel over spraken heb ik gemerkt dat bijna alle meisjes uit Amerika  rechte en goed geproportioneerde neuzen hebben.  Toch zie je heel veel mooie mannen op straat, veel meer dan bij ons thuis. Misschien daarom, omdat het Pruisische uniform daartoe bijdraagt. Ook geven hun blonde baarden en snorren hun een gedistingeerd uiterlijk.

  • Wat jullie me schrijven over de aanstoot die onze eerbiedwaardige vriend genomen heeft aan een reis naar Het Westen  van een zekere dame omdat die reist onder bescherming van de heer S., ik  vrees dat de gebruiken zich al te zeer in Amerika vastzetten en dat men daar straks even streng zal zijn als hier, waar jongelui van verschillend geslacht nooit iets van elkaar te zien krijgen. Ik beschouw het systeem dat de Duitsers erop na houden  voor ongepast en beledigend. Jonge dames en heren zien elkaar slechts in gezelschap en een jongeman mag nooit een jonge dame bezoeken en mag haar alleen maar zien wanneer de hele familie erbij is.  Je vraagt je af hoe hier überhaupt huwelijken tot stand komen want de sexen schijnen hier volkomen van elkaar gescheiden te leven. Het gevolg daarvan is, dat de meisjes met heel wat dwaze voorstellingen rondlopen. Wat de mannen betreft, weet ik helemaal niet wat ze denken want sinds ik hier ben heb ik hierover nog geen man kunnen spreken. Jullie kunnen je voorstellen dat ik met mijn opvattingen over een gemeenschappelijke opvoeding het ethische systeem van mejuffrouw Ws. voortdurend aan het wankelen breng.  Ze is om zo te zeggen haar leven lang ingeperkt geweest en staat nu natuurlijk helemaal paf van het vrijmoedige standpunt dat ik inneem. Nu ik zoveel van de wereld heb gezien ben ik tot de overtuiging gekomen dat het principe van nieuw-Engeland om hun dochters onafhankelijk te maken en op hun eigen voeten te laten staan, een voortreffelijk uitgangspunt is.  Ik heb als minpunt van het Duitse systeem ervaren dat ze kinderen nooit toestaan zelfstandig te denken. Dat maakt ze zo afhankelijk. Een meisje van dertig jaar weet hier nauwelijks hoe ze de eenvoudigste zaak moet kopen en kan net als een baby niets zonder haar moeder. Het beste principe is het ouderwetse Amerikaanse: ‘ Geef je kinderen een vast idee van plicht en laat ze verder aan zichzelf over!’.

  • Tot gisteren had ik geen enkele vrije dag, want eindelijk kwam ik dan in Tausigs klas terecht en daarom moest ik grondig oefenen. Hij was zo vriendelijk tegen me als iemand maar kan zijn, maar hij is wel de meest veeleisende en ongemakkelijke leraar. Zijn uitgangspunt is iemand aan te vallen en uit te schelden, zelfs als daartoe geen enkele aanleiding bestaat. Je moet je gelukkig prijzen wanneer hij je niet voor de hele klas belachelijk maakt. Samen met juffrouw Timanoff ben ik in zijn klas gekomen, die zo gevorderd is, dat Tausig tegen haar zei, dat hij haar geen les meer wilde geven omdat ze genoeg aan kennis heeft om zelfstandig verder te gaan. Ik presenteerde hem een lang en moeilijk scherzo van Chopin dat ik een maand lang heel zorgvuldig had ingestudeerd en volledig beheerste. Je kunt je voorstellen hoe makkelijk het voor me was te spelen terwijl hij ernaast stond en voortdurend uitriep : ‘Verschrikkelijk! Een belediging voor de componist! Afschuwelijk!  O, God, o, God!’. Ik speelde het werkelijk goed en ging gewoon verder, maar al mijn zenuwen waren gespannen en toen ik klaar was en hij mij met de woorden ‘Helemaal niet slecht’ mijn muziekboek teruggaf, rende ik de kamer uit en brak in tranen uit. Hij kwam me dadelijk achterna en zei koeltjes : ‘ Waarom huil je , mijn kind? Je hebt helemaal niet slecht gespeeld’. Ik zei hem, dat ik niet anders kon, ‘wanneer hij op zo’n manier tegen me sprak’. Hij scheen zich er niet van bewust te zijn, dat hij iets beledigends had gezegd.

  • Duitsers weten niet wat het is terneergeslagen te zijn, en denken dat je altijd maar je gelijkmoedigheid kunt bewaren. Ze halen het bloed onder je nagels vandaan met hun ‘ Wat is er dan aan de hand?’ wanneer er niets aan de hand is, behalve dat men zich in een toestand van ontevredenheid bevindt met alles en iedereen. Voor stemmingen hebben ze absoluut geen antenne. Hun gevoelen is altijd hetzelfde, het hele jaar door.

  • De Duitse huizen zijn zo ongemakkelijk als je je maar kunt indenken.  Alleen  nieuwe woningen hebben gas en waterleiding en al het comfort dat onze huizen ook hebben.  Geen tapijten op de vloer, ongemakkelijke stoelen met hoge leuningen, een klein vuur in de kachel bij koud weer etc. De kamers hebben geen garderobe en men maakt gebruik van plompe kasten met houten pinnen in plaats van haken, zodat wanneer je er één kledingstuk uitneemt, alle andere ook naar beneden vallen.  Kortom, de Duitsers lopen vijftig jaar op ons achter. Natuurlijk hebben de rijken  kostbare huizen, maar ik heb het hier over mensen in gewone omstandigheden.  Hoe vaak denk ik aan het solide comfort van de huizen in Cambridge. Daar weet men wat leven is.  Wat zal me een goede middagboterham smaken, wanneer ik terugkom! Dit is het land waar datgene wat wij ‘family dinner’ noemen, onbekend is. Ze nuttigen vijf keer per dag een maaltijd, maar nooit een volledige. Het vlees is afschuwelijk en ik weet nooit van wat voor dier het afkomstig is. Bij de avondboterham krijg ik twee gekookte eieren – ik kom dus niet om. Maar zijn biefstukken vertrokken naar het land van de dromen? Is een kalkoen slechts een fantoom van mijn haperende inbeeldingskracht?  Het brood is voortreffelijk en de boter ook, maar de mens leeft nu eenmaal niet van brood alleen. De heer F. vertelt zelfs dat men hem in zijn pension peren-, kersen- en pruimensap geeft!



  • Kullak is als leraar niet half zo verschrikkelijk als Tausig. Het heeft het grootst mogelijke geduld en met zijn zachtmoedigheid helpt hij je vooruit te komen. Tausig houdt maar niet op je uit te schelden en in je oren te toeteren dat je spel afschuwelijk is, waarvan je je zelf trouwens ook maar al te zeer bewust bent. Wanneer Tausig op zijn ongeduldige  manier ging zitten en paar maten aansloeg en dan  van mij verlangde, dat ik het net zo zou doen, kreeg ik altijd maar het gevoel alsof iemand me opdroeg de hoekige bliksemflits na te doen met het natte eind van een lucifer. Tijdens de laatste les die Tausig me gaf, was hij overigens bijzonder vriendelijk en veranderde hij volledig van toon. Ik geloof, dat het hem speet mij in de voorafgaande les aan het huilen gemaakt te hebben.  Want op het ogenblik dat ik ging zitten om te spelen, draaide hij zich naar zijn klas toe en maakte wat komische opmerkingen over deze ‘sentimentele Amerikaanse ladies’.  Toen ging hij bij me staan en gedroeg zich tegenover mij uiterst voorkomend. Toen ik mijn stuk had voorgedragen,  ging hij zitten en speelde hij mij het hele stuk voor, iets wat hij zelden deed, voegde een perfecte dubbeltriller toe en eindigde met een heel eigenaardige wending, waar in hij zijn virtuositeit nog eens voor mij liet schitteren. Eén ogenblik was dat maar, want hij is veel te trots en heeft veel te veel minachting voor effectbejag; hij nam dan ook direct gas terug. Het was, alsof zijn vingers tegen zijn zin in een triller waren uitgebroken en alsof hij ze met groot geweld weer moest terug trekken.  Wat is hij toch een merkwaardig en raadselachtig persoon! Kullak van zijn kant is een absoluut voortreffelijk kunstenaar, wat ik aanvankelijk niet dacht. Hij had ooit een grote reputatie als pianist en ik dacht, dat hij die reputatie niet waar kon maken omdat hij een einde had gemaakt aan zijn concertpraktijk. Nu merkte ik, dat ik me erg vergist had. Zijn spel doet totaal niet onder voor dat van Tausig.  Waarom hij is opgehouden in het openbaar te spelen, is me volkomen onbegrijpelijk. Men zegt dat hij te gestressd is. Zoals alle kunstenaars is hij een boeiende persoonlijkheid vol grillen. Hij weet alles wat op muziek betrekking heeft. Wanneer hij les geeft, staan er twee vleugels naast elkaar, aan de ene zit hij, aan de andere ik. Ieder stuk dat hij je aanleert, kent hij uit het hoofd, soms speelt hij mee, soms speelt hij me wat voor en demonstreert me alle soorten van passagespel.  Ik krijg steeds meer respect voor hem. Het instuderen van het Beethovenconcert  heeft me ongelofelijk veel plezier gedaan.  Hij nam namelijk de orkestpartij over.  Je kunt je indenken, wat dat voor mij betekende! Een zo groot kunstenaar aan het tweede klavier! Binnenkort ga ik een concert van Chopin instuderen.

  • Mevrouw von Staël had gelijk toen ze zei dat in Duitsland de etiquette zeer streng is. Die geldt als wet en iedereen moet voor haar buigen. Welke ander volk zou er bijvoorbeeld aan vasthouden dat een gezelschap van twaalf tot twintig mensen, meestal getrouwd en van middelbare leeftijd of ouder, om acht uur ’s avond bijeen komt en tot vier uur ’s ochtends blijft?  Ik hield het bijna niet meer uit van verveling en uitputting.  Maar ze zouden het me allemaal erg kwalijk nemen, wanneer ik er niet naar toe ging. Er is geen ontkomen aan.  Met verschrikkelijke hoofdpijn kwam ik thuis.  Bij een dansavond houdt de actie je wel wakker. Maar drie uur voor het avondeten bij elkaar zitten  met veel oudere mensen die jou niets interesseren, te moeten converseren in een vreemde taal, waar men zelfs in zijn eigen taal geen succes zou hebben, dan weer drie uur aan tafel te zitten en daarna misschien nog een uur, nee, dat is teveel voor een Amerikaans gemoed.  Inwendig ben ik  woedend, wanneer ik er aan denk, hoe makkelijk ik in Cambridge om negen uur in de wagen sprong om met mensen een avondje door te brengen en dan om half elf of half twaalf weer thuis te zijn.  Deze lange avonden houden datgene in wat Duitsers ‘gemütlich’ noemen.  De Fransman zou zeggen ‘assommant’ en hij zou volkomen gelijk hebben.



  • Konden jullie Joachim maar eens horen!  Ik was gisteren aanwezig bij zijn derde soirée. Hij is absoluut het wonder van de eeuw.  Ik kan niet over hem vertellen zonder in extase te raken.  Betoverend klonk een kwartet van Haydn. Het adagio speelde hij wondermooi. Hij haalt zo’n mooie klank uit zijn viool, dat het je door merg en been gaat.  Het derde deel was een gigue, een en al vrolijkheid.  Het vloog weg als een kwetterend vogeltje en hij speelde elke noot zo duidelijk èn zo snel, dat de mensen buiten zichzelf raakten en het bijna onmogelijk was stil te blijven. Een donderend ‘da capo’ klonk. Joachim is zo’n  durfal!  Je kunt je geen voorstelling maken van zijn streektechniek, noch van de tonen die hij aan zijn viool ontlokt. Hij speelt de grootste tours de force waarbij zijn vingers als een razende over zijn viool gaan net als bij Tausig de vingers over het toetsenbord razen. Zo vrij! En dan zijn muzikale visie! Het is alsof Beethoven in levenden lijve was opgestaan!



  • Onlangs hoorde ik een pianiste die op het punt staat zeer beroemd te worden en meesterlijk speelt. Het is mevrouw Menter uit München.  Ze was ooit leerlinge van Liszt, Tausig en Bülow. Wat een leraren!  Ze is bijzonder mooi en ziet er allercharmantst uit wanneer ze aan de piano zit en het ene stuk na het andere voordraagt. Ik ben vreselijk jaloers op haar.  Ze speelt alles uit het hoofd, heeft een enorme muzikaliteit en gaf alleen maar soloconcerten. Er werden  enkele liederen  en tenslotte speelde Tausig met haar aan de tweede vleugel.  Wanneer je zo goed speelt, dat zo’n voortreffelijk kunstenaar een stapje terug doet, dan heb je echt wat in je mars! Het was zo’n  fijn moment, toen men haar terugriep. Hij gaf haar een teken om voor hem uit te gaan. Ze keek vragend op en ging één trede lager dan hij verder. Hij moest een beetje lachen en applaudisseerde zo enthousiast voor haar als ook maar iemand in het publiek  had kunnen doen.  Ik vond het erg galant van hem gewoon te blijven staan en voor het hele auditorium in zijn handen te klappen en niets van de bijval op zichzelf te betrekken, hoewel zijn partij even zwaar was als die van haar en hij de grotere kunstenaar was.  Toch heeft ze een enorme indruk op me gemaakt; ze staat ver boven de dames Mehlig en Topp.

  • Hebben jullie mijn brief aan A.S. gelezen waarin ik vertelde over Aline Hundt die een symfonie componeerde en dirigeerde?  Dat is voor vrouwen toch een echte stap voorwaarts op de weg van de muziek! De mannen waren allemaal van hun stuk omdat men haar had toegestaan het orkest zelf te leiden.  Ik hield het eigenlijk ook niet voor passend, hoewel ik geen vooroordelen heb. In elk geval staat het voor een vrouw gewoon niet met een dirigeerstok in de hand een gezelschap mannen te dirigeren.
  • Wagner was in Berlijn. Zijn aankomst veroorzaakte grote commotie in de muziekwereld. Hij werd met uitzinnig enthousiasme ontvangen  en de ovaties te  zijner ere namen maar geen einde. Eerst hadden Tausig en enkele andere musici van naam een souper voor hem georganiseerd. Daarna  vond zondag veertien dagen geleden een concert plaats in de Singakademie met vrije toegang voor iedereen. Omdat de zaal maar plaats heeft voor 1000  personen, is het niet zo gemakkelijk om aan de gratis kaartjes te komen. Ik probeerde het niet eens, maar had het geluk dat de heer Waitzmann, een oude vriend van Wagner, me er één stuurde.

  • Het orkest was zeer omvangrijk en zorgvuldig samengesteld uit alle orkesten van Berlijn.  Stern die  dirigeerde, had zich daar ongelofelijk voor ingespannen. Wagner stelt enorm hoge eisen. Zo was hij bij voorbeeld hoogst ontevreden over het Gewandhaus-orkest van Leipzig dat zichzelf als het beste ter wereld beschouwt; natuurlijk zaten de Berliner nogal te beven.  De zaal was overvol en eindelijk kwamen Wagner en zijn vrouw binnen, voorafgegaan en gevolgd door verschillende gerenommeerde musici. Toen hij binnenkwam ging het publiek staan, het orkest begroette hem met een driemalige juichkreet en allen schreeuwden : ‘hoch, hoch!’. Je kreeg er gewoon kippevel van.

  • Het concert begon om 12 uur en werd ingeleid door een begroeting door mevrouw Jachmann-Wagner, een nicht van Wagner en Hofschauspielerin alhier. Ze is een aantrekkelijke vrouw, ‘fair, fat, and forty’ en ze spreekt perfect. Aan het einde brak ze in tranen uit. Ze schreed naar beneden  de estrade af en ging met een lauwerkrans voor Wagner staan en kuste hem.  Daarna speelde het orkest Wagners Faust-ouverture bijzonder mooi en daarop de feestmars uit ‘Tannhäuser’.  Aan de bijval kwam maar geen einde. Wagner besteeg de estrade en sprak een kleine rede uit waarin hij de musici en Stern zijn dank betuigde  en zich daarna pas tot het publiek wendde. Hij sprak zeer snel en op die naieve manier die alle grote musici eigen schijnt te zijn. Als bewijs van zijn ‘tevredenheid’ vroeg hij de musici de Faust-ouverture nog eens te spelen, maar dan onder zijn eigen leiding.  We stonden allemaal op de punt van onze tenen om hem te zien dirigeren en dat was werkelijk opzienbarend : hij controleerde het orkest als of het een afzonderlijk instrument was waarop hij speelde. Hij gaf niet  –zoals de meeste dirigenten doen – alleen maar de maat aan, maar bediende zich van allerlei kleine tekens om duidelijk te maken wat hij wenste.

  • Voor de mensen  in het orkest was het lastig om hem te volgen en ze moesten hun ogen wijd  open houden. Hij hield ze eerst in toom om het aarzelen en speculeren van Faust in muziek weer te geven, en daarna, toen Mephisto optrad, liet hij de teugels vieren tot een oorverdovend crescendo.  Het klonk alsof de hel zich plotseling onder onze voeten opende. Bij het verschijnen van Gretchen klonk een zoete, adembenemend mooie melodie, en zo ging het verder, als een reeks van afbeeldingen.  Het effect was geweldig.

  • Ik had een van de beste plaatsen en keek voortdurend neer op Wagner en zijn vrouw. Hij heeft een enorm voorhoofd en maakt een bijzonder nerveuze indruk, meer dan men zich kan voorstellen. Anderzijds bezit hij dat type mond, dat blijk geeft van een ijzeren wil.  Wanneer hij dirigeert, is hij bijna buiten zichzelf van opwinding. Dat is waarschijnlijk een van de oorzaken dat hij als dirigent zo groot is, want zijn vervoering deelt zich ook aan het orkest mee. Iedereen speelt  als onder invloed van een plotseling ingeving.  Hij maakt absoluut de indruk met zijn orkest te improviseren.

  • Wagner is hier heen gekomen omdat hij zijn ‘Nibelungen’ hier wilde uitvoeren. Dat is een cyclus van opera’s  die vier avonden in beslag neemt. Heb je ooit zoiets gehoord?  Bij alles wat hij schrijft legt hij zulke kolossale maatstaven aan.  Het deed me denken aan die anekdote die over hem als kind wordt verteld : hij was een groot bewonderaar van Shakespeare en wilde drama’s  schrijven zoals hij; zo schreef hij een toneelstuk waarin hij de in de laatste acte veertig van de hoofdpersonen liet ombrengen!

  • Er werd hier in het Operahuis een groot concert georganiseerd, dat hij zelf dirigeerde. Het bestond alleen maar uit werken van hemzelf, afgezien van Beethovens symfonie in c klein waarvan hij beweerde, dat niemand behalve hij dit stuk begreep. Dat krenkte de Berliner nogal, maar iedereen moest na het concert toegeven, dat ze nog nooit zo’n  mooie uitvoering hadden gehoord. Hij heeft zij eigen, bijzondere visie op het stuk. Het was uitverkocht, alle de plaatsen waren al lang tevoren gereserveerd. Alle kunstenaars waren aanwezig behalve Kullak die ziek was.  Op de eerste rij zag ik Tausig zitten bij barones S. Het orkest bestond uit minstens tweehonderd musici.  De bijval werd steeds luider totdat hij zich ontlaadde in een regen van bloemen en kransen.  Het leek erop, dat de gemoederen niet meer tot bedaren wilden komen. Wagner boog en boog en boog.  Aan het einde van het concert volgde een nieuwe bloemenregen en als da capo werd gevraagd om de Keisersmars. Wat een effect!!! Na een lawine van tonen komen de pauzes
  • met een scherp ‘tat-tat-tat’, dan nemen de blaasinstrumenten de melodie over, gaan crescendo verder en blazen tenslotte met zoveel kracht en energie, dat het door merg en been gaat. Het was als een aardbeving.

  • Het was een vreselijk lawaai als het bruisen van de branding. Ik heb nog nooit muziek gehoord die bij benadering hierbij in de buurt komt. Wagner doet me denken aan een reusachtige Triton die plezier heeft met de golven en grote klankgolven van de ene in de andere hand werpt.  Men kan natuurlijk niet zijn gezicht zien, wel zijn rug. Toch weet men alles wat hem bezig houdt, iedere zenuw van zijn lichaam laat dat blijken. Hij laat de instrumenten hun tonen zo verlengen als nooit eerder is gebeurd.  De werking is onbeschrijfelijk mooi en toch beklaagt hij zich erover, dat hij er geen enkel orkest toe kon brengen de toon zo aan te houden, als eigenlijk zou moeten.

  • Aan het einde van het concert was de bloemenzee voor de dirigentenlessenaar zou hoog, dat Wagner niet kon staan, zonder ze te vertrappen. Over het algemeen genomen was het een fenomenale gebeurtenis en een grote triomf voor zijn vrienden.
  • Toch heeft hij ook veel vijanden. Joachim is een van hen hoewel dat onbegrijpelijk schijnt bij een man van zijn muzikale gaven.   Ehlert is ook een geduchte anti-Wagneriaan en de Joden haten hem heel erg.  Misschien speelt zijn karakter daarbij een rol. Hij heeft namelijk zijn leven lang alle wetten van fatsoen, dankbaarheid en moraal aan zijn laars gelapt. Voor jonge kunstenaars is hij een slecht voorbeeld en volgens  mij demoraliseert Wagner hen.  Hier vergeeft men het genie al zijn streken en ik moet zeggen : wij kunnen van Duitsland muziek leren, maar Duitsland  van ons moraal!

  • Het beste concert van dit seizoen werd afgelopen maand door Clara Schumann gegeven.  Ze werd begeleid door Joachim en diens vrouw. Drie topsterren dus! Mevrouw Joachim zingt geweldig; niet , dat ze zo’n  buitengewone stem heeft  want dergelijke stemmen zijn vaak te beluisteren, maar de manier waarop ze die gebruikt grenst aan de perfectie. Ze zingt Duitse liederen zoals alleen maar een Duitse die zingen kan.  Ik ken geen zangeres, die aan haar kan tippen  in die terughoudende, maar perfecte kunst. Ze verovert  niet stormenderhand en toen ik haar eerst meemaakte maakte ze niet veel indruk, maar iedere keer dat ik haar opnieuw hoor zingen, verbaast het me, hoe uitgekiend mooi ze zingt.  Ieder woord heeft een betekenis en daarom verstaat men de taal al voordat men de schoonheid ervan waarneemt.  Een van haar liederen was Schumanns ‘Frühlingslied’  met de snelle agitato-begeleiding.  Ze begon met halve adem en een licht vibrato, als een uit zijn nest weg fladderende vogel en ging dan met een geweldige vrijheid in een portamento de hoogte in. Zoals een leeuwerik die zich in zijn vlucht verheft. Ik zal dat effect nooit vergeten. Het publiek was volkomen buiten zichzelf.

  • Het is niet alleen, dat ze zo mooi zingt, ze is ook nog een echte schoonheid, een soort baby beauty, en wanneer ze verschijnt in een  met haar zwarte haar contrasterende bleekroze zijden robe, haar keizerlijke hals, haar mooie armen onbedekt, is ze eenvoudigweg betoverend. Men beweerde destijds, dat ze heel gewoontjes was, toen Joachim met haar trouwde, en ik twijfel er niet aan, dat het leven met zo’n genie haar ontwikkeld heeft. Dat hij alles overtreft, staat vast. Dit keer speelde hij Beethovens Kreutzersonate voor viool en piano, samen met Clara Schumann!  De meest perfecte uitvoering die je je maar kunt voorstellen!  Ik aanbid Joachim en houd hem voor het wonder van deze tijd. Hem te horen is gewoonweg een belevenis!

  • Vorige week reisde ik met J.S. naar Dresden om B.H. te bezoeken. Ze hebben een charmante woning. Mevrouw H. is de beminnelijkheid zelve en een uitstekende gastvrouw. Ze deed alles wat in haar vermogen lag om ons op een plezierige wijze te onderhouden. Zo nodigde ze om ons een genoegen te doen verschillende keren enkele van haar kennissen  en vrienden uit, onder andere Marie Wieck, de zuster van Clara Schumann. Ik was erg blij haar te leren kennen want ze is zelf kunstenares en speelt in de stijl van Clara Schumann, hoewel haar muzikale visie niet zo interessant is.  Haar aanslag is ongelofelijk mooi. Op verzoek van mejuffrouw B wilde ze ons iets voorspelen, maar de piano was niet naar haar zin en ze stond onmiddellijk weer op terwijl ze zei, dat het op dit instrument niet ging lukken. Wanneer we naar haar toe wilden komen, zou ze het met genoegen doen.


  • Dat voorstel sprak me erg aan, want ik zou heel graag de beroemde Wieck, leraar van zoveel generaties van musici,  leren kennen. Mejuffrouw Wieck stelde de zondagavond voor en wij gingen op pad. B. had ons al gezegd, hoe we ons zouden moeten gedragen, want de oude heer heeft nog steeds zijn eigenaardigheden en men moet zich in zijn gedrag helemaal op hem afstemmen.  We moesten na onze spullen te hebben afgegeven naar binnengaan, alsof we al een leven lang bij de familie hadden gehoord, en dan zeggen : ‘Goedenavond, papa Wieck’. Iedereen noemt hem namelijk ‘papa’.  Dan moesten we gaan zitten en het zou des te beter gaan wanneer we een brei- of naaiwerkje meegenomen zouden hebben. Het moest in elk geval de schijn hebben dat we enkele uren zouden blijven, want niets irriteert hem zo als wanneer er mensen langs  komen om alleen maar een kort bezoekje te brengen. ‘Wat?’, zou hij zeggen, ‘verwacht u een beroemd man als ik in een half uur te leren kennen?’.  En verder (sarcastisch) : ‘Misschien wenst u een handtekening?’. Hij haat het handtekeningen te geven.

  • Goed, we voerden dus het voorgeschreven programma uit. Men leidde ons in een grote kamer die veel langer was dan breed. Aan elk einde stond een vleugel, verder was het vertrek uiterst  eenvoudig gemeubileerd.  Aan de muren hingen enkele portretten en bas-reliefs.  De instrumenten klonken erg mooi. Mevrouw Wieck en ‘papa’ ontvingen ons heel voorkomend.  We dronken eerst thee, maar de oude heer werd al gauw ongeduldig en zei : ‘Vooruit!  De dames willen me wat voorspelen en als we niet gauw beginnen, kunnen we niets tot het einde uitspelen’. Hij leeft helemaal in de muziek en heeft een pianoklas van jonge meisjes die hij elke avond gratis les geeft.  Vijf van hen waren erbij.  Hij is stokdoof maar gek genoeg voor iedere muzikale toon even gevoelig als vroeger, wat ook bij Clara Schumann het geval is.  Mejuffrouw Wieck opende het ‘bal’. Ze is ongeveer veertig jaar oud en komt erg flegmatiek over. Maar ze speelt fantastisch en heeft een bijzonder mooie aanslag.  Wanneer je haar hebt gehoord, verbaast het je niets, dat de familie Wieck denkt,  dat behalve zijzelf niemand de aanslag goed aanleert.  Ze begon met een nocturne in F groot van Chopin. Ik vergat nog te melden, dat de oude heer op zijn stoel zit met een gezicht alsof hij op een troon zat en dat hij ieder stuk dat gespeeld gaat worden, van tevoren aankondigt en achteraf ook commentaar geeft: ‘Deze nocturne liet ik veertig jaar geleden mijn dochter Clara in Berlijn spelen waarop de destijds belangrijkste krant in haar kritiek opmerkte : “Het jonge meisje schijnt veel talent te hebben; het is alleen jammer, dat ze zich in handen van een vader bevindt, in wiens hoofd zich wonderlijke vernieuwingen ontwikkelen”.  Zo vreemd was Chopin destijds nog voor het publiek.

  • Nadat juffrouw Wieck de nocturne had beëindigd, vroeg ik om iets van Bach die ze wonderbaarlijk mooi schijnt uit te voeren. Ze zei, dat ze op dat ogenblik niets van Bach bij zich had, maar dat ze graag een gigue van een componist uit Bachs tijd wilde spelen. Ze noemde hem Haesler, als ik me niet vergis, een voor mij volstrekt onbekende naam. Het was een briljant stuk dat ze heel mooi speelde. Daarop speelde ze het laatste deel uit Beethovens sonate in Es groot. Die uitvoering kon me bepaald niet enthousiast maken. Tijdens de pauze daarop nodigde ze me uit te spelen, maar ik ging daar niet op in, omdat ik een hele week in Dresden had vertoefd zonder te oefenen. Ik wilde niet plaatsnemen zonder mezelf recht te doen. Mijn hand is zo stijf dat ik net als Tausig (hoewel ik het van hem niet geloofde) kon zeggen :  ’wanneer ik veertien dagen niet gespeeld heb, breng ik er niets meer van terecht’.  De oude heer zei :’ Nu gaan we wat anders doen’ en riep de jonge meisjes. Hij liet drie van hen zingen, de één na de ander, en ze zongen inderdaad zeer charmant.  Een van hen liet hij een cadens improviseren, terwijl een tweede de altstem zong zonder begeleiding. Hij was daar erg trots op. Hij vormt zijn leerlingen in elk opzicht, leert ze iedere gegeven toon treffen en de ladder op- en afklimmen, zoals ze de scala noemen.

  • Toen het zingen was afgelopen speelde juffrouw Wieck nog eens drie stukken waarvan één een prachtige bewerking van Liszt was over ‘Du meine Seele’ van Schumann. Ze sloot af met een gavotte van Gluck. Of zoals papa Wieck zou zeggen :  ’Dit is een gavotte uit een van de opera’s  van Gluck, door Brahms voor piano bewerkt. De oppervlakkige beoordelaar zal het tweede deel heel gemakkelijk vinden, maar naar mijn mening is het een zware taak het stuk exact weer te geven’. Gelukkig wist ik hoe het stuk gespeeld moest worden, want ik had het driemaal van Clara Schumann zelf gehoord. Ik was helemaal niet ingenomen met de manier waarop juffrouw Wieck dat stuk speelde omdat ze het tweede deel tweemaal sneller nam dan het eerste. ‘Uw zus speelt dat tweede deel veel langzamer, zei ik.  Ze antwoordde: ‘ Zo, ik heb het haar nooit horen spelen’.  Ze vroeg me daarop : ‘Zo langzaam?’,  terwijl ze het langzamer speelde. “Nog langzamer?’ , terwijl ze een derde maal begon, onder de indruk van mijn kritiek. ‘Precies in tempo’, antwoordde ik terwijl ik als een orakel mijn hoofd bewoog. ‘Vadertje’ , riep ze de oude heer toe,  ‘Miss Fay vindt, dat Clara het tweede deel zo langzaam neemt’ en ze deed het voor. Ik weet niet of deze correctie indruk had gemaakt, maar hij was nu vast besloten mij te laten spelen en toen ik zijn verzoek telkens maar afwees, zei hij  tenslotte, dat hij het uiterst merkwaardig vond, dat een jonge dame die twee jaar aan het conservatorium onder Tausig en Kullak had gestudeerd, geen enkel stuk paraat had, dat ze kon voorspelen.

  • Deze kleine opmerking prikkelde me; ik sprong op, terwijl ik mezelf van binnen toeriep : ‘Hoofd omhoog, borst vooruit, voorwaarts!’. Ik ging aan de vleugel zitten en speelde de slotfuga uit Beethovens sonate in As op. 110. Terwijl ik speelde, zaten ze allemaal in een kring om me heen, zo stil als standbeelden. Jullie kunnen je niet voorstellen, hoe nerveus ik was. Vijftigmaal dacht ik, dat ik erin zou blijven steken. Want het is zoals met alle fuga’s : wanneer je er eenmaal uit raakt kom je er niet meer in. Zelfs Bülow vergiste zich onlangs bij het laatste deel van zijn concert. Maar ik kwam er toch goed doorheen en de oude meester was zo goed me enthousiast te prijzen. Hij zei, dat ik wel veel gestudeerd en veel etudes gespeeld moest hebben. Ik antwoordde hem in hoffelijk Duits : ‘Ich würde mich freuen, wenn er so dächte’.

  • De komende zomervakantie zou ik heel graag bij de Wiecks willen studeren, wanneer ze me tenminste zouden aannemen! Men beschouwt ze in zekere zin als ouderwets in stijl en ik zou ze niet tegen Kullak willen inruilen, maat het zijn zulke veteranen dat ze je hoe dan ook aan veel waardevolle ideeën kunnen helpen.  Papa Wieck was de leraar van Bülow totdat deze naar Liszt ging.



  • Heb ik jullie al verteld hoe enthousiast ik over Bülow was?  Hij speelt perfect en staat midden tussen Rubinstein en Tausig in. Komende zondagavond kan ik weer naar hem luisteren en ik zal jullie mijn uitgebreide mening daarover geven. Hij is beroemd vanwege zijn Beethovenspel en ik zou wel willen, dat jullie zijn Mondscheinsonate hadden kunnen horen. Hij doet iets wat  helemaal bij hem hoort : hij speelt alle delen van een sonate zonder daartussen te  pauzeren. Dat beviel me heel goed, omdat hij daardoor een indruk van eenheid weet te bewerkstelligen, omdat het lijkt alsof het ene deel telkens het andere voorbrengt.

  • Ik zou wel willen, dat L. hier bij Kullaks zoon piano zou kunnen studeren. Hij heeft een kleine charmante leerlinge, 10 jaar oud, met de naam Adele aus der Ohe (is dat niet een mooie oude riddernaam?) en het is wonderbaarlijk wat dit kind presteert. Ze speelde met orkestbegeleiding een concert van Beethoven  met een grote cadens van Moscheles, en dat deed ze bijna perfect. Ze  miste geen noot en volgens mij wordt ze ooit een groot kunstenares als Mehlig. Maar misschien komt ze, net als Mehlig, nooit tot een grootse interpretatie. Je kunt nooit weten hoe deze wonderkinderen zich ontwikkelen.

  • Ik vergat steeds maar jullie het spel van Bülow te beschrijven en het is nu al zo lang geleden dat ik hem gehoord heb, dat mijn indrukken niet meer zo scherp zijn. Hij heeft de kernachtigste, indrukwekkendste stijl die ik tot nu toe heb leren kennen en hij fraseert geweldig. Wanneer je hem hoort spelen, is het alsof je door een stereoscoop kijkt. Alle punten van een stuk schijnen, wanneer je hem hoort,  heel realistisch op te lichten.  Hij doet me in zekere zin denken aan Gottschalk want hij  houdt er dezelfde manieren op na. Zijn gelaatsuitdrukking is trots en uitdagend.  Wanneer hij speelt monstert hij zijn toehoorders om hem heen.  Hij heeft steeds twee vleugels op het podium staan die hij afwisselend gebruikt. Zijn gezicht schijnt het publiek toe te roepen “Jullie zijn allemaal honden en katten en het laat me volkomen koud wat jullie van mijn spel denken”. Soms flitst  er een kostelijke humoristische trek over zijn gezicht vooral wanneer hij een rondo of een vrolijk stuk speelt. Hij oefent een wonderlijke magnetische macht uit en je voelt dat je onder de invloed staat van een ijzeren wil. Veel mensen hebben kritiek op zijn spel en zeggen dat het louter ratio is, maar volgens mij heeft hij in zijn spel veel te veel hartstocht om alleen maar als rationalist te worden betiteld; maar het gaat wel om gecontroleerde hartstocht. Zijn hele leven heeft hij aan de muziek van Beethoven gewijd en hij speelt diens sonates als niemand anders.















  • Gisteren ben ik in Weimar aangekomen en ik bezocht vandaag het theater dat hier erg goedkoop is. De eerste persoon die ik in de loge tegenover ons zag, was Liszt, bij wie ik, zoals jullie wel weten, zo graag les zou willen hebben. Ik vrees dat dat heel moeilijk zal worden want men zegt,  dat Weimar bomvol zit met mensen die juist daarom hierheen zijn gekomen.  Ik herkende Liszt van afbeeldingen van hem. Ik vond het heel interessant hem zo te kunnen observeren. Hij zat met zijn rug naar het podium, zo te zien zonder de minste aandacht voor de muziek, want hij  babbelde onophoudelijk en uiterst charmant met drie dames, van wie er één erg mooi was. Toch ontging hem nog niet de kleinste nuance, wat ik kon opmaken uit zijn gelaatsuitdrukking.


  • Liszt is de interessantste figuur die je je maar kunt voorstellen. Op iedereen die hem ziet, maakt hij een onuitwisbare indruk.  Groot en slank, met diepliggende ogen, borstelige wenkbrauwen en lang grijs haar. Bij zijn mondhoeken gaat zijn mond iets de hoogte in, wat, wanneer hij lacht, aan Mephistopheles doet denken. Zijn hele manier van optreden en uiterlijke verschijning heeft iets  van een jezuïtische luchtigheid en elegantie. Zijn handen zijn erg smal, met lange, slanke vingers die de indruk maken dat ze tweemaal zoveel gewrichten hebben als bij anderen het geval is.  Ze zijn zo bewegelijk en soepel dat het op je zenuwen kan werken, ze te zien.  De fijnheid van zijn manieren is onvergelijkelijk. Toen hij in de loge opstond, legde hij,  na afscheid van de dames te hebben genomen, zijn hand op zijn hart en boog nog een laatste keer, niet geaffecteerd of uit pure galanterie, nee, met een rustige voorkomendheid, die iedereen deed beseffen, dat geen andere manier om voor een dame te buigen, goed en gepast was.  Hij gedroeg zich heel karakteristiek.

  • Moet je horen! Twee dagen geleden ontmoette ik Liszt bij een intieme theevisite die door een van zijn beschermelingen, een oudere vriendin, voor al zijn leerlingen die al waren aangekomen, werd belegd. Ik was ook uitgenodigd. Liszt had beloofd later te komen. We waren met zeven personen, drie heren en vier jonge dames, drie van hen, inclusief mijzelf, Amerikaans.  De meesten hadden  vroeger al bij Liszt gestudeerd en enige van hen zijn al bekende kunstenaars.  Om de tijd totdat Liszt zou arriveren, op te vullen, nodigde onze gastvrouw ons uit allemaal te spelen  en ze liet  de laatst aangekomene beginnen. Nadat we ons allemaal hadden ‘blootgegeven’ werden kleine tafeltjes aangedragen en werd het souper opgediend. We waren druk met elkaar en erg geanimeerd, toen de deur plotseling open ging en Liszt verscheen. Dadelijk gingen we staan en hij schudde ieder de hand zonder af te wachten te worden voorgesteld.

  • Liszt maakt de indruk alles al te hebben meegemaakt. Zijn gelaat is om zo te zeggen met ervaringen bedekt. Hij draagt een lang abbé-gewaad dat bijna tot aan zijn voeten reikt. Hij deed me denken aan magiërs  uit tijden van weleer en het was alsof hij ons allemaal met gebruik van een toverstokje kon veranderen.  Na de begroeting ging hij de andere kamer in en ging daar zitten. De jongelui gingen om hem heen staan  en boden hem sigaretten aan die hij aannam en rookte. Wij gingen verder met onze dwaasheden en ik ben ervan overtuigd, dat Liszt iets van onze briljante  ‘conversatie’ kon horen. Hij informeerde namelijk wie wij waren, waarop de gastvrouw miss W. en  mij – de beide vreemden – erbij haalde om ons aan hem voor te stellen. Daarna  vroeg hij me, of ik in Berlijn het concert van Sophie Menter had bijgewoond. Ik zei, dat dat inderdaad het geval was en hij zei dat Menter een grote favoriet van hem was en dat de dame van wie ik voor hem een brief had meegebracht,  zich erg voor haar had  ingezet.  Ik vroeg of Menter zijn leerlinge geweest was. ‘Nee, hij kon zich de eer van haar kunstzinnig succes niet aanrekenen’.  Later hoorde ik, dat hij veel voor haar had gedaan, maar niet wilde dat men zou geloven dat hij haar les gaf.  Na het roken van zijn sigaret stond Liszt op en zei : ‘Amerika moet nu aan bod komen’ en hij nodigde Miss W. uit hem iets voor te spelen.   Deze verschrikkelijke vuurproef hadden wij die pas gearriveerd waren, niet verwacht. Ik beefde van schrik, omdat ik bijna een week mijn piano had moeten missen en dus totaal onvoorbereid was, terwijl Miss W. sinds vijf uur ’s morgens op was en de hele dag had gestudeerd. Maar er was niet aan te ontkomen. Een woord van Liszt is een bevel. Miss W. ging zitten en bracht de zaak zo goed als onder deze omstandigheden te verwachten was, tot een einde. Liszt bewoog zijn hand, knikte van tijd tot tijd en leek tevreden te zijn.  Toen riep  hij de heer Leitert bij zich die een compositie van hem  heel mooi speelde. Liszt prees hem en klopte hem op zijn schouder. Ik sloop, zodra Leitert klaar was, de achterkamer in, in de hoop, dat Liszt me zou vergeten, maar hij volgde me op de voet, nam mijn beide handen en sprak me op de meest innemende wijze toe : ‘Mademoiselle, vous jouerez quelque chose, n’est-ce pas?’ Je hebt geen idee van zijn overredingskunst! Hij zou er jullie tot alles mee hebben kunnen verleiden. Het was zo’n verwarrend moment, dat ik zonder ook maar op iets te letten, zelfs zonder hem te zeggen dat ik onvoorbereid was, ging zitten en me als een bezetene op de ballade in As groot van Chopin stortte. Gelukkig speelde het instrument niet zwaar.  Liszt riep als maar ‘bravo!’ om me moed in te spreken en zo kwam ik er doorheen.  Toen klapte hij in zijn handen en zei :’Prima gespeeld!’.  Hij vroeg bij wie ik had gestudeerd en maakte een paar kleine opmerkingen. Ik hoopte dat hij mij van mijn plaats zou schuiven en zelf zou gaan spelen, maar dat deed hij niet.

  • Gisteren ging Miss W. naar hem toe. Hij vroeg, of ze Miss Fay kende en droeg haar op mij te zeggen, dat ik naar hem toe mocht komen. Zo zal ik morgen bij hem mijn opwachting maken hoewel ik niet weet hoe de leeuw zal zijn, wanneer ik hem in zijn kuil zal  opzoeken. 

  • Liszt wordt zo achtervolgd en met verzoeken gekweld, dat ik zeker zou zijn afgewezen zonder de aanbevelingsbrief van barones S. want hij bewondert haar zeer en ze heeft veel invloed op hem. Hij zegt, dat de mensen zich met dozijnen tegelijk aan hem opdringen en ervan uitgaan dat hij er alleen maar is om les te geven.  Overigens laat hij zich voor zijn lessen niet betalen.  Daar staat hij ver boven. Maar wanneer iemand genoeg talent heeft of hem bevalt, mag hij langs komen en hem voorspelen.  Ik ga om de andere dag naar hem toe, maar speel maar twee keer per week omdat ik niet zoveel kan voorbereiden. Ik luister dan naar de anderen. Tot nu toe waren er behalve ikzelf maar vier studenten in zijn klas en ik ben de enige nieuweling.  Hij ontvangt zijn leerlingen van vier tot zes in de middag. Urspruch en Leitert, die ik kort geleden ontmoette, hebben al lange tijd bij Liszt gestudeerd en spelen allebei meesterlijk.  Mejuffrouw Schultz en Miss Gaul zijn eveneens zeer begaafde leerlingen.

  • Toen ik voor het eerst Liszts salon binnen ging, speelde Urspruch juist Schumanns ‘Symfonische Etudes’, een geweldige compositie die wel een half uur duurt.  Zijn voordracht was zo geweldig, dat de moed me in de schoenen zonk, omdat ik dacht dat  niveau nooit te zullen bereiken.  Liszt kwam me tegemoet en begroette me zeer vriendelijk.  Hij was in een zeer goed humeur en maakte voortdurend kleine geestige opmerkingen. Ik speelde dit maal niet zelf, maar ging naar huis en studeerde verschillende dagen achtereen Chopins sonate in b klein. Toen ik meende die te beheersen ging ik, hoewel met sidderend hart, naar Liszt toe. Ik kan niet zeggen hoeveel moeite het me telkens kost de trappen van zijn huis op te gaan. Ik vind nauwelijks de moed zijn kamer binnen te gaan en sta meestal een hele tijd op de drempel voordat ik het besluit neem.

  • Deze dag viel me bijzonder zwaar omdat ik voor het eerst echt voor hem zou spelen. Hij spreekt zo onduidelijk dat ik bang ben zijn correcties te missen. Dan kan hij ongeduldig worden want hij heeft een hekel aan uitleg. Ik denk dat hij het haat moeite te doen voor zijn Duits. Hij mompelt wat woorden en breekt zijn zinnen op de helft af. Toen ik gisteren bij hem was, sprak hij voortdurend Frans met mij en met de anderen Duits.

  • Toen ik arriveerde waren alleen Leitert, Urspruch en de jonge componist Metzdorf, die altijd in Liszts gezelschap is, in de kamer aanwezig.  Hij groette me maar nam verder geen notitie van me totdat Metzdorf zei :’Herr Doktor, Miss Fay heeft een sonate meegebracht’. Liszt antwoordde: ‘Ah mooi, we gaan er naar luisteren’. Toen ging hij even de kamer uit en ik vroeg de drie heren zich uit de kamer te verwijderen en mij alleen Liszt te laten voorspelen.  Ze lachten me uit, en dachten er niet aan zich ook maar één centimeter van me te verwijderen. Toen Liszt terug kwam, zeiden ze :’Miss Fay wil ons wegsturen’. Ik probeerde duidelijk te maken dat ik voor zulke virtuozen niet kon spelen. ”O, maar dat is heel gezond voor je”, antwoordde Liszt, ‘Dan heb je een heel select publiek’. Ik weet niet, of hij zag, hoe nerveus ik was, maar in plaats van heen en weer te wandelen in de kamer, zoals hij meestal deed,  ging hij als een echte leraar naast me zitten en liet me het eerste deel spelen. Het is erg moeilijk, maar ik had zo veel geoefend, dat ik er tamelijk goed doorheen kwam.  Niets kan tippen aan zijn beminnelijkheid en de moeite die hij aan me besteedde. Zijn nabijheid motiveerde  me, in plaats van me bang te maken.  Een zo inspirerende leraar had ik nog nooit meegemaakt! Hij is de eerste echt sympathieke persoon die ik als pianoleraar gehad heb. Je voelt je bij hem zo vrij. Hij leidt je binnen  in de geest van de muziek. Hij  loopt niet steeds om je heen om je te bekritiseren maar laat ook ruimte voor je eigen opvatting. Hier en daar geeft hij commentaar op een passage of speelt die voor en met een paar woorden geeft hij je voor een leven lang stof om na te denken. In alles wat hij zegt zit een subtiele kern, even subtiel als hij zelf. Aan technische aspecten maakt hij geen woord vuil, die moet je alleen zien te beheersen. Toen ik het eerste deel van de sonate had gespeeld, zei hij,  zoals altijd: ‘bravo!’ en ging op mijn plaats zitten, maakte wat kleine opmerkingen en liet me dan weer verder spelen. Nu kende ik de andere delen maar half. Het eerste is namelijk zo vreselijk moeilijk, dat ik er al mijn energie aan gespendeerd had, zodat ik aan de voorbereiding van de andere delen nog niet echt was toegekomen. Voorspelen voor Liszt herinnert me aan de poging een olifant in de dierentuin met suikerklontjes te willen voeren. Hij beschikt over een volledige kennis van alle aspecten  alsof het niets was en verlangt serieus nog meer. Gelukkig begon een van mijn vingers te bloeden en dit gaf me een handige smoes om te stoppen. Liszt ging zitten en speelde de andere drie delen. Het was toen voor het eerst, dat ik hem hoorde spelen. Ik wist niet welk deel ik het mooist gespeeld vond, het scherzo met zijn wonderbaarlijke snelheid en lichtheid, het adagio met zijn diepe pathos of de finale waar de piano schijnt te ‘donderen en te bliksemen’. In alles wat hij speelt steekt zoveel vitaliteit, dat het lijkt dat het niet alleen muziek was waar we naar luisterden, maar dat hij een reële gestalte in het leven had geroepen die we voor onze ogen konden horen ademen. Wanneer ik hem hoor spelen krijg ik een spirituele ervaring : het is alsof de lucht gevuld is met geest. Ach! Hij is een ware tovenaar! Het is even interessant hem te zien als te horen, want zijn gelaatstrekken veranderen bij elke modulatie en hij straalt exact uit wat hij speelt. Er is iets in hem dat je te pakken neemt, een soort delicate, toevallige luchtigheid die hier en daar op je afstraalt. Wanneer hij op die manier speelt, krijgt zijn gezicht een betoverende uitdrukking. Het lijkt alsof een kleine kobold plagend tevoorschijn schiet en verstoppertje met je speelt.

  • Vrijdag bracht Liszt mij een bezoek en improviseerde zelfs wat op mijn piano.  Denk je eens in, zo’n  buitenkans! Hij nodigde me ook uit voor een matinee komende zondag die hij ter ere van een gravin op doorreis gaf. Geen van zijn andere leerlingen was uitgenodigd. Toen ik de kamer binnen kwam, waren er behalve Liszt maar drie personen : de groothertog, barones M (van geboorte een Russische prinses) en de echtgenote van een Russische minister. Ze stonden bij Liszt en spraken Frans.  Ik had er geen idee van wie ze waren want de groothertog was in ochtendkostuum en niet aan een ster of andere decoratie te herkennen. Toch zag ik met één oogopslag, dat het allemaal voorname aristocraten waren. Daarom sprak ik tot mijn geluk maar niemand aan hoewel ik me, toen ik daar op mijn eenzame post stond,  eigenlijk gedwongen voelde toch iets te zeggen  om mijn verlegenheid te maskeren. Men had me trouwens al gewaarschuwd, dat Liszt nooit mensen aan elkaar voorstelt. Hij begroette me uiterst vriendelijk en presenteerde me toch nog aan de barones, maar haar vreselijke eigendunk  maakte het haar onmogelijk meer dan een paar kille woordjes uit te brengen. Ik was erg opgelucht toen meer mensen binnen kwamen en ik me in een hoekje kon terugtrekken om onopgemerkt te blijven. Ik voelde me onbehaaglijk als vreemde dicht bij vier fashionables te staan en met geen van hen te durven spreken, omdat ze me nu eenmaal zelf niet aanspraken.

  • Toen het gezelschap bijeen was telde ik veertien personen, bijna allemaal van een titel voorzien. Ik was de enige non-valeur.  Liszt straalde. Hij kwam op me af en beloofde me een kaartje voor een privé-concert waarin alleen maar composities van zijn hand zouden worden gespeeld. Hij scheen erop uit te zijn me op mijn gemak te laten voelen. Hij speelde vijf keer, maar geen grote stukken, een teleurstelling voor mij, te meer omdat de laatste drie stukken duetten waren die hij met muziekdirecteur Lassen speelde. Hij vroeg me om te slaan. Grote God! Wat kan hij van het blad lezen! Voor mij was het een hele klus, want hij overziet met één blik vijf maten zodat je het moment moet raden waarop hij de bladzijde wil laten omslaan.  Eén keer sloeg ik te laat om, één keer te vroeg.  Het was voor mij, verlegen als ik ben, niet de ideale situatie!

  • Mijn verjaardag vandaag geloofde ik niet beter te kunnen vieren dan door Liszt een bezoek te brengen. Ik was nog niet zo ver om te kunnen voorspelen, maar toch nam ik zijn tweede ballade mee om hem enkele vragen te stellen over moeilijke passages. Hij stond erop, dat ik zou spelen. Toen we binnen kwamen zag hij er niet goed uit; hij leek nerveus. De muziek legden was zoals gewoonlijk op tafel. Hij kijkt de muziek door en noemt het stuk dat hij wil laten spelen. Hij ziet mijn muziek en roept : ‘Wie speelt deze grote, machtige ballade van mij?’. Het was alsof hij me had gevraagd : ‘ Wie sloeg Cock Robin dood?’. Het was alsof ik werkelijk degene was die het had gedaan, alleen voelde ik me om eerlijk te zijn niet zo licht van vleugels als het musje, want Liszt scheen in een zeer slecht humeur te zijn en was grof uitgevallen tegen degenen die voor mij hadden gespeeld. Eindelijk vatte ik moed en zei, dat ik het was, maar dat ik de ballade nog niet goed in mijn vingers had. ‘Geeft niets, speel maar’, antwoordde hij. Ik ging zitten en wachtte tot hij op zijn minst mijn hoofd zou afslaan. Maar gek genoeg leek hij over mijn spel tevreden te zijn en zei, dat ik hem bijna ontroerd had. Denk je eens in! Dat van Liszt! En nog bij een eigen compositie! Toen ik verder speelde, nam hij mijn handen in de zijne en zei : ‘ Vandaag heb je je met roem overladen’.  Ik antwoordde dat ik nog maar pas met het stuk begonnen was, maar dat ik hoopte dat hij me het stuk nog eens zou laten spelen, wanneer ik het beter beheerste.  ‘Wat, moet ik je nog grotere complimenten maken?’. ‘Natuurlijk’
  •  . ‘Il faut vous gâter?’. ‘ Oui’, zei ik en hij moest lachen.

  • Gisteren had ik  Au bord d´ une source van Liszt voorbereid. Ik was nerveus en speelde slecht. Toch raakte hij niet geïrriteerd, maar deed,  alsof ik het schitterend had voorgedragen. Hij ging zitten en speelde het hele stuk zelf. Prachtig!  Ik vond mezelf gewoon een houthakker. De tonen schenen met een bijna onmerkbare beweging van zijn vingertoppen te druppelen. Tegen het einde van het stuk zag ik een schalkse uitdrukking op zijn gezicht verschijnen, het teken dat hij wil verrassen. Plotseling sloeg hij een onverwachte toon aan en improviseerde een poëtisch slot, totaal verschillend van de originele geschreven noten. Vind je het gek, dat de mensen tegenover hem hun bezinning verliezen?




  • Toen we deze week bij Liszt waren was hij zo goed geluimd, dat hij wel twintig jaar jonger scheen te zijn geworden. Een student aan het conservatorium van Stuttgart, de heer B.  speelde een concert. De hele tijd hield Liszt een klein satirisch vuur brandend, maar op een goedmoedige manier. Wanneer het mij was overkomen zou het me niet boos hebben gemaakt, integendeel, het zou me hebben gestimuleerd. Al zijn opmerkingen zijn zo ter zake. Bij een passage waar B. de melodie zachtjes, bijna onduidelijk, speelde, ging Liszt plotseling op zijn plaats zitten en zei: ‘Wanneer ik speel,  speel ik steeds voor het publiek op de galerij zodat de mensen die maar vijf Groschen voor een plaats betalen, ook nog wat kunnen horen. Toen begon hij en o, ik zou willen dat jullie dat hadden kunnen horen! De toon leek niet forte te zijn, maar hij droeg ver. Daarna hief hij zijn hand in de lucht en je zag het publiek op de galerij voor je, terwijl het de tonen in zich opnam. Dat is de manier waarop Liszt les geeft. Hij geeft je een idee, dat neemt bezit van je geest en daar blijft  hangen. Muziek is voor hem zo´n  reëel, zichtbaar ding, dat hij steeds in de fysieke wereld dadelijk een gelijkenis of een teken vindt om zijn ideeën tot uitdrukking te brengen. Op een keer bewoog ik mijn hand bij een moeilijke passage op een draaiende manier. Hij zei : ‘Houd je hand stil, je bent geen omeletten aan het maken’. Ik moest natuurlijk lachen. Jammer genoeg is hij net als Tausig veel te zuinig met zijn spel, hij speelt hoogstens een paar maten achtereen. Het is vreselijk, wanneer hij juist dan ophoudt, waar een superieure passage begint. Maar hij is zo ongelofelijk blasé dat hij niet voor zich zelf durft uit te komen en het niet kan uitstaan wanneer iemand hem een compliment maakt. Zelfs aan het hof stoort het hem, zodat de groothertogin de aanwezigen dan maar verzoekt er geen nota van te nemen wanneer hij van de vleugel opstaat.

  • Soms doet Liszt zulke betoverende kleine dingen! Onlangs bijvoorbeeld speelde mejuffrouw Gaul in een stuk twee loopjes en na elk loopje twee staccato-akkoorden. Dat deed ze heel mooi en sloeg de akkoorden er vlak na aan. ‘Nee, nee,’zei Liszt, ‘na ieder loopje moet je een minuut wachten voordat je het akkoord aanslaat als uit bewondering voor hun eigen uitvoering. Je moet pauzeren alsof je wilde zeggen : wat goed heb ik dat gespeeld’. Toen ging hij zitten, speelde een loopje, wachtte een seconde en sloeg dan twee akkoorden scherp aan en zei daarbij : ‘bra-vo’, en werkelijk, het was, alsof de piano zacht had geapplaudisseerd! Op deze manier draagt hij elk stuk voor alsof het instrument met een menselijke tong praatte.

  • Onze pianoklas is ondertussen uitgegroeid tot een dozijn studenten en heel veel anderen komen een- of tweemaal om Liszt wat voor te spelen, en gaan dan weer, zoals de lieve kleine leerlinge van Henselt, mejuffrouw Kahrer. Ze was een zeer interessant schepseltje en vertelde wat komische verhalen over Henselt die een giftig temperament heeft en erg streng moet zijn.  Ze vertelde dat hij op een dag  les gaf aan prinses Katharina en zo buiten zich zelf raakte door haar slechte spel, dat hij de muziek weggriste en op de grond slingerde. De prinses verloor haar gelijkmoedigheid niet. Ze sloeg haar armen over elkaar en zei: ‘Wie ruimt dat ook weer op?’. Hij moest zich dus bukken en de muziek weer op zijn plaats leggen.

  • Ik heb Liszt maar een enkele keer geïrriteerd gezien, maar dat was dan ook heel heftig. Als een leeuw gedroeg hij zich! Dat gebeurde, toen een leerling van het conservatorium te Stuttgart het waagde de Sonata Appassionata te spelen. Hij had veel techniek en een tamelijk goede interpretatie, maar toch was hij tegen dit werk niet opgewassen. Eigenlijk moet alleen een perfect kunstenaar als Tausig of Bülow zich aan dit werk wagen. De middag was heet, de wolken trokken zich voor een storm samen. Toen de pianist begon bewogen de toppen van de bomen wild heen en weer en uit de verte was de zachte donder te horen. ‘Ach’, zei Liszt’, die bij het raam stond, met zijn delicate vindingrijkheid, ‘wat een passende begeleiding’.

  • De Stuttgarter maakte enkele zo opvallende fouten, niet in de noten, maar in het ritme, dat Liszt uitriep : ‘Je komt van Stuttgart en speelt ook zo’.  Daarop volgde een lange tirade tegen het conservatorium en leraren in het algemeen. Hij leek zelf wel een onweersbui. Fronste zijn voorhoofd, liet zijn hoofd hangen en zijn lange haar viel over zijn gezicht terwijl de arme pianist er bij zat als een geslagen hond. O, het was vreselijk! Wanneer het mij was overkomen zou ik door de grond zijn gegaan, want Liszt is altijd zo beminnelijk, dat het contrast des te opvallender was. ‘Maar dat gaat jou niets aan’, zei hij toen op een verzoenlijke toon terwijl hij zichzelf  een halt toeriep. Hij lachte weer en zei :’Speel maar door’.

  • Liszt mist de nerveuze prikkelbaarheid die kunstenaars zo eigen is. Sterker nog, hij is erg opgewekt en rustig. Ik ben heel vaak bij hem geweest en heb hem maar een enkele keer uit zijn vel zien springen, maar toen was hij moe en niet zichzelf. Wanneer ik naga hoe geïrriteerd Tausig vaak was en hoe snijdend sarcastisch Kullak soms kan zijn, verbaast het me echt, hoe zelden Liszt zijn rust verliest. Hij heeft het in zich ieders beste kant naar voren te laten komen en hij vindt die beste kant met verrassend gemak. Wanneer er iets in je steekt, kun je er zeker van zijn, dat Liszt er achter komt.

  • Liszt oefent een zo inspirerende invloed uit, dat je moet proberen dubbel zo intensief met hem verder te gaan, dus met dubbele energie. Ik ben nu meer dood dan levend omdat we gisteren een les van vier uur bij hem hadden. Er waren twintig pianisten die allemaal graag wilden spelen en omdat Liszt in een goed humeur was, speelde hij zelf ook veel. Het was allemaal fantastisch, maar ook vreselijk vermoeiend.  Toen ik van les thuis kwam wierp ik me op de sofa en het was alsof ik nooit meer zou opstaan. Een zware werkdag lag achter me.  Eerst ’s ochtends vier uur studeren, dan een nerveus, angstig gevoel dat me van mijn eetlust beroofde en me verhinderde mijn middagmaal te  nuttigen, dan de nodige uren bij Liszt waar een hele serie van concerten, fantasieën en alle mogelijke angstaanjagende stukken werden gespeeld.  Je weet daar nooit voor welk publiek je gaat spelen, het is het muzikale hoofdkwartier van de hele wereld. Conservatoriumdirecteuren, componisten, pianisten, aristocraten, iedereen komt maar binnen en men moet met die schokkende ervaring zo goed als men kan, omgaan.  De salon is altijd overvol.

  • Wanneer iemand van de jonge pianisten hem een sonate brengt, protesteert hij met een zogenaamd boos gezicht. Maar dan bezint hij zich en zegt : ‘Goed, begin maar’. Dan heeft hij ook alle aandacht. Wanneer hij les geeft over stukken van Beethoven, blijft de muziek er altijd bij, een bewijs van zijn zorgvuldigheid, want hij kent alle sonates van buiten. Hij gebruikt de uitgave van Bülow die hij open doet en op het einde van de vleugel legt. Terwijl hij op en neer loopt, komt hij daar weer terug en laat de rest van de klas de passages zien die zojuist gespeeld zijn. Bülow heeft waarschijnlijk veel van zijn ideeën van Liszt.

  • Soms slaat Liszt ook wel eens een foute toon aan, maar dat brengt hem helemaal niet van zijn stuk, integendeel! Het amuseert hem eerder, wanneer hij misslaat, omdat hij dan gelegenheid heeft zijn genie te laten blijken en het stuk zo om te buigen dat de foute toon gaat dienen als de leidtoon naar nieuwe, onverwachte schoonheden. Iets dergelijks overkwam hem bij een van de zondags-matinees toen de kamer vol was van een select gezelschap en zijn leerlingen.  Hij arpeggieerde dat het een lust was, van de bas naar boven, over het hele toetsenbord, totdat hij een halve toon lager terecht kwam dan de bedoeling was. Ik hield mijn adem in en was er benieuwd naar  of hij de harmonie onopgelost zou laten of dat hij zich aan de schande zou onderwerpen om zich, zoals gewone stervelingen doen, te corrigeren. Een vage lach gleed over zijn gezicht alsof hij wilde zeggen : ‘denk nou maar niet, dat zo’n kleinigheid me in de problemen brengt’.  Ogenblikkelijk liet hij zijn handen over het klavier naar beneden gaan, in harmonie met de fout aangeslagen toon, en dan vrij naar boven in een tweede grote passage, maar dit maal tot en met de goede noot. Nooit heb ik een volmaaktere proeve van bekwaamheid gezien. Die intelligentie was voor Liszt heel karakteristiek. In plaats van dat hij ons gelegenheid gaf te zeggen :’Hij heeft een fout gemaakt’ , dwong hij ons toe te geven : ‘Hij laat ons zien hoe je je uit een moeilijke situatie moet zien te redden’.

  • Wat betreft jullie vragen over het conservatorium, ik kan er niet veel meer van zeggen dan wat jullie ondertussen al hebben gehoord. Het conservatorium van Stuttgart wordt als het beste beschouwd. Daar worden de studenten door een regelmatige, trapsgewijs opgebouwde methode geleid, te beginnen met de handhouding en het optillen van de vijf vingers. Er zijn bepaalde oefenstukken die alle studenten moeten spelen. Zo was het ook in het conservatorium van Tausig. Eerst moesten we Cramer doorwerken, dan Czerny, Gradus ad parnassum,  Moscheles, Chopin, Henslt, Liszt en Rubinstein. Ik zelf ben niet verder dan Chopin gekomen, maar bij Kullak heb ik een jaar lang Czerny’s  Virtuozenschool gestudeerd, het boek waar hij bij zweert. Je hebt jaren nodig om het helemaal te leren kennen. Maar wanneer je het helemaal hebt doorgewerkt, dan ben je ook een echte pianist.

  • Zelf denk ik, dat de ’virtuozenschool’ iets onvermijdelijks is, hoezeer ik er ook een hekel aan heb. Niets anders leidt tot een perfect techniek. Deze methode vergt enorm veel, maar ze egaliseert  de vingers en maakt die sterk. Ze leert om tijd te nemen, of zoals de Duitsers zeggen : ’Ze geeft rust’. Het grote sine qua non! Je leert ‘uitspelen’ zoals Kullak zegt. Ik heb het hoofd van het conservatorium van Stuttgart, Lebert, gezien.  Hij was deze zomer hier en ik had lange gesprekken met hem. Hij beschouwt Bach als het beste studiemateriaal en met name het Wohltemperierte Klavier als basis. In Stuttgart studeren ze allemaal Bach. Ik doe het nu ook, omdat ik het voortreffelijke muziek vind. Maar volgens mij komt het uiteindelijk op hetzelfde neer of je nu Bach, Czerny of de Gradus neemt. Je moet wel bij dezelfde muziek blijven.  De hoofdzaak bij alle drie is, dat elk van je vijf  vingers steeds weer ‘dumm, dumm, dumm’ maakt. Tausig was voor de Gradus en studeerde hem elke dag , in verschillende sleutels, speelde het zelfde met de rechter en met de linker hand en maakte de problemen zelfs nog groter. Ik vond ze al groot genoeg zoals ze genoteerd stonden. Bach maakt de vingers sterk en onafhankelijk. Czerny egaliseert ze en zorgt voor licht spel. De Gradus is niet alleen goed voor de vingers, maar ook voor de arm en de pols. Hij zorgt voor meer power bij het spelen.

  • Alle conservatoria bieden wekelijks tenminste zes lesuren aan, twee voor solospel, twee voor het van het blad lezen en twee voor compositie. Dan zijn er ook nog muzikale colleges van de professoren. Alle grote conservatoria hebben een orkest dat gewoonlijk bestaat uit de eigen studenten en enkele professionele musici. Met dit orkest spelen de beste pianisten elke vier tot zes weken hun concerten. Het aantal van de officiële  concerten verschilt van school tot school. De Hochschule in Berlijn geeft jaarlijks twee uitvoeringen in de Singakademie. In Stuttgart zijn het er, voor zover ik weet, vier. Kullak zegt dat hij er één heeft, maar hij interesseert zich zo weinig voor zijn studenten, dat hij, als hem dat aanstaat, zelfs dat ene concert nog schrapt. Over de organisatie van zijn Akademie weet ik niet veel, omdat ik alleen maar in zijn eigen klas kwam. Ik woonde te ver weg om theorie- en compositieles te nemen. Volgens Liszt zijn van alle pianostudenten die van Kullak het best opgeleid, wat me verraste, omdat er tussen hem en Stuttgart een nauwe band bestaat en hij zijn leerlingen altijd adviseerde naar dit conservatorium toe te gaan.

  • Ze besteden daar veel aandacht aan techniek en volgens mij leert men daar de studenten beter hoe ze moeten studeren. Stuttgart lijkt me de plaats waar de machine juist wordt afgesteld, maar Kullak is meer op het hoofd gericht. Er is hier een jonge Amerikaan, de heer Orth, die twee jaar gestudeerd heeft bij Kullak en één jaar in Stuttgart en nu weer naar Kullak terug gaat. Volgens hem is niet Lebert maar Pruckner de steunpilaar van het conservatorium in Stuttgart. Anderzijds is volgens miss Gaul is Lebert, die zich om haar veel moeite heeft getroost, een voortreffelijk docent.   Met hem is het waarschijnlijk als met alle andere die, wanneer ze een leerling graag mogen, veel voor hem doen, anders niet. Liszt is daar geen uitzondering op. Ik heb hem jonge talentvolle pianisten volkomen zien verwaarlozen, alleen maar omdat hun persoonlijkheid hem niet beviel.

  • Jullie vragen me Clara Schumann, Bülow, Tausig en Rubinstein met elkaar te vergelijken. Dat zal nog niet meevallen want ze verschillen onderling enorm.  Clara Schumann is door en door een pianiste van de klassieke stempel. Beethoven en Bach zijn haar componisten. In haar spel is ze niet bijzonder subtiel en poëtisch. In haar interpretatie mist ze scherpzinnigheid. Ze speelt met veel vuur en over het algemeen genomen is haar stijl groots, afgewerkt, solide en gedegen. Ik zou haar een gezonde pianiste willen noemen. Qua analyse schiet ze tekort en er steekt geen Balzac of Hawthorne in haar. Beethovens  variaties in c klein waren misschien wel het beste dat ik van haar heb gehoord en ze zijn toch bijzonder moeilijk. Volgens mij speelde zij ze mooier dan Bülow hoewel ook hij een groot Beethoven-vertolker is. Ze speelt vaak steeds dezelfde stukken, misschien omdat ze de moderne manier van uit het hoofd spelen te gewaagd vindt. Men vertelt dat ze over de noodzaak dat toch te moeten doen de nodige tranen heeft gestort. Het is eigenlijk belachelijk daar bij een zo groot pianiste als Clara Schumann op te letten.  Laten we iedereen toch zijn eigen individualiteit gunnen!

  • Bülows spel is veelzijdiger en wordt door  grote energie gekenmerkt. Die is bij hem gewoonweg onbegrensd en hoe meer hij speelt, hoe meer de interesse groeit. Van de vier  genoemden  is hij me het meest sympathiek.  Chopin speelt hij even goed als Beethoven en Schumann. Kortom: hij is het summum van pianistiek, maar toch ook weer niet onfeilbaar.  Ik ben er getuige van geweest hoe hij zich een keer enorm vergaloppeerde. Hij vertrouwt te veel op zijn geheugen en bereidt zich niet genoeg voor. Hij speelt alles uit het hoofd, en wat voor een programma’s  zijn dat! Bij alles slaat hij beslist de spijker op zijn kop. En dan zijn aanslag! Je zou de laatste twee delen uit de Mondschein-sonate eens van hem moeten horen zoals hij daar de arpeggio’s in de rechterhand laat opkomen, zo licht en pianissimo, en dan pats, boem de beide akkoorden neemt. Bij de gavottes, Gigues en suites van Bach glijdt er een schalkse lach over zijn gezicht en hij voegt de meest potsierlijke grappen toe.  Hij ziet heel goed waar het op aankomt en dat  zorgt ervoor, dat je het zelf ook gaat zien. Misschien beschrijf ik zijn uitzonderlijke niveau het best wanneer ik zeg, dat hij de indruk maakt alsof hij het instrument alleen maar gebruikt om ideeën uit te drukken. Je vergeet bij hem de piano totaal en bent alleen maar met de inhoud van het stuk bezig.

  • Rubinstein hebben jullie al gehoord. Volgens velen is hij de gelijke van Liszt. Ik begrijp echt niet dat jullie hem ongevoelig vonden spelen, want hij is hier juist beroemd van wege het vuur en de hartstocht die hij in zijn spel legt, zijn levendige fantasie en zijn unieke vindingrijkheid.  Volgens mij snijden Tausig, Bülow en Clara Schumann eerst een stuk volledig op maat voordat ze het uitvoeren; bij Rubinstein gebeurt dat op het moment zelf. Hij speelt zonder plan.  Misschien hoorden jullie hem ’s  middags spelen en was hij niet in de stemming. Als componist staat hij ver boven de andere drie. Tausig leek meer op Liszt in de vrijheid die hem zo eigen was. Daarom was hij een betere Chopin-vertolker dan wie dan ook, Liszt natuurlijk uitgezonderd. Nooit zal ik zijn interpretatie van de ballade in g klein van Chopin vergeten, een goddelijke compositie, die hij met warmte en hartstocht speelde, zo poëtisch dat hij werkelijk de toehoorders met betovering vervulde en er enkele minuten verstreken voordat er applaus klonk. Het was als een in de lucht zwevende droom van schoonheid die men niet waagde te onderbreken. Tausig had een grote liefde voor Chopin, en zou hem graag gekend hebben. Naar mijn idee had hij meer virtuositeit en toch ook een subtieler gevoel dan Bülow of Rubinstein.  Zijn aanslag, zijn perfectie ging alles te boven. Maar hij bleef onaangedaan, tenminste in de concertzaal, behalve wanneer hij Chopin speelde. Helaas had ik destijds nog te weinig gestudeerd om mij voor gerechtigd te houden hem te bekritiseren. Ik twijfel eraan of hij de ‘erfgenaam van Liszts spel’ zou zijn geworden, want in de winter waarin hij gestorven is, zei Kullak tegen me dat zijn spel van jaar tot jaar droger werd, waarschijnlijk door zijn ziekelijke afkeer van ‘spektakel’ zoals hij het noemde, terwijl Liszt zich altijd door zijn emoties liet meeslepen.

  • De Philharmonie-concerten vinden hier elke dag plaats terwijl niemand naar de enkele pianorecitals gaat. De kleine Laura Kahrer, nu mevrouw Rappoldi, die ik in Weimar bij Liszt hoorde, wilde met haar man, een uitstekend violist,  hier optreden. Ze waagde het evenwel niet omdat alle musici haar zeiden dat ze niet uit de kosten zou komen. Ze speelde nog wel tijdens een Philharmonieconcert, maar sindsdien wilden ze ook daar geen pianospel meer hebben. Het kan niemand wat schelen tenzij Clara Schumann, Bülow of Rubinstein spelen. Ik vond, dat mevrouw Rappoldi voortreffelijk had gespeeld, maar ik stond in deze mening helemaal alleen. Het was een verschrikkelijk fiasco. Iedereen viel over haar heen. De kritiek luidde ongeveer als volgt : mevrouw Rappoldi speelt heel aardig, echt vrouwelijk, maar ze heeft geen toon etc. Arm ding! De volgende dag, toen Schubert bij haar kwam stortte ze bittere tranen en terecht.  Schubert is een van de directeuren van de Philharmonie en via hem  kreeg ze haar engagement. Hij was evenzeer ontstemd over de mislukking als zij. ‘Dat heb je ervan’,  zei hij tegen me, ‘wanneer je mensen aanbeveelt. Wanneer ze niet bevallen moet je alle verwijten op je nemen’.  Hij merkte, dat hij zijn vingers had verbrand. Volgens mij was de enige oorzaak ervan dat mevrouw Rappoldi geen succes had, dat ze er niet charmant uitzag. Ze was niet modieus gekleed en haar haar zag eruit als dat van een Fidschi-eilander. Het publiek lachte al voordat ze begon. Het is waar : ‘kleding maakt ook de vrouw’.

  • Mijn achting  over de menselijke natuur is gedurende mijn reis niet gestegen en deze winter heeft daaraan niets veranderd.

  • Ik realiseer me nu, hoezeer het karakter van de mensen, de mannen even goed als de vrouwen, zonder eigen religie op een dwaalspoor raakt. Ik geloof wel, dat religie in Duitsland een rol speelt, maar ik heb er eigenlijk maar weinig van gemerkt, noch bij protestanten noch bij katholieken, en het resultaat is gewoonweg verschrikkelijk! Een gelijkwaardig middel om de bevrediging van elke drift een halt toe te roepen, is er eenvoudig niet. Jalousie schijnt me de nationale ondeugd van de Duitsers te zijn. Iedereen is op iedereen jaloers, ook al is dat dwaas en ongemotiveerd. Oude vrouwen zijn jaloers op jonge, ja, zelfs zussen zijn in die mate jaloers op elkaar dat ik het niet zou geloven als ik het niet met eigen ogen had gezien.

  • Ik popel nu van verlangen naar huis te gaan en om helemaal voor mezelf te studeren en daarbij zoveel tijd te nemen als ik voor een stuk nodig heb.

  • Vertaling : Spijkenisse,

  • woensdag 12 oktober 2016










































AMY FAY (1844-1928)

Amelia Muller Fay was een Amerikaans concertpianiste, manager van de New York Women’s Philharmonic Society en schrijver van interessante memoires over het muziekleven in Duitsland rond 1870.

Ze studeerde aanvankelijk piano bij John Knowles Paine in Harvard en aan de New England Conservatory of Music.

Tussen 1869 en 1875 studeerde ze in Duitsland bij Tausig, Kullak, Liszt en Deppe.

Terug in Boston gaf ze pianorecitals die ze vooraf liet gaan door een causerie over de te spelen muziek. Uiteindelijk verhuisde ze naar Chicago en New York waar ze in 1928 overleed.




Music study in  Germany, 1880


Precies veertien dagen nadat ik vertrok uit New York, ben ik eindelijk hier gearriveerd op het adres Bernburgerstrasse 26.  Mevrouw F, en haar dochter begroetten me uiterst hartelijk, zodat ik me al dadelijk echt thuis voelde. Wat Duitsers onder een ‘grote kamer’ verstaan, dat vind ik maar merkwaardig. Deze kamer meet namelijk niet meer dan nog geen vier bij vier meter. Daarvan is dan nog een hoek uitgespaard, zodat hij een onregelmatige vorm heeft. Toen ik hem voor het eerst binnenging, dacht ik er niet in recht op te kunnen staan, zo klein kwam hij op mij over. Maar bij nader inzien ontdekte ik dat iedere centimeter zo ingenieus is benut dat ik tot de overtuiging kwam, dat ik er heel behaaglijk in zou kunnen wonen. Toch is het niet een vertrek ‘waarin de nieuwste roman open geslagen op de tafel ligt en waar de in charmante pantoffeltjes  stekende voetjes op een zijden kussen rusten’. Nee, het is eerder de stemmige woning van de muzen.

Er is hier in Berlijn zoveel te zien en te horen, dat je, wanneer je maar geld genoeg hebt, iedere avond zonder onderbreking opera’s toneelopvoeringen en heerlijke concerten kunt bijwonen.

Zondag en dinsdagavond hoorde ik Clara Schumann spelen.  Ze is een fantastische kunstenares. 



Bij het eerste concert speelde ze in een kwartet van Schumann. Je kunt je voorstellen wat een perfecte uitvoering dat was : Clara Schumann aan de piano, Joachim op de viool, De Ahna op de altviool en Müller op de cello.  Het programma was bij beide concerten erg omvangrijk en mevrouw Schumann kreeg alle gelegenheid haar kunstzinnigheid in elk genre van muziek maximaal te ontplooien.  De moeilijke impromptu op 90 van Schumann speelde ze prachtig en vol hartstocht, het tweede van de Lieder ohne Worte van Mendelssohn klonk elfjesachtig. Het is een van die stukken die met de grootste souplesse en elegantie moeten worden weggespeeld met een fijnzinnige, delicate techniek. Ze speelde het stuk perfect. Het lastig scherzo van Chopin – briljant, maar ik geloof  dat ze de grote octavenpassages in de bas een beetje te onderbelicht speelde. Naar mijn smaak speelde ze het gehele stuk niet pittig genoeg, maar wel buitengewoon kunstzinnig. Haar spel is erg objectief.  Ze maakt op mij de indruk in de muziek te duiken eerder dan zich door de muziek te laten meeslepen. Met iedere toon die ze aanslaat verschaft ze de luisteraar een exquis genoegen, want ze heeft een bewonderenswaardige visie op  en variatie in haar spel, maar ze brengt mensen zelden in vervoering.


Bij het tweede concert was ze zo mogelijk nog beter in vorm. Ze leek in vuur en vlam te staan.  Zoals ze Bach speelde, had ze met diamanten gekroond moeten worden. Wat een voornaam spel!  Ze maakte veel indruk met haar intelligente vertolking en de noblesse en resonantie van haar spel. Je zou haar toonladders eens moeten horen! Kortom, er is bij haar niets meer te wensen, ze bezit alle kwaliteiten van een groot kunstenaar.  Veel mensen beweren, dat Tausig een nog groter pianist is, maar dat kan ik niet geloven. Misschien heeft hij meer techniek en meer power, maar daar blijft het dan ook bij.  Iedereen is vol van zijn spel en ik wacht vol ongeduld op zijn terugkeer volgende week. Wat Joachim betreft, hij speelt fenomenaal en met een verbazingwekkende kracht. Toen hij zijn solo speelde, de tweede chaconna van Bach, zou je denken dat je meer dan één viool hoorde.  Net als Clara Schumann bezit ook hij een grote verscheidenheid van toon.   De fijne schakeringen kunnen op de viool nog veel subtieler worden uitgevoerd dan op de piano. Het tweede deel van Schumanns kwartet lukte bij mevrouw Schumann het allerbeste.  Het klonk zeer snel, zeer staccato en van begin tot eind pianissimo. Ze miste geen toon en speelde zo boeiend dat men nauwelijks kon adem halen totdat ze aan het eind was. Je weet dat er eigenlijk niets lastigers bestaat dan moeilijke stukken zachtjes en staccato uit te voeren.  De sonates voor viool en piano die Schumann en Joachim verder nog speelden, klonken goddelijk, vooral die van Beethoven in a klein. De een inspireerde de ander. Deze twee concerten maakten mijn  lange tocht over de Atlantische Oceaan al goed.

Denk je eens in, hoe gemakkelijk het er hier aan toegaat bij officiële vormen van vermaak : dames kunnen overal alleen naar toe. Je neemt gewoon een koets en rijdt voor ongeveer 15 cent naar elk willekeurig theater of concert.  Bij aankomst in de Singakademie kom je eerst in de garderobe, waar je je eigendommen aan de garderobière ter bewaring kunt overhandigen. Dan ga je naar binnen en zit even gemakkelijk als in een huiskamer zonder oververhit te raken  in je mantel en je hoed en te bevriezen als je weer buitenkomt, zoals in Amerika het geval is. Ook zijn hier de programma’s niet zo onzinnig lang als die bij ons. De hele aanpak van de concertorganisatie is trouwens  verstandiger dan die van ons. Ik ben altijd graag in de garderobe want wanneer je kennissen heeft, kom je ze daar tegen en je kunt je niet voorstellen hoe aangenaam deze ontmoetingen in een vreemde stad zijn!





Pas zondagavond is Tausig naar Berlijn teruggekeerd. Ik heb hem nog niet gezien, hoewel ik daar wel erg naar verlang, want alle Duitsers zijn in extase vanwege zijn spel. De meeste studenten in de pianoklas van Tausig studeren voor hun openbare optreden en volgens mij kan hij erg trots zijn op al diegenen die ik heb gehoord. Van de vele leerlingen op zijn conservatorium geeft hij alleen maar de meest gevorderden les. De meisjes in zijn klas zijn vreselijk bang voor hem en wanneer hij boos wordt, zegt hij tegen hen : ‘U speelt als een rinoceros’ en meer van dat soort aardigheden.


Nu heb ik Rubinstein en Tausig tijdens een concert gehoord. Ze spelen allebei fantastisch, maar totaal verschillend. Rubinstein toont bij zijn spel de grootste kracht en passie die men zich kan indenken en hij weet buitengewoon te enthousiasmeren. Ik heb nog nooit iemand gezien die schijnbaar zonder enige moeite piano speelt. Het is alsof hij met zijn piano grappen maakt en ermee kan doen wat hij maar wil. Tausig is daarentegen uiterst terughoudend, hij heeft niet genoeg speelplezier. Toch speelt hij absoluut vlekkeloos en met een intense uitdrukking. Bevalligheid en verfijning van uitvoering zijn  zijn opvallendste eigenschappen, maar het komt me voor dat hij in de concertzaal paal en perk stelt aan zijn volume, wat heel opvallend is , omdat hij louter passie is wanneer hij aan het conservatorium zijn pianoklassen voorspeelt. Zijn opvatting is zo subtiel, dat hij daarin soms een beetje te ver gaat, terwijl Rubinstein zich bij tijd en wijle wel heel erg laat gaan.

Tausigs programma luidde als volgt :

  • Sonate op 53                           Beethoven
  • A. Bourrée                               Bach
  • B. Presto scherzando                Mendelssohn
  • C. Barcarole op 60                   Chopin
  • D. Ballade op 47                      Chopin
  • E. Twee mazurka’s op. 59 en 33   Chopin
  • F. Aufforderung zum Tanz        Weber

    3. Kreisleriana op 16                   Schumann

        Acht Phantasiestücke              Schumann

  • A Ständchen van Schubert       Liszt
  • B Hongaarse Rhapsodie            Liszt

  • Tausigs octavenspel is het meest perfecte dat ik ooit heb gehoord. Het laatste grote effect in zijn programma was een octavenvariant in de rhapsodie van Liszt. Hij speelde die eerst zo pianissimo, dat men hem nauwelijks kon horen; daarna herhaalde hij die passage, maar dan vreselijk luid. Het was kolossaal!  Zijn toonladders overtreffen nog die van Clara Schumann, alsof hij met vingers van zijde speelde, zo delicaat is zijn aanslag. Hij vertolkte ook de grote sonate in E op 109 van Beethoven, je weet wel, het lievelingsstuk van Moscheles. Zijn interpretatie was niet, zoals ik eigenlijk verwachtte, briljant, maar eerder erg rustig en dromerig. Met name deel 1 nam hij helemaal piano.  Hij speelde de sonate erg mooi, maar toch was ik niet helemaal tevreden met het laatste deel. Ik dacht, dat hij een grote climax in de pathetische trillers zou leggen, maar dat deed hij niet. Chopin speelt hij goddelijk en de kleine bourrée van Bach die jullie  mij altijd hebt horen spelen, was onvergelijkelijk  mooi. Als een bliksemflits schoot het weg, betoverend fraai ! Al met al is hij een groot kunstenaar. Zijn handen zijn zo klein dat ik me afvroeg hoe hij in staat was zo’n immense virtuositeit ten toon te spreiden. Hij is pas 30 jaar oud, dus veel jonger dan Rubinstein en Bülow.

  • De dag na Tausigs concert ging ik zoals gebruikelijk naar zijn hoogste klas om mijn oor te luisteren te leggen. Ik kwam een beetje te vroeg en de meisjes wachtten in de kleedkamer tot de jongens met hun les klaar waren. Ze praatten na over het concert. ‘Was het niet fantastisch?’, zei de kleine Timanoff tegen me.  ’Ik kon de hele nacht niet slapen’, een blijk van gevoeligheid die me bij dat kleine persoontje erg verraste en bij mij een soort van schuldgevoel opriep, omdat ik voortreffelijk had geslapen. ‘ Ik heb er vandaag al vijf uur op gestudeerd’,  voegde ze eraan toe. Toen kwamen de jongens van les en wij gingen naar binnen. Tausig stond bij de piano en zei tegen Timanoff nog korter dan gewoonlijk : ‘ Begin maar, ik hoop dat je vandaag ook een etude voor me hebt meegebracht’. (Hij wil altijd een etude bij het andere stuk).  Timanoff  knikte en opende de bundel met Chopins etudes waarvan ze de grote ‘Winterwind’- etude in a klein met brille en verve speelde. Ik stond absoluut perplex van zoveel virtuositeit bij zo’n kind en verwachtte dat Tausig zich bewonderend over haar spel zou uitlaten. Dat was bij deze Rhadamantys echter niet het geval. Hij luisterde zonder opmerkingen of correcties te maken en toen Timanoff klaar was met het stuk, zei hij op rustige toon : ‘Zo, heb je ook de volgende etude bij je ?’ . Alsof die grote etude in a niet genoeg voor een maaltijd was! Ten eerste, om alleen maar dat te noemen, is het een stuk van acht pagina’s  en bovendien van begin tot eind vol van moeilijkheden.  Later zei hij tegen de anderen, dat hij het stuk zelf niet beter zou kunnen spelen.

  • Tausig is zo heetgebakerd en ongeduldig, dat het voor hem een kwelling moet zijn in zijn klassen te vertoeven.  Hij kan de geringste fout niet eens verdragen.  De laatste keer dat ik als toehoorder aanwezig was, gedroeg hij zich vreselijk. Mejuffrouw H. begon te spelen. Ze heeft opvallend veel talent en is al veel verder dan ik. Ze speelde hem niet zachtjes genoeg en uiteindelijk stampte hij met zijn voet op de grond, rukte haar hand van het toetsenbord en zei : ‘ Wil je nou piano leren spelen of niet?  Zo niet, dan stoppen we ermee. ‘ Het volgende meisje  ging zitten en speelde enkele maten; hij liet haar steeds weer opnieuw beginnen, stond eindelijk op, nam het muziekboek van haar af en gooide dat op de piano en zei : ‘Wekenlang heb je dat gestudeerd en je kunt er nog steeds geen noot van spelen. Oefen er nog maar een maand op en komt dan maar terug’.
  • De derde was mejuffrouw Timanoff die ik als een klein genie beschouw. Ze had een sonate van Schubert bij zich, die mooie in a klein, en te oordelen naar zijn reactie moet Tausig voor deze sonate een bijzondere voorliefde hebben. Timanoff begon het door te spelen, nogal snel zoals bij haar gebruikelijk. Ze had het stuk sinds haar laatste les kennelijk iedere minuut van haar tijd geoefend, uitgezonderd de tijd dat ze sliep. Ze was nog niet ver gevorderd op de eerste pagina toen hij haar onderbrak en de draak stak over haar interpretatie.  Ze begon opnieuw, maar zonder beter resultaat. Een derde keer en weer was hij ontevreden hoewel hij haar wat verder had laten doorspelen. Hij onderbrak haar ieder ogenblik op de meest krenkende manier. Wanneer ik het was geweest, was ik in tranen uitgebarsten, maar Timanoff was eraan gewend en bloosde alleen maar tot over haar oren. Ze veranderde van lichte appelbloesem in donker rozenblad. Tausig werd steeds ongeduriger en liet haar in zijn ongeduld hele pagina’s  overslaan. ‘Speel hier maar verder’, beval hij haar bars en wees een halve of hele bladzijde verder aan, ‘dat is niet om aan te horen, verder, dat is te vreselijk om aan te horen’ . Tenslotte sloeg hij met de rug van zijn hand op het muziekboek en riep vertwijfeld uit : ‘ Kind, er ligt een ziel in die muziek,  weet je dan niet dat er een ziel in ligt?’.  De kleine Timanoff die geen ziel heeft en nog niet genoeg ervaring heeft om een ziel te huichelen, kon voor die woorden geen begrip opbrengen. Ze speelde even gladjes verder als eerst tot Tausig het niet meer uithield en het boek dichtsloeg. Ik was teleurgesteld, dat was nieuw voor me en ik hield ervan Timanoffs kleine vingertjes over de toetsen te zien glijden. Ziel of geen ziel, ze heeft de zuiverste manier om alles te kunnen spelen en in zekere zin hoeft ze van mij naast haar gezonde kleine hersentjes helemaal geen ziel te hebben!

  • Als laatste speelde mejuffrouw L. en alleen zij kon Tausig tevreden stellen.  Ze is Zweedse en is zijn beste leerling, maar ze heeft zo vreselijk lelijke handen en ook haar handhouding is zo miserabel, dat ik geen vreugde meer aan haar spel beleef, wanneer ik naar haar kijk. Tausig prijst haar telkens hemelhoog, en ze is vreselijk eerzuchtig.
  • Tausigs gezicht is heel sympathiek, vol uitdrukking en gevoel. Hij ziet heel scherp en volgens mij heeft hij ogen in zijn rug. Om iemand te betoveren, daarvoor is hij te klein en te parmantig.  Maar wanneer hij in een goed humeur is kan zijn persoonlijkheid mensen echt boeien.  







  • Na mijn laatste brief heb ik Rubinstein nog eens kunnen beluisteren. Hij is de meest sensationele pianist die ik ken en hij heeft net zoals Gottschalk zijn eigen subtiliteiten. Hem te horen spelen is enorm enerverend, zodat ik tijdens zijn laatste concert al bij het eerste deel – een lange compositie van Schubert – hevige hoofdpijn kreeg en de andere programmaonderdelen niet meer met plezier kon aanhoren.  Hij heeft een reusachtige fantasie en is buitengewoon poëtisch en origineel, maar voor een heel concert is hij gewoon te overweldigend. Geef mij maar Rubinstein voor enkele losse stukken, maar Tausig voor een hele avond.  Hoeveel noten hij mist, daarom maakt Rubinstein zich niet druk als hij maar zijn interpretatie goed kan overbrengen. Tausig speelt elke noot met de grootste precisie en misschien maakt zijn perfectionisme wel, dat hij soms nogal kil overkomt. Rubinstein speelde Schuberts ‘Erlkönig’ in een bewerking van Liszt, fantastisch! Waar het kind in paniek raakt, vlogen zijn handen over het toetsenbord en ze lieten het werkelijk krijsen van ontzetting. Je verstart helemaal!

  • Komende maandag speel ik zelf voor Tausig en ik ben ijverig aan het oefenen. De laatste keer prees hij me zeer en zei, dat hij me binnenkort  in zijn reguliere klas zou opnemen, maar hij is zo’n  grillig mens, dat er geen staat op te maken is. Ik speel Scarlatti; daarin is hij ongelofelijk secuur en ik verwacht dat hij mijn kop afhakt. Twee van zijn studentes leren steeds weer dezelfde stukken als ik. Tot een van hij zei hij onlangs : ‘Je speelt als een notenkraker’. Soms is hij heel geestig. Een van zijn studenten speelde onlangs de sonate ‘pastorale’. Tausig zuchtte diep en zei : “Dit zou op een rozentuin moeten lijken, maar zoals jij het speelt lijkt het eerder op een aardappelveld’.

  • Ik verbaas me hier altijd over de lichaamslengte van de Duitsers. Over het algemeen zijn de mensen hier veel groter dan de Amerikanen en je komt hier soms ware reuzen tegen.  In het openbare leven zijn de Pruissen soms ronduit onbeschoft tegenover vrouwen. Soms duwen ze hen zelfs gewoon van het trottoir, simpelweg omdat het hun niet aanstaat ze onder ogen te krijgen.  Ik vermoed dat deze arrogantie een van de ‘voordelen’ van hun militaire opvoeding is. Ze maken aanspraak op het midden van de weg, het trottoir. Waar je dan als vrouw moet lopen, interesseert hun niet.
  • Duitsers zijn van mening, dat je voortdurend moet aansterken en daarom eten ze om het andere uur. Wanneer je hier aankomt, voel je je propvol, omdat je natuurlijk bij elke maaltijd flink eet. Wij in Amerika eten maar drie maal per dag en zijn er daardoor aan gewend veel in één keer tot ons te nemen. Hier nuttigen ze vijf maaltijden en je moet leren per maaltijd maar weinig te eten. Maar het is een goede traditie omdat je telkens opnieuw wat tot je neemt zonder dat het lichaam weer hongerig moet worden.  De Duitse vrouwen zijn  meestal gezet en volslank, vermoedelijk ten gevolge van dit voortdurende aansterken. Men heeft alle gelegenheid hun weldoorvoedzijn op te merken want ze dragen gewoonlijk hun kleding met een vierkante uitsnede om de kraag te sparen. Je ziet ze zelfs op straat met decolletté. Ze zijn niet aantrekkelijk, hebben meestal onregelmatige gelaatstrekken en een onzuivere teint. Het ergste is de manier waarop ze hun gebit verwaarlozen. Ze hebben altijd commentaar op ons, Amerikaanse vrouwen, steeds weer om onze Griekse neuzen, zoals ze dat noemen, en inderdaad, sinds ze er zoveel over spraken heb ik gemerkt dat bijna alle meisjes uit Amerika  rechte en goed geproportioneerde neuzen hebben.  Toch zie je heel veel mooie mannen op straat, veel meer dan bij ons thuis. Misschien daarom, omdat het Pruisische uniform daartoe bijdraagt. Ook geven hun blonde baarden en snorren hun een gedistingeerd uiterlijk.

  • Wat jullie me schrijven over de aanstoot die onze eerbiedwaardige vriend genomen heeft aan een reis naar Het Westen  van een zekere dame omdat die reist onder bescherming van de heer S., ik  vrees dat de gebruiken zich al te zeer in Amerika vastzetten en dat men daar straks even streng zal zijn als hier, waar jongelui van verschillend geslacht nooit iets van elkaar te zien krijgen. Ik beschouw het systeem dat de Duitsers erop na houden  voor ongepast en beledigend. Jonge dames en heren zien elkaar slechts in gezelschap en een jongeman mag nooit een jonge dame bezoeken en mag haar alleen maar zien wanneer de hele familie erbij is.  Je vraagt je af hoe hier überhaupt huwelijken tot stand komen want de sexen schijnen hier volkomen van elkaar gescheiden te leven. Het gevolg daarvan is, dat de meisjes met heel wat dwaze voorstellingen rondlopen. Wat de mannen betreft, weet ik helemaal niet wat ze denken want sinds ik hier ben heb ik hierover nog geen man kunnen spreken. Jullie kunnen je voorstellen dat ik met mijn opvattingen over een gemeenschappelijke opvoeding het ethische systeem van mejuffrouw Ws. voortdurend aan het wankelen breng.  Ze is om zo te zeggen haar leven lang ingeperkt geweest en staat nu natuurlijk helemaal paf van het vrijmoedige standpunt dat ik inneem. Nu ik zoveel van de wereld heb gezien ben ik tot de overtuiging gekomen dat het principe van nieuw-Engeland om hun dochters onafhankelijk te maken en op hun eigen voeten te laten staan, een voortreffelijk uitgangspunt is.  Ik heb als minpunt van het Duitse systeem ervaren dat ze kinderen nooit toestaan zelfstandig te denken. Dat maakt ze zo afhankelijk. Een meisje van dertig jaar weet hier nauwelijks hoe ze de eenvoudigste zaak moet kopen en kan net als een baby niets zonder haar moeder. Het beste principe is het ouderwetse Amerikaanse: ‘ Geef je kinderen een vast idee van plicht en laat ze verder aan zichzelf over!’.

  • Tot gisteren had ik geen enkele vrije dag, want eindelijk kwam ik dan in Tausigs klas terecht en daarom moest ik grondig oefenen. Hij was zo vriendelijk tegen me als iemand maar kan zijn, maar hij is wel de meest veeleisende en ongemakkelijke leraar. Zijn uitgangspunt is iemand aan te vallen en uit te schelden, zelfs als daartoe geen enkele aanleiding bestaat. Je moet je gelukkig prijzen wanneer hij je niet voor de hele klas belachelijk maakt. Samen met juffrouw Timanoff ben ik in zijn klas gekomen, die zo gevorderd is, dat Tausig tegen haar zei, dat hij haar geen les meer wilde geven omdat ze genoeg aan kennis heeft om zelfstandig verder te gaan. Ik presenteerde hem een lang en moeilijk scherzo van Chopin dat ik een maand lang heel zorgvuldig had ingestudeerd en volledig beheerste. Je kunt je voorstellen hoe makkelijk het voor me was te spelen terwijl hij ernaast stond en voortdurend uitriep : ‘Verschrikkelijk! Een belediging voor de componist! Afschuwelijk!  O, God, o, God!’. Ik speelde het werkelijk goed en ging gewoon verder, maar al mijn zenuwen waren gespannen en toen ik klaar was en hij mij met de woorden ‘Helemaal niet slecht’ mijn muziekboek teruggaf, rende ik de kamer uit en brak in tranen uit. Hij kwam me dadelijk achterna en zei koeltjes : ‘ Waarom huil je , mijn kind? Je hebt helemaal niet slecht gespeeld’. Ik zei hem, dat ik niet anders kon, ‘wanneer hij op zo’n manier tegen me sprak’. Hij scheen zich er niet van bewust te zijn, dat hij iets beledigends had gezegd.

  • Duitsers weten niet wat het is terneergeslagen te zijn, en denken dat je altijd maar je gelijkmoedigheid kunt bewaren. Ze halen het bloed onder je nagels vandaan met hun ‘ Wat is er dan aan de hand?’ wanneer er niets aan de hand is, behalve dat men zich in een toestand van ontevredenheid bevindt met alles en iedereen. Voor stemmingen hebben ze absoluut geen antenne. Hun gevoelen is altijd hetzelfde, het hele jaar door.

  • De Duitse huizen zijn zo ongemakkelijk als je je maar kunt indenken.  Alleen  nieuwe woningen hebben gas en waterleiding en al het comfort dat onze huizen ook hebben.  Geen tapijten op de vloer, ongemakkelijke stoelen met hoge leuningen, een klein vuur in de kachel bij koud weer etc. De kamers hebben geen garderobe en men maakt gebruik van plompe kasten met houten pinnen in plaats van haken, zodat wanneer je er één kledingstuk uitneemt, alle andere ook naar beneden vallen.  Kortom, de Duitsers lopen vijftig jaar op ons achter. Natuurlijk hebben de rijken  kostbare huizen, maar ik heb het hier over mensen in gewone omstandigheden.  Hoe vaak denk ik aan het solide comfort van de huizen in Cambridge. Daar weet men wat leven is.  Wat zal me een goede middagboterham smaken, wanneer ik terugkom! Dit is het land waar datgene wat wij ‘family dinner’ noemen, onbekend is. Ze nuttigen vijf keer per dag een maaltijd, maar nooit een volledige. Het vlees is afschuwelijk en ik weet nooit van wat voor dier het afkomstig is. Bij de avondboterham krijg ik twee gekookte eieren – ik kom dus niet om. Maar zijn biefstukken vertrokken naar het land van de dromen? Is een kalkoen slechts een fantoom van mijn haperende inbeeldingskracht?  Het brood is voortreffelijk en de boter ook, maar de mens leeft nu eenmaal niet van brood alleen. De heer F. vertelt zelfs dat men hem in zijn pension peren-, kersen- en pruimensap geeft!



  • Kullak is als leraar niet half zo verschrikkelijk als Tausig. Het heeft het grootst mogelijke geduld en met zijn zachtmoedigheid helpt hij je vooruit te komen. Tausig houdt maar niet op je uit te schelden en in je oren te toeteren dat je spel afschuwelijk is, waarvan je je zelf trouwens ook maar al te zeer bewust bent. Wanneer Tausig op zijn ongeduldige  manier ging zitten en paar maten aansloeg en dan  van mij verlangde, dat ik het net zo zou doen, kreeg ik altijd maar het gevoel alsof iemand me opdroeg de hoekige bliksemflits na te doen met het natte eind van een lucifer. Tijdens de laatste les die Tausig me gaf, was hij overigens bijzonder vriendelijk en veranderde hij volledig van toon. Ik geloof, dat het hem speet mij in de voorafgaande les aan het huilen gemaakt te hebben.  Want op het ogenblik dat ik ging zitten om te spelen, draaide hij zich naar zijn klas toe en maakte wat komische opmerkingen over deze ‘sentimentele Amerikaanse ladies’.  Toen ging hij bij me staan en gedroeg zich tegenover mij uiterst voorkomend. Toen ik mijn stuk had voorgedragen,  ging hij zitten en speelde hij mij het hele stuk voor, iets wat hij zelden deed, voegde een perfecte dubbeltriller toe en eindigde met een heel eigenaardige wending, waar in hij zijn virtuositeit nog eens voor mij liet schitteren. Eén ogenblik was dat maar, want hij is veel te trots en heeft veel te veel minachting voor effectbejag; hij nam dan ook direct gas terug. Het was, alsof zijn vingers tegen zijn zin in een triller waren uitgebroken en alsof hij ze met groot geweld weer moest terug trekken.  Wat is hij toch een merkwaardig en raadselachtig persoon! Kullak van zijn kant is een absoluut voortreffelijk kunstenaar, wat ik aanvankelijk niet dacht. Hij had ooit een grote reputatie als pianist en ik dacht, dat hij die reputatie niet waar kon maken omdat hij een einde had gemaakt aan zijn concertpraktijk. Nu merkte ik, dat ik me erg vergist had. Zijn spel doet totaal niet onder voor dat van Tausig.  Waarom hij is opgehouden in het openbaar te spelen, is me volkomen onbegrijpelijk. Men zegt dat hij te gestressd is. Zoals alle kunstenaars is hij een boeiende persoonlijkheid vol grillen. Hij weet alles wat op muziek betrekking heeft. Wanneer hij les geeft, staan er twee vleugels naast elkaar, aan de ene zit hij, aan de andere ik. Ieder stuk dat hij je aanleert, kent hij uit het hoofd, soms speelt hij mee, soms speelt hij me wat voor en demonstreert me alle soorten van passagespel.  Ik krijg steeds meer respect voor hem. Het instuderen van het Beethovenconcert  heeft me ongelofelijk veel plezier gedaan.  Hij nam namelijk de orkestpartij over.  Je kunt je indenken, wat dat voor mij betekende! Een zo groot kunstenaar aan het tweede klavier! Binnenkort ga ik een concert van Chopin instuderen.

  • Mevrouw von Staël had gelijk toen ze zei dat in Duitsland de etiquette zeer streng is. Die geldt als wet en iedereen moet voor haar buigen. Welke ander volk zou er bijvoorbeeld aan vasthouden dat een gezelschap van twaalf tot twintig mensen, meestal getrouwd en van middelbare leeftijd of ouder, om acht uur ’s avond bijeen komt en tot vier uur ’s ochtends blijft?  Ik hield het bijna niet meer uit van verveling en uitputting.  Maar ze zouden het me allemaal erg kwalijk nemen, wanneer ik er niet naar toe ging. Er is geen ontkomen aan.  Met verschrikkelijke hoofdpijn kwam ik thuis.  Bij een dansavond houdt de actie je wel wakker. Maar drie uur voor het avondeten bij elkaar zitten  met veel oudere mensen die jou niets interesseren, te moeten converseren in een vreemde taal, waar men zelfs in zijn eigen taal geen succes zou hebben, dan weer drie uur aan tafel te zitten en daarna misschien nog een uur, nee, dat is teveel voor een Amerikaans gemoed.  Inwendig ben ik  woedend, wanneer ik er aan denk, hoe makkelijk ik in Cambridge om negen uur in de wagen sprong om met mensen een avondje door te brengen en dan om half elf of half twaalf weer thuis te zijn.  Deze lange avonden houden datgene in wat Duitsers ‘gemütlich’ noemen.  De Fransman zou zeggen ‘assommant’ en hij zou volkomen gelijk hebben.



  • Konden jullie Joachim maar eens horen!  Ik was gisteren aanwezig bij zijn derde soirée. Hij is absoluut het wonder van de eeuw.  Ik kan niet over hem vertellen zonder in extase te raken.  Betoverend klonk een kwartet van Haydn. Het adagio speelde hij wondermooi. Hij haalt zo’n mooie klank uit zijn viool, dat het je door merg en been gaat.  Het derde deel was een gigue, een en al vrolijkheid.  Het vloog weg als een kwetterend vogeltje en hij speelde elke noot zo duidelijk èn zo snel, dat de mensen buiten zichzelf raakten en het bijna onmogelijk was stil te blijven. Een donderend ‘da capo’ klonk. Joachim is zo’n  durfal!  Je kunt je geen voorstelling maken van zijn streektechniek, noch van de tonen die hij aan zijn viool ontlokt. Hij speelt de grootste tours de force waarbij zijn vingers als een razende over zijn viool gaan net als bij Tausig de vingers over het toetsenbord razen. Zo vrij! En dan zijn muzikale visie! Het is alsof Beethoven in levenden lijve was opgestaan!



  • Onlangs hoorde ik een pianiste die op het punt staat zeer beroemd te worden en meesterlijk speelt. Het is mevrouw Menter uit München.  Ze was ooit leerlinge van Liszt, Tausig en Bülow. Wat een leraren!  Ze is bijzonder mooi en ziet er allercharmantst uit wanneer ze aan de piano zit en het ene stuk na het andere voordraagt. Ik ben vreselijk jaloers op haar.  Ze speelt alles uit het hoofd, heeft een enorme muzikaliteit en gaf alleen maar soloconcerten. Er werden  enkele liederen  en tenslotte speelde Tausig met haar aan de tweede vleugel.  Wanneer je zo goed speelt, dat zo’n voortreffelijk kunstenaar een stapje terug doet, dan heb je echt wat in je mars! Het was zo’n  fijn moment, toen men haar terugriep. Hij gaf haar een teken om voor hem uit te gaan. Ze keek vragend op en ging één trede lager dan hij verder. Hij moest een beetje lachen en applaudisseerde zo enthousiast voor haar als ook maar iemand in het publiek  had kunnen doen.  Ik vond het erg galant van hem gewoon te blijven staan en voor het hele auditorium in zijn handen te klappen en niets van de bijval op zichzelf te betrekken, hoewel zijn partij even zwaar was als die van haar en hij de grotere kunstenaar was.  Toch heeft ze een enorme indruk op me gemaakt; ze staat ver boven de dames Mehlig en Topp.

  • Hebben jullie mijn brief aan A.S. gelezen waarin ik vertelde over Aline Hundt die een symfonie componeerde en dirigeerde?  Dat is voor vrouwen toch een echte stap voorwaarts op de weg van de muziek! De mannen waren allemaal van hun stuk omdat men haar had toegestaan het orkest zelf te leiden.  Ik hield het eigenlijk ook niet voor passend, hoewel ik geen vooroordelen heb. In elk geval staat het voor een vrouw gewoon niet met een dirigeerstok in de hand een gezelschap mannen te dirigeren.
  • Wagner was in Berlijn. Zijn aankomst veroorzaakte grote commotie in de muziekwereld. Hij werd met uitzinnig enthousiasme ontvangen  en de ovaties te  zijner ere namen maar geen einde. Eerst hadden Tausig en enkele andere musici van naam een souper voor hem georganiseerd. Daarna  vond zondag veertien dagen geleden een concert plaats in de Singakademie met vrije toegang voor iedereen. Omdat de zaal maar plaats heeft voor 1000  personen, is het niet zo gemakkelijk om aan de gratis kaartjes te komen. Ik probeerde het niet eens, maar had het geluk dat de heer Waitzmann, een oude vriend van Wagner, me er één stuurde.

  • Het orkest was zeer omvangrijk en zorgvuldig samengesteld uit alle orkesten van Berlijn.  Stern die  dirigeerde, had zich daar ongelofelijk voor ingespannen. Wagner stelt enorm hoge eisen. Zo was hij bij voorbeeld hoogst ontevreden over het Gewandhaus-orkest van Leipzig dat zichzelf als het beste ter wereld beschouwt; natuurlijk zaten de Berliner nogal te beven.  De zaal was overvol en eindelijk kwamen Wagner en zijn vrouw binnen, voorafgegaan en gevolgd door verschillende gerenommeerde musici. Toen hij binnenkwam ging het publiek staan, het orkest begroette hem met een driemalige juichkreet en allen schreeuwden : ‘hoch, hoch!’. Je kreeg er gewoon kippevel van.

  • Het concert begon om 12 uur en werd ingeleid door een begroeting door mevrouw Jachmann-Wagner, een nicht van Wagner en Hofschauspielerin alhier. Ze is een aantrekkelijke vrouw, ‘fair, fat, and forty’ en ze spreekt perfect. Aan het einde brak ze in tranen uit. Ze schreed naar beneden  de estrade af en ging met een lauwerkrans voor Wagner staan en kuste hem.  Daarna speelde het orkest Wagners Faust-ouverture bijzonder mooi en daarop de feestmars uit ‘Tannhäuser’.  Aan de bijval kwam maar geen einde. Wagner besteeg de estrade en sprak een kleine rede uit waarin hij de musici en Stern zijn dank betuigde  en zich daarna pas tot het publiek wendde. Hij sprak zeer snel en op die naieve manier die alle grote musici eigen schijnt te zijn. Als bewijs van zijn ‘tevredenheid’ vroeg hij de musici de Faust-ouverture nog eens te spelen, maar dan onder zijn eigen leiding.  We stonden allemaal op de punt van onze tenen om hem te zien dirigeren en dat was werkelijk opzienbarend : hij controleerde het orkest als of het een afzonderlijk instrument was waarop hij speelde. Hij gaf niet  –zoals de meeste dirigenten doen – alleen maar de maat aan, maar bediende zich van allerlei kleine tekens om duidelijk te maken wat hij wenste.

  • Voor de mensen  in het orkest was het lastig om hem te volgen en ze moesten hun ogen wijd  open houden. Hij hield ze eerst in toom om het aarzelen en speculeren van Faust in muziek weer te geven, en daarna, toen Mephisto optrad, liet hij de teugels vieren tot een oorverdovend crescendo.  Het klonk alsof de hel zich plotseling onder onze voeten opende. Bij het verschijnen van Gretchen klonk een zoete, adembenemend mooie melodie, en zo ging het verder, als een reeks van afbeeldingen.  Het effect was geweldig.

  • Ik had een van de beste plaatsen en keek voortdurend neer op Wagner en zijn vrouw. Hij heeft een enorm voorhoofd en maakt een bijzonder nerveuze indruk, meer dan men zich kan voorstellen. Anderzijds bezit hij dat type mond, dat blijk geeft van een ijzeren wil.  Wanneer hij dirigeert, is hij bijna buiten zichzelf van opwinding. Dat is waarschijnlijk een van de oorzaken dat hij als dirigent zo groot is, want zijn vervoering deelt zich ook aan het orkest mee. Iedereen speelt  als onder invloed van een plotseling ingeving.  Hij maakt absoluut de indruk met zijn orkest te improviseren.

  • Wagner is hier heen gekomen omdat hij zijn ‘Nibelungen’ hier wilde uitvoeren. Dat is een cyclus van opera’s  die vier avonden in beslag neemt. Heb je ooit zoiets gehoord?  Bij alles wat hij schrijft legt hij zulke kolossale maatstaven aan.  Het deed me denken aan die anekdote die over hem als kind wordt verteld : hij was een groot bewonderaar van Shakespeare en wilde drama’s  schrijven zoals hij; zo schreef hij een toneelstuk waarin hij de in de laatste acte veertig van de hoofdpersonen liet ombrengen!

  • Er werd hier in het Operahuis een groot concert georganiseerd, dat hij zelf dirigeerde. Het bestond alleen maar uit werken van hemzelf, afgezien van Beethovens symfonie in c klein waarvan hij beweerde, dat niemand behalve hij dit stuk begreep. Dat krenkte de Berliner nogal, maar iedereen moest na het concert toegeven, dat ze nog nooit zo’n  mooie uitvoering hadden gehoord. Hij heeft zij eigen, bijzondere visie op het stuk. Het was uitverkocht, alle de plaatsen waren al lang tevoren gereserveerd. Alle kunstenaars waren aanwezig behalve Kullak die ziek was.  Op de eerste rij zag ik Tausig zitten bij barones S. Het orkest bestond uit minstens tweehonderd musici.  De bijval werd steeds luider totdat hij zich ontlaadde in een regen van bloemen en kransen.  Het leek erop, dat de gemoederen niet meer tot bedaren wilden komen. Wagner boog en boog en boog.  Aan het einde van het concert volgde een nieuwe bloemenregen en als da capo werd gevraagd om de Keisersmars. Wat een effect!!! Na een lawine van tonen komen de pauzes
  • met een scherp ‘tat-tat-tat’, dan nemen de blaasinstrumenten de melodie over, gaan crescendo verder en blazen tenslotte met zoveel kracht en energie, dat het door merg en been gaat. Het was als een aardbeving.

  • Het was een vreselijk lawaai als het bruisen van de branding. Ik heb nog nooit muziek gehoord die bij benadering hierbij in de buurt komt. Wagner doet me denken aan een reusachtige Triton die plezier heeft met de golven en grote klankgolven van de ene in de andere hand werpt.  Men kan natuurlijk niet zijn gezicht zien, wel zijn rug. Toch weet men alles wat hem bezig houdt, iedere zenuw van zijn lichaam laat dat blijken. Hij laat de instrumenten hun tonen zo verlengen als nooit eerder is gebeurd.  De werking is onbeschrijfelijk mooi en toch beklaagt hij zich erover, dat hij er geen enkel orkest toe kon brengen de toon zo aan te houden, als eigenlijk zou moeten.

  • Aan het einde van het concert was de bloemenzee voor de dirigentenlessenaar zou hoog, dat Wagner niet kon staan, zonder ze te vertrappen. Over het algemeen genomen was het een fenomenale gebeurtenis en een grote triomf voor zijn vrienden.
  • Toch heeft hij ook veel vijanden. Joachim is een van hen hoewel dat onbegrijpelijk schijnt bij een man van zijn muzikale gaven.   Ehlert is ook een geduchte anti-Wagneriaan en de Joden haten hem heel erg.  Misschien speelt zijn karakter daarbij een rol. Hij heeft namelijk zijn leven lang alle wetten van fatsoen, dankbaarheid en moraal aan zijn laars gelapt. Voor jonge kunstenaars is hij een slecht voorbeeld en volgens  mij demoraliseert Wagner hen.  Hier vergeeft men het genie al zijn streken en ik moet zeggen : wij kunnen van Duitsland muziek leren, maar Duitsland  van ons moraal!

  • Het beste concert van dit seizoen werd afgelopen maand door Clara Schumann gegeven.  Ze werd begeleid door Joachim en diens vrouw. Drie topsterren dus! Mevrouw Joachim zingt geweldig; niet , dat ze zo’n  buitengewone stem heeft  want dergelijke stemmen zijn vaak te beluisteren, maar de manier waarop ze die gebruikt grenst aan de perfectie. Ze zingt Duitse liederen zoals alleen maar een Duitse die zingen kan.  Ik ken geen zangeres, die aan haar kan tippen  in die terughoudende, maar perfecte kunst. Ze verovert  niet stormenderhand en toen ik haar eerst meemaakte maakte ze niet veel indruk, maar iedere keer dat ik haar opnieuw hoor zingen, verbaast het me, hoe uitgekiend mooi ze zingt.  Ieder woord heeft een betekenis en daarom verstaat men de taal al voordat men de schoonheid ervan waarneemt.  Een van haar liederen was Schumanns ‘Frühlingslied’  met de snelle agitato-begeleiding.  Ze begon met halve adem en een licht vibrato, als een uit zijn nest weg fladderende vogel en ging dan met een geweldige vrijheid in een portamento de hoogte in. Zoals een leeuwerik die zich in zijn vlucht verheft. Ik zal dat effect nooit vergeten. Het publiek was volkomen buiten zichzelf.

  • Het is niet alleen, dat ze zo mooi zingt, ze is ook nog een echte schoonheid, een soort baby beauty, en wanneer ze verschijnt in een  met haar zwarte haar contrasterende bleekroze zijden robe, haar keizerlijke hals, haar mooie armen onbedekt, is ze eenvoudigweg betoverend. Men beweerde destijds, dat ze heel gewoontjes was, toen Joachim met haar trouwde, en ik twijfel er niet aan, dat het leven met zo’n genie haar ontwikkeld heeft. Dat hij alles overtreft, staat vast. Dit keer speelde hij Beethovens Kreutzersonate voor viool en piano, samen met Clara Schumann!  De meest perfecte uitvoering die je je maar kunt voorstellen!  Ik aanbid Joachim en houd hem voor het wonder van deze tijd. Hem te horen is gewoonweg een belevenis!

  • Vorige week reisde ik met J.S. naar Dresden om B.H. te bezoeken. Ze hebben een charmante woning. Mevrouw H. is de beminnelijkheid zelve en een uitstekende gastvrouw. Ze deed alles wat in haar vermogen lag om ons op een plezierige wijze te onderhouden. Zo nodigde ze om ons een genoegen te doen verschillende keren enkele van haar kennissen  en vrienden uit, onder andere Marie Wieck, de zuster van Clara Schumann. Ik was erg blij haar te leren kennen want ze is zelf kunstenares en speelt in de stijl van Clara Schumann, hoewel haar muzikale visie niet zo interessant is.  Haar aanslag is ongelofelijk mooi. Op verzoek van mejuffrouw B wilde ze ons iets voorspelen, maar de piano was niet naar haar zin en ze stond onmiddellijk weer op terwijl ze zei, dat het op dit instrument niet ging lukken. Wanneer we naar haar toe wilden komen, zou ze het met genoegen doen.


  • Dat voorstel sprak me erg aan, want ik zou heel graag de beroemde Wieck, leraar van zoveel generaties van musici,  leren kennen. Mejuffrouw Wieck stelde de zondagavond voor en wij gingen op pad. B. had ons al gezegd, hoe we ons zouden moeten gedragen, want de oude heer heeft nog steeds zijn eigenaardigheden en men moet zich in zijn gedrag helemaal op hem afstemmen.  We moesten na onze spullen te hebben afgegeven naar binnengaan, alsof we al een leven lang bij de familie hadden gehoord, en dan zeggen : ‘Goedenavond, papa Wieck’. Iedereen noemt hem namelijk ‘papa’.  Dan moesten we gaan zitten en het zou des te beter gaan wanneer we een brei- of naaiwerkje meegenomen zouden hebben. Het moest in elk geval de schijn hebben dat we enkele uren zouden blijven, want niets irriteert hem zo als wanneer er mensen langs  komen om alleen maar een kort bezoekje te brengen. ‘Wat?’, zou hij zeggen, ‘verwacht u een beroemd man als ik in een half uur te leren kennen?’.  En verder (sarcastisch) : ‘Misschien wenst u een handtekening?’. Hij haat het handtekeningen te geven.

  • Goed, we voerden dus het voorgeschreven programma uit. Men leidde ons in een grote kamer die veel langer was dan breed. Aan elk einde stond een vleugel, verder was het vertrek uiterst  eenvoudig gemeubileerd.  Aan de muren hingen enkele portretten en bas-reliefs.  De instrumenten klonken erg mooi. Mevrouw Wieck en ‘papa’ ontvingen ons heel voorkomend.  We dronken eerst thee, maar de oude heer werd al gauw ongeduldig en zei : ‘Vooruit!  De dames willen me wat voorspelen en als we niet gauw beginnen, kunnen we niets tot het einde uitspelen’. Hij leeft helemaal in de muziek en heeft een pianoklas van jonge meisjes die hij elke avond gratis les geeft.  Vijf van hen waren erbij.  Hij is stokdoof maar gek genoeg voor iedere muzikale toon even gevoelig als vroeger, wat ook bij Clara Schumann het geval is.  Mejuffrouw Wieck opende het ‘bal’. Ze is ongeveer veertig jaar oud en komt erg flegmatiek over. Maar ze speelt fantastisch en heeft een bijzonder mooie aanslag.  Wanneer je haar hebt gehoord, verbaast het je niets, dat de familie Wieck denkt,  dat behalve zijzelf niemand de aanslag goed aanleert.  Ze begon met een nocturne in F groot van Chopin. Ik vergat nog te melden, dat de oude heer op zijn stoel zit met een gezicht alsof hij op een troon zat en dat hij ieder stuk dat gespeeld gaat worden, van tevoren aankondigt en achteraf ook commentaar geeft: ‘Deze nocturne liet ik veertig jaar geleden mijn dochter Clara in Berlijn spelen waarop de destijds belangrijkste krant in haar kritiek opmerkte : “Het jonge meisje schijnt veel talent te hebben; het is alleen jammer, dat ze zich in handen van een vader bevindt, in wiens hoofd zich wonderlijke vernieuwingen ontwikkelen”.  Zo vreemd was Chopin destijds nog voor het publiek.

  • Nadat juffrouw Wieck de nocturne had beëindigd, vroeg ik om iets van Bach die ze wonderbaarlijk mooi schijnt uit te voeren. Ze zei, dat ze op dat ogenblik niets van Bach bij zich had, maar dat ze graag een gigue van een componist uit Bachs tijd wilde spelen. Ze noemde hem Haesler, als ik me niet vergis, een voor mij volstrekt onbekende naam. Het was een briljant stuk dat ze heel mooi speelde. Daarop speelde ze het laatste deel uit Beethovens sonate in Es groot. Die uitvoering kon me bepaald niet enthousiast maken. Tijdens de pauze daarop nodigde ze me uit te spelen, maar ik ging daar niet op in, omdat ik een hele week in Dresden had vertoefd zonder te oefenen. Ik wilde niet plaatsnemen zonder mezelf recht te doen. Mijn hand is zo stijf dat ik net als Tausig (hoewel ik het van hem niet geloofde) kon zeggen :  ’wanneer ik veertien dagen niet gespeeld heb, breng ik er niets meer van terecht’.  De oude heer zei :’ Nu gaan we wat anders doen’ en riep de jonge meisjes. Hij liet drie van hen zingen, de één na de ander, en ze zongen inderdaad zeer charmant.  Een van hen liet hij een cadens improviseren, terwijl een tweede de altstem zong zonder begeleiding. Hij was daar erg trots op. Hij vormt zijn leerlingen in elk opzicht, leert ze iedere gegeven toon treffen en de ladder op- en afklimmen, zoals ze de scala noemen.

  • Toen het zingen was afgelopen speelde juffrouw Wieck nog eens drie stukken waarvan één een prachtige bewerking van Liszt was over ‘Du meine Seele’ van Schumann. Ze sloot af met een gavotte van Gluck. Of zoals papa Wieck zou zeggen :  ’Dit is een gavotte uit een van de opera’s  van Gluck, door Brahms voor piano bewerkt. De oppervlakkige beoordelaar zal het tweede deel heel gemakkelijk vinden, maar naar mijn mening is het een zware taak het stuk exact weer te geven’. Gelukkig wist ik hoe het stuk gespeeld moest worden, want ik had het driemaal van Clara Schumann zelf gehoord. Ik was helemaal niet ingenomen met de manier waarop juffrouw Wieck dat stuk speelde omdat ze het tweede deel tweemaal sneller nam dan het eerste. ‘Uw zus speelt dat tweede deel veel langzamer, zei ik.  Ze antwoordde: ‘ Zo, ik heb het haar nooit horen spelen’.  Ze vroeg me daarop : ‘Zo langzaam?’,  terwijl ze het langzamer speelde. “Nog langzamer?’ , terwijl ze een derde maal begon, onder de indruk van mijn kritiek. ‘Precies in tempo’, antwoordde ik terwijl ik als een orakel mijn hoofd bewoog. ‘Vadertje’ , riep ze de oude heer toe,  ‘Miss Fay vindt, dat Clara het tweede deel zo langzaam neemt’ en ze deed het voor. Ik weet niet of deze correctie indruk had gemaakt, maar hij was nu vast besloten mij te laten spelen en toen ik zijn verzoek telkens maar afwees, zei hij  tenslotte, dat hij het uiterst merkwaardig vond, dat een jonge dame die twee jaar aan het conservatorium onder Tausig en Kullak had gestudeerd, geen enkel stuk paraat had, dat ze kon voorspelen.

  • Deze kleine opmerking prikkelde me; ik sprong op, terwijl ik mezelf van binnen toeriep : ‘Hoofd omhoog, borst vooruit, voorwaarts!’. Ik ging aan de vleugel zitten en speelde de slotfuga uit Beethovens sonate in As op. 110. Terwijl ik speelde, zaten ze allemaal in een kring om me heen, zo stil als standbeelden. Jullie kunnen je niet voorstellen, hoe nerveus ik was. Vijftigmaal dacht ik, dat ik erin zou blijven steken. Want het is zoals met alle fuga’s : wanneer je er eenmaal uit raakt kom je er niet meer in. Zelfs Bülow vergiste zich onlangs bij het laatste deel van zijn concert. Maar ik kwam er toch goed doorheen en de oude meester was zo goed me enthousiast te prijzen. Hij zei, dat ik wel veel gestudeerd en veel etudes gespeeld moest hebben. Ik antwoordde hem in hoffelijk Duits : ‘Ich würde mich freuen, wenn er so dächte’.

  • De komende zomervakantie zou ik heel graag bij de Wiecks willen studeren, wanneer ze me tenminste zouden aannemen! Men beschouwt ze in zekere zin als ouderwets in stijl en ik zou ze niet tegen Kullak willen inruilen, maat het zijn zulke veteranen dat ze je hoe dan ook aan veel waardevolle ideeën kunnen helpen.  Papa Wieck was de leraar van Bülow totdat deze naar Liszt ging.



  • Heb ik jullie al verteld hoe enthousiast ik over Bülow was?  Hij speelt perfect en staat midden tussen Rubinstein en Tausig in. Komende zondagavond kan ik weer naar hem luisteren en ik zal jullie mijn uitgebreide mening daarover geven. Hij is beroemd vanwege zijn Beethovenspel en ik zou wel willen, dat jullie zijn Mondscheinsonate hadden kunnen horen. Hij doet iets wat  helemaal bij hem hoort : hij speelt alle delen van een sonate zonder daartussen te  pauzeren. Dat beviel me heel goed, omdat hij daardoor een indruk van eenheid weet te bewerkstelligen, omdat het lijkt alsof het ene deel telkens het andere voorbrengt.

  • Ik zou wel willen, dat L. hier bij Kullaks zoon piano zou kunnen studeren. Hij heeft een kleine charmante leerlinge, 10 jaar oud, met de naam Adele aus der Ohe (is dat niet een mooie oude riddernaam?) en het is wonderbaarlijk wat dit kind presteert. Ze speelde met orkestbegeleiding een concert van Beethoven  met een grote cadens van Moscheles, en dat deed ze bijna perfect. Ze  miste geen noot en volgens mij wordt ze ooit een groot kunstenares als Mehlig. Maar misschien komt ze, net als Mehlig, nooit tot een grootse interpretatie. Je kunt nooit weten hoe deze wonderkinderen zich ontwikkelen.

  • Ik vergat steeds maar jullie het spel van Bülow te beschrijven en het is nu al zo lang geleden dat ik hem gehoord heb, dat mijn indrukken niet meer zo scherp zijn. Hij heeft de kernachtigste, indrukwekkendste stijl die ik tot nu toe heb leren kennen en hij fraseert geweldig. Wanneer je hem hoort spelen, is het alsof je door een stereoscoop kijkt. Alle punten van een stuk schijnen, wanneer je hem hoort,  heel realistisch op te lichten.  Hij doet me in zekere zin denken aan Gottschalk want hij  houdt er dezelfde manieren op na. Zijn gelaatsuitdrukking is trots en uitdagend.  Wanneer hij speelt monstert hij zijn toehoorders om hem heen.  Hij heeft steeds twee vleugels op het podium staan die hij afwisselend gebruikt. Zijn gezicht schijnt het publiek toe te roepen “Jullie zijn allemaal honden en katten en het laat me volkomen koud wat jullie van mijn spel denken”. Soms flitst  er een kostelijke humoristische trek over zijn gezicht vooral wanneer hij een rondo of een vrolijk stuk speelt. Hij oefent een wonderlijke magnetische macht uit en je voelt dat je onder de invloed staat van een ijzeren wil. Veel mensen hebben kritiek op zijn spel en zeggen dat het louter ratio is, maar volgens mij heeft hij in zijn spel veel te veel hartstocht om alleen maar als rationalist te worden betiteld; maar het gaat wel om gecontroleerde hartstocht. Zijn hele leven heeft hij aan de muziek van Beethoven gewijd en hij speelt diens sonates als niemand anders.















  • Gisteren ben ik in Weimar aangekomen en ik bezocht vandaag het theater dat hier erg goedkoop is. De eerste persoon die ik in de loge tegenover ons zag, was Liszt, bij wie ik, zoals jullie wel weten, zo graag les zou willen hebben. Ik vrees dat dat heel moeilijk zal worden want men zegt,  dat Weimar bomvol zit met mensen die juist daarom hierheen zijn gekomen.  Ik herkende Liszt van afbeeldingen van hem. Ik vond het heel interessant hem zo te kunnen observeren. Hij zat met zijn rug naar het podium, zo te zien zonder de minste aandacht voor de muziek, want hij  babbelde onophoudelijk en uiterst charmant met drie dames, van wie er één erg mooi was. Toch ontging hem nog niet de kleinste nuance, wat ik kon opmaken uit zijn gelaatsuitdrukking.


  • Liszt is de interessantste figuur die je je maar kunt voorstellen. Op iedereen die hem ziet, maakt hij een onuitwisbare indruk.  Groot en slank, met diepliggende ogen, borstelige wenkbrauwen en lang grijs haar. Bij zijn mondhoeken gaat zijn mond iets de hoogte in, wat, wanneer hij lacht, aan Mephistopheles doet denken. Zijn hele manier van optreden en uiterlijke verschijning heeft iets  van een jezuïtische luchtigheid en elegantie. Zijn handen zijn erg smal, met lange, slanke vingers die de indruk maken dat ze tweemaal zoveel gewrichten hebben als bij anderen het geval is.  Ze zijn zo bewegelijk en soepel dat het op je zenuwen kan werken, ze te zien.  De fijnheid van zijn manieren is onvergelijkelijk. Toen hij in de loge opstond, legde hij,  na afscheid van de dames te hebben genomen, zijn hand op zijn hart en boog nog een laatste keer, niet geaffecteerd of uit pure galanterie, nee, met een rustige voorkomendheid, die iedereen deed beseffen, dat geen andere manier om voor een dame te buigen, goed en gepast was.  Hij gedroeg zich heel karakteristiek.

  • Moet je horen! Twee dagen geleden ontmoette ik Liszt bij een intieme theevisite die door een van zijn beschermelingen, een oudere vriendin, voor al zijn leerlingen die al waren aangekomen, werd belegd. Ik was ook uitgenodigd. Liszt had beloofd later te komen. We waren met zeven personen, drie heren en vier jonge dames, drie van hen, inclusief mijzelf, Amerikaans.  De meesten hadden  vroeger al bij Liszt gestudeerd en enige van hen zijn al bekende kunstenaars.  Om de tijd totdat Liszt zou arriveren, op te vullen, nodigde onze gastvrouw ons uit allemaal te spelen  en ze liet  de laatst aangekomene beginnen. Nadat we ons allemaal hadden ‘blootgegeven’ werden kleine tafeltjes aangedragen en werd het souper opgediend. We waren druk met elkaar en erg geanimeerd, toen de deur plotseling open ging en Liszt verscheen. Dadelijk gingen we staan en hij schudde ieder de hand zonder af te wachten te worden voorgesteld.

  • Liszt maakt de indruk alles al te hebben meegemaakt. Zijn gelaat is om zo te zeggen met ervaringen bedekt. Hij draagt een lang abbé-gewaad dat bijna tot aan zijn voeten reikt. Hij deed me denken aan magiërs  uit tijden van weleer en het was alsof hij ons allemaal met gebruik van een toverstokje kon veranderen.  Na de begroeting ging hij de andere kamer in en ging daar zitten. De jongelui gingen om hem heen staan  en boden hem sigaretten aan die hij aannam en rookte. Wij gingen verder met onze dwaasheden en ik ben ervan overtuigd, dat Liszt iets van onze briljante  ‘conversatie’ kon horen. Hij informeerde namelijk wie wij waren, waarop de gastvrouw miss W. en  mij – de beide vreemden – erbij haalde om ons aan hem voor te stellen. Daarna  vroeg hij me, of ik in Berlijn het concert van Sophie Menter had bijgewoond. Ik zei, dat dat inderdaad het geval was en hij zei dat Menter een grote favoriet van hem was en dat de dame van wie ik voor hem een brief had meegebracht,  zich erg voor haar had  ingezet.  Ik vroeg of Menter zijn leerlinge geweest was. ‘Nee, hij kon zich de eer van haar kunstzinnig succes niet aanrekenen’.  Later hoorde ik, dat hij veel voor haar had gedaan, maar niet wilde dat men zou geloven dat hij haar les gaf.  Na het roken van zijn sigaret stond Liszt op en zei : ‘Amerika moet nu aan bod komen’ en hij nodigde Miss W. uit hem iets voor te spelen.   Deze verschrikkelijke vuurproef hadden wij die pas gearriveerd waren, niet verwacht. Ik beefde van schrik, omdat ik bijna een week mijn piano had moeten missen en dus totaal onvoorbereid was, terwijl Miss W. sinds vijf uur ’s morgens op was en de hele dag had gestudeerd. Maar er was niet aan te ontkomen. Een woord van Liszt is een bevel. Miss W. ging zitten en bracht de zaak zo goed als onder deze omstandigheden te verwachten was, tot een einde. Liszt bewoog zijn hand, knikte van tijd tot tijd en leek tevreden te zijn.  Toen riep  hij de heer Leitert bij zich die een compositie van hem  heel mooi speelde. Liszt prees hem en klopte hem op zijn schouder. Ik sloop, zodra Leitert klaar was, de achterkamer in, in de hoop, dat Liszt me zou vergeten, maar hij volgde me op de voet, nam mijn beide handen en sprak me op de meest innemende wijze toe : ‘Mademoiselle, vous jouerez quelque chose, n’est-ce pas?’ Je hebt geen idee van zijn overredingskunst! Hij zou er jullie tot alles mee hebben kunnen verleiden. Het was zo’n verwarrend moment, dat ik zonder ook maar op iets te letten, zelfs zonder hem te zeggen dat ik onvoorbereid was, ging zitten en me als een bezetene op de ballade in As groot van Chopin stortte. Gelukkig speelde het instrument niet zwaar.  Liszt riep als maar ‘bravo!’ om me moed in te spreken en zo kwam ik er doorheen.  Toen klapte hij in zijn handen en zei :’Prima gespeeld!’.  Hij vroeg bij wie ik had gestudeerd en maakte een paar kleine opmerkingen. Ik hoopte dat hij mij van mijn plaats zou schuiven en zelf zou gaan spelen, maar dat deed hij niet.

  • Gisteren ging Miss W. naar hem toe. Hij vroeg, of ze Miss Fay kende en droeg haar op mij te zeggen, dat ik naar hem toe mocht komen. Zo zal ik morgen bij hem mijn opwachting maken hoewel ik niet weet hoe de leeuw zal zijn, wanneer ik hem in zijn kuil zal  opzoeken. 

  • Liszt wordt zo achtervolgd en met verzoeken gekweld, dat ik zeker zou zijn afgewezen zonder de aanbevelingsbrief van barones S. want hij bewondert haar zeer en ze heeft veel invloed op hem. Hij zegt, dat de mensen zich met dozijnen tegelijk aan hem opdringen en ervan uitgaan dat hij er alleen maar is om les te geven.  Overigens laat hij zich voor zijn lessen niet betalen.  Daar staat hij ver boven. Maar wanneer iemand genoeg talent heeft of hem bevalt, mag hij langs komen en hem voorspelen.  Ik ga om de andere dag naar hem toe, maar speel maar twee keer per week omdat ik niet zoveel kan voorbereiden. Ik luister dan naar de anderen. Tot nu toe waren er behalve ikzelf maar vier studenten in zijn klas en ik ben de enige nieuweling.  Hij ontvangt zijn leerlingen van vier tot zes in de middag. Urspruch en Leitert, die ik kort geleden ontmoette, hebben al lange tijd bij Liszt gestudeerd en spelen allebei meesterlijk.  Mejuffrouw Schultz en Miss Gaul zijn eveneens zeer begaafde leerlingen.

  • Toen ik voor het eerst Liszts salon binnen ging, speelde Urspruch juist Schumanns ‘Symfonische Etudes’, een geweldige compositie die wel een half uur duurt.  Zijn voordracht was zo geweldig, dat de moed me in de schoenen zonk, omdat ik dacht dat  niveau nooit te zullen bereiken.  Liszt kwam me tegemoet en begroette me zeer vriendelijk.  Hij was in een zeer goed humeur en maakte voortdurend kleine geestige opmerkingen. Ik speelde dit maal niet zelf, maar ging naar huis en studeerde verschillende dagen achtereen Chopins sonate in b klein. Toen ik meende die te beheersen ging ik, hoewel met sidderend hart, naar Liszt toe. Ik kan niet zeggen hoeveel moeite het me telkens kost de trappen van zijn huis op te gaan. Ik vind nauwelijks de moed zijn kamer binnen te gaan en sta meestal een hele tijd op de drempel voordat ik het besluit neem.

  • Deze dag viel me bijzonder zwaar omdat ik voor het eerst echt voor hem zou spelen. Hij spreekt zo onduidelijk dat ik bang ben zijn correcties te missen. Dan kan hij ongeduldig worden want hij heeft een hekel aan uitleg. Ik denk dat hij het haat moeite te doen voor zijn Duits. Hij mompelt wat woorden en breekt zijn zinnen op de helft af. Toen ik gisteren bij hem was, sprak hij voortdurend Frans met mij en met de anderen Duits.

  • Toen ik arriveerde waren alleen Leitert, Urspruch en de jonge componist Metzdorf, die altijd in Liszts gezelschap is, in de kamer aanwezig.  Hij groette me maar nam verder geen notitie van me totdat Metzdorf zei :’Herr Doktor, Miss Fay heeft een sonate meegebracht’. Liszt antwoordde: ‘Ah mooi, we gaan er naar luisteren’. Toen ging hij even de kamer uit en ik vroeg de drie heren zich uit de kamer te verwijderen en mij alleen Liszt te laten voorspelen.  Ze lachten me uit, en dachten er niet aan zich ook maar één centimeter van me te verwijderen. Toen Liszt terug kwam, zeiden ze :’Miss Fay wil ons wegsturen’. Ik probeerde duidelijk te maken dat ik voor zulke virtuozen niet kon spelen. ”O, maar dat is heel gezond voor je”, antwoordde Liszt, ‘Dan heb je een heel select publiek’. Ik weet niet, of hij zag, hoe nerveus ik was, maar in plaats van heen en weer te wandelen in de kamer, zoals hij meestal deed,  ging hij als een echte leraar naast me zitten en liet me het eerste deel spelen. Het is erg moeilijk, maar ik had zo veel geoefend, dat ik er tamelijk goed doorheen kwam.  Niets kan tippen aan zijn beminnelijkheid en de moeite die hij aan me besteedde. Zijn nabijheid motiveerde  me, in plaats van me bang te maken.  Een zo inspirerende leraar had ik nog nooit meegemaakt! Hij is de eerste echt sympathieke persoon die ik als pianoleraar gehad heb. Je voelt je bij hem zo vrij. Hij leidt je binnen  in de geest van de muziek. Hij  loopt niet steeds om je heen om je te bekritiseren maar laat ook ruimte voor je eigen opvatting. Hier en daar geeft hij commentaar op een passage of speelt die voor en met een paar woorden geeft hij je voor een leven lang stof om na te denken. In alles wat hij zegt zit een subtiele kern, even subtiel als hij zelf. Aan technische aspecten maakt hij geen woord vuil, die moet je alleen zien te beheersen. Toen ik het eerste deel van de sonate had gespeeld, zei hij,  zoals altijd: ‘bravo!’ en ging op mijn plaats zitten, maakte wat kleine opmerkingen en liet me dan weer verder spelen. Nu kende ik de andere delen maar half. Het eerste is namelijk zo vreselijk moeilijk, dat ik er al mijn energie aan gespendeerd had, zodat ik aan de voorbereiding van de andere delen nog niet echt was toegekomen. Voorspelen voor Liszt herinnert me aan de poging een olifant in de dierentuin met suikerklontjes te willen voeren. Hij beschikt over een volledige kennis van alle aspecten  alsof het niets was en verlangt serieus nog meer. Gelukkig begon een van mijn vingers te bloeden en dit gaf me een handige smoes om te stoppen. Liszt ging zitten en speelde de andere drie delen. Het was toen voor het eerst, dat ik hem hoorde spelen. Ik wist niet welk deel ik het mooist gespeeld vond, het scherzo met zijn wonderbaarlijke snelheid en lichtheid, het adagio met zijn diepe pathos of de finale waar de piano schijnt te ‘donderen en te bliksemen’. In alles wat hij speelt steekt zoveel vitaliteit, dat het lijkt dat het niet alleen muziek was waar we naar luisterden, maar dat hij een reële gestalte in het leven had geroepen die we voor onze ogen konden horen ademen. Wanneer ik hem hoor spelen krijg ik een spirituele ervaring : het is alsof de lucht gevuld is met geest. Ach! Hij is een ware tovenaar! Het is even interessant hem te zien als te horen, want zijn gelaatstrekken veranderen bij elke modulatie en hij straalt exact uit wat hij speelt. Er is iets in hem dat je te pakken neemt, een soort delicate, toevallige luchtigheid die hier en daar op je afstraalt. Wanneer hij op die manier speelt, krijgt zijn gezicht een betoverende uitdrukking. Het lijkt alsof een kleine kobold plagend tevoorschijn schiet en verstoppertje met je speelt.

  • Vrijdag bracht Liszt mij een bezoek en improviseerde zelfs wat op mijn piano.  Denk je eens in, zo’n  buitenkans! Hij nodigde me ook uit voor een matinee komende zondag die hij ter ere van een gravin op doorreis gaf. Geen van zijn andere leerlingen was uitgenodigd. Toen ik de kamer binnen kwam, waren er behalve Liszt maar drie personen : de groothertog, barones M (van geboorte een Russische prinses) en de echtgenote van een Russische minister. Ze stonden bij Liszt en spraken Frans.  Ik had er geen idee van wie ze waren want de groothertog was in ochtendkostuum en niet aan een ster of andere decoratie te herkennen. Toch zag ik met één oogopslag, dat het allemaal voorname aristocraten waren. Daarom sprak ik tot mijn geluk maar niemand aan hoewel ik me, toen ik daar op mijn eenzame post stond,  eigenlijk gedwongen voelde toch iets te zeggen  om mijn verlegenheid te maskeren. Men had me trouwens al gewaarschuwd, dat Liszt nooit mensen aan elkaar voorstelt. Hij begroette me uiterst vriendelijk en presenteerde me toch nog aan de barones, maar haar vreselijke eigendunk  maakte het haar onmogelijk meer dan een paar kille woordjes uit te brengen. Ik was erg opgelucht toen meer mensen binnen kwamen en ik me in een hoekje kon terugtrekken om onopgemerkt te blijven. Ik voelde me onbehaaglijk als vreemde dicht bij vier fashionables te staan en met geen van hen te durven spreken, omdat ze me nu eenmaal zelf niet aanspraken.

  • Toen het gezelschap bijeen was telde ik veertien personen, bijna allemaal van een titel voorzien. Ik was de enige non-valeur.  Liszt straalde. Hij kwam op me af en beloofde me een kaartje voor een privé-concert waarin alleen maar composities van zijn hand zouden worden gespeeld. Hij scheen erop uit te zijn me op mijn gemak te laten voelen. Hij speelde vijf keer, maar geen grote stukken, een teleurstelling voor mij, te meer omdat de laatste drie stukken duetten waren die hij met muziekdirecteur Lassen speelde. Hij vroeg me om te slaan. Grote God! Wat kan hij van het blad lezen! Voor mij was het een hele klus, want hij overziet met één blik vijf maten zodat je het moment moet raden waarop hij de bladzijde wil laten omslaan.  Eén keer sloeg ik te laat om, één keer te vroeg.  Het was voor mij, verlegen als ik ben, niet de ideale situatie!

  • Mijn verjaardag vandaag geloofde ik niet beter te kunnen vieren dan door Liszt een bezoek te brengen. Ik was nog niet zo ver om te kunnen voorspelen, maar toch nam ik zijn tweede ballade mee om hem enkele vragen te stellen over moeilijke passages. Hij stond erop, dat ik zou spelen. Toen we binnen kwamen zag hij er niet goed uit; hij leek nerveus. De muziek legden was zoals gewoonlijk op tafel. Hij kijkt de muziek door en noemt het stuk dat hij wil laten spelen. Hij ziet mijn muziek en roept : ‘Wie speelt deze grote, machtige ballade van mij?’. Het was alsof hij me had gevraagd : ‘ Wie sloeg Cock Robin dood?’. Het was alsof ik werkelijk degene was die het had gedaan, alleen voelde ik me om eerlijk te zijn niet zo licht van vleugels als het musje, want Liszt scheen in een zeer slecht humeur te zijn en was grof uitgevallen tegen degenen die voor mij hadden gespeeld. Eindelijk vatte ik moed en zei, dat ik het was, maar dat ik de ballade nog niet goed in mijn vingers had. ‘Geeft niets, speel maar’, antwoordde hij. Ik ging zitten en wachtte tot hij op zijn minst mijn hoofd zou afslaan. Maar gek genoeg leek hij over mijn spel tevreden te zijn en zei, dat ik hem bijna ontroerd had. Denk je eens in! Dat van Liszt! En nog bij een eigen compositie! Toen ik verder speelde, nam hij mijn handen in de zijne en zei : ‘ Vandaag heb je je met roem overladen’.  Ik antwoordde dat ik nog maar pas met het stuk begonnen was, maar dat ik hoopte dat hij me het stuk nog eens zou laten spelen, wanneer ik het beter beheerste.  ‘Wat, moet ik je nog grotere complimenten maken?’. ‘Natuurlijk’
  •  . ‘Il faut vous gâter?’. ‘ Oui’, zei ik en hij moest lachen.

  • Gisteren had ik  Au bord d´ une source van Liszt voorbereid. Ik was nerveus en speelde slecht. Toch raakte hij niet geïrriteerd, maar deed,  alsof ik het schitterend had voorgedragen. Hij ging zitten en speelde het hele stuk zelf. Prachtig!  Ik vond mezelf gewoon een houthakker. De tonen schenen met een bijna onmerkbare beweging van zijn vingertoppen te druppelen. Tegen het einde van het stuk zag ik een schalkse uitdrukking op zijn gezicht verschijnen, het teken dat hij wil verrassen. Plotseling sloeg hij een onverwachte toon aan en improviseerde een poëtisch slot, totaal verschillend van de originele geschreven noten. Vind je het gek, dat de mensen tegenover hem hun bezinning verliezen?




  • Toen we deze week bij Liszt waren was hij zo goed geluimd, dat hij wel twintig jaar jonger scheen te zijn geworden. Een student aan het conservatorium van Stuttgart, de heer B.  speelde een concert. De hele tijd hield Liszt een klein satirisch vuur brandend, maar op een goedmoedige manier. Wanneer het mij was overkomen zou het me niet boos hebben gemaakt, integendeel, het zou me hebben gestimuleerd. Al zijn opmerkingen zijn zo ter zake. Bij een passage waar B. de melodie zachtjes, bijna onduidelijk, speelde, ging Liszt plotseling op zijn plaats zitten en zei: ‘Wanneer ik speel,  speel ik steeds voor het publiek op de galerij zodat de mensen die maar vijf Groschen voor een plaats betalen, ook nog wat kunnen horen. Toen begon hij en o, ik zou willen dat jullie dat hadden kunnen horen! De toon leek niet forte te zijn, maar hij droeg ver. Daarna hief hij zijn hand in de lucht en je zag het publiek op de galerij voor je, terwijl het de tonen in zich opnam. Dat is de manier waarop Liszt les geeft. Hij geeft je een idee, dat neemt bezit van je geest en daar blijft  hangen. Muziek is voor hem zo´n  reëel, zichtbaar ding, dat hij steeds in de fysieke wereld dadelijk een gelijkenis of een teken vindt om zijn ideeën tot uitdrukking te brengen. Op een keer bewoog ik mijn hand bij een moeilijke passage op een draaiende manier. Hij zei : ‘Houd je hand stil, je bent geen omeletten aan het maken’. Ik moest natuurlijk lachen. Jammer genoeg is hij net als Tausig veel te zuinig met zijn spel, hij speelt hoogstens een paar maten achtereen. Het is vreselijk, wanneer hij juist dan ophoudt, waar een superieure passage begint. Maar hij is zo ongelofelijk blasé dat hij niet voor zich zelf durft uit te komen en het niet kan uitstaan wanneer iemand hem een compliment maakt. Zelfs aan het hof stoort het hem, zodat de groothertogin de aanwezigen dan maar verzoekt er geen nota van te nemen wanneer hij van de vleugel opstaat.

  • Soms doet Liszt zulke betoverende kleine dingen! Onlangs bijvoorbeeld speelde mejuffrouw Gaul in een stuk twee loopjes en na elk loopje twee staccato-akkoorden. Dat deed ze heel mooi en sloeg de akkoorden er vlak na aan. ‘Nee, nee,’zei Liszt, ‘na ieder loopje moet je een minuut wachten voordat je het akkoord aanslaat als uit bewondering voor hun eigen uitvoering. Je moet pauzeren alsof je wilde zeggen : wat goed heb ik dat gespeeld’. Toen ging hij zitten, speelde een loopje, wachtte een seconde en sloeg dan twee akkoorden scherp aan en zei daarbij : ‘bra-vo’, en werkelijk, het was, alsof de piano zacht had geapplaudisseerd! Op deze manier draagt hij elk stuk voor alsof het instrument met een menselijke tong praatte.

  • Onze pianoklas is ondertussen uitgegroeid tot een dozijn studenten en heel veel anderen komen een- of tweemaal om Liszt wat voor te spelen, en gaan dan weer, zoals de lieve kleine leerlinge van Henselt, mejuffrouw Kahrer. Ze was een zeer interessant schepseltje en vertelde wat komische verhalen over Henselt die een giftig temperament heeft en erg streng moet zijn.  Ze vertelde dat hij op een dag  les gaf aan prinses Katharina en zo buiten zich zelf raakte door haar slechte spel, dat hij de muziek weggriste en op de grond slingerde. De prinses verloor haar gelijkmoedigheid niet. Ze sloeg haar armen over elkaar en zei: ‘Wie ruimt dat ook weer op?’. Hij moest zich dus bukken en de muziek weer op zijn plaats leggen.

  • Ik heb Liszt maar een enkele keer geïrriteerd gezien, maar dat was dan ook heel heftig. Als een leeuw gedroeg hij zich! Dat gebeurde, toen een leerling van het conservatorium te Stuttgart het waagde de Sonata Appassionata te spelen. Hij had veel techniek en een tamelijk goede interpretatie, maar toch was hij tegen dit werk niet opgewassen. Eigenlijk moet alleen een perfect kunstenaar als Tausig of Bülow zich aan dit werk wagen. De middag was heet, de wolken trokken zich voor een storm samen. Toen de pianist begon bewogen de toppen van de bomen wild heen en weer en uit de verte was de zachte donder te horen. ‘Ach’, zei Liszt’, die bij het raam stond, met zijn delicate vindingrijkheid, ‘wat een passende begeleiding’.

  • De Stuttgarter maakte enkele zo opvallende fouten, niet in de noten, maar in het ritme, dat Liszt uitriep : ‘Je komt van Stuttgart en speelt ook zo’.  Daarop volgde een lange tirade tegen het conservatorium en leraren in het algemeen. Hij leek zelf wel een onweersbui. Fronste zijn voorhoofd, liet zijn hoofd hangen en zijn lange haar viel over zijn gezicht terwijl de arme pianist er bij zat als een geslagen hond. O, het was vreselijk! Wanneer het mij was overkomen zou ik door de grond zijn gegaan, want Liszt is altijd zo beminnelijk, dat het contrast des te opvallender was. ‘Maar dat gaat jou niets aan’, zei hij toen op een verzoenlijke toon terwijl hij zichzelf  een halt toeriep. Hij lachte weer en zei :’Speel maar door’.

  • Liszt mist de nerveuze prikkelbaarheid die kunstenaars zo eigen is. Sterker nog, hij is erg opgewekt en rustig. Ik ben heel vaak bij hem geweest en heb hem maar een enkele keer uit zijn vel zien springen, maar toen was hij moe en niet zichzelf. Wanneer ik naga hoe geïrriteerd Tausig vaak was en hoe snijdend sarcastisch Kullak soms kan zijn, verbaast het me echt, hoe zelden Liszt zijn rust verliest. Hij heeft het in zich ieders beste kant naar voren te laten komen en hij vindt die beste kant met verrassend gemak. Wanneer er iets in je steekt, kun je er zeker van zijn, dat Liszt er achter komt.

  • Liszt oefent een zo inspirerende invloed uit, dat je moet proberen dubbel zo intensief met hem verder te gaan, dus met dubbele energie. Ik ben nu meer dood dan levend omdat we gisteren een les van vier uur bij hem hadden. Er waren twintig pianisten die allemaal graag wilden spelen en omdat Liszt in een goed humeur was, speelde hij zelf ook veel. Het was allemaal fantastisch, maar ook vreselijk vermoeiend.  Toen ik van les thuis kwam wierp ik me op de sofa en het was alsof ik nooit meer zou opstaan. Een zware werkdag lag achter me.  Eerst ’s ochtends vier uur studeren, dan een nerveus, angstig gevoel dat me van mijn eetlust beroofde en me verhinderde mijn middagmaal te  nuttigen, dan de nodige uren bij Liszt waar een hele serie van concerten, fantasieën en alle mogelijke angstaanjagende stukken werden gespeeld.  Je weet daar nooit voor welk publiek je gaat spelen, het is het muzikale hoofdkwartier van de hele wereld. Conservatoriumdirecteuren, componisten, pianisten, aristocraten, iedereen komt maar binnen en men moet met die schokkende ervaring zo goed als men kan, omgaan.  De salon is altijd overvol.

  • Wanneer iemand van de jonge pianisten hem een sonate brengt, protesteert hij met een zogenaamd boos gezicht. Maar dan bezint hij zich en zegt : ‘Goed, begin maar’. Dan heeft hij ook alle aandacht. Wanneer hij les geeft over stukken van Beethoven, blijft de muziek er altijd bij, een bewijs van zijn zorgvuldigheid, want hij kent alle sonates van buiten. Hij gebruikt de uitgave van Bülow die hij open doet en op het einde van de vleugel legt. Terwijl hij op en neer loopt, komt hij daar weer terug en laat de rest van de klas de passages zien die zojuist gespeeld zijn. Bülow heeft waarschijnlijk veel van zijn ideeën van Liszt.

  • Soms slaat Liszt ook wel eens een foute toon aan, maar dat brengt hem helemaal niet van zijn stuk, integendeel! Het amuseert hem eerder, wanneer hij misslaat, omdat hij dan gelegenheid heeft zijn genie te laten blijken en het stuk zo om te buigen dat de foute toon gaat dienen als de leidtoon naar nieuwe, onverwachte schoonheden. Iets dergelijks overkwam hem bij een van de zondags-matinees toen de kamer vol was van een select gezelschap en zijn leerlingen.  Hij arpeggieerde dat het een lust was, van de bas naar boven, over het hele toetsenbord, totdat hij een halve toon lager terecht kwam dan de bedoeling was. Ik hield mijn adem in en was er benieuwd naar  of hij de harmonie onopgelost zou laten of dat hij zich aan de schande zou onderwerpen om zich, zoals gewone stervelingen doen, te corrigeren. Een vage lach gleed over zijn gezicht alsof hij wilde zeggen : ‘denk nou maar niet, dat zo’n kleinigheid me in de problemen brengt’.  Ogenblikkelijk liet hij zijn handen over het klavier naar beneden gaan, in harmonie met de fout aangeslagen toon, en dan vrij naar boven in een tweede grote passage, maar dit maal tot en met de goede noot. Nooit heb ik een volmaaktere proeve van bekwaamheid gezien. Die intelligentie was voor Liszt heel karakteristiek. In plaats van dat hij ons gelegenheid gaf te zeggen :’Hij heeft een fout gemaakt’ , dwong hij ons toe te geven : ‘Hij laat ons zien hoe je je uit een moeilijke situatie moet zien te redden’.

  • Wat betreft jullie vragen over het conservatorium, ik kan er niet veel meer van zeggen dan wat jullie ondertussen al hebben gehoord. Het conservatorium van Stuttgart wordt als het beste beschouwd. Daar worden de studenten door een regelmatige, trapsgewijs opgebouwde methode geleid, te beginnen met de handhouding en het optillen van de vijf vingers. Er zijn bepaalde oefenstukken die alle studenten moeten spelen. Zo was het ook in het conservatorium van Tausig. Eerst moesten we Cramer doorwerken, dan Czerny, Gradus ad parnassum,  Moscheles, Chopin, Henslt, Liszt en Rubinstein. Ik zelf ben niet verder dan Chopin gekomen, maar bij Kullak heb ik een jaar lang Czerny’s  Virtuozenschool gestudeerd, het boek waar hij bij zweert. Je hebt jaren nodig om het helemaal te leren kennen. Maar wanneer je het helemaal hebt doorgewerkt, dan ben je ook een echte pianist.

  • Zelf denk ik, dat de ’virtuozenschool’ iets onvermijdelijks is, hoezeer ik er ook een hekel aan heb. Niets anders leidt tot een perfect techniek. Deze methode vergt enorm veel, maar ze egaliseert  de vingers en maakt die sterk. Ze leert om tijd te nemen, of zoals de Duitsers zeggen : ’Ze geeft rust’. Het grote sine qua non! Je leert ‘uitspelen’ zoals Kullak zegt. Ik heb het hoofd van het conservatorium van Stuttgart, Lebert, gezien.  Hij was deze zomer hier en ik had lange gesprekken met hem. Hij beschouwt Bach als het beste studiemateriaal en met name het Wohltemperierte Klavier als basis. In Stuttgart studeren ze allemaal Bach. Ik doe het nu ook, omdat ik het voortreffelijke muziek vind. Maar volgens mij komt het uiteindelijk op hetzelfde neer of je nu Bach, Czerny of de Gradus neemt. Je moet wel bij dezelfde muziek blijven.  De hoofdzaak bij alle drie is, dat elk van je vijf  vingers steeds weer ‘dumm, dumm, dumm’ maakt. Tausig was voor de Gradus en studeerde hem elke dag , in verschillende sleutels, speelde het zelfde met de rechter en met de linker hand en maakte de problemen zelfs nog groter. Ik vond ze al groot genoeg zoals ze genoteerd stonden. Bach maakt de vingers sterk en onafhankelijk. Czerny egaliseert ze en zorgt voor licht spel. De Gradus is niet alleen goed voor de vingers, maar ook voor de arm en de pols. Hij zorgt voor meer power bij het spelen.

  • Alle conservatoria bieden wekelijks tenminste zes lesuren aan, twee voor solospel, twee voor het van het blad lezen en twee voor compositie. Dan zijn er ook nog muzikale colleges van de professoren. Alle grote conservatoria hebben een orkest dat gewoonlijk bestaat uit de eigen studenten en enkele professionele musici. Met dit orkest spelen de beste pianisten elke vier tot zes weken hun concerten. Het aantal van de officiële  concerten verschilt van school tot school. De Hochschule in Berlijn geeft jaarlijks twee uitvoeringen in de Singakademie. In Stuttgart zijn het er, voor zover ik weet, vier. Kullak zegt dat hij er één heeft, maar hij interesseert zich zo weinig voor zijn studenten, dat hij, als hem dat aanstaat, zelfs dat ene concert nog schrapt. Over de organisatie van zijn Akademie weet ik niet veel, omdat ik alleen maar in zijn eigen klas kwam. Ik woonde te ver weg om theorie- en compositieles te nemen. Volgens Liszt zijn van alle pianostudenten die van Kullak het best opgeleid, wat me verraste, omdat er tussen hem en Stuttgart een nauwe band bestaat en hij zijn leerlingen altijd adviseerde naar dit conservatorium toe te gaan.

  • Ze besteden daar veel aandacht aan techniek en volgens mij leert men daar de studenten beter hoe ze moeten studeren. Stuttgart lijkt me de plaats waar de machine juist wordt afgesteld, maar Kullak is meer op het hoofd gericht. Er is hier een jonge Amerikaan, de heer Orth, die twee jaar gestudeerd heeft bij Kullak en één jaar in Stuttgart en nu weer naar Kullak terug gaat. Volgens hem is niet Lebert maar Pruckner de steunpilaar van het conservatorium in Stuttgart. Anderzijds is volgens miss Gaul is Lebert, die zich om haar veel moeite heeft getroost, een voortreffelijk docent.   Met hem is het waarschijnlijk als met alle andere die, wanneer ze een leerling graag mogen, veel voor hem doen, anders niet. Liszt is daar geen uitzondering op. Ik heb hem jonge talentvolle pianisten volkomen zien verwaarlozen, alleen maar omdat hun persoonlijkheid hem niet beviel.

  • Jullie vragen me Clara Schumann, Bülow, Tausig en Rubinstein met elkaar te vergelijken. Dat zal nog niet meevallen want ze verschillen onderling enorm.  Clara Schumann is door en door een pianiste van de klassieke stempel. Beethoven en Bach zijn haar componisten. In haar spel is ze niet bijzonder subtiel en poëtisch. In haar interpretatie mist ze scherpzinnigheid. Ze speelt met veel vuur en over het algemeen genomen is haar stijl groots, afgewerkt, solide en gedegen. Ik zou haar een gezonde pianiste willen noemen. Qua analyse schiet ze tekort en er steekt geen Balzac of Hawthorne in haar. Beethovens  variaties in c klein waren misschien wel het beste dat ik van haar heb gehoord en ze zijn toch bijzonder moeilijk. Volgens mij speelde zij ze mooier dan Bülow hoewel ook hij een groot Beethoven-vertolker is. Ze speelt vaak steeds dezelfde stukken, misschien omdat ze de moderne manier van uit het hoofd spelen te gewaagd vindt. Men vertelt dat ze over de noodzaak dat toch te moeten doen de nodige tranen heeft gestort. Het is eigenlijk belachelijk daar bij een zo groot pianiste als Clara Schumann op te letten.  Laten we iedereen toch zijn eigen individualiteit gunnen!

  • Bülows spel is veelzijdiger en wordt door  grote energie gekenmerkt. Die is bij hem gewoonweg onbegrensd en hoe meer hij speelt, hoe meer de interesse groeit. Van de vier  genoemden  is hij me het meest sympathiek.  Chopin speelt hij even goed als Beethoven en Schumann. Kortom: hij is het summum van pianistiek, maar toch ook weer niet onfeilbaar.  Ik ben er getuige van geweest hoe hij zich een keer enorm vergaloppeerde. Hij vertrouwt te veel op zijn geheugen en bereidt zich niet genoeg voor. Hij speelt alles uit het hoofd, en wat voor een programma’s  zijn dat! Bij alles slaat hij beslist de spijker op zijn kop. En dan zijn aanslag! Je zou de laatste twee delen uit de Mondschein-sonate eens van hem moeten horen zoals hij daar de arpeggio’s in de rechterhand laat opkomen, zo licht en pianissimo, en dan pats, boem de beide akkoorden neemt. Bij de gavottes, Gigues en suites van Bach glijdt er een schalkse lach over zijn gezicht en hij voegt de meest potsierlijke grappen toe.  Hij ziet heel goed waar het op aankomt en dat  zorgt ervoor, dat je het zelf ook gaat zien. Misschien beschrijf ik zijn uitzonderlijke niveau het best wanneer ik zeg, dat hij de indruk maakt alsof hij het instrument alleen maar gebruikt om ideeën uit te drukken. Je vergeet bij hem de piano totaal en bent alleen maar met de inhoud van het stuk bezig.

  • Rubinstein hebben jullie al gehoord. Volgens velen is hij de gelijke van Liszt. Ik begrijp echt niet dat jullie hem ongevoelig vonden spelen, want hij is hier juist beroemd van wege het vuur en de hartstocht die hij in zijn spel legt, zijn levendige fantasie en zijn unieke vindingrijkheid.  Volgens mij snijden Tausig, Bülow en Clara Schumann eerst een stuk volledig op maat voordat ze het uitvoeren; bij Rubinstein gebeurt dat op het moment zelf. Hij speelt zonder plan.  Misschien hoorden jullie hem ’s  middags spelen en was hij niet in de stemming. Als componist staat hij ver boven de andere drie. Tausig leek meer op Liszt in de vrijheid die hem zo eigen was. Daarom was hij een betere Chopin-vertolker dan wie dan ook, Liszt natuurlijk uitgezonderd. Nooit zal ik zijn interpretatie van de ballade in g klein van Chopin vergeten, een goddelijke compositie, die hij met warmte en hartstocht speelde, zo poëtisch dat hij werkelijk de toehoorders met betovering vervulde en er enkele minuten verstreken voordat er applaus klonk. Het was als een in de lucht zwevende droom van schoonheid die men niet waagde te onderbreken. Tausig had een grote liefde voor Chopin, en zou hem graag gekend hebben. Naar mijn idee had hij meer virtuositeit en toch ook een subtieler gevoel dan Bülow of Rubinstein.  Zijn aanslag, zijn perfectie ging alles te boven. Maar hij bleef onaangedaan, tenminste in de concertzaal, behalve wanneer hij Chopin speelde. Helaas had ik destijds nog te weinig gestudeerd om mij voor gerechtigd te houden hem te bekritiseren. Ik twijfel eraan of hij de ‘erfgenaam van Liszts spel’ zou zijn geworden, want in de winter waarin hij gestorven is, zei Kullak tegen me dat zijn spel van jaar tot jaar droger werd, waarschijnlijk door zijn ziekelijke afkeer van ‘spektakel’ zoals hij het noemde, terwijl Liszt zich altijd door zijn emoties liet meeslepen.

  • De Philharmonie-concerten vinden hier elke dag plaats terwijl niemand naar de enkele pianorecitals gaat. De kleine Laura Kahrer, nu mevrouw Rappoldi, die ik in Weimar bij Liszt hoorde, wilde met haar man, een uitstekend violist,  hier optreden. Ze waagde het evenwel niet omdat alle musici haar zeiden dat ze niet uit de kosten zou komen. Ze speelde nog wel tijdens een Philharmonieconcert, maar sindsdien wilden ze ook daar geen pianospel meer hebben. Het kan niemand wat schelen tenzij Clara Schumann, Bülow of Rubinstein spelen. Ik vond, dat mevrouw Rappoldi voortreffelijk had gespeeld, maar ik stond in deze mening helemaal alleen. Het was een verschrikkelijk fiasco. Iedereen viel over haar heen. De kritiek luidde ongeveer als volgt : mevrouw Rappoldi speelt heel aardig, echt vrouwelijk, maar ze heeft geen toon etc. Arm ding! De volgende dag, toen Schubert bij haar kwam stortte ze bittere tranen en terecht.  Schubert is een van de directeuren van de Philharmonie en via hem  kreeg ze haar engagement. Hij was evenzeer ontstemd over de mislukking als zij. ‘Dat heb je ervan’,  zei hij tegen me, ‘wanneer je mensen aanbeveelt. Wanneer ze niet bevallen moet je alle verwijten op je nemen’.  Hij merkte, dat hij zijn vingers had verbrand. Volgens mij was de enige oorzaak ervan dat mevrouw Rappoldi geen succes had, dat ze er niet charmant uitzag. Ze was niet modieus gekleed en haar haar zag eruit als dat van een Fidschi-eilander. Het publiek lachte al voordat ze begon. Het is waar : ‘kleding maakt ook de vrouw’.

  • Mijn achting  over de menselijke natuur is gedurende mijn reis niet gestegen en deze winter heeft daaraan niets veranderd.

  • Ik realiseer me nu, hoezeer het karakter van de mensen, de mannen even goed als de vrouwen, zonder eigen religie op een dwaalspoor raakt. Ik geloof wel, dat religie in Duitsland een rol speelt, maar ik heb er eigenlijk maar weinig van gemerkt, noch bij protestanten noch bij katholieken, en het resultaat is gewoonweg verschrikkelijk! Een gelijkwaardig middel om de bevrediging van elke drift een halt toe te roepen, is er eenvoudig niet. Jalousie schijnt me de nationale ondeugd van de Duitsers te zijn. Iedereen is op iedereen jaloers, ook al is dat dwaas en ongemotiveerd. Oude vrouwen zijn jaloers op jonge, ja, zelfs zussen zijn in die mate jaloers op elkaar dat ik het niet zou geloven als ik het niet met eigen ogen had gezien.

  • Ik popel nu van verlangen naar huis te gaan en om helemaal voor mezelf te studeren en daarbij zoveel tijd te nemen als ik voor een stuk nodig heb.

  • Vertaling : Spijkenisse,

  • woensdag 12 oktober 2016